1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1.1 plan
het bestemmingsplan 'Centrum Noord ' van de Gemeente Schoonhoven.
1.2 bestemmingsplan
de geometrisch
bepaalde planobjecten als vervat in het
GML-bestand NL.IMRO.0608.BP1140CentrumNoord-VG02 met de
bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).
1.3 aanduiding
een geometrisch
bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge
de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het
bebouwen van deze gronden.
1.4 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.5 aan- en uitbouw
een gebouw dat
als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in
directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het
hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het
hoofdgebouw.
1.6 achtererfgebied
erf aan de
achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde
zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.
1.7 archeologisch onderzoek
diverse vormen
van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied,
uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse
Archeologie.
1.8 archeologisch rapport
in rapportvorm
vervat verslag van een volgens de in de archeologische beroepsgroep
gebruikelijke normen verricht archeologisch onderzoek, op basis waarvan
een conclusie kan worden getrokken over de aanwezigheid van
archeologische waarden.
1.9 archeologische verwachting
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische resten.
1.10 archeologische waarde
de waarde die een gebied bezit op grond van de aldaar aanwezige archeologische resten.
1.11 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.12 bedrijfsmatige activiteiten in de woning
het bedrijfsmatig
verlenen van diensten - geen detailhandelsbedrijf zijnde - en
ambachtelijke bedrijvigheid geheel of overwegend door middel van
handwerk, waarbij de aard (qua milieuplanologische hinder) en omvang
van de bedrijfsactiviteiten zodanig is dat deze activiteiten in een
woning kunnen worden uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige
afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving; het
betreft derhalve uitsluitend bedrijven uit maximaal de categorie 2 van
de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
1.13 beroepsmatige activiteiten in de woning
het beroepsmatig
verlenen van diensten op administratief, medisch, juridisch,
therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch gebied of hiermede naar de
aard gelijk te stellen beroep dat door zijn aard en omvang in een
woning zodanig is dat deze activiteiten in een woning kunnen worden
uitgeoefend en de activiteiten geen onevenredige afbreuk doen aan
het woon- en leefmilieu in de directe omgeving; een praktijkruimte aan
huis is hierbij toegestaan.
1.14 bestaande situatie
- ten aanzien
van bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan op het
tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen, dan
wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde
vergunning;
- ten aanzien van
gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en
toegestaan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht
heeft verkregen.
1.15 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
1.16 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.17 bouwen
het plaatsen, het
geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk
oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
1.18 bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
1.19 bouwlaag
een boven het
peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke
of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen
binnenwerks is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met
uitsluiting van onderbouw en ruimte onder de kap.
1.20 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.21 bouwperceelgrens
grens van het bouwperceel.
1.22 bouwvlak
een geometrisch
bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels
bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
1.23 bouwwerk
elke constructie
van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die
het-zij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct
hetzij indirect steun vindt in of op de grond.
1.24 bijbehorend bouwwerk
een functioneel
met een hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de
grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak.
1.25 detailhandel
het bedrijfsmatig
te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen,
verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen
of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de
uitoefening van een beroeps-/bedrijfsactiviteit.
1.26 gebouw
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.27 hoofdfunctie
een functie waarvoor het gebouw hoofdzakelijk mag worden gebruikt.
1.28 huishouden
persoon of groep
personen, al dan niet middels inwonen, die een huishouden voert,
waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuiteiteit in de
samenstelling daarvan; bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet
begrepen.
1.29 mantelzorg
het
bieden van zorg aan een iemand die hulpbehoevend is op het fysieke,
psychische en/of sociale vlak op vrijwillige basis en buiten een
georganiseerd verband.
1.30 ondergeschikte detailhandel
detailhandel die
in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk
ondergeschikt is aan een bedrijf, instelling of functie en die in
directe relatie staat tot het bedrijf dan wel de betreffende instelling
of functie.
1.31 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.
1.32 praktijkruimte, zelfstandig
een gebouw waarin
beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten worden verricht die het
karakter hebben van een praktijk in de sfeer van de vrije beroepen
(arts, fysiotherapeut, tandarts, psycholoog, notaris, accountant),
waarbij het feit dat een zelfstandig beroep of bedrijf wordt
uitgeoefend blijkt uit een aankondiging die vanaf de openbare weg
zichtbaar is.
1.33 praktijkruimte aan huis
een ruimte in of
bij de woning, waarin door de bewoner beroeps- of bedrijfsmatige
activiteiten worden verricht die het karakter hebben van een praktijk
in de sfeer van de vrije beroepen (arts, fysiotherapeut, tandarts,
psycholoog, notaris, accountant, schoonheidspecialiste), waarbij
het mogelijk is een deel van het gebouw aan te wijzen waar deze
activiteiten plaatsvinden.
1.34 seksinrichting
een voor publiek
toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof
zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of
vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder
seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een
(raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een
sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische
massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.35 straatmeubilair
Bij of in de
openbare ruimte behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals
draagconstructies voor reclame, voorwerpen van beeldende kunst,
vitrines, zitbanken, bloemen of planten en banken, gedenktekens,
speeltoestellen, straatverlichting en wegbewijzering, alsmede
telefooncellen of abri’s.
1.36 supermarkt
een
(grootschalig) detailhandelsbedrijf, veelal onderdeel van een
supermarktketen, met een grote verscheidenheid aan levensmiddelen.
1.37 voorgevellijn
de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.
1.38 verkoop vloeroppervlak
de totale oppervlakte van de voor publiek toegankelijke ruimten.
1.39 waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen,
die het waterhuishoudkundige belang dienen, zoals watergangen,
waterlopen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer
en onderhoud van een watergang of waterloop.
1.40 winkelondersteunende horeca
een bedrijf, dat
ondersteunend is aan en qua openingstijden in het algemeen
vergelijkbaar is met detailhandelsvestigingen en in hoofdzaak bestaat
uit het verstrekken c.q. snel serveren van kleine maaltijden, broodjes,
hapjes, ijs, gebak, koffie, thee, frisdranken en zwak alcoholische
dranken.
1.41 woning
een complex van
ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan
één huishouden, waaronder begrepen eventueel
gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.
Artikel 2 Wijze van meten
2.1 Algemeen
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten c.q. gerekend:
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
de kortste afstand van de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;
bebouwd oppervlak van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;
bebouwingspercentage:
het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in
procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is
gelegen binnen de bestemming of binnen een in de regels nader aan te
duiden gedeelte van die bestemming;
breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde:
overeenkomstig de omtreklijn van de horizontale projectie van alle delen van die bouwwerken;
breedte, diepte c.q. lengte van een gebouw:
tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren;
goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de
druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen
constructiedeel;
bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een
bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte
bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee
gelijk te stellen bouwonderdelen;
inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de
gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van
daken en dakkapellen;
oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de
scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van
het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
peil:
voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg
grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang,
vermeerderd met 0,20 m;
in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein, vermeerderd met 0,20 m;
2.2 Ondergronds bouwen
Bij het berekenen
van het bebouwingspercentage of de te bebouwen oppervlak wordt de
oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen, voor
zover deze zijn gelegen buiten de buitenwerkse gevelvlakken van de
bijbehorende bovengrondse gebouwen.
2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Centrum
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor
Centrum aangewezen gronden zijn bestemd voor:
- detailhandel, met uitzondering van een supermarkt;
- detailhandel, inclusief een supermarkt ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';
- woningen,
waarbij het aantal woningen niet meer mag bedragen dan op verbeelding
nader aangeduid met 'maximum aantal wooneenheden';
- ter plaatse van
de aanduiding 'specifieke vorm van centrum - hellingbaan' een
hellingbaan naar het bovenliggende parkeerdek;
- ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van centrum - parkeerdek' een parkeerdek;
- bij deze
bestemming behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, water- en
waterhuishoudelijke voorzieningen, nutsvoorzieningen, pleinen,
(winkel-)straten en (gebouwde-)parkeervoorzieningen.
3.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
- de gebouwen worden uitsluitend gebouwd in het bouwvlak;
- ter plaatse van
de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van gebouwen
niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven;
- in afwijking van het bepaalde in artikel 3 lid 2 sub b mag
de maximale bouwhoogte met maximaal 3 meter overschreden worden voor
liftopbouwen en technische voorzieningen met dien verstande dat:
- het
oppervlak niet meer mag bedragen van 25% van het dakvlak waarop de
liftopbouw of technische voorziening gerealiseerd wordt;
- het totale
oppervlak van gebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan het op
de verbeelding aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien
geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage
van 100% van het bouwvlak;
-
in afwijking van het bepaalde in
artikel 3 lid 2 sub a
mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van centrum -
balkon' gebouwd worden buiten het bouwvlak met dien verstande dat:
- de vrije ruimte gemeten van maaiveld tot het balkon minimaal 4 meter moet bedragen;
- de bouwhoogte van erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied bedraagt ten hoogste 1 m;
- de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 4 m.
3.3 Specifieke gebruiksregels
3.3.1 Beroepsmatige activiteiten in de woning
Binnen de
bestemming Centrum is ten behoeve van wonen de uitoefening van
beroepsmatige activiteiten toegestaan in de woning, inclusief
aangebouwd bijgebouw, waarbij de volgende bepalingen van toepassing
zijn:
- de woonfunctie blijft als hoofdfunctie herkenbaar;
- de activiteit wordt door de bewoner uitgeoefend;
- de omvang van de
activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke
vloeroppervlakte van de (woon)bebouwing tot een maximum van 30m2;
- het gebruik mag
geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer
en mag geen inherente onevenredige toename van de parkeerbehoefte
veroorzaken;
- detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel, is niet toegestaan.
3.3.2 Gebruik parkeerdek
Als een gebruik
in strijd met het bestemmingsplan wordt aangemerkt het aanwenden van
het parkeerdek met de aanduiding 'specifieke vorm van centrum -
parkeerdek' anders dan als een parkeervoorziening voor de aanliggende
woningen.
3.4 Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in
artikel 3 lid 3.2 ten
einde het parkeerdek met de aanduiding 'specifieke vorm van centrum
- parkeerdek' te aan te wenden voor meerdere gebruiksgroepen
indien:
- uit een parkeerdrukmeting blijkt van een restcapaciteit aan parkeerplaatsen op het betreffende dek;
- het gebruik van
het parkeerdek voor meerdere gebruiksgroepen niet leidt tot geen
onevenredige overlast voor omliggende woningen;
- middels akoestisch onderzoek is aangetoond dat voldaan kan worden aan de geldende wettelijke normen.
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor
Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
- groenvoorzieningen;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- geluidwerende voorzieningen;
- fiets- en voetpaden;
- speelvoorzieningen;
- parkeervoorzieningen;
- straatmeubilair;
- nutsvoorzieningen.
4.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
- op deze gronden
mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, met
een maximum oppervlak per gebouwtje van 25 m2, en bouwwerken,
geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
- de bouwhoogte van nutsvoorzieningen bedraagt ten hoogste 3 m;
- de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 8 m;
- de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 5 m;
- ter plaatse van
de aanduiding ‘specifieke vorm van groen-bergbezinkbassin’
is een ondergrondse bergbezinkvoorzieningen toegestaan met een
bouwdiepte van maximaal 5 meter;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m.
4.3 Nadere eisen
Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning, nadere eisen te stellen ten aanzien van:
- de situering en afmeting van bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van:
- een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
- de ruimtelijke of landschappelijke inpassing;
- de verkeersveiligheid;
- de sociale veiligheid;
- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
- werken ten behoeve van nutsvoorzieningen.
4.4 Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend:
- het storten van puin en afvalstoffen, tenzij dit ter realisering en / of handhaving van de bestemming dient;
- opslag van
gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen,
werktuigen, machines en onderdelen hiervan, tenzij dit ter realisering
en / of handhaving van de bestemming dient;
- opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan;
- het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning.
Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied
5.1 Bestemmingsomschrijving
- rijwegen , voet- en fietspaden;
- verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen;
- groenvoorzieningen;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- geluidwerende voorzieningen;
- parkeervoorzieningen;
- straatmeubilair;
- speelvoorzieningen;
- nutsvoorzieningen.
5.2 Bouwregels
Ten aanzien van het bouwen gelden de volgende regels:
- op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
- de bouwhoogte
van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de
verkeersregeling, verkeersaanduiding, wegaanduiding of verlichting
bedraagt niet meer dan 4 m.
5.3 Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend:
- het storten van puin en afvalstoffen, tenzij dit ter realiseren en / of handhaving van de bestemming dient;
- opslag van
gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen,
werktuigen, machines en onderdelen hiervan, tenzij dit ter realisering
en / of handhaving van de bestemming dient;
- opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan;
Artikel 6 Centrum - Uit te werken
6.1 Bestemmingsomschrijving
- detailhandel, met uitzondering van een supermarkt;
- winkelondersteunende horeca uitsluitend in het noord oosten van het plangebied;
- woningen,
waarbij het aantal woningen niet meer mag bedragen dan op de
verbeelding nader aangeduid met 'maximum aantal wooneenheden';
- bij deze
bestemming behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, water- en
waterhuishoudelijke voorzieningen, nutsvoorzieningen, pleinen,
(winkel-)straten en parkeervoorzieningen.
6.2 Uitwerkingsregels
Burgemeester en wethouders werken, overeenkomstig artikel 3.6. lid 1. sub b. van de Wet ruimtelijke ordening, de in
artikel 6 lid 1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:
- het bruto vloeroppervlak voor detailhandel mag niet meer bedragen dan 300 m2;
- het aantal woningen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid met 'maximum aantal wooneenheden';
- de verkaveling
en de situering van de gebouwen zal zodanig zijn, dat een goede
aansluiting ontstaat op de structuur van de omgeving;
- er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke, ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing;
- er mag geen
onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld,
de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de
gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- wonen is
toegestaan al dan niet in combinatie met beroeps- en bedrijfsmatige
activiteiten in de woning, zulks met in achtname van het volgende:
- de woonfunctie blijft als hoofdfunctie herkenbaar;
- de activiteit wordt door de bewoner uitgeoefend;
- de omvang
van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke
vloeroppervlakte van de (woon)bebouwing tot een maximum van 30m2;
- het gebruik
mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het
verkeer en mag geen inherente onevenredige toename van de
parkeerbehoefte veroorzaken;
- detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel, is niet toegestaan.
6.3.1 Voorlopig bouwverbod
Voor het bouwen van bouwwerken geldt de volgende regel:
-
zolang en voor zover de in
artikel 6 lid 2 bedoelde uitwerking niet onherroepelijk is, mogen bouwwerken slechts worden gebouwd, mits:
- het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerp-uitwerkingsplan, zoals deze ter inzage is gelegd.
6.3.2 Bouwwerken
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
- de gebouwen worden uitsluitend gebouwd in het bouwvlak;
- ter plaatse van
de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van gebouwen
niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven;
- het totale
oppervlak van gebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan het op
de verbeelding aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien
geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage
van 100% van het bouwvlak;
- de bouwhoogte van erfafscheidingen grenzend aan openbaar gebied bedraagt ten hoogste 1 m;
- de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 4 m.
Artikel 7 Wonen - Uit te werken
7.1 Bestemmingsomschrijving
- wonen, al dan niet in combinatie met beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woning;
- bijbehorende bouwwerken;
met daaraan ondergeschikt:
- groenvoorzieningen;
- nutsvoorzieningen;
- speelvoorzieningen;
- parkeervoorzieningen;
- wegen, straten en paden;
- water;
met de daarbijbehorende:
- tuinen en erven;
- bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.2 Uitwerkingsregels
Burgemeester en wethouders werken, overeenkomstig artikel 3.6. lid 1. sub b. van de Wet ruimtelijke ordening, de in
artikel 7 lid 1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:
- het aantal woningen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid met 'maximum aantal wooneenheden';
- de verkaveling
en de situering van de gebouwen zal zodanig zijn, dat een goede
aansluiting ontstaat op de structuur van de omgeving;
- er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke, ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing;
- er mag geen
onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld,
de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de
gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
- wonen is
toegestaan al dan niet in combinatie met beroeps- en bedrijfsmatige
activiteiten in de woning, zulks met in achtname van het volgende:
- de woonfunctie blijft als hoofdfunctie herkenbaar;
- de activiteit wordt door de bewoner uitgeoefend;
- de omvang
van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke
vloeroppervlakte van de (woon)bebouwing tot een maximum van 30m2;
- het gebruik
mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het
verkeer en mag geen inherente onevenredige toename van de
parkeerbehoefte veroorzaken;
- detailhandel, anders dan ondergeschikte detailhandel, is niet toegestaan.
7.3.1 Voorlopig bouwverbod
Voor het bouwen van bouwwerken geldt de volgende regel:
-
zolang en voor zover de in
artikel 7 lid 2 bedoelde uitwerking niet onherroepelijk is, mogen bouwwerken slechts worden gebouwd, mits:
- het bouwplan in overeenstemming is met het ontwerp-uitwerkingsplan, zoals deze ter inzage is gelegd.
7.3.2 Hoofdgebouwen
Ten aanzien van het bouwen gelden de volgende regels:
- hoofdgebouwen worden gebouwd in een bouwvlak;
- ter plaatse van
de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van
hoofdgebouwen niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven.
7.3.3 Bijbehorende bouwwerken
Ten aanzien van het bouwen gelden de volgende regels:
- bijbehorende bouwwerken worden uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak of op het achtererfgebied;
- de goothoogte
van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste de hoogte
van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,35 m;
- de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 6 m;
- de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m;
- de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 6 m;
- het
bebouwingspercentage van bijbehorende bouwwerken en
overkappingen mag maximaal 50% van het achtererfgebied
bedragen met een maximum van 30 m2 bij tussenwoningen en 60m2 bij eindwoningen en vrijstaande woningen;
- bestaande aan-
en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voor de
voorgevelrooilijn ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' met dien
verstande dat:
- de goothoogte bedraagt ten hoogste 3 m;
- de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 4,5 m.
7.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde
Ten aanzien van het bouwen gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 1 m;
- de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m.
7.4 Afwijken van de bouwregels
Bij de in
artikel 7 lid 2 bedoelde
uitwerking kunnen Burgemeester en Wethouders binnen de grenzen van de
bestemming en de uitwerkingsregels, afwijkingsregels opnemen ten
aanzien van in het uitwerkingsplan opgenomen bouw- en gebruiksregels.
Artikel 8 Waarde - Archeologie 5
8.1 Bestemmingsomschrijving
- De voor Waarde - Archeologie 5
aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende
bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de
archeologische waarden van de gronden.
- De bestemming is primair ten opzichte van de overige aan de gronden toegekende bestemmingen.
8.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen
Voor bouwwerken
met een oppervlakte groter dan 5.000 m² en dieper dan 150 cm
beneden het maaiveld, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het
bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd,
waarin:
- de
archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen
worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
- in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
8.2.2 Voorwaarden
Indien uit het in
artikel 8 lid 2.1
genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden
door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen zullen worden
verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of
meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de
omgevingsvergunning voor het bouwen:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen;
- de verplichting
de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, te laten
begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische
monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij
vergunning te stellen kwalificaties.
8.2.3 Bouwverbod
Indien uit het in
artikel 8 lid 2.1
genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden
door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen
worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in
artikel 8 lid 2.2 genoemde waarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
8.3 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en
wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet
ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door:
- de bestemming Waarde - Archeologie 5 geheel
of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch
onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische
waarden (meer) aanwezig zijn; of
- aan de gronden
de bestemming Waarde – Archeologie 1,2,3,4,6 of 7 toe te
kennen, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van
deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden,
aanpassing behoeft.
Artikel 9 Waarde - Cultuurhistorie 1
9.1 Bestemmingsomschrijving
9.1.1 Algemeen
De voor 'Waarde -
Cultuurhistorie 1' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het
behoud en/of de versterking van de aanwezige historisch-ruimtelijke
en/of cultuurhistorische waarden.
9.1.2 Bescherming waardevolle elementen
Met betrekking tot de gronden als bedoeld in
artikel 9 lid 1.1
geldt dat het realiseren van de krachtens dit plan op gronden in het
plangebied gelegde bestemmingen niet mag leiden tot een onevenredige
aantasting van de waardevolle landschaps- en bebouwingsstructuren en
landschapselementen.
9.1.3 Andere bestemmingen
Voor zover de in
artikel 9 lid 1.1
bedoelde gronden tevens zijn aangewezen voor (een) andere daar
voorkomende bestemming(en) is daarbij het bepaalde in de regels,
behorende bij de desbetreffende bestemming(en) secundair van toepassing.
9.3 Afwijken van de bouwregels
9.3.1 Algemeen
Het bevoegd gezag is bevoegd om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in
artikel 9 lid 2 voor
zover een bouw- of inrichtingsplan geen onevenredige afbreuk doet aan,
respectievelijk strekt tot het behoud en/of de versterking van de
historisch-ruimtelijke landschappelijke en/of cultuurhistorische
waarden en/of elementen. Afwijken van de bouwregels gebeurt op basis
van een bouwhistorisch of cultuurhistorisch rapport dat door de
aanvrager dient te worden aangeleverd.
9.3.2 Advies
Alvorens te beslissen omtrent het al dan niet afwijken van het gestelde in
artikel 9 lid 2
wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de welstands- en
monumentencommissie respectievelijk een deskundige op het gebied van
cultuurhistorie.
9.4 Specifieke gebruiksregels
Tot gebruik,
strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het
gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken op een wijze
of tot een doel ten gevolge waarvan de aanwezige ruimtelijk-historische
- en/of cultuurhistorische waarden onevenredig worden aangetast.
3 Algemene regels
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal
in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan
uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de
beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 11 Algemene bouwregels
11.1 Bestaande bouwwerken
In die gevallen
dat hoogten, inhoud, aantallen en / of oppervlakten, van bestaande
bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of
krachtens de Woningwet, op de dag van de terinzagelegging van het
ontwerp van het plan meer of minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2
is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als
maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
11.2 Herbouw
In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in
artikel 11 lid 1 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
11.3 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing
van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen de aanduiding
'bouwvlak' of de aanduiding 'bestemmingsvlak' worden ondergeschikte
bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen,
ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, overstekende
daken en reclame-uitingen, buiten beschouwing gelaten, mits de bouw-
c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden.
Artikel 12 Algemene gebruiksregels
12.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1 1e lid onder c van de WABO wordt in ieder geval verstaan:
- het gebruik van onbebouwde gronden of het gebruik van bouwwerken ten behoeve van doeleinden van opslag, stort of lozing;
- het gebruik van
onbebouwde gronden of het gebruik van bouwwerken ten behoeve van
doeleinden van handel of bedrijf, een seksinrichting daaronder mede
begrepen;
- het gebruik van onbebouwde gronden of het gebruik van bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatie;
- het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning.
12.2 Ondergeschikte functie
Een ondergeschikte functie mag een omvang hebben van niet meer dan 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw.
Artikel 13 Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:
- de regels en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
- de regels en
toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het
openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de
bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes en naar aard daarmee gelijk
te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
- de inhoud per gebouw niet meer dan 50 m3 bedraagt;
- de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt;
- de regels en toestaan dat bouwwerken voor het stallen van winkelwagens worden gebouwd, mits:
- de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt;
- de regels ten
aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan
dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
- ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
- ten behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 50 m;
- ten behoeve van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
- het bepaalde ten
aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de
bouwhoogte van gebouwen wordt verhoogd ten behoeve van plaatselijke
verhogingen, zoals luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische
ruimten, mits:
- de maximale
oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het betreffende
platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak
bedraagt;
- de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt.
- het bepaalde ten
aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de
bouwhoogte van gebouwen wordt verhoogd ten behoeve van een verhoogde
dakrand/ borstwering met een maximum van 1,5 m;
-
de regels en toestaan dat erkers voor de voorgevel worden gebouwd met dien verstande dat:
- gemeten vanuit de oorspronkelijke voorgevel de diepte niet meer mag bedragen dan 1 m;
- de breedte niet meer mag bedragen dan 2/3 van de voorgevel;
- de
bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 0,25 m boven de hoogte van de
eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw tot en maximum van 3,5
meter.
Artikel 14 Algemene wijzigingsregels
14.1 Wijziging bestemmingsgrenzen
Burgemeester en
wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te
wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor
zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van
bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in
verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen
mogen niet meer dan 3 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag met
niet meer dan 10% worden vergroot.
14.2 Wijziging bouwvlakken
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd:
- de in het plan
opgenomen bouwvlakken te wijzigen, ten behoeve van overschrijding van
bouwvlakgrenzen, voor zover zulks van belang is:
- voor een
technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken waarbij de
overschrijdingen niet meer dan 3 meter bedragen en het bouwvlak mag met
niet meer dan 10% worden vergroot;
- in verband
met de werkelijke toestand van het terrein waarbij de overschrijdingen
niet meer dan 3 meter bedragen en het bouwvlak mag met niet meer dan
10% worden vergroot;
- voor een
beter gebruik van de gronden overeenkomstig de geldende bestemming en
daarmee belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
- nieuwe bouwvlakken en/of aanduidingen op te nemen met in acht name van de geldende bestemming en waarbij geldt dat:
- de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;
- het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad;
- het plan
voorziet in voldoende watercompensatie dan wel in hetzelfde peilgebied
voldoende compensatie plaatsvindt en dit in overleg gebeurd met de
waterbeheerder;
- dat het wijzigingsplan milieutechnisch aanvaardbaar is;
- dat het wijzigingsplan economisch uitvoerbaar is;
- verhaal van gemeentelijke (plan-)kosten is zekergesteld;
- dat het wijzigingsplan stedenbouwkundig inpasbaar is.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 15 Overgangsrecht
15.1 Overgangsrecht bouwwerken
- Een bouwwerk dat
op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig
of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een
omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits
deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het
teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of
veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen
wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet
gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 15 lid 1 sub a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
- Het bepaalde
onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op
het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd
zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan,
daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
15.2 Overgangsrecht gebruik
- Het gebruik van
grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding
van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden
het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde
onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan
strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard
en omvang wordt verkleind.
- Indien het
gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van
inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar
wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of
te laten hervatten.
- Het bepaalde
onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was
met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de
overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 16 Slotregel
Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan Centrum Noord .