Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Centrum Noord
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0608.BP1140CentrumNoord-VG02

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan
De gemeente Schoonhoven is samen met QuaWonen, initiatiefnemer van de (gedeeltelijke) herstructurering van de wijk Schoonhoven-Noord, voornemens het bestaande buurtcentrum te herontwikkelen. In het verleden zijn hiervoor verschillende plannen opgesteld waaronder de Visie Forum Noord. Deze plannen hebben om verschillende redenen de eindstreep nooit gehaald. De plannen in de directe omgeving zetten vooral in op verdunning. Om het voorzieningenniveau en de leefbaarheid van Schoonhoven-Noord ook in de toekomst te kunnen waarborgen willen de gemeente en QuaWonen gaan investeren in de wijk.
 
Er zijn verschillende ideeën en initiatieven van de woningcorporatie en de gemeente om delen van deze wijk te vernieuwen. Om het gebied planmatig te vernieuwen zijn de ideeën gebundeld in een Stedenbouwkundig Masterplan. Masterplan is in april 2012 vastgesteld en vrijgegeven voor inspraak, na inspraak en overleg met omwonenden is zij aangepast. Het daarmee vernieuwde masterplan is uitgewerkt in een vernieuwing van het Masterplan met meer ruime en groen voor omwonenden. Binnen dit kader zijn meerdere uitwerkingsmogelijkheden mogelijk. Zij vormen samen het stedenbouwkundig kader voor het nieuwe bestemmingsplan.
 
Het voorliggend bestemmingsplan maakt deel uit van een vernieuwingsslag in Schoonhoven Noord. De bestemmingsplannen Bol, Zilverstad en Schoonhoven Noord-oost zijn in dezelfde lijn opgesteld om een integrale ontwikkeling in het gebied mogelijk te maken.
  
1.2 Plangebied
Het plangebied ligt aan de noordkant van het centrum van Schoonhoven, direct ten noorden van de provinciale weg N210 (C.G. Roosweg). De N210 is de belangrijkste ontsluiting van Schoonhoven en vormt nagenoeg een ring rondom de oude vesting.
Het gebied waarvoor het bestemmingsplan wordt opgesteld wordt aan de noordzijde begrensd door de Regiment van Heutszstraat en de Zilversmidshof, de oostzijde door de ’s- Heerenbergstraat, de zuidzijde door het Juweliershof en de westzijde door de Edelsmidsdreef en de Albert Plesmanstraat. Op verzoek wordt ook de herontwikkeling van woonblok 10 opgenomen in dit bestemmingsplan. De provinciale weg is de fysieke scheiding tussen de vesting en de planmatige uitbreidingen. De rotondes aan de N210 zijn de entrees van de omliggende wijken. De onderstaande afbeelding laat globaal de begrenzing van het plangebied zien.
 
Globale begrenzing plangebied 

1.3 Vigerende bestemmingsplan
Voor het plangebied vigeert thans het bestemmingsplan 'Schoonhoven-Noord'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Schoonhoven op 30 mei 2013. In dit bestemmingsplan is al wel de herontwikkeling van het centrum 'aangekondigd'. Ook in de planprocedure is het bestemmingsplan gelijktijdig met het Stedenbouwkundig Masterplan aan de bewoners van Schoonhoven gepresenteerd. De planologische uitwerking heeft niet in het vigerend bestemmingsplan een plaats gekregen. Dit omdat het bestemmingsplan voor juli 2013 geactualiseerd moest zijn. In deze korte tijdsspanne was het niet mogelijk de planuitwerking voor Centrum af te ronden. Daarom is de op handen zijnde herziening van het bestemmingsplan 'Schoonhoven-Noord' al lopende de procedure aangekondigd.
 
Uitsnede vigerend bestemmingplan

1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plangebied en de huidige ontwikkelingen binnen het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. De economische uitvoerbaarheid zal in hoofdstuk 6 worden aangetoond. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
 
2 Gebiedsprofiel
2.1 Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving van het plangebied gegeven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie. Daarbij passeert de historie van het gebied kort de revue, waarna er wordt gekeken naar de ruimtelijke en functionele structuur. Daarna wordt er ingegaan op de toekomstige situatie. Hierbij zijn de stedenbouwkundige en de daarin genoemde programmatische en ruimtelijke uitgangspunten leidend.

2.2 Bestaande situatie
Het plangebied ligt te midden van oudere wijken aan de noordkant van Schoonhoven. De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit oudere woonbebouwing in rijtjes (jaren 50-70 woningen) van twee woonlagen met een pannendak. Het plangebied zelf bestaat uit enkele flats en een klein winkelcentrum met appartementen erboven.
In de jaren zeventig is het bestaande wijkwinkelcentrum gebouwd. Toentertijd lag het wijkwinkelcentrum al centraal in de wijk. Door de verdere groei van Schoonhoven-Noord is het zwaartepunt van de wijk iets westelijker komen te liggen. Tegelijkertijd met de bouw van het winkelcentrum is de tweede aansluiting op de provinciale weg aangelegd in de vorm van de Rotterdamseweg. Deze vormt nu de belangrijkste entree van de wijk.
Het winkelcentrum vormt een belangrijke kern in de wijk. Het is het enige buurtcentrum in het noordwestelijke deel van Schoonhoven.
Het winkelcentrum kent een aantal zwakte punten die in de toekomst een risico kunnen vormen voor de functionaliteit van het gebied: 
  • Winkelvoorzieningen in Schoonhoven-Noord zijn momenteel ook deels op het bedrijventerrein gevestigd (een full service supermarkt). Deze spreiding van detailhandel verzwakt de positie van het wijkwinkelcentrum.
  • Openbare ruimte bestaat voornamelijk uit woonstraten, slechts beperkt grootschalige (openbare) ruimten aanwezig zoals pleinen en parken. Een pleinruimte met kwaliteit ontbreekt.  
  • Kiosken winkelcentrum staan met de achterzijde naar doorgaande route. Winkelstrip is daardoor moeilijk zichtbaar en heeft een introvert karakter.
  • Zwaartepunt parkeren wijkwinkelcentrum aan de verkeerde kant (zuidzijde) van de Albert Plesmanstraat. 
De herstructurering zal zich richten op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (gebouwen en openbare ruimte) en de bestaande (economische) krachten van het gebied vergroten.
 
2.3 Toekomstige situatie
De herstructurering gaat niet uit van een toename aan woningen of winkelruimte maar van een verbetering van de kwaliteiten. In de visie voor het centrum van Schoonhoven-Noord is een onderscheid gemaakt tussen het wijkwinkelcentrum en de delen die alleen een woonfunctie hebben. Dit uitgangspunt laat zich vertalen in een zuidelijk deel, met daarin het wijkwinkelcentrum in een compacte setting, en een noordelijk deel met meer een open en groen karakter. In het gebied zullen verouderde woningen gesloopt worden. Hiervoor zullen nieuwe toekomstbestendige woningen teruggebouwd worden (sociale woningbouw). Hierbij ligt het accent niet op een toename aan woningen maar op een toename aan woonkwaliteit.
De concentratie van voorzieningen betekent dat een full service supermarkt (bijvoorbeeld de Plus) een nieuwe plek krijgt in het wijkwinkelcentrum. Bij de inpassing van de Plus is gekozen voor een zogenaamd haltermodel. Dit model bestaat uit twee sterk aantrekkende winkels (supermarkten) aan de uiteinden van het winkelgebied met daar tussen een strip van kleinschalige detailhandel. Deze opzet is zowel voor de supermarkten als voor de kleinere ondernemers aantrekkelijk omdat de functies elkaar op deze manier versterken. Op basis van dit model is naast de nieuwbouw van een full service supermarkt ook een uitbreiding van de discounter (Lidl) voorzien.
 
De realisatie zal in een aantal fases verlopen. Binnen deze fases zit enige flexibiliteit. Deze flexibiliteit zit hem met name in de realisatie van de kiosken. In de eerste fase wordt blok 9, de Full service supermarkt, ontwikkeld. In de tweede fase de uitbereiding van de Discounter supermarkt. De winkelstrip en eventueel de kiosken worden in de derde fase ontwikkeld. Tot slot wordt blok 10 ontwikkeld.
 
 
 
In de onderstaande afbeelding is het schetsmodel uit het stedenbouwkundige plan opgenomen.
   
Stedenbouwkundig planconcept
  
Ontwikkelingen
   
Full service supermarkt
De nieuwe full service supermarkt (bijvoorbeeld de Plus) komt op de plek van het te slopen noordelijke haakvormige complex tussen de Adam van Vianenstraat en het Juweliershof. De nieuwe supermarkt krijgt een entree aan de Edelsmidsdreef en het laden en lossen vindt plaats aan de ‘s Heerenbergstraat. De ontwikkeling bestaat tevens uit de realisatie van maximaal 36 appartementen (blok 9) en een parkeerdek met circa 40 plaatsen bovenop de supermarkt. Deze woningen komen in plaats van de 42 verouderde woningen die gesloopt worden.  De overige parkeerplaatsen zijn voornamelijk voorzien op het centrale winkelplein. De parkeerplaatsen voor de woningen zijn allen gesitueerd op het parkeerdek met een oprit van het parkeerdek aan de 's-Heerenbergstraat. In hoofdstuk 4.6.1 wordt de parkeersituatie verder toegelicht. De Plus krijgt een oppervlakte van circa 1.700 m2 v.v.o. Dit is een toename van circa 800 mv.v.o. t.o.v. de bestaande situatie.  
 
Uitbreiding discounter supermarkt
Om de uitbreiding van de discounter supermarkt (nu momenteel de Lidl) mogelijk te maken wordt het bestaande bouwvlak aan alle kanten vergroot. De huidige bebouwing wordt geheel vernieuwd en uitgebreid. De discounter supermarkt zal uitbereiden met circa 350 m2 v.v.o. Met dit extra winkelvloeroppervlak is de huidige winkelformule van de discounter supermarkt beter inpasbaar.
 
Juweliershof
De realisatie van de nieuwe Plus heeft gevolgen voor het karakter van het Juweliershof. De groene ruimte van het Juweliershof wordt in de toekomstige situatie kleiner. De nieuwe inrichting wordt afgestemd met de bewoners van de bestaande appartementen.
 
Impressie Blok 9
 
Adam van Vianenstraat
De bestaande open ruimte van de Adam van Vianenstraat wordt omgevormd tot een meer besloten pleinruimte. Het plein wordt in de nieuwe situatie slechts doorsneden door het fietspad en is verder autoluw. Aan het plein wordt een ruimte reservering opgenomen voor de 3 kiosken, met daarboven 8 tot 10 woningen, welke nu op het winkelplein aan de A. Plesmanstraat aanwezig zijn. Omdat nog niet besloten is welke variant een beeld geeft van de eindsituatie voorziet het bestemmingsplan hier in een uit te werken plandeel.
 
Winkelplein
De ruimte voor de winkelstrip wordt heringericht tot een multifunctioneel winkelplein. Dit wil zeggen dat naast de parkeerfunctie het plein tevens dienst kan doen als markt of voor evenementen. Momenteel zijn op het winkelplein drie kiosken aanwezig. Gedurende de planperiode van 10 jaar wordt door de gemeente Schoonhoven in overleg met alle belanghebbenden bepaald of de kiosken gehandhaafd blijven of worden 'uitgeplaatst' naar het plein bij de Adam van Vianenstraat.
 
Blok 10
De woningen aan het Zilversmidshof worden gesloopt. Hier komen circa 39 woningen voor terug. Het groene karakter van het hofje blijft behouden. Dit deel is het begin van het bovenliggende noordelijke woongebied.

3 Beleidskader
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie vervangt een groot aantal verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zoals de Nota Ruimte (2006), Structuurvisie Randstad 2040 en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving (2008). Door onder andere nieuwe politieke accenten, veranderende economische omstandigheden, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen zijn de verschillende beleidsdocumenten gedateerd.
 
De visie heeft als doel dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Daarbij gaat de visie uit van het ‘decentraal, tenzij..’ principe. Hiermee wordt de ruimtelijke ordening in toenemende mate neergelegd bij gemeenten en provincies. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:
  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingskracht van provincies en gemeenten overstijgt;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;
  • een onderwerp provincie- of landsoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.  
Nederland concurrerend
Nederland heeft een goede ruimtelijke economische structuur voor een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers. Dit betekent onder andere een uitstekende internationale bereikbaarheid van stedelijke regio’s en optimale (logistieke) verbindingen van de mainports Rotterdam en Schiphol, de brainport Zuidoost Nederland en de greenports met Europa en de rest van de wereld.
 
Nederland bereikbaar
De groei van mobiliteit over de weg, spoor en vaarwegen zal worden gefaciliteerd. De ambitie is dat gebruikers beschikken over optimale ketenmobiliteit via multimodale knooppunten en door goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.
 
Nederland leefbaar en veilig
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Waterveiligheid en beschikbaarheid van voldoende zoetwater heeft ruimte nodig en stelt eisen aan de stedelijke ontwikkeling. Nederland behoudt haar unieke cultuurhistorische waarden en heeft een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt. Het aandeel duurzame energiebronnen zal moeten toenemen.
 
Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent voor alle ruimtelijke plannen:
  1. eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling;
  2. vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt;
  3. mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en bereikbaarheid.
Planspecifiek
Om de kwaliteit en het voorzieningenniveau van het centrum van Schoonhoven-Noord te bewaken is herstructurering noodzakelijk. Het winkelcentrum functioneert niet meer naar behoren en er is vraag naar vernieuwing. Het plan voorziet in een verplaatsing van een full service supermarkt inclusief een beperkte toename van het verkoopvloeroppervlak en een vernieuwing en beperkte uitbreiding van de Lidl. Omdat het meer een herschikking van de bestaande voorzieningen, van het bedrijventerrein naar het centrum, betreft is het niet aan te merken als een nieuwe ontwikkeling in die zin dat er significante programmatische toevoegingen plaatsvinden. De vraag naar de nieuwe ontwikkeling is een bestaande vraag naar detailhandelsvoorzieningen zoals deze nu al in Schoonhoven-Noord aanwezig is. In het kader van het overleg met het Regionaal economisch overleg is de marktvraag verder onderbouwd. Deze onderbouwing is opgenomen in paragraaf 3.2.2. Het initiatief is opgenomen in de lijst winkelplannen en –initiatieven, zoals weergegeven in de Regionale Structuurvisie Detailhandel Midden-Holland en daarmee ook regionaal afgestemd. Naast regionale afspraken in Midden-Holland, is ook in de subregio (Krimpenerwaard) detailhandelsbeleid opgesteld. De regelingen hebben vooral betrekking op volumineuze- en perifere detailhandel. De verplaatsing van de Plus-supermarkt van het bedrijventerrein naar wijkwinkelcentrum Albert Plesmanstraat is in dit kader ook aan de orde geweest en op die wijze nader regionaal afgestemd.   
 
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herstructurering van het centrum van Schoonhoven Noord. Hiermee wordt voldaan aan de tweede trede van de ladder voor duurzame verstedelijking. Met de nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande bebouwing en krijgt het centrumgebied een kwaliteitsimpuls. Door de detailhandelsvoorzieningen in Schoonhoven-Noord weer bij elkaar te brengen ontstaat er weer een centraal detailhandelsgebied. Daarmee is er sprake van een optimale inpassing en bundeling van functies. Er wordt voldaan aan de derde trede.

3.1.2 Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro)
Met de invoering van de Wro in juli 2008 is de directe doorwerking van de Nota Ruimte komen te vervallen. Dit betekent dat het niet meer wettelijk verplicht is dat bestemmingsplannen in overeenstemming zijn met het beleid uit de Nota Ruimte. Om dit te ondervangen is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ruimte (AMvB Ruimte) opgesteld en in mei 2009 door het kabinet voorgelegd aan de Tweede Kamer ter vaststelling. Het is echter nooit formeel vastgesteld. De AMvB Ruimte omvatte ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) die juridisch moeten doorwerken tot in bestemmingsplannen.
 
Ondertussen is een nieuwe Structuurvisie Infrastrucuur en Ruimte opgesteld. Deze is op 13 maart 2012 vastgesteld. De structuurvisie vaart een andere koers dan de voorgaande nota Ruimte. Een belangrijke wijziging ten opzichte van de eerdere Nota Ruimte is dat gesteld wordt dat veel zaken op het vlak van ruimtelijke ordening beter op provinciaal dan wel gemeentelijk niveau geregeld kunnen worden. 
 
Op 30 december 2011 is uiteindelijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Dit is een aangepaste versie van de eerder opgestelde AMvB Ruimte. Het Barro is deels opgebouwd uit onderdelen uit de voorgaande AMvB Ruimte en deels gebaseerd op de nieuwe structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwijkingsplannen maar ook bij projectuitvoeringsbesluiten (Crisis- en herstelwet) rekening houden met het Barro.
 
Voorts zijn in het Barro een aantal 'projecten' benoemd die de regering van rijksbelang vindt. Deze worden middels het Barro dwingend geborgd in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke plannen van lagere overheden.
 
In het Barro zijn voorlopig zes “projecten” beschreven:
• Mainport ontwikkeling Rotterdam;
• Kustfundament;
• Grote rivieren;
• Waddenzee en Waddengebied;
• Defensie;
• Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
 
Binnenkort zullen nog volgen:
• Hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
• Elektriciteitsvoorziening;
• Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
• Ecologische hoofdstructuur;
• Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
• IJsselmeergebied.
Op termijn volgt dan nog, blijkens publicaties van de Rijksoverheid, een onderwerp “duurzame verstedelijking”.
 
Planspecifiek
Het bestemmingsplan voldoet aan de kaders zoals die gesteld zijn in het Barro. Voorts zijn er geen specifieke projecten zoals genoemd in het Barro van toepassing op onderhavig plangebied.

3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Structuurvisie
In juli 2010 zijn de Structuurvisie, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda Structuurvisie 2010-2020 door de Provinciale Staten van Provincie Zuid-Holland vastgesteld. Samen vormen deze drie documenten 'De Visie op Zuid-Holland' en vervangen onder meer de vier streekplannen. De structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie tot 2020, met een doorkijk naar 2040. In de verordening geeft de provincie regels voor de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen. De uitvoeringsagenda werkt de uitvoeringsstrategie uit de structuurvisie verder uit in ruimtelijke programma’s en projecten en geeft een beeld van de financiering.
 
In februari 2012 hebben Provinciale Staten de 'Actualisering 2011 Structuurvisie en Verordening Ruimte' vastgesteld. De hoofdlijnen, hoofdopgaven en provinciale belangen van het ruimtelijk beleid blijven ongewijzigd.
 
Provinciale doelstellingen zijn haalbaar als instrumenten, programma’s en projecten op elkaar worden afgestemd. De provincie wil daarbij in toenemende mate sturen op hoofdlijnen, een aanpak die aansluit bij de stijl van besturen: ‘Lokaal wat kan, provinciaal wat moet’. Dit betekent dat de provincie alleen vraagstukken oppakt waar provinciaal belang aan de orde is.
 
Hoofdopgaven 
De provincie noemt in de structuurvisie vijf integrale en ruimtelijk relevante hoofdopgaven. Zij geeft voorrang aan programma’s of projecten die een bijdrage leveren aan deze opgaven. Die opgaven zijn:
  1. Aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
  2. Duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
  3. Divers en samenhangend stedelijk netwerk;
  4. Vitaal, divers en aantrekkelijk landschap;
  5. Stad en land verbonden.
Aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel
Zuid-Holland wil in 2020 de woon-, werk- en leefomgeving voor haar inwoners hebben versterkt. Zij streeft naar een aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel. Versterken van de economische positie staat centraal. 
 
Duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie
De provincie wil een duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie zijn. Zij neemt de lagenbenadering
als uitgangspunt voor de ruimtelijke inrichting. Deze benadering onderscheidt drie lagen: ondergrond, netwerken van infrastructuur en de occupatielaag. Bij een afweging is het belangrijk om belangen via deze drie lagen te ordenen en een integrale afweging te maken.
 
Divers en samenhangend stedelijk netwerk
De provincie wil, in verband met agglomeratievoordelen voor bedrijven, voorzieningen en detailhandel, verstedelijking concentreren in en rond de steden in het stedelijk netwerk. Het schept mogelijkheden tot ketenvorming, efficiënte benutting van infrastructuur en ontwikkeling van efficiënte duurzame energiesystemen.
 
Vitaal, divers en aantrekkelijk landschap
Omvangrijke delen van de open ruimte van de Randstad liggen binnen de provinciegrenzen. In grote lijnen gaat het om de waarden en venen in het Groene Hart, de kustzone en de Zuid-Hollandse eilanden in de delta. In de grote landschappelijke eenheden zet de provincie zich in voor behoud van leefbaarheid en economische vitaliteit van het landelijk gebied. De landbouw is voor die vitaliteit een belangrijke factor, zowel economisch als wat betreft landschappelijke kwaliteit. De kernkwaliteiten in deze gebieden zijn diversiteit, openheid, rust en stilte.
 
Stad en land verbonden
Provincie Zuid-Holland waardeert de groene ruimte in en om de stad. Het is belangrijk de samenhang tussen stad en land en de kwaliteit van de groene ruimte bij de stad aanzienlijk en duurzaam te versterken. De huidige verstedelijkingsopgave is gericht op intensivering en herstructurering, daarbij speelt de kwaliteit van de groene ruimte een steeds belangrijkere rol.
 
Functie- en kwaliteitskaart
Naast het bieden van ruimte aan en het ordenen van functies richt de visie zich nadrukkelijk ook op de ruimtelijke kwaliteiten. Dit komt tot uitdrukking in de provinciale belangen. Deze hebben zowel betrekking op functionele als kwalitatieve aspecten. Deze aspecten worden in beeld gebracht op een functiekaart en een kwaliteitskaart. De functiekaart geeft de gewenste ruimtelijke functies weer die in de structuurvisie zijn geordend, begrensd en vastgelegd als ruimtelijk beleid tot 2020. Op de kwaliteitskaart staan daarnaast zowel de bestaande als gewenste kwaliteiten benoemd op een globale, regionale schaal.
 
Provinciale kwaliteitskaart (plangebied is zwart omcirkeld)
 
Provinciale functiekaart (plangebied is zwart omcirkeld)
 
Planspecifiek
De ontwikkeling vindt plaats binnen stedelijk gebied en binnen het aangewezen stad- en dorpsgebied. Er is sprake van herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied terwijl de openheid van het landelijk gebied wordt geconserveerd.
 
In de structuurvisie staat beschreven in hoofdstuk 4.7.1 dat een vergroting van de detailhandelsector in de regio niet wenselijk is. In de regio zijn clusters aangewezen die mogen groeien. Schoonhoven behoort niet tot een van de aangewezen clusters. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een geringe toename in bvo van de bestaande detailhandelsbedrijven. De beperkte toename en de bundeling van voorzieningen zorgen echter voor een beter functionerend winkelgebied. Het winkelcentrum is het enige winkelcentrum in de wijk en heeft daarmee een belangrijke functie voor de buurt. Met de compacte herstructurering wordt het centrum versterkt. Het risico bestaat dat wanneer er niks gebeurd het winkelcentrum niet meer voldoet aan de vraag en het zijn centrumfunctie verliest. Hiermee valt er een belangrijke schakel binnen de buurt weg en neemt het voorzieningenniveau af. Het is daarom van groot belang voor de leefbaarheid en het voorzieningenniveau in de buurt dat het winkelcentrum versterkt wordt. Gezien het feit dat de voorgenomen ontwikkeling slechts in een geringe toename aan bvo voorziet zijn er geen strijdigheden met het provinciaal beleid.
 
In aanloop tot het overleg met het Regionaal economisch overleg is een markttechnisch onderbouwing aangeleverd. Hierin is een onderbouwing gegeven van het initiatief, deze onderbouwing is terug te lezen in paragraaf 3.2.2. Het initiatief voor upgrading van wijkwinkelcentrum Albert Plesmanstraat is opgenomen in de lijst winkelplannen en –initiatieven, zoals weergegeven in de Regionale Structuurvisie Detailhandel Midden-Holland en daarmee regionaal afgestemd. Het initiatief sluit aan bij de uitgangspunten en het streefbeeld van de Regionale Structuurvisie Detailhandel Midden-Holland. Het verplaatsen van de op een bedrijventerrein, solitair gelegen Plus-supermarkt draagt bij aan een duurzaam perspectief van de detailhandelsstructuur in de wijk Schoonhoven-Noord en sluit aan bij het regionale beleid gericht op opheffing van dit soort solitaire winkellocaties op bedrijventerreinen.
 
3.2.2 Verordening Ruimte (februari 2012)
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren, heeft de provincie verschillende instrumenten, waar een
verordening er één van is. De Verordening Ruimte Zuid-Holland draagt bij aan het realiseren van de provinciale ruimtelijke belangen en doelen zoals die benoemd zijn in de structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland, ontwikkelen met schaarse ruimte' en bevat hiertoe instructieregels die van belang zijn voor de gemeente bij het opstellen van hun bestemmingsplannen.
 
Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria, weinig gemeentelijke beleidsvrijheid en een zwaarwegend provinciaal belang zich hiervoor. De provincie heeft in de Verordening Ruimte daarom regels opgenomen over bebouwingscontouren, agrarische bedrijven, kantoren, bedrijventerreinen, detailhandel, waterkeringen, milieuzoneringen, lucht- en helihavens, molenbiotopen en landgoedbiotopen.
 
Daarnaast is het ontwerp Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, paragraaf 3.1.2) van het Rijk van belang. Hierin zijn regels opgenomen waaraan provinciale verordeningen moeten voldoen. Enkele onderwerpen in de verordening van de provincie Zuid-Holland vloeien rechtstreeks voort uit het Barro. 
 
Om het stedelijk netwerk te versterken hanteert de provincie het uitgangspunt om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. Daarnaast kan de open ruimte buiten de stedelijke gebieden worden behouden voor landbouw, natuur en recreatie. Om dit te bereiken zijn het stedelijk netwerk en alle daarbuiten gelegen kernen in Zuid-Holland omgeven door bebouwingscontouren (zie de afbeelding hierna). Deze geven de grens van de bebouwingsmogelijkheden voor wonen en werken weer. De bebouwingscontouren liggen strak om het bestaand stedelijk gebied en de kernen. Hierbij is rekening gehouden met de eerder al vastgelegde streekplangrenzen en plannen waar de provincie mee heeft ingestemd. 
 
Planspecifiek
Gelet op de ligging binnen de bebouwingscontour is het voorliggende bestemmingsplan niet in strijd met Verordening Ruimte.
  
Provinciale bebouwingscontourenkaart 
 
In de Verordening Ruimte staan tevens regels opgesteld met betrekking tot detailhandel. Hierin staat beschreven dat een bestemmingsplan, dat detailhandel mogelijk maakt die groter zijn dan 2.000 m² (bruto vloeroppervlak) samen moet gaan met een distributieplanologisch onderzoek. Het plan is ter advisering voorgelegd aan en besproken met het REO. Het REO heeft aangegeven dat zij van oordeel zijn dat er geen aanleiding is voor een formeel advies. In het REO overleg is wel enthousiast gereageerd op de plannen. Door de verplaatsting van de supermarkt naar het centrum ontstaat een clustering welke ook op provinciaal niveau wordt nagestreefd.
 
Op dit moment heeft het winkelcentrum Albert Plesman een aantal grotere knelpunten:
  • De branchering is met een kleine discountsupermarkt, een beperkt aantal speciaalzaken en enkele horecazaken zeer onvolledig;
  • De omvang van het winkelcentrum is te klein om te spreken van een volwaardig winkelcentrum;
  • De uitstraling is sterk verouderd en beïnvloed de sfeer in negatieve zin.
Het winkelcentrum heeft een stevige upgrading nodig om in de toekomst te kunnen functioneren als wijkwinkelcentrum. Herstructurering is noodzaak. De wijk Schoonhoven Noord heeft circa 6.500 inwoners. In de toekomst doen deze inwoners hun dagelijkse boodschappen in de winkels aan de Albert Plesmanstraat, in plaats van op een bedrijventerrein zoals nu het geval. Duidelijk is dat, bezien van het perspectief van de gewenste concentratie van de winkelvoorzieningen en uitgaande van samenhang en synergie tussen de supermarkten en speciaalzaken – een duurzaam perspectief bestaat voor wijkwinkelcentrum Albert Plesmanstraat. Van bijzonder belang zijn de verplaatsing van de Plus-supermarkt vanaf het bedrijventerrein naar het winkelcentrum en de versterking van de Lidl-supermarkt. Doordat deze supermarkten de voornaamste publiekstrekkers voor het gehele winkelcentrum zijn, krijgen de thans gevestigde winkeliers een goed economisch toekomstperspectief, hetgeen in de huidige situatie grotendeels ontbreekt. In de Regionale Structuurvisie Detailhandel Midden-Holland is dit belang benadrukt. Uit grootschalig onderzoek onder ruim 4.500 supermarktklanten in 30 buurt- en dorpscentra blijkt dat 75% van de supermarktbezoekers ook andere winkels bezoekt, mits deze zichtbaar zijn en op korte afstand liggen van de supermarkt(en). Een toekomstperspectief voor speciaalzaken is daardoor vaak pas mogelijk als er ook supermarkten in de buurt zijn die voldoende klantenstroom genereren. Twee (elkaar aanvullende) supermarkten – zoals in winkelcentrum Albert Plesmanstraat is beoogd met een discounter (Lidl) en een servicesupermarkt (Plus) – bieden nog meer kansen voor de speciaalzaken.
 
De huidige Lidl-supermarkt breidt uit van circa 650 m2 vvo naar circa 1.000 m2 vvo (toename circa 350 m2 vvo). Een full service supermarkt verplaatst van het bedrijventerrein naar het centrum. Het winkelvloeroppervlak van de  full service supermarkt neemt met circa 800 m2  v.v.o. toe. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een totale toename van circa 1.150 m2 aan winkelruimte (v.v.o). Het betreft in casu geen perifere detailhandel en de toename aan winkelvloeroppervlak blijft onder de grens van 2.000 m2 Hierdoor valt het buiten de onderzoeksgrens en is er geen strijdigheid met de Verordening ruimte.

3.2.3 Woonvisie 2011 - 2020
In aansluiting op de Structuurvisie heeft provincie Zuid-Holland in 2011 de "Woonvisie 2011-2020" vastgesteld. De woningmarkt en daarmee ook de noodzakelijke doorstroming is nagenoeg tot stilstand gekomen. Woningen staan langer te koop en prijzen dalen. Ondanks de crisis is tot 2010 overal doorgebouwd en daarna is de nieuwbouw gestagneerd. Daarnaast is zijn ook de demografische ontwikkelingen aan het verschuiven en is het bestuurlijk krachtenveld sterk aan het bewegen. Deze ontwikkelingen leiden tot een sterk bewegend beleidsveld wonen. De nieuwe woonvisie biedt voor dit bewegende veld een andere sturingsfilosofie en een vernieuwd visiedocument.
 
Uitgangspunt voor deze visie is dat goed wonen en een goede woonomgeving essentieel zijn voor een krachtige provincie: een ‘Aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel’, een ‘Duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie’, een ‘Divers en samenhangend stedelijk netwerk’, een ‘Vitaal, divers en aantrekkelijk landschap’ en ‘Stad en land verbonden’. Met dat uitgangspunt in het achterhoofd zijn vijf ambities geformuleerd:
  1. Regionale verscheidenheid behouden en benutten;
  2. Provincie stelt kaders voor de lange termijn; regionaal vindt uitwerking plaats;
  3. Voldoende goed woningaanbod voor iedereen;
  4. Niet meer woningen plannen dan nodig zijn;
  5. Toevoegingen en impulsen dragen bij aan een verbetering van de leefbaarheid.
Planspecifiek
De herontwikkeling van de Schoonhoven-Centrum Noord maakt onderdeel uit van een groter herstructureringsplan zoals deze door QuaWonen en de gemeente Schoonhoven momenteel wordt uitgevoerd. Binnen het plangebied van Schoonhoven-Noord wordt het bestaande woningbestand van QuaWonen 'verdund'. Bestaande verouderde woningen worden vervangen door nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningen die beter aansluiten op de huidige vraag. Er is geen wezenlijke toename van het aantal woningen. Omdat het aantal woningen niet toeneemt wordt voldaan aan de provinciale Woonvisie.

3.2.4 Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013-2019
In deze Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013-2019 leggen de gemeenten van het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Midden-Holland vast hoe zij vorm geven aan de samenwerking rond wonen. Gemeenten zien elkaar als partners rond wonen en geven daar met deze agenda verder uitwerking aan. Het is een flexibele samenwerkingsagenda die mee kan met de veranderende woningmarkt en ruimte geeft aan lokaal en subregionaal woonbeleid.
 
De Regionale Agenda Wonen Midden-Holland is begin 2013 vastgesteld door de gemeenten met de opdracht aan de colleges van burgemeester en wethouders om de Agenda door te ontwikkelen naar een regionale woonvisie. Die doorontwikkeling is nodig om met de Regionale Agenda Wonen te kunnen voldoen aan de bepalingen van de provinciale Verordening Ruimte. Dat houdt in dat de Regionale Agenda Wonen naar de doorontwikkeling kan fungeren als kader om woningbouwplannen in bestemmingsplannen voldoende en passend juridisch te kunnen verantwoorden.
 
De Regionale Agenda Wonen Midden-Holland voor de gemeente Schoonhoven wordt momenteel verder uitgewerkt in een regionale woonvisie. In deze uitwerking is rekening gehouden met de herstructurering en de toevoeging van 8 tot 10 woningen boven de nieuwe kiosken.
 
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Regionale woonbeleid en de uitwerking hiervan in een regionale woonvisie.
 
3.3 Regionaal beleid
3.3.1 Structuurvisie K5
In de Krimpenerwaard werken vijf gemeenten, te weten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist samen onder de naam K5. Deze gemeenten streven naar een vitale en leefbare regio, waar het voor iedereen prettig wonen is. De basis voor dit beleid is gelegd in een gezamenlijke toekomstvisie ‘Perspectieven voor de Krimpenerwaard’. De intergemeentelijke structuurvisie geeft de hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de K5 tot 2020 weer met een doorkijk naar de lange termijn (2030). De structuurvisie bouwt voort op de beleidsnota’s die in K5-verband zijn opgesteld en op de afzonderlijke gemeentelijke ruimtelijke visies.
      
De belangrijkste gehanteerde uitgangspunten zijn leefbaarheid, bereikbaarheid van voorzieningen en een woningbouwcapaciteit die het mogelijk maakt om in de eigen woningbehoefte te voorzien. Dit is een gedifferentieerd woningbouwprogramma met minimaal migratiesaldo nul. In de kernen met een subregionale functie (Schoonhoven, Bergambacht en Lekkerkerk) zijn ook subregionale voorzieningen aanwezig zoals voortgezet onderwijs, bedrijvigheid en detailhandel. In de centrumdorpse woonmilieus staat instandhouding van de voorzieningen centraal.

Planspecifiek
De herstructurering van Schoonhoven-Noord Centrum past binnen de structuurvisie K5. Het plan komt de leefbaarheid van het plangebied ten goede en draagt bij aan een woningaanbod welke aansluit bij de wensen in de markt. 

3.3.2 Detailshandelvisie K5
De algemene uitgangspunten van het regionale beleid voor detailhandel klinkt als volgt:
Gestreefd wordt naar een zo optimaal mogelijk winkelaanbod voor alle inwoners van de K5 gemeenten. Dit betekend dat:
  • zo veel mogelijk inwoners op een goede manier hun dagelijkse boodschappen kunnen doen in de eigen kern;
  • voor de niet-dagelijkse aankopen gestreefd wordt naar een optimalisatie van het aanbod zodat het totale voorzieningenniveau voor niet-dagelijke goederen voor het totaal van de kernen maximaal is.
Gestreefd wordt naar goede randvoorwaarden voor ondernemers waarbinnen zij kunnen ondernemen. Voor Schoonhoven is een analyse gemaakt waar de volgende conclusie uit volgde: Buurtwinkelcentrum Noord is belangrijk als aankoopplaats van dagelijkse goederen voor de inwoners van de noordwestelijke woonwijk van Schoonhoven (zie volgende afbeelding). Het winkelaanbod en structuur van het wijkwinkelcentrum passen bij de functie van de locatie. Wel is blijvende aandacht nodig voor de staat van de openbare ruimte.
Ten behoeve van dagelijkse aankopen kunnen bewoners van Schoonhoven terecht op verschillende locaties. De spreiding van winkels in dagelijkse goederen is goed. Versterking kan gezocht worden in beperkte uitbereiding van bestaande winkels.
Winkelkernen Schoonhoven
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de ambities uit de regionale detailhandelvisie. Het buurtwinkelcentrum is zeer belangrijk voor de directe omgeving. Zoals op de bovenstaande afbeelding te zien is zijn er nagenoeg geen andere winkelvoorzieningen in het betreffende deel van Schoonhoven. Om het winkelcentrum te versterken en ook in de toekomst goed te laten functioneren wordt er ingezet op een beperkte uitbereiden en intensivering door de verplaatsing van de Plus. Tevens wordt de openbare ruimte heringericht voor een betere ruimtelijke kwaliteit en functionaliteit van het gebied. Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling direct aan op de detailhandelvisie K5.
 
3.3.3 Woonvisie K5 'Vitaliteit en kwaliteit door Samenwerking'
De subregionale woonvisie kan als een uitwerking van deze toekomstvisie worden gezien, waarbij het ontwikkelen van vitaliteit en behoud van omgevingsprofiel opnieuw als gezamenlijke kernpunten centraal staan.
 
De hoofddoelstelling in het woonbeleid van de K5 is: Het behoud van vitale, leefbare kernen en de daarbij behorende bevolkingsopbouw, voor nu en in de toekomst. De woonvisie kan daaraan bijdragen, met name door de juiste woningbouw, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht. Onder leefbaarheid worden hierbij verschillende zaken verstaan: een aantrekkelijke fysieke en sociale woon- en leefomgeving en een voorzieningenaanbod dat gezien de grootte van de aanwezige woonkernen verwacht mag worden. Daarbij wil de K5 het woningbouwprogramma afstemmen op de schaal en het karakter van de subregio en dus voorkomen dat de woningbouw juist de leefbaarheid aantast. Uitgangspunt is migratiesaldo 0.
 
De hoofddoelstelling wordt vertaald in vier beleidsopgaven:
  1. Voldoende en de juiste woningbouw, die een bijdrage levert aan een evenwichtige leeftijdsopbouw met een goede verhouding tussen starters, jonge gezinnen en senioren;
  2. Een integrale en gecoördineerde aanpak van de herstructurering;
  3. Een goede afstemming van wonen, zorg en welzijn;
  4. Zorgen voor keuzevrijheid op de lokale en subregionale woningmarkt en een betaalbaar woningaanbod. 
Het bouwen van voldoende woningen is wel aan voorwaarden onderhevig. Zo dient de woningbouw zo min mogelijk aantasting van de huidige kwaliteit van het gebied in te houden.
 
Planspecifiek
Voorliggend bestemmingsplan maakt onderdeel uit van de herstructurering van Schoonhoven-Noord. Met deze herontwikkeling worden nieuwe woningen gerealiseerd en het winkelcentrum versterkt. Hiermee wordt voorzien in een breder aanbod welke aansluit bij de vraag vanuit de markt. Met de gehele planontwikkeling wordt niet voorzien in meer woningen dan nu aanwezig zijn in het woningbestand van QuaWonen. Omdat het woningbouwsaldo van de ontwikkelingen in Schoonhoven Noord toeneemt met maximaal 12 woningen past deze ontwikkeling binnen het woningbouwprogramma uit de regionale woonvisie.

3.3.4 Ruimtelijke agenda Midden Holland
Op 15 februari 2010 heeft het portefeuillehoudersoverleg Groene Hart, RO en Volkshuisvesting de Ruimtelijke Agenda Midden-Holland ‘Geslaagde kwaliteit in een vitale regio' vastgesteld. De ruimtelijke agenda is opgesteld in samenwerking met de portefeuillehoudersoverleggen Verkeer en Vervoer, Milieu en het Regionaal Economisch Overleg (REO).
Het heeft als doel het vormen van een integraal gezamenlijk beleid. De Randstedelijke ontwikkelingen in omringende regio’s, de samenwerking in de Zuidvleugel en het Groene Hart vragen om regionale afstemming en visie op de lange termijn. Vijf speerpunten geven de belangrijkste integrale thema’s weer, waaraan de 10 gemeenten in Midden-Holland samen werken:
  1. Verbetering van de noord-zuidverbinding door ontwikkeling van de N207-corridor
  2. Een regionaal programma ketenmobiliteit met een bijzondere functie voor de Gouweknoop
  3. Een regionaal programma voor verbeterde voorzieningen
  4. Een regionaal programma voor een gastvrij Midden-Holland, gekoppeld aan marketing van de regio
  5. Een regionaal fonds gekoppeld aan de doelen van de ruimtelijke agenda
Planspecifiek
Voor de Krimpenerwaard is opgemerkt dat kernenprofilering en instandhouding van voorzieningen in de kernen een belangrijke voorwaarde zijn om de leefbaarheid in dit deel van Midden-Holland te waarborgen. De herontwikkeling van Schoonhoven-Noord Centrum draagt bij aan subregionale functie die Schoonhoven heeft binnen de kernenprofilering en verbeterd de voorzieningen in het gebied.

3.3.5 Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013-2019
In deze Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2013-2019 leggen de gemeenten van het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Midden-Holland vast hoe zij vorm geven aan de samenwerking rond wonen. Gemeenten zien elkaar als partners rond wonen en geven daar met deze agenda verder uitwerking aan. Het is een flexibele samenwerkingsagenda die mee kan met de veranderende woningmarkt en ruimte geeft aan lokaal en subregionaal woonbeleid.
 
De Regionale Agenda Wonen Midden-Holland is begin 2013 vastgesteld door de gemeenten met de opdracht aan de colleges van burgemeester en wethouders om de Agenda door te ontwikkelen naar een regionale woonvisie. Die doorontwikkeling is nodig om met de Regionale Agenda Wonen te kunnen voldoen aan de bepalingen van de provinciale Verordening Ruimte. Dat houdt in dat de Regionale Agenda Wonen naar de doorontwikkeling kan fungeren als kader om woningbouwplannen in bestemmingsplannen voldoende en passend juridisch te kunnen verantwoorden.
 
De Regionale Agenda Wonen Midden-Holland voor de gemeente Schoonhoven wordt momenteel verder uitgewerkt in een regionale woonvisie. In deze uitwerking is het project Centrum Noord ingebracht met met een beperkte toename van circa 10 woningen.
 
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Regionale woonbeleid en de uitwerking hiervan in een regionale woonvisie.
 
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurplan 'Vitale stad in het Groene Hart'

Het structuurplan (2003) is tot stand gekomen vanuit de gemeentelijke wens om een actuele samenhangende visie op de ruimtelijke ontwikkelingen in Schoonhoven te formuleren. Bovendien wil de gemeente met het structuurplan voorkomen dat ruimtelijke plannen op ad hoc basis tot stand komen. Doel van het structuurplan is het opstellen van een strategische ruimtelijke visie voor het gemeentelijk grondgebied van Schoonhoven.
 
Het structuurbeeld 2015 is de huidige lobbenstructuur van de stad. De stad heeft vleugels in westelijke en oostelijke richting. Tussen deze vleugels of lobben dringt het groen de stad in tot aan de historische omwalling. Daardoor is het mogelijk vanuit de binnenstad het open buitengebied te beleven. Nieuwe bouwlocaties zijn daarom in eerste instantie gezocht binnen bestaand stedelijk gebied. Ter versterking van deze structuur gaat het plan uit van een groter contrast tussen de dichtbebouwde binnenstad, de groene ruimte en de suburbane wijken. Een intensivering van functies vindt plaats in de binnenstad, waar het naast detailhandel en horeca ook belangrijk is dat er ruimte is voor wonen, werken en voorzieningen. Waar ruimte vrijkomt in de overige delen van Schoonhoven wordt die zoveel mogelijk ingevuld met een woonfunctie. Mocht het nodig zijn dan kan onder andere Hofland Noord aangewend worden als uitbreidingslocaties.
 
In het structuurplan wordt geconcludeerd dat Schoonhoven wordt gekenmerkt door:
  • Afname aantal jongeren;
  • Afnemende gemiddelde huishoudensomvang;
  • Regionale ondervertegenwoordiging hoogste inkomens;
  • Concentratie van lagere inkomens;
  • Grote voorraad van minder gewenste woningtypen.
Uitsnede Structuurplan ontwikkelcapaciteit
 
Planspecifiek
In het Structuurplan staat het gebied om het winkelcentrum in Schoonhoven-Noord aangewezen als herstructureringsgebied. Het volgende staat geschreven over het plangebied:
 
Het centrale deel van woonwijk Noord
Het betreft hier de (portiek)woningen in het gebied rond de H.A. Schreuderstraat en de Sint Eloystraat en het gebied rondom de Sporthal de Meent en de flats rondom de Goudsmids-, Zilversmids- en Juweliershof. In beginsel gaat het hierbij niet direct om sloop en vervangende nieuwbouw, maar ook om transformatie van de aanwezige woningen naar de huidige marktvraag.
 
Het gebied rondom het winkelcentrum aan de Albert Plesmanstraat.
Hier wordt gedacht aan een intensivering van de huidige functies, meer detailhandel, meer diensten en voorzieningen) wellicht in combinatie met meer wonen.
 
De voorgenomen plannen zijn opgesteld naar aanleiding van de structuurvisie en sluiten hier op aan. De ontwikkelingen zijn derhalve  niet in strijd met het gemeentelijk structuurplan.

3.4.2 Woonvisie Schoonhoven 2009-2013 'Schoonhoven bouwt en bindt'

De Woonvisie (2009) heeft drie kernfuncties:
  1. Regievoering: De gemeente heeft tegenwoordig een rol als regievoerder. Voor uitvoering van het beleid is samenwerking met partners en een breed draagvlak nodig. De woonvisie is daarom in overleg met hen opgesteld.
  2. Relatie leggen met verwante beleidsterreinen: De beleidsmatige aandacht voor wonen heeft zich de laatste jaren sterk verbreed. De woonvisie besteedt ook aandacht aan beleidsmatige raakvlakken, zoals zorg en welzijn, en draagt op die wijze bij aan een integraal gemeentelijk beleid.
  3. Praktische basis voor beleidsuitvoering/instrumentele bruikbaarheid: De woonvisie is een concrete, praktische basis voor de inzet van Wro en Grexwet, prestatieafspraken, woningbouwprogrammering en monitoring van de uitvoering. 
Centraal uitgangspunt voor het woonbeleid van de gemeente Schoonhoven is, dat mensen met een binding aan de gemeente ook voldoende kans krijgen om in Schoonhoven te (blijven) wonen, met goede woon- en leefomstandigheden. Daar vloeien de volgende opgaven uit voort:
  • Voldoende woningen voor doelgroepen met een binding aan Schoonhoven, als primaire voorwaarde om mensen te kunnen binden; 
  • Passende woningen voor alle doelgroepen, met toekomstwaarde (de woningen zelf); 
  • Een prettige woonomgeving (het woonmilieu, voorzieningenniveau, et cetera).
Deze drie opgaven zijn bepalend voor de keuzes die de gemeente maakt voor het woningbouwprogramma, locatie, de inzet op doelgroepen en de wijze waarop de gemeente, samen met andere partijen) aan wonen in Schoonhoven werken. De gemeente wil 750 woningen aan de woningvoorraad toevoegen voor 2020.
 
Planspecifiek
In de Woonvisie is de Uitvoeringsvisie van QuaWonen voor Schoonhoven-Noord meegenomen. De Uitvoeringsvisie van QuaWonen gaat uit van nieuwbouw van ca. 200 levensloopgeschikte sociale huurwoningen en ca. 50 sociale eengezinswoningen (huur en koop). Daar staat een sloop van ca. 240 verouderde appartementen tegenover. Onderdeel van deze Uitvoeringsvisie is de herontwikkeling van het centrum gebied. Afgaand op de slechte beoordeling van de woningvoorraad en woonomgeving door bewoners zelf, de sterke vergrijzing en de technische kwaliteit van de woningvoorraad, is een dermate forse vernieuwingsslag passend in deze wijk.  In de Woonvisie is aangegeven dat deze planontwikkeling alleen maar kan als dat in goede afstemming met bewoners gebeurt, en als verhuizing een verbetering betekent voor bewoners van de wijk.
De planvorming voor blok 9 (boven de supermarkt) is in goede afstemming met de bewoners gebeurt. In voorbereiding van de verdere planontwikkeling zal hier ook nadrukkelijk rekening mee gehouden moeten worden.

3.4.3 Wijkvisie Schoonhoven Noord - Thuis in Noord

De gemeente Schoonhoven en QuaWonen hebben de ‘Wijkvisie Schoonhoven Noord – Thuis in Noord’ (2007) opgesteld om een gezamenlijk kader te hebben voor verschillende initiatieven van diverse partijen in de wijk. De gemeente en QuaWonen wilden bij het ontwikkelen van de wijkvisie bewoners, ondernemers en andere stakeholders nadrukkelijk betrekken en hun ideeën en meningen in de wijkvisie meenemen. Daarom is gekozen voor een traject met veel informatie-uitwisseling en overlegmomenten. De samenwerking tussen de gemeente, QuaWonen, ondernemers en overige stakeholders vormde de kern van het project Forum Noord.
 
Uit de inventarisatie en de analyse komt naar voren dat bewoners in het algemeen tevreden zijn met het wonen in Schoonhoven-Noord. Vooral in het westelijk deel van de wijk zijn de bewoners tevreden. De bewoners geven echter aan dat er onvoldoende mogelijkheden zijn voor senioren in de wijk. Ook zijn de woningen voor starters en gezinnen in het middelduur koopsegment schaars. De meeste woningen zijn kwalitatief goed, maar een deel van de huurwoningen is verouderd waardoor zij niet meer voldoen aan de huidige wensen van bewoners.
 
De ambitie op het gebied van wonen is: Het bieden van een gedifferentieerd woningaanbod in aantrekkelijke buurten waardoor wooncarrières binnen Schoonhoven-Noord mogelijk worden gemaakt. Door functieveranderingen komen locaties vrij. Op deze locaties kunnen woningen aan de woningvoorraad toegevoegd worden. Dit maakt het mogelijk om meer differentiatie in de woningvoorraad te brengen.
 
De ambitie  voor het  winkelcentrum is het realiseren van een centrum met twee supermarkten en beperkte ruimte voor kleine winkels en horeca. De kleine winkels en horeca moeten verleid worden om zich in het winkelcentrum te vestigen. Het doel hiervoor is het creëren van een hart voor de wijk.
 
Planspecifiek
Het herstructureringsplan voor Schoonhoven-Noord Centrum sluit aan op de wijkvisie. In het gebied worden verouderende woningen gesloopt en vervangen met nieuwe toekomstbestendige woningen. Hiermee draagt het bij aan de ambitie van de gemeente voor het creëren van een gedifferentieerde woningvoorraad.
Ook de ontwikkelingen voor het winkelcentrum sluit aan op de visie. De Lidl zal uitbereiden en de Plus zal verplaatsen van het bedrijventerrein naar het winkelcentrum. Bij de inpassing van de Plus is gekozen voor een zogenaamd haltermodel. Een haltermodel bestaat uit twee sterk aantrekkende winkels (Plus en de Lidl) aan de uiteinden van het winkelgebied met daar tussen een strip van kleinschalige detailhandel. Deze opzet is zowel voor de supermarkten als voor de kleinere ondernemers aantrekkelijk omdat de functies elkaar op deze manier versterken. Op basis van dit model is naast de nieuwbouw van de Plus ook een uitbreiding van de Lidl voorzien.
3.4.4 Geldend bestemmingsplan 'Schoonhoven Noord (2013)'
In het vigerende bestemmingsplan 'Schoonhoven Noord (2013)' is voor de betreffende locatie gelden hoofdzakelijk de volgende functies:
  • Wonen
  • Maatschappelijk
  • Detailhandel
  • Verkeer
Het bestemmingsplan biedt geen expliciete ruimte voor een uitbreiding of 'upgrading' van het bestemmingsplan. Een aparte bestemmingsplanprocedure zal ruimte moeten scheppen voor de toekomstige plannen. Wel staan de voorgenomen ontwikkelingen, voor zover bekend, beschreven en is in de bestemmingsplanprocedure ook het Masterplan Centrum gepresenteerd aan de bewoners.
Zoals beschreven staat in het vigerend bestemmingsplan is de huidige locatie van de Plus (detailhandel op het bedrijventerrein) is niet gewenst. De Plus zal verplaats worden naar het winkelcentrum in Schoonhoven-Noord. Om dit en de andere voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is het nieuwe bestemmingsplan voor het centrum gebied noodzakelijk.
 
 
Uitsnede vigerend bestemmingsplan Schoonhoven Noord (plangebied gobaal omlijnd)

3.4.5 Groenbeleidsplan
Met het Groenbeleidsplan (2000) wil de gemeente het beleid over bestemming, inrichting en beheer van openbaar groen vastleggen. Hierdoor moet een logisch samenhangende, duurzame en beheerbare groenstructuur ontstaan. Om het hoofddoel te bereiken wordt het huidige groenareaal en de groenstructuur in Schoonhoven beoordeeld op kwaliteit en kwantiteit. De aanwezige kwaliteiten in de groenstructuur worden veiliggesteld en verder ontwikkeld tot een samenhangend en duurzaam geheel.
 
Het plan is aanvankelijk opgesteld met een beoogde geldigheidsduur van 5 tot 10 jaar.
 
Uitsnede kaartbeeld Groenbeleidsplan
 
Planspecifiek
In het groenbeleidsplan is het Juweliershof en het Zilversmidshof aangewezen als representatief groen. Deze kwaliteit is op verschillende functies van toepassing. In de planontwikkeling is rekening gehouden met het bestaande groen. Voor het Juweliershof wordt de daadwerkelijke groen invulling nader bepaald. Hetzelfde geld voor het Zilversmidshof (blok 10). De bestaande bebouwing wordt gesloopt en nieuwbouw komt er voor terug. Het groene karakter van de Juweliershof blijft behouden maar wordt in omvang beperkt. Bij de Zilversmidshof wordt het groen geclusterd. Hierdoor wordt de kwaliteit en gebruiksmogelijkheden van het representatief groen verbeterd. 
3.4.6 Adviesnota cultureel erfgoed
De gemeente Schoonhoven heeft  in 2013 een erfgoednota vastgesteld voor de periode 2012 – 2017. Zij heeft daarin de volgende doelen gesteld:
  1. Het aanwijzen van 100 nieuwe gemeentelijke monumenten;
  2. Het aanpassen van de subsidieverordening voor gemeentelijke monumenten;
  3. Het aanwijzen van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht;
  4. Het aanpassen van de monumentenverordening;
  5. Het opstellen van een cultuurhistorische inventarisatie;
  6. Het opstellen van richtlijnen voor de openbare ruimte van het beschermd stadsgezicht;
  7. Het verbreden van het draagvlak voor monumenten en archeologie.
De adviesnota en de bijbehorende cultuurhistorische inventarisatie en waardenkaart is het directe gevolg van punt 5 van de doelstellingen uit de erfgoednota. Daarnaast is het collegeprogramma 2010-2014 “Samen bouwen aan een aantrekkelijk Schoonhoven” een tweede aanleiding voor deze inventarisatie en beleidsregels. In het programma worden de waarden van Schoonhoven als zilverstad, vestingstad en als toeristische trekpleister erkent. Daarmee heeft het college aangegeven te willen bouwen aan versterking en behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden. De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de kwaliteitskaart wat als uitgangspunt dient voor de advisnota.
 
Uitsnede cultuurhistorische inventarisatie en waardenkaart
 
Planspecifiek
In de adviesnota is een cultuurhistorische kwaliteitkaart opgesteld. Het plangebied valt hier binnen de locatie met hoge gebiedskwaliteit. Dit paragraaf onderbouwd met een cultuurhistorische analyse dat de beoogde ontwikkeling geen ingrijpende afbreuk aan de gebiedskwaliteit doet.
 
Schoonhoven heeft zich als stad lange tijd binnen de huidige vestingswerken kunnen ontwikkelen. Pas na de Tweede Wereld Oorlog is sprake geweest van planmatige uitbreidingen buiten de vestingswerken. Dit gebeurde op grote schaal aan de noordwestzijde van de historische stad. Het spoortracé richting Rotterdam werd opgeheven en de huidige N210 werd aangelegd. Deze weg vormt nu de eerder genoemde scheiding tussen de historische stad en Schoonhoven-Noord. De ontwikkeling van Schoonhoven-Noord is begonnen aan de oostkant, tegen de Opweg aan. Vanaf deze zijde heeft de wijk zich in fasen in westelijke richting ontwikkeld. De eerste fase van de uitbreiding bestond uit een traditionele blokverkaveling op basis van een eenduidig grid van straten. In de latere plandelen zijn diverse verkavelingstypes geïntroduceerd zoals woonerven en strokenverkavelingen. 
 
In 1960 is het bestaande wijkwinkelcentrum gebouwd. Direct ten oosten daarvan ligt een opvallende stempelverkaveling bestaande uit L-vormige vierlaagse complexen afgewisseld met stroken grondgebonden woningen bestaande uit twee bouwlagen. Het stempelpatroon komt in een noord-zuid gerichte strook driemaal voor. Bij elke stempel omsluit de bebouwing een openbare groene ruimte. Gezamenlijk vormen deze blokken een stedenbouwkundig ensemble. De waarde van dit ensemble bestaat voornamelijk uit de herhaling van de strakke blokken in een openbare groene setting.
 
Toekomstige situatie
Een deel van de bebouwing van het ensemble zal in de toekomst worden gesloopt. Daarnaast wordt een nieuwe supermarkt in het gebied gerealiseerd. Het nieuwe programma heeft een wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur tot gevolg. Alleen de kwaliteit van het representatieve groen tussen de woonblokken wordt vastgehouden. De inpassing van de supermarkt maak het niet mogelijk om zowel de huidige stempel als de kwaliteit van dat stempel te behouden. Daarom is er gekozen niet de vorm maar wel de kernkwaliteit vast te houden. De bestaande kernkwaliteiten vertalen zich in de nieuwe situatie in de herhaling van rechthoekige woonblokken die verschillende openbare ruimtes omsluiten. Deze openbare ruimtes krijgen een hoofdzakelijk groene inrichting mee. Op deze manier blijft dit relatief open deelgebied zich onderscheiden ten opzichte van de meer besloten woongebieden ten oosten en westen daarvan.
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een wijziging in het stempel patroon maar zal de andere kenmerkende kwaliteiten behouden. De Adviesnota cultureel erfgoed vormt derhalve geen belemmering op de beoogde ontwikkeling.

4 Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage
Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor de milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige activiteiten" waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en "m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significante negatieve gevolgen voor het milieu.
 
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Het besluit is aangepast waarbij de drempelwaarden indicatief zijn geworden en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn uitgebreid. Het indicatief worden van de drempelwaarden betekent dat er wel een toetsing moet worden gedaan als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen of de activiteiten ook beneden de drempel geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
 
Een m.e.r. is verplicht bij bestemmingsplannen indien de activiteiten in het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden zodat een passende beoordeling nodig is en/of het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor volgens de Wet milieubeheer een besluit m.e.r.(-beoordeling) verplicht is.
Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een Natura 2000 gebied waardoor geen passende beoordeling nodig is.
 
In het Besluit milieueffectrapportage zijn m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten en indicatieve drempelwaarden opgenomen. Bij de activiteiten is opgenomen "de bouw van woningen" en de "uitvoering dan wel wijziging of uitbreiding van een stadsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra". Dit is opgenomen op de D-lijst onder D.11.1 en D11.2. Op basis hiervan is een m.e.r.-beoordeling nodig, indien de activiteit betrekking heeft op een de bouw van 2.000 woningen of meer of het toevoegen van meer dan 200.000 maan bedrijfsvloeroppervlak. De voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van circa 105 wooneenheden en de realisatie van circa 2.000 m2 bedrijfsvloeroppervlak. De ontwikkeling valt ruim onder de drempelwaarden.
 
De drempelwaarden zijn indicatief. Daarom moet vervolgens worden gekeken naar de kenmerken van de ontwikkeling, de plaats van de ontwikkeling en de kenmerken van mogelijke effecten. Indien er effecten optreden met een omvangrijke implicatie voor het milieu kan het bevoegd gezag initiatiefnemers vragen om een m.e.r.-beoordeling op te laten stellen.
     
In de onderstaande tabel is het initiatief getoetst op de ruimtelijke en milieutechnische effecten.
 
Kenmerken van het plan
 
Omvang het project (relatie met drempel)
het initiatief staat op de lijst maar zit onder de drempelwaarde
Cumulatie met andere projecten
Er is geen sprake van een cumulatie. In de directe omgeving zijn geen andere projecten voorzien.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Het plan voorziet niet in het gebruik van natuurlijke hulpbronnen anders dan als bouwmaterialen en materialen voor de aanleg van voorzieningen.
Productie van afvalstoffen
in beperkte mate als gevolg van de sloop en nieuwbouw
Verontreiniging en hinder
Het plan veroorzaakt geen onevenredige verontreiniging of hinder. Enige hinder is wel te verwachten als gevolg van extra verkeersbewegingen
Risico voor ongevallen
het project leidt niet tot een groter risico voor ongevallen. Het plan ligt wel binnen de invloedsfeer van een transportroute gevaarlijke stoffen maar er wordt voldaan aan de oriënterende waarde welke hiervoor geldt.
Plaats van het project
 
Bestaand grondgebruik
stedelijke functie
Rijkdom aan en kwaliteit van het gebied
niet van toepassing
het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:
a.    wetlands
b.    kustgebieden
c.    berg- en bosgebieden
d.    reservaten en natuurparken
e.    gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn)
f.     gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden;
g.    gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
h.    landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Realisatie van het plan heeft geen relevante effecten op bodem, water, flora en fauna, archeologie, luchtkwaliteit, zonering, externe veiligheid en geurhinder. Dit blijkt uit de onderzoeken die in het kader van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd en zijn opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan.
Kenmerken van het potentiele effect
 
Bereik van het effect
Het effect van het project beperkt zich hoofdzakelijk tot akoestiek en luchtkwaliteit als gevolg van verkeersbeweging. Daarnaast zijn er in de realisatiefase beperkte effecten te verwachten als gevolg van de bouw. Hiervoor zal voldaan worden aan het bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening.
Grensoverschrijdend karakter
Het project heeft enkel een grensoverschrijdend effect voor wat betreft de vervoersstromen (autoverkeer) als gevolg van het project.
Orde van grootte en complexiteit effect
het effect beperkt zich tot geluid en luchtkwaliteit. Daarmee is de orde van grootte en de complexiteit zeer beperkt en binnen de geldende wet- en regelgeving toetsbaar.
Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
De duur en frequentie is inzichtelijk en zal voor lange tijd aanwezig zijn. Het effect is omkeerbaar maar dit is niet te verwachten.
Conclusie
Het bestemmingsplan zorgt niet voor belangrijke negatieve milieueffecten. Nadere analyse in een MER/m.e.r.- beoordelinq is niet noodzakelijk.
4.2 Milieu
4.2.1 Bodem
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging is een bodemonderzoek noodzakelijk. 
      
Planspecifiek
In een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. In het vigerende bestemmingsplan Schoonhoven-Noord uit 2013 zijn de gronden hoofdzakelijk bestemt als detailhandel, maatschappelijk, verkeer en wonen. De bestemming wonen zal echter ruimer voorkomen in het op te stellen plan dan in het huidige bestemmingsplan. Voor de bestemmingswijzigingen is een inzicht in de bodemkwaliteit noodzakelijk.
 
Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de bovengrond voornamelijk uit, zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand bestaat. De ondergrond bestaat uit lagen zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand en kleilagen. In de ondergrond komen plaatselijk veenlaagen voor.
 
Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
 
Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht:
 
A: locatie A. Plesmanstraat 15
Zowel in de bovengrond als de ondergrond zijn zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. De bovengrond is analytisch licht verontreinigd met kwik, zink en PCB. In de ondergrond zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen.
 
B: locatie A. van Vianenstraat
In het opgeboorde materiaal uit zowel de bovengrond als uit de ondergrond zijn zintuiglijk bijmengingen met puin aangetroffen. De puinhoudende bovengrond is licht verontreinigd kwik en zink. De zintuiglijk schone bovengrond is licht verontreinigd met PCB. In de puinhoudende ondergrond zijn analytisch lichte verontreinigingen met koper, kwik, lood en PAK aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Omdat vooral de zintuiglijk verontreinigde grondmonsters zijn gebruikt bij de samenstelling van de grondmengmonsters, mag ervan worden uitgegaan dat gemiddelde bodemkwaliteit beter is dan aangetoond in de mengmonsters.
 
Met het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de beide deellocaties vastgelegd. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en
mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de herinrichting/vitalisering van de onderzoekslocatie.
 
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.

4.2.2 Luchtkwaliteit

De Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate(luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen.
De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tot deze grenswaarden gelden zijn er voor NO2 minder strenge grenswaarden van kracht.
  
Wet luchtkwaliteit
 
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien:
  1. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt;   
  2. de luchtkwaliteit tengevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;
  3. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.);
  4. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.)
Regeling NIBM
De Ministeriële Regeling NIBM geeft een uitwerking aan het Besluit NIBM en een getalsmatige invulling van de NIBM-grens. Voor een aantal categorieën van projecten kan met zekerheid worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een luchtkwaliteitonderzoek niet meer nodig is:    
  • Woningbouw minder dan 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en minder dan 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Kantoorlocaties minder dan  100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en minder dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Tevens is in het Besluit NIBM, art.5 een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Als criterium voor de relatie tussen de projecten wordt de nabijheid van de locaties (binnen een afstand van 1 km) en het gebruik van dezelfde infrastructuur gehanteerd. Daarnaast moeten de besluitvorming voor deze projecten in de werkingstermijn van het NSL (t/m 2014) gebeuren.
 
In de overige gevallen, die niet in het Besluit NIBM genoemd worden, zal op een andere manier bijvoorbeeld door middel van berekeningen aannemelijk gemaakt moeten worden dat de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden.
 
Beoordelingspunten
De luchtkwaliteit langs wegen wordt volgens de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit (Rbl, 2007) op een representatief punt, op een afstand van maximaal 10 m vanaf de rand van de weg beoordeeld. In verband met het blootstellingcriterium opgenomen in artikel 22 van de Rbl en de toepasbaarheidbeginsel opgenomen in artikel 5.19 van de Wm is het mogelijk om in een aantal situaties van deze afstand af te wijken. Volgens het blootstellingcriterium wordt de luchtkwaliteit op locaties beoordeeld waar mensen aan de hoogste concentraties blootgesteld kunnen worden gedurende een periode die significant is ten opzichte van de middelingtijd van de betreffende grenswaarde. Zo wordt bij de jaargemiddelde NO2 grenswaarde getoetst daar waar langdurige blootsteling plaats kan vinden (vergeleken met de middelingtijd van een jaar) – bijvoorbeeld aan de gevel van woningen. Terwijl bij de 24-uurgemiddelde grenswaarde van PM10 zijn plaatsen als tuinen bij woningen en sportcentra relevant, waar mensen bootgesteld kunnen worden gedurende een periode vergeleken met de middelingtijd van een dag. Het toepasbaarheidbeginsel geeft aan waar de luchtkwaliteit niet beoordeeld hoeft te worden – bijvoorbeeld “locaties waar leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is”.
 
Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening
Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet Ruimtelijke ordening en de Wet Publieke Gezondheid, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter.
Daarom adviseert GGD (“GGD-richtlijn medische milieukunde: luchtkwaliteit en gezondheid, dec. 2008 “) om geen nieuwe gevoelige bestemmingen (waaronder bij uitstek woningen), binnen de zones van minimaal 300 meter afstand tot de rijkswegen (minder dan 100 meter wordt sterk afgeraden) en minimaal 50 meter afstand tot de provinciale wegen te realiseren. Langs drukke binnenstedelijke wegen, met meer dan 10.000 voertuigen per etmaal, wordt vanwege praktische overwegingen geen afstand geformuleerd. Geadviseerd wordt geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijn bebouwing direct langs een drukke binnenstedelijke weg te bouwen.
 
Planspecifiek
Het plan heeft ‘niet in betekenende mate’ effect op de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen is niet noodzakelijk. De Wlk staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg. Het plan voldoet uit het oogpunt van luchtkwaliteit aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. De volgende afbeeldingen laten uitsnedes zien uit de 'Atlas leefomgeving'. De afbeeldingen laten de huidige stikstof en fijnstof concentraties zien. In de huidige situatie wordt de wettelijke normen niet overschreden. De luchtkwaliteit in het plangebied vormt geen belemmerende factor voor de voorgenome ontwikkeling.
 Uitsnede Atlas Leefomgeving (stikstof)
Uitsnede Atlas Leefomgeving (fijnstof)

4.2.3 Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    • verzorgingstehuizen;
    • psychiatrische inrichtingen;
    • medisch centra;
    • poliklinieken;
    • medische kleuterdagverblijven.
Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt voor de te realiseren woningen 48 dB. Wanneer aan deze waarde voldaan wordt kunnen de woningen zonder aanvullende procedure worden gerealiseerd.
 
Indien bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen niet aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan, kan worden geconcludeerd dat de locatie niet zonder meer geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Om de ontwikkeling doorgang te laten vinden zal nog onderzoek uitgevoerd worden naar de haalbaarheid van maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren. Dit kunnen maatregelen aan de bron (bv. geluidarm asfalt) of maatregelen in overdrachtssfeer (bv. geluidwal) zijn. Dit onderzoek zal in het kader van een nog aan te vragen ontheffing hogere grenswaarde plaatsvinden.
 
Indien maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn ofwel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan in sommige gevallen een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Ter bepaling of deze waarde inderdaad kan worden vastgesteld is de Beleidsregel Hogere Waarden regio Midden-Holland (april 2007) vastgesteld. In situaties waarin aan deze beleidsregel wordt voldaan kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot de Maximale Grenswaarde uit de Wgh (Tabel II).
     
Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde dient er te worden onderzocht of er maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting op de gevel omlaag te brengen. 
 
Planspecifiek
Het plan voorziet in de nieuwbouw van 40 woningen* welke gelegen zijn binnen de onderzoekszone van de N210. Derhalve moet aangetoond worden of voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Indien dit niet het geval is zal een hogere grenswaarde verkregen moeten worden of zullen zogenaamde overdrachtsmaatregelen genomen moeten worden.
 
Door Weel geluidadvies is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek van Weel geluidadvies blijkt dat voor de 40 woningen* boven de nieuw te bouwen supermarkt  de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai ten gevolge van het wegverkeer op de N210 niet wordt overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de omliggende niet gezoneerde 30 km/uurwegen drukt niet een stempel op de plaatselijke leefomgevingskwaliteit als het gaat om geluidhinder. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
 
Binnen het plan worden eveneens woonblokken gesloopt er herbouwd, tevens wordt voorzien in maximaal 12 nieuw te bouwen woningen. Deze liggen niet binnen de invloedssfeer van een zogenaamde gezoneerde weg. Derhalve is hier geen onderzoek naar verricht. Op basis van de onderzoeksresultaten van Weel geluidadvies kan wel gesteld worden dat ook voor deze woning voldaan zal worden aan de voorkeursgrenswaarde.
 
Aanvullend, na aanleiding van een ingediende zienswijze, is nader onderzocht of het wegverkeerslawaai in combinatie met het extra aantal verkeersbewegingen als gevolg van de verplaatsing van de supermarkt leidt tot een onevenredige toename van de geluidsbelasting van de omliggende woningen. Uit het onderzoek van geluidsburo Weel, bijlage 3 bij de Nota zienswijzen, blijkt dat er sprake is van een toename van 1 dB. Een toename van 1 dB is voor het menselijk oor niet waarneembaar.

*) het aantal woningen is bij vaststelling bijgesteld naar 36

4.2.4 Bedrijven en milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
Nabij het plangebied bevindt zich een pand met een bedrijfsbestemming in de milieucategorie 2. Het betreft hier het voormalige tankstation waar feitelijk geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Tevens bevind zich in het plangebied een winkelcentrum (milieucategorie  1) en grenst het aan een school (milieucategorie 2). Het plangebied is aan te merken als gemengd gebied. In dit geval wordt er een kortere richtafstand van bedrijven tot gevoelige bestemmingen gehanteerd. Voor categorie 1 bedrijven geldt een afstand van 0 meter en voor categorie 2, 10 meter.
De woningen liggen niet in een straal van 10 meter om het bedrijf heen en tussen de school en de woningen zit een afstand van 35 meter. De voorgenomen ontwikkelingen leveren derhalve geen belemmeringen op voor de bestaande bedrijven.
Het planvoorziet in de verplaatsing van een full-service supermarkt van het bedrijventerrein naar het centrum gebied van Schoonhoven-Noord. Deze 'bedrijfsverplaatsing' en de daarmee samenhangende laad- en losactiviteiten van goederen ten behoeve van de supermarkt zijn onderzocht om hun milieutechnische inpasbaarheid. Maatgevend hiervoor is de geluidsoverlast die hiervan ondervonden kan worden. Dit aspect is onderzocht door Weel Geluidsadvies. Dit onderzoek is als bijlage bij de plantoelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden. In het onderzoek worden nog enkele suggesties gedaan voor een verdere verbetering van de geluidssituaties. In de verdere planuitwerking wordt nagegaan of hieraan invulling gegeven kan worden.
 
Na aanleiding van de ingediende zienswijzen is door Weel Geluidsadvies nader onderzoek gedaan naar het laden en lossen, de situering van het condensor. Uit dit onderzoek blijkt, bijlage 3 bij de Nota zienswijzen, dat voldaan kan worden aan de wettelijke normen.

4.2.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden risico (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR).
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.
   
Planspecifiek
 
Risicokaart
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen gelegen die in het kader van externe veiligheid een beperking vormen. Dit is te zien op de uitsnede van de Risico Kaart.
Uitsnede Risico Kaart (plangebied omcirkeld).
 
Transport over de weg
De voorgenomen ontwikkelingen bevindt zich binnen de invloedsfeer van de N210. Over de N210 worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Door Royal Haskoning DHV is voor de planontwikkeling Zilverstad recentelijk een onderzoek gedaan naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico(rapport: QRA N210 Bestemmingsplan Zilverstad). De uitkomsten voor dit onderzoek kunnen ook gebruikt worden voor deze locatie. Het onderzoek is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan.
 
De toename van het groepsrisico is door Royal Haskoning DHV in beeld gebracht. Deze toename van het groepsrisico bedraagt 0,002 met de toevoeging van 64 woningen. Het groepsrisico blijft onder oriëntatiewaarde van 1 en bedraagt in de nieuwe situatie 0,023. Voor de beperkte toename van het groepsrisico is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. Deze verantwoording is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.
 
In casu worden er per saldo 12 nieuwe woningen toegevoegd. Dit is een zeer geringe toename. Daarnaast is de locatie op een grotere afstand van de N210 gelegen dan Zilverstad. Hiervan uitgaande kan met zekerheid gesteld worden dat er niet of nauwelijks geen toename is van het groepsrisico. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.
   
4.3 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 
 
Beleid hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard
Het plangebied valt onder hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard. De missie van dit hoogheemraadschap luidt: ‘Droge voeten en schoon water’. Deze missie heeft betrekking op de veiligheid en de waterkwaliteit, en is uitgewerkt in de missiestatement: veiligheid voor inwoners en bedrijven, voldoen aan de complexe wateropgave in stedelijk en landelijk gebied, efficiënt en doelmatig werken, oog voor het waterschap als functionele overheid en voor de wijze waarop de organisatie naar buiten treedt.
 
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies aan waterberging in de bodem gecompenseerd. Uit berekeningen zal blijken hoeveel ruimte voor compenserende waterberging nodig is. De aanleg van de bergingsvoorziening komt voor rekening van plannemer van de ruimtelijke ingreep.
 
Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek
In het plangebied is in de huidige situatie geen oppervlakte water aanwezig. Op basis van dit plan is er echter een toename in verharding van circa
2.400 m². Deze toename heeft invloed op de infiltratiemogelijkheden van hemelwater in het plangebied. Hoogheemraadschap Schieland en Krimpernerwaard vereist dat op basis van deze toename aan verharding circa 182,4 m² gecompenseerd wordt door nieuw oppervlakte water. In het plangebied is echter geen mogelijkheid extra oppervlakte water te creëren.
 
Ten zuiden van het plangebied ligt de Zilverstad-locatie. Zoals beschreven staat in het bestemmingsplan voor Zilverstad-locatie is in de stedenbouwkundige schets voor de ruimte gereserveerd voor een extra waterbergingsoverschot van circa 800 m2 ten behoeve van de herstructurering van het wijkwinkelcentrum.
 
De onderstaande tabel toont de watertoets voor het plangebied en de Zilverstadlocatie.
Zilverstadlocatie    
Afname verharding 473 m2  
Vereiste toename water 0.0 m2 7,6%
Toename water 833 m2  
Overschot water 833 m2  
     
Centrum Noord    
Toename verharding 2400 m2  
Vereiste toename water 182,4 m2 7,6%
Tekort water -182,4 m2  
 
Gezien het feit dat de Zilverstadlocatie een overschot van 833 m2 aan waterberging heeft, kan dit gecompenseerd worden met het tekort in Centrum Noord. Derhalve wordt er voldaan aan de eisen van het waterschap.  
  
4.4 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
 
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'.
Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: 
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van EL en I (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (NB-wet) en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelin-gen een negatieve invloed hebben de beschermde gebieden. Het plangebied te Schoonhoven ligt niet in of nabij de EHS of een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Directe effecten of effecten als gevolg van verstoring worden niet ver-wacht. Gebiedsbescherming is op deze locatie niet aan de orde.
 
Soortenbeschreming
In het kader van de Flora- en faunawet dient te worden nagegaan of vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soor-ten door de ingreep worden aangetast. Derhalve is door Laneco een Quick scan flora en fauna uitgevoerd (Projectnummer 04.14.01). In de bijlage is het volledige rapport te vinden. Hieruit valt het volgende te concluderen:
 
Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten zijn verblijfplaatsen van soorten uit de soortgroep vleermuizen niet uit te sluiten binnen het plangebied. Van de gewone dwerg-vleermuis is in 2013 door onderzoeksbureau BSR reeds een verblijfplaats in het plangebied aangetoond. Van overige strikt beschermde diersoorten zoals jaarrond beschermde vogel-soorten worden geen verblijfplaatsen verwacht.
 
Aanbeveling
Verder zijn er vanuit een ecologisch oogpunt enkele vrijblijvende aanbevelingen te doen ten aanzien van de toekomstige inrichting:
  • Voor vleermuizen zouden open stootvoegen (2-3 cm. breed) aangebracht kunnen worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte in nieuw te bouwen woningen;
  • Er kunnen maatregelen genomen worden voor huismus en gierzwaluw. Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden. De huidige bebouwing is voor deze soorten niet geschikt. Er zijn verschillende opties om de nieuwe bebouwing geschikt te maken voor deze soorten:
    • Aanbrengen van neststenen ten behoeve van huismus en gierzwaluw op >2,5 meter hoogte in de muur;
    • Bij een steile dakvorm het toepassen van nestdakpannen/vogelsvides;
  • Indien pannendaken worden toegepast:
    • Het twee dakpannen hoger aanbrengen van vogelschroot, met voldoende ruimte onder de onderste dakpannen (3-4 cm.) voor broed-plaatsen.
    • Het 3-4 cm. laten oversteken van de hoek nokpannen zodat ruimte ontstaat tussen de gevel en de pan en het creëren/open laten van enkele cm. ruimte onder deze pannen.
  
4.5 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
 
Planspecifiek
De Cultuurhistorische waardekaart van de provincie Zuid-Holland, geeft aan dat de noordzijde van onderhavig plangebied is aangemerkt met een lage trefkans, oftewel een kleine kans op archeologische sporen. Voor dit gebied hoeft geen verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het zuidelijk deel heeft een hoge trefkans. Voor dit deel is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Ook het gemeentelijk archeologiebeleid onderbouwd dit. De archeologische waardenkaart (2011) toont dat het plangebied de archologische waarde 5 heeft. Voor het deel met waarde 5 geldt wanneer het plangebied groter dan 5000 m2 en er werkzaamheden dieper dan 1,5 meter in de grond plaats vinden dient er archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rood omlijnd)
 
Om die reden is er door AcheoSupport archeologisch onderzoek uitgevoerd (rapportnr. 2014-1). Op basis van het booronderzoek in relatie tot het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel, kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
  • Het maaiveldniveau uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd is deels intact. Er zijn hierin geen archeologische indicatoren aangetroffen, hetgeen de lage verwachting bevestigd.
  • In de ondergrond zijn (binnen 5 m –mv) weliswaar afzettingen van de Lopikstroomgordel aangetroffen, maar er zijn geen aanwijzingen dat het gebied droog genoeg is geweest voor bewoning. Voor het noordelijke deel van de locatie valt niet uit te sluiten dat beneden 5 m –mv nog oever- of beddingafzettingen aanwezig zijn. Mocht dit het geval zijn, dan is er waarschijnlijk sprake van continue sedimentatie, waardoor de kans op bewoningssporen uit de periode Neolithicum–Bronstijd laag is te noemen.
Samenvattend kan dus worden gesteld dat de archeologische verwachting voor de verschillende potentiële archeologische niveaus binnen 5 m –mv laag is en dat verwachting voor afzettingen van de Lopik-stroomgordel beneden 5 m –mv waarschijnlijk ook laag is. Op het gebied van archeologie worden geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling verwacht.
 
4.6 Verkeer en parkeren
 
4.6.1 Parkeren
Door de gemeente Schoonhoven is een parkeerbalans opgesteld. Uit deze parkeerbalans balans blijkt dat er in de eindsituatie een normatieve parkeerbehoefte is van 388 parkeerplaatsen binnen het plangebied voor zowel bestaande als nieuwe functies. Voor de bestaande woningen zijn nu minder parkeerplaatsen aanwezig dan normatief in nieuwe situaties vereist. Met de ontwikkeling van het plangebied wordt een situatie nagestreefd die voldoet aan de nieuwbouwnorm, rekening houdend met dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Wanneer deze normatieve parkeerbehoefte gecorrigeerd wordt met dubbelgebruik kan de parkeerbehoefte in de eindsituatie, zoals hieronder weergegeven, bijgesteld worden tot een totale parkeerbehoefte van 338 parkeerplaatsen. Hierbij is een koopavond als maatgevend aangehouden.
 
In de eindfase, zonder kiosken, zijn er in het openbaar gebied 299 parkeerplaatsen beschikbaar. Voor het bewonersparkeren boven de fullservice supermarkt zijn er 40 parkeerplaatsen beschikbaar. In totaal zijn er in de eindsituatie dus 339 parkeerplaatsen beschikbaar. Daarmee wordt er voldaan aan de parkeernorm en is er een beperkte overcapaciteit. Waneer er wordt gekozen voor de variant met de handhaving van de bestaande kiosken dan zal er volgens de parkeernorm een afname van de parkeerdruk zijn met circa 9 parkeerplaatsen.
 
Parkeren in plan
 
  bestaand eindfase kiosken op nieuwe locatie eindfase met kiosken op bestaande locatie
parkeren maaiveld  239  299  307
parkeren gebouwd  0  40  40
totaal  239  339  347
t.o.v. bestaand    100  108
t.o.v. norm    1  9
4.6.2 Verkeer
Het plangebied kent twee hoofdontsluitingen voor. Aan de westkant vormt de Albert Plesmanstraat de hoofdentree van het gebied. Ten noorden van het gebied komt een extra entree ten behoeve van het winkelcentrum. Aan de oostkant komt een speciale fietsverbinding het plangebied in.
4.7 Duurzaamheid en klimaat
Duurzaam bouwen veronderstelt een zodanige bouwwijze dat de belasting van het milieu zo gering mogelijk is. Op het stedenbouwkundig schaalniveau is het zuinig omgaan met de beschikbare ruimte een belangrijk principe voor duurzaamheid.
Met dit plan voor vervangende nieuwbouw in het stedelijk gebied van Schoonhoven wordt geen nieuwe ruimtebeslag opgeroepen voor stedelijke functies welke nu een groen karakter hebben. Verouderd grondgebruik en bestaande bebouwing maken plaats voor een nieuw bouwplan overeenkomstig de eisen en wensen van deze tijd. Hiermee wordt voldaan aan een belangrijk principe voor duurzamestedenbouw.
Ook op bouwplanniveau worden plannen op aspecten van duurzaamheid getoetst. Standaard wordt getoetst op de criteria t.a.v. gezondheid, woonkwaliteit, materiaaltoepassing, energiegebruik en (afval)waterbehandeling. Met de initiatiefnemer zijn in het kader van de anterieure overeenkomst prestatie afspraken gemaakt omtrent duurzaamheid.
4.8 Bezonningstudie
In reactie op het ontwerp bestemmingsplan is door omwonenden aandacht gevraagd omtrent de bezonning. Omdat de gemeente zeker wil zijn dat er geen vermindering van zon / lichtinval optreedt is extra onderzoek uitgevoerd naar de schaduwconsequenties van de hoogbouw. Deze studie is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat er geen verdere verslechtering optreedt van zon- en daglichttoetreding.
  
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).     
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.   

5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, functieaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt Hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
 
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Beschrijving van de bestemmingsplanregels
In het bestemmingsplan zijn vijf bestemmingen opgenomen. Hieronder worden de verschillende bestemmingen nader toegelicht en voorzien van een inhoudelijke toelichting indien noodzakelijk.
 
Centrum
Deze bestemming is een zogenaamde eindbestemming voor de plandelen welke reeds aanwezig zijn en waar geen verandering optreedt. Of voor de plandelen waarvan de eindsituatie al duidelijk is. De centrum bestemming is een zogenaamde 'mengbestemming' tussen de functies detailhandel en wonen. Voor detailhandel in de vorm van een supermarkt is een specifieke aanduiding opgenomen.
 
Groen
Deze bestemming is opgenomen voor het groen binnen het nieuw te realiseren plan. Ook binnen de bestemming Verkeer en verblijf is groen toegestaan, maar met de bestemming Groen wordt inzichtelijk gemaakt welke plandelen een echt groen karakter krijgen. Binnen de bestemming groen mogen fiets- en voetpaden worden aangelegd en mogen kleine nutsgebouwtjes worden opgericht.
 
Verkeer en verblijf
Deze bestemming is opgenomen voor rijwegen, voet- en fietspaden en het verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen.
 
Centrum - Uit te werken
Deze bestemming is opgenomen voor de nu aanwezige kiosken en het plandeel gelegen in het midden van het gebied. Op termijn worden deze bestemmingen nader uitgewerkt door het college. De aanleiding voor het opnemen van deze bestemmingen is erin gelegen dat de voorkeursvariant welk bekend is maar de verwerving van de bestaande kiosken nog niet is afgerond. Voornemen is deze verwerving via minnelijke weg te doen. Mocht deze verwerving onmogelijk blijken te zijn of leiden tot een disproportionele last op de algemene voorzieningen is het mogelijk voor het college, binnen het planconcept, te kiezen voor een andere uitwerkingsvariant. Het aantal meters detailhandel is geborgd in de regeling. Hiermee is het mogelijk de kiosken binnen ongeveer dezelfde omvang te verplaatsen of in stand te laten. Indien de voorkeursvariant verder wordt uitgewerkt is het mogelijk winkelondersteunende horeca toe te voegen in aansluiting op het park. Binnen de bestaande verkaveling is dit niet mogelijk. In de regels is dit geborgd.
 
Wonen - Uit te werken
De bestemming Wonen -  Uit te werken is opgenomen voor noord oostelijke plandeel. Hoewel het programma, 39 woningen, al wel bekend is, is er nog geen verkaveling gereed op basis waarvan een definitieve eindbestemming opgenomen kan worden. In samenspraak met alle betrokken partijen is daarom gekozen voor een uit te werken bestemming waarbinnen op termijn nieuwbouw mogelijk is.
 
Dubbelbestemmingen
De dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5 beschermd de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig.
 
De bestemming Waarde - Cultuurhistorie 1 is opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied. De bestemming is zo vormgegeven dat er een algemeen bouwverbod geldt. Hiermee is het mogelijk een bouwplan, welke in overeenstemming is met de verschillende enkelbestemmingen, te toetsen aan de aanwezige cultuurhistorische waarden.
 
6 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een initiatief dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het voornemen. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Voor de planontwikkeling wordt tussen de gemeente Schoonhoven en QuaWonen een anterieure (exploitatie) overeenkomst gesloten. Nu op deze wijze de gemeentelijke plankosten zeker zijn gesteld hoeft er geen exploitatieplan worden opgesteld en wordt de gemeenteraad voorgesteld geen exploitatieplan vast te laten stellen.
 
Met betrekking tot de herontwikkeling van overige locaties in het plangebied (Lidl, winkelstrip) zijn relevante grondposities in handen van de gemeente en kan kostenverhaal via grondverkoop plaatsvinden. Voor de locaties welke nog niet verworven zijn zal indien deze verworven worden geen nieuwbouw terugkomen. Kosten verhaal is voor die betreffende locaties niet aan de orde. Voor de eventueel nieuw te bebouwen kavel zal via de grondverkoop voorzien worden in kostenverhaal.
 
Voor de herontwikkeling van de locatie is door QuaWonen een exploitatiebegroting opgesteld. Deze exploitatiebegroting is vertrouwelijk en wordt derhalve niet openbaar gemaakt. De exploitatiebegroting is sluitend. Het plan is daarmee uitvoerbaar.
  
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
In de ontwerpfase is vanuit de gemeentee Schoonhoven overleg geweest met de verschillende overlegpartners. Dit heeft niet geleid tot een bijstelling van de plannen of een inhoudelijke reactie.

7.3 Inspraak
Op 24 april 2012 hebben de gemeente Schoonhoven en QuaWonen een inloopavond gehouden over de plannen voor de vernieuwing van Schoonhoven Noord. Deze avond was goed bezocht. Circa honderd belangstellenden bezochten de avond in het Schoonhovens College. Op de avond werden de stedenbouwkundige plannen voor de locatie Zilverstad, Noord-oost en het centrum voor Noord bekend gemaakt. Ook werden de plannen voor de beeldkwaliteit gepresenteerd.

7.4 Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan ‘Centrum Noord’ heeft vanaf 18 juni 2014 tot en met 30 juli 2014 ter inzage gelegen. Gedurende de periode van ter inzagelegging kan een ieder met een zienswijze reageren op de inhoud van het ontwerpbestemmingsplan. In de periode van 6 weken dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen zijn er 2 zienswijzen ontvangen.
Deze zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijke beantwoording in de Nota beantwoording. Deze nota is als bijlage toegevoegd.