| Plan: | Papeweg 5 en 7, Oud-Beijerland |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0584.BPBUITEN2016009-VG99 |
Het voorliggende bestemmingsplan betreft het perceel gelegen aan de Papeweg 5 te Oud-Beijerland. Op dit perceel was een garagebedrijf gevestigd waarvan de bedrijfsactiviteit inmiddels in beëindigd. Initiatiefnemers zijn voornemens om op het perceel twee woningen te realiseren. Voor dit planvoornemen zullen de bestaande bedrijfswoning en een loods waarin een garagebedrijf was gevestigd moeten worden gesloopt.
Op 11 juni 2013 heeft de gemeenteraad het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oud-Beijerland' vastgesteld. Binnen dit bestemmingsplan is het perceel bestemd met de bestemming Bedrijf. Het bouwen van twee woningen op het perceel past niet binnen het vigerende bestemmingsplan.
Het voorliggende bestemmingsplan bevat het planologisch-juridisch kader voor het mogelijk maken van de bouw van de twee woningen.
Het plangebied is gelegen in het oostelijk buitengebied van de gemeente Oud-Beijerland. Het perceel ligt aan de kruising van de Stougjesdijk en de Papeweg.
Het plangebied grenst aan de;
aan de overzijde van de Papeweg ligt een watergang, de Oud-Beijerlandsche Kreek.
Het perceel grenst aan de achter- en zijkant aan 2 woonpercelen. Aan de zijkant van het perceel staat een woning aan de Papeweg nr.3. Aan de achterkant van het perceel is een boomgaard gesitueerd behorend bij de woning aan de Stougjesdijk nr. 252.
Ligging en begrenzing plangebied
Het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oud-Beijerland' is vastgesteld op 11 juni 2013. Op de gronden van het plangebied geldt de bestemming Bedrijf en de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2. Tevens is een wijzigingsgebied opgenomen: wro-zone - wijzigingsgebied 3.
Bestemming Bedrijf
In dit bestemmingsplan heeft desbetreffende perceel de bestemming Bedrijf. De betreffende gronden zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten die vallen in de milieucategorieën tot en met categorie 2. Ook activiteiten behorende tot categorie 3 zijn toegestaan mits deze qua aard, omvang en hinderuitstraling gelijk te stellen zijn aan de bedrijfsactiviteiten in categorie 2.
Er mag op deze gronden alleen gebouwd worden binnen het bouwvlak van het desbetreffende perceel. Per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Een uitzondering hierop is als bij de vaststelling van het bestemmingsplan er meerdere bedrijfswoningen stonden, in dat geval deze als maximum worden gehanteerd. De maximale inhoud van de bedrijfswoning bedraagt 750m3. De goot- en bouwhoogte zijn vastgelegd op 7 meter en respectievelijk 10 meter.
In de regels behorend bij de bestemming Bedrijf zijn afwijkingen opgenomen bijvoorbeeld voor het vergroten van de inhoud van de bedrijfswoning of het bouwen buiten het bouwvlak.
Van de opgenomen wijzigingsbevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt, als het bestaande aantal woningen niet toeneemt. De bouw van 2 woningen in de plaats van de bestaande bedrijfswoning is daarom niet mogelijk. Om deze mogelijkheid wel te creëren wordt er een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
Bestemming Waarde-Archeologie 2
Naast de bestemming Bedrijf zijn de gronden van het perceel ook bestemd met de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2. De aangewezen gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor het behoud van de aanwezige archeologische waarden.
De bouwregels (artikel 30.2) behorend bij de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2 beschrijven dat;
Voor het voorliggende bestemmingsplan wordt er een onderzoek uitgevoerd naar het omgevingsaspect archeologie.
Het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd;
In hoofdstuk 2 is de planologische afweging opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid nader toelicht. In hoofdstuk 4 worden de onderzoeken naar de omgevingsaspecten besproken. In hoofdstuk 5 en 6 zijn de uitvoerbaarheid en de juridische planopzet opgenomen.
Het perceel was in gebruik als garagebedrijf en op het perceel staat een bedrijfswoning. Het bedrijf is beëindigd, er vinden geen activiteiten meer plaats. Gezien de situering, omvang en staat van de gebouwen, is er geen of nauwelijks animo om hier een nieuw bedrijf te vestigen. De initiatiefnemers willen hier graag twee woningen bouwen om er te gaan wonen.
Huidige situatie, bron; GlobeSpotter 2016
Bouwplan
Het initiatiefplan bestaat uit het slopen van de bestaande bebouwing en het bouwen van twee nieuwe woningen voor de huisvesting van de initiatiefnemers met hun gezin. Voor deze nieuwe woningen moet het bouwperceel verdeeld worden in twee kavels.
Het voornemen is om op de kavels twee vrijstaande burgerwoningen te bouwen. Kavel 1 heeft een oppervlakte van 675m² groot met een bebouwd oppervlak van 205m². Kavel 2 heeft een oppervlakte van 975m² met een bebouwd oppervlak van 335m².
Indeling kavel oppervlaktes, bron; DIV architecten mei 2016
Kavel 1
Deze kavel is gelegen aan de oostkant van het perceel. De kavel grenst aan de voorzijde aan de Papeweg en aan de zijkant aan de Stougjesdijk. Op deze kavel wordt 1 woonhuis gebouwd. In de afbeelding is een impressie van het toekomstige woonhuis opgenomen. Het bovenste deel van de afbeelding betreft het aanzicht gezien vanaf de Papeweg en het onderste deel van de afbeelding betreft het aanzicht gezien vanaf de kruising Papeweg en Stougjesdijk.
Impressie toekomstig woonhuis kavel 1, bron; DIV architecten mei 201 6
Kavel 2
Deze kavel is gelegen aan de westkant van het perceel. De kavel grenst aan de voorzijde aan de Papeweg en aan de zijkant aan het perceel van de bestaande woning gesitueerd aan de Papeweg nr. 3.
Op deze kavel wordt 1 woning gebouwd In de afbeelding is een impressie van het toekomstige woonhuis opgenomen. Het bovenste deel van de afbeelding betreft het aanzicht gezien vanaf de Papeweg. Links van het toekomstige woonhuis is de bestaande woning Papeweg 3 ingetekend en rechts is de toekomstige woning op kavel 1 ingetekend.
Het onderste deel van de afbeelding betreft het vooraanzicht gezien vanaf de Papeweg.
Impressie toekomstig woonhuis kavel 2, bron; DIV architecten, mei 2016
Beeldkwaliteit
Er wordt een gevarieerd bebouwingsbeeld nagestreefd, in aansluiting op de lintbebouwing langs de Stougjesdijk.
Het plan vertoont twee gezichten: modern en traditioneel. Op kavel 1 voegt de villa met kap zich evenwijdig aan de Stougjesdijk. De bouwstijl is traditioneel en verzorgd, met een landelijke uitstraling.
De villa op kavel 2 richt zich naar de Papeweg en wordt uitgevoerd met twee plat afgedekte bouwlagen in een sobere modernistische bouwstijl. De tweede bouwlaag profiteert van het zicht op de kreek. De onderlinge afstanden en bouwvolumes geven veel ruimte, ook ten aanzien van de omgeving.
De situering van de twee villa's speelt in op de landelijke setting van de directe omgeving. Juist door de verschillen in architectuur ontstaat er op dit stukje van de Papeweg een levendige en afwisselende invulling.
De bijbehorende tuinen worden omzoomd met hagen, in aansluiting op het groene karakter van de omgeving.
Aan de achterzijde wordt in een groenblijvende haag voorzien, met een hoogte (in volle wasdom) van tenminste 2,5 meter. Deze haag dient, behalve de landschappelijke inpassing, ook het belang van een goede afscherming naar de belendende boomgaard in verband met de exploitatie hiervan. De hoogte van de overige hagen wordt afgestemd op de afscherming openbaar / privé: laag in aansluiting op openbaar gebied, hoog waar privacy wordt verlangd.
De soortkeuze zal worden afgestemd op de gebiedseigenschappen, waaronder de grondgesteldheid. Voor de haag grenzend aan de boomgaard, zal in elk geval een groenblijvende soort worden aangewend.
Verkeer en parkeren
In de toekomstige situatie blijft het perceel ontsloten via de Papeweg. Beide woningen zullen een eigen inrit krijgen welke gelegen is aan deze weg.
Ingeval er gedurende de planperiode sprake is van nieuwbouw, of uitbreiding van niet woonfuncties met meer dan 50 m2, dan dient in voldoende mate ruimte voor parkeren of stallen van auto's te worden aangebracht, waarbij als uitgangspunt het parkeren op eigen terrein genomen moet worden. Bij berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt gebruik gemaakt van de parkeernormen uit de door de gemeenteraad op 12 april 2016 vastgestelde nota Parkeernormen Oud-Beijerland, die op 2 mei 2016 in werking is getreden, zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag, of de rechtsopvolger daarvan.
Het parkeren zal mogelijk worden gemaakt op eigen terrein. Elke woning krijgt tenminste twee parkeerplaatsen op eigen terrein zoals ook zichtbaar is in de impressies.
Omgeving van het plangebied
Op het perceel staat nu een leegstaand garagebedrijf en een bedrijfswoning. De woningen zullen gerealiseerd worden binnen het huidige bestemmingsvlak Bedrijf., binnen het bebouwingscluster aan de dorpsrand. Zo ontstaat er een kwalitatieve invulling op de kruising van de Stougjesdijk met de Papeweg.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In de structuurvisie zijn drie hoofddoelen vastgesteld;
Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, zijn daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
In de SVIR wordt ten aanzien van het onderwerp ‘Verstedelijkings- en landschapsbeleid’ aangegeven, dat het Rijk dit overlaat aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.
Het initiatiefplan voor het toevoegen van de twee woningen is een gemeentelijke en provinciale verantwoordelijkheid. Daarmee is het initiatief niet in strijd met de SVIR.
Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. In het Barro zijn onder meer Rijksvaarwegen, grote rivieren en ecologische hoofdstructuur opgenomen. In het besluit is aangeven op welke wijze ruimtelijke plannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien het bestemmingsplan niet voldoet aan het Barro dan moet het bestemmingsplan drie jaar na inwerkingtreding van het besluit worden aangepast.
Het plangebied ligt niet binnen een invloedssfeer van het Barro.
Besluit ruimtelijke ordening
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is met ingang van 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen (artikel 3.2). Deze schrijft voor dat gemeenten bij iedere nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting bij een bestemmingsplan moeten beschrijven (en onderbouwen) dat een voorgenomen ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. En vervolgens moet er aangetoond worden dat die behoefte niet kan worden voorzien door benutting van gronden in bestaand stedelijk gebied door herstructurering, transformatie of anderszins.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing bij stedelijke ontwikkelingen. Op basis van jurisprudentie blijkt dat ontwikkeling van één of enkele woningen niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling (Uitspraak Raad van State, ABRvS 18 december 2013, 201302867/1/R4). Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het bouwen van twee woningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de Ladder wel onderbouwd. Voor het voorliggende plan wordt Ladder voor duurzame verstedelijking onderbouwd in paragraaf 4.2.
Het Rijksbeleid levert geen belemmeringen op voor het initiatiefplan omdat het plan niet in strijd is met de SVIR en het plangebied niet binnen een invloedssfeer van het Barro ligt.
Op 9 juli 2014 is de visie Ruimte en mobiliteit (VRM) vastgesteld, welke op hoofdlijnen richting geeft aan de ruimtelijke ordening en bijbehorende maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Deze visie bevat vier 'rode draden';
Relevant voor het voorliggende plan zijn de rode draden 'beter benutten en opwaarderen van wat er is' en 'het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit'. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Beter benutten en opwaarderen van wat er is
Een deel van het plangebied is gelegen binnen een gebied dat is aangewezen als zijnde bebouwde ruimte. Het beter benutten van deze ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. De Provincie zet in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwbouw binnen de bebouwde ruimte.
De Provincie wil op verschillende manieren bijdragen aan het beter benutten van de bebouwde ruimte. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening hanteren gemeenten de “ladder voor duurzame verstedelijking” om de keuze voor en situering van nieuwe woon- en werklocaties te verantwoorden.
Daarbij spelen ook kwalitatieve aspecten mee; Deze elementen zijn er vooral op gericht de leefkwaliteit van de inwoners te beschermen of zo nodig te versterken;
Uitsnede kaart Visie Ruimte en Mobiliteit - Bebouwde Ruimte
Het plangebied is gelegen binnen een zone dat is aangewezen als stads- en dorpsrand. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu.
Uitsnede kaart Visie Ruimte en Mobiliteit - Stads- en Dorpsrand
Ruimtelijke kwaliteit
Het sturen op ruimtelijke kwaliteit vormt een rode draad in het beleid van de provincie. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten.
Ten noorden van het plangebied ligt een gebied dat binnen de ecologische hoofdstructuur (EHS) valt. De EHS bestaat uit een robuust, kwalitatief hoogwaardig en samenhangend netwerk van bestaande bos- en natuurgebieden, landgoederen, nieuwe natuurgebieden, ecologische verbindingen, de grote rijkswateren en de Noordzee. De EHS wordt goed beheerd en valt onder categorie 1 (gebieden met bijzondere kwaliteit).
Uitsnede kaart Visie Ruimte en Mobiliteit - EHS
Gebieden met bijzondere kwaliteit (categorie 1)
Een relatief beperkt aantal gebieden is zo bijzonder, waardevol en kwetsbaar, dat de instandhouding en mogelijk verdere ontwikkeling van de waarden die ze vertegenwoordigen voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. De gebieden met bijzondere kwaliteit dragen in hoge mate bij aan de identiteit, beleving en biodiversiteit van Zuid-Holland. Ze leveren een substantiële bijdrage aan het toeristisch profiel en het leef- en vestigingsklimaat in de provincie.
Ruimtelijke ontwikkelingen in en direct grenzend aan de categorie ‘gebieden met bijzondere kwaliteit’ zijn alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan deze kwaliteit.
De geactualiseerde versie van de Provinciale Verordening ruimte is vastgesteld door de Provinciale Staten op 12 maart 2014. Om het provinciale ruimtelijk belang te kunnen uitvoeren is deze Verordening opgesteld. In de Provinciale Verordening zijn zaken vastgesteld die relevant zijn voor alle of bepaalde gemeentes en in de Verordening zijn nationale belangen vastgelegd.
In de Verordening zijn ook de algemene regels omtrent de inhoud van de gemeentelijke bestemmingsplannen opgenomen. Bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen, beheersverordeningen, en omgevingsvergunningen, moeten in het geval van een afwijking van het bestemmingsplan, aan deze regels voldoen. In de Verordening ruimte is ook de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen welke in paragraaf 4.2 nader wordt uitgewerkt.
In de beschrijving van de Visie Ruimte en Mobiliteit is aangegeven dat de rode draad 'ruimtelijke kwaliteit' van belang is voor het voorliggende plan. In de Verordening is deze kwaliteit opgenomen in artikel 2.2.1
Artikel 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit
Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
Lid 2 Uitzonderingen vanwege beschermingscategorie
Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden.
Lid 3 Aanvullende ruimtelijke maatregelen
De aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van):
Deze maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dit niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken.
In afwijking hiervan kan het bevoegd gezag besluiten om in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie te verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door Provinciale Staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen. Dit is alleen mogelijk als de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd.
Lid 4 Beeldkwaliteitsparagraaf
Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een motivering, bij voorkeur vervat in een beeldkwaliteitsparagraaf, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling:
Het provinciaal beleid levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen. Het planvoornemen past qua aard en schaal binnen het omliggende gebied, de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het perceel. Aanvullende ruimtelijke maatregelen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit worden getroffen binnen het plangebied. De huidige bebouwing wordt gesloopt en er wordt nieuwe bebouwing voor terug geplaatst welke een kwalitatieve verbetering betreft. De herontwikkeling leidt niet tot een toename van een verhard oppervlak. De ruimtelijke ontwikkeling vindt niet plaats binnen de zone waar beschermingscategorie 1 geldt.
Tot slot, in lijn met lid 4 van artikel 2.2.1 is in Hoofdstuk 2 het aspect beeldkwaliteit nader uitgewerkt.
De structuurvisie Hoeksche Waard is opgesteld door de Commissie Hoeksche Waard (CHW) en vastgesteld in juli 2009 door de gemeenteraden in de Hoeksche Waard.
Met de structuurvisie wil CHW sturing geven aan de ruimtelijke ontwikkeling in de regio. Uitgangspunt van de visie is de versterking van de ruimtelijke kwaliteit, leefbaar en de economische vitaliteit van het Nationaal Landschap Hoeksche Waard. De Hoeksche Waard is in de Nota Ruimte aangewezen als Nationaal Landschap, dit is overgenomen in de SVIR.
In de visie is opgenomen dat het unieke polderlandschap van de Hoeksche Waard moet behouden blijven. Tegelijkertijd moet er ruimte zijn voor dynamiek; in de Hoeksche Waard moeten mensen ook kunnen werken, wonen en recreëren.
De regio wil de leefbaarheid in dorpen bevorderen en ruimte voor ontwikkeling waarbij gemeentes mogen bouwen voor tenminste de eigen bevolkingsgroei. Daarbij moeten de kernkwaliteiten van het landschap niet vergeten worden. Nieuwe woningen in de regio moeten zowel op inbreidings- als uitbreidingslocaties worden gerealiseerd.
Het samenwerkingsorgaan Hoeksche Waard heeft in 2015 de regionale woonvisie Hoeksche Waard vastgesteld. In deze visie staan vijf doelen centraal;
In de regionale woonvisie gaat in het geval van nieuwbouw om grotere woninglocaties. In de regionale woonvisie is ook opgenomen dat als nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt binnen het bestemmingplan er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. Deze afweging wordt toegelicht in paragraaf 4.2 waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt onderbouwd.
Op 3 oktober 2013 hebben de gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland, Strijen het convenant regionaal woningbouwprogramma Hoeksche Waard 2020 ondertekend.
In dit convenant zijn de afspraken voor een regionaal woningbouwprogramma opgenomen. In het convenant is overeen gekomen dat;
Het planvoornemen bedient een lokale vraag van de initiatiefnemer. Er is niet zozeer sprake van een kwalitatieve als kwantitatieve toevoeging voor het woningbouwprogramma omdat het gaat om maximaal twee woningen.
Het regionale woningbouwprogramma is vastgelegd voor de periode 2015-2024. Het woningbouwprogramma bestaat uit een flexibele lijst met projecten die kan worden aangepast bij wijzigingen in de vraag. In deze lijst zijn geen projecten opgenomen waar minder dan 10 woningen worden gerealiseerd.
In lijn met de regionale structuurvisie is het van belang dat het planvoornemen past binnen het landschap.
De regionale woonvisie gaat voornamelijk in op de grotere woningbouwlocaties, en niet op plannen zoals het bouwen van twee woningen. In de woonvisie is wel beschreven dat voor het bouwen van nieuwe woningen een zorgvuldige afweging binnen het bestemmingsplan nodig is. Hiervoor wordt het planvoornemen getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 4.2.
Het regionaal convenant woningbouwprogramma en het regionaal woningbouwprogramma spreken zich alleen uit over het bouwen van meer dan tien woningen. Het planvoornemen betreft het bouwen van twee woningen en bedient voornamelijk een lokale vraag van twee families.
Het regionaal beleid levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen
De structuurvisie ‘OBL versterkt – uw ideeën, onze kracht’ is een integrale visie, die op 1 oktober 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld. De structuurvisie bevat de visie op Oud-Beijerland tot 2025. Daarbij wordt vanuit vijf verschillende beleidsvelden (wonen, voorzieningen, economie, omgeving en mobiliteit) gekeken naar de huidige situatie en de trends en ontwikkelingen die op de gemeente afkomen. Deze zijn integraal afgewogen en vormen de basis voor keuzes in de toekomst.
In de structuurvisie komen de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, voorzieningen, economie, omgeving en mobiliteit aan bod. Dit resulteert in een visie die zich kenmerkt door een aantal speerpunten. Deze speerpunten lopen als een rode draad door de visie;
Het aspect wonen wordt voor het planvoornemen nader uitgewerkt.
Wonen
De woningmarkt is de afgelopen jaren veranderd van een aanbod- naar een vraagmarkt. Doelgroepen hebben steeds meer specifieke woonwensen en verschillende besteedbare inkomen. Vraaggericht bouwen is een trend die de komende jaren zal doorzetten. De gemeente neemt een positieve houding in ten opzichte van particulier opdrachtgeverschap wat past binnen vraaggericht bouwen.
Om de ambities te realiseren wil de gemeente nieuwbouw van woningen en aanpassing van bestaande woningen mogelijk maken. De gemeente streeft naar een grotere variatie van het woningaanbod. Dit wil de gemeente bereiken onder meer door ruimte te bieden aan bewoners om de woning naar eigen smaak te ontwerpen.
Het planvoornemen past bij de gedachte van de gemeente Oud-Beijerland om meer variatie in het woningaanbod aan te brengen. In het planvoornemen worden op particulier initiatief twee woningen naar eigen smaak ontworpen.
De woonvisie Oud-Beijerland is op 7 april 2008 vastgesteld door de gemeente Oud-Beijerland. In deze visie zijn programmatische uitgangspunten vastgelegd voor de ontwikkeling van woningbouw- en herstructurering locaties. In de woonvisie is opgenomen dat de kwalitatieve opgave ten aanzien van de groei woningvoorraad onder meer gericht is op nieuwe ontwikkelingen die een meerwaarde voor de omgeving kunnen betekenen.
De particuliere ontwikkeling aan de Papeweg betekent een kwaliteitsimpuls voor de omgeving door het afbreken van een bedrijfswoning en een loods en het daarvoor in de plaats bouwen van twee nieuwe woningen.
Op 1 oktober 2013 is de ontwikkelingsvisie Stougjesdijk-Oost vastgesteld door de gemeente Oud-Beijerland. Deze visie geeft het toekomstperspectief aan voor de korte en middellange termijn van de uitbreidingslocatie Stougjesdijk-Oost. Het plangebied maakt deel uit van deze uitbreidingslocatie.
De pijlers die centraal staan in deze visie zijn;
Wonen wordt beschouwd als een basisactiviteit bij de ontwikkeling van een gebied. Een nieuwe identiteitsdrager kan helpen bij het invullen van het gebied met afwijkende woningtypen.
Voor het wonen zijn vier ontwikkel richtingen opgesteld;
Landelijk wonen kan zorgen voor een vanzelfsprekende overgang van het dorp naar het landschap door gebruik te maken van een woonmilieu met woningen op ruime kavels. De bestaande kwaliteiten van de omgeving kunnen bijvoorbeeld benut en versterkt worden door het creëren van een boerenerf.
Het planvoornemen voorziet in een kwalitatief woonmilieu met twee woningen op ruime kavels. De opzet is weliswaar geen boerenerf maar door het ontwerp van de woningen en de inrichting met groene afscheiding passen de woningen in de overgang van dorp naar landschap.
In verband met de archeologische dubbelbestemming worden de graafwerkzaamheden ter plaatse van een vermoedelijke vindplaats in het plangebied uitgevoerd onder archeologische begeleiding.
Het gemeentelijk beleid levert geen belemmeringen op voor het planvoornemen. Het initiatief past bij de gemeentelijke structuurvisie, gemeentelijke woonvisie en de ontwikkelingsvisie Stougjesdijk-Oost.
In het kader van de ruimtelijke procedure om de bestemming te wijzigen zullen voor het planvoornemen een aantal omgevingsaspecten worden onderzocht. Een aantal aspecten is niet onderzocht, er zal hiervoor nader worden toegelicht waarom er geen onderzoeken hebben plaats gevonden. Tevens wordt in dit hoofdstuk de Ladder voor duurzame verstedelijking onderbouwd.
De Ladder (artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening) bestaat uit 3 treden;
Deze Ladder is uitgewerkt in het Provinciaal Beleid van Zuid-Holland. In de Verordening ruimte is de Provinciale uitwerking van de Ladder uit het Bro opgenomen;
Trede 1
de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
Trede 2
in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
Trede 3
indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
De Provincie Zuid-Holland wil op verschillende manieren bijdragen aan het beter benutten van bebouwde ruimte. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening hanteren gemeenten de “ladder voor duurzame verstedelijking” om de keuze voor en situering van nieuwe woon- en werklocaties te verantwoorden. De Provincie bevordert de consequente toepassing van de ladder door deze op te nemen in de Verordening ruimte en daarbij een aantal begrippen te verhelderen. Een van die begrippen is het “bestaand stads- en dorpsgebied” (BSD). De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD.
Beoordeling Ladder voor duurzame verstedelijking
Trede 1 Bepalen regionale vraag naar ruimte
Het regionale woningbeleid van de gemeente Oud-Beijerland is gericht op de eigen woningbehoefte. Het planvoornemen voorziet in een vraag van twee lokale particulieren. Bij locaties met een maximum van 10 woningen hoeft geen aanvullende regionale afstemming plaats te vinden. Daarmee past de bouw van twee woningen binnen regionale woningbouwafspraken.
Trede 2 Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied
Het perceel aan de Papeweg 5 ligt binnen bestaand bebouwd gebied. Het perceel bestaat uit een bedrijfswoning en een loods. Het toevoegen van de woning kan als inbreiding worden gezien. Op de locatie worden 2 nieuwe woningen gebouwd.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is onderbouwd voor trede 1 en trede 2. Een onderbouwing van trede 3 is niet nodig omdat de locatie binnen bestaand bebouwd gebied ligt.
Het planvoornemen is getoetst aan de Ladder en voldoet hieraan. De Ladder voor duurzame verstedelijking levert geen belemmeringen op voor het plangebied.
Voor het planvoornemen is het omgevingsaspect bodem onderzocht. Dit aspect is onderzocht omdat bij een functiewijziging aangetoond dient te worden dat de grond geschikt is voor de beoogde nieuwe functie. Er is een verkennend bodem onderzoek en een nader bodemonderzoek uitgevoerd door Adviesbureau Arnicon in maart 2016, het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 1.
In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunning aanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Daarom moet bij iedere nieuw bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. Het bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatie kwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken.
Aanleiding en het doel van het onderzoek
De aanleiding voor het onderzoek is de geplande sloop van de huidige bebouwing en de herontwikkeling van de locatie ten behoeve van woningbouw.
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht krijgen in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem. Door het uitvoeren van het onderzoek kan een milieuhygiënische beoordeling worden gegeven ten aanzien van het (toekomstig) gebruik van de locatie.
Het doel van het nader bodemonderzoek is het bepalen van de horizontale en verticale omvang van de tijdens het verkennend onderzoek aangetoonde verontreinigingen in de grond.
Resultaten vooronderzoek; hypothese
Uit het vooronderzoek is de hypothese naar voren gekomen dat het bedrijfsmatige deel van de locatie als verdacht wordt beschouwd door een mogelijke verontreiniging van de bodem met zware metalen.
Het deel van het plangebied waar de bedrijfswoning met tuin staat is een onverdachte locatie. De gehele bodem in het plangebied wordt als niet-asbest verdacht aangemerkt.
Onderzoeksopzet
Het onderzoek op het bedrijfsmatige deel van de locatie is uitgevoerd volgens het protocol VED-HE (verdacht heterogeen verspreid), zoals omschreven in de NEN 5740 “Bodem – Landbodem -Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, januari 2009. Dit onderzoek is gecombineerd met een verificatie van de sterke verontreiniging met chroom, koper en nikkel. Het deel van de locatie met woning en tuin is onderzocht als een onverdachte locatie, conform het protocol ONV. Het grondwater is gecombineerd met de verdachte locatie onderzocht.
Het plangebied is onderzocht door middel van veldwerk waarbij boringen zijn uitgevoerd. Daarnaast is een chemisch-analytisch onderzoek uitgevoerd.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging op het bedrijfsmatige locatie deel wordt bevestigd. Voor de woning en tuin dient de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging te worden verworpen. Dit naar aanleiding van de aangetroffen verontreinigingen in grond en grondwater. Op basis van deze resultaten is de locatie vooralsnog niet geschikt voor het beoogde gebruik.
De sterke verontreiniging in de grond geeft aanleiding tot het nemen van een saneringsmaatregel teneinde de locatie geschikt te maken voor de beoogde bestemming zijnde wonen.
Aanbevelingen
Voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning (bouwen) kan er met behulp van een BUS-melding (gestandaardiseerd saneringsplan) het voornemen tot saneren worden ingediend bij het bevoegd gezag (ODZHZ). De saneringsmaatregel en/of het grondwerk zal uitgevoerd dienen te worden door een voor de BRL 7000 erkende aannemer en begeleid dienen te worden door een voor de BRL 6000 erkende milieukundig begeleider.
Na beëindiging van de saneringswerkzaamheden dient er een BUS-evaluatie van de sanering te worden opgesteld. Dit verslag dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden overlegd, waarna de locatie geschikt kan worden verklaard voor het beoogde gebruik (wonen).
De delen in het plangebied waar puin is aangetroffen wordt op asbest onderzocht conform NEN 5707 en BRL 2000 protocol 2008, dit is noodzakelijk voordat de sloop gaat beginnen. De resultaten zijn van belang voor de omgevingsvergunning en de BUS-melding (Besluit uniforme saneringen). De resultaten zijn niet van belang voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. Onderzoeksbureau Arnicon heeft op 19 januari 2017, in opdracht van de initiatiefnemer, een BUS-melding gedaan met betrekking tot de sanering van de grond (Bijlage 2) .
Adviesbureau Arnicon heeft in november 2016 een verkennend asbestonderzoek voor de bodem uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het aantreffen van een matige puinbijmenging bij een recent uitgevoerd bodemonderzoek, hetgeen is uitgevoerd in verband met de geplande sloop van de huidige bebouwing en de herontwikkeling van de locatie ten behoeve van woningbouw en mede op uitdrukkelijk verzoek van Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.
Het doel van het onderzoek is om na te gaan of er op de locatie sprake is van een bodemverontreiniging met asbest. Aan eventueel andere verontreinigde stoffen wordt in dit onderzoek geen aandacht besteed.
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van de locatie en de directe omgeving. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN 5725, "Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek", januari 2009.
Uit het vooronderzoek is de volgende hypothese naar voren gekomen; op basis van de waargenomen puinbijmenging wordt een deel van de locatie als verdacht aangemerkt ten aanzien van de aanwezigheid van een bodemverontreiniging met asbest.
Verkennend onderzoek
Het asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707 “Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond” (augustus 2016). Handmatig zijn inspectiegaten gegraven van 0,3 x 0,3 m en 0,5 m-mv diep. Voor de inspectiegaten is in het kader van monstername is in het veld een voorbehandeling uitgevoerd. Per inspectiegat is het opgegraven bodemmateriaal gezeefd door een 16 mm zeef en onderzocht op de aanwezigheid van grof asbestverdacht materiaal (>16 mm). Van de uitgezeefde grond zijn enkele (meng)monsters samengesteld door 20 grepen van 0,45 kg te nemen (minimaal 9 kg). Een grondmengmonster wordt in het laboratorium geanalyseerd op asbest.
Resultaten
Uit de resultaten is gebleken dat, ter plaatse de puinhoudende grond onder de asfaltverharding (0,12-0,4 m-mv) gesitueerd tussen de te slopen werkplaats en de Papeweg asbest is aangetoond, maat dat de interventiewaarde van 100 mg/kg ds niet wordt overschreden. Het aangetoonde asbestverontreiniging overlapt wel met de bij het voorgaand onderzoek (Bijlage 1) aangetoonde geval van ernstige bodemverontreiniging met chroom, koper en nikkel.
De onderzoeksresultaten worden representatief geacht voor de bodemkwaliteit met betrekking tot de parameter asbest van de locatie. Voor de betrouwbaarheid van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 van het onderzoek.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging met asbest voor deel van de locatie wordt bevestigd. Op de locatie is echter geen sprake is van een geval van bodemverontreiniging met asbest.
Aanbevelingen
Aanbevolen wordt bij de sanering van de verontreiniging met chroom, koper en nikkel de gehele grond met puin/ funderingslaag onder de asfaltverharding te ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerker. Daarnaast wordt aanbevolen om aanvullend ook controlemonsters van de putbodem op asbest te laten analyseren en de resultaten op te nemen in het evaluatierapport.
Er wordt 15m3 tot 20m3 extra grond gesaneerd met als doel zowel de asbest als de verontreiniging met zware metalen te verwijderen. Een vervolgonderzoek is daarmee niet nodig. De sanering wordt uitgevoerd na de sloop van de opstallen.
Adviesbureau Arnicon heeft in januari 2017 een verkennend- en nader asbestonderzoek voor de bodem uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen Bijlage 4. Het asbestonderzoek heeft tot doel om na te gaan of er op de locatie al dan niet sprake is van een ernstige (bodem)verontreiniging met asbest. Voor een deel van de locatie wordt ook aandacht besteed aan bestrijdingsmiddelen in verband met de ligging nabij een boomgaard.
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van de locatie en de directe omgeving. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN 5725, "Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek", januari 2009.
Op basis van de waargenomen puinbijmenging wordt een deel van de locatie als verdacht aangemerkt ten aanzien van de aanwezigheid van een bodemverontreiniging met asbest. Dit betreft vooral het deel onder de asfaltverharding. Vanwege het gebruik van de locatie in het verleden als boomgaard wordt de locatie als verdacht beschouwt voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging met bestrijdingsmiddelen.
Uit de resultaten is gebleken dat, ter plaatse de puinfunderingslaag grond onder de asfaltverharding (0,2-0,7 m-mv) gesitueerd tussen de te slopen werkplaats en de Papeweg een verontreiniging met asbest is aangetoond, van boven de restconcentratienorm van 100 mg/kg ds. Het aangetoonde asbestverontreiniging overlapt wel met de bij het voorgaand onderzoek (C15-148-O) aangetoonde geval van ernstige bodemverontreiniging met chroom, koper en nikkel.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek is er onder de asfaltverharding sprake van funderingslaag en is er geen sprake van bodem. Formeel is er tussen de te slopen werkplaats en de Papeweg dan ook niet sprake van een geval van bodemverontreiniging, maar is er sprake van een met asbest verontreinigde erfverharding. De grond (0-0,5 m-mv) is niet verontreinigd met bestrijdingsmiddelen.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging met asbest voor deel van de locatie wordt bevestigd. Op de locatie is echter geen sprake is van een geval van bodemverontreiniging met asbest, maar is er sprake van een met asbest verontreinigde erfverharding. Deze erfverharding dient te worden verwijderd.
De grond is niet verontreinigd met bestrijdingsmiddelen. De hypothese verdacht voor verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen dient te worden verworpen.
Aanbevelingen
Aanbevolen wordt bij de verwijdering van de met asbest verontreinigde erfverharding tussen de te slopen werkplaats en de Papeweg te melden aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Na de verwijdering van de met asbest verontreinigde erfverharding zullen controlemonsters van de putbodem en -wanden worden genomen voor analyse op asbest en op koper en de resultaten worden opgenomen in een evaluatierapport ten behoeve van zowel het bevoegd gezag inzake het Besluit asbestwegen milieubeheer als inzake de Wet bodembescherming.
Voor de sanering van de bodemverontreiniging met chroom, koper en nikkel aan de zuidoostzijde van de locatie dient nogmaals een BUS-melding immobiel te worden ingediend bij het bevoegd gezag In paragraaf 4.3.1 is opgenomen dat er door onderzoeksbureau Arnicon op 19 januari 2017 een BUS-melding is gedaan (Bijlage 2) .De melding aan de Inspectie Leefomgeving en Transport zal worden verricht in het stadium van de sloop en bouw ter plaatse van het plangebied, deze melding is niet van belang voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.
De bestaande bebouwing in het plangebied is onderzocht op asbest. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 5.
RPA-advies heeft in januari 2016 een asbest onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Hiervoor is in het plangebied het perceel met bijbehorende opstallen onderzocht. Er is een volledige asbest inventarisatie Type A uitgevoerd voor het gehele object. Een type B inventarisatie was niet nodig omdat er geen vermoeden is dat er verborgen asbest in bijvoorbeeld schoorstenen zit. Voor het onderzoek;
Conclusie
Uit het onderzoek is gebleken dat er asbest is aangetroffen in het plaatmateriaal waarop de bitumen dakbedekking ligt.
Naar aanleiding van deze conclusie is de aanbeveling om de asbest te laten saneren door een gecertificeerd bedrijf. Er zijn geen aanwijzingen gevonden om een type B onderzoek uit te voeren.
Door de omvang van het perceel zal het parkeren op eigen terrein geen belemmeringen opleveren. In de huidige situatie zorgde de aanwezigheid van het garagebedrijf voor een verkeersaantrekkende werking. Door de herontwikkeling van het perceel naar twee woningen zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Alleen bestemmingsverkeer zal naar de woning toe rijden. Om deze redenen wordt een verkeerskundig onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Voor het planvoornemen is het omgevingsaspect archeologie onderzocht omdat uit de archeologische verwachtings- en advieskaart van de Hoeksche Waard blijkt dat het plangebied aangemerkt is als een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Hierdoor geldt voor het gebied een onderzoeksverplichting wanneer er een bouwwerk wordt aangelegd met een oppervlakte van meer dan 100 m² of die dieper dan 0,5 meter onder het maaiveld plaatsvinden. In het kader van de vergunningprocedure voor de planontwikkeling moet dan ook een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek worden uitgevoerd.
SOB Research heeft in mei 2016 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 6. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van het planvoornemen aan de Papeweg 5. Ter plaatste van het plangebied staat nu nog een bedrijfswoning en een bedrijfsloods.
De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn:
Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening.
Doel van het onderzoek
Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is de archeologische verwachting voor de planlocatie nader vast stellen. Het doel van het inventariserend onderzoek is het toetsen van deze verwachting.
Onderzoeksresultaten
Op basis van het door het archeologisch bureauonderzoek verworven informatie is het archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Dit model betreft het opstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting ten aanzien van de mogelijk aanwezige archeologische vondstcomplexen in relatie tot de geologische ondergrond. Voor het verkrijgen van inzicht in de geologische opbouw van het plangebied is gebruik gemaakt van de Geologische kaart van Nederland. Daarnaast zijn er andere archeologische gegevens gebruikt zoals de archeologische verwachtingskaart. Tevens is er voor het bureauonderzoek gebruik gemaakt van historische gegevens, luchtfoto´s en het actueel hoogtebestand Nederland. Alle gevonden gegevens in het bureauonderzoek zijn verwerkt in het archeologisch verwachtingsmodel.
Op basis van het verwachtingsmodel is een plan van aanpak opgesteld. Vervolgens is in het plangebied een booronderzoek uitgevoerd om het verwachtingsmodel te kunnen toetsen.
In het westelijk deel van het plangebied is een bodemopbouw aanwezig met een ophooglaag, op diep reikende (geul-) afzetting van Duinkerk IIIb. De geulafzettingen kunnen worden gerelateerd aan de voormalige geul van het Binnenmaassysteem, een voormalig hoofdloop van het Rijn/Maassysteem. Ter plaatse van het westelijk deel van het plangebied kunnen alleen archeologische resten uit de Nieuwe Tijd worden aangetroffen.
Voor het oostelijk deel van het plangebied geldt dezelfde archeologische verwachting als voor het westelijk deel. Alleen in het oostelijk deel is het mogelijk dat er ook oudere archeologische resten kunnen worden aangetroffen.
Ter plaatse van het plangebied was in ieder geval in het begin van de 19de eeuw een boerderij met erf aanwezig. Deze boerderij is naar alle waarschijnlijkheid in de periode 1600-1810 gebouwd en afgebroken in de periode 1859-1889. Dit betekent dat er bebouwingsresten en afvaldeposities uit deze periode kunnen worden verwacht.
Gezien de verwachte diepte van de met de sloop en de nieuwbouw samenhangende bodemverstoringen zijn de hier te verwachten archeologische resten samenhangend met de boerderij uit de Nieuwe Tijd het meest relevant. Oudere archeologische resten kunnen immers alleen worden verwacht in het oostelijk deel van het plangebied, vanaf een diepte van 3.2 meter beneden het maaiveld.
De resten van de voormalige boerderij kunnen worden verwacht op een diepte van 0.3-1.2 meter. Deze resten kunnen verwacht worden ter plaatste van het gehele noordelijk deel van het plangebied met uitzondering van het meest oostelijk deel van het plangebied.
Aanbevelingen
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan geconcludeerd worden dat de plan realisatie mogelijk zal leiden tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische resten. Archeologisch vervolgonderzoek wordt noodzakelijk geacht. De aanbeveling is om de ondergrondse sloopwerkzaamheden onder archeologische begeleiding te laten uitvoeren. Op basis daarvan kan worden vastgesteld of de aanleg funderingsleuven en de aanleg van leidingen en kabels ook onder archeologische begeleiding moeten worden uitgevoerd.
Voor de archeologische begeleiding zal een Programma van Eisen moeten worden opgesteld welke goedgekeurd moet worden door de gemeente Oud-Beijerland.
In april 2016 heeft Elzerman ecologisch advies een quickscan van de Flora en Fauna in het plangebied uitgevoerd. Het doel van deze quickscan was achterhalen of de bestaande bebouwing een verblijfplaats biedt voor beschermde diersoorten. Het vernietigen van zulke verblijfplaatsen is op grond van de flora en fauna wet verboden. De quickscan is opgenomen in Bijlage 7.
Uit deze quickscan kwam naar voren dat tijdens het veldbezoek aanwijzingen gevonden voor tenminste één broedplaats van de Huismus. Bij het veldbezoek zijn enkele algemeen voorkomende zangvogels waargenomen. Deze soorten kunnen tot broeden komen in de tuin. Alle broedvogels zijn beschermd tijdens de broedtijd. Indien struiken en bomen gesnoeid of verwijderd worden dan dient rekening gehouden te worden met nesten en broedende vogels.
Op verschillende plekken bij de woning zijn openingen aangetroffen die toegang bieden tot de spouwmuur. Hier kunnen vleermuizen gebruik van maken. Het protocol schrijft voor dat de functionaliteit van het gebied voor vleermuizen onderzocht moet worden op basis van tenminste vier bezoeken in de periode half mei - begin oktober. Tenminste twee bezoeken zijn daarvan gericht op het voorjaar en twee op het najaar. Tussen elk bezoek dient tenminste twintig dagen te zitten. In 2016 hebben twee veldbezoeken in juni plaatsgevonden, één in augustus en het laatste veldbezoek is uitgevoerd in september.
In het plangebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Op basis van het biotoop en gebiedsgebruik vallen deze ook niet te verwachten.
In oktober 2016 heeft Elzerman Ecologisch advies een flora en fauna onderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Om de conclusies die uit de quickscan naar voren zijn gekomen, ten aanzien van de huismus en de vleermuizen, nader in beeld te brengen is een vervolgonderzoek uitgevoerd. Wanneer beschermde functies worden aangetroffen is een ontheffing op de flora- en faunawet nodig.
Het onderzoek richt zich op beschermde soorten uit de Flora- en faunawet.
Flora en Fauna wet
In het beginsel zijn alle in Nederland in het wild levende dieren en planten beschermd. De bescherming wordt vormgegeven door verbodsbepalingen en een Algemene Zorgplicht.
Voor bepaalde soorten geldt een vrijstellingsregeling. Uitgangspunt hierbij is dat de werkzaamheden geen afbreuk mogen doen aan de duurzame instandhouding van planten- of dierenpopulaties. Voor soorten die in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn (Tabel 3) worden genoemd en voor de per Algemene Maatregel van Bestuur (Vrijstellingenbesluit) aangewezen zeldzame en bedreigde soorten (Tabel 3) gelden daarnaast verzwaarde eisen.
De aanvragen voor een ontheffing op de Flora- en faunawet worden ingediend en beoordeeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken (Ministerie van EZ). Wanneer de wetgeving van de Flora- en faunawet overtreden wordt dan kan een handhaver het werk stilleggen, de activiteiten verbieden, beëindigen en/of een proces-verbaal opmaken. Een overtreding op de Flora- en faunawet wordt gezien als een economisch delict. Het Openbaar Ministerie zal in het geval van een overtreding uiteindelijk het vonnis uitspreken.
Algemene Zorgplicht (Art. 2)
De Flora- en faunawet richt zich op de bescherming van soorten en niet van individuele dieren. Echter, de intrinsieke waarde van elk individueel dier en plant wordt wel erkend. Mensen mogen hier dus niet onzorgvuldig mee omgaan. Vanuit deze gedachte is de Zorgplicht opgesteld:
De Zorgplicht is een algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt.
Verbodsbepalingen
De bescherming van planten en dieren is gebaseerd op het ‘Nee, tenzij’-principe. Dit wil zeggen, dat in principe werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geen negatief effect mogen hebben op beschermde flora en fauna, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkelingen. Wanneer de activiteiten geen negatief effect hebben op de flora en fauna dan is er geen ontheffing nodig. Het is raadzaam om voor aanvang van een project het voorkomen van beschermde soorten in kaart te laten brengen. Bij een flora en fauna onderzoek wordt niet alleen het voorkomen van een soort binnen het plangebied bepaald, maar ook de mate van aanwezigheid, de functie die het gebied vervult voor de soort en daarmee het effect van de activiteiten op de soort.
De volgende verbodsbepalingen zijn in dit kader van belang:
Afbeelding Verbodsbepalingen
Een aantal soorten flora en fauna kent een zwaarder beschermingsregime (Ministerie van LNV, 2005). Deze soorten zijn verdeeld over drie tabellen in de bijlage van de Flora- en faunawet. Het is mogelijk om voor deze soorten een ontheffing aan te vragen. Dit hangt af van de zeldzaamheid van de soort en de impact van de werkzaamheden. Indien zich nieuwe soorten vestigen in Nederland dan kan dit aanleiding geven tot het opnemen van de soort in één van de tabellen.
In Tabel 1 staan de soorten met het lichtste beschermingsregime. Voor soorten die opgenomen zijn in deze tabel geldt een algemene vrijstelling of ontheffing met lichte toetsing. Dit hangt af van het type activiteit en het effect dat dit heeft op de beschermde soort(en). Bij bestendig beheer, onderhoud en gebruik is in veel gevallen de vrijstellingsregeling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet van toepassing. Als geen sprake is van dit type werkzaamheden dan is een aanvraag voor een ontheffing verplicht. De Algemene Zorgplicht blijft onder alle gevallen wel van kracht.
Bij Tabel 2 is sprake van zwaarder beschermingsregime. Hier dient voor de werkzaamheden, zoals die genoemd zijn bij Tabel 1, te worden gewerkt volgens een Gedragscode. Voor sommige sectoren, zoals de Unie van Waterschappen (2011) en Stadswerk (2014), is een algemene gedragscode opgesteld. In andere gevallen is een gedragscode voor de specifieke situatie verplicht in de vorm van een Ecologisch Werkprotocol. Alleen in die gevallen is ontheffing niet verplicht. Bij de overige activiteiten moet een ontheffing worden aangevraagd die licht wordt getoetst.
Het zwaarste beschermingsregime kent Tabel 3. In deze tabel staan soorten die op Europees niveau onder druk staan. Het zijn soorten, die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en in Bijlage 1 van de Algemene Maatregel van Bestuur. Voor activiteiten gericht op bestendig beheer of gebruik is het verplicht een onderzoek uit te voeren. Een gedragscode volstaat hier niet. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen en werkzaamheden is het bij deze soorten verplicht een ontheffing aan te vragen.
Vrijstellingsregeling afhankelijk van type activiteit
Bij de beoordeling van werkzaamheden op plaatsen waar beschermde soorten voorkomen wordt onderscheid gemaakt in de volgende typen:
Voor activiteiten die jaar op jaar worden uitgevoerd en de ruimtelijke situatie niet ingrijpend veranderen geldt over het algemeen een vrijstelling voor de soorten uit Tabel 1. In het geval van de aanwezigheid van soorten uit Tabel 2 dient te worden gewerkt volgens een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Het element 'bestendigheid' is bij dit type activiteiten zeer belangrijk. Bij bestendig beheer en onderhoud kan worden gedacht aan de voortzetting van bestaand maaibeheer van wegbermen, natuurbeheer en werk aan watergangen. Activiteiten in natuur- en recreatiegebieden, die al langere tijd op dezelfde manier worden uitgevoerd, vormen een voorbeeld van het begrip bestendig gebruik.
De werkzaamheden gericht op ruimtelijke ontwikkeling en inrichting hebben vaak tot gevolg dat de situatie, al dan niet tijdelijk, ingrijpend veranderd. Hierbij kan het gaan om verbouwingen aan een huis, de aanleg van een weg of de aanleg van een nieuwbouwwijk. De impact van dergelijke werkzaamheden op de soorten uit de drie tabellen dient te worden getoetst. Dit leidt mogelijk tot de aanvraag van een ontheffing en/of het treffen van compenserende maatregelen.
Vogels
In de eerder genoemde tabellen zijn vogels niet opgenomen. Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten worden in beginsel gelijkwaardig beschermd. Het is in het algemeen verboden om vogels te doden, te verontrusten, hun nesten of vaste rust- en verblijfplaatsen te verstoren. Indien de werkzaamheden betrekking hebben op bestendig beheer, onderhoud of gebruik dan kan worden volstaan met een goedgekeurde gedragscode. Voor verstoring tijdens het broedseizoen worden geen ontheffingen verleend. Buiten het broedseizoen geven de activiteiten minder problemen. Een uitzondering hierop vormt een selectie aan vogelsoorten die jaarronde bescherming genieten (Ministerie van LNV, 2009). De vaste rust- en verblijfplaatsen en de functionele omgeving van deze soorten mogen ook buiten het broedseizoen niet gestoord worden.
De lijst met jaarrond beschermde soorten is ingedeeld in vijf categorieën. Hiervan zijn in principe de soorten uit de eerste vier categorieën jaarrond beschermd en die uit de vijfde categorie alleen tijdens het broedseizoen. De vaste rust- en verblijfplaats van een soort uit deze laatste categorie kan bij ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden’ jaarrond beschermd worden. Een ecologisch onderzoek naar (broed)vogels dient zich dan ook niet te beperken tot de nesten, maar ook tot het verkrijgen van inzicht in de omgeving.
Voortplantings-, vaste rust- en verblijfplaatsen
Naast de dieren zelf worden ook hun voortplantings-, vaste rust- en verblijfplaatsen beschermd. Onder een voortplantingsplaats wordt niet alleen een nest van een vogel of kolonieverblijf voor vleermuizen verstaan, maar ook de directe omgeving. Sommige soorten fauna zijn zeer kritisch wat betreft hun foerageerplek of slaapplaats. Zij zijn stellen specifieke eisen aan het leefmilieu en kunnen daardoor moeilijk overschakelen op een veranderde situatie. In die gevallen dient een ontheffing te worden aangevraagd wanneer werkzaamheden hier invloed op uitoefenen.
Het onderzoek richtte zich op beschermde soorten van de Flora- en faunawet. Met name de soorten van Tabel 2 en 3 uit de bijlage van de Flora- en faunawet zijn hierbij van belang. Wanneer de werkzaamheden de soorten flora en fauna uit deze tabellen treffen, dan is het werken volgens een goedgekeurde gedragscode of ontheffing verplicht (art. 75). Naast de soorten uit de tabellen vallen ook vogelsoorten, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, onder dit beschermingsregime. Naar aanleiding van de flora en fauna quickscan richtte het vervolgonderzoek zich op de Huismus en vleermuizen. Er zijn soortgerichte inventarisatiemethodieken ingezet om het onderzoek effectief uit te voeren. Een overzicht van de bezoekmomenten is weergegeven in Tabel 1.
Algemene broedvogels en soorten uit Tabel 1 uit de bijlage van de Flora- en faunawet zijn niet uitputtend onderzocht. Wanneer deze soorten werden aangetroffen tijdens het veldonderzoek dan zijn ze wel genoteerd. Deze waarnemingen worden ook kort besproken bij de resultaten.
Jaarrond beschermde vogels: Huismus
Het onderzoek naar de Huismus richtte zich op het in kaart brengen van de voortplantings-, vaste rust- en verblijfplaatsen binnen het projectgebied. Deze vogelsoort is geïnventariseerd tijdens de broedperiode.
Vleermuizen
Voor vleermuizen is het van belang om te onderzoeken welke functie(s) een projectgebied heeft. Naast de verblijfplaatsen zijn ook vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden van vleermuizen beschermd.
Het onderzoek richtte zich specifiek op de Huismus en vleermuizen, omdat uit een quickscan was gebleken dat het projectgebied geschikt was voor deze soorten. Tijdens het broedseizoen zijn de voortplantings-, vaste rust- en verblijfplaatsen van de Huismus in kaart gebracht. Het vleermuisonderzoek is jaarrond uitgevoerd om te bepalen waar zich beschermde functies bevinden. Het flora en fauna onderzoek heeft geleid tot de volgende resultaten:
Huismus
Binnen het projectgebied is één nestplaats vastgesteld. Deze nestplaats maakt deel uit van de groep broedende Huismussen in de woningen aan de Stougjesdijk. De hagen ten zuiden van het projectgebied en de boomgaard worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats. De nesten en vaste rust- en verblijfplaatsen zijn gedurende het gehele jaar beschermd. Door tijdig mitigerende maatregelen te treffen en in de nieuwbouw weer voorzieningen ter compensatie aan te leggen wordt een overtreding van de Flora- en faunawet voorkomen. Middels een ontheffingsaanvraag wordt getoetst of de maatregelen afdoende zijn.
De nestplaatsen van Huismussen (rode stippen) in het broedseizoen 2016. Het blauwe kader geeft een vast verblijfplaats van huismussen aan. Het rode kader geeft het projectgebied
Vleermuizen
Een klein aantal vleermuizen maakt gebruik van het projectgebied. Er zijn geen aanwijzingen dat de woning binnen het projectgebied gebruikt wordt als verblijfplaats. De tuin aan de achterkant van de woning wordt gebruikt als foerageergebied door een drietal Gewone Dwergvleermuizen. Aan de voorkant van de woning, boven de vaart is een Gewone Dwergvleermuis in baltsvlucht gehoord. Er zal geen ontheffing aangevraagd hoeven worden voor vleermuizen.
Locaties waar vleermuizen zijn waargenomen tijdens het onderzoek in 2016. Weergegeven zijn alleen vleermuizen die binding hadden met het gebied. Groene pijl = foerageerroute; Blauw = Gewone Dwergvleermuis. De stippen geven foeragerende exemplaren aan en de sterren baltsende vleermuizen
Er is één beschermde situatie vastgesteld. Het betreft een jaarrond beschermde nestplaats van de Huismus. In het Ecologisch Werkprotocol worden maatregelen benoemd ten behoeve van deze soort. Hiermee wordt voldaan aan de richtlijnen van de Soortenstandaard van het ministerie. Dit kan nog getoetst laten worden middels een ontheffing aan te vragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Echter het gaat om 1 huismus, hiervoor worden maatregelen getroffen (vervangende broedruimte) en tevens wordt buiten het broedseizoen gesloopt, zie 4.7.4.
De nieuwbouw van de twee woningen biedt voldoende mogelijkheden om ook in de toekomst deze objecten aantrekkelijk te maken voor de beschermde Huismus. Door in een vroeg stadium bij de planontwikkeling rekening te houden met flora en fauna kunnen niet alleen de Huismus, maar ook andere planten en dieren profiteren. Een integrale benadering van het groen en bebouwing in de ontwerpfase zorgt voor een prettige leefomgeving voor mens en dier (Kooijmans, 2009).
Zorgplicht en algemene broedvogels
Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient men te allen tijde rekening te houden met de in de Flora- en faunawet opgenomen Algemene Zorgplicht (Art. 2). De Zorgplicht houdt in dat schadelijke effecten aan planten en dieren door menselijk handelen tot een minimum beperkt worden. Deze wettelijke verplichting geldt voor alle flora en fauna in Nederland ongeacht de beschermde status.
De struiken en bomen in het projectgebied bieden mogelijkheden voor broedvogels. Er wordt aanbevolen hiermee rekening te houden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Alle broedende vogels en hun nesten zijn beschermd ex. art. 11 van de Flora- en faunawet. Eventuele bomenkap, snoei- en sloopwerkzaamheden dienen dan ook buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen duurt globaal vanaf half maart tot en met half juli, maar is soortspecifiek en afhankelijk van klimatologische omstandigheden.
Bij de uitvoering van het nieuwbouwproject aan de Papeweg dienen onderstaande richtlijnen gevolgd te worden. In dit Ecologisch Werkprotocol zijn de maatregelen uit de Soortenstandaard van de Huismus (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014) geïntegreerd. Indien het Ecologisch Werkprotocol gevolgd wordt dan wordt een negatief effect van de werkzaamheden voorkomen.
Het Ecologisch Werkprotocol is tijdens de werkzaamheden aanwezig op de projectlocatie. Voor aanvang van de activiteiten worden alle betrokkenen op de hoogte gesteld van de randvoorwaarden uit het werkprotocol. De verantwoordelijken voor de projectleiding, de ecologische begeleiding en uitvoering van het werk leggen dit vast middels een ondertekening van het parafenblad (zie voorbeeld in Bijlage 1 bij Onderzoek Flora & Fauna Papeweg 5, Elzerman Ecologisch advies, 2016 (projectnummer 2016-08)). Indien gedurende de uitvoering afgeweken wordt van het Ecologisch Werkprotocol dan wordt dit eerst besproken met de betrokken ecoloog. De afwijkingen worden vastgelegd in een logboek.
Na afloop van de werkzaamheden wordt verslag gedaan van de uitgevoerde maatregelen.
Nestkasten
Er is een dubbele nestplaats van het type "NK MU 01 Nestkast Mus (Vivara)" gerealiseerd. De nestkast is bevestigd aan de woning aan de Stougjesdijk 259 te Oud-Beijerland. Deze woning staat op ca. 25 meter van de huidige broedplaats van het mussenpaartje.
De nestkast is gesitueerd net onder de dakgoot op ca. 3 meter hoogte. De nestkast zal niet de hele dag in de zon hangen maar ook niet de hele dag in de schaduw. Het wordt dus niet te warm of te koud. Er zijn voldoende schuilmogelijkheden voor de mussen in de buurt van de nestkast in de vorm van struiken en andere begroeiing.
Geplaatste nestkasten
In 2016 heeft Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek voor het planvoornemen uitgevoerd, het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 9.
Aanleiding van het akoestisch onderzoek is een wijzigingsprocedure van het bestemmingsplan om de voorgenomen nieuwbouw mogelijk te maken. Het akoestisch onderzoek maakt onderdeel uit van deze procedure en heeft tot doel de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai te bepalen en deze te toetsen aan de normen uit de Wet geluidhinder.
Op grond van de Wet geluidhinder is het verplicht bij wijziging van een bestemmingsplan, waarbij nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt die zijn gelegen binnen een geluidzone, de geluidbelasting middels een akoestisch onderzoek vast te stellen. Het nieuwbouwplan ligt binnen de geluidzone van de Stougjesdijk, de Wet geluidhinder is dus van toepassing.
Algemeen
De regels (grenswaarden) met betrekking tot de (maximaal) toelaatbare hoeveelheid geluid afkomstig van een industrieterrein, weg of spoorweg, zijn opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeerslawaai is hoofdstuk VI van de Wgh van toepassing, voor industrielawaai geldt dat hoofdstuk V van de Wgh van toepassing is en voor spoorweglawaai is hoofdstuk VII van de Wgh van toepassing.
De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen een conform deze wet geldende geluidszone. De grenswaarden (voorkeursgrenswaarde en ten hoogste toelaatbare waarde) uit de Wet geluidhinder zijn van toepassing op de geluidsbelasting op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen (o.a. woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen in het water, scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen).
In artikel 1 en artikel 1b lid 4 van de Wet geluidhinder is de volgende definitie opgenomen voor het begrip gevel: de bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak.
In afwijking van artikel 1 wordt onder een gevel in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan:
Daarnaast gelden voor de verschillende geluidgevoelige ruimten in de verschillende geluidgevoelige bestemmingen, afhankelijk van het gebruik van de ruimte, afwijkende normen met betrekking tot de toelaatbare geluidbelasting binnen deze ruimten.
Wegverkeerslawaai
De regels en normen die gelden voor wegverkeerslawaai zijn opgenomen in hoofdstuk VI “Zones langs wegen” van de Wet geluidhinder. De regels en normen uit de Wet geluidhinder (Wgh) gelden binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. De breedte van de zone van een weg is geregeld in afdeling 1 “Omvang geluidzones” van genoemd hoofdstuk.
Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder heeft elke weg een geluidzone, met uitzondering van de volgende wegen:
De breedte van een zone is, op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder, afhankelijk van de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied en van het aantal rijstroken.
De afstanden, genoemd in artikel 74, eerste lid, worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook.
In onderstaande tabel staan de zones langs wegen weergegeven.
| Aantal rijstroken | Zone in stedelijk gebied | Zone in buitenstedelijk gebied |
| 1 of 2 rijstroken | 200 meter | 250 meter |
| 3 of 4 rijstroken | 350 meter | 400 meter |
| 5 of meer rijstroken | 350 meter | 600 meter |
Tabel Zonebreedtes wegen
In de nabijheid van de onderzoekslocatie liggen de Stougjesdijk en de Papeweg. Deze wegen liggen ter plaatse van de planlocatie in stedelijk gebied, hebben een maximaal toegestane rijsnelheid van 50 km/uur en bestaat grotendeels uit een rijstrook. De zonebreedte van deze wegen is daarom 200 meter.
De ontwikkellocatie is direct aan de kruising van de beide wegen gelegen en ligt daarmee binnen de geluidzone van beide wegen. Er dient dus getoetst te worden aan de Wet geluidhinder.
Aangezien de Papeweg een doodlopende weg is en alleen voor bestemmingsverkeer gebruikt wordt, wordt aangenomen dat deze weg een dermate lage verkeersintensiteit heeft, dat deze niet relevant is voor onderhavig onderzoek.
In de Wet geluidhinder wordt voor wegverkeerslawaai onderscheid gemaakt in nieuwe situaties, bestaande situaties en reconstructies. De grenswaarden en regels die hierbij gelden zijn opgenomen in de onderstaande afdelingen (artikelen) van hoofdstuk VI ''Zones langs wegen'' van de Wet geluidhinder:
Voor onderhavige situatie is de afdeling 2 van toepassing.
Conform de Wet geluidhinder worden bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de waarden van de geluidbelasting van de gevel van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone, in acht genomen.
Op grond van artikel 82 bedraagt de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg 48 dB. In afwijking hierop kan op grond van de artikelen 83 tot en met 85 een hogere waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor woningen in buitenstedelijk gebied de 53 dB niet te boven mag gaan en voor woningen in stedelijk gebied de 63 dB niet te boven mag gaan.
In onderhavige situatie is de ontwikkellocatie gelegen in stedelijk gebied en is uitgegaan van een ontheffingswaarde van maximaal 63 dB.
De in dit onderzoek opgenomen geluidbelastingen voor het prognosejaar 2027 zijn berekend volgens standaardrekenmethode II uit het 'Reken- en meetvoorschrift geluid 2012' (RMV 2012), als bedoeld in artikel 110 van de Wet geluidhinder.
Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwbouwwoning nabij de Stougjesdijk (086) ten hoogste 47 dB bedraagt. Deze geluidbelasting wordt berekend op de 1e verdiepingshoogte van de rechter zijgevel van de nieuwbouwwoning (toetspunt 2, gelegen parallel aan de Stougjesdijk). Op de begane grondhoogte van de rechter zijgevel wordt een geluidbelasting van ten hoogste 46 dB berekend.
De geluidbelasting op de voorgevel van de woning (toetspunt 1, parallel aan de Papeweg) bedraagt ten hoogste 42 dB en is berekend op de verdiepingshoogte. Op de achtergevel wordt een geluidbelasting van ten hoogste 45 dB berekend. De geluidbelasting op de linker zijgevel bedraagt 37 dB.
Afbeelding rekenresultaten woning 086 vanwege de Stougjesdijk, inclusief aftrek art. 110g Wgh.
Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwbouwwoning (079) ten hoogste 42 dB bedraagt. Deze geluidbelasting wordt berekend op de 1e verdiepingshoogte van de achtergevel van de nieuwbouwwoning (toetspunt 3). Op de begane grondhoogte van de achtergevel wordt een geluidbelasting van ten hoogste 39 dB berekend.
De geluidbelasting op de voorgevel van de woning (toetspunt 1, parallel aan de Papeweg) bedraagt ten hoogste 38 dB en is berekend op de verdiepingshoogte. Op de rechter zijgevel wordt een geluidbelasting van ten hoogste 39 dB berekend en op de linker zijgevel bedraagt de berekende geluidbelasting ten hoogste 29 dB.
Afbeelding rekenresultaten woning 079 vanwege de Stougjesdijk, inclusief aftrek art. 110g Wgh.
Bij beide woningen wordt geheel voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting te reduceren is daarmee niet noodzakelijk.
Aangezien in onderhavig onderzoek de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden, is toetsing aan het gemeentelijk hogere waardenbeleid voor beide woningen niet relevant.
De minimumeis voor de karakteristieke geluidwering is op grond van het Bouwbesluit 20 dB.
Daarnaast is in het Bouwbesluit bepaald dat de karakteristieke geluidwering van de gevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en 33 dB in geluidgevoelige ruimtes.
De geluidbelasting op de gevels waar mee gerekend moet worden is exclusief aftrek ingevolge art. 110g van de Wet geluidhinder.
Aangezien er vooralsnog voor beide woningen geen hogere waarde hoeft te worden vastgesteld, geldt voor de woningen dat zij alleen dienen te voldoen aan de minimale eis voor de karakteristieke geluidwering van 20 dB. Een berekening naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie is daarom niet noodzakelijk.
Het planvoornemen valt onder het zogeheten 'niet in betekenende mate' beginsel waardoor een onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt het aspect bedrijven- en milieuzonering onderzocht.
Ter plaatse van het perceel aan de Stougjesdijk 252 is sprake van een bestaande boomgaard, waarbij het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet expliciet is uitgesloten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een afweging tussen het gebruik van bestrijdingsmiddelen en de volksgezondheid plaats te vinden. Ofwel een afweging tussen enerzijds de belangen van de exploitant voor wat betreft de voortzetting van de exploitatie van de boomgaard en anderzijds het belang van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de Afdeling een afstand van vijftig meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk acht (Uitspraak Raad van State 201402301/3/R3). Dit brengt echter niet met zich mee dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn, indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag ligt.
Een mogelijkheid om de afstand te verkleinen is het nemen van locatiespecifieke maatregelen.
Op grond van het nieuwe artikel 3.78a Activiteitenbesluit milieubeheer wordt het verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75% (DRT75 techniek). Vanaf het moment dat het genoemde artikel in werking treedt, dient bij de ruimtelijke beoordeling met deze verplichting rekening te worden gehouden. Een driftreductie van 75% is relevant voor het bepalen van de omvang van de spuitzone tot gevoelige objecten. De nieuwe regeling (voorpublicatie Staatscourant, 06-07-2016) leidt er toe, dat spuitzones over het algemeen minder breed hoeven te zijn. Aangezien het bestemmingsplan bewoning mogelijk maakt welke niet eerder dan 2018 gerealiseerd kan worden, wordt geanticipeerd op de nieuwe regeling.
Op grond van het nieuwe artikel wordt de afstand, waarmee rekening moet worden gehouden, teruggebracht naar 25 meter in plaats van de 50 meter, die op grond van het 'oude' artikel geldt.
Een mogelijkheid om de afstand te verkleinen is het toepassen van afschermende maatregelen. Voor de toekomstige situatie waarbij een minimaal DRT75 techniek op het perceel gebruikt moet worden, is de benodigde aan te houden afstand 30 m vanaf de laatste bomenrij in de kale boom situatie en 25 m in de volblad situatie. Deze afstand kan verkleind worden tot 20 m en 5 m voor respectievelijk de kale boom en volblad situatie door de aanwezigheid van een windhaag. Wordt een dubbele windhaag of houtwal of een groenblijvende windhaag geplaatst, dan is er zowel in de kale boom als de volblad situatie direct achter de haag of houtwal geen overschrijding. Ter afscherming van de genoemde drift wordt daarom in dit plan een groenblijvende haag gerealiseerd. Daardoor wordt theoretisch de aan te houden afstand met het oog op afscherming van de drift van de gewasbeschermingsmiddelen tussen de boomgaard en de woningen teruggebracht naar nul meter. In de praktijk moet nog wel rekening worden gehouden met de ruimte die nodig is voor de aan te planten haag.
Er is een voorwaardelijke verplichting) opgenomen in de regels (artikel 3, sublid 3.4.3) voor het plaatsen van de haag Door deze voorwaardelijke verplichting is er geen sprake van belemmering van de voortzetting van de exploitatie van de boomgaard en ter plaatse van de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Een nader onderzoek naar het omgevingsaspect bedrijven- en milieuzonering is niet uitgevoerd omdat de mogelijke hindergevende activiteiten een acceptabel woon- en leefklimaat niet in de weg staan.
Het omgevingsaspect externe veiligheid wordt niet nader onderzocht. Mogelijke risicovolle leidingen liggen op ruim 880m van het plangebied. Over de nabijgelegen N217 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op grond van het Besluit transportroutes externe veiligheid gelden op een afstand van meer dan 200 meter geen ruimtelijke beperkingen. De N217 ligt op een afstand van 575 meter.
Ook nabijgelegen stationaire bronnen met bijbehorende risicocontouren liggen niet binnen het plangebied.
Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels verhard. De watertoets laat zien, dat de herontwikkeling niet leidt tot een toename van het verhard oppervlak. Om deze reden is aanvullend onderzoek niet nodig.
De nabij gelegen Stougjesdijk is niet opgenomen in de legger van waterkeringen en heeft dan ook geen waterstaatkundige functie. De terreinverharding is al aanwezig, de herontwikkeling leidt niet tot een toename van het verharde oppervlak. Van compenserende maatregelen is dus geen sprake. Ruimtelijk gezien is er geen belemmering om het bestemmingsplan aan te passen. Om die redenen wordt het aspect water niet nader onderzocht.
De woningen worden aangesloten op de rioleringsbuis met persleiding die is gelegen in het plangebied (zie paragraaf 4.13). Het hemelwater wordt afgevoerd naar de naastgelegen sloot aan de westzijde van het plangebied.
Een belangrijk aandachtspunt is wel dat langs het perceel Stougjesdijk een wegsloot loopt welke in beheer en onderhoud is bij het waterschap. De Papeweg is in beheer en eigendom van het waterschap. Werken nabij deze waterstaatswerken zijn op grond van de Keur van Waterschap Hollandse Delta 2014 vergunningplichtig.
Binnen het plangebied is een rioleringsbuis met persleiding gelegen. Deze is opgenomen in een privaatrechtelijke overeenkomst. Hierin is geregeld dat ten behoeve van het onderhoud, deze leiding bereikbaar moet zijn voor de leidingbeheerder. De pompkast van de leiding is gelegen op het perceel van 1 van de 2 woningen. In de toekomstige situatie wordt ter plaatste van deze kast geen bebouwing aangebracht waardoor de kast bereikbaar blijft.
Ook wordt onderzocht of deze kast verplaatst kan worden richting de Stougjesdijk, waardoor deze kast geen belemmering meer vormt voor de tuinaanleg.
Afbeelding Ligging pompkast persleiding
De Ladder voor duurzame verstedelijking levert geen belemmering op voor het planvoornemen. Evenals de omgevingsaspecten; verkeer & parkeren, luchtkwaliteit, bedrijven- & milieuzonering, externe veiligheid, water en kabels & leidingen. Ten aanzien van het laatstgenoemde aspect, is het wel van belang dat de leiding bereikbaar blijft voor onderhoud.
Om de locatie geschikt te maken zijn er aanvullende maatregelen nodig ten aanzien van:
Voordat dit bestemmingsplan rechtskracht verkrijgt, dient de bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen, zoals
deze is neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de uitkomsten van het bestuurlijk vooroverleg (conform artikel 3.1. Bro) met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met de diensten van de Provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn
Ingevolge de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure dienen alle ruimtelijke plannen te worden voorbereid met
toepassing van het in afdeling 3.4 Awb geregelde voorbereidingsprocedure. In deze periode kunnen belanghebbenden hun zienswijzen naar voren brengen. Hierna nemen burgemeester en wethouders een besluit over vaststelling van het bestemmingsplan en nemen daarbij ook een standpunt in met betrekking tot eventueel ingediende zienswijzen. Mochten er eventuele zienswijzen worden ingediend dan zullen deze vervolgens verwerkt worden. Na deze fase wordt het vaststellingsbesluit ter inzage gelegd. Tegen het vaststellingsbesluit van burgemeester en wethouders kan door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Gezien de ligging van het plangebied en het beperkt aantal belanghebbende wordt de inspraakverordening niet toegepast.
In het kader van het vooroverleg conform ex artikel 3.1.1 Bro zijn reacties ontvangen van de Provincie en het Waterschap. De reactie van de Provincie heeft geleid tot een aanpassing van paragraaf 3.2 (vigerend Provinciaal beleid). In deze paragraaf is met name aandacht besteed aan de Provinciale Verordening ruimte en het handelingskader ruimtelijke kwaliteit in paragraaf 3.2.2.
Vanaf 17 december 2016 tot en met vrijdag 27 januari 2017 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegen. Gedurende deze periode was het voor één ieder mogelijk zijn zienswijze kenbaar te maken.
Gedurende de ter inzage periode zijn er geen zienswijzen ontvangen.
In het voorontwerp bestemmingsplan was de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 opgenomen. Deze dubbelbestemming is geschrapt in het voorliggende bestemmingsplan.
Het plangebied is niet aangewezen als AMK terrein, daarom is de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 verwijderd. Middels deze bestemming wordt namelijk het behoud en de bescherming van archeologische vindplaatsen vastgelegd.
Met betrekking tot archeologie wordt aangesloten bij de archeologische beleidskaart en het ontwerp bestemmingsplan 'parapluplan Archeologie en Parkeren' van de gemeente Oud-Beijerland. Met betrekking tot de archeologische waarden in het plangebied is de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3 opgenomen.
Het bestemmingsplan is na de verwerking van ambtshalve wijzigingen gewijzigd aangeboden aan de raad en op 28 maart 2017 door de gemeenteraad van Oud-Beijerland vastgesteld.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn.
Tussen de gemeente en de ontwikkelaars van het planvoornemen is een anterieure overeenkomst gesloten. Het doel van deze overeenkomst is het vastleggen van de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt over het planvoornemen van de ontwikkelaar. Met het ondertekenen van deze overeenkomst is het verhaal van gemeentelijke kosten afdoende verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is.
Op 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden. Het bestemmingsplan Papeweg 5 en 7, Oud-Beijerland moet daarom voldoen aan de bepalingen van de Wro en de daaruit volgende aanvullende regelingen. De Wro en het Bro stellen de digitalisering van ruimtelijke plannen en besluiten volgens daartoe gestelde standaarden verplicht. De digitaliserings- en standaardisatieverplichting is op 1 januari 2010 in werking getreden.
Het Bro stelt verplicht dat een bestemmingsplan in digitale vorm volgens de ro-standaarden voor de digitalisering wordt vastgesteld. Voor nieuwe bestemmingsplannen is er altijd een digitaal plan, welke prevaleert boven het analoge, afgedrukte plan.
Het voorliggende bestemmingsplan is ontwikkelingsgericht. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opbouw en inhoud van de regels van het bestemmingsplan. De regels zijn de juridische vertaling van de gemaakte keuzes voor dit plangebied.
Voor dit bestemmingsplan wordt de coördinatieregeling toegepast waarbij het bestemmingsplan gelijktijdig met de aanvraag omgevingsvergunning ter visie worden gelegd.
Dit bestemmingsplan bestaat uit een GML-bestand, regels en een toelichting. Het GML-bestand bevat de verbeelding (plankaart), waarin verwijzingen zijn opgenomen naar de planteksten (regels en de toelichting). Het GML-bestand (plankaart) vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Op grond van de Wro moeten alle plannen volgens de standaarden voor vergelijkbare bestemmingsplannen, de SVBP 2012, in elektronische vorm worden vastgesteld en vervolgens beschikbaar gesteld. Daarnaast moet een versie van het plan in analoge vorm worden vastgesteld. Op de analoge verbeelding van het bestemmingsplan (plankaart) wordt door middel van letters, kleuren, cijfers, lijnen en aanduidingen het toegestane gebruik van de gronden en de bouwregels aangegeven. Mocht tussen de inhoud van het analoge/papieren plan en de elektronische weergave/digitale vorm een verschillende uitleg mogelijk zijn, dan prevaleert de elektronische weergave of plan in digitale vorm.
In de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen, de SVBP 2012, is voorgeschreven hoe de regels van het bestemmingsplan dienen te worden opgebouwd. Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid dienen de regels in hoofdstukken te worden geplaatst. Daarbij dient een vaste volgorde te worden aangehouden.
In dit hoofdstuk worden de begrippen en de wijze van meten verklaard.
In dit artikel worden een aantal begrippen verklaard die voorkomen in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de
uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.
In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.
In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitbepalingen opgenomen.
De gronden met bestemming Wonen - Linten zijn bestemd voor wonen met daarbij behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Op deze gronden is ten hoogste één woning per bestemmingsvlak toegestaan.
In de specifieke gebruiksregels behorend bij Artikel 3 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in 3.4.3. In deze verplichting is opgenomen dat gronden en bouwwerken alleen mogen worden gebruikt mits een groenblijvende haag van 2,5 meter wordt aangeplant en in stand wordt gehouden. Deze haag dient ter afscherming van de drift van gewasbeschermingsmiddelen welke mogen worden gebruikt in het kader van de exploitatie van de boomgaard. De verplichting is niet meer van toepassing indien de exploitatie van de boomgaard ter plaatse van het perceel aan de Stougjesdijk 252 is beëindigd.
Artikel 4 Waarde - Archeologie 3
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aanwezige archeologische waarden.
Op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Hier kan van worden afgeweken met een omgevingsvergunning. Voor deze vergunning moet een archeologisch rapport worden opgesteld en wordt er advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige. Het verbod dat er niet gebouwd mag worden is niet van toepassing indien;
In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld.
Het artikel "Anti-dubbeltelregel" bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.
In dit artikel is een aantal aanvullende bouwbepalingen geregeld die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Zoals mogelijkheden voor ondergrondse bebouwing.
Artikel 7 Algemene gebruiksregels
Deze bepaling regelt het verbod om gronden te bebouwen of te gebruiken in strijd met de bestemming. Bijvoorbeeld zijn in dit artikel regels gesteld voor voldoende parkeergelegenheid.
Artikel 8 Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn specifieke gebiedsaanduidingen opgenomen. In dit artikel is één aanduiding voor een vrijwaringszone opgenomen 'vrijwaringszone - ehs' om landschappelijke en ecologische waarden te beschermen en te ontwikkelen.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsregels uit de diverse bestemmingen nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In de overgangsbepalingen 'Artikel 10 Overgangsrecht' is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.
In Artikel 11 Slotregel is de officiële naam Papeweg 5 en 7, Oud-Beijerland van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan aangehaald worden.