direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21b Het Nieuwe Rivium
Status: vastgesteld
Plantype: omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Het Rivium en is als een apart hoofdstuk (hoofdstuk 21b) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

Doordat het plan via de landelijke voorziening TAM-IMRO beschikbaar wordt gesteld, is het niet zichtbaar als integraal onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel, maar wordt het getoond als een afzonderlijk plan. Deze scheiding is technisch van aard; juridisch maakt het plan onverkort deel uit van het omgevingsplan.

In hoofdstuk 21b zijn regels opgenomen die de bestaande regels voor het gebied Rivium overschrijven, met uitzondering van de regels die zijn opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel. Dit betekent dat de regels die momenteel gelden voor het Rivium niet langer van toepassing zijn en worden vervangen door de bepalingen uit dit hoofdstuk. De regels opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel blijven van overeenkomstige toepassing, voor zover deze in dit hoofdstuk niet worden overschreven.

De in dit deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 21b van het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen en in de verwijzingen naar artikelen in dit deel moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '21b' gelezen worden. Bijvoorbeeld: 'Artikel 1' van deze planregels is 'Artikel 21b, 1' van het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '21b' gelezen worden. Bijvoorbeeld 'Bijlage 1' van deze planregels is 'Bijlage 21b, 1' van het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in sub c. Het betreft de volgende besluiten:
    • 1. Bestemmingsplan Parkeren Capelle aan den IJssel 2023, vastgesteld 12 februari 2024;
    • 2. Parapluplan Wonen, vastgesteld 14 november 2022;
    • 3. Bestemmingsplan Rivium, vastgesteld 10 juni 2013;
  • b. De regels in afdeling 22.2 van dit omgevingsplan (zoals deze luidden op 15 april 2026), met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk (H21b) zijn van toepassing op de locatie Het Rivium in Capelle aan den IJssel, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001.

Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden in afwijking van of aanvullend op het bepaalde in Artikel 2 de volgende begripsbepalingen:

3.1 omgevingsplan:

het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel zoals deze gold op 9 juli 2025;

3.2 aanduidingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

3.3 aaneengebouwde woning:

een grondgebonden woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer woningen;

3.4 aanvrager:

degene die een verzoek doet voor een vergunning of beschikking;

3.5 activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken:

activiteiten als bedoeld in artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c, Besluit kwaliteit leefomgeving;

3.6 Beeldkwaliteitsplan plus:

het Beeldkwaliteitsplan plus van de gemeente Capelle aan den IJssel zoals deze door de gemeenteraad is vastgesteld op het moment van indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning;

3.7 beroep of bedrijf aan huis:

een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet op een groot publiek gericht zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend;

3.8 bestaand:

activiteiten die legaal dan wel met omgevinsgvergunning aanwezig zijn op het tijdstip van het ontwerp van dit deel (hoofdstuk 21b) dan wel mag worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde en verleende omgevingsvergunning;

3.9 betaalbaarheidsgrens:

het op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning geldende maximale aankoop- of verkrijgingsbedrag van een koopwoning dat door het Rijk jaarlijks wordt vastgesteld en bekend gemaakt in de ‘Nota Kamerbrief aanpassingen NHG, betaalbaarheidsgrens en ontwikkelingen NFBK’ of haar opvolger, als betaalbaarheidsgrens voor betaalbare koopwoningen of daarmee gelijkgestelde categorieën;

3.10 binnengebied:

collectieve binnentuin;

3.11 boekwaarde:

gemaakte kosten op het moment dat het kostenplafond wordt bepaald;

3.12 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

3.13 bouwblok:

een aaneengesloten gebied dat als één geheel ontwikkeld wordt conform de in Bijlage 3 opgenomen kaart;

3.14 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten;

3.15 bruto-vloeroppervlakte:

het oppervlak gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingswanden, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimtes omhullen. Ruimtes gebouwd onder maaiveld zijn hiervan uitgesloten;

3.16 bui 1:100 jaar:

een korte hevige bui die gemiddeld eens in de 100 jaar voorkomt en waarbij 70 mm neerslag valt in 1 uur tijd;

3.17 calamiteitenverkeer:

verkeer ten behoeve van hulpdiensten;

3.18 cultuur en ontspanning:

voorzieningen gericht op cultuur en ontspanning, zoals atelier, bowlingbaan, binnenspeeltuin, museum, dansschool, muziekschool, sauna, welness, wijktheater. Prostitutie, raamprostitutie, raamexploitatie en seksinrichting is daarvan uitgesloten;

3.19 dakopbouw:

een constructie ter vergroting van een gebouw die zich boven de dakvoet bevindt, waarbij deze constructie deels boven de oorspronkelijke daknok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlakken is / zijn geplaatst;

3.20 dek:

vloer in een bouwwerk welke het gebouw afscheid van de onderliggende kelder of halfverdiept gelegen bouwlaag;

3.21 detailhandel:

het bedrijfsmatig aan particulieren te koop of te huur aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; horeca-activiteiten en darkstores worden hier niet onder begrepen;

3.22 duurzame energievoorziening:

voorziening voor het winnen, leveren of opslaan van duurzame energie;

3.23 eindafrekening:

afrekening van betaalde kostenverhaalsbijdragen als bedoeld in artikel 13.20 Omgevingswet;

3.24 footprint:

de oppervlakte van een toren, gemeten aan de buitenste gebouwcontour, gemeten op de begane grond of op de hoogte waar de stedelijke laag overgaat in de toren;

3.25 functievlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie;

3.26 geluidluwe buitenruimte:

buitenruimte gelegen aan een geluidluwe gevelzijde, waarbij het geluid op de gevel waaraan de buitenruimte grenst niet meer dan 5 dB hoger is dan de standaardwaarde van iedere geluidbronsoort zoals aangegeven in de tabel behorende bij artikel 22.2.2 sub a;

3.27 geluidluwe gevel:

een gevelzijde van een woning, waar het geluid per geluidbronsoort voldoet aan de standaardwaarde zoals aangegeven in de tabel behorende bij artikel 22.2.2 sub a;

3.28 geluidzone - industrie:

geluidzone als gevolg van een geluidgezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder;

3.29 gemeenschappelijke ruimte:

deel van een woongebouw dat niet tot een privégedeelte behoort, maar door meerdere bewoners wordt gedeeld, zoals gezamenlijke woonkamers, tuinen, speel- en sportruimtes of een gemeenschappelijke keuken. Deze ruimte kan zich zowel binnen als buiten bevinden;

3.30 gestapelde woning:

een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat al dan niet met daarbij behorende centrale hal met brievenbussen, trappenhuis, lift, bergingen, souterrain, parkeervoorzieningen en dergelijke;

3.31 GPR-norm:

een richtlijn voor duurzaamheidsprestaties van gebouwen, gebaseerd op de GPR Gebouw-methodiek. Deze methodiek beoordeelt een gebouw op de thema’s energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde, met een score tussen 1 en 10 per thema. De GPR-norm wordt gebruikt als toetsingsinstrument voor duurzaam bouwen en kan als beleidsinstrument worden ingezet door gemeenten;

3.32 groen:

levende begroeiing;

3.33 grootschalige detailhandel:

grootschalige detailhandelsvestiging (groter dan 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte), die vanwege zijn omvang niet in een woon- of centrumgebied thuishoort;

3.34 horeca:

een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van een nachtverblijf en/of het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie. Tot de hieronder genoemde begrippen horeca 1 tot en met horeca 6 worden mede begrepen de niet genoemde, maar naar aard, omvang en uitstraling op het woon- en leefmilieu vergelijkbare horecasoorten;

3.35 horeca 1:

vormen van horeca-activiteiten die qua exploitatievorm en openingstijden aansluiten bij winkelvoorzieningen en waarbij de activiteiten primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van etenswaren en/of dranken voor nuttiging al dan niet ter plaatse, zoals broodjeszaken, ijssalons, lunchrooms en koffietentjes;

3.36 horeca 2:

vormen van horeca-activiteiten die primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse zoals restaurants en bistro's;

3.37 horeca 3:

vormen van horeca-activiteiten die primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse bereide etenswaren voor nuttiging al dan niet ter plaatse en daaraan ondergeschikt het verstrekken van dranken zoals cafetaria's, automatieken en afhaalhoreca;

3.38 horeca 4:

vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van dranken ter plaatse, zoals cafés, bars;

3.39 horeca 5:

vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van logies met eventueel de daarbij behorende voorzieningen zoals een restaurant en vergader- en congresfaciliteiten. Bijvoorbeeld hotels en pensions;

3.40 horeca 6:

vormen van horeca-activiteiten die primair zijn gericht op het bedrijfsmatig gelegenheid bieden van dansen op elektrisch versterkte muziek alsmede op het ter plaatse nuttigen van dranken en kleine etenswaren zoals discotheken en partycentra;

3.41 huishouden:

samenlevingsvorm van één of meer personen die in vast verband samenleven en waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling, waarbij het volgende geldt:

  • a. een kenmerk van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid is het voor onbepaalde tijd samenleven.
  • b. (bedrijfsmatige) kamerverhuur en door een instelling geplaatste personen vallen niet onder het begrip huishouden;
3.42 inbrengwaarde:

de waarde van de gronden die tot ontwikkeling komen binnen het kostenverhaalsgebied;

3.43 industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

3.44 internethandel:

detailhandel in niet-dagelijkse artikelen zonder showroom, waarvan de handel via internet en andere media loopt en waarvan de levering van producten uitsluitend plaatsvindt via post of koeriersdiensten;

3.45 kamerverhuur:

het (bedrijfsmatig) verhuren of het aanbieden van een onzelfstandige wooneenheid;

3.46 kleinschalige detailhandel:

detailhandel, waarbij de bruto-vloeroppervlakte per detailhandelsvestiging niet meer bedraagt dan 250 m2 , een supermarkt daarvan uitgesloten;

3.47 klimaatadaptieve voorziening:

fysieke voorzieningen in de gebouwde omgeving, zoals groendaken, wadi's en waterdoorlatende verharding, die ontworpen zijn om de negatieve gevolgen van klimaatverandering, zoals hittestress, droogte en wateroverlast, op te vangen en te beperken;

3.48 kosten openbaar gebied:

NCW van de kosten zoals benoemd in artikel 8.15 sub a van het Omgevingsbesluit;

3.49 kosten uitgeefbaar gebied:

netto contante waarde van de gronden, conform artikel 8.17 Omgevingsbesluit van het kostenverhaalsgebied waarop de bouwactiviteiten plaatsvinden;

3.50 kostenverhaalsbeschikking:

beschikking als bedoeld in artikel 13.18 Omgevingswet;

3.51 kostenverhaalsbijdrage:

op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 13.18 Omgevingswet verschuldigde geldsom;

3.52 kostenverhaalsgebied:

gebied waarin bouwactiviteiten een functionele samenhang hebben;

3.53 kunstobject:

uiting van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde;

3.54 kunstwerk:

bruggen, viaducten, tunnels, duikers, sluizen en soortgelijke technisch werken in spoorbouw, wegenbouw of waterbouw;

3.55 leeflaag:

bovenste deel van de bodem waarin planten, dieren en micro-organismen leven;

3.56 maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, sociaal-medische, levensbeschouwelijke voorzieningen, welzijns- en gezondheidsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, als ook ondergeschikte detailhandel en ondersteunende horeca ten dienste van deze voorzieningen, zoals een huisartsenpraktijk, een tandartsenpraktijk, een verpleeghuis en een praktijk voor fysiotherapie;

3.57 middeldure huurwoning:

een huurwoning die voldoet aan het bepaalde in artikel 9.2.3 sub b;

3.58 natuurinclusieve voorziening:

voorziening die bijdraagt aan natuurinclusiviteit, zoals groene gevels, vleermuiskasten en insectenhotels, niet zijnde een gebouw;

3.59 NCW:

netto contante waarde: de huidige waarde van toekomstige bedragen, waarbij rekening gehouden wordt met indexering, rente en de tijdsperiode;

3.60 nutsvoorziening:

voorzieningen voor onder andere gas, water, elektriciteit en datacommunicatiemiddelen;

3.61 onderbouw:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die onder het straatpeil is gelegen;

3.62 ondergeschikte activiteit:

een activiteit van zeer beperkte bedrijfsmatige en ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft;

3.63 onzelfstandige wooneenheid:

woonruimte zonder een eigen, afsluitbare, toegang welke niet door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen zoals badkamer, toilet en keuken buiten de woonruimte;

3.64 opbrengsten:

gemiddelde NCW van de grondopbrengst van één type bouwactiviteit binnen een kostenverhaalsgebied conform artikel 8.16 Omgevingsbesluit;

3.65 opgang:

pad of trap dat omhoog leidt;

3.66 overbouwing:

een met de gevel van een gebouw verbonden boven het aangrenzend terrein uitstekende (balkon)constructie;

3.67 overige zone - oppervlaktewater

oppervlaktewaterwaterlichaam a als bedoeld in de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard;

3.68 passage:

doorgang;

3.69 paviljoen:

losstaand, autonoom bouwwerk of bijgebouw;

3.70 peil:
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land;
  • d. voor gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - dek': de hoogte van de bovenkant van het daar aan te brengen dek.
3.71 pergola:

een open constructie van latten of palen waarlangs planten kunnen groeien. Een pergola mag niet steunen op of worden voorzien van schotten of wanden;

3.72 plankosten:

plankosten als bedoeld in hoofdstuk 13.2.1a van de Omgevingsregeling;

3.73 productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

3.74 publieksgerichte dienstverlening:

dienstverlening door een bedrijf of instelling dat in hoofdzaak baliewerkzaamheden verricht of andere diensten verleent, gericht op het publiek, zoals stomerijen, wasserettes, kappers, pedicures, makelaars, reis- en uitzendbureaus en dergelijke, met uitzondering van belhuizen;

3.75 Q-team:

het kwaliteitsteam Rivium van de gemeente Capelle aan den IJssel dat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen op de locatie zoals bedoeld in Artikel 1 onder c toetst op redelijke eisen van welstand en eisen aan natuurinclusief bouwen;

3.76 setback:

ten opzichte van de voorgevel van de onderste bouwlaag terugliggende bouwlaag;

3.77 short stay:

tijdelijke huisvesting (logies) voor een periode van minimaal 7 nachten en maximaal 6 maanden;

3.78 sociale huurwoning:

een huurwoning die voldoet aan het bepaalde in artikel 9.2.3 sub a;

3.79 speelvoorziening:

een in de openbare ruimte en buiten gelegen gelegenheid om te kunnen spelen;

3.80 sportactiviteiten:

activiteiten gericht op het beoefenen van sport, met uitzondering van de paardensport;

3.81 stedelijke laag:

de maximaal acht onderste bouwlagen van een gebouw, waarboven alleen gebouwd mag worden in een setback;

3.82 studentenwonen:

het wonen in een woning door studenten overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.2.3 sub c;

3.83 supermarkt:

een vorm van detailhandel waar in overwegende mate levensmiddelen worden verkocht;

3.84 technische maatregel ter beperking van geuroverlast:

een technische maatregel aan een gebouw ter beperking van geuroverlast, zoals een mechanische luchtinstallatie of balansventilatie met koolstoffilter;

3.85 toren:

deel van een gebouw dat aanmerkelijk hoger dan breed en lang is, al dan niet met een ander bouwwerk verbonden en die zich boven dit bouwwerk en de omgevende bebouwing verheft;

3.86 vleermuisvriendelijke verlichting:

verlichting met een gunstige Human-Bat Response Ratio groter dan 40, met een aangepaste lichtkleur en armaturen waardoor vleermuizen en overige nachtdieren niet verblind worden door lampen;

3.87 waterhuishoudkundig plan:

plan waarin het watersysteem van een ontwikkeling is beschreven;

3.88 wonen:

het bewonen van een woning of wooneenheid door niet meer dan één huishouden;

3.89 woningequivalent:

125 m² bruto-vloeroppervlakte van een niet-wonen activiteit is gelijk aan één woning;

3.90 woning of zelfstandige wooneenheid:

een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

3.91 zelfstandige kantoren:

gebouw of deel daarvan dat gebruikt wordt voor het bedrijfsmatig verrichten van administratieve werkzaamheden op financieel, ontwerptechnisch, juridisch, of ander daarmee gelijk te stellen gebied.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden in afwijking van of aanvullend op de meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan de volgende meet- en rekenbepalingen:

4.1 diagonaal van de footprint:

de afstand tussen twee tegenover elkaar gelegen hoekpunten van de footprint van een toren, overeenkomstig volgende afbeelding, gemeten aan de buitenzijde van de buitengevels:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0001.png"

4.2 bouwhoogte op een gebouw:

vanaf het hoogste punt van een gebouw tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

4.3 hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functie dan wel toegestane gebruiksfuncties.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 6 Bedrijven

6.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Bedrijven' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de in Bijlage 1 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • b. een groothandel in meet- en regelapparaten, SBI-2025 46695, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – groothandel in meet- en regelapparaten';
  • c. een groothandel in bouwmaterialen, SBI-2008 4673, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – groothandel in bouwmaterialen';
  • d. een groothandel in ijzerwaren, SBI-2008 4674, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – groothandel in ijzerwaren';
  • e. zelfstandige kantoren;
  • f. sportactiviteiten;
  • g. aan bedrijven, zelfstandige kantoren en sportactiviteiten ondergeschikte detailhandel met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.2.3;
  • h. aan bedrijven, zelfstandige kantoren en sportactiviteiten ondergeschikte horeca behorend tot categorie 1 en 2;
  • i. reclamemasten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - reclamemast';
  • j. een windturbine uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'windturbine';
  • k. in afwijking van het bepaalde onder a, een (afval)waterzuiveringsinstallatie uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'waterzuiveringsinstallatie';

met de daarbij behorende:

  • l. (ontsluitings)wegen, straten en paden en entree en opstelruimte ten behoeve van calamiteitenverkeer;
  • m. nutsvoorzieningen;
  • n. bouwwerken;
  • o. tuinen, erven en terreinen;
  • p. erf-, terrein- en balkonafscheiding;
  • q. parkeervoorzieningen;
  • r. groenvoorzieningen;
  • s. waterlopen en waterpartijen;
  • t. duikers;
  • u. speelvoorzieningen;
  • v. straatmeubilair;
  • w. kunstwerken;
  • x. kunstobjecten;
  • y. natuurinclusieve en klimaatadaptieve voorzieningen.
6.2 Specifieke functieregels voor gebruik
6.2.1 Algemeen

De in artikel 6.1 bedoelde functies zijn toegestaan met inachtneming van het bepaalde in Artikel 22.

6.2.2 Sportactiviteiten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 6.1 gelden voor de uitoefening van een sportactiviteit als bedoeld in artikel 6.1 sub f de volgende regels:

  • a. uitoefening van sportactiviteiten is uitsluitend toegestaan ten behoeve van een squash-, padel- en/of fitnesscentrum;
  • b. in het plangebied mag maximaal één centrum gevestigd zijn met een maximaal oppervlak van 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte.
6.2.3 Detailhandel

In aanvulling op het bepaalde in 6.1 geldt dat de uitoefening van detailhandel als bedoeld in artikel 6.1 sub g uitsluitend is toegestaan:

  • a. ten behoeve van productiegebonden detailhandel tot een maximum bruto-vloeroppervlakte van 15% van de totale bruto-vloeroppervlakte met een maximale oppervlakte van 50 m2;
  • b. ten behoeve van internethandel in niet-dagelijkse goederen alsmede een daarbij behorend afhaalloket, mits de bruto-vloeroppervlakte van het afhaalloket niet meer bedraagt dan 15% van de bruto-vloeroppervlakte van de internethandel met een maximale oppervlakte van 50 m2;
  • c. ten behoeve van detailhandel in ijzerwaren en daarbijbehorende artikelen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 1';
  • d. ten behoeve van detailhandel in sanitair uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 2';
  • e. ten behoeve van detailhandel in keramische producten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 3'.
6.2.4 Verbod

De volgende activiteiten zijn niet toegestaan:

  • a. exploiteren van een ippc-installatie (Richtlijn industriële emissies);
  • b. activiteiten met externe veiligheidsrisico's Bijlage VII Bkl, met uitzondering van onderdeel A, niet zijnde LPG-tankstations en met uitzondering van het exploiteren van een windturbine ter plaatse van de aanduiding 'windturbine';
  • c. activiteiten die op basis van artikel 5.78b Bkl in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken;
  • d. opslag van goederen op onbebebouwde gronden.
6.3 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het specifiek gebruik
6.3.1 Algemeen

Een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het specifiek gebruik wordt alleen verleend met inachtneming van het bepaalde in Artikel 22.

6.3.2 Bedrijf in een naasthogere milieucategorie of die niet genoemd is in de Staat van bedrijfsactiviteiten
  • a. Met uitzondering van het bepaalde in artikel artikel 6.1 b, c en d, is het verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.1 sub a bedrijven te exploiteren in bedrijfscategorie 3.1 of hoger.
  • b. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.1 sub a, bedrijven te exploiteren die niet zijn genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a en b wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. het bedrijf bedoeld in sub a valt maximaal in bedrijfscategorie 3.1;
    • 2. het betrokken bedrijf kan naar aard en invloed op de omgeving geacht worden te behoren tot de in artikel 6.1 sub a genoemde milieucategorieën.
  • d. De volgende activiteiten zijn niet toegestaan:
    • 1. het exploiteren van een ippc-installatie (Richtlijn industriële emissies);
    • 2. activiteiten met externe veiligheidsrisico's Bijlage VII Bkl, met uitzondering van onderdeel A, niet zijnde LPG-tankstations;
    • 3. activiteiten die op basis van artikel 5.78b Bkl in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken;
    • 4. grootschalige detailhandel.
6.3.3 Kinderopvang
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.1, kinderopvang te exploiteren.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. de oppervlakte bedraagt maximaal 250 m2 bruto-vloeroppervlakte;
    • 2. er is aangetoond dat er voldoende behoefte bestaat aan kinderopvang;
    • 3. er is een positief advies ontvangen van de veiligheidsregio. College van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.
6.4 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

6.4.1 Algemeen

Op de in artikel 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functies worden gebouwd, met dien verstande dat voldaan wordt aan het bepaalde in Artikel 22.

6.4.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bouwvlak mag uitsluitend worden overschreden met een luifel, waarbij voldaan moet worden aan de volgende regels:
    • 1. de breedte van een luifel mag niet meer bedragen dan 50% van de gevel waaraan luifel wordt gebouwd, waarbij de breedte maximaal 3 m mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van een luifel mag niet meer bedragen dan de hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw;
    • 3. de afstand tussen de buitenzijde van de luifel en de perceelsgrens mag horizontaal gemeten niet minder bedragen dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is aangegeven;
  • d. in afwijking van het bepaalde in sub c mag de bouwhoogte van niet-zelfstandige kantoren niet worden vergroot;
  • e. de oppervlakte en de inhoud van niet-zelfstandige kantoren mag niet worden vergroot;
  • f. de hoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 4 m bedragen;
  • g. de afstand tussen gebouwen bedraagt minimaal 4 m tenzij gebouwen aaneen worden gebouwd.
6.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. reclamemasten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - reclamemast';
  • b. de hoogte van erf- en perceelafscheidingen mag maximaal 3 m bedragen;
  • c. de hoogte van reclame- en lichtmasten mag maximaal 30 m bedragen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'windturbine' mag één windturbine worden gebouwd, waarbij de hoogte niet meer dan 150 m mag bedragen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'waterzuiveringsinstallatie' is maximaal 1 schoorsteen toegestaan;
  • f. de hoogte van schoorstenen als bedoeld onder e mag maximaal 40 m bedragen;
  • g. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen.
6.5 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
6.5.1 Vergroten bruto-vloeroppervlakte
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.4.2 sub e, de bestaande bruto-vloeroppervlakte van niet-zelfstandige kantoren te vergroten.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. de bruto-vloeroppervlakte wordt met niet meer dan 10% vergroot;
    • 2. de initiatiefnemer heeft met een bedrijfsplan de noodzaak van de uitbreiding aangetoond.
6.5.2 Meer schoorstenen
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.4.3 sub e en f, meerdere en hogere schoorstenen te bouwen.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. de hoogte mag niet meer bedragen dan 150 m;
    • 2. de initiatiefnemer heeft aangetoond dat de bouw nodig is ter vermindering van geurhinder.
6.6 Maatwerkvoorschriften
6.6.1 Inrichting van bedrijfspercelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer

Het college van burgemeester en wethouders kan maatwerkvoorschriften stellen over de inrichting van bedrijfspercelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer.

6.6.2 Plaats, afmetingen, functies en gevelindeling van bebouwing en inrichting buitenruimte

Het college van burgemeester en wethouders kan maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, alsmede aan toegelaten functies, de vormgeving en de gevelindeling van de bebouwing en de inrichting van de buitenruimte, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een aanvaardbare woon- en leefsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de situering van parkeerplaatsen;
  • e. de situering van het laden en lossen op het perceel;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.
  • h. de situering van vluchtwegen ten opzichte van risicobronnen;
  • i. ter bevordering van de brandveiligheid.

Artikel 7 Horeca

7.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. horeca behorend tot categorie 1, 2, 3 en 5;
  • b. het organiseren van congressen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'congrescentrum';

met de daarbij behorende:

  • c. (ontsluitings)wegen, straten en paden en entree en opstelruimte ten behoeve van calamiteitenverkeer;
  • d. bouwwerken;
  • e. tuinen, erven en terreinen;
  • f. erf-, terrein- en balkonafscheiding;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. waterlopen en waterpartijen;
  • k. duikers;
  • l. straatmeubilair;
  • m. kunstwerken;
  • n. een brug voor langzaamverkeer ter plaatse van de aanduiding 'brug';
  • o. kunstobjecten;
  • p. duurzame energievoorzieningen;
  • q. natuurinclusieve en klimaatadaptieve voorzieningen.
7.2 Specifieke functieregels voor gebruik
7.2.1 Algemeen

De in artikel 7.1 bedoelde functies zijn toegestaan met inachtneming van het bepaalde in Artikel 22.

7.3 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

7.3.1 Algemeen

Op de in artikel 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functies worden gebouwd, met dien verstande dat voldaan wordt aan het bepaalde in Artikel 22.

7.3.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • c. de hoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 4 m bedragen;
  • d. de minimale afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt 3 m tenzij gebouwen aaneen worden gebouwd;
  • e. de afstand tussen gebouwen bedraagt minimaal 4 m tenzij gebouwen aaneen worden gebouwd;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing' mag een overbouwing worden gebouwd ten dienste van de aangrenzende functie 'Ontwikkelveld', met dien verstande dat de vrije hoogte onder de overbouwing minimaal 2,5 m bedraagt.
7.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevel of het verlengde daarvan en tot 1 m achter de voorgevel of het verlengde daarvan mag maximaal 1 m bedragen;
  • b. de hoogte van erf- en perceelafscheidingen vanaf 1 m achter de voorgevel of het verlengde daarvan mag maximaal 2 m bedragen;
  • c. de hoogte van lichtmasten mag maximaal 30 m bedragen;
  • d. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen.
7.4 Maatwerkvoorschriften
7.4.1 Inrichting van percelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer

Het college van burgemeester en wethouders kan maatwerkvoorschriften stellen over de inrichting van percelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer.

7.4.2 Plaats, afmetingen, functies en gevelindeling van bebouwing en inrichting buitenruimte

Het college van burgemeester en wethouders kan maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, alsmede aan toegelaten functies, de vormgeving en de gevelindeling van de bebouwing en de inrichting van de buitenruimte, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een aanvaardbare woon- en leefsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de situering van parkeerplaatsen;
  • e. de situering van het laden en lossen op het perceel;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.
  • h. de situering van vluchtwegen ten opzichte van risicobronnen;
  • i. ter bevordering van de brandveiligheid.

Artikel 8 Kantoren

8.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Kantoren' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. kantoren;
  • b. detailhandel met inachtneming van het bepaalde in artikel 8.2.2;
  • c. aan kantoren ondergeschikte horeca behorend tot categorie 1 en 2;

met de daarbij behorende:

  • d. (ontsluitings)wegen, straten en paden en entree en opstelruimte ten behoeve van calamiteitenverkeer;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. bouwwerken;
  • g. tuinen, erven en terreinen;
  • h. erf-, terrein- en balkonafscheiding;
  • i. parkeervoorzieningen;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. waterlopen en waterpartijen;
  • l. duikers;
  • m. straatmeubilair;
  • n. kunstwerken;
  • o. kunstobjecten;
  • p. duurzame energievoorzieningen;
  • q. natuurinclusieve en klimaatadaptieve voorzieningen.
8.2 Specifieke functieregels voor gebruik
8.2.1 Algemeen

De in 8.1 bedoelde functies zijn toegestaan met inachtneming van het bepaalde in Artikel 22.

8.2.2 Detailhandel

In aanvulling op het bepaalde in artikel 8.1 geldt dat de uitoefening van detailhandel als bedoeld in artikel 8.1 sub b uitsluitend is toegestaan ten behoeve van internethandel alsmede een daarbij behorend afhaalloket, mits de bruto-vloeroppervlakte van het afhaalloket niet meer bedraagt dan 15% van de bruto-vloeroppervlakte van de internethandel met een maximale oppervlakte van 50 m2.

8.2.3 Verbod

In aanvulling op het bepaalde in artikel 8.1 geldt dat het opslaan van goederen buiten het bouwvlak niet is toegestaan.

8.3 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

8.3.1 Algemeen

Op de in artikel 8.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functies worden gebouwd, met dien verstande dat voldaan wordt aan het bepaalde in Artikel 22.

8.3.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bouwvlak mag uitsluitend worden overschreden met een luifel, waarbij voldaan moet worden aan de volgende regels:
    • 1. de breedte van een luifel mag niet meer bedragen dan 50% van de gevel waaraan luifel wordt gebouwd, waarbij de breedte maximaal 3 m mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van een luifel mag niet meer bedragen dan de hoogte van de onderste bouwlaag van het hoofdgebouw;
    • 3. de afstand tussen de buitenzijde van de luifel en de perceelsgrens mag horizontaal gemeten niet minder bedragen dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte, oppervlakte en inhoud van hoofdgebouwen mag niet worden vergroot;
  • d. de hoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 4 m bedragen;
  • e. de afstand tussen gebouwen bedraagt minimaal 4 m tenzij gebouwen aaneen worden gebouwd;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing' mag een overbouwing worden gebouwd ten dienste van de aangrenzende functie 'Ontwikkelveld', met dien verstande dat de vrije hoogte onder de overbouwing minimaal 2,5 m bedraagt.
8.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en perceelafscheidingen mag maximaal 3 m bedragen;
  • b. de hoogte van lichtmasten mag maximaal 30 m bedragen;
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen.
8.4 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
8.4.1 Vergroten bruto-vloeroppervlakte
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 8.3.2 sub c, de bestaande bruto-vloeroppervlakte van kantoren te vergroten.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. de bruto-vloeroppervlakte wordt met niet meer dan 10% vergroot;
    • 2. de initiatiefnemer heeft met een bedrijfsplan de noodzaak van de uitbreiding aangetoond.
8.5 Maatwerkvoorschriften
8.5.1 Inrichting van bedrijfspercelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer

Het college van burgemeester en wethouders kan maatwerkvoorschriften stellen over de inrichting van bedrijfspercelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer.

8.5.2 Plaats, afmetingen, functies en gevelindeling van bebouwing en inrichting buitenruimte

Het college van burgemeester en wethouders kan maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, alsmede aan toegelaten functies, de vormgeving en de gevelindeling van de bebouwing en de inrichting van de buitenruimte, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een aanvaardbare woon- en leefsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de situering van parkeerplaatsen;
  • e. de situering van het laden en lossen op het perceel;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.
  • h. de situering van vluchtwegen ten opzichte van risicobronnen;
  • i. ter bevordering van de brandveiligheid.

Artikel 9 Ontwikkelveld

9.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Ontwikkelveld' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van beroep of bedrijf aan huis, tot maximaal categorie A van de in Bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging;
  • b. studentenwonen;
  • c. short stay uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - short stay';
  • d. gemeenschappelijke ruimten;
  • e. bedrijven, in de categorieën A en B van de in Bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging;
  • f. publieksgerichte dienstverlening;
  • g. sportactiviteiten;
  • h. voorzieningen voor cultuur en ontspanning;
  • i. zelfstandige kantoren;
  • j. kleinschalige detailhandel;
  • k. 1 supermarkt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';
  • l. horeca behorend tot categorie 1, 2, 3 en 4;
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 3' is in afwijking van het bepaalde in sub l uitsluitend horeca behorend tot en met categorie 3 toegestaan;
  • n. maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van onderwijs/ educatieve voorzieningen en met uitzondering van zeer kwetsbare gebouwen en locaties;
  • o. onderwijsvoorzieningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs';
  • p. parkeren op maaiveld uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - parkeren';
  • q. parkeergarages ter plaatse van de aanduidingen 'parkeergarage - 1', 'parkeergarage - 2', 'parkeergarage - 3' en 'parkeergarage - 4';
  • r. in- en uitritten ten behoeve van een gebouwde parkeervoorziening uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - inrit';
  • s. opgangen ten behoeve van binnengebieden ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van verkeer - opgang 1' en 'specifieke vorm van verkeer - opgang 2';


met de daarbij behorende:

  • t. bouwwerken;
  • u. (ontsluitings)wegen, straten en paden en entree en opstelruimte ten behoeve van calamiteitenverkeer;
  • v. groenvoorzieningen en water;
  • w. nutsvoorzieningen;
  • x. (ondergrondse) voorzieningen voor het verzamelen van afval;
  • y. daktuinen, (dak)terrassen en erven;
  • z. erf-, terrein- en balkonafscheidingen;
  • aa. voorzieningen en bouwwerken passend bij de functies als genoemd onder a t/m s;
  • ab. straatmeubilair;
  • ac. kunstobjecten;
  • ad. speelvoorzieningen;
  • ae. duurzame energievoorzieningen;
  • af. natuurinclusieve en klimaatadaptieve voorzieningen;
  • ag. energieopslagsystemen.
9.2 Specifieke functieregels voor gebruik
9.2.1 Algemeen

De in artikel 9.1 bedoelde functies zijn toegestaan:

  • a. met inachtneming van het bepaalde in Artikel 22;
  • b. met dien verstande dat de maximum bruto-vloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding maximum vloeroppervlakte; bvo (m2)', met dien verstande dat ter plaatse van een 'relatie' op de plankaart, het maximum bruto-vloeroppervlakte voor alle verbonden aanduidingsvlakken gezamenlijk geldt.
9.2.2 Wonen
  • a. Wonen is toegestaan op de begane grond en op de bouwlagen daarboven, met dien verstande dat in gebouwdelen grenzend aan de aanduiding 'specifieke vorm van groen - marktplein' wonen op de begane grond en de tweede bouwlaag niet is toegestaan tot 3 m achter de voorgevel gelegen aan de zijde van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - marktplein';
  • b. Het is verboden te wonen ter plaatse van de aanduiding 'wonen uitgesloten';
  • c. Het maximum aantal woningen, inclusief woningen ten behoeve van het studentenwonen, mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', met dien verstande dat ter plaatse van een 'relatie' op de plankaart, het maximum aantal wooneenheden voor alle verbonden aanduidingsvlakken gezamenlijk geldt;
  • d. Tevens gelden de volgende regels:
    • 1. het is verboden een bestaande woning te veranderen in en/of te vergroten tot twee of meer woningen;
    • 2. het is verboden meerdere woningen samen te voegen tot een kleiner aantal woningen;
    • 3. bij herbouw van één of meerdere woning(en) is in de nieuwe situatie een gelijk aantal woningen toegestaan;
    • 4. het is verboden een woning te gebruiken voor de huisvesting van meer dan één huishouden;
    • 5. kamerverhuur is niet toegestaan;
    • 6. het is verboden een woning te gebruiken als onzelfstandige wooneenheid.
9.2.3 Woningtypen

Voor het gebruik van woningen gelden de volgende regels:

  • a. minimaal 10% van de woningen binnen de functie "Ontwikkelveld" dient te worden gerealiseerd als sociale huurwoningen, niet zijnde woningen ten behoeve van studentenwonen, overeenkomstig de verdeling in het in Bijlage 3 opgenomen Programma. Een sociale huurwoning is een huurwoning:
    • 1. waarvan de aanvangshuurprijs ligt onder de op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning geldende maximale huurprijsgrens voor sociale huur, zoals vastgesteld in de relevante landelijke regelgeving inzake huurtoeslag of daarmee gelijkgestelde regelgeving;
    • 2. die voldoet aan de op datzelfde moment geldende landelijke eisen inzake de manier van toewijzen aan woningzoekenden;
    • 3. die voldoet aan de op datzelfde moment geldende landelijke eisen inzake de minimale instandhoudingstermijn voor sociale huurwoningen, gerekend vanaf de ingebruikname;
    • 4. die, indien de sociale huurwoning wordt verhuurd door een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, onderdeel uitmaakt van de DAEB-voorraad van de betreffende toegelaten instelling;
  • b. minimaal 40% van de woningen binnen de functie "Ontwikkelveld" dient te worden gerealiseerd als middeldure huurwoningen overeenkomstig de verdeling in het in Bijlage 3 opgenomen Programma. Een middeldure huurwoning is een huurwoning:
    • 1. waarvan de aanvangshuurprijs ligt boven de op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning geldende maximale huurprijsgrens voor sociale huur en niet hoger is dan de op datzelfde moment geldende maximale middenhuurprijsgrens, zoals vastgesteld in de relevante landelijke regelgeving inzake huurprijzen woonruimte of daarmee gelijkgestelde regelgeving;
    • 2. die voldoet aan de op datzelfde moment geldende landelijke eisen inzake de minimale instandhoudingstermijn voor middeldure huurwoningen, gerekend vanaf de ingebruikname;
    • 3. die, indien de maximale huurprijs wordt bepaald op basis van een kwaliteitswaardering, voldoet aan de op het moment van indiening geldende regels voor de waardering van de kwaliteit en daarbij behorende maximaal toegestane huurprijs;
    • 4. waarvoor in geval van nieuwbouw, indien en voor zover toegestaan volgens de op dat moment geldende landelijke regelgeving inzake middenhuur, een prijsopslag kan worden gehanteerd van maximaal het percentage dat in die regelgeving is vastgelegd voor nieuwbouw;
  • c. er zijn maximaal 500 woningen ten behoeve van studentenwonen toegestaan, overeenkomstig de verdeling in het in Bijlage 3 opgenomen Programma. Een studentenwoning is een woning:
    • 1. die wordt verhuurd op basis van een huurovereenkomst waarin is bepaald dat de woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal worden verhuurd (campuscontract). Onder een campuscontract wordt verstaan een huurovereenkomst die voldoet aan de eisen die op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning voortvloeien uit de dan geldende wettelijke bepalingen inzake campuscontracten of daarmee gelijkgestelde regelgeving;
    • 2. waarvan de huurprijs valt onder de op datzelfde moment landelijk geldende maximale sociale huurprijsgrens en andere voorwaarden van een sociale huurwoning;
    • 3. die voldoet aan de op dat moment geldende voorwaarden voor het verkrijgen van huurtoeslag.
9.2.4 Short stay

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.1 gelden de volgende regels:

  • a. de functie short stay als bedoeld in artikel 9.1 sub c is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - short stay';
  • b. de gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte van de functie short stay als bedoeld in artikel 9.1 sub c bedraagt maximaal 15.890 m2 binnen de functie 'Ontwikkelveld', overeenkomstig de verdeling in het in Bijlage 3 opgenomen Programma;
  • c. short stay voldoet aan de volgende criteria:
    • 1. er is de beschikking over op de doelgroep afgestemde gemeenschappelijke voorzieningen zoals een ontmoetings- en/of recreatieruimte;
    • 2. het voldoet aan de minimale eisen voor logiesfuncties zoals opgenomen in Hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
9.2.5 Beroep of bedrijf aan huis

Een beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de woonactiviteit in overwegende mate blijft gehandhaafd, waarbij maximaal 30% van het totale gebruiksoppervlakte van de hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken behorende bij de woning als beroep of bedrijf aan huis mag worden gebruikt, tot een maximum van 80 m2;
  • b. de bewoner uitsluitend zelf het beroep of bedrijf aan huis uitoefent;
  • c. bedoeld gebruik geen hinder mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonmilieu en woonkarakter van de wijk of buurt;
  • d. de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed;
  • e. het gebruik geen onevenredige nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • f. geen milieubelastende activiteit plaatsvindt als genoemd in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving of voldoende vaststaat dat de vestiging van de activiteit geen overwegende bezwaren van milieuhygiënische aard zal oproepen, gelet op de ligging, bedrijfsvoering en omvang van het bedrijf ten opzichte van de nabij gelegen woonbebouwing;
  • g. door de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis mag het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig veranderen, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest;
  • h. detailhandel en horeca zijn niet toegestaan, uitgezonderd internethandel en ondergeschikte detailhandel.
9.2.6 Voorzieningen ten behoeve van bedrijven, publieksgerichte dienstverlening, sportactiviteiten, voorzieningen voor cultuur en ontspanning en zelfstandige kantoren

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.1 gelden de volgende regels:

  • a. de functies als bedoeld in artikel 9.1 sub e, f, g, h en i zijn uitsluitend toegestaan op de onderste twee bouwlagen van gebouwen;
  • b. de gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte van de functies bedoeld in artikel 9.1 sub e, f, g, h en i bedraagt maximaal 26.000 m2 binnen de functie 'Ontwikkelveld'.
9.2.7 Detailhandel

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.1 gelden de volgende regels:

  • a. de functie kleinschalige detailhandel als bedoeld in artikel 9.1 sub j is uitsluitend toegestaan op de onderste twee bouwlagen van gebouwen;
  • b. de gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte van de functie kleinschalige detailhandel als bedoeld in artikel 9.1 sub j bedraagt maximaal 1.250 m2 binnen de functie 'Ontwikkelveld', overeenkomstig de verdeling in het in Bijlage 3 opgenomen Programma, met dien verstande dat de bruto-vloeroppervlakte per detailhandelsvestiging niet meer bedraagt dan 250 m2;
  • c. de gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte van de functie supermarkt als bedoeld in artikel 9.1 sub k bedraagt maximaal 2.000 m2.
9.2.8 Horeca
  • a. de functie horeca behorend tot categorie 1, 2, 3 of 4 als bedoeld in artikel 9.1 sub l en m is uitsluitend toegestaan op de onderste twee bouwlagen van gebouwen;
  • b. de gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte van de functie horeca als bedoeld in artikel 9.1 sub l en m bedraagt maximaal 3.000 m2 binnen de functie 'Ontwikkelveld', overeenkomstig de verdeling in het in Bijlage 3 opgenomen Programma;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - binnengebied' zijn terrassen ten behoeve van de functie horeca niet toegestaan.
9.2.9 Maatschappelijk

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.1 geldt dat de gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte ten behoeve van de in artikel 9.1 sub n bedoelde functie maatschappelijke voorzieningen, maximaal 4.000 m2 bedraagt binnen de functie 'Ontwikkelveld'.

9.2.10 Onderwijs

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.1 geldt dat de gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte ten behoeve van de in artikel 9.1 sub o bedoelde functie onderwijs met bijbehorende voorzieningen, maximaal 2.600 m2 bedraagt.

9.2.11 Parkeren

In aanvulling op het bepaalde in artikel 9.1 gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - parkeren' zijn maximaal 11 parkeerplekken voor auto's toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage - 1' is de functie parkeren als bedoeld in artikel 9.1 sub p uitsluitend toegestaan op de onderste bouwlaag van gebouwen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage - 2' is de functie parkeren als bedoeld in artikel 9.1 sub p uitsluitend toegestaan ondergronds en op de onderste twee bouwlagen van gebouwen. Het parkeren is niet zichtbaar vanaf het openbare gebied, met uitzondering van de locaties ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - inrit';
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage - 3' is de functie parkeren als bedoeld in artikel 9.1 sub p toegestaan op alle bouwlagen met uitzondering van de begane grond. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - inrit' zijn in- en uitritten ten behoeve van het parkeren wel op de begane grond toegestaan;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage - 4' is de functie parkeren als bedoeld in artikel 9.1 sub p uitsluitend toegestaan onder peil, waarbij het bepaalde in 3.70 onder d in acht moet worden genomen.
9.3 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het specifiek gebruik
9.3.1 Algemeen

Een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het specifiek gebruik wordt alleen verleend met inachtneming van het bepaalde in Artikel 22.

9.3.2 Bedrijf die niet genoemd is in de Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.1 sub e, bedrijven te exploiteren die niet zijn genoemd in de in Bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. het betrokken bedrijf kan naar aard en invloed op de omgeving geacht worden te behoren tot de in artikel 9.1 sub e genoemde milieucategorieën;
    • 2. er ontstaat geen onevenredige hinder door parkeren en/of vervoersbewegingen.
  • c. De volgende activiteiten zijn niet toegestaan:
    • 1. het exploiteren van een ippc-installatie (Richtlijn industriële emissies);
    • 2. activiteiten met externe veiligheidsrisico's Bijlage VII Bkl, met uitzondering van onderdeel A, niet zijnde LPG-tankstations;
    • 3. activiteiten die op basis van artikel 5.78b Bkl in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken;
    • 4. grootschalige detailhandel.
9.3.3 Uitwisselen aantal en type woningen
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.2.2 sub c en 9.2.3 het aantal en de verschillende typen woningen te wijzigen.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de volgende criteria:
    • 1. het maximum aantal woningen binnen de functie 'Ontwikkelveld' bedraagt 5.000;
    • 2. minimaal 10% van de woningen binnen de functie "Ontwikkelveld" wordt gerealiseerd als sociale huurwoningen, niet zijnde woningen ten behoeve van studentenwonen;
    • 3. minimaal 40% van de woningen binnen de functie "Ontwikkelveld" wordt gerealiseerd als middeldure huurwoningen;
    • 4. het maximum aantal woningen ten behoeve van studentenwonen binnen de functie 'Ontwikkelveld' bedraagt 500.
9.3.4 Wijzigen woningtypen
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kleiner percentage woningen dan is bepaald in artikel 9.2.3 sub b, te gebruiken als middeldure huurwoning;
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het criterium dat het in mindering gebrachte percentage middeldure huurwoningen als koopwoningen wordt verkocht voor een bedrag kleiner of gelijk aan de betaalbaarheidsgrens.
9.3.5 Andere verdeling programma over bouwblokken
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.2.4 sub b, artikel 9.2.7 sub b en artikel 9.2.8 sub b een grotere oppervlakte aan functies te gebruiken dan is opgenomen in het Programma in Bijlage 3.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het criterium dat de maximum bruto-vloeroppervlakte per functie binnen de functie 'Ontwikkelveld' gezamenlijk niet meer mag bedragen dan is opgenomen onder Totaal in het in Bijlage 3 opgenomen Programma.
9.3.6 Voorzieningen boven de onderste twee bouwlagen grenzend aan marktplein
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.2.6 sub a, voorzieningen ten behoeve van bedrijven, publieksgerichte dienstverlening, sportactiviteiten en voorzieningen voor cultuur en ontspanning te realiseren op de 3e en 4e bouwlaag.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. de voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in gebouwdelen grenzend aan de aanduiding 'specifieke vorm van groen - marktplein';
    • 2. de maximum bruto-vloeroppervlakte mag per functie gezamenlijk binnen de functie 'Ontwikkelveld' niet meer bedragen dan is opgenomen onder Totaal in het in Bijlage 3 opgenomen Programma;
    • 3. er ontstaat geen onevenredige hinder voor aangrenzende gronden en/of bouwwerken.
9.3.7 Horeca behorend tot categorie 5
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning horeca behorend tot categorie 5 te vestigen.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. horeca behorend tot categorie 5 is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'hotel';
    • 2. uit een, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, deugdelijk marktonderzoek van een deskundige op het gebied van ruimtelijk-economisch marktonderzoek blijkt dat er voldoende behoefte bestaat aan horeca behorend tot categorie 5;
    • 3. de gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte van de functie horeca behorend tot categorie 5 en de functie short stay als bedoeld in 9.2.4 ter plaatse van de aanduiding 'hotel' bedraagt maximaal 2.250 m2.
9.4 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

9.4.1 Algemeen

Op de in artikel 9.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functies worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. wonen uitsluitend in de vorm van gestapelde woningen is toegestaan;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' ook grondgebonden aaneengebouwde woningen toegestaan;
  • c. voldaan wordt aan het bepaalde in Artikel 22;
  • d. voldaan wordt aan de beeldkwaliteit zoals vastgelegd in hoofdstuk 12 van het Beeldkwaliteitsplan plus;
  • e. het vloerpeil is ten minste 0,21 m hoger dan het aangrenzende straatpeil.
9.4.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen balkons buiten het bouwvlak worden gebouwd met dien verstande dat:
    • 1. de afstand tussen een balkon en het maaiveld minimaal 6 m bedraagt;
    • 2. een balkon niet meer dan 2,5 m buiten het bouwvlak wordt gebouwd;
  • c. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • d. er moet gebouwd worden in de naar het openbaar gebied gekeerde bebouwingsgrens, toeritten van parkeergarages zijn hiervan uitgezonderd;
  • e. de bouwhoogte bedraagt maximaal de hoogte zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • f. de gezamenlijke bouwhoogte van de onderste twee bouwlagen bedraagt minimaal 7 m;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - footprint 1' hebben torens een footprint met een diagonaal van maximaal 37 m;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - footprint 2' hebben torens een footprint met een diagonaal van maximaal 45 m;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - footprint 3' hebben torens een footprint met een diagonaal van maximaal 56 m;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - footprint 4' hebben torens een footprint met een diagonaal van maximaal 65 m;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - footprint 5' hebben torens twee footprints:
    • 1. de diagonaal voor de eerste 75 m hoogte bedraagt maximaal 56 m;
    • 2. de diagonaal van de footprint vanaf 75 m hoogte bedraagt maximaal 45 m;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' is een onderdoorgang toegestaan. Een onderdoorgang ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' voldoet aan de volgende regels:
    • 1. de bebouwingsvrije hoogte bedraagt ten minste 6 m;
    • 2. de bebouwingsvrije breedte bedraagt ten minste 6 m;
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - passage' bedraagt de bebouwingsvrije breedte van de passage ten minste 9 m;
  • n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - passage' mag een passage niet worden overbouwd, met uitzondering van een voetgangersbrug;
  • o. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van verkeer - opgang 1' en 'specifieke vorm van verkeer - opgang 2' zijn opgangen ten behoeve van binnengebieden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - binnengebied' toegestaan. Een opgang ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van verkeer - opgang 1' en 'specifieke vorm van verkeer - opgang 2' mag niet worden overbouwd;
  • p. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - opgang 1' bedraagt de breedte van de opgang ten minste 10 m;
  • q. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage - 1' mag de onderste bouwlaag gedeeltelijk ondergronds worden gebouwd;
  • r. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - dek' mag een dek gebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 4 m gemeten vanaf maaiveld.
9.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevel zijn niet toegestaan;
  • b. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan:
    • 1. 2 m voor erf- en perceelafscheidingen op de gronden vanaf 1 m achter de voorgevel en het verlengde daarvan;
    • 2. 9 m voor kunstobjecten en lichtmasten;
    • 3. 4 m voor pergola's;
    • 4. 4 m voor luifels en overkappingen van voorzieningen ten behoeve van publieksgerichte dienstverlening, sport, cultuur en ontspanning;
    • 5. 3 m voor speelvoorzieningen;
    • 6. 3 m voor voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie voor eigen of collectief gebruik;
    • 7. 5 m voor de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde.
9.4.4 Overschrijdingen bouwgrenzen en maatvoeringen

De in artikel 9.4.1, artikel 9.4.2 en artikel 9.4.3 opgenomen bouwgrenzen en maatvoeringen mogen uitsluitend worden overschreden door:

  • a. erf- en perceelafscheidingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - binnengebied' en de aanduiding 'specifieke vorm van groen - opgetild maaiveld' mits de overschrijding van de bestaande bouwhoogte van het gebouw niet meer dan 50 cm bedraagt, voor zover het erf- en perceelafscheidingen betreffen die evenwijdig aan de achtergevel worden gebouwd;
  • b. erf- en perceelafscheidingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - binnengebied' en de aanduiding 'specifieke vorm van groen - opgetild maaiveld' mits de overschrijding van de bestaande bouwhoogte van het gebouw niet meer dan 1,5 m bedraagt, voor zover het erf- en perceelafscheidingen betreffen die haaks op de achtergevel worden gebouwd;
  • c. ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken, stoeptreden en inrichtingen voor de watervoorziening, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 0,80 m bedraagt en de maximale toegestane bouwhoogte met niet meer dan 2 m wordt overschreden;
  • d. dakopbouwen onder meer ten behoeve van bewassings-, luchtbehandelings- en liftinstallaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen installaties zijn toegestaan, met dien verstande dat de overschrijding van de maximum toegestane bouwhoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt;
  • e. antenne-installaties, alarminstallaties, vlaggenmasten en dergelijke, die deel uitmaken van een gebouw, mits de overschrijding van de maximum toegestane bouwhoogte van het gebouw niet meer dan 8 m bedraagt;
  • f. overige ondergeschikte bouwdelen, mits de maximum toegestane bouwhoogte van het gebouw met niet meer dan 2 m wordt overschreden.
9.4.5 Beoordelingsregel duurzaamheid
  • a. Het bebouwen van de voor 'Ontwikkelveld' aangewezen gronden is slechts toegestaan als naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders voldoende is aangetoond dat een gemiddelde GPR-norm van 8 wordt gehaald voor de thema's energie, milieu, gezondheid, gebruikswaarde en toekomstwaarde, waarbij voor elk thema minimaal een GPR-norm van 7 wordt, zoals bedoeld in artikel 3.31;
  • b. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ander duurzaamheidsinstrument toe te passen dan de GPR-methodiek;
  • c. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder b, wordt uitsluitend verleend indien is aangetoond dat een minimaal aan de GPR-methodiek gelijkwaardig instrument en een vergelijkbare norm van 8 wordt toegepast;
  • d. Het is verboden de gronden zonder omgevingsvergunning te bebouwen indien de in lid a benoemde gemiddelde GPR-norm van 8 niet gehaald wordt;
  • e. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder d wordt uitsluitend verleend indien, naar oordeel van burgemeester en wethouders, voldoende is aangetoond dat op één of meer GPR-thema's de score van 8 of hoger redelijkerwijs niet gehaald kan worden doordat de inrichting van het nabijgelegen gebied met de functie openbare ruimte dit belemmert.
9.4.6 Beoordelingsregel natuurinclusieve kwaliteit

Het bebouwen van de voor 'Ontwikkelveld' aangewezen gronden is slechts toegestaan als het ontwerp voor de inrichting van het (van het bouwwerk deel uitmakende) groene binnengebied ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - binnengebied' en het opgetilde maaiveld ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - opgetild maaiveld', voldoet aan de regel dat het Q-team positief heeft geadviseerd dat de met het plan beoogde natuurinclusieve kwaliteit, zoals vastgelegd in paragraaf 8.2 van het Beeldkwaliteitsplan plus, wordt behaald. College van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.

9.4.7 Beoordelingsregel klimaatadaptief bouwen
  • a. Het bebouwen van de voor 'Ontwikkelveld' aangewezen gronden is slechts toegestaan als naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders middels een waterhuishoudkundig plan is aangetoond dat:
    • 1. bij een bui 1:100 jaar op eigen terrein voorzien wordt in de opvang van minimaal 70 mm water per 1 m2 van de totale oppervlakte van het bouwvlak;
    • 2. de hemelwaterberging zo wordt ontworpen en in stand wordt gehouden dat deze binnen 48 uur weer volledig beschikbaar is;
  • b. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.7 sub a, geen waterbergingscapaciteit te realiseren;
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld onder b wordt alleen verleend als is aangetoond dat het realiseren van de waterbergingscapaciteit redelijkerwijs niet mogelijk is.
9.5 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
9.5.1 Algemeen

Een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen wordt alleen verleend met inachtneming van het bepaalde in Artikel 22.

9.5.2 Minder grote setback
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 9.4.2 sub e, de bouwgrenzen ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' aan de naar de weg gekeerde zijde van het aanduidingsvlak met maximaal 3 m te overschrijden, met dien verstande dat niet buiten het bouwvlak gebouwd mag worden.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het criterium dat het Q-team positief heeft geadviseerd dat de met het plan beoogde stedenbouwkundige beeldkwaliteit, zoals vastgelegd in hoofdstuk 12 van het Beeldkwaliteitsplan plus, wordt behaald. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.

Artikel 10 Openbare ruimte

10.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Openbare ruimte' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. wegen en straten, wandel- en fietspaden;
  • c. kunstwerken;
  • d. kunstobjecten;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. openbaar vervoervoorzieningen;
  • g. parkeer- en verkeervoorzieningen;
  • h. sport- en speelvoorzieningen;
  • i. horeca behorend tot categorie 1 en 2;
  • j. publieksgerichte dienstverlening;
  • k. straatmeubilair;
  • l. voorzieningen voor recreatie, zoals vlonders, steigers en gelijksoortige voorzieningen;
  • m. water, waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • n. marktplein ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - marktplein';
  • o. voorzieningen gericht op het beperken van windhinder;
  • p. terrassen en terrasschermen ten behoeve van aangrenzende horeca;
  • q. reclameborden;
  • r. duurzame energievoorzieningen;
  • s. natuurinclusieve en klimaatadaptieve voorzieningen


met de daarbij behorende:

  • t. paviljoens ten behoeve van de functies horeca behorend tot categorie 1 en 2 zoals genoemd onder i en publieksgerichte dienstverlening als bedoeld onder j;
  • u. energieopslagsystemen.
10.2 Specifieke functieregels voor gebruik
10.2.1 Algemeen

De in 10.1 bedoelde functies zijn toegestaan met inachtneming van het bepaalde in Artikel 22.

10.2.2 Horeca

In aanvulling op het bepaalde in artikel 10.1 gelden de volgende regels:

  • a. de functie horeca behorend tot categorie 1 of 2 als bedoeld in artikel 10.1 sub i is uitsluitend toegestaan in een paviljoen;
  • b. de gezamenlijke bruto-vloeroppervlakte van de functie horeca als bedoeld in artikel 10.1 sub i, terrassen niet meegerekend, bedraagt maximaal 200 m2.
10.2.3 Publieksgerichte dienstverlening

In aanvulling op het bepaalde in artikel 10.1 geldt dat de functie publieksgerichte dienstverlening als bedoeld in artikel 10.1 onder j enkel is toegestaan in een paviljoen.

10.2.4 Straatverlichting

In aanvulling op het bepaalde in artikel 10.1 geldt dat straatverlichting vleermuisvriendelijk dient te zijn en per armatuur instelbaar is.

10.3 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

10.3.1 Algemeen

Op de in artikel 10.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functies worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. voldaan wordt aan het bepaalde in Artikel 22;
  • b. het vloerpeil van gebouwen ten minste 0,21 m hoger is dan het aangrenzende straatpeil.
10.3.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van gebouwen is niet toegestaan, met uitzondering van het bouwen van paviljoens;
  • b. voor het bouwen van paviljoens gelden de volgende regels:
    • 1. het totaal aantal paviljoens bedraagt maximaal 3;
    • 2. paviljoens worden gesitueerd binnen de aanduiding 'specifieke vorm van groen - marktplein';
    • 3. de bouwhoogte van paviljoens bedraagt maximaal 12 m;
    • 4. de maximale oppervlakte bedraagt per paviljoen ten hoogste 150 m²;
  • c. in uitzondering op het bepaalde onder a mogen balkons gebouwd worden ten dienste van de aangrenzende functie 'Ontwikkelveld', met dien verstande dat:
    • 1. de afstand tussen een balkon en het maaiveld minimaal 6 m bedraagt;
    • 2. een balkon niet meer dan 2,5 m buiten het bouwvlak in de functie 'Ontwikkelveld' wordt gebouwd;
  • d. in uitzondering op het bepaalde onder a mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing' een overbouwing worden gebouwd ten dienste van de aangrenzende functie 'Ontwikkelveld' en overeenkomstig de daar opgenomen bouwregels, met dien verstande dat de vrije hoogte onder de overbouwing minimaal 6 m bedraagt.
10.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. erf- en perceelafscheidingen zijn niet toegestaan;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag maximaal 5 m bedragen;
  • c. de hoogte van wind- en terrasschermen mag niet meer bedragen dan 1,8 m;
  • d. de hoogte van kunstwerken en kunstobjecten bedraagt maximaal 10 m;
  • e. de hoogte van lantaarnpalen en vlaggenmasten bedraagt maximaal 12 m;
  • f. de hoogte van reclameborden bedraagt maximaal 5 m;
  • g. de hoogte van verkeersregelinstallaties en bewegwijzering bedraagt maximaal 10 m;
  • h. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer bedraagt maximaal 3 m.
10.4 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
10.4.1 Algemeen
  • a. Op de gronden als bedoeld in artikel 10.1 mag de volgende activiteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid niet worden verricht:
    • 1. het dempen van watergangen en waterpartijen;
  • b. In uitzondering op het bepaalde onder a mag de volgende activiteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wel worden verricht:
    • 1. activiteiten die het normale onderhoud betreffen.
10.5 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
10.5.1 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 10.4, activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uit te voeren.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. er is voorzien in compensatie van de oppervlakte water;
    • 2. er is een positief advies ontvangen van de waterbeheerder. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.

Artikel 11 Wonen

11.1 Functieomschrijving

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. wonen, niet zijnde studentwonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van beroep of bedrijf aan huis, tot maximaal categorie A van de in Bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging;
  • b. horeca behorend tot categorie 1 uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
  • c. parkeren al dan niet in gebouwde parkeervoorzieningen;


met de daarbij behorende:

  • d. bouwwerken;
  • e. (ontsluitings)wegen, straten en paden en entree en opstelruimte ten behoeve van calamiteitenverkeer;
  • f. groenvoorzieningen en water;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. ondergrondse voorzieningen voor het verzamelen van afval;
  • i. (dak)tuinen, (dak)terrassen en erven;
  • j. erf-, terrein- en balkonafscheidingen;
  • k. voorzieningen, bouwwerken en straatmeubilair passend bij de functies als genoemd onder a t/m c;
  • l. kunstobjecten;
  • m. speelvoorzieningen;
  • n. duurzame energievoorzieningen;
  • o. natuurinclusieve en klimaatadaptieve voorzieningen.
11.2 Specifieke functieregels voor gebruik
11.2.1 Algemeen

De in artikel 11.1 bedoelde functies zijn toegestaan met inachtneming van het bepaalde in Artikel 22.

11.2.2 Wonen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 11.1 gelden de volgende regels:

  • a. het maximum aantal woningen mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';
  • b. het is verboden een bestaande woning te veranderen in en/of te vergroten tot twee of meer woningen;
  • c. het is verboden meerdere woningen samen te voegen tot een kleiner aantal woningen;
  • d. bij herbouw van één of meerdere woning(en) is in de nieuwe situatie een gelijk aantal woningen toegestaan;
  • e. het is verboden een woning te gebruiken voor de huisvesting van meer dan één huishouden;
  • f. kamerverhuur is niet toegestaan;
  • g. het is verboden een woning te gebruiken als onzelfstandige wooneenheid.
11.2.3 Beroep of bedrijf aan huis

Een beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de woonactiviteit in overwegende mate blijft gehandhaafd, waarbij maximaal 30% van het totale gebruiksoppervlakte van de hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken behorende bij de woning als zodanig mag worden gebruikt, tot een maximum van 80 m2;
  • b. de bewoner uitsluitend zelf het beroep of de activiteit uitoefent;
  • c. bedoeld gebruik geen hinder mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonmilieu en woonkarakter van de wijk of buurt;
  • d. de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed;
  • e. het gebruik geen onevenredige nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • f. geen milieubelastende activiteit plaatsvindt als genoemd in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving of voldoende vaststaat dat de vestiging van de activiteit geen overwegende bezwaren van milieuhygiënische aard zal oproepen, gelet op de ligging, bedrijfsvoering en omvang van het bedrijf ten opzichte van de nabij gelegen woonbebouwing;
  • g. door de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis mag het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig veranderen, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest;
  • h. detailhandel en horeca zijn niet toegestaan, uitgezonderd internethandel en ondergeschikte detailhandel.
11.3 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

11.3.1 Algemeen

Op de in artikel 11.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functies worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. voldaan wordt aan het bepaalde in Artikel 22.
11.3.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte, oppervlakte en inhoud van hoofdgebouwen mag niet worden vergroot;
  • c. de hoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 4 m bedragen;
  • d. de minimale afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt 3 m tenzij gebouwen aaneen worden gebouwd;
  • e. de afstand tussen gebouwen bedraagt minimaal 4 m tenzij gebouwen aaneen worden gebouwd.
11.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en perceelafscheidingen voor de voorgevel of het verlengde daarvan en tot 1 m achter de voorgevel of het verlengde daarvan mag maximaal 1 m bedragen;
  • b. de hoogte van erf- en perceelafscheidingen vanaf 1 m achter de voorgevel of het verlengde daarvan mag maximaal 2 m bedragen;
  • c. de hoogte van lichtmasten mag maximaal 30 m bedragen;
  • d. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen.
11.4 Maatwerkvoorschriften
11.4.1 Inrichting van percelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer

Het college van burgemeester en wethouders kan maatwerkvoorschriften stellen over de inrichting van percelen met het oog op de bereikbaarheid voor de brandweer.

11.4.2 Plaats, afmetingen, functies en gevelindeling van bebouwing en inrichting buitenruimte

Het college van burgemeester en wethouders kan maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, alsmede aan toegelaten functies, de vormgeving en de gevelindeling van de bebouwing en de inrichting van de buitenruimte, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een aanvaardbare woon- en leefsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de situering van parkeerplaatsen;
  • e. de situering van het laden en lossen op het perceel;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.
  • h. de situering van vluchtwegen ten opzichte van risicobronnen;
  • i. ter bevordering van de brandveiligheid.

Artikel 12 Leiding - Riool

12.1 Functieomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse rioolleidingen voor het transport van afvalstoffen en daarmee vergelijkbare doeleinden.

12.2 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

12.2.1 Algemeen

Op de gronden als bedoeld in artikel 12.1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de leidingen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een andere toegelaten functie die is overeengekomen met de leidingbeheerder.
12.3 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
12.3.1 Bebouwing ten behoeve van een andere toegelaten functie
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 12.2.1, bebouwing toe te staan ten behoeve van een andere toegelaten functie.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. door de bouw of plaatsing of de aanwezigheid van een bouwwerk wordt geen of kan geen schade worden toegebracht aan de ondergrondse rioolleidingen voor het transport van afvalstoffen en daarmee vergelijkbare doeleinden;
    • 2. er is een positief advies ontvangen van de leidingbeheerder. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.
12.4 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
12.4.1 Algemeen
  • a. Op de gronden als bedoeld in artikel 12.1 mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid niet worden verricht:
    • 1. het aanbrengen/rooien van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
    • 2. het indrijven van voorwerpen in de bodem (incl. heiwerkzaamheden);
    • 3. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven alsmede door ophogen;
    • 4. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
    • 5. het verrichten van grondroerende werkzaamheden, anders dan ten behoeve van leidingen;
    • 6. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
    • 7. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
    • 8. het permanent opslaan van goederen waaronder begrepen afvalstoffen.
  • b. In uitzondering op het bepaalde onder a mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wel worden verricht:
    • 1. activiteiten die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
    • 2. het planten van bomen en/of struiken die voorkomen op de beplantingslijst van de leidingbeheerder;
    • 3. activiteiten die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 4. activiteiten die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
    • 5. activiteiten die worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en);
    • 6. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie "Openbare ruimte" betreft.
12.5 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
12.5.1 Omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 12.4.1, omgevingsplanactiviteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uit te voeren.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de functie van de gronden, zoals omschreven in de functieomschrijving van onderhavige functie, worden niet of kunnen niet onevenredig geschaad worden;
    • 2. de leidingbeheerder heeft een positief advies gegeven op de voorgenomen werkzaamheden en verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.

Artikel 13 Leiding - Water

13.1 Functieomschrijving

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor een ondergrondse waterleiding en de voor de hierbij behorende bovengrondse voorzieningen.

13.2 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

13.2.1 Algemeen

Op de gronden als bedoeld in artikel 13.1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de leidingen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een andere toegelaten functie die is overeengekomen met de leidingbeheerder.
13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. er mogen bouwwerken worden gebouwd passend bij de functie, zoals pomp-, regel- en meetstations;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. de inhoud mag niet meer bedragen dan 80 m3.
13.3 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
13.3.1 Bebouwing ten behoeve van een andere toegelaten functie
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 13.2.1, bebouwing toe te staan ten behoeve van een andere toegelaten functie.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. door de bouw of plaatsing of de aanwezigheid van een bouwwerk wordt geen of kan geen schade worden toegebracht aan de ondergrondse rioolleidingen voor het transport van afvalstoffen en daarmee vergelijkbare doeleinden;
    • 2. de leidingbeheerder heeft een positief advies gegeven op de voorgenomen werkzaamheden en verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.
13.4 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
13.4.1 Algemeen
  • a. Op de gronden als bedoeld in artikel 13.1 mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid niet worden verricht:
    • 1. het aanbrengen/rooien van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
    • 2. het indrijven van voorwerpen in de bodem (incl. heiwerkzaamheden);
    • 3. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven alsmede door ophogen;
    • 4. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
    • 5. het verrichten van grondroerende werkzaamheden, anders dan ten behoeve van leidingen;
    • 6. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
    • 7. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
    • 8. het permanent opslaan van goederen waaronder begrepen afvalstoffen.
  • b. In uitzondering op het bepaalde onder a mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wel worden verricht:
    • 1. activiteiten die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
    • 2. het planten van bomen en/of struiken die voorkomen op de beplantingslijst van de leidingbeheerder;
    • 3. activiteiten die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 4. activiteiten die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
    • 5. activiteiten die worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en);
    • 6. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie "Openbare ruimte" betreft.
13.5 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
13.5.1 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 13.4.1, activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uit te voeren.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de functie van de gronden, zoals omschreven in de functieomschrijving van onderhavige functie, worden niet of kunnen niet onevenredig geschaad worden;
    • 2. de leidingbeheerder heeft een positief advies gegeven op de voorgenomen werkzaamheden en verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.

Artikel 14 Waarde - Archeologie - 1

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

14.1 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor behoud van de aanwezige archeologische waarden.

14.2 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

14.2.1 Algemeen

Op de gronden als bedoeld in artikel 14.1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van niet meer dan 2,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van niet meer dan 100 m2.

14.3 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
14.3.1 Bouwen
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 14.2.1, gebouwen en bouwwerken te bouwen (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van meer dan 2,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van meer dan 100 m2.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:
    • 1. er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.
  • c. Het college van burgemeester en wethouders kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
14.4 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
14.4.1 Algemeen
  • a. Op de gronden als bedoeld in artikel 14.1 mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid niet worden verricht:
    • 1. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
    • 2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
    • 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
    • 4. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
    • 5. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies en dergelijke;
    • 6. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
  • b. In uitzondering op het bepaalde onder a mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wel worden verricht:
    • 1. activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid met een diepte van niet meer dan 2,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van niet meer dan 100 m2;
    • 2. activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden.
14.5 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
14.5.1 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 14.4.1, activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uit te voeren met een diepte van meer dan 2,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van meer dan 100 m2.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:
    • 1. er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.
  • c. Het college van burgemeester en wethouders kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid de volgende regels verbinden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 15 Waarde - Archeologie - 2

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

15.1 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor behoud van de aanwezige archeologische waarden.

15.2 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

15.2.1 Algemeen

Op de gronden als bedoeld in artikel 15.1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van niet meer dan 1,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van niet meer dan 100 m2.

15.3 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
15.3.1 Bouwen
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 15.2.1, gebouwen en bouwwerken te bouwen (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van meer dan 1,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van meer dan 100 m2.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:
    • 1. er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.
  • c. Het college van burgemeester en wethouders kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
15.4 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
15.4.1 Algemeen
  • a. Op de gronden als bedoeld in artikel 15.1 mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid niet worden verricht:
    • 1. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
    • 2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
    • 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
    • 4. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
    • 5. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies en dergelijke;
    • 6. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
  • b. In uitzondering op het bepaalde onder a mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wel worden verricht:
    • 1. activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid met een diepte van niet meer dan 1,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van niet meer dan 100 m2;
    • 2. activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden.
15.5 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
15.5.1 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 15.4.1, activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uit te voeren met een diepte van meer dan 1,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van meer dan 100 m2.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:
    • 1. er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.
  • c. Het college van burgemeester en wethouders kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid de volgende regels verbinden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 16 Waarde - Archeologie - 3

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

16.1 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor behoud van de aanwezige archeologische waarden.

16.2 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

16.2.1 Algemeen

Op de gronden als bedoeld in artikel 16.1 mag niet worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van niet meer dan 2,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van niet meer dan 200 m2.

16.3 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
16.3.1 Bouwen
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 16.2.1, gebouwen en bouwwerken te bouwen (waaronder begrepen het aanbrengen van heipalen en damwanden) met een diepte van meer dan 2,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van meer dan 200 m2.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:
    • 1. er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.
  • c. Het college van burgemeester en wethouders kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
16.4 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
16.4.1 Algemeen
  • a. Op de gronden als bedoeld in artikel 16.1 mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid niet worden verricht:
    • 1. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
    • 2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
    • 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
    • 4. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
    • 5. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies en dergelijke;
    • 6. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
  • b. In uitzondering op het bepaalde onder a mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wel worden verricht:
    • 1. activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid met een diepte van niet meer dan 2,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van niet meer dan 200 m2;
    • 2. activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden.
16.5 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
16.5.1 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 16.4.1, activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uit te voeren met een diepte van meer dan 2,0 m onder het maaiveld en een oppervlakte van meer dan 200 m2.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan het volgende criterium:
    • 1. er wordt een rapport van een archeologisch deskundige overlegd die, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, in voldoende mate aantoont dat de archeologische waarde van het terrein niet wordt verstoord.
  • c. Het college van burgemeester en wethouders kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid de volgende regels verbinden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 17 Waterstaat - Waterkering

17.1 Functieomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn primair bedoeld voor bescherming en onderhoud van de waterkering.

17.2 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

17.2.1 Algemeen

Op en in de voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de in artikel 17.1 bedoelde functie.

17.3 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
17.3.1 Bebouwing ten behoeve van een andere toegelaten functie
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 17.2.1, bebouwing toe te staan ten behoeve van een andere toegelaten functie.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. door de bouw of plaatsing of de aanwezigheid van een bouwwerk wordt geen of kan geen schade worden toegebracht aan de waterkering;
    • 2. er is een positief advies ontvangen van de waterbeheerder. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.
17.4 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
17.4.1 Algemeen
  • a. Op de gronden als bedoeld in artikel 17.1 mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid niet worden verricht:
    • 1. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
    • 2. het aanbrengen of rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd;
    • 3. het wijzigen van watergangen en het uitvoeren van afgravings- en ontgrondingswerkzaamheden anders dan normaal spitwerk, dieper dan 30 cm;
    • 4. het ophogen van gronden.
  • b. In uitzondering op het bepaalde onder a mogen de volgende activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wel worden verricht:
    • 1. activiteiten die het normale onderhoud betreffen;
    • 2. activiteiten die het rooien of vellen van bestaand houtgewas betreffen in het kader van normale verzorging en onderhoud;
    • 3. activiteiten die werken of werkzaamheden betreffen van ondergeschikte betekenis;
    • 4. activiteiten die werken of werkzaamheden betreffen binnen het kader van de normale bodemexploitatie en bodemgebruik.
17.5 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
17.5.1 Activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 17.4.1, activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uit te voeren.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. door de activiteiten voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid wordt geen of kan geen schade worden toegebracht aan de bedrijfsveiligheid van de betreffende waterkering;
    • 2. er is een positief advies ontvangen van de waterbeheerder. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.

Artikel 18 Waterstaat - Waterstaatkundige functie

18.1 Functieomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' aangewezen gronden zijn primair bedoeld voor de wateraanvoer en -afvoer, de waterberging alsmede voor de waterhuishouding .

18.2 Bouwregels

In aanvulling op artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels.

18.2.1 Algemeen

Op en in de voor 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de in artikel 18.1 bedoelde functie.

18.3 Omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen
18.3.1 Bebouwing ten behoeve van een andere toegelaten functie
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van het bepaalde in artikel 18.2.1, bebouwing toe te staan ten behoeve van een andere toegelaten functie.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • 1. door de bouw of plaatsing of de aanwezigheid van een bouwwerk wordt geen of kan geen schade worden toegebracht aan het waterstaatsbelang;
    • 2. de waterbeheerder heeft een positief advies afgegeven. Het college van burgemeester en wethouders kan alleen gemotiveerd afwijken van dit advies.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 19 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 22.35 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

19.1 Algemene aanvraagvereisten

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a. een situatietekening schaal 1:200 van het perceel met daarop de huidige en de nieuwe inrichting tot minimaal 50 m rondom het te bebouwen perceel, volledig voorzien van maatvoering van het gebouw en de maatvoering van het gebouw ten opzichte van de perceelgrenzen; 
  • b. een situatietekening van het perceel waarop het gebouw is ingetekend, schaal 1:200 of 1:500, volledig voorzien van maatvoering van het gebouw en de maatvoering van het gebouw ten opzichte van de perceelgrenzen, de plaats en breedte van de uitweg en de aanduiding van de toegang(en) tot het gebouw. Tevens worden de opstelplaats(en) voor voertuigen van hulpverleningsdiensten, de brandweeringang, de (openbare) bluswatervoorziening en de inzamelplaatsen voor huishoudelijk afval aangegeven; 
  • c. situatietekening, schaal 1:1.000 in DWG-format met contouren van het gebouw zowel op maaiveld als op (uiterste horizontale projectie op) verdiepingsniveau, gedefinieerd in rijksdriehoek-coördinaten EPSG 28992 projectie voor exacte positiebepaling binnen de kavelgrenzen; 
  • d. een berekening van de parkeerbalans voor auto's en fietsen op grond van de gebruiksfuncties voor gebruikers en bezoekers, gebaseerd op de beleidsregeling 'Parkeernormen Rivium'; 
  • e. een berekening van de parkeerbehoefte voor auto's en fietsen; 
  • f. een overzicht van het aantal parkeerplaatsen voor auto's en fietsen; 
  • g. plattegrondtekeningen, schaal 1:100, voorzien van maatvoering en de maatvoering van parkeerplaatsen, rijbanen, manoeuvreerruimte en het percentage van hellingen. Tevens de locatie en maatvoering van de in- en uitgangen en de locatie en maatvoering van de uitweg; 
  • h. plattegrondtekeningen, schaal 1:100, met de (typen) fietsparkeerplaatsen, de maatvoering, de toe- en uitgang, volledig voorzien van maatvoering; 
  • i. een verkeersgeneratieberekening, die ten minste het volgende bevat:  
    • 1. de verkeersgeneratie per functie; 
    • 2. de verkeersgeneratie per etmaal; 
    • 3. de verkeersgeneratie in spitsperioden; 
    • 4. de verdeling over het wegennet; 
    • 5. een beoordeling van de capaciteit van de omliggende wegen; 
    • 6. een beoordeling van de capaciteit van kruispunten; 
    • 7. een doorbelasting van kruispunten tot minimaal een gebiedsontsluitingsweg;
  • j. het overzicht van de te bouwen gebouwen met de volgende gegevens van elk gebouw: 
    • 1. aantal woningen en type woningen verdeeld over sociale huur, middeldure huur en koop en studentenwonen, een overzicht van de huur- en koopprijzen en voor de woningen (niet zijnde studentenwonen) oppervlakte per woning in m2 gebruiksoppervlakte; 
    • 2. oppervlakte per gemeenschappelijke ruimte in m2 gebruiksoppervlakte; 
    • 3. short stay met aantal eenheden en oppervlakte in m2 bruto-vloeroppervlakte; 
    • 4. oppervlakte per niet-woonfunctie met gebruiksfunctie, te onderscheiden in voorzieningen ten behoeve van bedrijven, publieksgerichte dienstverlening, sportactiviteiten, cultuur en ontspanning en kantoren in m2 bruto-vloeroppervlakte; 
    • 5. oppervlakte detailhandel functie in m2 bruto-vloeroppervlakte; 
    • 6. oppervlakte horecafunctie in m2 bruto-vloeroppervlakte; 
    • 7. oppervlakte maatschappelijke functie in m2 bruto-vloeroppervlakte; 
    • 8. oppervlakte onderwijsfunctie in m2 bruto-vloeroppervlakte.
19.2 Aanvraagvereisten voorwaardelijke verplichting duurzaamheid

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan en in aanvulling op artikel 19.1 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 9.4 in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a. een GPR-berekening; 
  • b. een PDF-export van de ingevulde berekening in GPR Gebouw; 
  • c. de scores per thema: 
    • 1. energie;  
    • 2. milieu;  
    • 3. gezondheid;  
    • 4. gebruikswaarde;  
    • 5. toekomstwaarde;  
  • d. een totaalscore van de GPR-berekening; 
  • e. een onderbouwing waaruit blijkt dat: 
    • 1. een gemiddelde GPR-score van minimaal 8 wordt behaald;  
    • 2. voor elk afzonderlijk thema een minimale GPR-score van 7 wordt behaald;  
  • f. indien van toepassing, een beschrijving van het gelijkwaardige duurzaamheidsinstrument als bedoeld in artikel 9.4.5 sub b en c. Deze beschrijving dient ten minste de volgende gegevens te bevatten: 
    • 1. een onderbouwing waaruit blijkt dat het instrument minimaal gelijkwaardig is aan de GPR-methodiek; 
    • 2. een vergelijking tussen de GPR-methodiek en het alternatieve instrument; 
    • 3. een beschrijving van de behaalde scores vergeleken met de GPR-score. 
19.3 Aanvraagvereisten voorwaardelijke verplichting natuurinclusieve kwaliteit

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan en in aanvulling op artikel 19.1 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 9.4 in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a. een landschappelijk inrichtingsplan voor de particuliere en gemeenschappelijke buitenruimten, binnentuinen, daken en gevels met betrekking tot natuurinclusief bouwen. Het landschappelijk inrichtingsplan bevat in ieder geval: 
    • 1. een beschrijving en situatietekening van de voorzieningen voor ecologie en biodiversiteit, waaronder:  
      • waterbergingsvoorzieningen;  
      • elementen zoals dood hout, stenen en stoffige plekken;  
      • nestvoorzieningen zoals insectenhotels en bijenkasten;  
    • 2. een beschrijving en tekening van de begroeiing van gevels en daken;  
    • 3. de hoogte en dikte van substraatlagen van groene daken en gevels;  
    • 4. een beschrijving en tekening van de inrichting van binnenterreinen met:  
      • inheemse plantensoorten;  
      • biodiverse plantensoorten;  
      • heesters, struiken, kruiden en bomen;  
    • 5. een beschrijving en situatietekening van water- en groenvoorzieningen, waaronder:  
      • wadi's;  
      • moerassen;  
      • vijvers;  
    • 6. het landschappelijk inrichtingsplan wordt aangeleverd op een schaal en met een detailniveau dat voldoende is voor beoordeling van de natuurinclusieve maatregelen; 
    • 7. een toetsing aan hoofdstuk 8.2 van het Beeldkwaliteitsplan plus.
19.4 Aanvraagvereisten voorwaardelijke verplichting klimaatadaptief bouwen

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan en in aanvulling op artikel 19.1 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 9.4 in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a. een waterhuishoudkundig plan dat ten minste bevat:
    • 1. een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie; 
    • 2. een berekening van de benodigde waterberging; 
    • 3. een berekening waaruit blijkt dat op eigen terrein minimaal 70 mm waterberging per m² van het totale perceeloppervlak wordt gerealiseerd; 
    • 4. een beschrijving van de hemelwaterafvoer; 
    • 5. een beschrijving van infiltratievoorzieningen; 
    • 6. een situatietekening van de waterbergingsvoorzieningen; 
    • 7. een beschrijving van de dimensionering van de voorzieningen; 
    • 8. een beschrijving van het beheer en onderhoud van de voorzieningen; 
    • 9. een beschrijving waaruit blijkt dat de hemelwaterberging binnen 48 uur weer volledig beschikbaar is; 
    • 10. een beschrijving van de werking van de voorzieningen bij extreme neerslag. 
19.5 Specifieke aanvraagvereisten sociale huur

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor het bouwen van sociale huurwoningen in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een beschrijving van de verhuurder, waarbij in ieder geval wordt aangegeven of de verhuurder een woningcorporatie of een particuliere partij is; 
  • b. een beschrijving van de doelgroepen waarvoor de sociale huurwoningen zijn bestemd; 
  • c. een beschrijving van de instandhoudingstermijn waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoelang de woningen minimaal in de aangegeven prijscategorie in stand worden gehouden voor de doelgroep; 
  • d. een beschrijving van de wijze waarop de betaalbaarheid wordt geborgd. 
19.6 Specifieke aanvraagvereisten middeldure huur

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor het bouwen van middeldure huurwoningen in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een beschrijving van de doelgroep(en) waarvoor de middeldure huurwoningen zijn bestemd; 
  • b. een beschrijving van de instandhoudingstermijn waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoelang de woningen minimaal in de aangegeven prijscategorie in stand worden gehouden voor de doelgroep(en). 
19.7 Specifieke aanvraagvereisten studentenwonen

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor het bouwen van studentenwoningen in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een model van de huurovereenkomst waaruit blijkt dat sprake is van een campuscontract. 
19.8 Specifieke aanvraagvereisten short stay

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor het bouwen van short stay in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een overzicht van het aantal short stay-eenheden; 
  • b. een overzicht van de totale bruto-vloeroppervlakte van de functie short stay in de aanvraag; 
  • c. een situatietekening waaruit blijkt dat de functie short stay is gesitueerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - short stay'; 
  • d. een beschrijving van de gemeenschappelijke voorzieningen; 
  • e. een plattegrond, schaal 1:100 van de gemeenschappelijke voorzieningen; 
  • f. een beschrijving van de maximale verblijfsduur waarin huishoudens gebruik kunnen maken van short stay.
19.9 Specifieke aanvraagvereisten horeca behorend tot categorie 5

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 9.3.7 onder a worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een deugdelijk marktonderzoek naar horeca, dat aantoont dat:
    • 1. er voldoende behoefte is aan het horecaconcept op de betreffende locatie; 
    • 2. het horecaconcept op de betreffende locatie past binnen het landelijke, provinciale en gemeentelijke beleid.
19.10 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit bouwwerken en werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid uitvoeren binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 14.3.1 sub a, 14.5.1 sub a, 15.3.1 sub a, 15.5.1 sub a, 16.3.1 sub a en 16.5.1 sub a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het college van burgemeester en wethouders, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:  
    • 1. een bureauonderzoek;  
    • 2. indien uit het bureauonderzoek blijkt dat nader onderzoek noodzakelijk is, dan wordt door het college van burgemeester en wethouders aangegeven in welke vorm dit onderzoek wordt uitgevoerd. Dit nader onderzoek kan bestaan uit een booronderzoek en/of een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek en/of een opgraving; 
  • b. funderingstekeningen, waaronder een palenplan, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;  
  • c. als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het college van burgemeester en wethouders, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;  
  • d. als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;  
  • e. als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details. 
19.11 Aanvraagvereisten hoogbouw

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een gebouw met een bouwhoogte van meer dan 15 meter in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een windhinderonderzoek dat tenminste bevat: 
    • 1. een windhinderonderzoek uitgevoerd met behulp van een Computational Fluid Dynamics-model (CFD-model) of een gelijkwaardige methode; 
    • 2. een beschrijving van de uitgangspunten van het windonderzoek; 
    • 3. een beschrijving van de onderzochte varianten; 
    • 4. een situatietekening van het onderzoeksgebied; 
    • 5. een beschrijving van het onderzoeksgebied, waaronder het maaiveld en het tweede maaiveld; 
    • 6. een beoordeling van het windklimaat in de toegankelijke buitenruimte; 
    • 7. een beoordeling van het windklimaat op het maaiveld in de openbare ruimte; 
    • 8. een beoordeling van het windklimaat op het tweede maaiveld van het bouwvlak; 
    • 9. een toetsing aan de norm NEN 8100; 
    • 10. een toetsing aan paragraaf 7.2.3 van het Beeldkwaliteitsplan plus; 
    • 11. een beschrijving van maatregelen ter verbetering van het windklimaat indien de drempelwaarden worden overschreden; 
    • 12. een visualisatie van de resultaten van het windonderzoek. 
  • b. een bezonningsstudie dat tenminste bevat: 
    • 1. een beschrijving van de uitgangspunten van de bezonningsstudie; 
    • 2. een situatietekening van het onderzoeksgebied; 
    • 3. een beschrijving van het onderzoeksgebied, waaronder: 
      • het maaiveld van de openbare ruimte;  
      • opgetilde maaivelden;  
      • daken;  
      • (opgetilde) binnengebieden van bouwvlakken;  
    • 4. een analyse van de bezonning van de toegankelijke buitenruimte;
    • 5. een beoordeling van het aantal zonuren in de toegankelijke buitenruimte; 
    • 6. een beoordeling van de bezonning op het maaiveld in de openbare ruimte; 
    • 7. een beoordeling van de bezonning op het tweede maaiveld van bouwvlakken; 
    • 8. een beoordeling van de bezonning van daken en binnengebieden; 
    • 9. een toetsing aan de drempelwaarden voor zonuren zoals opgenomen in paragraaf 7.2.1 van het Beeldkwaliteitsplan plus; 
    • 10. een toetsing aan de in het Beeldkwaliteitsplan plus opgenomen indicatie van zonnige gebieden en mogelijke specifieke sun spots op kritische plekken; 
    • 11. een visualisatie van de bezonningsresultaten; 
    • 12. een beschrijving van maatregelen ter verbetering van de bezonning indien de drempelwaarden worden overschreden. 
19.12 Aanvraagvereisten voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op artikel 22.35 van dit omgevingsplan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 20 in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een beschrijving van de stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan, waarin wordt aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: 
    • 1. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;  
    • 2. de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving;  
  • b. een situatietekening, schaal 1:500, waarop in ieder geval is aangegeven: 
    • 1. de bestaande en nieuwe situatie;  
    • 2. de maatvoering van het bouwwerk;  
    • 3. hoogte van de begane grondvloer ten opzichte van NAP:  
    • 4. de afstanden van het gebouw / de gebouwen ten opzichte van de  perceelgrenzen;  
    • 5. de omliggende bebouwing;  
  • c. een hoogte- en massastudie, bestaande uit: 
    • 1. doorsneden, schaal 1:100 of 1:200, volledig voorzien van maatvoering;  
    • 2. gevelaanzichten;  
    • 3. een 3D-visualisatie of volumestudie waarmee de ruimtelijke effecten van de hoogteafwijking inzichtelijk worden gemaakt. 
  • d. een beschrijving van de gevolgen voor: 
    • 1. bezonning;  
    • 2. windhinder;  
    • 3. privacy;  
    • 4. uitzicht;  
  • e. een beschrijving van de gevolgen voor: 
    • 1. verkeersveiligheid;  
    • 2. ontsluiting;  
    • 3. parkeren;  
    • 4. langzaam verkeer;  
  • f. een beschrijving van de gevolgen voor: 
    • 1. sociale veiligheid;  
    • 2. zichtlijnen;  
    • 3. openbare ruimte;  
  • g. een beschrijving van de gevolgen voor: 
    • 1. omliggende percelen;  
    • 2. toekomstige ontwikkelmogelijkheden.
19.13 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om een geluidgevoelig gebouw

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.2.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a. een akoestisch onderzoek naar het geluid op de gevels van het geluidgevoelig gebouw, waarin is opgenomen: 
    • 1. het geluid per relevante geluidbron, waaronder wegverkeer en industrielawaai, uitgedrukt in:  
      • Lden voor wegverkeer;  
      • dB(A), Lden en/of Lnight voor industrielawaai, afhankelijk van het type industrieterrein;  
    • 2. het gezamenlijke geluid op de gevels;  
    • 3. de gehanteerde rekenmethodiek, conform de geldende wettelijke rekenvoorschriften;  
    • 4. de gehanteerde invoergegevens en uitgangspunten, waaronder verkeersintensiteiten, brongegevens en het gehanteerde peiljaar;  
  • b. een overzicht van het geluid op alle gevels van het gebouw, bestaande uit: 
    • 1. een tabel met het berekende geluid per gevel en per geveldeel;  
    • 2. tekeningen waarop het geluid per gevel(deel) is weergegeven;  
    • 3. een aanduiding van de hoogst en laagst geluidbelaste gevel.  
  • c. een expliciete toetsing waaruit blijkt: 
    • 1. of wordt voldaan aan de standaardwaarden, bedoeld in artikel 22.2.2 sub a;  
    • 2. indien niet wordt voldaan aan de standaardwaarden: of wordt voldaan aan de grenswaarden, bedoeld in artikel 22.2.2 sub c;  
  • d. indien het geluid hoger is dan de standaardwaarden, bedoeld in artikel 22.2.2 sub a: 
    • 1. een aanduiding van de geluidluwe gevel of gevels;  
    • 2. een onderbouwing dat elke woning beschikt over:  
      • ten minste één geluidluwe gevel;  
      • ten minste één slaapkamer die is gesitueerd aan een geluidluwe gevel;  
    • 3. indien sprake is van een (gemeenschappelijke) buitenruimte: een beschrijving en situering van de geluidluwe buitenruimte, inclusief het bijbehorende geluid;  
19.14 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om een overschrijding van waarden bij een geluidgevoelig gebouw

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.2.3 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a. een onderbouwing van de toegepaste afwijkingsgrond;  
  • b. een berekening van het verschil in geluid tussen de hoogst en laagst geluidbelaste gevel;  
  • c. een beschrijving van de getroffen bouwkundige maatregelen;  
  • d. situatietekeningen waarop deze maatregelen zijn weergegeven;  
  • e. een akoestische onderbouwing van het effect van deze maatregelen;  
  • f. indien sprake is van overschrijding van de grenswaarden, bedoeld in artikel 22.2.2 sub c: 
    • 1. een beschrijving van de toe te passen bouwkundige maatregelen, waaronder dove gevels;  
    • 2. situatietekeningen waarop de betreffende gevels of geveldelen zijn aangegeven;  
    • 3. een onderbouwing dat deze gevels of geveldelen voldoen aan de eisen voor niet-geluidgevoelige gevels;  
  • g. een berekening van het gezamenlijke geluid op de gevels, waarin is opgenomen: 
    • 1. de bijdrage per geluidbron;  
    • 2. het totale geluid per gevel.
19.15 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit binnen milieuzone - bodem 1 en milieuzone - bodem 2

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld artikel 22.5.2 en artikel 22.6.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a. een situatietekening waarop is aangegeven: 
    • 1. de begrenzing van het onderzoeksgebied;  
    • 2. de locatie van de voorgenomen werkzaamheden;  
  • b. een beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden; 
  • c. een beschrijving van maatregelen conform het Raamsaneringsplan Rivium Zuid Capelle aan den IJssel. 
19.16 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit tuinen op maaiveld binnen milieuzone - bodem 1 en milieuzone - bodem 2

Bij een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in de artikelen 22.5.3 en 22.6.3 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a. een bodemonderzoek waaruit de kwaliteit van de bodem blijkt conform NEN 5740; 
  • b. een onderzoek naar de dikte en kwaliteit van de leeflaag. 
19.17 Aanvraagvereisten gebruik geurgevoelige gebouwen binnen milieuzone - geur 2

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.9.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapportage van de toe te passen technische maatregelen waaruit blijkt dat zij geuroverlast beperken.
19.18 Aanvraagvereisten omgevingsplanactiviteit gevoelige bouwwerken binnen magneetvelden

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.13.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • b. een onderzoek naar de magnetische veldsterkte als gevolg van schakel- en transformatorstations; 
  • c. het onderzoek bevat in ieder geval: 
    • 1. een beschrijving van de bron van de magnetische velden, waaronder:  
      • type installatie;  
      • vermogen;  
      • situering;  
    • 2. een situatietekening waarop is aangegeven:  
      • de locatie van de schakel- en transformatorstations;  
      • de omliggende functies wonen en kinderdagverblijven;  
    • 3. een berekening van de magnetische veldsterkte;  
    • 4. een weergave van de 0,4 microtesla-contour;  
    • 5. een beschrijving van de gehanteerde rekenmethodiek;  
  • d. indien van toepassing, een beschrijving van maatregelen om de magnetische veldsterkte te beperken. 
19.19 Aanvraagvereisten kostenverhaalsbeschikking
  • a. De initiatiefnemer doet bij burgemeester en wethouders een aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking als bedoeld in artikel 23. De aanvraag bevat:
    • 1. naam aanvrager, huidig woonadres, emailadres en telefoonnummer;
    • 2. (optioneel) gegevens tweede aanvrager;
    • 3. datum start activiteit;
    • 4. locatie van de activiteit - met zo nodig een verkavelingskaart - met aanduiding van de te realiseren bouwactiviteiten per subcategorie en de bijbehorende aantallen;
    • 5. overzicht van door de aanvrager gemaakte kosten, zoals voorzien in dit omgevingsplan of de omgevingsvergunning.
  • b. Burgemeester en wethouders brengen op de berekende geldsom de kosten die de aanvrager heeft voldaan in mindering.
  • c. Burgemeester en wethouders bepalen of en welke zekerheden worden gesteld voor de start van de activiteit als er niet is betaald op dat moment.

Artikel 20 Algemene omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen

  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning, in afwijking van de in dit hoofdstuk 21b opgenomen regels:
    • 1. de voorgeschreven maximum hoogte te overschrijden met niet meer dan 10%, maar met niet meer dan 5 m;
    • 2. de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, te vergroten en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, wordt vergroot:
      • ten behoeve van kunstwerken, geen gebouw zijnde, tot niet meer dan 40 m;
      • ten behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot niet meer dan 50 m;
      • ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, tot niet meer dan 15 m.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt alleen verleend als wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. een aanvaardbare woon- en leefsituatie;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de sociale veiligheid;
    • 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

Artikel 21 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend en waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 22 Normstelling milieu en omgeving

22.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing voor zover dat in artikel 6 tot en met 11 van dit deel van het omgevingsplan is bepaald.

22.2 Geluid
22.2.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen en gebruiken van een geluidgevoelig gebouw.

22.2.2 Waarden geluid bij wegen en industrieterreinen
  • a. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, zoals aangegeven in artikel 22.2.1, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend indien de geluidbelasting op de gevels van de te bouwen en in gebruik te nemen geluidgevoelige gebouwen niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, genoemd in de onderstaande tabel:

Geluidbronsoort   Standaardwaarde  
Provinciale wegen en Rijkswegen   50 Lden  
Gemeentewegen en waterschapswegen   53 Lden  
Industrieterreinen   50 dB(A)  

  • b. Als het geluid van een weg of een industrieterrein op gevels van de te bouwen en in gebruik te nemen geluidgevoelige gebouwen meer bedraagt dan de standaardwaarde, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend onder de voorwaarde dat:
    • 1. de betreffende woningen ieder minimaal 1 geluidluwe gevel hebben, en
    • 2. indien de betreffende woningen over individuele buitenruimte(n) beschikken, de buitenruimte geluidluw is, en
    • 3. de betreffende woningen ten minste 1 slaapkamer hebben die is gesitueerd aan een geluidluwe gevel.
  • c. Het geluid van een weg of een industrieterrein op gevels van de te bouwen en in gebruik te nemen geluidgevoelige gebouwen mag niet meer bedragen dan de grenswaarde, genoemd in de onderstaande tabel:

Geluidbronsoort   Grenswaarde  
Provinciale wegen en Rijkswegen   60 Lden  
Gemeentewegen en waterschapswegen   70 Lden  
Industrieterreinen met geluidproductieplafonds   55 Lden en 45 Lnight totaal  
Industrieterreinen Wet geluidhinder zonder geluidproductieplafonds   55 dB(A) per industrieterrein  
22.2.3 Vergunningplicht
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 22.2.2, sub b, onder 1;
  • b. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 22.2.2, sub b, onder 2;
  • c. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 22.2.2, sub c.

22.2.4 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.2.3 sub a wordt uitsluitend verleend indien:
    • 1. het gecumuleerde geluid bij de minst geluidbelaste gevel ten minste 10 dB lager is dan het gecumuleerde geluid op de hoogst geluidbelaste gevel; of
    • 2. een geluidluwe gevel wordt gecreëerd met een afgeschermde buitenruimte, bijvoorbeeld door middel van een bouwkundige constructie zoals serres of afsluitbare balkons; of
    • 3. een geluidluw geveldeel wordt gecreëerd als niet voldaan kan worden aan het bepaalde onder 1 en 2, in welk geval in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.2.2, sub b onder 3, ten minste 1 slaapkamer aan dit geluidluwe geveldeel gesitueerd is.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.2.3 sub b wordt uitsluitend verleend indien:
    • 1. een bouwkundige constructie wordt getroffen om een geluidluwe buitenruimte te creëren, zoals volledig of gedeeltelijk afgeschermde balkons (loggia's);
    • 2. een aan sub 1 akoestisch gelijkwaardige maatregel wordt getroffen indien voldaan wordt aan de voorwaarde dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt. Onder een gelijkwaardige maatregel wordt ook verstaan het realiseren van een gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte, als niet voorzien kan worden in een eigen geluidluwe buitenruimte. De oppervlakte van de gemeenschappelijke buitenruimte is 1 m2 per woning die van de gemeenschappelijke buitenruimte gebruik maakt met een minimum van 100 m2.
  • c. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.2.3 sub c wordt uitsluitend verleend indien voldaan wordt aan de voorwaarde dat een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen gerealiseerd wordt bij die gevel(delen) waar de grenswaarde wordt overschreden.
22.2.5 Waarden gezamenlijk geluid
  • a. Het gezamenlijk geluid op een geluidgevoelig gebouw is niet hoger dan de waarde aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'geluidnorm in dB'.
  • b. De waarde voor het gezamenlijk geluid, zoals aangegeven onder a, geldt uitsluitend daar waar de standaardwaarde wordt overschreden.
  • c. Daar waar de betonmortelcentrale gevestigd aan de Schaardijk 509 te Rotterdam bepalend is voor het gezamenlijk geluid wordt ter berekening van het binnenniveau het standaardspectrum van industrielawaai niet toegepast. Het maatgevende spectrum is afkomstig van het zonemodel Stormpolder.
22.3 Geluid door windturbines
22.3.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit lid zijn van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op de gevels van een geluidgevoelig gebouw.
  • b. Deze regels zijn niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
22.3.2 Waarden windturbines

In afwijking van het bepaalde in artikel 22.76 van dit omgevingsplan is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine op de gevels van een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 49 Lden en 42 Lnight.

22.4 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken
22.4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid zijn van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

22.4.2 Waarde zuiveringtechnisch werk

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.122 van dit omgevingsplan de geur op een geurgevoelig object, niet zijnde geurgevoelige gebouwen voor zover gelegen ter plaatse van de aanduiding milieuzone - geur 2, niet hoger dan 0,5 OUE/m3.

22.5 milieuzone - bodem 1
22.5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit.

22.5.2 Maatregelen voor milieuhygiënische bodemkwaliteit

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit of op een activiteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren, zoals aangegeven in artikel 22.5.1, wordt de omgevingsvergunning verleend onder de voorwaarde dat ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - bodem 1' voldaan wordt aan de bepalingen zoals opgenomen in paragraaf 7.2 van het Raamsaneringsplan Rivium Zuid Capelle aan den IJssel.

22.5.3 Vergunningplicht

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - bodem 1' is het verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid, tuinen op maaiveld aan te leggen.

22.5.4 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.5.3 wordt uitsluitend verleend indien middels een onderzoek naar de dikte en kwaliteit van de leeflaag is aangetoond dat de bovenste 0,50 m van de leeflaag voldoet aan de loodnorm voor gevoelig gebruik.

22.6 milieuzone - bodem 2
22.6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit.

22.6.2 Maatregelen voor milieuhygiënische bodemkwaliteit

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit of op een activiteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren, zoals aangegeven in artikel 22.6.1, wordt de omgevingsvergunning verleend onder de voorwaarde dat ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - bodem 2' voldaan wordt aan de bepalingen zoals opgenomen in paragraaf 7.3 van het Raamsaneringsplan Rivium Zuid Capelle aan den IJssel.

22.6.3 Vergunningplicht

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - bodem 2' is het verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheid tuinen op maaiveld aan te leggen.

22.6.4 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.6.3 wordt uitsluitend verleend indien middels een onderzoek naar de dikte en kwaliteit van de leeflaag is aangetoond dat de bovenste 0,50 m van de leeflaag voldoet aan de loodnorm voor gevoelig gebruik.

22.7 milieuzone - bodemenergie
22.7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid zijn van toepassing op bodemenergiesystemen.

22.7.2 Gebruiksregels bodemenergiesystemen

Er dient voldaan te worden aan de bepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van het Rivium Capelle aan den IJssel Bodemenergieplan.

22.8 milieuzone - geur 1
22.8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om een geurgevoelig gebouw.

22.8.2 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - geur 1' mogen geen nieuwe geurgevoelige gebouwen worden gebruikt.

22.9 milieuzone - geur 2
22.9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om een geurgevoelig gebouw.

22.9.2 Vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning geurgevoelige gebouwen te gebruiken ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - geur 2'.

22.9.3 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.9.2 wordt uitsluitend verleend indien is aangetoond dat er redelijkerwijs voldoende technische maatregelen worden getroffen ter beperking van geuroverlast.

22.10 milieuzone - omgevingsveiligheid
22.10.1 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - omgevingsveiligheid' mogen geen zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties worden gebruikt.

22.11 Windhinder
22.11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit.

22.11.2 Waarden windhinder

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit bouwwerk als bedoeld in artikel 22.11.1, dient bij een gebouw met een bouwhoogte hoger dan 15 m aangetoond te worden dat er sprake is van een acceptabel windklimaat zoals bepaald in paragraaf 7.2.3 van het Beeldkwaliteitsplan plus.

22.12 Bezonning
22.12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit.

22.12.2 Waarden bezonning

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit bouwwerk als bedoeld in artikel 22.12.1, dient aangetoond te worden dat er sprake is van een acceptabele bezonning zoals bepaald in paragraaf 7.2.1 van het Beeldkwaliteitsplan plus.

22.13 Magneetvelden
22.13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit.

22.13.2 Waarden magneetvelden

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit bouwwerk als bedoeld in artikel 22.13.1, dient aangetoond te worden dat het magneetveld als gevolg van schakel- en transformatorstations op de functies wonen en kinderopvang niet meer bedraagt dan 0,4 microtesla jaargemiddeld.

22.14 Energieopslagsystemen
22.14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een energieopslagsysteem of opslag van lithiumhoudende energiedragers, als bedoeld in de Richtlijn PGS 37-1 en PGS 37-2.

22.14.2 Beoordelingsregel

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit bouwwerk als bedoeld in artikel 22.14.1 wordt deze alleen verleend als het energieopslagsysteem of de opslag van lithiumhoudende energiedragers:

  • a. uit oogpunt van omgevingsveiligheid aanvaardbaar is, op grond van (en na toepassing van) de Rekenmethode omgevingsveiligheid lithiumhoudende energiedragers | RIVM;
  • b. voldoet aan de eisen van Richtlijnen PGS 37-1 en PGS 37-2 of de rechtsopvolger(s) daarvan;
  • c. uit oogpunt van geluidhinder aanvaardbaar is, blijkend uit een akoestisch onderzoek dan wel voldoende gedetailleerde akoestische informatie over het opslagsysteem dan wel energiedrager; en
  • d. anderszins uit oogpunt van het bereiken of behouden van een goed woon- en leefklimaat aanvaardbaar is;
  • e. voldoet aan de elders in dit plan opgenomen bouwregels.
22.15 Parkeren
22.15.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gelden bij een omgevingsplanactiviteit.

22.15.2 Instandhoudingsverplichting parkeerplaatsen

Het aantal parkeerplaatsen voor auto's zoals in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning is bepaald, wordt in stand gehouden.

22.15.3 Beoordelingsregels parkeernormen voor vergunningplichtige activiteiten
  • a. Voor activiteiten die het gebruik van gronden en bouwwerken of de omvang van het gebruik op gronden en van bouwwerken wijzigen en waarvoor op grond van dit deel van het omgevingsplan een verbod behoudens omgevingsvergunning geldt, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets;
  • b. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als wordt voldaan aan de op het moment van aanvraag vigerende beleidsregeling 'Parkeernormen Rivium'.
22.15.4 Beoordelingsregels laden en lossen voor vergunningplichtige activiteiten
  • a. Voor activiteiten die het gebruik van gronden en bouwwerken of de omvang van het gebruik op gronden en van bouwwerken wijzigen en waarvoor op grond van dit deel van het omgevingsplan een verbod behoudens omgevingsvergunning geldt, wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen;
  • b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 22.15.4 onder a, indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en verkeersveiligheid.

Artikel 23 Kostenverhaal

23.1 Begripsbepaling

In dit artikel wordt verstaan onder bouwactiviteit: bouwactiviteit als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.

23.2 Algemene regels
23.2.1 Raming van de inbrengwaarde
  • a. De raming van de inbrengwaarde van huidige bebouwde gronden wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 8.17 lid 1 onder b Omgevingsbesluit.
  • b. De inbrengwaarde in lid a wordt verhoogd met sloopkosten, saneringskosten en grondwerk als daar sprake van is.
  • c. De inbrengwaarde in lid b en overige kosten zijn gebaseerd op marktconforme uitgangspunten.
  • d. De inbrengwaarde van de huidige openbare ruimte wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 8.17 lid 1 onder a Omgevingsbesluit.
23.2.2 Kostenverdeling ten dele profijt

De kosten waarvan een kostenverhaalsgebied ten dele profijt heeft worden naar rato van het aantal m2 bruto-vloeroppervlakte toegerekend aan het kostenverhaalsgebied.

23.2.3 Verdeling van de kosten over de bouwactiviteiten
  • a. De kosten van het openbaar gebied worden over de bouwactiviteiten verdeeld door de opbrengsten van de grond per activiteit te delen door de totale opbrengsten van de gronden in het kostenverhaalsgebied en te vermenigvuldigen met het totaal van de te verhalen kosten.
  • b. Ten behoeve van het berekenen van de opbrengsten van de grond worden de in artikel 8.13 Omgevingsbesluit aangewezen categorieën activiteiten voor elk kostenverhaalsgebied onderverdeeld in subcategorieën.
  • c. Per subcategorie geldt:
    • 1. de standaardeenheid is woningaantal of woningequivalenten;
    • 2. de opbrengst van de grond per standaardeenheid is berekend met toepassing van de residuele methode daar waar het marktwoningen betreft met als minimum de grondprijs van de sociale huurwoningen;
    • 3. voor de sociale huurwoningen worden de grondprijzen uit de regio gebruikt.
  • d. De opbrengst van de grond per kostenverhaalsplichtige activiteit en de totale opbrengsten van de gronden in het kostenverhaalsgebied worden berekend door het aantal te realiseren standaardeenheden te vermenigvuldigen met de berekende opbrengst per standaardeenheid voor de subcategorie waarin de bouwactiviteiten vallen.
  • e. Onder opbrengsten worden mede begrepen de waardevermeerdering van de te handhaven opstallen.
  • f. De kostenverhaalsbijdrage wordt berekend tot een maximum van de waardevermeerderingstoets die optreedt of op zal treden als gevolg van de bouwactiviteit.
23.2.4 Raming plankosten

Bij de raming van de kosten per kostenverhaalsgebied wordt in dit omgevingsplan voor de plankosten uitgegaan van het bedrag aan plankosten dat ten hoogste kan worden verhaald op grond van hoofdstuk 13.2.1a van de Omgevingsregeling.

23.2.5 Eindafrekening
  • a. Binnen drie maanden na het uitvoeren van de in een kostenverhaalsgebied voorziene activiteiten, werken, werkzaamheden en maatregelen stellen burgemeester en wethouders bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal in het kostenverhaalsgebied vast.
  • b. Bij de eindafrekening wordt de bij de kostenverhaalsbeschikking vastgestelde kostenverhaalsbijdrage opnieuw berekend op basis van de daadwerkelijke kosten van de voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen en de daadwerkelijke verdeling van de opbrengsten over de activiteiten conform artikel 23.2.1, artikel 23.2.2 en artikel 23.2.3.
  • c. De nieuw berekende kostenverhaalsbijdrage in lid b wordt contant gemaakt naar het tijdstip van het vaststellen van de beschikking.
  • d. Als uit de nieuw berekende kostenverhaalsbijdrage volgt dat de gemeente een gedeelte van de eerder betaalde kostenverhaalsbijdrage moet terugbetalen, wordt die geldsom vermeerderd met de rente tot het moment waarop de eindafrekening plaats vindt.
  • e. De gemeente kan de in lid d berekende geldsom betalen aan een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald, als het volgende wordt overgelegd aan de gemeente:
    • 1. een bewijs dat diegene recht heeft op de terugbetaling;
    • 2. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van de andere belanghebbende.
23.2.6 Tussentijdse eindafrekening
  • a. Degene die ten tijde van betaling van de kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in artikel 19.19 houder was van de desbetreffende omgevingsvergunning, of diens rechtsopvolger kan burgemeester en wethouders als tenminste vijf jaar verstreken zijn na betaling van de kostenverhaalsbijdrage verzoeken om een eindafrekening als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid van de Omgevingswet.
  • b. Op eindafrekeningen op verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt jaarlijks in mei door burgemeester en wethouders beslist, als de verzoeken ten minste 8 weken voor die datum schriftelijk zijn ontvangen.
  • c. Bij een verzoek om eindafrekening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • 1. een kopie van de kostenverhaalsbeschikking;
    • 2. als het verzoek wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald: een bewijs dat de verzoeker recht heeft op de terugbetaling;
    • 3. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker.
  • d. Een eindafrekening op verzoek wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 23.2.5.
  • e. Na een tussentijdse eindafrekening kan geen aanspraak meer gemaakt kan worden op een nieuwe eindafrekening.
23.2.7 Indexering

Bij het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking en de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening wordt het kostenplafond en de opbrengst per activiteit geïndexeerd conform het laatste vastgestelde plafond en opbrengst per categorie.

23.2.8 Discontering

Bij het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking en de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening wordt de nieuw berekende bijdrage verdisconteerd met de gemiddelde discontovoet tussen de vaststelling van de beschikking en de datum van de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening.

23.2.9 Rente

Als bij een eindafrekening of een tussentijdse eindafrekening terugbetaling plaatsvindt, wordt het terug te betalen bedrag zoals bepaald bij de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening verhoogd met een samengestelde gemiddelde rente tussen de vaststelling van de beschikking en de datum van de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening.

23.2.10 Substitutie

Bij herziening van het programma van de subcategorieën van een (deel van een) bouwblok, mogen tot de start van de bouw wijzigingen worden doorgevoerd met minimaal de geraamde kostenverhaalsbijdrage van het blok en de kostenverhaalsbijdrage per subcategorie.

23.3 kostenverhaalsgebied - Rivium Transformatie
23.3.1 Tijdvak

Voor het in dit lid genoemde kostenverhaalsgebied is geen tijdvak vastgesteld.

23.3.2 Inbrengwaarde van de openbare ruimte

De inbrengwaarde van de openbare ruimte is de NCW van de inbrengwaarde, conform de volgende tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0002.png"

23.3.3 Kosten die ten dele worden toegerekend

De kosten die ten dele worden toegerekend aan verschillende kostenverhaalsgebieden zijn totaal geraamd op € 34.494.334 NCW. De kosten worden toegerekend op basis van de onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0003.png"

23.3.4 Overige kosten

Het totaal van de overige kosten bedraagt € 29.772.085 voor kostenverhaalsgebied Rivium Transformatie:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0004.png"

23.3.5 Opbrengsten

De grondopbrengsten voor de verschillende bouwactiviteiten in het kostenverhaalsgebied Rivium Transformatie zijn op NCW als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0005.png"

23.3.6 Maximum totaal kostenverhaal

Het maximum van de globaal te verhalen kosten als geheel is als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0006.png"

23.3.7 Maximum kostenverhaal per bouwactiviteit

Op prijspeil 1-1-2025 is de NCW van het kostenplafond per bouwactiviteit als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0007.png"

23.4 kostenverhaalsgebied - Quadrant
23.4.1 Kostenverhaalsgebieden

De artikelen in deze paragraaf zijn van toepassing op het kostenverhaalsgebied Quadrant ter plaatse van de aanduiding 'kostenverhaalsgebied - Quadrant'.

23.4.2 Tijdvak

Voor het in dit lid genoemde kostenverhaalsgebied is geen tijdvak vastgesteld.

23.4.3 Inbrengwaarde van de openbare ruimte

De inbrengwaarde van de openbare ruimte is de NCW van de inbrengwaarde, conform de volgende tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0008.png"

23.4.4 Kosten die ten dele worden toegerekend

De kosten die ten dele worden toegerekend aan verschillende kostenverhaalsgebieden zijn totaal geraamd op € 34.494.334 NCW. De kosten worden toegerekend op basis van de onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0009.png"

23.4.5 Overige kosten

Het totaal van de overige kosten bedraagt € 2.518.794 voor kostenverhaalsgebied Quadrant:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0010.png"

23.4.6 Opbrengsten

Voor kostenverhaalsgebied Quadrant zijn alleen grondopbrengsten voorzien uit een waardestijging van de kantoren van € 1.992.864.

23.4.7 Maximum totaal kostenverhaal

Het maximum van de globaal te verhalen kosten als geheel is als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0011.png"

23.4.8 Maximum kostenverhaal per bouwactiviteit

Op prijspeil 1-1-2025 is de NCW van het kostenplafond per bouwactiviteit als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0502.TAMop21bRivium-4001_0012.png"

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 24 Overgangsrecht planologisch gebruik

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit deel van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit deel van het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit deel van het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit deel van het omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.