direct naar inhoud van Toelichting
Plan: 1e partiële herziening De Proeftuin
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

De onderhavige partiële herziening heeft betrekking op het vigerende bestemmingsplan 'De Proeftuin', zoals dat is vastgesteld op 15 december 2011. Dit bestemmingsplan is een digitaal bestemmingsplan in de zin van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het mogelijk om een partiële herziening vast te stellen.

1.1 Ligging en begrenzing

De partiële herziening heeft betrekking op de locatie 'De Proeftuin' in gemeente Cromstrijen. Het plangebied wordt globaal begrensd door:

  • Ten noorden: het 'Oude Diep';
  • Ten oosten: Bedrijventerrein Middelsluis-Proeftuin;
  • Ten zuiden: Voltastraat;
  • Ten westen: Rijksstraatweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied

1.2 Aanleiding planherziening

Bij het opstellen van het vigerende bestemmingsplan 'De Proeftuin' is een regeling opgenomen die ruimte biedt aan bedrijven met een maximale perceelsoppervlakte van 2.000 m2. Inmiddels is het beleid van zowel de regio als de provincie aangepast en is het maximum van 5.000 m2 per perceel vervallen. Met name voor verplaatsing van bedrijven binnen de Hoeksche Waard zijn nieuwe afspraken gemaakt. Nu ook de economie na jaren van crisis weer opleeft, is uit aanvragen gebleken dat de oude regeling in het geldende bestemmingsplan ten aanzien van bedrijfsomvang te beperkend is. Daarom dient het bestemmingsplan te worden aangepast.

In het vigerende plan is daarnaast een knip opgenomen in de verkeersstructuur om te voorkomen dat de Rijksstraatweg een (sluip)route zou worden voor vooral vrachtverkeer. Met de komst van nieuwe bedrijven op De Proeftuin, is de wens geuit om voor personeel/personenauto's wel een directe verbinding met de Rijksstraatweg te realiseren. Op dit moment wordt het bestaande en nieuwe bedrijventerrein (met uitzondering van de strook woonwerkkavels) voor gemotoriseerd verkeer alleen ontsloten op de Energieweg.

Het doel van deze herziening is dus tweeledig; enerzijds de beperking van het maximaal perceelsoppervlak per bedrijf in overeenstemming brengen met actueel beleid en regionale afspraken en anderzijds de ontsluiting voor personeel/personenauto's te verbeteren.

Om deze plannen te realiseren is een partiële herziening opgesteld welke betrekking heeft op een groot deel van het huidige bestemmingsplan 'De Proeftuin'.

1.3 Huidige juridische planregeling

De voorliggende herziening vervangt de juridische planregeling van het volgende bestemmingsplan:

Tabel 1.1: Overzicht geldend bestemmingsplan

bestemmingsplan   vastgesteld   onherroepelijk  
De Proeftuin   10 mei 2011   15-12-2011  

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0002.png"

Figuur 1.2: Vigerende bestemmingsplan De Proeftuin

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Wijziging

Met de partiële herziening worden twee veranderingen ten opzichte van de vigerende bestemming toegelicht.

Perceeloppervlakte

In het huidige bestemmingsplan 'De Proeftuin' staat in Artikel 3 onder hoofdstuk 2 de bestemmingsregels voor bedrijven beschreven. Geformuleerd onder 3.2.1.h. staat dat de maximale perceeloppervlakte per bedrijf ten hoogste 2.000 m2 mag bedragen. Onder artikel 3.4.2 staat dat het bevoegd gezag kan afwijken, van het bepaalde in artikel 3.2.1.h., bij een perceeloppervlakte van maximaal 5.000 m2.

Om de mogelijkheid te creëren voor het vestigen van lokale bedrijven met perceeloppervlakte groter dan 5.000 m2 op het bedrijventerrein De Proeftuin, is het noodzakelijk om deze regel aan te passen. Door geen maximum te stellen, sluit deze aan op beleid en regionale afspraken. Ook bedrijven met een grotere bedrijfsoppervlakte kunnen zich dan vestigen op het terrein, mits de bedrijfsvestiging past binnen de kaders van het regionale uitgiftebeleid.

In het beleid van provincie en regio is het maximum van 5.000 m2 per perceel zoals dat nu is vastgesteld in de regels van het vigerende bestemmingsplan 'De Proeftuin' niet meer opgenomen. De verdere beleidsonderbouwing wordt beschreven in Hoofdstuk 3 Beleidskader.

Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein is een beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Het toelaten van grotere bedrijven kan plaatsvinden binnen de daarin gestelde randvoorwaarden aangezien bedrijven ook al aaneen gebouwd konden worden gerealiseerd.

Verkeersontsluiting

De bedrijven die zich op het bedrijventerrein De Proeftuin willen gaan vestigen, hebben de wens om een directe ontsluiting voor personenauto's te krijgen op de Rijksstraatweg. De al bedachte (calamiteiten en langzaamverkeer) doorsteek toegankelijk maken voor personenauto's ligt hiervoor het meest voor de hand. Door bijvoorbeeld bebording en een doorrijhoogtebeperking kan voorkomen worden dat vrachtauto's ook deze route nemen.

Het plangebied 'De Proeftuin' bestaat uit een westelijk en een oostelijk deel, die in het oorspronkelijke plan alleen met elkaar in verbinding staan door middel van een calamiteitendoorgang, een fiets- en voetpad. Beide delen hebben een verschillende inrichting en daarbij hoort een eigen verkeersgeneratie. Uit al uitgevoerd onderzoek van Breijn (Bijlage 1 Verkeersrapport 'Ontsluiting locatie Proeftuin Numansdorp') volgt een verkeersgeneratie van 492 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) voor het westelijke deel en een verkeersgeneratie van 2.210 mvt/etmaal voor het oostelijke deel. Het westelijke deel sluit aan op de N488 en het oostelijke deel sluit aan op de Marconistraat/Energieweg.

Deze herziening gaat uit van het openstellen van de calamiteitendoorgang voor personenautoverkeer waardoor personenautoverkeer uit het oostelijke deel ook gebruik kan maken van de aansluiting op de N488. Het openstellen van de calamiteitendoorgang heeft gevolgen voor de routekeuze van het verkeer afkomstig uit het oostelijke deel en de verspreiding over het wegennetwerk, waarin met name oog is voor de dwarsdoorsnede A-A' op het zuidelijke deel van de N488. De focus ligt op dwarsdoorsnede A-A' aangezien hier relevante verschillen kunnen optreden in de verkeersintensiteit, wat weer gevolgen kan hebben voor de geluidsdruk op de nabij gelegen woningen. Naast verschillen op dit wegvak zullen er ook op andere wegvakken, bijvoorbeeld op het terrein zelf, verschillen optreden. Verder zal naar verwachting de intensiteit op de Energieweg en Marconistraat (de route die in het oorspronkelijk plan door iedereen vanuit plandeel oost moest worden genomen) iets afnemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0003.png"

Figuur 2.1: Ontsluiting plangebied

Aanpassing van de ontsluiting kan effect hebben op de geluidsbelasting op bestaande en nieuwe (bedrijfs)woningen. Dit is onderzocht en beschreven in Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. Als gevolg hiervan is de juridische regeling aangepast.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Onderstaand wordt ingegaan op rijks-, provinciaal en regionaal beleid. De Ladder voor duurzame verstedelijking en de Verordening zijn daarbij belangrijke elementen.

3.1 Rijksbeleid

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)

Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, moeten standaard een aantal stappen zetten die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Bij de ladder moet de regionale behoefte aangetoond worden (trede 1), of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied opgevangen kan worden (trede 2), en of de locatie multimodaal (op meerdere manieren) is of kan worden ontsloten (trede 3).

Toetsing

Trede 1

Het betreft in dit geval de toekomstige uitbreidingsbehoefte van bedrijven in de regio. Onder de regio verstaan we de Hoeksche Waard. Bedrijven die in deze regio gesitueerd zijn en willen uitbreiden, kunnen vaak niet anders dan verhuizen. Aangezien betreffende bedrijven in de meeste gevallen regiogebonden zijn, hebben zij de behoefte om zich binnen de regio te verplaatsen. Dit ten bate van de in de buurt wonende werknemers en samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld qua toelevering van producten en onderdelen, met de bedrijven uit de omgeving.

De gewenste verplaatsing van lokale bedrijven is in de meeste gevallen gegeven door de uitbreidingsbehoefte van het betreffende bedrijf. In regionaal verband zijn afspraken gemaakt over dergelijke situaties. Omdat het aanbod aan bedrijventerrein groter is dan de vraag, zijn in regionaal verband ook afspraken gemaakt over een aangepast programma. De nieuwbouwlocatie, De Proeftuin, is binnen die afspraken aangemerkt als te ontwikkelen bedrijventerrein.

Trede 2

De beoogde locatie De Proeftuin is beleidsmatig aangemerkt als bestaand stedelijk gebied en is bouwrijp, en voorzien van een passende ontsluiting en groene buffer aan de noordzijde, maar kan formeel niet als bestaand stedelijk gebied in de zin van het Bro worden gezien ondanks dat het onderdeel uitmaakt van de bebouwde kom en bouwrijp is gemaakt. Er is immers nog geen bebouwing aanwezig.

Binnen bestaand stedelijk gebied in de Hoeksche Waard zijn echter geen locaties beschikbaar voor bedrijven met een perceeloppervlakte van meer dan 5.000 m2. De beoogde locatie op De Proeftuin ligt direct aansluitend op bestaand bedrijventerrein en is geschikt en bestemd voor bedrijven.

Trede 3

De locatie is passend multimodaal (auto, fiets, openbaar vervoer) ontsloten, gericht op de bedrijfsfunctie.

Conclusie Ladder voor duurzame verstedelijking

De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit (2014)

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • ruimte bieden aan ontwikkelingen;
  • aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit;
  • allianties aangaan met maatschappelijke partners;
  • minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.

4 rode draden

In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0004.png"Figuur 3.1: Uitsnede kaart 'beter benutten bebouwde ruimte'

Bedrijventerreinen

Voor bedrijventerreinen wil de provincie de match tussen vraag en aanbod verbeteren. De huidige mismatch is kwalitatief en kwantitatief van aard, en er is te weinig ruimte voor functiemenging. Herstructurering van bestaande terreinen en aanleg van nieuwe terreinen blijft nodig. Enkele regio's hebben een overschot aan bedrijventerreinen.

De vraag naar functiemenging in stedelijke gebieden neemt toe. De provincie wil ook ruimte bieden aan organische ontwikkeling en functiemenging vanuit een oogpunt van betere benutting en kwaliteitsverbetering van het bestaand stads- en dorpsgebied. Met name bedrijventerreinen met milieucategorie 1 en 2 lenen zich voor functiemenging. In mindere mate is functiemenging ook mogelijk op bedrijventerreinen met milieucategorie 3, mits de belangen van bedrijven niet worden geschaad. Bedrijventerreinen met milieucategorie 4 en hoger verdragen zich niet met functiemenging, zeker niet met gevoelige functies zoals wonen.

Uitgangspunt voor bestemmingsplannen is het mogelijk maken van de hoogst mogelijke categorie op het bedrijventerrein. Herstructurering van bestaande bedrijventerreinen blijft een belangrijke opgave voor gemeenten.

Programma Ruimte (2014)

In het programma ruimte wordt voor de Hoeksche Waard uitgegaan van een behoefte van 24 hectare bedrijventerrein tot 2030. De Proeftuin staat aangegeven op de kaart "Woningbouwlocaties en bedrijventerreinen" én is opgenomen in Tabel 3 "harde capaciteit". Onduidelijk is waarom De Proeftuin niet is aangegeven op onderstaande kaart "strategie voor bedrijven" terwijl het terrein wel specifiek is opgenomen in de (regionale) programmering. Vooralsnog gaan wij er vanuit dat dit een fout in het kaartbeeld is aangezien het beleid anders niet consistent is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0005.png"

Figuur 3.2: Uitsnede kaart 'strategie voor bedrijven'

Conclusie visie en programma ruimte

De beoogde ontwikkeling staat (deels) aangegeven in het Programma Ruimte en geeft mede invulling aan de rode draad 'beter benutten en opwaarderen van wat er is'.

Verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie 3 december 2015)

In samenhang met de structuurvisie is de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Hierna is de ontwikkeling getoetst aan de relevante artikelen.

Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld;
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is;
    • 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Lid 2 Bestaand stads- en dorpsgebied

Onder bestaand stads- en dorpsgebied als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Lid 3 Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau

Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid.

Toetsing

Het betreft in dit geval de toekomstige uitbreidingsbehoefte van bedrijven in de regio. Onder de regio verstaan we de Hoeksche Waard. Bedrijven die in deze regio gesitueerd zijn en willen uitbreiden, kunnen vaak niet anders dan verhuizen. Aangezien betreffende bedrijven in de meeste gevallen regiogebonden zijn, hebben zij de behoefte om zich binnen de regio te verplaatsen. Dit ten bate van de in de buurt wonende werknemers en samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld qua toelevering van producten en onderdelen, met de bedrijven uit de omgeving.

De beoogde locatie wordt beleidsmatig door de provincie gezien als bestaand stedelijk gebied, omdat de locatie van De Proeftuin deels al bouwrijp gemaakt is (ten behoeve van bedrijven) en ook deels al is ingericht. Binnen het bestaand stedelijk gebied in de Hoeksche Waard zijn geen geschikte bebouwde locaties (bestaande bedrijfscomplexen) beschikbaar zoals benodigd voor de omvang/groei van bedrijven met een grotere perceeloppervlakte van 5.000 m2.

De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de kwaliteitskaart. Het gebied is namelijk aangemerkt als bestaand stedelijk gebied.

Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart;
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart;
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Toetsing

Het gebied is op de kwaliteitskaart aangemerkt als 'Kwaliteit in stads- en dorpsgebied'. Bedrijfsontwikkelingen op het bedrijventerrein passen in het beleid 'inpassen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0006.png"

Figuur 3.3: Uitsnede Kwaliteitskaart

Conclusie 

De beoogde ontwikkeling voldoet aan de relevante regels van de Verordening Ruimte en Mobiliteit.

Regionale bedrijventerreinenstrategie 2014 – 2030 (2014)

Uit de kwantitatieve vraaganalyse blijkt dat er tot 2030 vraag is naar maximaal 121 hectare bedrijventerreinen in de Hoeksche Waard, waarvan 40 ha. autonome vraag. De overige 81 hectare is afkomstig van buiten de Hoeksche waard. De kwalitatieve analyse laat zien dat dit beeld genuanceerder ligt en dat er slechts sprake zal zijn van incidentele vestigers, waarbij er tussen regio's onderling concurrentie is. Op basis van deze gegevens is het niet opportuun om in de programmering uit te gaan van een bovenregionale opvangfunctie.

Het huidige aanbod is 177 hectare en betreft zowel harde als zachte plannen. Op basis van de regionale vraag- aanbodconfrontatie blijkt dat er onvoldoende vraag is om al het bedrijventerreinenaanbod in de Hoeksche Waard tot ontwikkeling te brengen. De gemeenten en de provincie hebben daarom een aantal afspraken gemaakt. In dat kader is er een naar beneden bijgestelde programmering gemaakt voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen tot 2030, namelijk:

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0007.png"

Toetsing

Het initiatief past binnen de regionale afspraken omdat De Proeftuin is aangemerkt als te ontwikkelen bedrijventerrein.

Uitgifteprotocol Bedrijvenpark Hoeksche Waard (2013)

In 2013 is het uitgiftebeleid gewijzigd. Het doel van de wijziging is om de eigen Hoeksche Waardse bedrijvigheid voor de Hoeksche Waard te behouden en de economische aantrekkelijkheid van de Hoeksche Waard iets te verhogen zodat economische ontwikkelingen niet in zijn geheel aan de Hoeksche Waard voorbij zullen gaan.

Artikel 1 Definities

Hoeksche Waardse Bedrijf: Een onderneming die in een gemeente van de Hoeksche Waard is gevestigd.

Bedrijf van buiten de Hoeksche Waard: Een onderneming die buiten de Hoeksche Waard gevestigd is.

Vestiging: Van vestiging is sprake als een bedrijf een deel van een gebouw, een gebouw of complex van gebouwen gebruikt waar duurzame uitoefening van de activiteiten van een onderneming of rechtspersoon plaatsvindt.

Artikel 2

Hoeksche Waardse bedrijven mogen zich op de daarvoor in de bestemmingsplannen bestemde locaties binnen de Hoeksche Waard ongelimiteerd (her)vestigen en uitbreiden.

Artikel 3

Bedrijven van buiten de Hoeksche Waard die een kavelgrootte boven de 5.000 m2 wensen moeten zich vestigen op het Bedrijvenpark Hoeksche Waard.

Artikel 4

Bedrijven van buiten de Hoeksche Waard die een kavelgrootte onder de 5.000 m2 wensen mogen zich op alle daarvoor in bestemmingsplannen bestemde locaties binnen de Hoeksche Waard vestigen.

Artikel 5

Op het Bedrijvenpark Hoeksche Waard kunnen zowel Hoeksche Waardse bedrijven als bedrijven van buiten de Hoeksche Waard zich vestigen rekening houdend met het uitgiftebeleid en met lokale regelgeving zoals het bestemmingsplan en eisen in verband met beeldkwaliteit.

Hoeksche Waardse bedrijven mogen zich op de daarvoor in de bestemmingsplannen bestemde locaties binnen de Hoeksche Waard (her)vestigen en uitbreiden.

Toetsing

Lokale bedrijven die zich willen vestigen op het bedrijventerrein De Proeftuin voldoen aan het regionale uitgiftebeleid omdat het dan regionale bedrijven zijn die zich ongelimiteerd op de daarvoor in de bestemmingsplannen bestemde locaties binnen de Hoeksche Waard mogen (her)vestigen en uitbreiden.

Structuurvisie Hoeksche Waard (2009)

Met de Structuurvisie Hoeksche Waard laat de regio (bestaande uit vijf gemeenten) zien wat haar visie is op de toekomst. In de Structuurvisie wordt een visie gegeven op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de regio tot 2030. Doel is de gelijktijdige versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid en de economische vitaliteit van het Nationaal Landschap Hoeksche Waard. Nieuwe ontwikkelingen horen bij een landschap en kunnen bijdragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het gaat om meer dan de openheid en de kreken en dijken, maar ook om de ruimtelijke kwaliteit van de kernen en feitelijk om de leefomgeving als geheel.

Vitale economie

Voor wat betreft de bedrijvigheid kiest de regio voor een 'vitale economie'. In het verleden is de groei van de werkgelegenheid in de Hoeksche Waard sterk achtergebleven bij de groei in de rest van de provincie, die trend dient te worden gekeerd. Om de kwaliteit in ruimtelijke zin te waarborgen, kiest de regio voor concentratie van grotere regionale bedrijven op een nieuw regionaal bedrijventerrein in de noordrand en op stimulering van kleinschalige en gemengde bedrijvigheid op lokale bedrijventerreinen bij de kernen. Aangesloten wordt bij de maat en de schaal van de verschillende kernen en van het landschap. Er is ruimte voor groei en voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen, afgestemd op de lokale vraag. Die vraag is aanzienlijk, op dit moment is er feitelijk te weinig ruimte en moeten sommige bedrijven uitwijken naar locaties buiten de regio.

Infrastructuur

Een goede bereikbaarheid wordt gezien als voorwaarde voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Nieuwe functies zullen worden afgestemd op de capaciteit van de infrastructuur, waar nodig wordt nieuwe infrastructuur aangelegd. De regio streeft naar een samenhangend regionaal wegennet. Dit wegennet moet de interne verkeersafwikkeling verbeteren en verkeersknelpunten op dorps- en dijkwegen oplossen.

Toetsing

De verruiming van de maximale perceelsoppervlakte draagt bij aan de vitaliteit van de economie aangezien diverse bedrijven kenbaar hebben gemaakt geïnteresseerd te zijn in een ruimer perceel. De nieuwe verkeersontsluiting draagt bij aan een verbeterde bereikbaarheid van het terrein. Omdat aanpassing effecten heeft op de aansluiting en intensiteiten op een provinciale weg, heeft vooraf overleg plaatsgevonden met de provincie.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Deze herziening maakt uitsluitend een vergroting van de omvang van bedrijfspercelen en een beperkte aanpassing van de verkeerstructuur mogelijk. Ten aanzien van diverse omgevingsaspecten kan het volgende worden opgemerkt:

  • De gevolgen van de verandering in de verkeerssituatie worden in paragraaf 4.1 nader toegelicht;
  • Totale omvang aan bedrijvigheid en toegelaten categorieën bedrijven worden niet gewijzigd. Voor aspecten als milieuhinder van bedrijven en externe veiligheid wordt daarom verwezen naar het "moederplan";
  • Door het verbreden van de calamiteitenontsluiting ontstaat iets meer verharding (maximaal 100 m2). In het kader van de planontwikkeling is echter een ruime watercompensatie gerealiseerd aan de noordzijde van het plan. Deze is ook al aangelegd. Het toestaan van een grotere perceelsoppervlakte per bedrijf leidt niet tot een toename aan verharding aangezien de bouwmogelijkheden en de totale uitgeefbare oppervlakte voor bedrijven niet wijzigt. Voor het overige wordt verwezen naar de waterparagraaf in het "moederplan".
  • Om de effecten van de aanpassing van de ontsluiting op bestaande en nieuwe woningen in kaart te brengen is nader onderzoek naar de aspecten wegverkeerslawaai (paragraaf 4.2) en luchtkwaliteit (paragraaf 4.3) uitgevoerd;
  • Voor overige omgevingsaspecten zoals archeologie, flora en fauna en bodemkwaliteit wordt (ook) verwezen naar het "moederplan".

4.1 Verkeersontsluiting

Verkeersgegevens

De huidige verkeersintensiteiten van de N487 en de N488 zijn opgevraagd bij de provincie (Jaarrapport provincie Zuid-Holland, 2015). Voor de verkeersintensiteiten van de overige gemeentelijke wegen is o.a. gebruik gemaakt van metingen verricht door Megaborn (Verkeerscirculatieplan Numansdorp, 2012/intensiteiten 2010). De verkeersintensiteiten zijn geëxtrapoleerd naar het planjaar 2026 ( tien jaar na nu) op basis van een autonome groei van 1,5% per jaar. Overigens zijn voor het verdere onderzoek uitsluitend de intensiteiten op de N488 relevant. Dit wordt hierna verder verklaard.

Tabel 4.1: Verkeersintensiteiten in basisjaar 2010/2015 en prognosejaar 2026

Wegnaam   2010 (mvt/etmaal)   2015 (mvt/etmaal)   2026 (mvt/etmaal)  
N487   n.v.t.   10.534   12.409  
N488   n.v.t   7.450   8.776  
Rijksstraatweg   9.100   9.803   11.548  
Energieweg   4.500   4.848   5.710  

De routekeuze van het personenautoverkeer uit het oostelijke deel van het plangebied is bepaald aan de hand van de ligging van het plangebied ten opzichte van het regionale netwerk, woonkernen en de aansluitingen op het nationale wegennetwerk. De aangenomen routeverdeling is weergegeven in figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0008.png"

Figuur 4.1: Routeverdeling in de nieuwe situatie

Verandering in de verkeersverdeling

Het openstellen van de calamiteitendoorgang heeft alleen gevolgen voor de routekeuze van personenautoverkeer uit het oostelijke deel van het plangebied. De verkeersgeneratie van het oostelijke deel bedraagt 2.210 mvt/etmaal en bestaat voor 22% uit vrachtverkeer (Breijn, 2009). Voor het vrachtverkeer zal er niets veranderen aangezien zij geen gebruik mogen maken van de doorgang. Het aantal personenauto's dat gebruik kan maken van de calamiteitendoorgang komt neer op 1.724 mvt/etmaal.

De 1.724 mvt/etmaal dienden in de oorspronkelijke situatie gebruik te maken van de Marconistraat/Energieweg, maar kunnen nu ook gebruik maken van de aansluiting op de N488. Automobilisten uit het oostelijke deel hebben nu de keuze tussen twee routes. Voor het berekenen van de nieuwe verkeersverdeling is uitgegaan van het worst-case scenario waarin al het personenautoverkeer zal kiezen voor de aansluiting op de N488, aangezien deze direct toegang geeft tot het regionale wegennetwerk. Hierbij gaat het om 1.724 mvt/etmaal waarvan een deel naar het noorden rijdt richting Klaaswaal/Oud-Beijerland en een deel naar het zuiden richting Numansdorp en de aansluiting met de N487/A29. Voor de dwarsdoorsnede A-A' is alleen het deel dat naar het zuiden rijdt van belang. Het personenautoverkeer afkomstig uit het plangebied zal vooral bestaan uit woon-werkverkeer waarbij wordt aangenomen dat 25% een bestemming in het noorden heeft en dat de overige 75% de dwarsdoorsnede A-A' passeert. Dit leidt tot een toename van 1.293 mvt/etmaal op de N488 ter hoogte van doorsnede A-A'. Het aandeel personenautoverkeer dat naar het noorden rijdt bedraagt 431 mvt/etmaal (25%) en zal in de nieuwe situatie de doorsnede A-A' niet langer passeren. Ten opzichte van het oorspronkelijke plan zal de verkeersintensiteit op de N488 ter hoogte van doorsnede A-A' toenemen met 862 mvt/etmaal.

Verandering in de verkeersintensiteiten t.o.v. het oorspronkelijke plan

Het openstellen van de doorgang tussen het westelijke en oostelijke deel heeft als gevolg dat in het meest negatieve scenario, alle personenauto's uit het oostelijke deel de aansluiting op de N488 verkiezen boven de aansluiting op de Marconistraat/Energieweg. De netto toename op de N488 ter hoogte van doorsnede A-A' ten gevolge van het openstellen van de doorgang komt neer op 862 mvt/etmaal. Ten opzichte van de prognose-intensiteit op het wegvak in 2026 (8.776 mvt/etmaal) leidt dit tot een toename van 9,8%.

Door het openstellen van de doorgang tussen het westelijke en oostelijke deel zal de verkeersintensiteit ter hoogte van dwarsdoorsnede A-A' oplopen tot 9.638 mvt/etmaal. De grootste verkeerspiek zal optreden gedurende spitsuren. Er van uitgaande dat het verkeersaandeel in het maatgevende spitsuur 10% bedraagt, leidt dit tot verkeersintensiteit van 964 mvt/uur in 2026.

De capaciteit van de N488 bedraagt circa 2.500 mvt/uur, wat leidt tot een intensiteit-capaciteit verhouding van 0,39. Pas bij verhoudingen boven de 0,8 neemt de kans op vertraging en congestie toe, dit is echter niet het geval op de N488.

Overige verkeerseffecten

Naast het voornoemde effect op de N488 zal in elk geval een vergelijkbare afname van verkeer op de Marconistraat en Energieweg aan de orde zijn. Belangrijker is echter om te kijken of er in andere situaties ook een relevante toename aan de orde kan zijn. Het gaat dan om personenautoverkeer vanuit/naar het bestaande bedrijventerrein ten oosten van De Proeftuin dat er voor kiest om niet meer via de Marconistraat, maar via de wegen door De Proeftuin te gaan rijden.

Dit effect is lastig in te schatten zonder een herkomstonderzoek van deze bestuurders. Wel kan worden beredeneerd dat dit vooral voor automobilisten die de N488 in noordelijke richting (Klaaswaal en verder) gebruiken een interessante optie kan zijn. Deze bestuurders zullen overigens dat wegvak ook al in de huidige situatie kiezen echter dan via de bestaande wegen en rotondes. Een gevolg is dan wel een afname op de wegvakken van de “oude route”, de Marconistraat, de Energieweg en het zuidelijke deel van de N488.

Ook kan hierdoor sprake zijn van wijziging in intensiteiten op delen van de interne wegen op het bedrijventerrein, zoals de Voltastraat en het westelijke deel van de Einsteinstraat of het noordelijke deel van de Van der Heydenstraat. Deze wegen hebben echter allen vergelijkbare profielen/capaciteit en er zijn mede door de ligging op het bedrijventerrein geen nadelige gevolgen te verwachten.

Automobilisten uit het bestaande bedrijventerrein die georiënteerd zijn op Numansdorp of richting de rijksweg A29 gaan zullen de oude route blijven gebruiken, niet alleen vanuit gewoonte maar ook omdat deze route via de bestaande rotondes goed en logisch is. Zoals eerder aangegeven zal de bestaande route minder druk worden door de openstelling van de calamiteitenverbinding, wat deze route mogelijk juist ook nog aantrekkelijker maakt.

Capaciteit T-aansluiting Proeftuin N488

Om te bezien of de T-aansluiting bij het extra verkeersaanbod goed functioneert zijn door adviesbureau Megaborn met de methode Hardes capaciteitsberekeningen gemaakt voor de situatie dat het personenautoverkeer van de Proeftuin volledig afwikkelt via dit punt (Bijlage 2 Hardes capaciteitsberekeningen N488 - Rijksstraatweg). Dit is onderzocht op het meest kritische (spits)uur in de avondspits. In die situatie heeft de T-splitsing ruim voldoende capaciteit, dus een acceptabele wachttijd. De restcapaciteit bedraagt op dat drukste moment 98 motorvoertuigen per uur, terwijl de totale Proeftuin 111 motorvoertuigbewegingen per uur oplevert.

Dit betekent dat vrijwel het gehele personenauto aanbod van het noordelijke deel van het bestaande terrein (dat in omvang net wat kleiner is dan de Proeftuin) zonder problemen via de Proeftuin zou kunnen gaan rijden. Uitgaande hiervan wordt gesteld dat ook een mogelijke toename van verkeer vanuit het bestaande bedrijventerrein niet tot problemen zal leiden. Daarbij komt dat het verkeer bij grotere drukte de meest comfortabele route zal kiezen.

 

Vormgeving aansluiting op N488

In het kader van de procedure voor de realisering van De Proeftuin zijn al belangrijke ontwerpkeuzes gemaakt voor een veilige aansluiting op de N488. Daarbij is bijzondere aandacht besteed aan de kruising met het fietspad. Het fietspad is sterk uitgebogen om een ruim opstelvak tussen het fietspad en de weg te kunnen maken. Zo ruim dat hier ook vrachtwagens uit het westelijk plandeel kunnen staan zonder de fietsers te hinderen. De aansluiting is ook op deze wijze uitgevoerd. Deze veilige oplossing wordt niet wezenlijk beïnvloed door het aantal verkeersbewegingen, mogelijk zal een drukkere situatie zelfs juist leiden tot lagere snelheden en meer attentie.

Het ontwerp en de nu beoogde aanpassing van de doorgang tussen Oost en West zijn ook besproken met de provincie en akkoord bevonden mits de afgesproken verlichting wordt gerealiseerd. Aangezien de ontwikkelaar zich hiertoe bereid heeft verklaard en verplicht, zijn dus alle randvoorwaarden aanwezig voor een veilige situatie.

Vormgeving nieuwe personenautoverbinding

Aangezien een opengestelde verbinding zeker ook aantrekkelijk zal zijn voor vrachtverkeer, is het noodzakelijk om realistische maatregelen te nemen om het gebruik door vrachtwagens onmogelijk te maken. Daarbij zal alleen een verbodsbord niet volstaan, daarom zal moeten worden gekozen voor fysieke maatregelen zoals een doorrijhoogtebeperking of voor een voor vrachtwagens niet te nemen “chicane”. Verder is bewegwijzering op toeleidende wegen een belangrijk punt. In overleg met de gemeente zal hier een keuze in worden gemaakt. In een voor de openstelling van het wegvak te nemen verkeersbesluit zal e.e.a juridisch verankerd worden.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het openstellen van de calamiteitenontsluiting geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor intensiteiten en veiligheid en ook handhaafbaar (gemaakt) kan worden.

4.2 Wegverkeerslawaai

Het openstellen van de calamiteitendoorgang leidt tot een stijging van de intensiteit op het deel van de N488 ten zuiden van de aansluiting van de Proeftuin; een stijging die relatief beperkt is ten opzichte van de huidige intensiteiten en capaciteit van de weg. Een toename van de verkeersintensiteit heeft mogelijk gevolgen op het gebied van wegverkeerslawaai ten opzichte van geluidgevoelige bestemmingen langs de weg. Er is echter pas sprake van een significante geluidtoename bij een verkeersgroei van 25% of meer. Bij een verkeersgroei van minder dan 25% zal de geluidbelasting op langs de weg gelegen geluidgevoelige bestemmingen niet hoger zijn dan 1 dB. Een dergelijke geluidtoename is niet hoorbaar voor het menselijk gehoor. Ter hoogte van de dwarsdoorsnede A-A' zal als gevolg van het openstellen van de doorgang tussen het westelijke en oostelijke deel sprake zijn van een verkeersgroei ten gevolge van autoverkeer vanaf de Proeftuin van 9,8%. Een dergelijke toename zal dus niet leiden tot een significante geluidtoename.

Effecten van autoverkeer vanaf het bestaande terrein ten oosten van de Proeftuin zijn zoals hiervoor al aangegeven niet exact berekend. Deze zullen echter zeker niet leiden tot een totale toename van meer dan de aangegeven 25%, alleen al omdat de wachttijd bij de T splitsing dan veel te lang wordt. Daarnaast mag zoals aangegeven in paragraaf 4.1 juist verwacht worden dat het verkeer richting Klaaswaal betreft, waardoor de intensiteit op het zuidelijke deel van de N488 juist afneemt.

Er kan echter wel een effect zijn voor de toegelaten bedrijfswoningen nabij de T splitsing. Deze woningen zouden in de nieuwe situatie ook kunnen worden geconfronteerd met geluidhinder vanaf de interne ontsluitingsweg. Mede omdat bij deze woningen al sprake is van een hogere waarde vanwege de N488, is daarom in de regels van deze herziening aangegeven dat de betreffende bedrijfswoningen uitsluitend mogen worden opgericht als uit nader onderzoek blijkt dat voor de interne wegen wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van de Wet geluidhinder. Eventuele afscherming door gelijktijdig op te richten bedrijfsbebouwing kan daarbij worden meegenomen.

4.3 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Tabel 4.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

In het kader van het moederplan is door de Milieudienst Zuid-Holland het luchtkwaliteitsonderzoek geactualiseerd en getoetst aan de Wet milieubeheer. Geconcludeerd werd dat het aantal overschrijvingen 24-uurgemiddelde voor fijn stof (PM10) ruim onder het normaantal van 35 ligt en dat de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) niet wordt overschreden. Ook liggen de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) ruim onder de grenswaarden.

De openstelling van de calamiteitenverbinding voor personenauto's zorgt voor een toename van het aantal personenauto's op het deel van de N488 ten zuiden van de aansluiting van de Proeftuin. In paragraaf 4.1 is beschreven dat de verkeersintensiteit op de N488 ten opzichte van het oorspronkelijke plan ter hoogte van doorsnede A-A' zal toenemen met 862 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 0%, aangezien de verbinding alleen wordt opengesteld voor personenauto's en wordt er (worst-case) vanuit gegaan dat alle personenauto's via de nieuwe verbinding gaan rijden.

Uit de nibm-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van van 0,81 µg/m³ en van fijn stof van 0,16 µg/m³ (zie figuur 4.2). Beide toenames blijven beneden de 1,2 µg/m³. De toename aan autoverkeer draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht ter plaatse van doorsnede A-A'. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0009.png"

Figuur 4.2: Berekening NIBM-tool

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de N488 ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in 2015; 22,4 µg/m³ voor NO2, 20,6 µg/m³ voor PM10 en 12,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 8 dagen. Hierdoor is er langs de N488 sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0010.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0611.BPherz1proeftuin-VA01_0011.png"

Figuur 4.3: Rekenpunten Luchtkwaliteit (NSL-Monitoringstool) en ligging plangebied (rode cirkel)

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.

Hoofdstuk 5 Juridisch planopzet

5.1 Algemeen

De Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) bepaalt dat bestemmingsplannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Het bestemmingsplan is opgesteld voor de SVBP2012 en voldoet zodoende aan de genoemde eisen.

5.2 Opzet van het bestemmingsplan

De regels van het vigerende bestemmingsplan 'De Proeftuin' zijn (voorzover relevant) onverminderd van toepassing op dit bestemmingsplan. Uitzondering hierop is een regel van de bestemming 'Bedrijf'. Ten aanzien van het vigerende bestemmingsplan wordt het artikel 3.4.2 'Afwijken van de perceeloppervlakte' veranderd, waarbij het stuk tekst 'voor een perceelsoppervlakte van ten hoogste 5.000 m2' komt te vervallen.

Daarnaast is in de bestemming 'Bedrijf' een voorwaardelijke verplichting opgenomen zodat het bouwen van bedrijfswoningen uitsluitend kan plaatsvinden als ten opzichte van de interne wegen aan de toepasselijke normen uit de Wet geluidhinder wordt voldaan.

Op de verbeelding is de benodigde ruimte voor aanpassing van de calamiteitendoorgang bestemd voor Verkeer.

Omwille van de raadpleegbaarheid van het plan is de tekst van de artikelen 'Bedrijf' en 'Verkeer' verder onverkort overgenomen. Voor de overige artikelen is in de regels een hyperlink opgenomen zodat direct wordt doorverwezen naar de van toepassing zijnde regels uit het vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij de algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Het bestemmingsplan voorziet niet in aangewezen bouwplannen. Er wordt dan ook geen exploitatieplan vastgesteld.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het voorontwerpbestemmingsplan op 10 november 2016 voor vooroverleg toegezonden aan de volgende overleginstanties:

  • 1. Provincie Zuid-Holland
  • 2. Rijkswaterstaat
  • 3. Waterschap Hollandse Delta
  • 4. Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie
  • 5. Ministerie van Defensie
  • 6. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
  • 7. Gasunie
  • 8. Gas Transport Services
  • 9. Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid
  • 10. Evides Waterbedrijf
  • 11. Stedin

De instanties onder 1 tot en met 3 hebben op het plan gereageerd. Hieronder staat een samenvatting van de reactie met daaronder de reactie van de gemeente.

  • 1. Provincie Zuid-Holland

De provincie is akkoord met de manier waarop gemaakt afspraken in het bestemmingsplan zijn opgenomen en heeft aangegeven dat er geen aanleiding is om een zienswijze in te dienen.

Reactie gemeente

Deze reactie wordt ter kennisgeving aangenomen.

  • 2. Rijkswaterstaat

Met het oog op de belangen van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid ziet Rijkswaterstaat geen aanleiding voor een reactie op het plan.

Reactie gemeente

Deze reactie wordt ter kennisgeving aangenomen.

  • 3. Waterschap Hollandse Delta

Het waterschap mist de waterparagraaf in de toelichting bij het bestemmingsplan. Aandachtspunt daarbij is dat gecompenseerd moet worden bij een toename van meer dan 1.000 m2 aan verhard oppervlak door het graven van oppervlaktewater. Een toename aan verhard oppervlak betekent een versnelde afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om deze reden moet er compenserend waterbergend vermogen worden gerealiseerd.

Reactie gemeente

Zoals aangegeven in de inleiding van hoofdstuk 4 onder het derde aandachtspunt ontstaat er iets meer verharding door het verbreden van de calamiteitenontsluiting. Deze toename aan verhard oppervlak is aanzienlijk minder dan 1.000 m2 wanneer compensatie aan de orde is (maximaal 100 m2). Het toestaan van een grotere perceelsoppervlakte per bedrijf leidt niet tot een toename aan verharding aangezien de bouwmogelijkheden en de totale uitgeefbare oppervlakte voor bedrijven niet wijzigt. De inleiding van hoofdstuk 4 zal worden aangevuld met bovenstaande informatie.

Vanwege de beperkte relatie tussen de planherziening en het aspect water wordt verder verwezen naar de waterparagraaf in het 'moederplan'.

6.2.2 Ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 12 december 2016 zes weken ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode twee zienswijzen ingediend. De Nota zienswijzen, waarin de zienswijzen worden samengevat en beantwoord, is opgenomen in bijlage 3. De zienswijzen vormden geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen.