| Plan: | Voorstraat 1, Piershil |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0588.BPKA13hp0115-VG01 |
Al ongeveer 10 jaar staat de voormalige winkel 't Hoeckie leeg. De verpaupering van het pand is voor inwoners van Piershil de 'rotte kies' van het dorp. De eigenaar heeft nu plannen voor een fitnesscentrum, fysiopraktijk en kantoorruimte op deze locatie. Het doel van het voorliggende bestemmingsplan is de bestemmingsregelingen voor de locatie Voorstraat 1 in Piershil aan te passen aan de gewenste situatie.
Met het nieuwe bestemmingsplan ontstaat de situatie, dat het bestemmingsplan een actueel en correct beeld geeft van de functies en een kader waaraan (toekomstige) aanvragen omgevingsvergunning kunnen worden getoetst. Het bestemmingsplan sluit aan bij de actuele juridische en planologische situatie en voldoet aan de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
Het plangebied ligt in het westen van Piershil en bestaat uit het pand Voorstraat 1 in Piershil. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied aangeduid.
|
|
In figuur 1.1 Ligging plangebied
Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan Kernen Korendijk dat is vastgesteld op 25 juni 2013. Het plangebied heeft de bestemming Centrum. Daarnaast ligt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 1 en de gebiedsaanduiding vrijwaringszone - molenbiotoop over het plangebied. De maximum goothoogte bedraagt 5 meter.
Er is gekozen voor een gedetailleerd bestemmingsplan, aangezien de randvoorwaarden helder zijn. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (regels en plankaart) en de daarbij behorende toelichting.
In hoofdstuk 2 is de beleidskader uiteengezet. In hoofdstuk 3 en 4 zijn de huidige situatie en de ontwikkelingen beschreven. In hoofdstuk 5 worden de sectorale aspecten van het plan beoordeeld. Hoofdstuk 6 en 7 beschrijven tenslotte respectievelijk de planopzet en de uitvoerbaarheid van het plan.
In dit hoofdstuk is het relevant beleid op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau opgenomen.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Barro
In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Nationale belangen
De voorgaande (hoofd)doelstellingen zijn in de structuurvisie vertaald naar nationale belangen. Deze zijn – direct of indirect – ook opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarmee zij juridisch doorwerken in bestemmingsplannen.
Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
De volgende rijksbeleidspunten zijn van toepassing op het plangebied:
De functiewijziging die dit bestemmingsplan mogelijk maakt past binnen de beleidskeuzen en de leidende principes uit de Structuurvisie Infrastructuur en het Barro.
Visie Ruimte en Mobiliteit (2014)
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.
Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.
4 rode draden
In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:
1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,
2. vergroten van de agglomeratiekracht,
3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,
4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
1. Beter benutten en opwaarderen
De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Beter benutten en opwaarderen leidt tot een intensiever, compact ruimtegebruik.
2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)
Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer.
Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.
3. Versterken ruimtelijke kwaliteit
Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads – en dorpsgebied te realiseren.
De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.
4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving
In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij.
Gebiedsopgaven Hoeksche Waard
De Hoeksche Waard is een nationaal landschap op de overgang van de Randstad naar de Zuid-Hollandse delta. De aanwijzing tot nationaal landschap betekent dat behoud en herstel van de kernkwaliteiten van dit landschap belangrijke beleidsopgaven zijn. De provincie stelt daarin behoud van het open agrarisch landschap centraal, gericht op een duurzame ontwikkeling van de landbouw, met versterking van de gebiedsspecifieke landschapskenmerken zoals de kreken, de dijken en het patroon van verspreide dorpen. Uitbreidingen van kleine kernen zijn in beginsel niet uitgesloten, maar worden in de meest kwetsbare delen van het nationaal landschap terughoudend benaderd.
De ligging van de Hoeksche Waard in de delta en nabij de Randstad heeft in het gebied zelf tot verschillen in karakter en dynamiek geleid. In het zuiden en westen staan rust, ruimte en ervaring van de delta centraal, terwijl het noorden en oosten meer onder invloed van het stedelijk gebied staan. De ligging in de delta betekent een opgave voor de versterking van de toeristische kwaliteiten en mogelijkheden voor extensieve en verblijfsrecreatie in het zuiden van de Hoeksche Waard.
De functiewijziging die dit bestemmingsplan mogelijk maakt past binnen Visie Ruimte en mobiliteit en heeft geen invloed op de gebiedsopgave Hoeksche Waard.
Verordening ruimte 2014
In samenhang met de structuurvisie is de Verordening ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan.
Artikel 2.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
Toepassing artikel 2.1.1:
Lid 1: De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt betreft een functiewijzing binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De behoefte is aangetoond (zie hoofdstuk 3) en wordt voorzien door herstructurering van een leegstaand pand. De ontwikkeling is niet in strijd met de Verordening ruimte en Programma ruimte.
Structuurvisie Hoeksche Waard
Met de Structuurvisie Hoeksche Waard laat de regio (bestaande uit vijf gemeenten) zien wat haar visie is op de toekomst. In de Structuurvisie wordt een visie gegeven op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de regio tot 2030 (figuur 2.2).
Doel is de gelijktijdige versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid en de economische vitaliteit van het Nationaal Landschap Hoeksche Waard. Nieuwe ontwikkelingen horen bij een landschap en kunnen bijdragen aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het gaat om meer dan de openheid en de kreken en dijken, maar ook om de ruimtelijke kwaliteit van de kernen en feitelijk om de leefomgeving als geheel. De Structuurvisie is in het voorjaar van 2009 definitief vastgesteld door de vijf gemeenteraden. Het planvoornemen betreft een kleinschalige functiewijziging die niet in strijd is met de Structuurvisie Hoeksche Waard.
Figuur 2.2 Uitsnede structuurvisiekaart Hoeksche Waard
Structuurvisie Korendijk
Het gemeentelijk beleid komt hoofdzakelijk tot uiting in de 'Structuurvisie Korendijk'. Voor de toekomstige ontwikkelingsrichting van Korendijk 2020 zijn drie thema's leidend:
De vernieuwing van de bebouwing aan de Voorstraat 1/Beatrixstraat past in het beleid tot het versterken van de kwaliteiten van de fysieke omgeving nu en in de toekomst. De leefbaarheid en vitaliteit van de kern Piershil is gebaat bij de nieuwe functie en het afbreken van detonerende bouwkundig slechte bebouwing in de hoofdstraat van Piershil. De ontwikkeling is in overeenstemming met de Structuurvisie.
Overig gemeentelijk beleid
Overig gemeentelijk beleid met betrekking op de kernen in de gemeente Korendijk is onder meer:
In de toelichting wordt bij de betreffende thema's, voor zover relevant, ingegaan op bovenstaand beleid.
Het beleid is gericht op kwaliteitsverbetering en een optimale benutting van het bestaand gebied binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de provincie. Tevens richt het beleid zich op de instandhouding van de openheid van het buitengebied. Dit bestemmingsplan maakt slechts een kleine ontwikkeling mogelijk. Namelijk een functiewijziging binnen de kern Piershil.
Geschiedenis
Piershil is ontstaan na de bedijking van de Oud-Piershilpolder in 1524. De belangrijkste historische bebouwing is gesitueerd aan de westzijde van de dijk en aan de Voorstraat die loodrecht op de dijk de polder inloopt. Kenmerkend voor de bebouwing aan de Voorstraat zijn de gesloten gevelwanden in tuitvorm. De eerste planmatige uitbreidingen hebben plaats gevonden ten oosten van de dijk en kenmerken zich door een rationeel stratenpatroon met rechte bouwblokken. De nieuwste uitbreidingen hebben ten zuiden van de Voorstraat plaatsgevonden. Piershil is een zogenaamde voorstraatsnederzetting, waarbij de Molendijk, de Sluisjesdijk en de Voorstraat de belangrijkste straten vormen.
Huidige situatie
De eigenaar heeft in 2005 het pand aan de Voorstraat 1 in Piershil aangekocht met de intentie om zijn bedrijf te verhuizen naar deze locatie. De groei van zijn kantoor is destijds echter opgevangen door automatisering, waardoor de directe noodzaak tot verhuizing verviel. Hierdoor is het pand langdurig leeg komen te staan. Het pand (een voormalige winkel) staat al jaren leeg en verkeert in een slechte bouwkundige staat. Aan de achterzijde, langs de Beatrixstraat zijn garages aanwezig en een oude schuur.
Planvoornemen
Het plan voorziet in de sloop van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van een fitnesscentrum (maximaal 500 m2 op de begane grond) en een kantoor (maximaal 100 m2 op de verdieping).
Het plan is om de noordzijde (huidige achterzijde) te benutten voor parkeerdoeleinden en als tweede entree voor het fitnesscentrum. De rest van het plangebied wordt bebouwd. Er is nog geen bouwplan ontworpen. De goothoogte van de bebouwing zal niet hoger worden dan de in het huidige bestemmingsplan 'Kernen' opgenomen maximale goothoogte van 5 m. De bouwstijl van de nieuwe bebouwing zal passend zijn in de Voorstraat.
Behoefte
Er is onderzoek gedaan naar de behoefte aan fitnessfaciliteiten in Piershil. Uit contacten met een landelijke organisatie die een bepaald fitnessconcept heeft ontwikkeld en inmiddels meer dan 100 vestigingsplaatsen heeft in Nederland, blijkt dat Piershil en omgeving voldoende potentiele inwoners heeft om een rendabele exploitatie te kunnen hebben. Daar zijn 500 leden voor nodig. Op basis van ervaringen van genoemde organisatie wordt verwacht dat binnen een jaar een dergelijk aantal leden aanwezig is. Daamaast wordt verwezen naar de informatie op de website www.zorgatlas.nl van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Uit de op deze website te raadplegen Nationale Atlas Volksgezondheid blijkt, dat 24,4% van de inwoners van de gemeente Korendijk op enigerlei wijze aan fitness doet.
Uit het trendrapport Fitnessbranche2012 blijkt, dat er in Zuid-Holland ll fitnesscentra per 100.000 inwoners zijn. Met andere woorden per 9.090 inwoners is er een fitnesscentrum aanwezig. In de gemeente Korendijk is nu nog geen fitnesscentrum aanwezig. De gemeente Korendijk heeft ongeveer 11.000 inwoners. Ook hieruit blijkt dat er in principe voldoende potentie is om een fitnessvoorziening te kunnen exploiteren. Eerste verwachting op dit moment is, dat 4,5% - 9,0% van de inwoners gebruik zal gaan maken van de nieuwe fitnessvoorziening aan de Voorstraat / Beatrixstraat. Daarnaast verwacht de initiatiefnemer ook leden van buiten de gemeente Korendijk aan te trekken.
Ontsluiting.
Het bouwperceel ligt tussen de Voorstraat 1 en de Beatrixstraat in. Het plan is om de vervoersbewegingen af te wikkelen via de Beatrixstraat. Daar worden ook de vereiste parkeerplaatsen aangelegd. De Beatrixstraat is voldoende gedimensioneerd om hier dienst voor te doen.
Parkeren
De gemeentelijke bouwverordening schrijft in artikel 2.5.30 voor dat een bouwplan in voldoende parkeerplaatsen op eigen grond behoort te voorzien en wanneer dat niet het geval is dat het college van burgemeester en wethouders een ontheffing kunnen verlenen.
Bij de bepaling van de parkeerbehoefte maakt de gemeente gebruik van het door het CROW opgestelde normen die zijn verwerkt in de ASVV 2012. De gemeente heeft daarbij aangegeven dat de dorpskern van Piershil niet kan worden gezien als een centrumgebied, maar dat er gerekend moet worden met de norm 'Schil centrum'.
Gezien de aard van de fitnessactiviteiten (Milon-circle) wordt een parkeernorm gehanteerd van:
Dit betekent dat er voor de 500 m2 fitnessruimte 14,5 parkeerplaatsen moeten worden aangelegd.
Voor het kantoor (max 100 m2) moeten 2 parkeerplaatsen worden aangelegd en 1 parkeerplaats voor de fysiopraktijkruimte (max 1 ruimte toegestaan). In totaal 18 parkeerplaatsen.
In de bestaande situatie is sprake van een winkel met 200 m2 bvo. De parkeernorm voor woonwinkels zoals die als laatste ter plaatse gevestigd was, bedraag 1 tot 1,5 parkeerplaatsen per 100 m2.
Gevoegd bij de behoefte aan parkeerruimte voor de huidige bovenwoning, kan volgens gemeentelijke berekening worden uitgegaan van een vervallen parkeerbehoefte die in openbaar gebied gevonden werd, van 4 parkeerplaatsen.
De bestaande parkeerbehoefte van 4 parkeerplaatsen kan in mindering worden gebracht op de berekende vraag van 18 parkeerplaatsen. In totaal zijn dus 14 parkeerplaatsen benodigd. Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein aangelegd. De ruimte daarvoor is beschikbaar.
Uit oogpunt van het aspect verkeer is het plan realiseerbaar.
Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidsgevoelige functies en nieuwe of gewijzigde gezoneerde wegen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Onderzoek en conclusie
Een fitnessruimte en een kantoor zijn beide geen geluidgevoelige functies als bedoeld in de Wet geluidhinder. Om deze reden is het niet nodig om geluidonderzoek in te stellen.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| Uurgemiddelde concentratie | Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
NIBM
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
De ontwikkeling in het plangebied is met realisatie van een fitness, fysiopraktijk en kantoor dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie, de voormalige winkel, voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2014 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Bernisse Spuidijk (als maatgevende doorgaande weg in de buurt van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
Beleid en Normstelling
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Onderzoek en conclusie
De kwaliteit van de bodem zal onderzocht worden alvorens een aanvraag om omgevingsvergunning voor de voorgenomen nieuwbouw wordt ingediend. Op voorhand wordt aangenomen dat op het perceel Voorstraat 1 geen bodemverontreiniging aanwezig is. Het is bekend dat op het perceel C 192 enige bodemverontreiniging aanwezig is. Er zal bij het uitwerken van de plannen nader worden onderzocht of de voorgenomen functie van parkeerplaats op die grond het mogelijk maakt om de verontreiniging te handhaven of dat deze wordt gesaneerd.
Beleid en Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies wordt milieuzonering toegepast. Daarbij wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
In gebieden waar bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies reeds naast elkaar voorkomen of gewenst zijn, zoals centrumgebieden, wordt niet gebruikgemaakt van richtafstanden. Deze gebieden worden getypeerd als gebieden met functiemenging. Voor deze gebieden wordt een Staat van Functiemenging gehanteerd waarin per bedrijfsactiviteit wordt aangegeven in welke mate deze direct naast, boven of onder woningen toelaatbaar is.
Onderzoek en conclusie
Het plangebied is aangewezen als centrumgebied. Hier vindt de menging van verschillende functies plaats zoals wonen, bedrijvigheid en detailhandel. Het gebied is dan ook te categoriseren als gebied met functiemenging.
Fitnesscentra vallen op basis van de Staat van Functiemenging uit de VNG-publicatie in milieucategorie B. Voor activiteiten uit categorie B geldt dat deze in een gebied met functiemenging kunnen worden uitgeoefend, echter hebben deze activiteiten een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zijn bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.
De beoogde fitnessruimte is bouwkundig afgescheiden van de omliggende woningen. De woning ten oosten van de beoogde fitnessruimte wordt niet direct aan het gebouw vast gebouwd en de woningen ten westen zijn bouwkundig afgescheiden door middel van een schuur. Er wordt dus voldaan aan de Staat van Functiemenging. Ter plaatse van de omliggende woningen zal dan ook sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het bestemmingsplan is ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging van kantoor naar wonen op de bovenverdieping. Voorwaarde is dat voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat. Met name geluid is in dit geval van belang. Toetsingskader hiervoor is het Activiteitenbesluit. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Onderzoek en conclusie
Volgens de professionele risicokaart (www.risicokaart.nl) zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen en vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen dat van invloed is op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Afwegingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Onderzoek en conclusie
Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
In het Waterbeheerplan 2009-2015 staat hoe Hollandse Delta het waterbeheer in het werkgebied in de komende jaren wil uitvoeren. Daarbij gaat het om betaalbaar waterbeheer met evenwichtige aandacht voor veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, duurzaamheid en om het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van ons land. Het Waterbeheerplan beschrijft de uitgangspunten voor het beheer, de ontwikkelingen die de komende jaren verwacht worden en de belangrijkste keuzen die het waterschap moet maken. Daarnaast geeft het Waterbeheerplan een overzicht van maatregelen en kosten. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Voor een toename aan verhard oppervlak moet 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de verharding toeneemt.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied bestaat uit een voormalig winkelpand.
De bodem in het plangebied bestaat uit zeekleigrond. In het plangebied is er sprake van grondwatertrap V. Dat wil zegen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwatertrap op meer dan 1,2 m beneden maaiveld ligt. De maaiveldhoogte in het plangebied is circa NAP +0,7 m.
Waterkwantiteit
In de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen.
Veiligheid en waterkeringen
Ten westen van het plangebied is de Molendijk gelegen. Rondom deze waterkering is sprake van een beschermingszone waarbinnen beperkingen gelden voor bouwen en aanleggen om de stabiliteit van de kering te kunnen waarborgen. Deze zone reikt tot het plangebied, maar valt hier niet overheen.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is aangesloten op een gemengd rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Watertoets
De watertoets ten behoeve de voorgestane ontwikkeling heeft ten doel het verkrijgen van inzicht in de waterhuishoudkundige consequenties van het plan en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen. Voor het bouwplan is een verkorte digitale watertoetsprocedure doorlopen via de website van het Waterschap Hollandse Delta. Het plan heeft een geringe invloed op de belangen van het waterschap en het waterschap heeft een positief wateradvies gegeven.
Waterkwantiteit
Ten aanzien van de aanwezige en toekomstige omvang van de verharding wordt vermeld, dat er geen sprake is van een toename van verharding. In verband hiermede gelden er geen watercompenserende eisen.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Conclusie
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
In het kader van de verscherpte natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Er zijn in de bestaande bebouwing en op de onbebouwde delen geen bijzondere natuurwaarden en/of beschermde dieren aanwezig. Om deze reden worden geen beschermde natuurwaarden geschaad bij de uitvoering van het onderhavige plan.
Regelgeving en beleid
Monumentenwet
De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Archeologiebeleid Hoeksche Waard
Op 19 januari 2010 stelde de Commissie Hoeksche Waard de archeologische verwachtingenkaart voor de Hoeksche Waard vast. Ook het college van B en W van Korendijk hebben in hun vergadering van 23 februari 2010 deze archeologische verwachtingenkaart vastgesteld.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007, ligt de verantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van het bodemarchief niet langer bij het Rijk, maar bij gemeenten.
Een archeologische verwachtingskaart kan als leidraad worden gebruikt voor de bescherming van archeologische waarden. Ook kan de kaart gebruikt worden om vast te stellen welk archeologisch onderzoek nodig is bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen.
Onderzoek
De kern Piershil heeft in de oude kern een hoge verwachtingswaarde. De locatie Voorstraat 1 in Piershil ligt binnen deze hoge verwachting. De bebouwing op het perceel heeft geen bijzondere cultuurhistorische waarde.
Figuur 5.2: Archeologische verachtingswaarde Hoeksche Waard
Toetsing
Het bestemmingsplan ‘Kernen’ heeft voor het gebied waar het perceel Voorstraat 1 onderdeel van vormt de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 1’ gegeven. In de regels staat dat er bij bouwplannen die een oppervlakte beslaan groter dan 30 m2 en een diepte hebben van meer dan 50 cm een archeologische onderzoeksplicht aanwezig is.
In dit bestemmingsplan kan de dubbelbestemming worden gehandhaafd. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning zal middels een onderzoeksrapport worden aangetoond dat er geen archeologische waarden worden aangetast als het bouwplan wordt uitgevoerd met bijbehorende grondroerende werkzaamheden.
Conclusie
Voor de bescherming van de aanwezige archeologische waarden wordt in het bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen.
Eventuele vondsten gedaan tijdens werkzaamheden waarvoor geen vooronderzoek nodig is, vallen wel onder de meldingsplicht zoals vastgelegd in artikel 53 van de Monumentenwet 1988.
Beleid en Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Onderzoek en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde.
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Het bestemmingsplan is conform SVBP2012 opgesteld, om zodoende digitaal raadpleegbaar en conform de uniforme systematiek raadpleegbaar te zijn. Ook is rekening gehouden met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
In deze paragraaf worden de belangrijkste regelingen die het plan bevat, nader toegelicht. De planregels zijn in vier hoofdstukken uiteen gezet. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en hoofdstuk 3 bevat de algemene, voor het gehele plangebied geldende regels. Tot slot bevat hoofdstuk 4 de overgangs– en slotregel.
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
In dit artikel wordt bepaald op welke manier bij de toepassing van de planregels wordt gemeten. Bij het meten van bouw– en goothoogtes van gebouwen is het begrip peil van belang.
Voor de centrumgebieden van de kernen is de bestemming 'Centrum' opgenomen. Binnen de bestemming zijn naast wonen ook detailhandel en dienstverlening toegestaan. De vigerende bestemming is Centrum. In de nieuwe situatie blijft sprake van een Centrum bestemming. De vigerende bestemming Centrum is uitgangspunt bij de nieuwe bestemming Centrum - 1. Binnen deze bestemming zijn een fitnesscentrum en fysiopraktijkruimte op de begane grond en een kantoor op de verdieping toegestaan.
Artikel 4 Waarde - Archeologie 1
Op basis van het archeologische beleid van de gehele Hoeksche Waard zijn dubbelbestemmingen toegekend. Met deze dubbelbestemmingen wordt geregeld dat er uitsluitend werken en werkzaamheden uitgevoerd mogen worden, nadat is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Per verwachtingswaarde gelden andere verstoringsoppervlaktes en -dieptes wanneer archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Binnen het plangebied is er sprake van één archeologische verwachtingswaarde met een verstoringsoppervlakte van 30 m2.
Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Overschrijding bouwgrenzen
De op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden met kleine bouwdelen. In dit artikel is geregeld hoe groot de overschrijding mag zijn en onder welke voorwaarden.
Tevens is aangegeven voor welke bouwwerken en tot welke mate aangegeven hoogten mogen worden overschreden.
Bestaande afstanden en andere maten
In de planregels zijn diverse regelingen opgenomen die aangeven wat maximaal of minimaal toelaatbaar is. Deze regelingen kunnen betrekking hebben op hoogten, breedten, diepten, oppervlakten, afstanden of aantallen. Ruimtelijke overwegingen hebben bepaald welke maat als maximum of minimum is aangegeven. Lang niet alle bestaande situaties voldoen echter aan de betrokken maten. Het negeren van deze bestaande maten zou betekenen dat het betrokken gebouw onder het overgangsrecht valt, met alle gevolgen van dien (alleen gedeeltelijk vernieuwen of veranderen, alleen herbouw na calamiteit etc.). Dit is uitdrukkelijk niet de bedoeling. Overgangsrecht is immers alleen aan de orde, wanneer te verwachten is dat het betrokken gebouw gedurende de looptijd van het bestemmingsplan zal worden geamoveerd.
Het onder het overgangsrecht brengen zou ook tot praktische complicaties leiden, aangezien dan onduidelijk is of – bijvoorbeeld – het gehele gebouw onder het overgangsrecht valt of alleen dat gedeelte waarmee de betrokken maten worden overschreden.
Om dit soort verwikkelingen te voorkomen, is in artikel 27 een regeling opgenomen die voorkomt dat overgangsrecht van toepassing is, indien de gestelde maxima of minima niet met de bestaande situaties in overeenstemming zijn.
Uiteraard geldt de betrokken regeling niet indien een bestaand bouwwerk wordt afgebroken en op een andere plek wordt herbouwd. In dat geval gelden de als maximaal of minimaal gestelde maten onverkort. Voorts is de regeling uitsluitend van toepassing ter plaatse van de reeds bestaande afwijking. Dit houdt in dat indien een gebouw dat – bijvoorbeeld – volgens de reguliere planregels te dicht op de zijdelingse perceelsgrens is gebouwd, wordt vergroot, de regeling niet van toepassing is.
Met betrekking tot de bestaande maten is als peildatum gekozen voor het moment waarop het bestemmingsplan in werking is getreden. Dit is het eerste moment waarop nog uitsluitend conform het geldende bestemmingsplan, (in casu) de daarin vastgelegde maxima en minima, kan worden gebouwd.
Artikel 7 Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn algemene gebruiksregels opgenomen. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie. Ook het gebruik van bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, het gebruik van gronden ten behoeve van paardenbakken en het gebruik van gronden en gebouwen voor speelautomatenhal, bingohal, discotheek of dancing worden in ieder geval als strijdig gebruik verstaan.
Artikel 8 Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn algemene aanduidingsregels opgenomen. Het artikel voorziet in een regeling ten aanzien van het bouwen binnen de molenbiotoop. Hierin is opgenomen dat binnen een straal van 100 m uit het middelpunt van de molen geen nieuwe bebouwing mag worden opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek. Binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen mag geen bebouwing worden opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
Voor ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan is een algemene bevoegdheid tot afwijken opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van de afwijking.
Artikel 10 Algemene procedureregels
Teneinde rechtsbescherming te waarborgen, is in onderhavig artikel bepaald dat bij de voorbereiding van besluiten de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is.
In dit artikel is een algemene parkeerregeling opgenomen. Hierin is geregeld dat bij een functiewijziging of uitbreiding van de oppervlakte van een functie, dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervan kan worden afgeweken mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de parkeersituatie.
Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in artikel 21 lid 1 Wro. Enkele bouwmogelijkheden in afwijking van de regels blijven bestaan voor gebouwen die afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet. Bestaande afwijkingen mogen niet worden vergroot. Uitbreiding is slechts mogelijk met een omgevingsvergunning om af te wijken van het bevoegd gezag.
Lid 2 betreft de overgangsregels met betrekking tot het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtsmacht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het gebruik is slechts toegestaan indien de afwijzing hierdoor niet wordt vergroot.
Het laatste artikel van de planregels betreft de slotregel van het onderliggende bestemmingsplan.
Op grond van artikel 6:12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening zijn plannen aangewezen waarvoor een dergelijk exploitatieplan moet worden opgesteld. Artikel 6:12, lid 2 geeft aan dat de gemeenteraad kan besluiten géén exploitatieplan vast te stellen indien:
In onderhavig geval worden de kosten anderszins verzekerd doordat de gemeente een anterieure overeenkomst heeft gesloten met de ontwikkelaar.
Overleg
In het kader van het overleg overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan aan diverse instanties voorgelegd. Deze reacties hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Zienswijzen
Overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Het ontwerpbestemmingsplan Voorstraat 1, Piershil heeft gedurende 6 weken van 18 januari tot en met 28 februari 2016 ter inzage gelegen. Het bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen op het gemeentehuis en was eveneens raadpleegbaar via internet (ruimtelijkeplannen). Er zijn geen zienswijzen ontvangen.
Daarnaast is de publicatie van het ontwerp bestemmingsplan Voorstraat 1 Piershil is naar de initiatiefnemer en volgende overleg partners verzonden:
Van Het Waterschap is op 25 februari 2016 een reactie ontvangen dat zij geen opmerking hebben op het plan. Het e-formulier is ingediend bij de provincie. De conclusie is dat er geen provinciaal belang is.