| Plan: | Paradijsweg 19 Ter Aar |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0569.wpTARparadijsweg19-va01 |
Op het perceel Paradijsweg 19 te Ter Aar werd een agrarisch bedrijf (glastuinbouw) beoefend. De eigenaar heeft zijn werkzaamheden beëindigd en de agrarische gronden en bedrijfsbebouwing verkocht aan een naburig agrarisch bedrijf. Alleen de agrarische bedrijfswoning heeft de eigenaar behouden. Deze woning heeft zijn functie als bedrijfswoning verloren aangezien deze geen relatie meer heeft met een agrarisch bedrijf. Feitelijk wordt deze woning thans gebruikt als burgerwoning. Het is daarom wenselijk om de planologische status van deze woning te wijzigen van bedrijfswoning naar burgerwoning.
De functiewijziging van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning is onder voorwaarden mogelijk binnen de regels van het geldende bestemmingsplan 'Glastuinbouw'. In dit bestemmingsplan is hiervoor een zogenaamde wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee de huidige bestemming 'Agrarisch - Bedrijfswoning' gewijzigd kan worden in 'Wonen'. Met het voorliggende wijzigingsplan wordt invulling gegeven aan deze wijzigingsbevoegdheid om de functiewijziging van de woning planologisch-juridisch te regelen.
Het plangebied is gelegen aan de Paradijsweg 19 te Ter Aar en omvat de gronden met de voormalige agrarische bedrijfswoning en bijbehorend erf en tuin, voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn. De gronden voor de voorgevelrooilijn hebben in het geldende bestemmingsplan 'Glastuinbouw' reeds de bestemming 'Tuin' en zijn derhalve al correct bestemd. Deze gronden blijven daarom buiten het plangebied. In figuur 1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven. Deze begrenzing is gelijk aan het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Bedrijfswoning', zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Glastuinbouw'. Het plangebied grenst aan de noord- en oostzijde aan een watergang. Aan de zuidzijde grenst het aan het woonperceel Paradijsweg 19a. De westelijke grens wordt bepaald door het verlengde van de voorgevelrooilijn van de voormalige agrarische bedrijfswoning op het perceel.
Figuur 1 - bestaande situatie plangebied
Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' dat op 28 maart 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld, in combinatie met het bestemmingsplan 'Glastuinbouw, 1e herziening' dat op 1 december 2016 is vastgesteld.
Het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' wordt ook wel het ‘moederplan’ genoemd. Het plangebied heeft in dit plan geheel de bestemming 'Agrarisch - Bedrijfswoning' (artikel 4) en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' (zie figuur 2).
Figuur 2 - uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan Glastuinbouw
(planlocatie rood omkaderd)
De voor 'Agrarisch - Bedrijfswoning' aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarische bedrijfswoning met daarbij behorende bebouwing, erven, in- en uitritten, bedrijfsgronden en voorzieningen waaronder water- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Per bestemmingsvlak is niet meer dan het bestaande aantal bedrijfswoningen toegestaan. De inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m³ en de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 6 en 10 meter.
Gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Volgens deze bestemming is het verboden om zonder omgevingsvergunning bouw- of grondwerkzaamheden te verrichten. Wel geldt er een zogenaamde 'ondergrens' voor de vergunningplicht. In paragraaf 5.10.2 van deze toelichting wordt hierop nader ingegaan.
De gronden in het plangebied zijn in het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' tevens voorzien van de aanduidingen 'zone - concentratiegebied' en 'luchtvaartverkeerzone 20 KE'. Ter plaatse van de aanduiding 'zone - concentratiegebied' is het beleid gericht op de concentratie van glastuinbouw, hetgeen tot uiting komt in de bouwmogelijkheden en de wijzigingsmogelijkheden in dit gebied die opgenomen zijn in het bestemmingsplan 'Glastuinbouw'. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - 20 KE' geldt het vrijwaringsbeleid in de 20 KE zone rond Schiphol, en zijn geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen en terreinen toegestaan.
Wijzigingsbevoegdheid
In artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de bestemming 'Agrarisch - Bedrijfswoning' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' indien de desbetreffende woning niet meer als bedrijfswoning functioneert. Van deze wijzigingsbevoegdheid wordt in het voorliggende wijzigingsplan gebruik gemaakt om de functie van de voormalige bedrijfswoning Paradijsweg 19 te wijzigen in een burgerwoning. De wijzigingsbevoegdheid kan alleen worden toegepast als voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. In Hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op deze voorwaarden en de inhoudelijke toetsing daarvan.
De toelichting van het wijzigingsplan is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande en de toekomstige situatie beschreven. Daarna wordt in hoofdstuk 3 kort ingegaan op het beleidskader. In hoofdstuk 4 komt de toetsing aan de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' aan de orde. Hoofdstuk 5 omvat een verantwoording ten aanzien van de milieu- en omgevingsaspecten die van belang zijn voor het wijzigingsplan. Hoofdstuk 6 staat in het teken van de 'Juridische aspecten' van het plan. Het betreft een toelichting op de verbeelding (plankaart) en regels. Tot slot is hoofdstuk 7 gewijd aan de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft zowel de economische als ook de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Op het perceel Paradijsweg 19 te Ter Aar was een glastuinbouwbedrijf gevestigd. Het bedrijf heeft jarenlang succesvol gedraaid. Omdat er geen opvolging was, is het bedrijf beëindigd. De agrarische gronden en bedrijfsbebouwing zijn verkocht aan een naburig glastuinbouwbedrijf. Deze gronden en bebouwing behouden zo hun agrarische functie en het naburige bedrijf heeft door de schaalvergroting meer toekomstperspectief.
De voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 met bijbehorend erf en tuin zijn nog in handen van de voormalige bedrijfseigenaar. Het betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Ter Aar, sectie A, nummers 8599 en 8601. In de huidige situatie wordt deze woning gebruikt als burgerwoning. Er bestaat immers geen relatie meer tussen deze woning en een agrarisch bedrijf.
Figuur 3 - luchtfoto bestaande situatie (rood omkaderd het plangebied)
Het perceel Paradijsweg 19 ligt direct ten zuidoosten van en parallel aan de Paradijsweg. Het perceel wordt aan drie zijden omgeven door water. Ten zuidoosten is een watergang van 10 meter breed aanwezig. Deze watergang is recentelijk aangebracht, waardoor een ruimtelijke scheiding is ontstaan tussen de voormalige bedrijfswoning en de agrarische gronden en bedrijfsbebouwing die voorheen tot het glastuinbouwbedrijf behoorden. Deze gronden en bebouwing liggen namelijk aan de overzijde van deze watergang. Ten noordoosten ligt een smalle watergang met aan de overzijde een tuinbouwbedrijf. Noordwestelijk bevindt zich een watergang die parallel loopt aan de Paradijsweg. Aan de zuidwestzijde grenst het perceel aan het woonperceel Paradijsweg 19a.
De voormalige bedrijfswoning op het perceel Paradijsweg 19 bestaat uit één bouwlaag met een kap. Achter de woning staan enkele bijgebouwen. Ook bevindt zich daar een moestuin met een hobbykas. Het perceel wordt via een gezamenlijke in- en uitrit met nummer 19a ontsloten op de Paradijsweg.
Figuur 4 - voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 (bron: Google streetview)
Het plangebied van het wijzigingsplan omvat niet het gehele perceel Paradijsweg 19. De gronden voor de voorgevelrooilijn van de voormalige bedrijfswoning zijn niet in het plangebied opgenomen. Hier bevindt zich de voortuin. Deze gronden hebben reeds de bestemming 'Tuin' en kunnen daarom buiten het plangebied blijven.
In de toekomstige situatie zal er op het perceel Paradijsweg 19 ten opzichte van de huidige situatie ruimtelijk gezien geen verandering plaatsvinden. Er is geen uitbreiding van de bebouwing of herinrichting van de tuin/het erf voorzien. De agrarische bedrijfswoning op het perceel heeft zijn functie voor de bedrijfsvoering verloren aangezien het agrarisch bedrijf is beëindigd. De voormalige agrarische bedrijfswoning wordt feitelijk reeds gebruikt als burgerwoning. De planologische situatie zal hiermee in overeenstemming worden gebracht door de bestemming 'Agrarisch - Bedrijfswoning' te wijzigen naar 'Wonen'. Hiermee is enkel sprake van een planologische functiewijziging. Deze functiewijziging is ruimtelijk aanvaardbaar. Toekomstig gebruik van de woning als agrarische bedrijfswoning is niet langer reëel. Het naburige glastuinbouwbedrijf dat de agrarische gronden en bedrijfsbebouwing heeft aangekocht beschikt reeds over een bedrijfswoning. Dit geldt ook voor andere agrarische bedrijven in de directe omgeving. De functiewijziging leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen over de Paradijsweg ten opzichte van de huidige situatie. De ontsluiting van de woning op de Paradijsweg wijzigt niet. Er is in de huidige situatie al voldoende ruimte op eigen terrein aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte van de woning (zie ook paragraaf 3.4.5).
De functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning is vastgelegd in de regels en op de verbeelding van het wijzigingsplan.
In het wijzigingsplan krijgt het gehele plangebied de bestemming 'Wonen'. Daarbij is het bestemmingsvlak 'Wonen' voorzien van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden: 1'. Er is daardoor maximaal 1 woning toegestaan in het plangebied. Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende bebouwing, erven en voorzieningen waaronder begrepen in- en uitritten, parkeervoorzieningen en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
De regels uit het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' zijn van toepassing voor het wijzigingsplan. Deze regels zijn daartoe in de regels van het wijzigingsplan één op één van toepassing verklaard. In de regels zijn onder meer de maximale inhoud, goot- en bouwhoogten van woningen en bijbehorende bouwwerken vastgelegd. De inhoud van een woning mag maximaal 750 m³ bedragen. De maximale goot- en bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 6 respectievelijk 10 meter.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en de gebiedsaanduidingen 'luchtvaartverkeerzone - 20KE' en 'overige zone - concentratiegebied' uit het vigerende bestemmingsplan zijn één-op-één overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Deze omvatten het gehele plangebied. Figuur 5 toont de verbeelding van het wijzigingsplan.
Figuur 5 - verbeelding wijzigingsplan 'Paradijsweg 19 Ter Aar'
Het voorliggende plan is een wijzigingsplan dat uitsluitend de functiewijziging van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk maakt.
Omdat het plan is opgesteld overeenkomstig de wijzigingsregels uit het vigerende bestemmingsplan 'Glastuinbouw' wordt een uitgebreide beleidsmatige afweging niet nodig geacht. Deze heeft reeds plaatsgevonden bij het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid in het 'moederplan'. Het van toepassing zijnde beleid van het rijk, de provincie, de regio en de gemeente is in hoofdstuk 5 van de toelichting van het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' uitgebreid beschreven, waarnaar dan ook wordt verwezen.
Nadien is er op alle bestuursniveaus recenter beleid vastgesteld, maar in relatie tot de ontwikkeling die door het voorliggende wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt (functiewijziging van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning), zijn er geen andere beleidsmatige uitgangspunten of gewijzigde feiten en omstandigheden die nopen tot een andere belangenafweging. Desalniettemin zal een aantal (recentere) beleidskaders die normaliter in een ruimtelijk plan worden beschreven, hierna worden toegelicht.
De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en is vanaf 12 februari 2021 bindend voor het Rijk als geldende visie onder Wet ruimtelijke ordening.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen.
De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat.
In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten:
Om dit te bereiken zijn 21 nationale belangen in de NOVI benoemd waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie 3.3.2.
Relatie met het plangebied
In de NOVI worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het onderhavige plangebied. Wel is het nationale belang 'het realiseren van een goede omgevingskwaliteit' relevant. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 5. Gezien de aard, omvang en ligging van de met het plan beoogde ontwikkeling – een functiewijziging van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning - zijn er geen andere nationale belangen uit de NOVI in het geding. De functiewijziging past binnen de beleidsuitgangspunten van de NOVI.
Ten behoeve van de bescherming en de verwezenlijking van de nationale belangen, worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) algemene regels voorgeschreven die bindend zijn voor de lagere overheden als provincie en gemeente. Hoewel in het Barro de kaderstellende uitspraken uit de voorheen geldende SVIR werden bevestigd, blijven deze ook onder de NOVI gelden. Het gaat hierbij onder meer om de volgende onderwerpen:
Relatie met het plangebied
Het plangebied raakt niet aan een van de nationale belangen van het Barro. Derhalve is de functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning in het plangebied niet strijdig met het nationaal ruimtelijk belang, zoals neergelegd in het Barro.
Om de ruimte zorgvuldig te benutten en overprogrammering te voorkomen is in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Deze houdt in dat indien een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, de behoefte aan die ontwikkeling moet worden beschreven en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, gemotiveerd moet worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Relatie met het plangebied
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt bij 11 nieuwe woningen. Met het plan is er slechts sprake van een functiewijziging, waarbij één voormalige agrarische bedrijfswoning de functie van burgerwoning krijgt. Hiermee worden er geen extra woningen toegevoegd. Er is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. De ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing.
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening (zie paragraaf 3.3.2). De Omgevingsvisie Zuid-Holland is door Provinciale Staten vastgesteld op 20 februari 2019 en op 1 april 2019 in werking getreden. Sindsdien is de visie meerdere malen op onderdelen herzien, laatstelijk op 2 februari 2022.
De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De provincie heeft zeven vernieuwingsambities geformuleerd:
De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zeven ambities draagt Zuid-Holland bij aan een betere leefomgeving in de provincie.
De zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn weer uitgewerkt in beleidskeuzen. De volgende beleidskeuzen zijn van belang voor de ontwikkelingen in het plangebied:
Ruimtelijke kwaliteit
De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).
Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden en worden bijzondere waarden beschermd. Ruimtelijke ontwikkelingen worden beoordeeld op hun impact op de omgeving. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Bij inpassen gaat het om een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De impact op het gebied is klein. Een aanpassing betreft een wijziging in de structuur van een gebied die aansluit bij de huidige gebiedsidentiteit. De impact op het gebied is groter. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuwe gebiedsidentiteit ontstaat. De impact van dit type ontwikkeling op een gebied is enorm. De ontwikkelingen in het plangebied hebben een kleine ruimtelijke impact waardoor sprake is van inpassing. Hierop wordt in paragraaf 3.3.2 nader ingegaan.
Landschap
De provincie zet in op het versterken en benutten van de verschillen tussen de vier groepen landschappen in de provincie: kustlandschap, veen(weide) landschap, deltarivierenlandschap en stedelijk landschap. De provincie wil de intrinsieke waarde van de verschillende landschappen behouden, beschermen, op passende wijze benutten en beleefbaar maken. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden afgewogen welke ontwikkelingen in welk landschap wenselijk zijn. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in standhouden, benutten, beleven en versterken van bestaande gebiedskwaliteiten.
De provincie hecht waarde aan onbebouwde landschappen. De provincie beschermt het landschap tegen ongewenste ontwikkelingen en wil daarmee versnippering en onomkeerbare aantasting van het landschap tegengaan. De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden, omdat ze landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn.
Voor elk landschapstype zijn richtpunten opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermee wordt richting gegeven aan de manier waarop ontwikkelingen ingepast kunnen worden in de verschillende landschappen en hoe de ruimtelijke kwaliteit behouden of versterkt kan worden. Er wordt ook richting gegeven aan de manier waarop landschappen aangepast of getransformeerd kunnen worden. Structuurdragers zoals linten, dijken, water en infrastructuur bepalen in hoge mate de landschappelijke identiteit van Zuid-Holland. Deze zijn daarom door de provincie apart benoemd, naast de landschappen.
Het plangebied behoort tot het veenlandschap en daarbinnen tot de onverveende bovenlanden. Het plangebied is ook aangemerkt als deelgebied Hollands Plassengebied. Voor dit gebied zijn specifieke kwaliteiten van de onverveende bovenlanden benoemd en uitgewerkt in ambities. De Paradijsweg is aangemerkt als bebouwingslint. Op de hierbij behorende richtpunten in relatie tot de ontwikkelingen in het plangebied wordt in paragraaf 3.3.2 nader ingegaan.
Wonen
De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen.
De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar (toekomstige) inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert: de juiste woning op de juiste plek (en op het juiste moment). Dat gaat allereerst over voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. De toevoeging en onttrekking van woningen moet bijdragen aan een adequate en gedifferentieerde woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over de ruimtelijke ordeningskant van het wonen: het wonen zo situeren dat het - in samenhang met (investeringen in) infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving - bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. De ontwikkelingen in het plangebied – de functiewijziging van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning – sluiten aan bij dit provinciaal beleid. De woning wordt niet aan de voorraad onttrokken, maar door de functiewijziging juist bereikbaar gemaakt voor een bredere doelgroep. Om de woning te kunnen bewonen hoeft er immers niet langer een relatie te zijn met een agrarisch bedrijf.
Tegelijkertijd met de Omgevingsvisie hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Sindsdien is de verordening meerdere malen op onderdelen herzien, laatstelijk op 2 februari 2022. De verordening vormt een juridische vertaling van het beleid uit de omgevingsvisie en bevat daartoe instructieregels over de inhoud van bestemmingsplannen. Hieronder komen de artikelen uit de verordening aan de orde die relevant zijn voor de ontwikkelingen in het plangebied.
Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen omtrent de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 6.9 luidt als volgt:
Richtpunten ruimtelijke kwaliteit
In artikel 6.9, wordt gesproken over de richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Het plangebied is gelegen in het veenlandschap (ondergrondlaag) en daarbinnen ter plaatse van de onverveende bovenlanden (laag van de cultuur- en natuurlandschappen) en een lint).
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit zijn de volgende algemene richtpunten geformuleerd:
Ten aanzien van het veenlandschap zijn de volgende richtpunten geformuleerd:
Ten aanzien van de onverveende bovenlanden zijn de volgende richtpunten geformuleerd:
Ten aanzien van linten zijn de volgende richtpunten geformuleerd:
Relatie met het plangebied
Bij de ruimtelijke ontwikkeling die het onderhavige wijzigingsplan mogelijk maakt wordt voldaan aan artikel 6.9. Met de functieverandering van de voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning blijft de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk. Er treden immers geen ruimtelijke veranderingen op. De bebouwing wordt niet uitgebreid en de inrichting van de buitenruimte rond de woning wijzigt niet. Er is sprake van inpassen. De functieverandering past binnen de bestaande gebiedsidentiteit (er zijn reeds veel burgerwoningen in het lint langs de Paradijsweg), past bij de aard en schaal van het gebied (in het lint langs de Paradijsweg zijn vele vrijstaande woningen van ongeveer gelijke omvang aanwezig) en er is geen wijziging op structuurniveau (de ruimtelijke structuur die bepaald wordt door wegen-, water- en verkavelingsstructuur wijzigt niet). Er wordt voldaan aan de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Deze punten zijn niet in het geding omdat er als gevolg van de functieverandering van de voormalige agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning geen fysieke ruimtelijke ingrepen in het plangebied plaatsvinden. De ruimtelijke structuur, het bebouwingsbeeld, het karakter van het lint en het landschap wijzigen niet. Voorts wordt voldaan aan artikel 6.9a.
Artikel 6.9a beschermingscategorie 3, Buitengebied
Het plangebied behoort tot beschermingscategorie 3, Buitengebied. In artikel 6.9a zijn regels opgenomen voor deze categorie:
Figuur 6 - Ligging plangebied in beschermingscategorie 3 buitengebied in de Omgevingsverordening
Relatie met het plangebied
Het wijzigingsplan voldoet aan artikel 6.9a. Met de ruimtelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt wordt de openheid en het groene karakter van het landschap niet aangetast. Er is immers alleen sprake van de functiewijziging van een bestaande voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. De bebouwing neemt niet toe, maar bestaande bebouwing verandert alleen van functie, waarbij de verandering van functie bovendien gering is. Er is en blijft sprake van een woonfunctie op het perceel. De structuur, verschijningsvorm en herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap wijzigen niet.
Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen
In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen omtrent stedelijke ontwikkelingen. Artikel 6.10, lid 1, luidt als volgt:
Relatie met het plangebied
De functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning in het plangebied naar een burgerwoning betreft geen stedelijke ontwikkeling. Zie paragraaf 3.2.3. De ladder voor duurzame verstedelijking en artikel 6.10 van de Omgevingsverordening zijn daarom niet van toepassing.
Artikel 6.14 20 Ke-contour Schiphol
In artikel 6.14 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen omtrent de realisatie van nieuwe woningen in de 20 Ke-contour van Schiphol die in de verordening is aangegeven. Het plangebied ligt binnen deze contour. Artikel 6.14, luidt als volgt:
Figuur 7 - Ligging plangebied in de 20 Ke-contour in de Omgevingsverordening
Relatie met het plangebied
Het wijzigingsplan voldoet aan artikel 6.14. Met de functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning in het plangebied naar een burgerwoning is er sprake van de uitzondering als bedoeld in lid 2, sub e: het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Vanwege de ligging binnen de 20 Ke-contour is er bij de woning sprake van geluid van luchtverkeer. De redenen dat er in het plangebied een woning bestemd wordt zijn gelegen in het feit dat het een reeds bestaande woning betreft waarbij het gebruik als agrarische bedrijfswoning niet langer reëel is. Burgerwonen is het meest doelmatige gebruik. Het aantal geluidgehinderden neemt met het toekennen van een woonbestemming bovendien niet toe ten opzichte van de bestaande situatie. Er is en blijft sprake van één woning.
Artikel 6.35a Risico's van klimaatverandering
In artikel 6.35a van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen over de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. Artikel 6.35a luidt als volgt:
In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van:
alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling.
Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s.
Relatie met het plangebied
De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor het plangebied ten aanzien van de bovengenoemde 4 aspecten. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaatatlas van het Hoogheemraadschap van Rijnland.
In het plangebied wordt er blijkens de kaart Wateroverlast van de klimaatatlas geen wateroverlast verwacht. Er is geen risico op het naar binnen stromen van water in de woning.
Blijkens de kaart Overstromingsbeeld kan er bij een doorbraak van een regionale waterkering in het plangebied een overstroming optreden met een maximale waterdiepte tussen 0,8 en 2 meter. Binnen de scope van het voorliggende plan, dat uitsluitend de functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning in het plangebied naar een burgerwoning mogelijk maakt, is het niet mogelijk om maatregelen te treffen om het overstromingsrisico te verkleinen. Dergelijke maatregelen, zoals dijkversterking of het creeren van meer ruimte voor water, liggen buiten de reikwijdte van dit plan. Derhalve wordt dit risico aanvaard. Wel is van belang dat de woning in het plangebied over een verdieping beschikt, waardoor de bewoners naar de verdieping kunnen vluchten bij een overstroming.
Uit de kaart Hittestress blijkt dat het plangebied plangebied niet gevoelig is voor hittestress. Dit is het gevolg van het vele water en groen in de directe omgeving van het plangebied.
In het plangebied kan extra bodemdaling optreden door droogte volgens de klimaateffectatlas Zuid-Holland. Het betreft namelijk een veengebied. De woning in het plangebied is in deze atlas aangemerkt als een niet of nauwelijks kwetsbaar pand ten gevolge van bodemdaling. Dit aangezien de woning na 1970 gebouwd is en daardoor beschikt over een fundering van goede kwaliteit. Het treffen van maatregelen is daarom niet aan de orde.
Op 8 juli 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Nieuwkoop vastgesteld. Deze visie vervangt de Structuurvisie Nieuwkoop 2040 (vastgesteld in 2011). De Omgevingsvisie Nieuwkoop helpt antwoord te geven op de belangrijkste opgaven, waar de gemeente de komende jaren mee te maken krijgt. De gemeente heeft drie ambities geformuleerd:
Relatie met het plangebied
Het plangebied bevindt zich in een gebied waar de gemeente glastuinbouw en andere initiatieven met meerwaarde wil clusteren. Daarnaast wil de gemeente ook het wonen ontwikkelen en versterken. Het wijzigingsplan, waarmee de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 wordt omgezet naar een burgerwoning, belemmert de ontwikkeling van geclusterde glastuinbouw niet. De woning levert geen belemmering op voor omliggende glastuinbouwbedrijven en de voormalige agrarische gronden en bedrijfsbebouwing zijn overgenomen door een naburig glastuinbouwbedrijf dat door deze schaalvergroting meer toekomstperspectief heeft in dit gebied. Het plan is verder in lijn met de pijler wonen ontwikkelen en versterken.
Op 6 oktober 2016 is de Woonvisie Nieuwkoop 2016 - 2025 vastgesteld. De nieuwe woonvisie speelt in op de huidige situatie en geeft richting aan toekomstige beleidskeuzen. Op grond van de belangrijkste ontwikkelingen binnen de gemeente beschrijft de visie het woonbeleid op hoofdlijnen. Uit een brede inventarisatie van opgaven komen drie overkoepelende thema' s naar voren:
Nieuwkoop beschikt over een hoogwaardig woon- en leefklimaat. Door het groen, water, ruimte en de geografische ligging in het centrum van de Randstad, is Nieuwkoop een aantrekkelijke gemeente om in te wonen. Elk van de 13 dorpen heeft een eigen karakter. De sociale structuur is de basis voor een voorzieningenniveau dat past bij het betreffende dorp. Nieuwkoop heeft de volgende visie op wonen:
Relatie met het plangebied
Met de beoogde functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning, komt de woning ook beschikbaar op de reguliere woningmarkt. Er wordt daarmee een bijdrage geleverd aan het woningaanbod en -voorraad van de gemeente Nieuwkoop. De woning is geschikt voor verschillende doelgroepen en aanpasbaar aan eventuele andere woonwensen. Met het behoud van de bestaande woning blijft tevens het karakter van de omgeving behouden. De functiewijziging is derhalve in lijn is met de Woonvisie.
Op grond van het integraal woningbouwprogramma eist de gemeente dat bij de nieuwbouw van koop- en huurwoningen minimaal 35% van de woningen in de sociale woningbouw wordt gerealiseerd. Daar waar dit niet wordt gerealiseerd dient de initiatiefnemer op grond van de 'Verordening Woonfonds Nieuwkoop 2022' een storting te doen in het Woonfonds, zodat elders voldoende sociale woningbouw kan worden gerealiseerd.
Relatie met het plangebied
De 'Verordening Woonfonds Nieuwkoop 2022' is niet van toepassing op het voorliggende wijzigingsplan. Met het plan wordt uitsluitend de functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van nieuwbouw, maar van de omzetting van een bestaande woonfunctie. Een afdracht aan het Woonfonds is niet aan de orde.
In de beleidsregel Nieuwkoop anti-speculatiebeding en zelfbewoningsplicht is geregeld dat de gemeente Nieuwkoop op betaalbare nieuwbouwwoningen een anti-speculatiebeding en zelfbewoningsplicht toepast. De zelfbewoningsplicht verplicht kopers van de woningen om er zelf te gaan wonen. Dit zorgt ervoor dat de woningen niet door beleggers kunnen worden opgekocht om ze te verhuren. Hierdoor worden de kansen van reguliere woningzoekenden vergroot bij het vinden van een betaalbare woning. Het anti-speculatiebeding verbiedt de koper om een betaalbare nieuwbouwwoning binnen vijf jaar door te verkopen. Woningen kunnen daardoor niet meer worden gekocht om snel winst mee te maken door prijsstijgingen.
Relatie met het plangebied
De 'Beleidsregel anti-speculatiebeding en zelfbewoningsplicht' is niet van toepassing op het voorliggende wijzigingsplan. Er is geen sprake van de realisatie van betaalbare nieuwbouwwoningen, maar van de functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning. Oftewel de omzetting van een bestaande woonfunctie.
Op 8 juli 2021 heeft de gemeenteraad de nieuwe ‘Nota Parkeernormen 2021’ vastgesteld. Met de nieuwe parkeernormen voor woningen kan er meer maatwerk worden geleverd, waardoor vooral voor de kleinere woningen de norm lager uitvalt. Verder wordt meer ingespeeld op nieuwe en toekomstige ontwikkelingen zoals de deelauto en de laadbehoefte van elektrische voertuigen. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen de parkeernormen en uitgangspunten uit de nota in acht genomen te worden.
De nieuwe 'Nota Parkeernormen 2021' heeft geen gevolgen voor de parkeernormen voor alleenstaande woningen groter dan 130 m², zoals op het perceel Paradijsweg 19 het geval is. De parkeernorm bedraagt 2,5 parkeerplaatsen per woning. Deze norm gold ook al onder de oude nota parkeernormen uit 2015.
Relatie met het plangebied
Het wijzigingsplan maakt een functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk. Het aantal woningen en de oppervlakte van de bebouwing nemen daarbij niet toe. De parkeerbehoefte blijft dan ook gelijk ten opzichte van de huidige situatie. Er is voldoende ruimte in het plangebied om deze behoefte te faciliteren. Daarmee voldoet het plan aan de 'Nota Parkeernormen 2021'.
In dit hoofdstuk komen de wijzigingsvoorwaarden aan de orde voor het kunnen toepassen van de wijzigingsbevoegdheid volgens artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan 'Glastuinbouw'.
De wijzigingsbevoegdheid die het mogelijk maakt om de functie van de voormalige agrarische bedrijfswoning in het plangebied te wijzigen naar een burgerwoning, is opgenomen in artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan ‘Glastuinbouw ’. Artikel 4.5.1 luidt als volgt:
4.5.1 Wijziging bedrijfswoning naar wonen
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming Agrarisch - Bedrijfswoning na beëindiging van de functie als bedrijfswoning geheel of gedeeltelijk wijzigen in de bestemming 'Wonen', 'Tuin' en/of 'Water', mits:
In deze paragraaf zal het voorliggende wijzigingsplan puntsgewijs worden getoetst aan de in paragraaf 4.1 genoemde wijzigingsvoorwaarden.
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming Agrarisch - Bedrijfswoning na beëindiging van de functie als bedrijfswoning geheel of gedeeltelijk wijzigen in de bestemming 'Wonen', 'Tuin' en/of 'Water';
De woning Paradijsweg 19 heeft geen functie meer als bedrijfswoning. De bestemming van het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Bedrijfswoning' wordt in zijn geheel gewijzigd in de bestemming 'Wonen'.
Het agrarisch bedrijf Paradijsweg 19 is beëindigd en de agrarische gronden en bedrijfsbebouwing zijn verkocht aan een naburig agrarisch bedrijf. Daardoor is er geen relatie meer tussen de bedrijfswoning en een agrarisch bedrijf. Derhalve functioneert de woning niet meer als bedrijfswoning.
Het achterliggende agrarisch bedrijf is rechtstreeks te bereiken via het perceel van de nieuwe eigenaar van deze gronden. Hiervoor is een nieuwe verbindingsweg aangelegd vanaf het perceel van de nieuwe eigenaar.
Figuur 8 - Het achterliggende agrarisch bedrijf is rechtstreeks bereikbaar via het perceel van de nieuwe eigenaar.
De omliggende agrarische bedrijven worden door de functiewijziging niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. De bedrijven dienen reeds rekening te houden met de bestaande bedrijfswoning en andere woningen in de directe omgeving. De functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning levert geen extra belemmeringen op ten opzichte van de huidige situatie. Zie ook paragraaf 5.4.2.
Het plangebied is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' niet voorzien van de aanduiding 'wonen uitgesloten'.
Het plangebied is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' niet voorzien van de aanduiding 'luchthavenverkeerszone-lib'.
Het wijzigingsplan voldoet aan alle wijzigingsvoorwaarden die in het bestemmingsplan 'Glastuinbouw' zijn opgenomen.
Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een ruimtelijk plan (waaronder een wijzigingsplan) verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk wordt hier nader op ingegaan.
Op 1 november 2002 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het Luchthavenindelingbesluit (LIB, gewijzigd op 1 januari 2018), waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven en het luchthavenverkeerbesluit (LVB), dat is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchtverkeer. De nieuwe regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik had genomen. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen (o.a. de voormalige bouw- of aanlegvergunningen).
In het luchthavenindelingbesluit zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Binnen het beperkingengebied worden weer verschillende deelgebieden (zones) onderscheiden met specifieke regels, te weten LIB 1 t/m 4.
Bij de laatste wijziging van het luchthavenindelingbesluit is een 5e deelgebied toegevoegd aan het beperkingengebied: het afwegingsgebied voor externe veiligheid en geluid. Dit is het gebied dat bekend staat als ‘20 Ke-gebied’ uit de Omgevingsverordening, zie paragraaf 3.3.2. Bedoeling van het afwegingsgebied is om enerzijds op Rijksniveau het rijkskader (geen nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stedelijk gebied) in het LIB te verankeren, en anderzijds de provincies de mogelijkheid te geven om daarbinnen (middels de provinciale Verordeningen) verdere regels te stellen om beperkt en onder voorwaarden woningen toe te staan conform de Kamerbrief van 1 april 2016. De provincie Zuid–Holland heeft regelgeving om beperkt en onder voorwaarden woningen toe te staan opgenomen in de Omgevingsverordening, zie paragraaf 3.3.2.
Het plangebied valt binnen het beperkingengebied van het LIB. Ter hoogte van het plangebied gelden beperkingen voor bebouwing, hoogtebeperkingen en beperkingen voor het plaatsen van windturbines en laserinstallaties.
Beperking bebouwing
Binnen het beperkingengebied voor bebouwing behoort het plangebied tot deelgebied 5: het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid. In artikel 2.2.1d, lid 1 van het LIB is opgenomen dat op deze gronden buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan. Het plangebied behoort niet tot het bestaand stedelijk gebied. Derhalve is hier geen nieuwe woningbouw mogelijk. De functiewijziging van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning die in het plangebied plaatsvindt, kwalificeert echter niet als een nieuwe woningbouwlocatie. Het plan leidt immers niet tot extra woningen. Dat het niet wordt gezien als een woningbouwlocatie wordt bevestigd door de uitzonderingen die in artikel 6.14, lid 2 van de Provinciale Omgevingsverordening zijn opgenomen voor woningbouw in de 20 Ke-zone. Eén van de uitzonderingen betreft het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. De functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning in het plangebied naar een burgerwoning valt onder deze uitzondering. Zie paragraaf 3.3.2.
Figuur 9 – Ligging zones LIB 5 (groen, de 20 Ke-contour) en LIB 4 (geel) in relatie tot het plangebied (geconsolideerde versie, 28 oktober 2021)
Conform artikel 2.2.1d, lid 2 van het LIB dient in deelgebied 5 in de toelichting op het bestemmingsplan te worden gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. In dit kader is van belang dat als gevolg van het wijzigingsplan het aantal slachtoffers op de grond als gevolg van een vliegtuigongeval niet toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Het plan maakt immers uitsluitend de functiewijziging van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk. Het aantal woningen en daarmee het potentiële aantal slachtoffers blijft gelijk. Verder is de Veiligheidsregio Hollands Midden wettelijk verplicht eenmaal in de vier jaar een risicoprofiel vast te stellen. Een van de risico's waar de veiligheidsregio (en dus ook de gemeente Nieuwkoop) mee geconfronteerd kan worden is een vliegtuigongeval op haar grondgebied.
De veiligheidsregio geeft aan dat er voor vliegtuigongevallen afspraken zijn gemaakt met de veiligheidsregio Kennemerland waar Schiphol onder valt.
De gevolgen van een vliegtuigongeval kunnen binnen het beschikbare potentieel van de Veiligheidsregio Hollands Midden samen met de veiligheidsregio Kennemerland worden opgevangen. De raad van de gemeente Nieuwkoop heeft in zijn vergadering van 9 juli 2015 besloten het bestuur van de veiligheidsregio te verzoeken zich met name te focussen op het risico van luchtvaartongevallen.
Hoogtebeperkingen
De hoogtebeperkingen die in het plangebied gelden houden in dat er in het plangebied geen objecten zijn toegestaan die hoger zijn dan 146 meter NAP (artikel 2.2.2 LIB) en dat objecten die hoger zijn dan 81 meter NAP alleen zijn toegestaan indien uit een advies van de Inspectie Leefomgeving en Transport blijkt dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur met het oog op veilig luchtverkeer (artikel 2.2.2a LIB). De objecten die in het plangebied aanwezig zijn, zijn veel lager dan 81 meter NAP. Ook maakt het plan geen nieuwe objecten mogelijk die hoger zijn dan 81 meter NAP.
Beperking windturbines en laserinstallaties
Voor het plaatsen van windturbines en vaste laserinstallaties gelden beperkingen op grond van artikel 2.2.4 van het LIB. Het wijzigingsplan voorziet niet in het plaatsen van windturbines of laserinstallaties.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het Luchthavenindelingbesluit voor het plan.
Voor het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh kent voor geluid als gevolg van weg- en railverkeer en gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden voor de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen die nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk maken, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden.
In het kader van dit wijzigingsplan is alleen wegverkeerslawaai van belang. Er liggen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan geen gezoneerde bedrijventerreinen of spoorwegen.
Het wijzigingsplan maakt een functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning mogelijk. Bij de functiewijziging blijft er, evenals in de huidige situatie het geval is, sprake van een geluidgevoelig object. Woningen worden in de Wgh namelijk aangemerkt als geluidgevoelig object. De voormalige bedrijfswoning is gesitueerd in de geluidzone van de Paradijsweg. Deze weg heeft op grond van de Wgh ter plaatse van het plangebied een zone van 250 meter. De geluidsbelasting van de Paradijsweg op de voormalige agrarische bedrijfswoning hoeft echter op basis van artikel 76, lid 3 van de Wgh niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wgh. Dit artikel bevat namelijk een uitzondering voor bestaande woningen die in de zone van een weg aanwezig zijn op het tijdstip van vaststelling van het plan. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Dit betreft immers een bestaande woning.
Overigens blijkt uit akoestisch onderzoek dat is verricht ten behoeve van het bestemmingsplan 'Paradijsweg Westzijde eerste fase' (Alcedo, 9 juni 2020) dat de gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai, rekening houdend met de ontwikkelingen aan de westzijde van de Paradijsweg, ter hoogte van de woning Paradijsweg 19 maximaal 53,6 dB bedraagt. Dit is veel lager dan de maximale grenswaarde van 63 dB, waardoor er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geluid voor het plan.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij een ruimtelijk plan afstemming plaats te vinden tussen activiteiten die milieuhinder kunnen veroorzaken en hindergevoelige functies. Voor deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstandenlijst uit de VNG-brochure ''Bedrijven en Milieuzonering'' (herziene versie, 2009). Deze richtafstanden die gelden ten aanzien van de hinderaspecten geluid-, stof- en geurhinder en gevaar, kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. De richtafstanden worden toegekend op basis van een milieucategorie, waarbij de afstanden uiteenlopen van 10 m voor bedrijven uit milieucategorie 1 tot 1500 m voor bedrijven uit milieucategorie 6. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Bovendien zijn deze afstanden alleen van toepassing op nieuwe situaties en niet op bestaande situaties.
Hoe gevoelig een gebied is voor bedrijfsactiviteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De in de richtafstandenlijst opgenomen afstanden zijn gericht op het omgevingstype "rustige woonwijk" of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals een “rustig buitengebied”. Naast het omgevingstype 'rustige woonwijk' en rustig buitengebied wordt ook het omgevingstype 'gemengd gebied' onderscheiden. Bij een gemengd gebied kunnen kleinere afstanden tussen bedrijven en woningen worden aangehouden. Bij een gemengd gebied kunnen de afstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd. Dit betekent dat de afstand van de eerstvolgende lagere categorie mag worden aangehouden. Een gemengd gebied is een gebied dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent.
Het wijzigingsplan maakt een functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning mogelijk. Wonen wordt gezien als een gevoelige bestemming. In de directe omgeving van het plangebied is een aantal (agrarische) bedrijven gevestigd die mogelijk hinder kunnen veroorzaken voor of ondervinden van de burgerwoning. Het gaat hier om de volgende bedrijven:
| Adres | Soort bedrijfsactiviteit | Milieucategorie | Richtafstand | Afstand tot woning in plangebied | |
| Paradijsweg 15 | bedrijfsgebouw bij (glas)tuinbouw | 2 | 30 | 50 | |
| Paradijsweg 21 | kassen met gasverwarming | 2 | 30 | 36 | |
| Paradijsweg 26 | kassen met gasverwarming | 2 | 30 | 80 | |
| Paradijsweg 30* | kassen met gasverwarming | 2 | 30 | 53 | |
| * Dit bedrijf zal worden beëindigd en is in het bestemmingsplan 'Paradijsweg westzijde, eerste fase' reeds herbestemd tot burgerwonen. | |||||
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat aan de richtafstanden wordt voldaan. De woning Paradijsweg 19 ligt op voldoende afstand van omliggende bedrijven. Deze vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde functiewijziging. Tevens worden nabijgelegen bedrijven niet belemmerd in de bedrijfsvoering door de functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning.
Verder is het volgende van belang. Met de functiewijziging is en blijft sprake van een woning. Een bedrijfswoning is immers ook een woning. De status van een burgerwoning is voor naburige bedrijven in het milieuspoor niet anders dan die van een bedrijfswoning. In beide gevallen is sprake van een woning van derden, waarmee bedrijven in hun bedrijfsvoering rekening moeten houden. De (glas)tuinbouwbedrijven dienen in de huidige situatie dus al rekening te houden met de woning Paradijsweg 19. De omvorming naar een burgerwoning verandert dit niet en dit levert geen extra belemmeringen op. Met de functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning, blijft er voor de omliggende (glas)tuinbouwbedrijven dus sprake van een woning van derden. Deze bedrijven worden door de herbestemming dan ook niet in hun bedrijfsvoering beperkt.
Gewasbeschermingsmiddelen
Ten noordoosten van de woning Paradijsweg 19 ligt een agrarisch perceel met open teelt en ten zuidoosten van de woning bevindt zich een agrarisch perceel met boomteeltgewassen. Bij deze teelten kunnen ook gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast waarbij drift kan optreden. De afstand van de woning tot deze percelen bedraagt respectievelijk circa 17 en 35 meter. Tussen het woonperceel en beide agrarische percelen ligt een (brede) watergang. Op grond van het Activiteitenbesluit dienen langs watergangen teeltvrije zones te worden aangehouden en dienen bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen technieken te worden gebruikt met een driftreductie van tenminste 75%. Gelet op de genoemde afstanden en de regelgeving uit het Activiteitenbesluit zal er bij de woning Paradijsweg 19 sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De agrarische bedrijven worden ook niet in hun bedrijfsvoering beperkt.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering voor het plan.
De hoofdlijnen van de regelgeving voor luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en Ministeriële Regelingen. In de Wet Luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen in de vorm van grenswaarden en richtwaarden voor een aantal luchtverontreinigende stoffen. De belangrijkste zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/³.
Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM)
In dit besluit is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof of stikstofdioxide. Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden is het project NIBM, en hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
In de Regeling NIBM is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. Zo ligt voor woningbouwplannen de grens van 3% bij 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.
Het wijzigingsplan maakt een functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning mogelijk. Er ontstaan hiermee geen extra woningen, waardoor het plan niet zal leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit omdat de verkeersaantrekkende werking niet zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Dit betekent dat er geen nader onderzoek en toetsing aan de in de Wet luchtkwaliteit gestelde grenswaarden hoeft plaats te vinden. Met andere woorden, de beoogde ontwikkeling voldoet aan het wettelijk kader.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit voor het plan.
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen binnen aanvaardbare grenzen te blijven. Binnen externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:
De regelgeving voor het aspect Externe Veiligheid is opgenomen in het:
Hierbij geldt dat bebouwing niet is toegestaan binnen de zogenaamde 10-6- contour van het PR rond bedrijven waarin opslag en/of verwerking gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan wel langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Verder geldt dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Er dient een verantwoording GR opgesteld te worden indien een bestemming gepland is binnen het invloedsgebied voor het GR.
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Figuur 10 toont een uitsnede van de risicokaart voor de omgeving van het plangebied.
Figuur 10 - Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Risicovolle inrichtingen
Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat er in de nabijheid van het plangebied één risicovolle inrichting aanwezig is. Dit betreft een LPG-tankstation met vulpunt. Het LPG-reservoir heeft een PR-contour van 25 meter. Het invloedsgebied van het GR bedraagt 150 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 540 meter tot het tankstation. Derhalve ligt het plangebied buiten de PR-contour en het invloedsgebied van het GR. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.
Transportroutes voor gevaarlijke stoffen
In of direct nabij het plangebied zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig.
Buisleidingen voor gevaarlijke stoffen
In het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen buisleidingen gelegen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect externe veiligheid voor het plan.
Het is wettelijk (via de bouwverordening) geregeld dat nieuwbouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om deze reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek (conform NEN 5740) in beeld te worden gebracht. Als blijkt dat de bodem niet geschikt is dan zal voor aanvang van de werkzaamheden een sanering moeten worden uitgevoerd.
Het wijzigingsplan maakt een functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning mogelijk. Gezien het gegeven dat de gronden jarenlang in gebruik zijn geweest voor een bedrijfswoning, is niet aannemelijk dat de bodemkwaliteit een belemmering oplevert voor een burgerwoning. Er is geen reden om aan te nemen dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde gebruik voor burgerwonen.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect bodem voor het plan.
Het is sinds 2003 verplicht om bij ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid. Het waterschap is het eerste aanspreekpunt in het watertoets proces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid.
In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' wettelijk verankerd. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand. In de gemeente Nieuwkoop is het Hoogheemraadschap van Rijnland verantwoordelijk voor het waterbeheer.
Eind jaren negentig vond er een omslag plaats in denken en beleid over de omgang met water. In plaats van voort te borduren op het vertrouwde denken in waterbeheersing door technische ingrepen gericht op het veilig en snel afvoeren van water, kwam de nadruk te liggen op het aansluiten op de natuurlijke potenties van het landschap en het watersysteem. Bij dit nieuwe waterdenken staat duurzaamheid voorop. Daarmee wordt bedoeld dat er zo min mogelijk inspanningen van buitenaf nodig zijn om het watersysteem in stand te houden en overlast te voorkomen. In de praktijk betekent dit dat natuurlijke processen zoals infiltratie en kwel, het zelfreinigende vermogen van waterlopen etc. worden hersteld. Externe negatieve effecten, zoals toename van verharding en riooloverstorten met afvalwater, worden voorkomen of gecompenseerd.
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren dan ook beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de relevante nota's.
Europa
Nationaal
Provinciaal
Regionaal / lokaal
De opdracht is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem.
In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoon water ook relatief schoon blijft. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen.
Het waterschap is primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afvalwater en regenwater en voor de aanpak van grondwaterproblemen.
Het wijzigingsplan maakt een functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning mogelijk. Daarbij is geen sprake van fysieke veranderingen. Er is enkel sprake van een wijziging van het gebruik. De bebouwing wordt niet uitgebreid en de inrichting van de buitenruimte rond de woning wijzigt niet. Er is dan ook geen sprake van verhardingstoename. Tevens blijft de wijze waarop het huishoudelijke afvalwater en het hemelwater wordt afgevoerd ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Het plan heeft derhalve geen effecten op de waterhuishouding.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect water voor het plan.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is het noodzakelijk te onderzoeken of en zo ja, in hoeverre plannen ten koste gaan van de (aanwezige) flora en fauna. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de 'gebiedsbescherming' en de 'soortenbescherming'.
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming (Wnb) richt zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een vergunning op grond van de Wnb is verkregen.
Natuurnetwerk Nederland
Het NNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingen. De provincie Zuid-Holland is verantwoordelijk voor de begrenzing van het NNN en heeft deze in de Omgevingsverordening vastgelegd. Artikel 6.9e, lid 1 van de verordening bepaalt dat een bestemmingsplan voor gronden binnen het NNN geen bestemmingen aanwijst die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.
Belangrijke weidevogelgebieden
De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsverordening belangrijke weidevogelgebieden aangewezen. De provincie beschermt deze gebieden vanwege de specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor deze karakteristieke en kwetsbare vogels, die mede de kwaliteit van het Zuid-Hollandse (veen)weidelandschap bepalen. In artikel 6.9c, lid 1 van de verordening is opgenomen dat een bestemmingsplan slechts kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling in een belangrijk weidevogelgebied voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen, geen significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied.
De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen.
De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden.
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Dit gebied ligt op circa 5,5 kilometer van het plangebied. Gelet op deze afstand en de aard van het plan (de functiewijziging van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning, waarbij geen fysieke ingrepen plaatsvinden en het aantal woningen niet toeneemt), worden er geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied verwacht ten gevolge van het wijzigingsplan. Ook niet als gevolg van stikstofdepositie, aangezien het plan niet zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied is niet gelegen in of direct nabij gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN als gevolg van het wijzigingsplan zijn derhalve uitgesloten.
Belangrijke weidevogelgebieden
Het plangebied is niet gelegen in of direct nabij belangrijke weidevogelgebieden. Negatieve effecten op belangrijke weidevogelgebieden als gevolg van het wijzigingsplan zijn derhalve uitgesloten.
Soortenbescherming
De functiewijziging van de agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning gaat niet gepaard met fysieke ingrepen. Er vinden geen sloop- of bouwwerkzaamheden plaats. Ook worden er geen bomen gekapt, bosschages verwijderd of wateren gedempt. Het wijzigingsplan zal daarom niet leiden tot aantasting van vaste rust- of verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten of niet-vrijgestelde nationaal beschermde soorten.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect ecologie voor het plan.
Als gevolg van het Verdrag van Malta (Valetta) zijn overheden verplicht om in het ruimtelijke beleid zorgvuldig om te gaan met het archeologische erfgoed. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient, voordat er bodemingrepen plaatsvinden, een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd. De uitkomsten hiervan dienen door het bevoegde gezag te worden meegenomen in de belangenafweging.
De zorgplicht voor het archeologisch erfgoed is vastgelegd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), die is geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De wet regelt:
Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wamz. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. Naar verwachting zal de Omgevingswet niet eerder dan 2023 in werking treden.
De gemeente Nieuwkoop heeft geen ‘eigen’ archeologisch beleid, maar sluit voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in ruimtelijke plannen aan op de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS). Daarin is wat betreft de archeologische verwachtingswaarde onderscheid gemaakt in een viertal gebieden, te weten:
Het plangebied is gelegen in een gebied met een kleine kans op archeologische sporen. Voor dergelijke gebieden hanteert de gemeente Nieuwkoop het beleid dat er archeologisch onderzoek moet worden verricht wanneer bodemingrepen dieper reiken dan 50 cm en waarvan de oppervlakte meer bedraagt dan 10.000 m².
Het wijzigingsplan maakt een functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning mogelijk. Deze functiewijziging gaat niet gepaard met bodemingrepen. Derhalve is voor het wijzigingsplan geen archeologisch onderzoek nodig.
In het wijzigingsplan is ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie - 3' opgenomen. Daarmee zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Deze dubbelbestemming waarborgt dat bij eventuele toekomstige bodemingrepen die dieper reiken dan 50 cm en waarvan de oppervlakte meer bedraagt dan 10.000 m² eerst archeologisch onderzoek verricht moet worden. Overigens was deze dubbelbestemming ook al opgenomen in het vigerende bestemmingsplan 'Glastuinbouw'.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect archeologie voor het plan. Het archeologisch regime blijft ongewijzigd van kracht in het wijzigingsplan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan 'Glastuinbouw'.
Door wijziging per 1 januari 2012 van het Besluit ruimtelijke ordening (art. 3.1.6) dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Hierdoor wordt de bescherming van cultuurhistorische waarden niet meer alleen geregeld via de Monumentenwet 1988, maar ook via het proces van de ruimtelijke ordening. Cultuurhistorische waarden kunnen geborgd worden via de ruimtelijke ordening en het bestemmingsplan.
Naast rijks- en gemeentelijke monumenten kunnen nu ook de waardevolle elementen, niet zijnde monumenten, beschermd worden, zoals structuren, objecten en patronen die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling.
Nota Erfgoedbeleid
De gemeent Nieuwkoop heeft in 2020 de Nota Erfgoedbeleid vastgesteld. In deze nota is beschreven hoe de gemeente het erfgoed, met name de monumen-
ten, wil behouden en benutten. De nota schetst wat kenmerkend is voor het Nieuwkoops erfgoed.
Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht. Ook zijn in het plangebied geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het plangebied wel interessant als ontginningsgebied met legakkers, met de smalle opstrekkende verkaveling als gevolg van de oorspronkelijke legakkers en de watergangen loodrecht op de Langeraarse Plassen. Het wijzigingsplan leidt niet tot aantasting van deze cultuurhistorische waarden. De functiewijziging van de agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 naar een burgerwoning gaat immers niet gepaard met fysieke ingrepen, waardoor de bestaande ruimtelijke en landschappelijke structuur, die bepaald wordt door het verkavelings- en slotenpatroon alsmede de wegenstructuur, behouden blijft.
Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect cultuurhistorie voor het plan.
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is volgens de Wet milieubeheer verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Welke activiteiten dat betreft is aangegeven in het Besluit mer en de daarbij behorende bijlage. In de bijlage is onderscheid gemaakt tussen een:
Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van deze plannen en besluiten. Een belangrijk product van de m.e.r.-procedure is het milieueffectrapport (MER). Bij sommige besluiten is niet meteen duidelijk of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In deze grensgevallen moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een m.e.r.-plicht. Dit gebeurt door middel van een aparte procedure, de zogenoemde m.e.r.-beoordeling.
Deze m.e.r.-beoordeling is ook vereist voor activiteiten die onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. liggen. In dat geval gelden er geen vormvoorschriften en is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet er volgens bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden getoetst aan de 3 volgende hoofdcriteria:
In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (onderdeel D11.2) mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op de volgende gevallen (indicatieve drempelwaarden):
Het wijzigingsplan maakt de functiewijziging van één voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk. Daarmee valt deze ontwikkeling ruim onder de bovenstaande drempelwaarden en is niet rechtstreeks m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Bovendien kwalificeert de functiewijziging gelet op de aard en omvang niet als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., zo blijkt uit jurisprudentie van de ABRS (zie o.a. zaaknummer 201805131/1/A1). Dit betreft namelijk slechts een gebruikswijziging van bestaande bebouwing, waarbij het ruimtebeslag van deze bebouwing beperkt is en de bebouwing ook niet wordt uitgebreid. Daarbij komt dat de ruimtelijke uitstraling van een burgerwoning niet wezenlijk anders dan die van een bedrijfswoning. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom ook niet nodig.
Voor het wijzigingsplan hoeft geen MER of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden gemaakt.
Bij het opstellen van een wijzigingsplan dient het college van burgemeester en wethouders zich te houden aan de door de raad vastgestelde regels, zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Glastuinbouw', inclusief het bestemmingsplan 'Glastuinbouw, 1e herziening', het zogenaamde 'moederplan'. Het wijzigingsplan, als bedoeld in artikel 3.6 van de Wro, vormt daarom geen zelfstandig nieuw bestemmingsplan.
Met dit wijzigingsplan wordt invulling gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid die de functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning mogelijk maakt, zoals opgenomen in artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan 'Glastuinbouw'. Het wijzigingsplan heeft alleen betrekking op het perceel Paradijsweg 19 te Ter Aar.
Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Daarnaast zijn in het plan inleidende regels, algemene regels, overgangs- en slotregels opgenomen. Daarnaast zijn in het plan inleidende regels, algemene regels, overgangs- en slotregels opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit wijzigingsplan geeft onder meer een weergave van de beweegredenen en de onderzoeksresultaten die aan het plan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan.
Omdat het wijzigingsplan na 1 juli 2013 in procedure wordt gebracht en het moederplan al is opgesteld conform de destijds geldende RO-standaarden (IMRO2008/SVBP2008), moet het wijzigingsplan digitaal beschikbaar worden gesteld en gelden bovendien de landelijke RO-standaarden (2012). Het voorliggende wijzigingsplan voldoet aan de geldende digitale verplichtingen.
Het wijzigingsplan voorziet in de opname van de bestemming 'Wonen' met bijbehorende aanduidingen op het perceel Paradijsweg 19 te Ter Aar. Hiermee wordt de functiewijziging van de voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk gemaakt. Tevens is op de verbeelding de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' opgenomen. Op de gronden binnen het plangebied vervangt de verbeelding van het voorliggende wijzigingsplan namelijk de verbeelding van het 'moederplan'.
Wonen
De bestemming 'Wonen' is toegekend aan het gehele perceel van de voormalige agrarische bedrijfswoning Paradijsweg 19 (uitgezonderd de gronden voor de voorgevelrooilijn die buiten het plangebied vallen, zie paragraaf 1.2).
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende bebouwing, erven en voorzieningen waaronder begrepen in- en uitritten, parkeervoorzieningen, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Binnen het bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan. De inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 750 m³ en de goot- en bouwhoogte respectievelijk maximaal 6 en 10 meter.
Bij een woning zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer dan 80 m² bedragen, mits het bouwperceel voor niet meer dan 60% is bebouwd. De goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 en 5,5 meter. Bijbehorende bouwwerken dienen minimaal 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gesitueerd.
Waarde – Archeologie - 3
De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie - 3' is overgenomen uit het moederplan. Deze bestemming biedt bescherming aan de archeologische (verwachtings)waarde van de gronden. Zie paragraaf 5.10.2.
Op het wijzigingsplan zijn de betreffende regels van het geldende bestemmingsplan Glastuinbouw' van overeenkomstige toepassing. Het betreft in dit geval zowel het bestemmingsplan 'Glastuinbouw', alsmede het bestemmingsplan 'Glastuinbouw, 1e herziening'.
De regels bestaan uit vier hoofdstukken en zijn afgestemd op de landelijke 'Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012' (SVBP2012):
In hoofdstuk 1 zijn de inleidende regels opgenomen die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken. Het onderhavige wijzigingsplan is in dit hoofdstuk gedefinieerd, alsook het moederplan waarbij voor de overige begrippen verder verwezen wordt naar de regeling uit het moederplan.
In hoofdstuk 2 is de bestemming 'Wonen' met bijbehorende aanduidingen en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' opgenomen. Hier wordt verwezen naar de regels van de betreffende bestemmingen die in (respectievelijk artikel 18 en 23 van) het moederplan zijn opgenomen. Deze zijn één op één van toepassing.
In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen. Omdat deze eveneens identiek zijn aan het moederplan, wordt hiernaar verwezen. Specifiek wordt daarbij verwezen naar de regels die behoren bij de gebiedsaanduidingen 'overige zone - concentratiegebied' en 'luchtvaartverkeerzone 20 KE', aangezien deze aanduidingen op de verbeelding van het wijzigingsplan voorkomen. Tevens is in dit hoofdstuk een anti-dubbeltelregel opgenomen. Dit omdat het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat in ieder bestemmingsplan, waaronder ook wijzigingsplannen, een anti-dubbeltelregel moet worden opgenomen.
Tot slot staan in hoofdstuk 4 de overgangs- en slotregels. De regeling voor het overgangsrecht is overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening. In de slotregel is vermeld hoe de regels van het onderhavige wijzigingsplan kunnen worden aangehaald.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan. Onderdeel hiervan is de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. Ook wordt er in dit hoofdstuk aandacht besteed aan het aspect grondexploitatie.
Op grond van artikel 6.12 van de Wro is het verplicht voor gronden waarvoor een wijzigingsplan wordt opgesteld een exploitatieplan vast te stellen. Op basis van het exploitatieplan kunnen (plan)kosten worden verhaald. In artikel 6.12 lid 2 Wro is bepaald dat geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Eveneens hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld als:
Het onderhavige wijzigingsplan maakt de functiewijziging van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning op het perceel Paradijsweg 19 te Ter Aar mogelijk. Hierbij zijn er geen verhaalbare kosten als bedoeld in artikel 6.2.4 onderdelen b tot en met f van het Bro. Derhalve hoeft er geen exploitatieplan te worden vastgesteld.
De functiewijziging betreft een particulier initiatief op particulier grondeigendom. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het wijzigingsplan komen dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Hierdoor zijn er geen kosten voor de gemeente Nieuwkoop aan de uitvoering van het plan verbonden. Overigens is het wijzigingsplan feitelijk reeds uitgevoerd aangezien de voormalige bedrijfswoning thans al in gebruik is als burgerwoning.
Geconcludeerd kan worden dat het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is en het wijzigingsplan economisch uitvoerbaar is.
In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het wijzigingsplan met de gebruikelijke overlegpartners in het kader van de ruimtelijke ordening. Er hebben 3 overlegpartners gereageerd: het Hoogheemraadschap van Rijnland, Liander en de Veiligheidsregio Hollands-Midden. De ingekomen reacties zijn als volgt:
De ingekomen reacties in het kader van het wettelijk vooroverleg leiden niet tot een aanpassing van het wijzigingsplan. Wel is het advies van de Veiligheidsregio Hollands-Midden gedeeld met initiatiefnemer. Er bestaat geen wettelijke grondslag om initiatiefnemer te verplichten om in de woning extra rookmelders aan te brengen, zo lang aan de wettelijke vereisten zoals vastgelegd in het Bouwbesluit wordt voldaan. Het is aan initiatiefnemer om het advies al dan niet op te volgen.
In artikel 3.9a van de Wro is aangegeven dat op de voorbereiding van een wijzigingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders het ontwerp van het wijzigingsplan, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van 6 weken ter inzage dient te leggen. Gedurende deze periode kunnen door een ieder zienswijzen naar voren worden gebracht.
Het wijzigingsplan heeft gedurende de periode 25 augustus 2022 tot en met 6 oktober 2022 in ontwerp ter visie gelegen. Hiermee is eenieder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het wijzigingsplan. Er zijn geen zienswijzen ontvangen.