direct naar inhoud van REGELS
Plan: Landelijk gebied 2013 - 6e herziening - Natuurcompensatiegebied t.b.v. dijkversterking HW
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0611.BPLg2013herz06-VA01

REGELS

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het bestemmingsplan Landelijk gebied 2013 - 6e herziening - Natuurcompensatiegebied t.b.v. dijkversterking HW van de gemeente Cromstrijen.

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0611.BPLg2013herz06-VA01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 adviseur inzake natuur en landschap

een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen adviseur inzake natuur en landschap.

1.6 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.7 bestaand
  • a. ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan of mag worden gebouwd;
  • b. ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
1.8 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.9 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.10 bijgebouw

een aangebouwd of op zichzelf staand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.11 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.12 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.13 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.14 bouwperceelsgrens:

een grens van een bouwperceel.

1.15 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.16 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.17 extensieve (dag)recreatie

niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.

1.18 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.19 gevoelig object

een object waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven;

1.20 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van bodem, water, terreinvormen, niet-levende en levende natuur en het menselijk grondgebruik in onderlinge samenhang en wisselwerking.

1.21 natuurlijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.22 opslag

het bewaren van goederen, waaronder agrarische producten, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.

1.23 peil
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • b. voor woningen die langs de dijk zijn gebouwd: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang van de bijbehorende woningen;
  • c. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  • d. voor stacaravans: de bovenzijde beganegrondvloer.
1.24 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling, alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.

2.2 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de volgende grondgebonden agrarische bedrijven:
    • 1. akkerbouwbedrijven;
    • 2. vollegrondstuinbouwbedrijven;
    • 3. grondgebonden veehouderijen;
    • 4. gemengde tuinbouwbedrijven;
    • 5. bestaande bosbouwbedrijven;
    • 6. fruitteeltbedrijven;
    • 7. kleinfruitteeltbedrijven;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a intensieve veehouderij bij wijze van neventak van de bestaande bedrijfsvoering;
  • c. bedrijfswoningen;
  • d. wandel- en fietspaden;
  • e. water.
3.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

3.2.1 Gebouwen
  • a. gebouwen niet zijn toegestaan;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - opslag met kantinevoorziening' drie containers mogen worden geplaatst ten behoeve van opslag met kantinevoorziening, onder de voorwaarde dat:
    • 1. de hoogte van een container niet meer mag bedragen dan 3 m;
    • 2. de oppervlakte per container niet meer mag bedragen dan 20 m2.
3.2.2 Kleine gebouwen

ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden de volgende bouwregels voor het bouwen van gebouwen, in de zin van kleine gebouwen, buiten het bouwvlak gelden:

  • a. de bouwhoogte van het gebouw niet meer mag bedragen dan 3,0 m;
  • b. de grondoppervlakte van het gebouw mag niet meer bedragen dan 50 m2.
3.2.3 Agrarische hulpgebouwen

ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden de volgende bouwregels voor het bouwen van gebouwen, in de zin van agrarische hulpgebouwen zoals een schuilhut of veldschuur, buiten het bouwvlak gelden:

  • a. per bedrijf mag niet meer dan 1 agrarisch hulpgebouw worden gebouwd;
  • b. de grondoppervlakte van het agrarisch hulpgebouw mag niet meer bedragen dan 70 m2;
  • c. de bouw van het agrarisch hulpgebouw buiten het bouwvlak noodzakelijk is in verband met de afstand tot het bouwvlak.
3.2.4 Andere bouwwerken
  • a. ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden de volgende bouwregels voor andere bouwwerken buiten het bouwvlak gelden:
    • 1. overkappingen, (mest)silo's, mest- en vloerplaten en paardenbakken en/of stapmolens zijn niet toegestaan;
    • 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
    • 3. in afwijking van het bepaalde onder 2 mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - opslag met kantinevoorziening' de bouwhoogte van een hekwerk niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • b. voorzover de maatvoering als bedoeld onder a ten tijde van de inwerkingtreding van het plan reeds meer bedroeg, geldt de bestaande maatvoering als maximum.
3.2.5 Afstand tot bestemming Waarde - Landschap

De afstand van gebouwen en andere bouwwerken, met uitzondering van erfafscheiding, dient tot de grens met de bestemming 'Waarde - Landschap' ten minste 15 m te bedragen.

 

3.3 Specifieke gebruiksregels
3.3.1

Zelfstandige bedrijfsmatige mestsilo's zijn niet toegestaan.

3.3.2 Voorwaardelijke bepaling

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - opslag met kantinevoorziening' is de plaatsing van de containers alleen toegestaan indien de containers van elders binnen dit plangebied zijn verwijderd of verplaatst naar de locatie met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - opslag met kantinevoorziening'.

3.4 Wijzigingsbevoegdheid
3.4.1 Collectieve mestsilo's

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van de bouw van mestsilo's ten dienste van meerder bedrijven te zamen, onder de voorwaarde dat:

  • a. de opslag ten dienste van maximaal 5 bedrijven mag staan;
  • b. de inhoud van de silo niet meer mag bedragen dan:
    • 1. binnen het bouwvlak 5.000 m3;
    • 2. buiten het bouwvlak 3.000 m3;
  • c. de hoogte van de silo niet meer mag bedragen dan 12 m;
  • d. indien buiten het bouwvlak wordt gebouwd, vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de agrarisch deskundige met betrekking tot de vraag of de mestsilo noodzakelijk is voor de continuïteit van de bedrijfsvoering;
  • e. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de adviseur inzake milieuhygiëne met betrekking tot de vraag of de belangen van milieuhygiënische aard zich hier niet tegen verzetten;
  • f. vooraf een schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de waterbeheerder met betrekking tot de vraag of waterhuishoudkundige belangen zich hier niet tegen verzetten.

Artikel 4 Natuur - Natuurcompensatiegebied

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1

De voor Natuur - Natuurcompensatiegebied aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud, versterking en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden en de inrichting en beheer van het compensatiegebied, bestaande uit de volgende natuurbeheertypen:
    • 1. kruiden- en faunarijk grasland;
    • 2. rivier- en moeraslandschap;
    • 3. rivier- en beekbegeleidend bos;
  • b. gronden eigen zijnde natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden;
  • c. waterhuishouding.
4.2 Bouwregels
4.2.1

Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. gebouwen niet zijn toegestaan.
4.2.2 Andere bouwwerken
  • a. de hoogte van terrein- en erfafscheidingen niet meer mag bedragen dan 1,5 m.

4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden
4.3.1

Het is verboden ter plaatse van de gronden als bedoeld in lid 4.1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanleggen van oppervlakteverhardingen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - opslag met kantinevoorziening';
  • b. het bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de grond;
  • c. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen;
  • d. het aanleggen van dijken of andere taluds of het vergraven of ontgraven van reeds bestaande dijken of taluds;
  • e. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande waterlopen;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • g. het scheuren van grasland;
  • h. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewassen;
  • i. het aanleggen van waterbassins.
4.3.2

Het bepaalde in lid 4.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. behoren bij de verwezenlijking van de doeleinden zoals benoemd in lid 4.1;
  • c. noodzakelijk zijn in verband met op de bestemming gericht beheer en gebruik;
  • d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • e. werkzaamheden betreffen voor het scheuren van grasland ten behoeve van herinzaai ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch'.
4.3.3

Onverminderd het hiervoor bepaalde in lid 4.3.2 is het verbod in lid 4.3.1 niet van toepassing op:

  • a. de uitvoering van de in lid 4.3.1 onder b, e en h genoemde werkzaamheden, indien en voorzover daarvoor reeds vergunning is vereist uit hoofde van de Ontgrondingswet c.q. de Boswet en de op deze wetten gebaseerde verordeningen;
4.3.4

Een vergunning als bedoeld in lid 4.3.1 wordt uitsluitend verleend indien de natuurwetenschappelijke en de landschappelijke waarden van deze gronden niet in onevenredige mate worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel of opbouw van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

4.3.5

Alvorens de vergunning als bedoeld in artikel 4.3.1 te verlenen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een adviseur inzake natuur en landschap.

Artikel 5 Overig - Buisleidingenstraat

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1

De voor 'Overig - Buisleidingenstraat' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ondergrondse buisleidingen en ondergrondse kabels;

met daarbij behorende

  • b. voorzieningen welke behoren bij de buisleiding en nodig zijn voor het goed functioneren van de buisleiding;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. bruggen, viaducten en andere kunstwerken;
  • e. paden en wegen;
  • f. groenvoorzieningen.
5.1.2 Agrarisch

Ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch' zijn de in lid 5.1.1 bedoelde gronden tevens bestemd voor de volgende grondgebonden agrarische bedrijven:

    • 1. akkerbouwbedrijven;
    • 2. vollegrondstuinbouwbedrijven;
    • 3. grondgebonden veehouderijen;
    • 4. gemengde tuinbouwbedrijven;
    • 5. bestaande bosbouwbedrijven;
    • 6. fruitteeltbedrijven;
    • 7. kleinfruitteeltbedrijven;

alsmede voor intensieve veehouderij bij wijze van neventak van de bestaande bedrijfsvoering.

5.2 Bouwregels

Ten aanzien van de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

5.2.1 Gebouwen
  • a. de gebouwen een bouwhoogte mogen hebben van maximaal 5 m;
  • b. de gebouwen een oppervlakte mogen hebben van maximaal 50 m2;
5.2.2 Andere bouwwerken
  • a. de bouwhoogte van andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan 4 m.

5.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. het bepaalde in lid 5.2.1 voor het toestaan een hogere bouwhoogte dan wel een grotere oppervlakte aan gebouwen, mits deze hogere bouwhoogte respectievelijk dit grotere oppervlakte noodzakelijk is voor het beheer en/of onderhouden van de ondergrondse buisleidingen;
  • b. het bepaalde in lid 5.2.2 voor het toestaan van een hogere bouwhoogte mits deze hogere bouwhoogte noodzakelijk is voor het beheer en/of onderhoud van de ondergrondse buisleidingen;

onder de voorwaarden dat de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de leidingenstraat.

5.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde:

  • a. in lid 5.1 voor het toestaan van een ander gebruik, mits het dit gebruik verenigbaar is met de bestemming alsmede de veiligheid van personen en goederen niet in gevaar wordt gebracht;
  • b. voor het toestaan van andere leidingen dan genoemd, mits:
    • 1. de contour voor het plaatsgebonden risico binnen de leidingenstraat ligt;
    • 2. de veiligheid van andere leidingen niet wordt geschaad;
    • 3. de veiligheid van personen en goederen niet onevenredig wordt geschaad.

5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.5.1

Het is verboden ter plaatse van de gronden als bedoeld in lid 5.1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders:

  • a. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • e. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • f. het permanent opslaan van goederen.
5.5.2

Het bepaalde in lid 5.5.1 is niet van toepassing op:

  • a. het aanbrengen, het in bedrijf nemen en onderhouden van buisleidingen en kabels en bijhorende voorzieningen voor een goed functioneren van de buisleidingenstraat;
  • b. werken en/of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn bij het inwerkingtreding van het plan;
  • c. werken en/of werkzaamheden die het normale onderhoud ten aanzien van de buisleidingenstraat, de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • d. werken en/of werkzaamheden welke graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten vormen.
5.5.3

Een vergunning als bedoeld in lid 5.5.1 wordt uitsluitend verleend indien de uit te voeren werkzaamheden, dan wel de daaraan direct of indirect te verwachten gevolgen, niet strijdig zijn met de belangen en de veiligheid van de leiding.

5.5.4

Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.5.1 advies inwinnen bij de leidingbeheerder.

Artikel 6 Waterstaat - Waterkering

6.1 Bestemmingsomschrijving
6.1.1

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor dijken en kaden met een waterkerende functie en de hierbij behorende voorzieningen en inrichtingsaspecten.

6.1.2

De belangen van de in lid 6.1.1 bedoelde dubbelbestemming zijn primair ten opzichte van de belangen van de andere daar voorkomende bestemmingen.

6.2 Bouwregels
6.2.1

Ten aanzien van de in lid 6.1 bedoelde dubbelbestemming gelden de volgende bouwregels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m.
6.2.2

Ten aanzien van de in lid 6.1 bedoelde andere daar voorkomende bestemmingen gelden de volgende bouwregels:

  • a. bouwwerken zijn niet toegestaan;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - opslag met kantinevoorziening' drie containers worden geplaatst ten behoeve van opslag met kantinevoorziening.

6.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2.2 voor het toestaan dat de in de andere daar voorkomende bestemming genoemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd conform de bestemmingsregels, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering. In het kader van het verzoek om afwijking zal door burgemeester en wethouders advies worden gevraagd aan de beheerder van de waterkering.

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Ondergronds bouwen

Ondergronds bouwen dient onder het hoofdgebouw plaats te vinden tot een maximale diepte van 3 m.

8.2 Bestaande maten en bestaande andere maten
8.2.1

In die gevallen dat de afstanden van gebouwen en andere bouwwerken tot gronden met de bestemming 'Verkeer' of de afstanden van gebouwen tot erfscheidingen, op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS als minimum is voorgeschreven, mogen deze bestaande afstanden in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

8.2.2

In die gevallen dat de inhoud van een woning of de oppervlakten van gebouwen op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van het plan c.q. het moment van het van kracht worden van een wijzigingsbesluit meer bedragen dan overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS als maximum is voorgeschreven, mogen deze bestaande maten in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.1 Veiligheidszone - leiding brandstof

Ten aanzien van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding brandstof' geldt dat:

  • a. geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen worden gebouwd;
  • b. burgemeester en wethouders bevoegd zijn bij een omgevingsvergunning af wijken van het bepaalde onder a ten behoeve van het toelaten van beperkt kwetsbare objecten mits sprake is van gewichtige redenen;
  • c. alvorens van een omgevingsvergunning wordt afgeweken vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder.

9.2 Vrijwaringszone - Windturbinepark
9.2.1 Bestemmingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - windturbinepark' geldt dat die gronden - behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) - tevens bestemd zijn voor de bescherming en instandhouding van de geluid- en slagschaduw- en veiligheidsruimte van windturbines.

9.2.2 Bouwregels
  • a. Er mag binnen de zone geen toename plaatsvinden van het aantal geluids-, en/of slagschaduw gevoelige functies en van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

Uitzondering hierop zijn de binnen deze zone:

  • b. als participantenwoningen aangeduide woningen op de percelen (Lange Boomweg 6 en 8), die worden aangemerkt als behorende bij de windturbines op de gronden als bedoeld met de bestemming 'Bedrijf – Windturbinepark';
  • c. toegestane beperkt kwetsbare objecten, uitsluitend zijnde bedrijfswoningen, op bestaande bouwvlakken.
9.2.3 Specifieke gebruiksregels

Het windpark voldoet aan de geluidsnormen van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de grens van de vrijwaringszone.

9.2.4 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.3voor het toestaan van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, mits:

  • a. uit onderzoek is gebleken dat dit uit oogpunt van externe veiligheid acceptabel kan worden geacht;
  • b. uit onderzoek is gebleken dat uit oogpunt van geluid, ecologie, bodem, water, archeologie, luchtkwaliteit economische uitvoerbaarheid voldaan kan worden aan de regels;
  • c. voldaan wordt aan het bepaalde onder sub a en b en er uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen zwaarwegende belangen zijn die zich verzetten tegen de afwijking;
9.2.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de aanduiding 'vrijwaringszone – windturbinepark’ wijzigen in die zin dat de zone wordt aangepast indien daartoe als gevolg van wijziging in regelgeving of vergunningverlening aanleiding bestaat.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

10.1

Indien niet op grond van hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS reeds bij omgevingsvergunning is afgeweken kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

  • a. de bouw van niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals wachthuisjes, telefooncellen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, mits deze bouwwerken geen grotere bouwhoogte dan 2,5 m en geen grotere oppervlakte dan 20 m2 hebben;
  • b. de bouw van transformatorhuisjes, mits deze bouwwerken geen grotere bouwhoogte dan 3,5 m en geen grotere inhoud dan 50 m3 hebben;
  • c. de bouw van straatmeubilair en andere bouwwerken, die om waterstaatkundige of verkeersredenen noodzakelijk zijn, zoals duikers of keermuren, mits de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedraagt;
  • d. de bouw van lantaarnpalen, vlaggenmasten en antennemasten, mits deze voorzieningen van gering horizontale afmetingen zijn en mits de bouwhoogte niet meer dan 15 m bedraagt;
  • e. afwijkingen van bouwgrenzen en voorgeschreven maten (daaronder begrepen bebouwingspercentages) met ten hoogste 1,5 m respectievelijk 10%;
  • f. afwijkingen van bouwgrenzen, voorzover zulks van belang is voor een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of voorzover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijkingen niet meer bedragen dan 3 m.

10.2

Een omgevingsvergunning voor het afwijken mag slechts worden verleend, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

10.3

Een omgevingsvergunning voor het afwijken mag niet worden verleend, indien hierdoor waarden van de gronden met de bestemming onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

10.4

Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken als bedoeld in 10.3 te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de adviseur inzake natuur en landschap.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

11.1

Het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

11.2

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. onbebouwde gronden te gebruik of te laten gebruiken als:
    • 1. opslagplaats voor vaten, kisten al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen, voer- en vaartuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe (bouw)materialen, afval, puin, grind en brandstoffen;
    • 2. uitstalling-, opslag-, stand- of ligplaats voor kamper- en/of verblijfsmiddelen;
  • b. zomerhuizen en stacaravans te gebruiken of laten gebruiken voor permanente bewoning;
  • c. gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken als seksinrichting met uitzondering van de gronden die blijkens de bestemming, de bestemmingsomschrijving en/of overige regels uitdrukkelijk zijn aangewezen voor een seksinrichting;
  • d. detailhandel.

11.3

Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan:

  • a. vormen van gebruik als bedoeld in lid 11.2, die verenigbaar zijn met het doel waarvoor de grond ingevolge de bestemming en deze regels mag worden gebruikt;
  • b. het opslaan van bouwmaterialen, puin en specie in verband met normaal onderhoud, dan wel ter verwezenlijking van de bestemming;
  • c. het al dan niet tijdelijk opslaan van materiaal inherent aan en ten dienste van de bestemming, alsmede producten van het land, binnen de agrarische bouwvlakken of binnen de als agrarisch loonbedrijf aangewezen bestemmingsvlakken,

waarbij als voorwaarde geldt dat de omvang van de buitenopslag de normen opgenomen in het Besluit Landbouw milieubeheer, het Activiteitenbesluit, het Besluit Bodemkwaliteit en het Bouwstoffenbesluit niet mag overschrijden en de buitenopslag van akkerbouwproducten niet langer dan drie maanden na de oogst mag plaatsvinden.

11.4

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.1 en lid 11.2, indien strikte toepassing van die bepalingen leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Artikel 12 Algemene wijzigingsregels

12.1 Seksinrichting
12.1.1

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen voor een seksinrichting onder de voorwaarde dat:

  • a. van de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend gebruik mag worden gemaakt indien dit in overeenstemming is met het regionale prostitutiebeleid, zoals vastgesteld in de raadsvergadering van 27 juni 2000;
  • b. de seksinrichting uitsluitend mag worden gevestigd in een gebouw dat aanwezig is ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerp van het wijzigingsplan;
  • c. de afstand van een seksinrichting ten minste bedraagt:
    • 1. tot kerken of scholen: 250 m;
    • 2. tot woningen: 100 m
    • 3. tot bedrijfsgebouwen, voorzover niet gelegen op het te wijzigen perceel: 50 m;
  • d. de oppervlakte van de bedrijfsruimte van de seksinrichting niet meer dan 50 m2 bedraagt;
  • e. de seksinrichting niet meer dan 2 bouwlagen bevat;
  • f. van de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend gebruik wordt gemaakt indien in de bij de betreffende seksinrichting behorende parkeerbehoefte zal worden voorzien op het betreffende perceel;
  • g. van de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend gebruikt wordt gemaakt nadat een schriftelijke verklaring is overleg waaruit blijkt dat de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor de beoogde functie.
12.1.2

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve de bestemming terug te brengen die met de wijzigingsbevoegdheid 'seksinrichting', zoals bedoeld in lid 12.1.1 is gewijzigd, indien het gebruik als seksinrichting is beëindigd.

12.1.3

Na wijziging is het artikel opnieuw van toepassing dat gold voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid 'seksinrichting' zoals bedoeld in lid 12.1.1.

Artikel 13 Algemene procedureregels

13.1 Procedureregels afwijken bij omgevingsvergunning

Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor afwijken is de procedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.

13.2 Procedureregels bij wijzigen

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging is de procedure als bedoeld in artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.

13.3 Procedureregels bij het stellen van nadere eisen

Op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van een nadere eisen is de volgende procedure van toepassing.

  • a. Het voornemen, waarbij toepassing wordt gegeven aan het stellen van nadere eisen, ligt met bijbehorende stukken gedurende twee weken ter gemeentesecretarie ter inzage.
  • b. Burgemeester en wethouders maken de nederlegging te voren in één of meer dag- of nieuwsbladen, die in de gemeente worden verspreid en voorts op de gebruikelijke wijze bekend.
  • c. De bekendmaking houdt in mededeling van de mogelijkheid voor belanghebbenden tot het indienen van zienswijzen bij burgemeester en wethouders tegen het voornemen gedurende de onder a genoemde termijn.
  • d. Indien tegen het voornemen zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed.
  • e. Burgemeester en wethouders delen aan hen, die zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent met redenen omkleed mede en maken het besluit op de voorgeschreven wijze bekend.

Hoofdstuk 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
14.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
14.1.2 Afwijken

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid 14.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 14.1.1 met maximaal 10%.

14.1.3 Uitzondering

Lid 14.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik
14.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

14.2.2 Veranderen strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 14.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

14.2.3 Onderbreken strijdig gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in het lid 14.2.1 na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

14.2.4 Uitzondering

Lid 14.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 15 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Landelijk gebied 2013 - 6e herziening - Natuurcompensatiegebied t.b.v. dijkversterking HW.