Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Scholendriehoek Rembrandtkwartier
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0603.bpbrschoolrembkw-VA01

Regels

1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
 
1.1 Plan:
het bestemmingsplan "Scholendriehoek Rembrandtkwartier" met identificatienummer NL.IMRO.0603.bpbrschoolrembkw–VA01 van de gemeente Rijswijk.
 
1.2 Bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde objecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
 
1.3 Verbeelding:
de digitale plankaart.
 
Verdere begrippen in alfabetische volgorde:
 
1.4 Aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar – ingevolge de regels – regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.5 Aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding, indien het een vlak betreft.
 
1.6 Achtererf(gebied):
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.
 
1.7 Antennedrager:
een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
 
1.8 Antenne-installatie:
een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
 
1.9 Archeologische waarde:
de aan een gebied toegerekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden.
 
1.10 Bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
1.11 Bebouwingspercentage:
de verhouding tussen de oppervlakte van het te bebouwen terreingedeelte en de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak; dit percentage wordt slechts berekend over het gedeelte van het bestemmingsvlak waarbinnen de bouwwerken mogen worden gebouwd.
 
1.12 Beperkt kwetsbaar object:
objecten zoals bedoeld in artikel 1 sub b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
 
1.13 Bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.14 Bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming.
 
1.15 Bevoegd gezag:
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
 
1.16 Bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
 
1.17 Bouwaanduidingen:
alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken.
 
1.18 Bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
 
1.19 Bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
1.20 Bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
1.21 Bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel.
 
1.22 Bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
1.23 Bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.24 Dak:
iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
 
1.25 Detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending.
 
1.26 Erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.
 
1.27 Gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.28 Geluidwerende voorziening:
geluidsreducerende constructie of bouwwerk in de vorm van voorzieningen zoals geluidsschermen, geluidswallen of aan deze constructies gelijk te stellen bouwwerken of constructies.
 
1.29 Hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
 
1.30 Kap:
een gesloten en (gedeeltelijk) hellende bovenbeëindiging van een bouwwerk.
 
1.31 Kunstobject:
beeldende kunst in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
 
1.32 Kwetsbaar object:
objecten zoals bedoeld in artikel 1 sub l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
 
1.33 Maatschappelijke voorzieningen:
overheids-, medische, onderwijs-, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sociaal-recreatieve en daarmee vergelijkbare maatschappelijke voorzieningen, alsmede niet-commerciële voorzieningen ten behoeve van sportbeoefening, voorzieningen ten behoeve van het verenigingsleven, speelvoorzieningen, kinderdagverblijven en kinderopvang; alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.
 
1.34 Nutsvoorzieningen:
voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals ten behoeve van de levering van elektriciteit, gas, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede ten behoeve van riolering en (warmte)energie.
      
1.35 Openbaar toegankelijk gebied:
een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
 
1.36 Overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.37 Overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak, zonder of met ten hoogste één tot de eigen constructie behorende wand of wanden.
 
1.38 Peil:
a.
voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
b.
in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
 
1.39 Prostitutie:
het zich in bedrijfsmatige zin beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
 
1.40 Seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan (al dan niet in combinatie met elkaar):
a.
een prostitutiebedrijf; waaronder begrepen een erotische massagesalon;
b.
een seksbioscoop of sekstheater;
c.
een seksautomatenhal;
d.
een seksclub of parenclub.
 
1.41 Verblijfsgebied:
gedeelte van de openbare ruimte dat hoofdzakelijk is bestemd en is ingericht voor langzaam verkeer, doch in ondergeschikte mate tevens fungerend als erftoegangsweg.
 
1.42 Voorerfgebied:
erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.
 
1.43 Waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer, waterberging en waterkwaliteit.
 
Artikel 2 Wijze van meten
 
 
Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten:
 
2.1
Afstand
 
De afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.
 
2.2
Bebouwde oppervlakte
 
De som van de oppervlakte van alle bouwwerken binnen een bouwperceel, een binnen het bouwperceel aanwezig bouwvlak of ander terrein.
 
2.3
Bouwhoogte van een bouwwerk
 
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.4
Bruto vloeroppervlakte (b.v.o)
 
Binnenwerks, met dien verstande, dat de totale vloeroppervlakte ten dienste van kantoren, winkels of bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnen en overige dienstruimten worden opgetel.
 
2.5
Dakhelling
 
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.6
Goothoogte van een bouwwerk
 
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.7
Grondoppervlakte
 
Buitenwerks en boven peil.
 
2.8
Inhoud van een bouwwerk
 
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels ( en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.9
Lengte, breedte of diepte
 
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.10
Oppervlakte van een bouwwerk
 
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk.
 
2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Maatschappelijk
 
3.1
Bestemmingsomschrijving
 
De voor ‘Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
maatschappelijke voorzieningen;
b.
openbaar toegankelijk gebied;
c.
bij deze bestemming behorende voorzieningen waaronder parkeervoorzieningen, ontsluitingen, erven, groen en water.
 
3.2
Bouwregels
3.2.1
Hoofdgebouwen
 
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
a.
hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
b.
het bebouwingspercentage van een bouwvlak mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)';
c.
de bouwhoogte in meters mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'.
  
3.2.2
Erfbebouwing
 
Voor het bouwen van erfbebouwing gelden de volgende bepalingen:
a.
erfbebouwing mag, uitsluitend op het achtererf, zowel binnen als buiten een bouwvlak worden gebouwd;
b.
de gezamenlijke oppervlakte aan erfbebouwing mag buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan 50 % van het bebouwbaar erf tot een maximum van 50 m2;
c.
de bouwhoogte van erfbebouwing mag niet meer bedragen dan 3 meter.
  
3.2.3
Overige bouwwerken
 
Voor het bouwen van overige bouwwerken, uitgezonderd overkappingen, geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan:
a.
7 meter voor kunstobjecten en lichtmasten;
b.
5 meter voor speel- en ontmoetingsvoorzieningen;
c.
2 meter voor andere overige bouwwerken;
d.
1 meter voor erfafscheidingen op het voorerf.
Artikel 4 Verkeer - 3
 
4.1
Bestemmingsomschrijving
 
De voor 'Verkeer - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
erftoegangswegen en verblijfsgebieden;
b.
bij de bestemming behorende voorzieningen waaronder parkeervoorzieningen, bruggen, viaducten en tunnels ten behoeve van kruisende infrastructuur, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen.
 
4.2
Bouwregels
 
Ten aanzien van de in lid 14.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels:
a.
gebouwen en overkappingen zijn toegestaan tot een oppervlakte van 20 m2 per bouwwerk;
b.
de bouwhoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter;
c.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, uitgezonderd overkappingen, niet meer mag bedragen dan:
 
1.
7 meter voor kunstobjecten, licht- en vlaggenmasten;
 
2.
4 meter voor reclame- en informatiezuilen;
 
3.
3 meter voor speel- en ontmoetingsvoorzieningen;
 
4.
2 meter voor andere overige bouwwerken.

Artikel 5 Waarde - Archeologie - 2
 
5.1
Bestemmingsomschrijving
5.1.1
Algemeen
 
De voor ‘Waarde – Archeologie - 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aanwezige archeologische waarden.
  
5.1.2
Prioriteitenstelling
 
Indien er strijd ontstaat tussen het bepaalde in de bestemming ‘Waarde – Archeologie - 2’ en het bepaalde in de overige daar voorkomende bestemmingen, prevaleert het bepaalde in de bestemming ‘Waarde – Archeologie - 2’.
 
5.2
Bouwregels
 
Ten aanzien van de in artikel 5.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd die dieper reiken dan 0,50 meter onder maaiveld en een groter oppervlak beslaan dan 100 m2.
 
5.3
Afwijken van de bouwregels
5.3.1
Afwijken t.b.v. bouwen krachtens andere voorkomende bestemmingen
 
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2 voor het bouwen krachtens andere daar voorkomende bestemmingen, mits de archeologische waarden niet worden geschaad. Alvorens de omgevingsvergunning (voor het bouwen) te kunnen verlenen, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning aan burgemeester en wethouders hieromtrent een schriftelijk advies van de gemeentelijke archeoloog te overleggen.
  
5.3.2
Voorwaarden aan een te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen
 
Aan een omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen de volgende regels worden verbonden:
a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een door de gemeente aan te wijzen deskundige op archeologisch gebied.
  
5.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1
Verbod
 
Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde – Archeologie - 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijde, of werkzaamheden uit te voeren:
a.
het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
b.
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
c.
het rooien van hoogopgaande en/of diepwortelende beplantingen en bomen;
d.
het aanleggen van kabels en leidingen, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
e.
het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze ingraven dan wel indrijven van voorwerpen in de bodem;
f.
het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
g.
het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
h.
het permanent opslaan van goederen
  
5.4.2
Uitzonderingen
 
Het verbod als bedoeld in artikel 5.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
a.
niet dieper reiken 0,50 meter onder maaiveld of waarvan de oppervlakte minder dan 100 m2 beslaat;
b.
die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
c.
die normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen;
d.
die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
e.
die van geringe omvang zijn of gericht op en noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de leiding;
f.
welke graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten vormen.
  
5.4.3
Adviesprocedure
 
Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen als bedoeld in artikel 5.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijk archeoloog omtrent de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de archeologie niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden gesteld dienen te worden om eventuele schade te voorkomen.
 
3 Algemene regels
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 Algemene bouwregels
 
7.1
Parkeren
 
Onverminderd het bepaalde in de overige artikelen van deze regels mag uitsluitend worden gebouwd, indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort of in de openbare ruimte, voorzien wordt in voldoende ruimte ten behoeve van het parkeren of stallen van motorvoertuigen. Hierbij dient aangesloten te worden bij het door Goudappel Coffeng uitgevoerde verkeerskundig onderzoek “Parkeren en Verkeer Brede School Rembrandtkwartier” (kenmerk RSK052/Rta/0364.04, d.d. 17 maart 2017).
 
7.2
Overschrijding bouwgrenzen
7.2.1
Algemeen
 
De in deze regels ten aanzien van bouwgrenzen zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen met betrekking tot:
a.
stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen;
b.
plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 12 centimeter bedraagt;
c.
gevel en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, galerijen en luifels, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 0,50 meter overschrijden;
d.
erkers en balkons voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1,50 meter overschrijden;
e.
ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 meter overschrijden;
f.
hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de voorgevelbouwgrens met meer dan 1 meter overschrijden.
  
7.2.2
Afwijking
a.
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2.1 voor het overschrijden van de bouwgrenzen met ten hoogste 1,50 meter, indien het betreft:
 
1.
toegangen van bouwwerken;
 
2.
stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen;
 
3.
plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen;
 
4.
gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
 
5.
luifels, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;
 
6.
hijsinrichtingen, laadbruggen, stortgoten, stort- en zuigbuizen;
 
7.
kelderingangen en kelderkoekoeken;
b.
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 7.2.1 voor het overschrijden van de aangegeven bouwgrenzen ten behoeve van het bouwen van verbindingen (loopbruggen) tussen gebouwen, mits die uit oogpunt van stedenbouwkunde en verkeersveiligheid aanvaardbaar wordt geacht.
 
7.3
Ondergronds bouwen
 
De planregels inzake de toelaatbaarheid, de aard, de omvang en de situering van gebouwen zijn in geval van ondergrondse bouw van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat deze uitsluitend is toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:
a.
ondergrondse bouw is uitsluitend toegestaan onder de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen, alsmede ter verbinding van gebouwen, met dien verstande, dat dit niet van toepassing is op situaties als bedoeld in 7.2.1, onder e;
b.
gebouwd mag worden tussen peil en 3,50 meter onder peil.
 
Artikel 8 Algemene gebruiksregels
8.1
Strijdig gebruik onbebouwde gronden
 
Onder strijdig gebruik van onbebouwde gronden wordt in ieder geval begrepen:
a.
het storten of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen;
b.
het opslaan van goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan;
c.
het opslaan van onklare voer- en vaartuigen of onderdelen hiervan;
d.
het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens;
e.
het opslaan van vuurwerk en/of andere gevaarlijke stoffen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (artikel 1 onder g).
  
8.2
Uitzonderingen strijdig gebruik onbebouwde gronden
 
Het bepaalde in artikel 8.1 is niet van toepassing op:
a.
het (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden;
b.
de opslag van goederen in het kader van de in het plan toegestane bedrijfsvoering;
c.
het opslaan of storten van afval- en meststoffen, voor zover noodzakelijk voor het normale onderhoud van de gronden en de watergangen.
  
8.3
Strijdig gebruik bouwwerken
 
Onder strijdig gebruik van onbebouwde gronden wordt in ieder geval begrepen:
a.
vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
b.
prostitutie;
c.
seksinrichtingen;
d.
het opslaan van vuurwerk en/of andere gevaarlijke stoffen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (artikel 1 onder g).
  
8.4
Uitzonderingen strijdig gebruik onbebouwde gronden
 
Het bepaalde in artikel 8.3 is niet van toepassing op:
a.
het (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden;
b.
de opslag van goederen in het kader van de in het plan toegestane bedrijfsvoering.
 
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels
 
Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen
 
Binnen de ‘veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen’ zijn kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen toegelaten, met dien verstande dat ter waarborging van de zelfredzaamheid van personen en het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit rekening dient te worden gehouden met:
 
1.
de brand- en rookontwikkeling van materialen;
 
2.
de luchtdichtheid van constructies en gevels;
 
3.
de afsluitbaarheid van ventilatiesystemen;
 
4.
de bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten;
 
5.
het hebben van voldoende van de risicobron afgerichte vluchtmogelijkheden;
 
6.
de ontruimingstijd van bouwwerken.
 
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
 
10.1
Afwijkmogelijkheden
 
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in deze regels ten behoeve van:
a.
de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van het openbaar nut, waarbij de oppervlakte ten hoogste 35 m2 en de goothoogte ten hoogste 4 meter mag bedragen; gasdrukregel- en gasdrukmeetstations uitgezonderd;
b.
het in geringe mate afwijken ten aanzien van bouwgrenzen, hoogtescheidingslijnen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, indien bij definitieve uitmeting of verkaveling blijkt dat deze afwijking in het belang van een juiste verwezenlijking van het plan redelijk, gewenst of noodzakelijk is en de afwijking ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer bedraagt dan 3 meter;
c.
het afwijken van de voorgeschreven maatvoering van bouwwerken (waaronder goothoogte, bouwhoogte, grondoppervlakte, onderlinge afstand, afstand tot perceelsgrenzen), eventueel met een overschrijding van de bouwgrens, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10% van de in het plan voorgeschreven maten;
d.
de bouw van antennemasten voor communicatiedoeleinden, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 45 meter mag bedragen en waarbij het beleid gericht is op het combineren van deze voorzieningen, op een koppeling van voorzieningen met bebouwing en op een dusdanige situering dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gewenste stedenbouwkundige kwaliteit van het plangebied;
e.
de bouw van overige bouwwerken, zoals een kunstobject, antennes en dergelijke tot een bouwhoogte van 15 meter;
f.
het houden van evenementen voor de duur van maximaal 15 dagen per evenement, inclusief op- en afbouw van voorzieningen ten behoeve van dat evenement;
g.
het toestaan van geluidwerende voorzieningen, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 meter;
h.
het toestaan van één vlaggenmast per perceel, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 7 meter;
i.
het toestaan van één reclame- en/of informatiezuil of -bord per perceel, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 7 meter.
  
10.2
Algemene randvoorwaarden voor afwijken
 
Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan een afwijking als bedoeld in artikel 10.1, mits:
a.
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
 
1.
de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
 
2.
de verkeersveiligheid;
 
3.
de sociale veiligheid;
 
4.
het aantal parkeervoorzieningen;
 
5.
de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen;
 
6.
de bebouwingsmogelijkheden en/of gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
 
7.
het milieu;
b.
voldaan wordt aan de onderzoeksverplichting op de volgende onderdelen:
 
1.
luchtkwaliteit;
 
2.
parkeerbehoefte;
 
3.
geluid;
 
4.
bodemkwaliteit;
 
5.
watertoets (indien er sprake is van een toename van de hoeveelheid verharding, dient deze middels het realiseren van voldoende waterbergingscapaciteit te worden gecompenseerd);
 
6.
archeologie;
 
7.
externe veiligheid (afweging van het groepsrisico; afweging bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid);
 
8.
ecologie, toetsing Flora- en faunawet;
 
9.
economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal.
 
Artikel 11 Algemene wijzigingsregels
 
11.1
Overschrijding bestemmingsgrenzen
 
Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van een enigszins andere situering en/of begrenzing van bouwpercelen, dan wel bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en bouwvlakken en/of aanduidingen, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen nodig zijn ter uitvoering van een bouwplan, op voorwaarde, dat de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, bestemmingsvlak dan wel bouwvlak met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd.
  
11.2
(Openbare) nutsvoorzieningen
 
Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het bestemmingsplan wijzigen door voor het oprichten van gebouwen ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van ten hoogste 150 m3 en een goothoogte van ten hoogste 3 meter, dit voor zover deze op grond van de artikel 9 niet kunnen worden gebouwd.
  
11.3
Dubbelbestemmingen en aanduidingen
 
Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd het bestemmingsplan wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:
a.
het (gedeeltelijk) verwijderen van de bestemmingen 'Waarde – Archeologie - 2', indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat geen sprake meer is van archeologische verwachtingswaarden;
b.
het (gedeeltelijk) wijzigen van de omvang/locatie, en/of verwijderen van gebieds- en/of functieaanduidingen.
  
11.4
Algemene randvoorwaarden bij wijzigen
 
Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan een wijziging als bedoeld in artikel 11.1 tot en met 11.3, mits:
a.
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
 
1.
de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
 
2.
de verkeersveiligheid;
 
3.
de sociale veiligheid;
 
4.
het aantal parkeervoorzieningen;
 
5.
de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen;
 
6.
de bebouwingsmogelijkheden en/of gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
 
7.
het milieu;
b.
voldaan wordt aan de onderzoeksverplichting op de volgende onderdelen:
 
1.
luchtkwaliteit;
 
2.
parkeerbehoefte;
 
3.
geluid;
 
4.
bodemkwaliteit;
 
5.
watertoets (indien er sprake is van een toename van de hoeveelheid verharding, dient deze middels het realiseren van voldoende waterbergingscapaciteit te worden gecompenseerd);
 
6.
archeologie;
 
7.
externe veiligheid (afweging van het groepsrisico; afweging bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid);
 
8.
ecologie, toetsing Flora- en faunawet;
 
9.
economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal.
 
Artikel 12 Overige regels
 
12.1
Werking wettelijke regelingen
 
De wettelijke regelingen, waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 13 Overgangsrecht
 
13.1
Overgangsrecht bouwwerken
13.1.1
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
a.
gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b.
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  
13.1.2
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde in 13.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  
13.1.3
Het bepaalde in 13.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
13.2
Overgangsrecht gebruik
13.2.1
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  
13.2.2
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 13.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  
13.2.3
Indien het gebruik, bedoeld in het 13.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  
13.2.4
Het bepaalde in 13.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
 
Artikel 14 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Brede School Rembrandtkwartier", gemeente Rijswijk.