3.2.1 Structuurvisie
In
juli 2010 zijn de Structuurvisie, de Verordening Ruimte en de
Uitvoeringsagenda Structuurvisie 2010-2020 door de Provinciale Staten
van Provincie Zuid-Holland vastgesteld. Samen vormen deze drie
documenten 'De Visie op Zuid-Holland' en vervangen onder meer de vier
streekplannen. De structuurvisie is een integrale ruimtelijke
visie tot 2020, met een doorkijk naar 2040. In de verordening
geeft de provincie regels voor de inhoud van gemeentelijke
bestemmingsplannen. De uitvoeringsagenda werkt de uitvoeringsstrategie
uit de structuurvisie verder uit in ruimtelijke programma’s en
projecten en geeft een beeld van de financiering.
In februari 2012
hebben Provinciale Staten de 'Actualisering 2011
Structuurvisie en Verordening Ruimte' vastgesteld. De hoofdlijnen,
hoofdopgaven en provinciale belangen van het ruimtelijk beleid blijven
ongewijzigd.
Provinciale
doelstellingen zijn haalbaar als instrumenten, programma’s en
projecten op elkaar worden afgestemd. De provincie wil daarbij in
toenemende mate sturen op hoofdlijnen, een aanpak die aansluit bij
de stijl van besturen: ‘Lokaal wat kan, provinciaal wat
moet’. Dit betekent dat de provincie alleen vraagstukken oppakt
waar provinciaal belang aan de orde is.
Hoofdopgaven
De
provincie noemt in de structuurvisie vijf integrale en ruimtelijk
relevante hoofdopgaven. Zij geeft voorrang aan programma’s of
projecten die een bijdrage leveren aan deze opgaven. Die opgaven zijn:
- Aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
- Duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
- Divers en samenhangend stedelijk netwerk;
- Vitaal, divers en aantrekkelijk landschap;
- Stad en land verbonden.
Aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel
Zuid-Holland wil
in 2020 de woon-, werk- en leefomgeving voor haar inwoners hebben
versterkt. Zij streeft naar een aantrekkelijk en concurrerend
internationaal profiel. Versterken van de economische positie staat
centraal.
Duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie
De provincie wil een duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie zijn. Zij neemt de lagenbenadering
als uitgangspunt voor de ruimtelijke inrichting. Deze benadering
onderscheidt drie lagen: ondergrond, netwerken van infrastructuur
en de occupatielaag. Bij een afweging is het belangrijk om belangen via
deze drie lagen te ordenen en een integrale afweging te maken.
Divers en samenhangend stedelijk netwerk
De provincie wil,
in verband met agglomeratievoordelen voor bedrijven, voorzieningen en
detailhandel, verstedelijking concentreren in en rond de steden in het
stedelijk netwerk. Het schept mogelijkheden tot ketenvorming,
efficiënte benutting van infrastructuur en ontwikkeling van
efficiënte duurzame energiesystemen.
Vitaal, divers en aantrekkelijk landschap
Omvangrijke
delen van de open ruimte van de Randstad liggen binnen de
provinciegrenzen. In grote lijnen gaat het om de waarden en venen in
het Groene Hart, de kustzone en de Zuid-Hollandse eilanden in de delta.
In de grote landschappelijke eenheden zet de provincie zich in voor
behoud van leefbaarheid en economische vitaliteit van het landelijk
gebied. De landbouw is voor die vitaliteit een belangrijke factor,
zowel economisch als wat betreft landschappelijke kwaliteit. De
kernkwaliteiten in deze gebieden zijn diversiteit, openheid, rust en
stilte.
Stad en land verbonden
Provincie
Zuid-Holland waardeert de groene ruimte in en om de stad. Het is
belangrijk de samenhang tussen stad en land en de kwaliteit van de
groene ruimte bij de stad aanzienlijk en duurzaam te
versterken. De huidige verstedelijkingsopgave is gericht op
intensivering en herstructurering, daarbij speelt de kwaliteit van
de groene ruimte een steeds belangrijkere rol.
Functie- en kwaliteitskaart
Naast het bieden
van ruimte aan en het ordenen van functies richt de visie zich
nadrukkelijk ook op de ruimtelijke kwaliteiten. Dit komt tot
uitdrukking in de provinciale belangen. Deze hebben zowel betrekking op
functionele als kwalitatieve aspecten. Deze aspecten worden in beeld
gebracht op een functiekaart en een kwaliteitskaart. De functiekaart
geeft de gewenste ruimtelijke functies weer die in de structuurvisie
zijn geordend, begrensd en vastgelegd als ruimtelijk beleid tot 2020.
Op de kwaliteitskaart staan daarnaast zowel de bestaande als gewenste
kwaliteiten benoemd op een globale, regionale schaal.
Provinciale kwaliteitskaart (plangebied is zwart omcirkeld)
Provinciale functiekaart (plangebied is zwart omcirkeld)
De ontwikkeling
vindt plaats binnen stedelijk gebied en binnen het aangewezen stad- en
dorpsgebied. Er is sprake van herstructurering binnen bestaand
stedelijk gebied terwijl de openheid van het landelijk gebied wordt
geconserveerd.
In de
structuurvisie staat beschreven in hoofdstuk 4.7.1 dat een vergroting
van de detailhandelsector in de regio niet wenselijk is. In de regio
zijn clusters aangewezen die mogen groeien. Schoonhoven behoort niet
tot een van de aangewezen clusters. De voorgenomen ontwikkeling zorgt
voor een geringe toename in bvo van de bestaande
detailhandelsbedrijven. De beperkte toename en de bundeling van
voorzieningen zorgen echter voor een beter functionerend winkelgebied.
Het winkelcentrum is het enige winkelcentrum in de wijk en heeft
daarmee een belangrijke functie voor de buurt. Met de compacte
herstructurering wordt het centrum versterkt. Het risico bestaat dat
wanneer er niks gebeurd het winkelcentrum niet meer voldoet aan de
vraag en het zijn centrumfunctie verliest. Hiermee valt er een
belangrijke schakel binnen de buurt weg en neemt het
voorzieningenniveau af. Het is daarom van groot belang voor de
leefbaarheid en het voorzieningenniveau in de buurt dat het
winkelcentrum versterkt wordt. Gezien het feit dat de voorgenomen
ontwikkeling slechts in een geringe toename aan bvo voorziet zijn er
geen strijdigheden met het provinciaal beleid.
In aanloop tot
het overleg met het Regionaal economisch overleg is een markttechnisch
onderbouwing aangeleverd. Hierin is een onderbouwing gegeven van het
initiatief, deze onderbouwing is terug te lezen in paragraaf
3.2.2. Het initiatief voor upgrading van wijkwinkelcentrum Albert
Plesmanstraat is opgenomen in de lijst winkelplannen en
–initiatieven, zoals weergegeven in de Regionale Structuurvisie
Detailhandel Midden-Holland en daarmee regionaal afgestemd. Het
initiatief sluit aan bij de uitgangspunten en het streefbeeld van de
Regionale Structuurvisie Detailhandel Midden-Holland. Het verplaatsen
van de op een bedrijventerrein, solitair gelegen Plus-supermarkt draagt
bij aan een duurzaam perspectief van de detailhandelsstructuur in de
wijk Schoonhoven-Noord en sluit aan bij het regionale beleid gericht op
opheffing van dit soort solitaire winkellocaties op bedrijventerreinen.
3.2.2 Verordening Ruimte (februari 2012)
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren, heeft de provincie verschillende instrumenten, waar een
verordening er
één van is. De Verordening Ruimte Zuid-Holland
draagt bij aan het realiseren van de provinciale ruimtelijke belangen
en doelen zoals die benoemd zijn in de structuurvisie 'Visie op
Zuid-Holland, ontwikkelen met schaarse ruimte' en bevat hiertoe
instructieregels die van belang zijn voor de gemeente bij het opstellen
van hun bestemmingsplannen.
Niet alle
onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het
algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria, weinig
gemeentelijke beleidsvrijheid en een zwaarwegend provinciaal belang
zich hiervoor. De provincie heeft in de Verordening Ruimte daarom
regels opgenomen over bebouwingscontouren, agrarische bedrijven,
kantoren, bedrijventerreinen, detailhandel, waterkeringen,
milieuzoneringen, lucht- en helihavens, molenbiotopen en
landgoedbiotopen.
Daarnaast is het
ontwerp Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, paragraaf
3.1.2) van het Rijk van belang. Hierin zijn regels opgenomen waaraan
provinciale verordeningen moeten voldoen. Enkele onderwerpen in de
verordening van de provincie Zuid-Holland vloeien rechtstreeks voort
uit het Barro.
Om het stedelijk
netwerk te versterken hanteert de provincie het uitgangspunt om
verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te
concentreren. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied
behouden en versterkt. Daarnaast kan de open ruimte buiten de
stedelijke gebieden worden behouden voor landbouw, natuur en recreatie.
Om dit te bereiken zijn het stedelijk netwerk en alle daarbuiten
gelegen kernen in Zuid-Holland omgeven door bebouwingscontouren (zie de
afbeelding hierna). Deze geven de grens van de bebouwingsmogelijkheden
voor wonen en werken weer. De bebouwingscontouren liggen
strak om het bestaand stedelijk gebied en de kernen. Hierbij is
rekening gehouden met de eerder al vastgelegde
streekplangrenzen en plannen waar de provincie mee heeft
ingestemd.
Planspecifiek
Gelet op de ligging binnen de bebouwingscontour is het voorliggende bestemmingsplan niet in strijd met Verordening Ruimte.
Provinciale bebouwingscontourenkaart
In de Verordening
Ruimte staan tevens regels opgesteld met betrekking tot detailhandel.
Hierin staat beschreven dat een bestemmingsplan, dat detailhandel
mogelijk maakt die groter zijn dan 2.000 m² (bruto vloeroppervlak)
samen moet gaan met een distributieplanologisch onderzoek. Het plan is
ter advisering voorgelegd aan en besproken met het REO. Het REO
heeft aangegeven dat zij van oordeel zijn dat er geen aanleiding is
voor een formeel advies. In het REO overleg is wel enthousiast
gereageerd op de plannen. Door de verplaatsting van de supermarkt naar
het centrum ontstaat een clustering welke ook op provinciaal niveau
wordt nagestreefd.
Op dit moment heeft het winkelcentrum Albert Plesman een aantal grotere knelpunten:
- De branchering is met een kleine discountsupermarkt, een beperkt aantal speciaalzaken en enkele horecazaken zeer onvolledig;
- De omvang van het winkelcentrum is te klein om te spreken van een volwaardig winkelcentrum;
- De uitstraling is sterk verouderd en beïnvloed de sfeer in negatieve zin.
Het winkelcentrum
heeft een stevige upgrading nodig om in de toekomst te kunnen
functioneren als wijkwinkelcentrum. Herstructurering is noodzaak. De
wijk Schoonhoven Noord heeft circa 6.500 inwoners. In de toekomst doen
deze inwoners hun dagelijkse boodschappen in de winkels aan de Albert
Plesmanstraat, in plaats van op een bedrijventerrein zoals nu het
geval. Duidelijk is dat, bezien van het perspectief van de gewenste
concentratie van de winkelvoorzieningen en uitgaande van samenhang en
synergie tussen de supermarkten en speciaalzaken – een duurzaam
perspectief bestaat voor wijkwinkelcentrum Albert Plesmanstraat. Van
bijzonder belang zijn de verplaatsing van de Plus-supermarkt vanaf het
bedrijventerrein naar het winkelcentrum en de versterking van de
Lidl-supermarkt. Doordat deze supermarkten de voornaamste
publiekstrekkers voor het gehele winkelcentrum zijn, krijgen de thans
gevestigde winkeliers een goed economisch toekomstperspectief, hetgeen
in de huidige situatie grotendeels ontbreekt. In de Regionale
Structuurvisie Detailhandel Midden-Holland is dit belang benadrukt. Uit
grootschalig onderzoek onder ruim 4.500 supermarktklanten in 30 buurt-
en dorpscentra blijkt dat 75% van de supermarktbezoekers ook andere
winkels bezoekt, mits deze zichtbaar zijn en op korte afstand liggen
van de supermarkt(en). Een toekomstperspectief voor speciaalzaken is
daardoor vaak pas mogelijk als er ook supermarkten in de buurt zijn die
voldoende klantenstroom genereren. Twee (elkaar aanvullende)
supermarkten – zoals in winkelcentrum Albert Plesmanstraat is
beoogd met een discounter (Lidl) en een servicesupermarkt (Plus)
– bieden nog meer kansen voor de speciaalzaken.
De huidige Lidl-supermarkt breidt uit van circa 650 m2 vvo naar circa 1.000 m2 vvo (toename circa 350 m2
vvo). Een full service supermarkt verplaatst van het bedrijventerrein
naar het centrum. Het winkelvloeroppervlak van de full
service supermarkt neemt met circa 800 m2 v.v.o. toe. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een totale toename van circa 1.150 m2 aan
winkelruimte (v.v.o). Het betreft in casu geen perifere
detailhandel en de toename aan winkelvloeroppervlak blijft onder
de grens van 2.000 m2 Hierdoor valt het buiten de onderzoeksgrens en is er geen strijdigheid met de Verordening ruimte.
3.2.3 Woonvisie 2011 - 2020
In aansluiting op
de Structuurvisie heeft provincie Zuid-Holland in 2011 de "Woonvisie
2011-2020" vastgesteld. De woningmarkt en daarmee ook de
noodzakelijke doorstroming is nagenoeg tot stilstand gekomen. Woningen
staan langer te koop en prijzen dalen. Ondanks de crisis is tot 2010
overal doorgebouwd en daarna is de nieuwbouw gestagneerd.
Daarnaast is zijn ook de demografische ontwikkelingen aan het
verschuiven en is het bestuurlijk krachtenveld sterk aan het
bewegen. Deze ontwikkelingen leiden tot
een sterk bewegend beleidsveld wonen. De nieuwe
woonvisie biedt voor dit bewegende veld een andere
sturingsfilosofie en een vernieuwd visiedocument.
Uitgangspunt voor
deze visie is dat goed wonen en een goede woonomgeving essentieel zijn
voor een krachtige provincie: een ‘Aantrekkelijk en concurrerend
internationaal profiel’, een ‘Duurzame en klimaatbestendige
deltaprovincie’, een ‘Divers en samenhangend stedelijk
netwerk’, een ‘Vitaal, divers en aantrekkelijk
landschap’ en ‘Stad en land verbonden’. Met dat
uitgangspunt in het achterhoofd zijn vijf ambities geformuleerd:
- Regionale verscheidenheid behouden en benutten;
- Provincie stelt kaders voor de lange termijn; regionaal vindt uitwerking plaats;
- Voldoende goed woningaanbod voor iedereen;
- Niet meer woningen plannen dan nodig zijn;
- Toevoegingen en impulsen dragen bij aan een verbetering van de leefbaarheid.
Planspecifiek
De
herontwikkeling van de Schoonhoven-Centrum Noord maakt
onderdeel uit van een groter herstructureringsplan zoals deze door
QuaWonen en de gemeente Schoonhoven momenteel wordt uitgevoerd. Binnen
het plangebied van Schoonhoven-Noord wordt het bestaande woningbestand
van QuaWonen 'verdund'. Bestaande verouderde woningen worden vervangen
door nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen die beter aansluiten op
de huidige vraag. Er is geen wezenlijke toename van het aantal
woningen. Omdat het aantal woningen niet toeneemt wordt voldaan aan de
provinciale Woonvisie.
3.2.4 Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013-2019
In deze Regionale
Agenda Wonen Midden-Holland 2013-2019 leggen de gemeenten van het
Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Midden-Holland vast hoe zij vorm
geven aan de samenwerking rond wonen. Gemeenten zien elkaar als
partners rond wonen en geven daar met deze agenda verder uitwerking
aan. Het is een flexibele samenwerkingsagenda die mee kan met de
veranderende woningmarkt en ruimte geeft aan lokaal en subregionaal
woonbeleid.
De Regionale
Agenda Wonen Midden-Holland is begin 2013 vastgesteld door de gemeenten
met de opdracht aan de colleges van burgemeester en wethouders om de
Agenda door te ontwikkelen naar een regionale woonvisie. Die
doorontwikkeling is nodig om met de Regionale Agenda Wonen te kunnen
voldoen aan de bepalingen van de provinciale Verordening Ruimte. Dat
houdt in dat de Regionale Agenda Wonen naar de doorontwikkeling kan
fungeren als kader om woningbouwplannen in bestemmingsplannen voldoende
en passend juridisch te kunnen verantwoorden.
De Regionale
Agenda Wonen Midden-Holland voor de gemeente Schoonhoven wordt
momenteel verder uitgewerkt in een regionale woonvisie. In deze
uitwerking is rekening gehouden met de herstructurering en de
toevoeging van 8 tot 10 woningen boven de nieuwe kiosken.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Regionale woonbeleid en de uitwerking hiervan in een regionale woonvisie.
3.3 Regionaal beleid
3.3.1 Structuurvisie K5
In de
Krimpenerwaard werken vijf gemeenten, te weten Bergambacht, Nederlek,
Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist samen onder de naam K5. Deze gemeenten
streven naar een vitale en leefbare regio, waar het voor iedereen
prettig wonen is. De basis voor dit beleid is gelegd in een
gezamenlijke toekomstvisie ‘Perspectieven voor de
Krimpenerwaard’. De intergemeentelijke structuurvisie geeft de
hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de K5 tot 2020
weer met een doorkijk naar de lange termijn (2030). De structuurvisie
bouwt voort op de beleidsnota’s die in K5-verband zijn opgesteld
en op de afzonderlijke gemeentelijke ruimtelijke visies.
De belangrijkste
gehanteerde uitgangspunten zijn leefbaarheid, bereikbaarheid van
voorzieningen en een woningbouwcapaciteit die het mogelijk maakt om in
de eigen woningbehoefte te voorzien. Dit is een gedifferentieerd
woningbouwprogramma met minimaal migratiesaldo nul. In
de kernen met een subregionale functie (Schoonhoven, Bergambacht
en Lekkerkerk) zijn ook subregionale voorzieningen aanwezig zoals
voortgezet onderwijs, bedrijvigheid en detailhandel. In de
centrumdorpse woonmilieus staat instandhouding van de voorzieningen
centraal.
Planspecifiek
De
herstructurering van Schoonhoven-Noord Centrum past binnen de
structuurvisie K5. Het plan komt de leefbaarheid van het plangebied ten
goede en draagt bij aan een woningaanbod welke aansluit bij de wensen
in de markt.
3.3.2 Detailshandelvisie K5
De algemene uitgangspunten van het regionale beleid voor detailhandel klinkt als volgt:
Gestreefd wordt naar een zo optimaal mogelijk winkelaanbod voor alle inwoners van de K5 gemeenten. Dit betekend dat:
- zo veel mogelijk inwoners op een goede manier hun dagelijkse boodschappen kunnen doen in de eigen kern;
- voor
de niet-dagelijkse aankopen gestreefd wordt naar een optimalisatie van
het aanbod zodat het totale voorzieningenniveau voor niet-dagelijke
goederen voor het totaal van de kernen maximaal is.
Gestreefd wordt
naar goede randvoorwaarden voor ondernemers waarbinnen zij kunnen
ondernemen. Voor Schoonhoven is een analyse gemaakt waar de volgende
conclusie uit volgde: Buurtwinkelcentrum Noord is belangrijk als
aankoopplaats van dagelijkse goederen voor de inwoners van de
noordwestelijke woonwijk van Schoonhoven (zie volgende afbeelding). Het
winkelaanbod en structuur van het wijkwinkelcentrum passen bij de
functie van de locatie. Wel is blijvende aandacht nodig voor de staat
van de openbare ruimte.
Ten behoeve van
dagelijkse aankopen kunnen bewoners van Schoonhoven terecht op
verschillende locaties. De spreiding van winkels in dagelijkse goederen
is goed. Versterking kan gezocht worden in beperkte uitbereiding van
bestaande winkels.

Winkelkernen Schoonhoven
Planspecifiek
De voorgenomen
ontwikkeling sluit aan op de ambities uit de regionale
detailhandelvisie. Het buurtwinkelcentrum is zeer belangrijk voor de
directe omgeving. Zoals op de bovenstaande afbeelding te zien is zijn
er nagenoeg geen andere winkelvoorzieningen in het betreffende deel van
Schoonhoven. Om het winkelcentrum te versterken en ook in de toekomst
goed te laten functioneren wordt er ingezet op een beperkte uitbereiden
en intensivering door de verplaatsing van de Plus. Tevens wordt de
openbare ruimte heringericht voor een betere ruimtelijke kwaliteit en
functionaliteit van het gebied. Hiermee sluit de voorgenomen
ontwikkeling direct aan op de detailhandelvisie K5.
3.3.3 Woonvisie K5 'Vitaliteit en kwaliteit door Samenwerking'
De
subregionale woonvisie kan als een uitwerking van deze toekomstvisie
worden gezien, waarbij het ontwikkelen van vitaliteit en behoud van
omgevingsprofiel opnieuw als gezamenlijke kernpunten centraal staan.
De
hoofddoelstelling in het woonbeleid van de K5 is: Het behoud van
vitale, leefbare kernen en de daarbij behorende bevolkingsopbouw, voor
nu en in de toekomst. De woonvisie kan daaraan bijdragen, met name door
de juiste woningbouw, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht.
Onder leefbaarheid worden hierbij verschillende zaken verstaan: een
aantrekkelijke fysieke en sociale woon- en leefomgeving en een
voorzieningenaanbod dat gezien de grootte van de aanwezige woonkernen
verwacht mag worden. Daarbij wil de K5 het woningbouwprogramma
afstemmen op de schaal en het karakter van de subregio en dus voorkomen
dat de woningbouw juist de leefbaarheid aantast. Uitgangspunt is
migratiesaldo 0.
De hoofddoelstelling wordt vertaald in vier beleidsopgaven:
- Voldoende en de
juiste woningbouw, die een bijdrage levert aan een evenwichtige
leeftijdsopbouw met een goede verhouding tussen starters, jonge
gezinnen en senioren;
- Een integrale en gecoördineerde aanpak van de herstructurering;
- Een goede afstemming van wonen, zorg en welzijn;
- Zorgen voor keuzevrijheid op de lokale en subregionale woningmarkt en een betaalbaar woningaanbod.
Het bouwen van
voldoende woningen is wel aan voorwaarden onderhevig. Zo dient de
woningbouw zo min mogelijk aantasting van de huidige kwaliteit van het
gebied in te houden.
Planspecifiek
Voorliggend
bestemmingsplan maakt onderdeel uit van de herstructurering van
Schoonhoven-Noord. Met deze herontwikkeling worden nieuwe woningen
gerealiseerd en het winkelcentrum versterkt. Hiermee wordt
voorzien in een breder aanbod welke aansluit bij de vraag vanuit
de markt. Met de gehele planontwikkeling wordt niet voorzien
in meer woningen dan nu aanwezig zijn in het woningbestand van
QuaWonen. Omdat het woningbouwsaldo van de ontwikkelingen in
Schoonhoven Noord toeneemt met maximaal 12 woningen past deze
ontwikkeling binnen het woningbouwprogramma uit de regionale woonvisie.
3.3.4 Ruimtelijke agenda Midden Holland
Op 15 februari
2010 heeft het portefeuillehoudersoverleg Groene Hart, RO en
Volkshuisvesting de Ruimtelijke Agenda Midden-Holland ‘Geslaagde
kwaliteit in een vitale regio' vastgesteld. De ruimtelijke agenda is
opgesteld in samenwerking met de portefeuillehoudersoverleggen Verkeer
en Vervoer, Milieu en het Regionaal Economisch Overleg (REO).
Het heeft als
doel het vormen van een integraal gezamenlijk beleid. De Randstedelijke
ontwikkelingen in omringende regio’s, de samenwerking in de
Zuidvleugel en het Groene Hart vragen om regionale afstemming en visie
op de lange termijn. Vijf speerpunten geven de belangrijkste integrale
thema’s weer, waaraan de 10 gemeenten in Midden-Holland samen
werken:
- Verbetering van de noord-zuidverbinding door ontwikkeling van de N207-corridor
- Een regionaal programma ketenmobiliteit met een bijzondere functie voor de Gouweknoop
- Een regionaal programma voor verbeterde voorzieningen
- Een regionaal programma voor een gastvrij Midden-Holland, gekoppeld aan marketing van de regio
- Een regionaal fonds gekoppeld aan de doelen van de ruimtelijke agenda
Planspecifiek
Voor de
Krimpenerwaard is opgemerkt dat kernenprofilering en instandhouding van
voorzieningen in de kernen een belangrijke voorwaarde zijn om de
leefbaarheid in dit deel van Midden-Holland te waarborgen. De
herontwikkeling van Schoonhoven-Noord Centrum draagt bij aan
subregionale functie die Schoonhoven heeft binnen de kernenprofilering
en verbeterd de voorzieningen in het gebied.
3.3.5 Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013-2019
In deze Regionale
Agenda Wonen Midden-Holland 2013-2019 leggen de gemeenten van het
Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Midden-Holland vast hoe zij vorm
geven aan de samenwerking rond wonen. Gemeenten zien elkaar als
partners rond wonen en geven daar met deze agenda verder uitwerking
aan. Het is een flexibele samenwerkingsagenda die mee kan met de
veranderende woningmarkt en ruimte geeft aan lokaal en subregionaal
woonbeleid.
De Regionale
Agenda Wonen Midden-Holland is begin 2013 vastgesteld door de gemeenten
met de opdracht aan de colleges van burgemeester en wethouders om de
Agenda door te ontwikkelen naar een regionale woonvisie. Die
doorontwikkeling is nodig om met de Regionale Agenda Wonen te kunnen
voldoen aan de bepalingen van de provinciale Verordening Ruimte. Dat
houdt in dat de Regionale Agenda Wonen naar de doorontwikkeling kan
fungeren als kader om woningbouwplannen in bestemmingsplannen voldoende
en passend juridisch te kunnen verantwoorden.
De Regionale
Agenda Wonen Midden-Holland voor de gemeente Schoonhoven wordt
momenteel verder uitgewerkt in een regionale woonvisie. In deze
uitwerking is het project Centrum Noord ingebracht met met een
beperkte toename van circa 10 woningen.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Regionale woonbeleid en de uitwerking hiervan in een regionale woonvisie.
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurplan 'Vitale stad in het Groene Hart'
Het structuurplan (2003) is tot stand gekomen vanuit de
gemeentelijke wens om een actuele samenhangende visie op de ruimtelijke
ontwikkelingen in Schoonhoven te formuleren. Bovendien wil de gemeente
met het structuurplan voorkomen dat ruimtelijke plannen op ad hoc basis
tot stand komen. Doel van het structuurplan is het opstellen van een
strategische ruimtelijke visie voor het gemeentelijk grondgebied van
Schoonhoven.
Het
structuurbeeld 2015 is de huidige lobbenstructuur van de
stad. De stad heeft vleugels in westelijke en oostelijke richting.
Tussen deze vleugels of lobben dringt het groen de stad in tot aan de
historische omwalling. Daardoor is het mogelijk vanuit de binnenstad
het open buitengebied te beleven. Nieuwe bouwlocaties zijn daarom
in eerste instantie gezocht binnen bestaand stedelijk gebied. Ter
versterking van deze structuur gaat het plan uit van een groter
contrast tussen de dichtbebouwde binnenstad, de groene ruimte en de
suburbane wijken. Een intensivering van functies vindt plaats in de
binnenstad, waar het naast detailhandel en horeca ook belangrijk is dat
er ruimte is voor wonen, werken en voorzieningen. Waar ruimte vrijkomt
in de overige delen van Schoonhoven wordt die zoveel mogelijk ingevuld
met een woonfunctie. Mocht het nodig zijn dan kan onder andere Hofland
Noord aangewend worden als uitbreidingslocaties.
In het structuurplan wordt geconcludeerd dat Schoonhoven wordt gekenmerkt door:
- Afname aantal jongeren;
- Afnemende gemiddelde huishoudensomvang;
- Regionale ondervertegenwoordiging hoogste inkomens;
- Concentratie van lagere inkomens;
- Grote voorraad van minder gewenste woningtypen.
Uitsnede Structuurplan ontwikkelcapaciteit
Planspecifiek
In het
Structuurplan staat het gebied om het winkelcentrum in
Schoonhoven-Noord aangewezen als herstructureringsgebied. Het volgende
staat geschreven over het plangebied:
Het centrale deel van woonwijk Noord
Het betreft hier
de (portiek)woningen in het gebied rond de H.A. Schreuderstraat en de
Sint Eloystraat en het gebied rondom de Sporthal de Meent en de flats
rondom de Goudsmids-, Zilversmids- en Juweliershof. In beginsel gaat
het hierbij niet direct om sloop en vervangende nieuwbouw, maar ook om
transformatie van de aanwezige woningen naar de huidige marktvraag.
Het gebied rondom het winkelcentrum aan de Albert Plesmanstraat.
Hier wordt gedacht aan een intensivering van de huidige functies, meer
detailhandel, meer diensten en voorzieningen) wellicht in combinatie
met meer wonen.
De
voorgenomen plannen zijn opgesteld naar aanleiding van de
structuurvisie en sluiten hier op aan. De ontwikkelingen zijn
derhalve niet in strijd met het gemeentelijk structuurplan.
3.4.2 Woonvisie Schoonhoven 2009-2013 'Schoonhoven bouwt en bindt'
De Woonvisie (2009) heeft drie kernfuncties:
- Regievoering: De
gemeente heeft tegenwoordig een rol als regievoerder. Voor uitvoering
van het beleid is samenwerking met partners en een breed draagvlak
nodig. De woonvisie is daarom in overleg met hen opgesteld.
- Relatie leggen
met verwante beleidsterreinen: De beleidsmatige aandacht voor wonen
heeft zich de laatste jaren sterk verbreed. De woonvisie besteedt ook
aandacht aan beleidsmatige raakvlakken, zoals zorg en welzijn, en
draagt op die wijze bij aan een integraal gemeentelijk beleid.
- Praktische basis
voor beleidsuitvoering/instrumentele bruikbaarheid: De woonvisie is een
concrete, praktische basis voor de inzet van Wro en Grexwet,
prestatieafspraken, woningbouwprogrammering en monitoring van de
uitvoering.
Centraal
uitgangspunt voor het woonbeleid van de gemeente Schoonhoven is, dat
mensen met een binding aan de gemeente ook voldoende kans krijgen om in
Schoonhoven te (blijven) wonen, met goede woon- en leefomstandigheden.
Daar vloeien de volgende opgaven uit voort:
- Voldoende woningen voor doelgroepen met een binding aan Schoonhoven, als primaire voorwaarde om mensen te kunnen binden;
- Passende woningen voor alle doelgroepen, met toekomstwaarde (de woningen zelf);
- Een prettige woonomgeving (het woonmilieu, voorzieningenniveau, et cetera).
Deze drie opgaven
zijn bepalend voor de keuzes die de gemeente maakt voor het
woningbouwprogramma, locatie, de inzet op doelgroepen en de wijze
waarop de gemeente, samen met andere partijen) aan wonen in Schoonhoven
werken. De gemeente wil 750 woningen aan de woningvoorraad toevoegen
voor 2020.
Planspecifiek
In de Woonvisie
is de Uitvoeringsvisie van QuaWonen voor Schoonhoven-Noord meegenomen.
De Uitvoeringsvisie van QuaWonen gaat uit van nieuwbouw van ca.
200 levensloopgeschikte sociale huurwoningen en ca. 50 sociale
eengezinswoningen (huur en koop). Daar staat een sloop van ca. 240
verouderde appartementen tegenover. Onderdeel van deze Uitvoeringsvisie
is de herontwikkeling van het centrum gebied. Afgaand op de
slechte beoordeling van de woningvoorraad en woonomgeving door bewoners
zelf, de sterke vergrijzing en de technische kwaliteit van de
woningvoorraad, is een dermate forse vernieuwingsslag passend in deze
wijk. In de Woonvisie is aangegeven dat deze
planontwikkeling alleen maar kan als dat in goede afstemming met
bewoners gebeurt, en als verhuizing een verbetering betekent voor
bewoners van de wijk.
De planvorming
voor blok 9 (boven de supermarkt) is in goede afstemming met
de bewoners gebeurt. In voorbereiding van de verdere planontwikkeling
zal hier ook nadrukkelijk rekening mee gehouden moeten worden.
3.4.3 Wijkvisie Schoonhoven Noord - Thuis in Noord
De gemeente Schoonhoven en QuaWonen hebben de ‘Wijkvisie
Schoonhoven Noord – Thuis in Noord’ (2007) opgesteld om een
gezamenlijk kader te hebben voor verschillende initiatieven
van diverse partijen in de wijk. De gemeente en QuaWonen wilden bij het
ontwikkelen van de wijkvisie bewoners, ondernemers en andere
stakeholders nadrukkelijk betrekken en hun ideeën en meningen in
de wijkvisie meenemen. Daarom is gekozen voor een traject met veel
informatie-uitwisseling en overlegmomenten. De samenwerking tussen de
gemeente, QuaWonen, ondernemers en overige stakeholders vormde de kern
van het project Forum Noord.
Uit
de inventarisatie en de analyse komt naar voren dat bewoners in het
algemeen tevreden zijn met het wonen in Schoonhoven-Noord. Vooral in
het westelijk deel van de wijk zijn de bewoners tevreden. De bewoners
geven echter aan dat er onvoldoende mogelijkheden zijn voor senioren in
de wijk. Ook zijn de woningen voor starters en gezinnen in het
middelduur koopsegment schaars. De meeste woningen zijn kwalitatief
goed, maar een deel van de huurwoningen is verouderd waardoor zij niet
meer voldoen aan de huidige wensen van bewoners.
De
ambitie op het gebied van wonen is: Het bieden van een gedifferentieerd
woningaanbod in aantrekkelijke buurten waardoor wooncarrières
binnen Schoonhoven-Noord mogelijk worden gemaakt. Door
functieveranderingen komen locaties vrij. Op deze locaties kunnen
woningen aan de woningvoorraad toegevoegd worden. Dit maakt het
mogelijk om meer differentiatie in de woningvoorraad te brengen.
De ambitie
voor het winkelcentrum is het realiseren van een centrum met twee
supermarkten en beperkte ruimte voor kleine winkels en horeca. De
kleine winkels en horeca moeten verleid worden om zich in het
winkelcentrum te vestigen. Het doel hiervoor is
het creëren van een hart voor de wijk.
Planspecifiek
Het
herstructureringsplan voor Schoonhoven-Noord Centrum sluit aan op de
wijkvisie. In het gebied worden verouderende woningen gesloopt en
vervangen met nieuwe toekomstbestendige woningen. Hiermee draagt het
bij aan de ambitie van de gemeente voor het creëren van een
gedifferentieerde woningvoorraad.
Ook de
ontwikkelingen voor het winkelcentrum sluit aan op de visie. De Lidl
zal uitbereiden en de Plus zal verplaatsen van het bedrijventerrein
naar het winkelcentrum. Bij de inpassing van de Plus is gekozen voor
een zogenaamd haltermodel. Een haltermodel bestaat uit twee sterk
aantrekkende winkels (Plus en de Lidl) aan de uiteinden van het
winkelgebied met daar tussen een strip van kleinschalige detailhandel.
Deze opzet is zowel voor de supermarkten als voor de kleinere
ondernemers aantrekkelijk omdat de functies elkaar op deze manier
versterken. Op basis van dit model is naast de nieuwbouw van de Plus
ook een uitbreiding van de Lidl voorzien.
3.4.4 Geldend bestemmingsplan 'Schoonhoven Noord (2013)'
In het vigerende
bestemmingsplan 'Schoonhoven Noord (2013)' is voor de betreffende
locatie gelden hoofdzakelijk de volgende functies:
- Wonen
- Maatschappelijk
- Detailhandel
- Verkeer
Het
bestemmingsplan biedt geen expliciete ruimte voor een uitbreiding of
'upgrading' van het bestemmingsplan. Een aparte
bestemmingsplanprocedure zal ruimte moeten scheppen voor de toekomstige
plannen. Wel staan de voorgenomen ontwikkelingen, voor zover bekend,
beschreven en is in de bestemmingsplanprocedure ook het Masterplan
Centrum gepresenteerd aan de bewoners.
Zoals beschreven
staat in het vigerend bestemmingsplan is de huidige locatie van de Plus
(detailhandel op het bedrijventerrein) is niet gewenst. De Plus zal
verplaats worden naar het winkelcentrum in Schoonhoven-Noord. Om dit en
de andere voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is het nieuwe
bestemmingsplan voor het centrum gebied noodzakelijk.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan Schoonhoven Noord (plangebied gobaal omlijnd)
3.4.5 Groenbeleidsplan
Met het
Groenbeleidsplan (2000) wil de gemeente het beleid over bestemming,
inrichting en beheer van openbaar groen vastleggen. Hierdoor moet een
logisch samenhangende, duurzame en beheerbare groenstructuur ontstaan.
Om het hoofddoel te bereiken wordt het huidige groenareaal en de
groenstructuur in Schoonhoven beoordeeld op kwaliteit en kwantiteit. De
aanwezige kwaliteiten in de groenstructuur worden veiliggesteld en
verder ontwikkeld tot een samenhangend en duurzaam geheel.
Het plan is aanvankelijk opgesteld met een beoogde geldigheidsduur van 5 tot 10 jaar.
Uitsnede kaartbeeld Groenbeleidsplan
Planspecifiek
In het
groenbeleidsplan is het Juweliershof en het Zilversmidshof aangewezen
als representatief groen. Deze kwaliteit is op verschillende
functies van toepassing. In de planontwikkeling is rekening
gehouden met het bestaande groen. Voor het Juweliershof wordt de
daadwerkelijke groen invulling nader bepaald. Hetzelfde geld voor
het Zilversmidshof (blok 10). De bestaande bebouwing wordt
gesloopt en nieuwbouw komt er voor terug. Het groene karakter van de
Juweliershof blijft behouden maar wordt in omvang beperkt. Bij de
Zilversmidshof wordt het groen geclusterd. Hierdoor wordt de
kwaliteit en gebruiksmogelijkheden van het representatief groen
verbeterd.
3.4.6 Adviesnota cultureel erfgoed
De
gemeente Schoonhoven heeft in 2013 een erfgoednota vastgesteld
voor de periode 2012 – 2017. Zij heeft daarin de volgende doelen
gesteld:
- Het aanwijzen van 100 nieuwe gemeentelijke monumenten;
- Het aanpassen van de subsidieverordening voor gemeentelijke monumenten;
- Het aanwijzen van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht;
- Het aanpassen van de monumentenverordening;
- Het opstellen van een cultuurhistorische inventarisatie;
- Het opstellen van richtlijnen voor de openbare ruimte van het beschermd stadsgezicht;
- Het verbreden van het draagvlak voor monumenten en archeologie.
De adviesnota en
de bijbehorende cultuurhistorische inventarisatie en waardenkaart is
het directe gevolg van punt 5 van de doelstellingen uit de erfgoednota.
Daarnaast is het collegeprogramma 2010-2014 “Samen bouwen aan een
aantrekkelijk Schoonhoven” een tweede aanleiding voor deze
inventarisatie en beleidsregels. In het programma worden de waarden van
Schoonhoven als zilverstad, vestingstad en als toeristische
trekpleister erkent. Daarmee heeft het college aangegeven te willen
bouwen aan versterking en behoud van de aanwezige cultuurhistorische
waarden. De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de
kwaliteitskaart wat als uitgangspunt dient voor de advisnota.
Uitsnede cultuurhistorische inventarisatie en waardenkaart
In
de adviesnota is een cultuurhistorische kwaliteitkaart opgesteld. Het
plangebied valt hier binnen de locatie met hoge
gebiedskwaliteit. Dit paragraaf onderbouwd met een
cultuurhistorische analyse dat de beoogde ontwikkeling
geen ingrijpende afbreuk aan de gebiedskwaliteit doet.
Schoonhoven heeft
zich als stad lange tijd binnen de huidige vestingswerken kunnen
ontwikkelen. Pas na de Tweede Wereld Oorlog is sprake geweest van
planmatige uitbreidingen buiten de vestingswerken. Dit gebeurde op
grote schaal aan de noordwestzijde van de historische stad. Het
spoortracé richting Rotterdam werd opgeheven en de huidige N210
werd aangelegd. Deze weg vormt nu de eerder genoemde scheiding tussen
de historische stad en Schoonhoven-Noord. De ontwikkeling van
Schoonhoven-Noord is begonnen aan de oostkant, tegen de Opweg aan.
Vanaf deze zijde heeft de wijk zich in fasen in westelijke richting
ontwikkeld. De eerste fase van de uitbreiding bestond uit een
traditionele blokverkaveling op basis van een eenduidig grid van
straten. In de latere plandelen zijn diverse verkavelingstypes
geïntroduceerd zoals woonerven en strokenverkavelingen.
In 1960 is het
bestaande wijkwinkelcentrum gebouwd. Direct ten oosten daarvan ligt een
opvallende stempelverkaveling bestaande uit L-vormige vierlaagse
complexen afgewisseld met stroken grondgebonden woningen bestaande uit
twee bouwlagen. Het stempelpatroon komt in een noord-zuid gerichte
strook driemaal voor. Bij elke stempel omsluit de bebouwing een
openbare groene ruimte. Gezamenlijk vormen deze blokken een
stedenbouwkundig ensemble. De waarde van dit ensemble bestaat
voornamelijk uit de herhaling van de strakke blokken in een openbare
groene setting.
Toekomstige situatie
Een deel van de
bebouwing van het ensemble zal in de toekomst worden gesloopt.
Daarnaast wordt een nieuwe supermarkt in het gebied gerealiseerd. Het
nieuwe programma heeft een wijziging van de bestaande stedenbouwkundige
structuur tot gevolg. Alleen de kwaliteit van het representatieve
groen tussen de woonblokken wordt vastgehouden. De inpassing van de
supermarkt maak het niet mogelijk om zowel de huidige stempel als de
kwaliteit van dat stempel te behouden. Daarom is er gekozen niet
de vorm maar wel de kernkwaliteit vast te houden. De bestaande
kernkwaliteiten vertalen zich in de nieuwe situatie in de herhaling van
rechthoekige woonblokken die verschillende openbare ruimtes omsluiten.
Deze openbare ruimtes krijgen een hoofdzakelijk groene inrichting mee.
Op deze manier blijft dit relatief open deelgebied zich onderscheiden
ten opzichte van de meer besloten woongebieden ten oosten en westen
daarvan.
De beoogde
ontwikkeling zorgt voor een wijziging in het stempel patroon maar zal
de andere kenmerkende kwaliteiten behouden. De Adviesnota cultureel
erfgoed vormt derhalve geen belemmering op de beoogde ontwikkeling.
4 Uitvoerbaarheid
De
uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet
ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de
Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende
ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de
economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage
Op grond van de
Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen,
activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben
voor het milieu, een procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.)
te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af
te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige
activiteiten" waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet
worden opgesteld en "m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij
moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significante negatieve
gevolgen voor het milieu.
Op 1 april 2011
is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.
Het besluit is aangepast waarbij de drempelwaarden indicatief zijn
geworden en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn
uitgebreid. Het indicatief worden van de drempelwaarden betekent dat er
wel een toetsing moet worden gedaan als een project (ruim) onder de
drempelwaarden blijft. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen
of de activiteiten ook beneden de drempel geen aanzienlijke
milieugevolgen kunnen hebben.
Een m.e.r. is
verplicht bij bestemmingsplannen indien de activiteiten in het plan
mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden
zodat een passende beoordeling nodig is en/of het plan kaders stelt
voor activiteiten in het plangebied waarvoor volgens de Wet
milieubeheer een besluit m.e.r.(-beoordeling) verplicht is.
Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied waardoor geen passende beoordeling nodig is.
In het Besluit
milieueffectrapportage zijn m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten
en indicatieve drempelwaarden opgenomen. Bij de activiteiten is
opgenomen "de bouw van woningen" en de "uitvoering dan wel wijziging of
uitbreiding van een stadsproject met inbegrip van de bouw van
winkelcentra". Dit is opgenomen op de D-lijst onder D.11.1 en D11.2. Op
basis hiervan is een m.e.r.-beoordeling nodig, indien de activiteit
betrekking heeft op een de bouw van 2.000 woningen of meer of het
toevoegen van meer dan 200.000 m2 aan
bedrijfsvloeroppervlak. De voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw
van circa 105 wooneenheden en de realisatie van circa
2.000 m2 bedrijfsvloeroppervlak. De ontwikkeling valt ruim onder de drempelwaarden.
De drempelwaarden
zijn indicatief. Daarom moet vervolgens worden gekeken naar de
kenmerken van de ontwikkeling, de plaats van de ontwikkeling en de
kenmerken van mogelijke effecten. Indien er effecten optreden met een
omvangrijke implicatie voor het milieu kan het bevoegd gezag
initiatiefnemers vragen om een m.e.r.-beoordeling op te laten stellen.
In de onderstaande tabel is het initiatief getoetst op de ruimtelijke en milieutechnische effecten.
|
|
|
|
Omvang het project (relatie met drempel)
|
het initiatief staat op de lijst maar zit onder de drempelwaarde
|
|
Cumulatie met andere projecten
|
Er is geen sprake van een cumulatie. In de directe omgeving zijn geen andere projecten voorzien.
|
|
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
|
Het plan
voorziet niet in het gebruik van natuurlijke hulpbronnen anders dan als
bouwmaterialen en materialen voor de aanleg van voorzieningen.
|
|
Productie van afvalstoffen
|
in beperkte mate als gevolg van de sloop en nieuwbouw
|
|
Verontreiniging en hinder
|
Het plan
veroorzaakt geen onevenredige verontreiniging of hinder. Enige hinder
is wel te verwachten als gevolg van extra verkeersbewegingen
|
|
Risico voor ongevallen
|
het project
leidt niet tot een groter risico voor ongevallen. Het plan ligt wel
binnen de invloedsfeer van een transportroute gevaarlijke stoffen maar
er wordt voldaan aan de oriënterende waarde welke hiervoor geldt.
|
|
|
|
|
Bestaand grondgebruik
|
stedelijke functie
|
|
Rijkdom aan en kwaliteit van het gebied
|
niet van toepassing
|
|
het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:
d. reservaten en natuurparken
e. gebieden
die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving
worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten
aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en
Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn)
f. gebieden
waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake
milieukwaliteit reeds worden overschreden;
g. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
h. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
|
Realisatie
van het plan heeft geen relevante effecten op bodem, water, flora en
fauna, archeologie, luchtkwaliteit, zonering, externe veiligheid en
geurhinder. Dit blijkt uit de onderzoeken die in het kader van het
bestemmingsplan zijn uitgevoerd en zijn opgenomen in de toelichting van
het bestemmingsplan.
|
Kenmerken van het potentiele effect
|
|
|
Bereik van het effect
|
Het effect
van het project beperkt zich hoofdzakelijk tot akoestiek en
luchtkwaliteit als gevolg van verkeersbeweging. Daarnaast zijn er in de
realisatiefase beperkte effecten te verwachten als gevolg van de bouw.
Hiervoor zal voldaan worden aan het bouwbesluit en de gemeentelijke
bouwverordening.
|
|
Grensoverschrijdend karakter
|
Het project
heeft enkel een grensoverschrijdend effect voor wat betreft de
vervoersstromen (autoverkeer) als gevolg van het project.
|
|
Orde van grootte en complexiteit effect
|
het effect
beperkt zich tot geluid en luchtkwaliteit. Daarmee is de orde van
grootte en de complexiteit zeer beperkt en binnen de geldende wet- en
regelgeving toetsbaar.
|
|
Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
|
De duur en
frequentie is inzichtelijk en zal voor lange tijd aanwezig zijn. Het
effect is omkeerbaar maar dit is niet te verwachten.
|
|
|
Het
bestemmingsplan zorgt niet voor belangrijke negatieve milieueffecten.
Nadere analyse in een MER/m.e.r.- beoordelinq is niet noodzakelijk.
|
4.2 Milieu
4.2.1 Bodem
In
het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de
kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in
overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet
Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de
beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een
functiewijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk.
Planspecifiek
In een
bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is
voor de beoogde functie. In het vigerende bestemmingsplan
Schoonhoven-Noord uit 2013 zijn de gronden hoofdzakelijk bestemt als
detailhandel, maatschappelijk, verkeer en wonen. De bestemming wonen
zal echter ruimer voorkomen in het op te stellen plan dan in het
huidige bestemmingsplan. Voor de bestemmingswijzigingen is een inzicht
in de bodemkwaliteit noodzakelijk.
Door Econsultancy
is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als
bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat
de bovengrond voornamelijk uit, zwak siltig, matig fijn tot matig
grof zand bestaat. De ondergrond bestaat uit lagen zwak tot matig
siltig, matig fijn tot matig grof zand en kleilagen. In de ondergrond
komen plaatselijk veenlaagen voor.
Er zijn op basis
van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering
van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding
geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht:
A: locatie A. Plesmanstraat 15
Zowel in de
bovengrond als de ondergrond zijn zintuiglijk geen verontreinigingen
aangetroffen. De bovengrond is analytisch licht verontreinigd met kwik,
zink en PCB. In de ondergrond zijn analytisch geen verontreinigingen
geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en
molybdeen.
B: locatie A. van Vianenstraat
In het opgeboorde
materiaal uit zowel de bovengrond als uit de ondergrond zijn
zintuiglijk bijmengingen met puin aangetroffen. De puinhoudende
bovengrond is licht verontreinigd kwik en zink. De zintuiglijk schone
bovengrond is licht verontreinigd met PCB. In de puinhoudende
ondergrond zijn analytisch lichte verontreinigingen met koper, kwik,
lood en PAK aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met
barium. Omdat vooral de zintuiglijk verontreinigde grondmonsters zijn
gebruikt bij de samenstelling van de grondmengmonsters, mag ervan
worden uitgegaan dat gemiddelde bodemkwaliteit beter is dan aangetoond
in de mengmonsters.
Met het
uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van
de beide deellocaties vastgelegd. De vooraf gestelde hypothese, dat de
onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis
van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en
mate van
verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader
onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische
kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de
herinrichting/vitalisering van de onderzoekslocatie.
Indien er
werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet
zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van
het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.
4.2.2 Luchtkwaliteit
De Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit
niet in betekenende mate(luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige
bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de
concentraties van luchtverontreinigende stoffen.
De meest
kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide
(NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen
in onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde
en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt
dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en
uurgemiddelde) grenswaarden. Tot deze grenswaarden gelden zijn er voor
NO2 minder strenge grenswaarden van kracht.
Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien:
- een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt;
- de luchtkwaliteit tengevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;
- een project
“niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de
concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage
is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn
stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.);
- een project is
opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht
(NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is
om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten
voldoen.)
Regeling NIBM
De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM
en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal
categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de
3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de
onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitonderzoek niet meer
nodig is:
- Woningbouw minder
dan 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg,
en minder dan 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen
met een gelijkmatige verkeersverdeling.
- Kantoorlocaties minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en minder dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Tevens
is in het Besluit NIBM, art.5 een anticumulatie bepaling opgenomen, die
zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het
plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het
betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende
NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan
verslechtering van de luchtkwaliteit. Als criterium voor de relatie
tussen de projecten wordt de nabijheid van de locaties (binnen een
afstand van 1 km) en het gebruik van dezelfde infrastructuur
gehanteerd. Daarnaast moeten de besluitvorming voor deze projecten in
de werkingstermijn van het NSL (t/m 2014) gebeuren.
In
de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal
op een andere manier bijvoorbeeld door middel van berekeningen
aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende
mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.
Beoordelingspunten
De
luchtkwaliteit langs wegen wordt volgens de Regeling Beoordeling
luchtkwaliteit (Rbl, 2007) op een representatief punt, op een afstand
van maximaal 10 m vanaf de rand van de weg beoordeeld. In verband met
het blootstellingcriterium opgenomen in artikel 22 van de Rbl en de
toepasbaarheidbeginsel opgenomen in artikel 5.19 van de Wm is het
mogelijk om in een aantal situaties van deze afstand af te wijken.
Volgens het blootstellingcriterium wordt de luchtkwaliteit op locaties
beoordeeld waar mensen aan de hoogste concentraties blootgesteld kunnen
worden gedurende een periode die significant is ten opzichte van de
middelingtijd van de betreffende grenswaarde. Zo wordt bij de
jaargemiddelde NO2 grenswaarde getoetst daar waar langdurige
blootsteling plaats kan vinden (vergeleken met de middelingtijd van een
jaar) – bijvoorbeeld aan de gevel van woningen. Terwijl bij de
24-uurgemiddelde grenswaarde van PM10 zijn plaatsen als tuinen bij
woningen en sportcentra relevant, waar mensen bootgesteld kunnen worden
gedurende een periode vergeleken met de middelingtijd van een dag. Het
toepasbaarheidbeginsel geeft aan waar de luchtkwaliteit niet beoordeeld
hoeft te worden – bijvoorbeeld “locaties waar leden van het
publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is”.
Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening
Naast
de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie
gelegd met de Wet Ruimtelijke ordening en de Wet Publieke Gezondheid,
in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van
een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging
wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten.
Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de
huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder
de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten
optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe
verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling)
hoe beter.
Daarom adviseert GGD (“GGD-richtlijn medische milieukunde: luchtkwaliteit en gezondheid, dec. 2008
“) om geen nieuwe gevoelige bestemmingen (waaronder bij uitstek
woningen), binnen de zones van minimaal 300 meter afstand tot de
rijkswegen (minder dan 100 meter wordt sterk afgeraden) en minimaal 50
meter afstand tot de provinciale wegen te realiseren. Langs drukke
binnenstedelijke wegen, met meer dan 10.000 voertuigen per etmaal,
wordt vanwege praktische overwegingen geen afstand geformuleerd.
Geadviseerd wordt geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijn
bebouwing direct langs een drukke binnenstedelijke weg te bouwen.
Planspecifiek
Het plan heeft
‘niet in betekenende mate’ effect op de luchtkwaliteit. Een
toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen is niet noodzakelijk. De Wlk
staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg. Het plan
voldoet uit het oogpunt van luchtkwaliteit aan de eisen van een goede
ruimtelijke ordening. De volgende afbeeldingen laten uitsnedes
zien uit de 'Atlas leefomgeving'. De afbeeldingen laten de huidige
stikstof en fijnstof concentraties zien. In de huidige situatie wordt
de wettelijke normen niet overschreden. De luchtkwaliteit in het
plangebied vormt geen belemmerende factor voor de voorgenome
ontwikkeling.
Uitsnede Atlas Leefomgeving (stikstof)
Uitsnede Atlas Leefomgeving (fijnstof)
4.2.3 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in
de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige
objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh
worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
- woningen;
- geluidsgevoelige
terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan
categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen,
woonwagenstandplaatsen);
-
andere
geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en
verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en
verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit
geluidhinder (Bgh):
- verzorgingstehuizen;
- psychiatrische inrichtingen;
- medisch centra;
- poliklinieken;
- medische kleuterdagverblijven.
Voor
deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze
voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de
gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe
geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de
voorkeursgrenswaarde te bedragen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt voor
de te realiseren woningen 48 dB. Wanneer aan deze waarde voldaan wordt
kunnen de woningen zonder aanvullende procedure worden gerealiseerd.
Indien
bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen niet aan de
voorkeursgrenswaarde wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat de
locatie niet zonder meer geschikt is voor de beoogde
ontwikkeling. Om de ontwikkeling doorgang te laten vinden zal
nog onderzoek uitgevoerd worden naar de haalbaarheid van
maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren. Dit kunnen maatregelen
aan de bron (bv. geluidarm asfalt) of maatregelen in overdrachtssfeer
(bv. geluidwal) zijn. Dit onderzoek zal in het kader van een nog aan te
vragen ontheffing hogere grenswaarde plaatsvinden.
Indien
maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren
ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige,
landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een
hogere grenswaarde worden vastgesteld. Ter bepaling of deze waarde
inderdaad kan worden vastgesteld is de Beleidsregel Hogere Waarden
regio Midden-Holland (april 2007) vastgesteld. In situaties waarin aan
deze beleidsregel wordt voldaan kunnen hogere waarden worden
vastgesteld tot de Maximale Grenswaarde uit de Wgh (Tabel II).
Indien
de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde
dient er te worden onderzocht of er maatregelen mogelijk zijn om de
geluidbelasting op de gevel omlaag te brengen.
Planspecifiek
Het
plan voorziet in de nieuwbouw van 40 woningen* welke gelegen zijn
binnen de onderzoekszone van de N210. Derhalve moet aangetoond worden
of voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Indien dit niet het
geval is zal een hogere grenswaarde verkregen moeten worden of zullen
zogenaamde overdrachtsmaatregelen genomen moeten worden.
Door Weel
geluidadvies is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is
opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek
van Weel geluidadvies blijkt dat voor de 40
woningen* boven de nieuw te bouwen supermarkt de
voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai ten gevolge van het
wegverkeer op de N210 niet wordt overschreden. De geluidbelasting ten
gevolge van de omliggende niet gezoneerde 30 km/uurwegen drukt niet een
stempel op de plaatselijke leefomgevingskwaliteit als het gaat om
geluidhinder. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Binnen
het plan worden eveneens woonblokken gesloopt er herbouwd, tevens wordt
voorzien in maximaal 12 nieuw te bouwen woningen. Deze liggen niet
binnen de invloedssfeer van een zogenaamde gezoneerde weg. Derhalve is
hier geen onderzoek naar verricht. Op basis van de onderzoeksresultaten
van Weel geluidadvies kan wel gesteld worden dat ook voor deze woning
voldaan zal worden aan de voorkeursgrenswaarde.
Aanvullend,
na aanleiding van een ingediende zienswijze, is nader onderzocht of het
wegverkeerslawaai in combinatie met het extra aantal verkeersbewegingen
als gevolg van de verplaatsing van de supermarkt leidt tot een
onevenredige toename van de geluidsbelasting van de omliggende
woningen. Uit het onderzoek van geluidsburo Weel, bijlage 3 bij de
Nota zienswijzen, blijkt dat er sprake is van een toename van 1 dB. Een
toename van 1 dB is voor het menselijk oor niet waarneembaar.
*) het aantal woningen is bij vaststelling bijgesteld naar 36
4.2.4 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die
bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk
van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid.
Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun
aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of
nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen
ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij
een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij
een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige
bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor
dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige
functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een
verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het
waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit
van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering
beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals:
geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden
en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type
bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten'
(VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en
Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst
opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige
bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt
dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het
belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging
steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet,
mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en
milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van
voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld
bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare
voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
Nabij het
plangebied bevindt zich een pand met een bedrijfsbestemming in de
milieucategorie 2. Het betreft hier het voormalige tankstation waar
feitelijk geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Tevens bevind zich in
het plangebied een winkelcentrum (milieucategorie 1) en
grenst het aan een school (milieucategorie 2). Het plangebied is aan te
merken als gemengd gebied. In dit geval wordt er een kortere
richtafstand van bedrijven tot gevoelige bestemmingen gehanteerd.
Voor categorie 1 bedrijven geldt een afstand van 0 meter en voor
categorie 2, 10 meter.
De
woningen liggen niet in een straal van 10 meter om het bedrijf heen en
tussen de school en de woningen zit een afstand van 35 meter. De
voorgenomen ontwikkelingen leveren derhalve geen belemmeringen op voor
de bestaande bedrijven.
Het
planvoorziet in de verplaatsing van een full-service supermarkt van het
bedrijventerrein naar het centrum gebied van Schoonhoven-Noord. Deze
'bedrijfsverplaatsing' en de daarmee samenhangende laad- en
losactiviteiten van goederen ten behoeve van de supermarkt zijn
onderzocht om hun milieutechnische inpasbaarheid. Maatgevend hiervoor
is de geluidsoverlast die hiervan ondervonden kan worden. Dit aspect is
onderzocht door Weel Geluidsadvies. Dit onderzoek is als bijlage bij de
plantoelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt
aan de wettelijke grenswaarden. In het onderzoek worden nog enkele
suggesties gedaan voor een verdere verbetering van de geluidssituaties.
In de verdere planuitwerking wordt nagegaan of hieraan invulling
gegeven kan worden.
Na
aanleiding van de ingediende zienswijzen is door Weel Geluidsadvies
nader onderzoek gedaan naar het laden en lossen, de situering van het
condensor. Uit dit onderzoek blijkt, bijlage 3 bij de Nota zienswijzen,
dat voldaan kan worden aan de wettelijke normen.
4.2.5 Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met
gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan,
verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten
kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de
risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema
externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee
risicomaten; het plaatsgebonden risico (hierna: PR) en het groepsrisico
(hierna: GR).
Voor
de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid
worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van
een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid
inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen
het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of
buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden
vervoerd.
Planspecifiek
Risicokaart
In
de directe nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen,
spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen gelegen die in het kader van
externe veiligheid een beperking vormen. Dit is te zien op de
uitsnede van de Risico Kaart.

Uitsnede Risico Kaart (plangebied omcirkeld).
Transport over de weg
De
voorgenomen ontwikkelingen bevindt zich binnen de invloedsfeer van de
N210. Over de N210 worden gevaarlijke stoffen getransporteerd.
Door Royal Haskoning DHV is voor de planontwikkeling Zilverstad
recentelijk een onderzoek gedaan naar het plaatsgebonden risico en het
groepsrisico(rapport: QRA N210 Bestemmingsplan Zilverstad). De
uitkomsten voor dit onderzoek kunnen ook gebruikt worden voor deze
locatie. Het onderzoek is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan.
De toename van
het groepsrisico is door Royal Haskoning DHV in beeld gebracht. Deze
toename van het groepsrisico bedraagt 0,002 met de toevoeging van
64 woningen. Het groepsrisico blijft onder oriëntatiewaarde van 1
en bedraagt in de nieuwe situatie 0,023. Voor de beperkte toename van
het groepsrisico is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld.
Deze verantwoording is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.
In casu worden er
per saldo 12 nieuwe woningen toegevoegd. Dit is een zeer
geringe toename. Daarnaast is de locatie op een grotere
afstand van de N210 gelegen dan Zilverstad. Hiervan uitgaande kan met
zekerheid gesteld worden dat er niet of nauwelijks geen toename is van
het groepsrisico. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is dan
ook niet noodzakelijk.
4.3 Water
Het
aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door
verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast
(waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de
kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op
Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en
wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn
het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste
eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige
waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het
rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste
eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte
moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid
voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden,
bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk
bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater.
Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in
bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren
wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden,
scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk
schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel
mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd
water aan het bod.
Waterwet
Centraal
in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de
‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het
geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties
tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar
ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Het
doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor
waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt
de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische
implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn
Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles
is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale
watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen
uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één
aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op
basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het
kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid
het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam
waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen
overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de
diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de
periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor
toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die
water biedt te benutten.
Beleid hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard
Het plangebied
valt onder hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard. De missie van
dit hoogheemraadschap luidt: ‘Droge voeten en schoon
water’. Deze missie heeft betrekking op de veiligheid en de
waterkwaliteit, en is uitgewerkt in de missiestatement: veiligheid voor
inwoners en bedrijven, voldoen aan de complexe wateropgave in stedelijk
en landelijk gebied, efficiënt en doelmatig werken, oog voor het
waterschap als functionele overheid en voor de wijze waarop de
organisatie naar buiten treedt.
Aanleg van nieuw
verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de
watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de
aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies aan
waterberging in de bodem gecompenseerd. Uit berekeningen zal blijken
hoeveel ruimte voor compenserende waterberging nodig is. De aanleg van
de bergingsvoorziening komt voor rekening van plannemer van de
ruimtelijke ingreep.
Watertoets
De
‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige
belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het
opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische
toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en
de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk
stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van
een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek
In
het plangebied is in de huidige situatie geen oppervlakte water
aanwezig. Op basis van dit plan is er echter een toename in
verharding van circa
2.400 m².
Deze toename heeft invloed op de infiltratiemogelijkheden van
hemelwater in het plangebied. Hoogheemraadschap Schieland en
Krimpernerwaard vereist dat op basis van deze toename aan
verharding circa 182,4 m² gecompenseerd wordt
door nieuw oppervlakte water. In het plangebied is echter geen
mogelijkheid extra oppervlakte water te creëren.
Ten
zuiden van het plangebied ligt de Zilverstad-locatie. Zoals beschreven
staat in het bestemmingsplan voor Zilverstad-locatie is in de
stedenbouwkundige schets voor de ruimte gereserveerd voor
een extra waterbergingsoverschot van circa 800 m2 ten behoeve van de herstructurering van het wijkwinkelcentrum.
De onderstaande tabel toont de watertoets voor het plangebied en de Zilverstadlocatie.
| Zilverstadlocatie |
|
|
| Afname verharding |
473 m2 |
|
| Vereiste toename water |
0.0 m2 |
7,6% |
| Toename water |
833 m2 |
|
| Overschot water |
833 m2 |
|
| |
|
|
| Centrum Noord |
|
|
| Toename verharding |
2400 m2 |
|
| Vereiste toename water |
182,4 m2 |
7,6% |
| Tekort water |
-182,4 m2 |
|
Gezien het feit dat de Zilverstadlocatie een overschot van 833 m2 aan
waterberging heeft, kan dit gecompenseerd worden met het tekort in
Centrum Noord. Derhalve wordt er voldaan aan de eisen van het
waterschap.
4.4 Ecologie
Bij
ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de
natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen
gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen
uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de
Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de
bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke
ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve
effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet
ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
Gebiedsbescherming
De
Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de
Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
- Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
- beschermde Natuurmonumenten;
- wetlands.
Naast
deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in
het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een
samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en
omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische
verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de
hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur
en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een
leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'.
Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
- vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
- verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
- verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De
Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende
inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich
vooral op het in stand houden van populaties van soorten die
bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden
vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast
een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde
specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet
genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan
de minister van EL en I (artikel 75, lid 3). Bekeken moet
worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op
beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of
mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast
geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het
voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd
moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort
geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd
project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
In het kader van
de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) en de Ecologische Hoofdstructuur
(EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelin-gen een
negatieve invloed hebben de beschermde gebieden. Het plangebied te
Schoonhoven ligt niet in of nabij de EHS of een gebied dat is
aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de
Natuurbeschermingswet 1998. Directe effecten of effecten als gevolg van
verstoring worden niet ver-wacht. Gebiedsbescherming is op deze locatie
niet aan de orde.
Soortenbeschreming
In het kader van
de Flora- en faunawet dient te worden nagegaan of vaste rust- en
verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soor-ten
door de ingreep worden aangetast. Derhalve is door Laneco
een Quick scan flora en fauna uitgevoerd (Projectnummer 04.14.01).
In de bijlage is het volledige rapport te vinden. Hieruit valt het
volgende te concluderen:
Op basis van
verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van
individuele diersoorten zijn verblijfplaatsen van soorten uit de
soortgroep vleermuizen niet uit te sluiten binnen het plangebied. Van
de gewone dwerg-vleermuis is in 2013 door onderzoeksbureau BSR reeds
een verblijfplaats in het plangebied aangetoond. Van overige strikt
beschermde diersoorten zoals jaarrond beschermde vogel-soorten worden
geen verblijfplaatsen verwacht.
Aanbeveling
Verder zijn er
vanuit een ecologisch oogpunt enkele vrijblijvende aanbevelingen te
doen ten aanzien van de toekomstige inrichting:
4.5 Archeologie
In
1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming
van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het
Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees
archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit
erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk
verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke
(toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem
altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van
(mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de
Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat
waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief
aangepast kan worden.
Planspecifiek
De
Cultuurhistorische waardekaart van de provincie Zuid-Holland, geeft aan
dat de noordzijde van onderhavig plangebied is aangemerkt met een lage
trefkans, oftewel een kleine kans op archeologische sporen. Voor dit
gebied hoeft geen verkennend archeologisch onderzoek te worden
uitgevoerd. Het zuidelijk deel heeft een hoge trefkans. Voor dit deel
is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Ook het gemeentelijk
archeologiebeleid onderbouwd dit. De archeologische waardenkaart (2011)
toont dat het plangebied de archologische waarde 5 heeft. Voor het deel
met waarde 5 geldt wanneer het plangebied groter dan 5000 m2 en er werkzaamheden dieper dan 1,5 meter in de grond plaats vinden dient er archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rood omlijnd)
Om die reden is
er door AcheoSupport archeologisch onderzoek uitgevoerd (rapportnr.
2014-1). Op basis van het booronderzoek in relatie tot het
gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel, kunnen de volgende
conclusies worden getrokken:
- Het
maaiveldniveau uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd is deels intact. Er
zijn hierin geen archeologische indicatoren aangetroffen, hetgeen de
lage verwachting bevestigd.
- In
de ondergrond zijn (binnen 5 m –mv) weliswaar afzettingen van de
Lopikstroomgordel aangetroffen, maar er zijn geen aanwijzingen dat het
gebied droog genoeg is geweest voor bewoning. Voor het noordelijke deel
van de locatie valt niet uit te sluiten dat beneden 5 m –mv nog
oever- of beddingafzettingen aanwezig zijn. Mocht dit het geval zijn,
dan is er waarschijnlijk sprake van continue sedimentatie, waardoor de
kans op bewoningssporen uit de periode Neolithicum–Bronstijd laag
is te noemen.
Samenvattend kan
dus worden gesteld dat de archeologische verwachting voor de
verschillende potentiële archeologische niveaus binnen 5 m
–mv laag is en dat verwachting voor afzettingen van de
Lopik-stroomgordel beneden 5 m –mv waarschijnlijk ook laag is. Op
het gebied van archeologie worden geen belemmeringen voor de
voorgenomen ontwikkeling verwacht.
4.6.1 Parkeren
Door de gemeente
Schoonhoven is een parkeerbalans opgesteld. Uit deze parkeerbalans
balans blijkt dat er in de eindsituatie een normatieve parkeerbehoefte
is van 388 parkeerplaatsen binnen het plangebied voor zowel
bestaande als nieuwe functies. Voor de bestaande woningen zijn nu
minder parkeerplaatsen aanwezig dan normatief in nieuwe situaties
vereist. Met de ontwikkeling van het plangebied wordt een situatie
nagestreefd die voldoet aan de nieuwbouwnorm, rekening houdend met
dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Wanneer deze normatieve
parkeerbehoefte gecorrigeerd wordt met dubbelgebruik kan de
parkeerbehoefte in de eindsituatie, zoals hieronder weergegeven,
bijgesteld worden tot een totale parkeerbehoefte van 338
parkeerplaatsen. Hierbij is een koopavond als maatgevend aangehouden.
In de eindfase,
zonder kiosken, zijn er in het openbaar gebied 299 parkeerplaatsen
beschikbaar. Voor het bewonersparkeren boven de fullservice supermarkt
zijn er 40 parkeerplaatsen beschikbaar. In totaal zijn er in
de eindsituatie dus 339 parkeerplaatsen beschikbaar. Daarmee
wordt er voldaan aan de parkeernorm en is er een beperkte
overcapaciteit. Waneer er wordt gekozen voor de variant met
de handhaving van de bestaande kiosken dan zal er volgens de
parkeernorm een afname van de parkeerdruk zijn met circa 9
parkeerplaatsen.
Parkeren in plan
| |
bestaand |
eindfase kiosken op nieuwe locatie |
eindfase met kiosken op bestaande locatie |
| parkeren maaiveld |
239 |
299 |
307 |
| parkeren gebouwd |
0 |
40 |
40 |
| totaal |
239 |
339 |
347 |
| t.o.v. bestaand |
|
100 |
108 |
| t.o.v. norm |
|
1 |
9 |
4.6.2 Verkeer
Het plangebied
kent twee hoofdontsluitingen voor. Aan de westkant vormt de Albert
Plesmanstraat de hoofdentree van het gebied. Ten noorden van het gebied
komt een extra entree ten behoeve van het winkelcentrum. Aan
de oostkant komt een speciale fietsverbinding het plangebied in.
4.7 Duurzaamheid en klimaat
Duurzaam bouwen
veronderstelt een zodanige bouwwijze dat de belasting van het milieu zo
gering mogelijk is. Op het stedenbouwkundig schaalniveau is het zuinig
omgaan met de beschikbare ruimte een belangrijk principe voor
duurzaamheid.
Met dit plan voor
vervangende nieuwbouw in het stedelijk gebied van Schoonhoven wordt
geen nieuwe ruimtebeslag opgeroepen voor stedelijke functies welke nu
een groen karakter hebben. Verouderd grondgebruik en bestaande
bebouwing maken plaats voor een nieuw bouwplan overeenkomstig de eisen
en wensen van deze tijd. Hiermee wordt voldaan aan een belangrijk
principe voor duurzamestedenbouw.
Ook op
bouwplanniveau worden plannen op aspecten van duurzaamheid getoetst.
Standaard wordt getoetst op de criteria t.a.v. gezondheid,
woonkwaliteit, materiaaltoepassing, energiegebruik en
(afval)waterbehandeling. Met de initiatiefnemer zijn in het kader van
de anterieure overeenkomst prestatie afspraken gemaakt omtrent
duurzaamheid.
4.8 Bezonningstudie
In reactie op het
ontwerp bestemmingsplan is door omwonenden aandacht gevraagd omtrent de
bezonning. Omdat de gemeente zeker wil zijn dat er geen vermindering
van zon / lichtinval optreedt is extra onderzoek uitgevoerd naar de
schaduwconsequenties van de hoogbouw. Deze studie is als bijlage aan
dit bestemmingsplan toegevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat er geen
verdere verslechtering optreedt van zon- en daglichttoetreding.
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor
het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet
ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard
Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP
2012).
Dit
bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een
toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch
bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen
in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op
de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze
bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik
gekoppeld.
De
toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een
belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit
bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de
onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het
bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van
wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het
bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage
onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding
Op
de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere
bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen,
functieaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding
is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige
Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
De
planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1
bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2
geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de
algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de
vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk
kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed
zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt Hoofdstuk 4
de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de
afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor
de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard
Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 gebruikt. In de planregels is een
standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende
regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de
'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle
bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede
hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
- Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
- Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
- Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Beschrijving van de bestemmingsplanregels
In het
bestemmingsplan zijn vijf bestemmingen opgenomen. Hieronder worden de
verschillende bestemmingen nader toegelicht en voorzien van een
inhoudelijke toelichting indien noodzakelijk.
Centrum
Deze bestemming
is een zogenaamde eindbestemming voor de plandelen welke reeds aanwezig
zijn en waar geen verandering optreedt. Of voor de plandelen waarvan de
eindsituatie al duidelijk is. De centrum bestemming is een zogenaamde
'mengbestemming' tussen de functies detailhandel en wonen. Voor
detailhandel in de vorm van een supermarkt is een specifieke aanduiding
opgenomen.
Groen
Deze bestemming
is opgenomen voor het groen binnen het nieuw te realiseren plan. Ook
binnen de bestemming Verkeer en verblijf is groen toegestaan, maar met
de bestemming Groen wordt inzichtelijk gemaakt welke plandelen een echt
groen karakter krijgen. Binnen de bestemming groen mogen fiets- en
voetpaden worden aangelegd en mogen kleine nutsgebouwtjes worden
opgericht.
Verkeer en verblijf
Deze bestemming
is opgenomen voor rijwegen, voet- en fietspaden en het
verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik
ten dienste van de aangrenzende bestemmingen.
Centrum - Uit te werken
Deze bestemming
is opgenomen voor de nu aanwezige kiosken en het plandeel gelegen in
het midden van het gebied. Op termijn worden deze bestemmingen nader
uitgewerkt door het college. De aanleiding voor het opnemen van deze
bestemmingen is erin gelegen dat de voorkeursvariant welk bekend is
maar de verwerving van de bestaande kiosken nog niet is afgerond.
Voornemen is deze verwerving via minnelijke weg te doen. Mocht deze
verwerving onmogelijk blijken te zijn of leiden tot een
disproportionele last op de algemene voorzieningen is het mogelijk voor
het college, binnen het planconcept, te kiezen voor een andere
uitwerkingsvariant. Het aantal meters detailhandel is geborgd in de
regeling. Hiermee is het mogelijk de kiosken binnen ongeveer dezelfde
omvang te verplaatsen of in stand te laten. Indien de voorkeursvariant
verder wordt uitgewerkt is het mogelijk winkelondersteunende horeca toe
te voegen in aansluiting op het park. Binnen de bestaande verkaveling
is dit niet mogelijk. In de regels is dit geborgd.
Wonen - Uit te werken
De bestemming
Wonen - Uit te werken is opgenomen voor noord oostelijke
plandeel. Hoewel het programma, 39 woningen, al wel bekend is, is er
nog geen verkaveling gereed op basis waarvan een definitieve
eindbestemming opgenomen kan worden. In samenspraak met alle betrokken
partijen is daarom gekozen voor een uit te werken bestemming waarbinnen
op termijn nieuwbouw mogelijk is.
Dubbelbestemmingen
De
dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5 beschermd de archeologische
waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende
gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig.
De
bestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 is opgenomen ter bescherming van
de cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied. De bestemming
is zo vormgegeven dat er een algemeen bouwverbod geldt. Hiermee is het
mogelijk een bouwplan, welke in overeenstemming is met de verschillende
enkelbestemmingen, te toetsen aan de aanwezige cultuurhistorische
waarden.
6 Economische uitvoerbaarheid
Bij de
voorbereiding van een initiatief dient, op grond van artikel 3.1.6 lid
1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische)
uitvoerbaarheid van het voornemen. In principe dient bij vaststelling
van een ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te
worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van
‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro
kan de gemeenteraad echter besluiten geen exploitatieplan vast te
stellen indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van
een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder
c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van
eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel
6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Voor de
planontwikkeling wordt tussen de gemeente Schoonhoven en QuaWonen
een anterieure (exploitatie) overeenkomst gesloten. Nu op deze wijze de
gemeentelijke plankosten zeker zijn gesteld hoeft er geen
exploitatieplan worden opgesteld en wordt de gemeenteraad voorgesteld
geen exploitatieplan vast te laten stellen.
Met betrekking
tot de herontwikkeling van overige locaties in het plangebied (Lidl,
winkelstrip) zijn relevante grondposities in handen van de gemeente en
kan kostenverhaal via grondverkoop plaatsvinden. Voor de locaties welke
nog niet verworven zijn zal indien deze verworven worden geen nieuwbouw
terugkomen. Kosten verhaal is voor die betreffende locaties niet aan de
orde. Voor de eventueel nieuw te bebouwen kavel zal via de grondverkoop
voorzien worden in kostenverhaal.
Voor de
herontwikkeling van de locatie is door QuaWonen een
exploitatiebegroting opgesteld. Deze exploitatiebegroting is
vertrouwelijk en wordt derhalve niet openbaar gemaakt. De
exploitatiebegroting is sluitend. Het plan is daarmee uitvoerbaar.
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1 Algemeen
Bij
de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond
van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld
in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt
overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en
Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of
belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het
geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden
van dit overleg.
Een
ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken
ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder
om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad
wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt
na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de
mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak
Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop
van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is
er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking,
tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige
voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt
indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt
met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State.
7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
In de ontwerpfase
is vanuit de gemeentee Schoonhoven overleg geweest met de verschillende
overlegpartners. Dit heeft niet geleid tot een bijstelling van de
plannen of een inhoudelijke reactie.
7.3 Inspraak
Op 24 april
2012 hebben de gemeente Schoonhoven en QuaWonen een
inloopavond gehouden over de plannen voor de vernieuwing van
Schoonhoven Noord. Deze avond was goed bezocht. Circa honderd
belangstellenden bezochten de avond in het Schoonhovens College. Op de
avond werden de stedenbouwkundige plannen voor de locatie Zilverstad,
Noord-oost en het centrum voor Noord bekend gemaakt. Ook werden de
plannen voor de beeldkwaliteit gepresenteerd.
7.4 Verslag zienswijzen
Het
ontwerpbestemmingsplan ‘Centrum Noord’ heeft vanaf 18 juni
2014 tot en met 30 juli 2014 ter inzage gelegen. Gedurende de periode
van ter inzagelegging kan een ieder met een zienswijze reageren op de
inhoud van het ontwerpbestemmingsplan. In de periode van 6 weken dat
het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen zijn er 2
zienswijzen ontvangen.
Deze zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijke
beantwoording in de Nota beantwoording. Deze nota is als bijlage
toegevoegd.