Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Molenhof Oosterblokker
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0498.TAMMolenhof-VG01

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de huidige woning en agrarische gronden aan de Noorderdracht en Bangert te Oosterblokker in totaal 44 woningen te realiseren. Het woningbouwplan, genaamd 'Molenhof', bestaat uit een mix van woningen voor verschillende doelgroepen zoals starters, alleenstaanden met of zonder kinderen, gezinnen en ouderen. 
Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan 'Drechterland Noord 2011'. Derhalve is het voorliggende TAM-omgevingsplan opgesteld, waarmee een wijziging op het omgevingsplan wordt doorgevoerd.
  
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied ligt in de plaats Oosterblokker in het westen van de gemeente Drechterland. De planlocatie wordt aan het noordoosten en het noordwesten begrensd door de wegen Bangert en Noorderdracht. Aan het zuidoosten wordt het plangebied begrensd door een caravanstalling. In het zuidwesten zijn woningen aanwezig. Verder ten zuid- en noordwesten ligt de gemeente Hoorn. Het plangebied is bekend onder de kadastrale gemeente Drechterland, sectie G, perceelnummers 2177, 1771 en 2127 en heeft een oppervlakte van ruim 1,4 ha. Het perceel direct ten zuiden van het plangebied, perceelnummer 1184, is in bezit van de initiatiefnemer en maakt deel uit van de ontwikkeling. Er vinden echter geen aanpassingen plaats. Om deze reden wordt dit perceel niet meegenomen in de onderstaande afbeeldingen. Onderstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied weer.
 
  
Globale ligging plangebied (bron: Google Earth)
 
 
Begrenzing plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: Google Earth)
1.3 Toetsing aan omgevingsplan
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Drechterland. Voor de projectlocatie gold het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2014' en deels het bestemmingsplan ‘Drechterland Noord, herziening 2014’, waarin de gronden van het plangebied grotendeels voorzien zijn van de bestemming ‘Agrarisch’. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van dat bestemmingsplan. 
 
Uitsnede bestemmingsplan ‘Drechterland Noord’, plangebied rood omkaderd (bron: omgevingswet.overheid.nl)
  
Binnen het plangebied geldt de enkelbestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik met uitzondering van houtteelt en bosbouw. In het oosten van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Tuin'. Op deze gronden zijn tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woonhuizen toegestaan evenals aangebouwde bijgebouwen uitsluitend in de vorm van erkers of serres en delen van gebouwen in de vorm van luifels of balkons met de daarbij behorende voorzieningen.
 
In het oosten van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Wonen - Lint 1'. Deze gronden zijn bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten met de daarbij behorende voorzieningen.
 
Naast de agrarische bestemming geldt in het plangebied ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', gericht op het behoud van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm onder het maaiveld. Tevens is het plangebied voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.         
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.
2 Planbeschrijving
2.1 Huidige situatie
In de huidige situatie fungeert het plangebied grotendeels als weiland. Ook staat er een woning. Aan alle zijden van het plangebied zijn sloten aanwezig, op het noordoosten na. Aan het noordoosten grenst het plangebied direct aan de Noorderdracht. Aan de Noorderdracht liggen meerdere woningen en molen 'De Krijgsman'. Ten zuiden van het plangebied staat een kas die in gebruik is voor het stallen van caravans. Aan het zuidwesten en westen van het plangebied is een woonhuis en tuin aanwezig. Ten noorden loopt de Bangert, met daarachter enkele woningen.
 
Het plangebied ligt tegen de rand van de stad Hoorn. Ten westen en ten noordwesten ligt de woonwijk Bangert en Oosterpolder. De gronden direct ten westen en zuidwesten van het plangebied bestaan uit een mix van agrarische percelen, met enkele kassen en nieuwbouw. Ten oosten van het plangebied, voorbij de Noorderdracht, liggen agrarische gronden. Ten noorden en ten zuiden loopt het lint van de Noorderdracht.
  
Aanzicht plangebied vanaf de Bangert (bron: google.com/maps)
 
Aanzicht plangebied vanaf de Noorderdracht (bron: google.com/maps)
2.2 Toekomstige situatie
Het voornemen is om het plangebied te transformeren naar een woonlocatie met 44 nieuwe woningen. Momenteel is de planlocatie grotendeels onbebouwd en onverhard. De enkele aanwezige woning wordt gesloopt. De 44 beoogde woningen volgen de aanwezige structuren, waardoor de woningen aan het noorden en het oosten aansluiten bij de lintbebouwing in de omgeving. De woningen langs de Bangert en de Noorderdracht bestaan uit vrijstaande woningen op vrije kavels. De sloot die hier in de huidige situatie aanwezig is, wordt gedempt. Achter de vrije kavels komen twee onder een kapwoningen en tussen- en hoekwoningen te staan. Hierachter komen rug-aan-rug-woningen en een appartementengebouw te staan. Deze woningen worden via de Bangert ontsloten door middel van een nieuwe weg. Langs deze weg worden ook de benodigde openbare parkeerplaatsen gerealiseerd.
 
Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.
 
 
Situatietekening toekomstige situatie (bron: Vollmer + partners, 16-07-2025)
 
Met de beoogde ontwikkeling worden er op het grotendeels onbebouwde perceel in totaal 44 nieuwe woningen gerealiseerd. Met het toevoegen van de woningen krijgt het perceel een functie die beter aansluit bij de omgeving en tegemoet komt aan de woonbehoefte van de gemeente en de regio. Er worden in totaal 44 woningen gerealiseerd, verdeeld in de volgende woning segmenten: 
  • 13 sociale huurappartementen 30%
  • 16 goedkope / betaalbare koop 36%
  • 15 dure koop 34%
 
   
3 Beleidskaders
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. 
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. 
 
Planspecifiek
Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk om in voldoende, duurzame en betaalbare woningen te voorzien.
 
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
 
In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:
  1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
 
Planspecifiek
Stedelijke ontwikkeling
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling worden 44 woningen gerealiseerd. Derhalve is er sprake van een stedelijke ontwikkeling en dienen de trappen van de ladder behandeld te worden.
 
Behoefte
Voor verschillende doelgroepen neemt de woningbehoefte in de regio toe. Door vergrijzing neemt het aantal senioren toe en vergroot de woningbehoefte voor voldoende en passende seniorenwoningen. Door het tekort aan dergelijke woningen vindt er niet genoeg doorstroming plaats waardoor de vraag naar woningen voor jonge gezinnen ook toeneemt. De vraag voor betaalbare woningen bestaat zowel voor senioren als voor alleenstaanden en laagverdieners. In Oosterblokker is er een tekort aan woningen in dit segment, terwijl de behoefte toeneemt. Deze trends worden in de Regionale Woonvisie van Westfriesland bevestigd en vormen ook de basis van het beleid. Het is daarom zaak dat het lokale en regionale woningaanbod in voldoende geschikte seniorenwoningen voorziet.
 
Naar verwachting groeit de woningbehoefte in Westfriesland flink in de komende jaren. Dit volgt onder andere uit de Bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040, hierin is te zien dat de oudere bevolkingsgroepen verreweg voor het grootste deel bijdragen aan de groei van de woningbehoefte. Dit is ook weergegeven in onderstaande tabel. Dit plan draagt bij aan het voorzien van woningen voor meerdere doelgroepen waaronder ook senioren.
 
   
Tabel 3.1: Groei woningbehoefte per bevolkingsgroep in Westfriesland (bron: Bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040)
 
Ook in kwalitatieve zin is er vraag naar vernieuwende woningen. Er is in de gemeente Drechterland veel behoefte aan meer variatie in woningtypen. De huidige woningvoorraad bestaat voor het grootste deel uit grote eengezinswoningen. Door de groei van het aantal senioren en eenpersoonshuishoudens neemt de vraag naar passende, vaak kleinere, woningen voor deze doelgroepen toe. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 13 toegankelijke woningen voor starters, alleenstaanden en senioren in het sociale segment. De overige 31 woningen bestaan uit een mix van goedkope, betaalbare en dure koopwoningen voor starters, gezinnen, doorstromers en senioren, waar eveneens behoefte voor bestaat.
 
Buiten bestaand stedelijk gebied
In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bestaand stedelijk gebied als volgt omschreven: ‘op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.’ Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwing van Hoorn. Rondom het plangebied zijn reeds woon- en bedrijfsgebouwen aanwezig. Het plangebied maakt onderdeel uit van dit stedenbouwkundig samenstel. Uitgaande van de definitie als omschreven in het Bkl kan het plangebied dan ook aangemerkt worden als stedelijk gebied. Tevens wordt het plangebied niet aangemerkt als landelijk gebied in de omgevingsverordening van Noord-Holland.
 
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050
De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving.
 
De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities:
 
Leefomgeving
  1. Klimaatverandering: een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.
  2. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  3. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
Gebruik van de leefomgeving
  1. Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.
  2. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends.
  3. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen.
  4. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie 
  1. De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd:  
  1. Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst
  2. Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging
  3. Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem
  4. Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal
  5. Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie
  6. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector
Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving.
 
Planspecifiek
Het initiatief richt zich op het verbeteren van het gebruik van de leefomgeving, specifiek op het realiseren van nieuwe woningen en woningbouw. Daarmee draagt voorliggend plan voornamelijk bij aan de beweging 'Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal'. Derhalve is het plan in lijn met het beleid van de Omgevingsvisie. 
 
3.2.2 Omgevingsverordening NH2022
De laatste versie van de Omgevingsverordening NH2022 is op 1 juli 2024 in werking getreden. De regels en wetten die terugkomen in de Omgevingsverordening NH2022 komen grotendeels overeen met de Omgevingsverordening NH2020, maar zijn omgezet conform de nieuwe eisen die de Omgevingswet stelt. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker om te zien welke regels waar gelden.
 
In de Omgevingsverordening NH2022 zijn gebieden benoemd waar uitgebreid omschreven staat welke activiteiten mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Enkele voorbeelden van deze zogeheten ‘werkingsgebieden’ zijn het Landelijk Gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Provinciale Wegen. Deze gebieden en de bijbehorende regels zijn opgenomen in een digitale kaart (Regels op de kaart). Zo is in een oogopslag duidelijk welke regels waar gelden in Noord-Holland.
  
De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
  • het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;
  • het behoud en herstel van de biologische diversiteit;
  • het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.  
Planspecifiek
Risico's op klimaatverandering
In artikel 6.75 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat bij een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. In de beschrijving wordt in ieder geval ingegaan op het risico van:
  1. wateroverlast;
  2. overstroming;
  3. hitte;
  4. watertekort;
  5. verzilting;
  6. verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit.
Wateroverlast
Uit de klimaatatlas blijkt dat het plangebied enigszins gevoelig is voor wateroverlast na extreme neerslag. Het plangebied is als agrarisch perceel lager gelegen dan omliggende woongebieden. Met de boogde ontwikkeling worden de gronden van het plangebied verhoogd. Ook wordt met het verbreden van de watergang ten zuidwesten en zuidoosten van het plangebied rekening gehouden met de waterhuishouding.
 
Overstroming
Uit raadpleging van de klimaatatlas van Noord-Holland blijkt dat er ter plekke van het plangebied een kleine kans op overstroming geldt (1/300 tot 1/3.000 per jaar).
 
Hitte
In de huidige situatie is er in het plangebied sprake van een vergelijkbare of lagere temperatuur vergeleken met de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling zal de hitte in het plangebied door het toevoegen van bebouwing toenemen. Wel worden er bomen geplant om verhitting tegen te gaan. De verwachting is dat de hitte daarmee op hetzelfde niveau komt te liggen met de omliggende woongebieden.
 
Watertekort
Op basis van de klimaatatlas blijkt dat er in de huidige situatie in het plangebied geen sprake is van droogte door watertekort. Met de beoogde ontwikkeling neemt de verharding in het plangebied toe. De verwachting is dat dat niet leidt tot droogte. Water wordt zolang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied. Tevens zijn er meerdere watergangen rondom het plangebied aanwezig, waarvan er twee door de beoogde ontwikkeling worden verbreed.
 
Verzilting
Gelet op de ligging van het plangebied is het niet te verwachten dat er sprake is van verzilting in het plangebied.
 
Verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit
Binnen het plan worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de waterkwaliteit zouden kunnen beschadigen. Het oppervlaktewater wordt grotendeels  in stand gehouden en deels uitgebreid.  
   
Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020 waardoor gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.   
 
3.2.3 Woonagenda 2020-2050
De woonagenda provincie Noord Holland 2020-2050 is op 20 april 2020 vastgesteld. De doelstelling van de woonagenda is om te zorgen dat er voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen zijn. De speerpunten zijn een woning voor iedereen, productie op peil: aanjagen woningbouwproductie, gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie en een kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. De speerpunten zijn vertaald in Regionale Actieprogramma's.
 
Daarnaast is een goede afstemming tussen vraag en aanbod op de woningmarkt een speerpunt, niet alleen op kwantiteit, bepaald door huishoudensgroei, maar vooral ook op kwaliteit: het juiste type woningen voor alle verschillende doelgroepen. Betaalbaar, duurzaam en passend bij de huishoudensgrootte en woonwensen van de inwoners van Noord-Holland.
 
Planspecifiek
De ontwikkeling levert een bijdrage aan de vraag naar woningen voor verschillende doelgroepen. De woningbehoefte van alle huishoudenstypen blijft de komende jaren toenemen. Door de vergrijzing is er meer vraag naar passende woningen voor senioren. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van onder andere sociale huur- en koopwoningen voor senioren en alleenstaanden. Dit bevordert ook de doorstroming van ouderen waardoor er elders bestaande woningen vrij komen voor andere doelgroepen. Ook de woningbehoefte van starters zal aanhouden. Voorliggend plan voorziet hierom ook in de realisatie van passende en goedkope koopwoningen voor deze doelgroep. Ook bestaat de behoefte bij gezinnen voor passende (koop)woningen. Voor deze doelgroep worden met voorliggend plan betaalbare en dure koopwoningen voorzien.
 
Onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningen passend bij de vraag van deze doelgroepen. Daarmee is het plan in lijn met het provinciale beleid. Verder wordt er in paragraaf 3.3 nader ingegaan op de regionale woonvisie en de regionale woningbehoefte.
3.3 Regionaal beleid
3.3.1 Regionale Woonvisie West-Friesland 2017-2027
De Regionale woonvisie West-Friesland voor de periode 2017-2027 geeft invulling aan de ambitie van de regio West-Friesland om tot de top 10 woonregio's van Nederland te behoren. Samen met het Regionaal Actieprogramma (RAP) wordt uitvoering gegeven aan realistische doelen die in de regio opgepakt worden om de woningmarkt (meer) toekomstbestendig te maken en te behouden.
 
De regionale woonvisie voor West-Friesland brengt de actuele situatie van de woningmarkt in beeld en geeft het beleid voor de korte termijn (tot 2020) en de middellange termijn (tot 2030) op hoofdlijnen aan. De woonvisie benoemt welke richting de West-Friese gemeenten met de woningmarkt op willen en waar rekening mee gehouden moet worden.
 
Het doel van de woonvisie is om de West-Friese bevolking naar wens en tevredenheid te laten wonen en zoveel mogelijk een breed scala aan woonwensen en de woningbehoefte van de inwoners binnen de regio te realiseren. Samen met (andere) belanghebbenden op de woningmarkt zijn de speerpunten voor de woonvisie bepaald. Deze speerpunten zijn de ‘ankers’ waar de woonvisie en het RAP aan hangen. De West-Friese woonvisie zet in op de volgende vijf speerpunten:
  • Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen.
  • Vitale kernen: leefbaar West-Friesland tot in de kern.
  • Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten.
  • Scheiden van wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen.
  • Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven. 
Planspecifiek
Eén van de speerpunten van de hierboven beschreven woonvisie is het inzetten op onderscheidende en complementaire producten. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 44 nieuwbouwwoningen waarbij sprake is van een divers woonprogramma. Daarmee wordt aangesloten op de vraag naar woningen voor zowel de oudere doelgroep als kleinere huishoudens.    
 
Hiermee is sprake van een ontwikkeling die in lijn is met de regionale woonvisie en het Regionaal Actieprogramma.
   
3.3.2 Woonakkoord 2020-2025
Het Woonakkoord 2020-2025 is gesloten tussen de provincie Noord-Holland en de gemeenten Hoorn, Medemblik, Koggenland, Enkhuizen, Drechterland en Stede Broec, ook wel de bestuurlijke regio West-Friesland. In het eerste deel van het Woonakkoord zijn de opgaven voor wonen en bouwen geformuleerd. De opgaven zijn in samenhang met andere opgaven bekeken, zoals mobiliteit en klimaat. Op basis van een gedeeld beeld van de opgaven worden in deel 2 de samenwerkingsafspraken en acties benoemd, hier worden marktpartijen bij betrokken.
 
De regio West-Friesland heeft een gevarieerd aanbod aan stedelijke en landelijke woonmilieus. De regio beschikt over knooppunten van openbaar vervoer die liggen in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen. Hoorn vervult een belangrijke centrumfunctie voor de regio. Daarnaast beschikt de regio over unieke landschappen en een sterke economische structuur. Daardoor is de regio een aantrekkelijk woongebied.
 
Uitgangspunt bij het invullen van de woningbouwopgave is binnenstedelijk en rond OV-locaties bouwen. Voor een gevarieerd woonmilieu en het aanbieden van een complementair woningbouwprogramma maken buitenstedelijke plannen, conform de woonagenda van de provincie, ook onderdeel uit van dit woonakkoord. Ook in aanmerking genomen dat de provincie in haar woonagenda heeft opgenomen dat ze de woningbouw wil versnellen en aanjagen. Conform de Omgevingsvisie NH 2050 wordt de woningbouw vooral in of aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland. Ook de voorzieningen en leefbaarheid in kleine(re) kernen verdienen aandacht, evenals de bescherming en ontwikkeling van het landschap. De nieuwbouw moet toekomstbestendig worden gebouwd. Een specifieke opgave op het snijvlak van wonen en economie is de huisvesting van arbeidsmigranten.
 
De regio heeft tot doel om de inwoners van West-Friesland naar wens en tevredenheid te laten wonen en een breed scala aan woonwensen binnen de regio te realiseren. De regio zet hiertoe in op:
  • versnelling van de woningbouwopgave met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woningaanbod voor iedere doelgroep;
  • het op peil houden en uitbouwen van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bestaande voorraad;
  • leefbaar en bereikbaar West-Friesland tot in de kern;
  • onderscheidende en complementaire nieuwbouw producten;
  • langer zelfstandig wonen bevorderen;
  • werken met een flexibel kader dat de regio houvast biedt en ruimte laat voor marktinitiatieven. 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij het woonakkoord. Er wordt bijgedragen aan de woningbouwopgave voor meerdere doelgroepen. Ook wordt met levensbestendige woningen langer zelfstandig thuiswonen bevorderd.
     
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie landschap gemeente Drechterland
De Structuurvisie landschap gemeente Drechterland is op 23 mei 2011 vastgesteld. Deze structuurvisie biedt op hoofdlijnen de beleidskaders ten aanzien van het landschap in de gemeente Drechterland. De visie kan dienen als kapstok voor uitwerkingen en bestemmingsplannen en als basis voor de afweging van initiatieven uit de markt.
  
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'behouden en versterken'. Het overgrote deel van het buitengebied krijgt het ambitieniveau ‘behouden en versterken’ mee. Dit gebied ligt voornamelijk aan de noord- en zuidwestkant van Drechterland, waaronder Oosterblokker. De kwaliteiten van dit gebied zitten in de cultuurhistorische linten met de daarmee samenhangende en nog goed herkenbare verkavelingsstructuur en openheid. De uitgangspunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn het behouden van de openheid en de linten.
  
Met de beoogde ontwikkeling wordt er geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische linten. Het plangebied is grotendeels onbebouwd en maakt daardoor geen deel uit van de linten van de Bangert en de Noorderdracht. Met het ruimtelijke ontwerp van het plangebied wordt aansluiting gezocht met de omliggende linten door het plaatsen van vrijstaande woningen in de lijn van de linten. De dichtere bebouwing zoals rug-aan-rug woningen en het appartementengebouw wordt achter de vrijstaande woningen geplaatst, teruggetrokken van de twee wegen. Hiermee versterkt de beoogde ontwikkeling de kwaliteiten van aanwezige linten.
 
Structuurvisie landschap (plangebied rood omkaderd) 
3.4.2 Welstandsnota Drechterland
De Welstandsnota Drechterland is op 27 juni 2011 vastgesteld door de raad. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en de beoordeling van bouwplannen.
 
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in het gebiedstype 3 'Karakteristieke linten'. Voor het gebied geldt een aanduiding als bijzonder welstandsgebied, waarbij de nadruk zal liggen op het respecteren en handhaven, en waar nodig versterken van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten.
 
Het voor dit initiatief opgestelde beeldkwaliteitsplan is met instemming van de Welstandcommissie  van de gemeente Drechterland opgemaakt. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in de regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan en is daarmee als bindend kader voor de welstandstoets opgenomen. Bij de verdere architectonische uitwerking van de woningen vormt het beeldkwaliteitsplan het kader voor deze uitwerking.
   
3.4.3 Woonprogramma 2021-2025 Drechterland
Op 27 september 2021 heeft de raad het Woonprogramma 2021-2025  Drechterland 'Prettig wonen in vitale dorpen' vastgesteld. In dit programma geeft de gemeente aan hoe men de komende jaren in Drechterland wil omgaan met de grote woningvraag die er leeft. Het woonprogramma is opgebouwd aan de hand van zes thema’s. Per thema zijn de belangrijkste doelstellingen benoemd.
  • Thema 1: kwalitatieve woningbouwopgave.
  • Thema 2: wonen en zorg.
  • Thema 3: evenwichtige wijken en dorpen.
  • Thema 4: voldoende aanbod aan sociale huurwoningen.
  • Thema 5: kwantitatieve woningbouwopgave.
  • Thema 6: duurzaamheid.
Planspecifiek 
Voor thema 1 (kwalitatieve woningbouwopgave) geldt bij het dorp Oosterblokker, waarin het plangebied is gelegen, dat er vanuit de gemeente een behoefte bestaat aan meer variatie in woningtypen. Het grootse deel van de woningen in Drechterland bestaat in de huidige situatie uit grote eengezinswoningen. De gemeente kaart aan dat door de veranderende samenstelling van inwoners er vraag is naar een meer diverse woningvoorraad. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 44 woningen in verschillende segmenten zoals  sociale huur, goedkope koop, betaalbare koop en dure koop. Hiermee sluit het aanbod aan op de veranderende samenstelling van de gemeente. 
     
Voor thema 2 (wonen en zorg) is de behoefte om meer passende locaties en woonvormen voor senioren te realiseren. Het woonprogramma van voorliggend plan sluit aan op de doelstellingen van het woonprogramma. Zo zijn er diverse woningen mede bestemd voor senioren. De woningen bestaan uit verschillende typen en schalen.  
 
Als uitwerking van thema 4 (voldoende aanbod aan sociale huurwoningen) wil de gemeente het aanbod van sociale huurwoningen uitbreiden. Doelstelling van het woonprogramma is om het aandeel van 20% sociale huurwoningen in de huidige woningvoorraad te vergroten naar 25% in 2025. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 13 sociale huurwoningen in Hoogkarspel. Hiermee bestaat het woonprogramma  voor 30% uit sociale huur, boven het minimum van 25% uit het woonprogramma 2021-2025 en conform de Woondeal 2.0 Noord-Holland Noord.  
  
Thema 5 (kwantitatieve woningbouwopgave) van het woonprogramma betreft het uitbreiden van de woningvoorraad met 700 nieuwbouwwoningen tot 2025. Doelstelling hierbij is dat de nieuwbouw meer doorstroming creëert en meer kansen biedt voor starters op huur- of koopwoningen. Het voorliggende initiatief voorziet in de realisatie van 44 woningen, waardoor wordt bijgedragen aan de kwantitatieve woningbouwopgave. Ook worden er met sociale huur- en goedkope koopwoningen kansen gecreëerd voor starters, en wordt er met het diverse aanbod van koopwoningen ruimte gemaakt voor doorstromers.
 
Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan aansluit bij het Woonprogramma 2021-2025.
    
4 Onderzoek
4.1 Verkeer en parkeren
 
4.1.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering’ kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
 
Planspecifiek
In de voorgenomen ontwikkeling  worden op de locatie Molenhof 44 woningen gerealiseerd. Dit gaat gepaard met een toename in verkeersbewegingen in de omgeving van het plangebied. Voor het verkennen van de toekomstige verkeerssituatie en het berekenen van de te verwachten verkeersgeneratie is een verkeersstudie uitgevoerd (Goudappel, d.d.14 september 2025, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 1).  De resultaten van dit onderzoek worden hieronder benoemd.  
In de verkeersstudie is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekend op basis van CROW kencijfers. Zoals in de onderstaande tabel blijkt is er in de toekomstige situatie sprake van een verkeersgeneratie van 300 motorvoertuigen per werkdag (271 per weekdag).
 
overzicht verkeersgeneratie (bron: Goudappel, 14 september 2025)
 
Molenhof wordt ten noordwesten en ten noordoosten ontsloten op de Bangert en de Noorderdracht. Er is per weg berekend of de toename van het aantal verkeersbewegingen op een acceptabele wijze verwerkt kan worden.
 
Uit het verkeersonderoek blijkt dat de verkeersveilige wegvakcapaciteit van de Bangert in totaal 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Op dit moment maken circa 1.100 motorvoertuigbewegingen per etmaal gebruik van de Bangert. Dit betekent dat er een restcapaciteit is van 2.900 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De gehele verkeersgeneratie van 300 motorvoertuigbewegingen per etmaal voor het plangebied kan daarmee op een acceptabele wijze verwerkt worden.  
 
De verkeersveilige wegvakcapaciteit van de Noorderdracht bedraagt in totaal eveneens 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Op dit moment maken circa 2.700 motorvoertuigbewegingen per etmaal gebruik van de Noorderdracht. Dit betekent dat er een restcapaciteit is van circa 1.300 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De gehele verkeersgeneratie van 300 motorvoertuigbewegingen per etmaal voor het plangebied kan daarmee op een acceptabele wijze verwerkt worden.
 
Op basis van ongevallenstatistieken afkomstig van Viastat blijkt dat er sprake is van een veilige situatie op de Bangert en Noorderdracht, ter hoogte van het plangebied. In de periode 2014 – 2024 hebben slechts twee ongevallen plaatsgevonden. Er wordt geconcludeerd dat er in de basis sprake is van een verkeersveilige situatie
   
Aanbevolen wordt om de fietsstroken op de Bangert te verbreden naar 1,75 m. Aanbevolen wordt ook, conform het Verkeersplan Drechterland, om de kruispunten als volgt vorm te geven. De fietsstroken lopen niet over het kruispunt door, maar de voorrangsweg wordt in een gele kleur aangegeven. Daarbij is direct duidelijk (door de afwijkende kleur) welke route voorrang heeft en welke voorrang moet geven. Aanbevolen wordt om de kruispunten Bangert – Noorderdracht en de aansluitingen met het plangebied op deze wijze vorm te geven. In verband met trillingshinder voor de molen wordt aanbevolen om geen verticale hoogteverschillen toe te passen. Met het opvolgen van deze aanbevelingen ontstaat er een veiligere verkeerssituatie.
      
4.1.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfer - basis voor parkeernormering’ richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of worden voorzien in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
 
Planspecifiek
Voor het parkeren in het plangebied worden de parkeernormen uit de CROW-publicatie 744 aangehouden. Er wordt aangesloten bij de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'. In onderstaande tabel is weergegeven wat dit betekent voor het aantal parkeerplaatsen dat nodig is in het plangebied uitgaand van de gemiddelde parkeernorm.
   
 
   
De parkeerbehoefte in de beoogde ontwikkeling bedraagt afgerond 83, waarvan 29 op eigen terrein (twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen) en 3 bedoeld zijn voor 'molenbezoek' . Zoals op de situatietekening in paragraaf 2.2 te zien is, worden de openbare parkeerplaatsen voorzien in de collectieve parkeervoorziening in het westen van het plangebied. In het plangebied kan voorzien worden in het benodigd aantal parkeerplaatsen. 
4.2 Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
 
De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
 
Planspecifiek
De beoogde woningen worden gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Indien de woningen worden voorzien van buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking, dient voor de locatiebepaling van de installaties rekening te worden gehouden met de geluidseisen van het Bouwbesluit 2012. Hierbij dient aangetoond te worden dat kan worden voldaan aan de geluideisen zoals gesteld in Afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012.
 
Aan de hand van de overige aspecten van de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat het aspect gezondheid op voorhand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.3 Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • gebouw voor kinderopvang met bedden;
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
  
Planspecifiek
Een woning is een geluidsgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig gebouw dient aangetoond te worden dat het geluid op dat gebouw niet hoger niet hoger is dan de standaardwaarden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is daarom door Adviesburo Van der Boom een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer uitgevoerd.  (24-137, d.d.9 september 2025, zie bijlagen bij toelichting, Bijlage 2).
 
Onderbouwing gebruikte verkeersgegevens
Voor de beoordeling van de verkeerskundige effecten is gebruikgemaakt van verkeersgegevens uit het gemeentelijke verkeersmodel met prognosejaar 2030. Dit model is in 2022 beschikbaar gesteld in het kader van een ander ruimtelijk project in de directe omgeving en bevat de benodigde intensiteiten en wegdektypen voor de relevante wegen. Omdat de gegevens rechtstreeks uit dit verkeersmodel afkomstig zijn en volledig aansluiten bij de situatie in de onderhavige studie, is ervoor gekozen deze te hanteren. Eventuele latere aanvullingen of correcties zijn niet bekendgemaakt, zodat de in het rapport gebruikte gegevens representatief en actueel zijn. Voor het zichtjaar 2035 zijn de gegevens voor 2030 uit het model opgehoogd met een autonome groei van 1,5% per jaar.
 
Resultaten
Uit het onderzoek blijkt dat  de waarde van het geluid door wegverkeer op lokale wegen op de oostgevel van de woningen langs de Noorderdracht en op de noordgevel van de woning op de hoek van de Noorderdracht en de Bangert  boven de standaardwaarde van 53 dB ligt. De hoogste waarde bedraagt 57 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden.
 
Het verlagen van de waarde van het geluid door het treffen van maatregelen aan de bron stuit op financiële en civieltechnische bezwaren. Afscherming van alle woonlagen van de woningen is op deze locatie niet haalbaar door aantasting van de ruimtelijke kwaliteit.
 
De hoogste waarde van het gezamenlijke geluid bedraagt 57 dB op de gevels. De benodigde karakteristieke geluidwering is GA;k 24 dB. Voor de gevels van de ontwikkeling met een waarde van het gezamenlijk geluid van meer dan 53 dB zijn geluidwerende voorzieningen nodig. Met de benodigde ingrepen kan voor wat betreft het aspect geluid, sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie mits voldaan wordt aan de eisen voor de geluidwering uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving middels een gevelweringsonderzoek.
4.4 Activiteiten en milieuzonering
Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project.
 
In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’. Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart.
 
Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.
 
In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:
  • industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;
  • woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;
  • gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.
  
Planspecifiek
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient aangetoond te worden dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt worden.
 
Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen aanwezig maar ook bedrijvigheid en agrarische activiteit. Hierdoor is het omgeving van het plangebied te beschrijven als een gemengd gebied met wonen.
 
Ten noorden van het plangebied, achter het kruispunt van de Noorderdracht en de Bangert, is een maatschappelijke bestemming aanwezig. Het betreft een kinderdagverblijf. De opvang ligt op een afstand van ca. 40 m van het plangebied. Ten oosten van het plangebied, achter de Noorderdracht zijn meerdere bedrijven aanwezig. In het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011' zijn deze bedrijven bestemd voor bedrijven binnen categorieën 1 en 2 zoals benoemd in bijlage van de regels. In een gemengd gebied geldt hiervoor een maximale afstand van 10 m. De afstand tussen deze bedrijven en de beoogde woningen bedraagt minimaal 20 m. Gelet op het voorgaande vormen deze bedrijven geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
Het zuidoosten van het plangebied wordt begrensd door kassen. Deze kassen zijn bestemd voor een caravanstalling. Hiervoor geldt volgens het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011' een richtafstand van 10 m in een gemengd gebied. De afstand tussen de kassen en de beoogde woningen bedraagt minimaal 10 m. De ruimte tussen de kassen en de beoogde woningen bestaat uit water en groen. Gelet op het voorgaande vormt de caravanstalling geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
    
Aan de noordzijde van het plangebied is een rioolgemaal aanwezig. Met het Hoogheemraadschap is afgestemd dat hier een zone van 10 m geldt. Binnen deze zone worden geen bouwwerken gerealiseerd. In paragraaf 4.11 is hier meer over te lezen.
    
Drift gewasbeschermingsmiddelen
In verband met de omliggende agrarische gronden is in beeld gebracht of er in de omgeving van het plangebied gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De gronden ten noorden, ten oosten en aan het zuidwesten beschikken over de bestemming ‘Agrarisch’ in het bestemmingsplan  'Drechterland Noord 2011’. Deze gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van agrarische bedrijven.
 
Het is mogelijk dat hier gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen zoals wonen. Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een afstand van 50 m tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. Echter kan de afstand van de vuistregel verkleind worden als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt.
  
De meest nabijgelegen gronden waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt ligt aan de zuidzijde van het plangebied. Op het perceel direct ten zuiden van het plangebied (perceel 1184) staat een kas die in het verleden is gebruikt voor sierteelt. De initiatiefnemer heeft dit perceel gekocht om te verzekeren dat er binnen 50 m van het plangebied geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Hiertoe is een regel opgenomen in het voorliggende TAM-omgevingsplan (zie lid 4.4 sub a van de regels).
 
Ten zuidwesten van het plangebied is een kas aanwezig dat bestemd is voor agrarisch gebruik. In het ontwerp van het beoogde woongebied is rekening gehouden met de kas door de woningen op een afstand van meer dan 50 m te plaatsen. Hierdoor vormt de kas geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling
 
Hiernaast zijn er op groetere afstanden meerdere agrarische gronden aanwezig. Dit betreft de agrarische gronden op een afstand van ca. 90 m ten noorden van het plangebied. Ten oosten van het plangebied, achter het lint van de Noorderdracht, liggen ook agrarische gronden waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze gronden liggen op ca. 220 meter van de beoogde woningen.  Daarmee kan worden gesteld dat drift van gewasbeschermingsmiddelen geen belangrijke nadelige gevolgen hoeft te hebben ten aanzien van de beoogde woningen. Gelet op deze afstanden en de hiervoor beschreven omstandigheden kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden omliggende bedrijven niet verder in de bedrijfsvoering beperkt.
 
Binnen het plangebied is ook een rioolgemaal aanwezig. In paragraaf 4.11 wordt dit gemaal uitvoerig beschouwd.  
   
Conclusie
Gezien het voorgaande vormen milieubelastende activiteiten in de omgeving geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en worden de bedrijven niet gehinderd in hun bedrijfsvoering.
4.5 Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
 
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
  1. Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
  2. Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.  
Planspecifiek
De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
 
Met behulp van de Atlas Leefomgeving is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De totale concentraties over 2022 van fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 15,6 μg/m³ voor PM 7,8 μg/m³ voor PM2,5 en 10,9 μg/m³ voor NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden en staat de luchtkwaliteit de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
     
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Cultuurhistorie en archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal).
 
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
 
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen. 
 
Planspecifiek
Archeologie
Op de gronden van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De vrijstellingsgrenzen van deze dubbelbestemming worden met de beoogde ontwikkeling overschreden. Derhalve is een quickscan archeologie uitgevoerd (Archeologie West-Friesland, d.d. 21 september 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 3). Uit de quickscan blijkt dat het plangebied, op basis van de bodemkaart en archeologisch onderzoek uit de omgeving, een hoge verwachting voor bewoning uit het Neolithicum en de Bronstijd heeft. De verwachting voor vindplaatsen uit de Bronstijd is hoog. De verwachting voor het aantreffen van bewoningssporen uit  de Nieuwe Tijd is laag. Ook worden bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen niet verwacht.
 
Op basis van de voorgenomen ontwikkeling en de hoge archeologische verwachting is een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven. Hiertoe heeft Ecoconsultancy een Programma van Eisen proefsleuvenonderzoek opgesteld. (25291.001, d.d. 26 maart 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4). Vooruitlopend op de bouw van de beoogde woningen zal dit nadere onderzoek worden uitgevoerd. 
  
Cultuurhistorie
Het plangebied is gelegen binnen de molenbiotoop van de molen 'De Krijgsman' aan de Noorderdrecht 61, zoals is opgenomen in het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011'. In het kader van de beoogde ontwikkeling zijn een tweetal notities opgesteld waarin de mogelijke effecten van de beoogde ontwikkeling op de molen worden verkend. In beide notities wordt geconcludeerd dat de bouwplannen voldoen aan de maximale bouwhoogte van de molenbiotoop in het omgevingsplan.  
   
Daarnaast is er windvangonderzoek uitgevoerd (Van Bussel windconsult, d.d. 14 april 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Uit het onderzoek blijkt alleen dat er sprake is van aantasting van de molenbiotoop in termen van de ruimtelijke kwaliteit. De te verwachte effecten op de windvang van molen 'De Krijgsman' zijn marginaal. Aanpassingen van het bouwplan zijn niet relevant voor de windvang, mits ze blijven voldoen aan de bouwregels, met name de maximale bouwhoogte. Een belangrijk punt van aandacht is de begroeiing, met name de bomen. Niet alleen de bestaande bomen langs de Noorderdracht, maar ook het geplande groen in de nieuwbouw wijk. Naar aanleiding van de participatie zijn planaanpassingen doorgevoerd en afspraken gemaakt over de bebouwing en bomen in het plangebied met Stichting Molen Krijgsman (eigenaar van de molen) en de molenaar/ondernemer. 
 
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen daarmee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
  • Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
  • Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
 
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en het mogelijk maken van een bodemgevoelige locatie dient bij een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek te worden verstrekt. Voor de beoogde ontwikkeling zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd, voor het agrarische deel van het plangebied (Grondslag, 39885, 11 september 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6) en bij de huidige woning (Grondslag, 38510, 18 september 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6a).
    
Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek in het agrarische plandeel wordt geconcludeerd dat er in de bovengrond, bestaande uit klei, lichte verhoogde gehalten aan  kobalt, kwik, lood en nikkel is aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verhogingen aangetroffen.  In het grondwater is enkel een lichte verhoging aan nikkel aangetoond. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de  aanwezigheid van een verontreiniging met asbest.
 
Uit het verkennend bodemonderzoek bij de huidige woning wordt geconcludeerd dat er geen sprake van  verhoogde gehalten zijn aangetroffen. De boven- en ondergrond zijn beoordeeld als kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Ter plaatse van een boorraai zijn in de ondergrond sporen van slof aangetroffen. Hiermee wordt de ligging van de gedempte sloot als bevestigd gezien. Ter plaatse is geen puin of andere bodemvreemde materialen aangetroffen. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. Tevens is er in het grondwater geen overschrijding van de signaleringsparameter gemeten.
 
Conclusie
Geadviseerd wordt om  grond die vrijkomt bij (eventuele) graafwerkzaamheden te hergebruiken binnen het project. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is aanvullend een partijkeuring nodig conform het Besluit Bodemkwaliteit. Met name bij grotere partijen grond is dit voordeliger dan afvoeren naar een grondbank. In sommige gevallen is ook zonder partijkeuring hergebruik mogelijk op basis van een bodemkwaliteitskaart.
 
Uit de onderzoeken en de hierin opgenomen conclusies blijk dat de onderzoeksresultaten geen belemmering geven voor de gewenste functieverandering van de gronden en de hiermee samenhangende afgifte van de vergunningen voor woningbouw. Het plan voldoet voor het aspect bodem aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
 
4.8 Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
 
Kwetsbare gebouwen en locaties
Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven.
 
Aandachtsgebieden
De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.
 
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
 
Plaatsgebonden risico
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.
 
Seveso-inrichtingen
De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Seveso-inrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen
Er gelden verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling.
 
In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:
  • 30 meter voor een brandaandachtsgebied
  • 200 meter voor een explosieaandachtsgebied
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
 
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
 
   
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron: Atlas leefomgeving)
   
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting, transportroutes of gasleidingen aanwezig zijn.
 
Transport gevaarlijke stoffen
Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen. De meest nabijgelegen transportroute is de Westfrisiaweg op een afstand van  ca. 1.3 km ten noorden van het plangebied. Gelet op deze afstand vormt de route geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
 
Buisleidingen
Op een afstand van ca. 650 en 700 meter van het plangebied liggen enkele gasleidingen. Gelet op de ruimte afstand tot het plangebied vormen de leidingen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
  
Activiteiten
Op een afstand van ca. 1.3 km ten westen van het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig met een propaanopslag. Tevens is er op een afstand van ca. 1.3 km ten zuiden van het plangebied een bedrijf aanwezig met een ammoniakkoelinstallatie. Gelet op deze afstanden vormen deze activiteiten geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
                 
Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
 
De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan.
 
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
 
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
 
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
  • aanwezige dier- en plantensoorten;
  • typen natuurlijke habitats;
  • leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
 
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn.
De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
 
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
 
Planspecifiek
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is voor het plangebied een Quickscan Natuur uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 19 juni 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat.
 
Soortenbescherming  
Op basis van het veldonderzoek en de bureaustudie is in de rapportage per soortgroep besproken wat de potentie van het plangebied en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolgen van de beoogde ontwikkeling. Uit het onderzoek blijkt dat op basis van de habitattypen in het plangebied en de bekende verspreidingsgegevens niet uitgesloten kan worden dat de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuis, huismus en gierzwaluw (beschermde soorten). Op basis van de bevindingen worden, naast de algemene zorgplicht, de volgende vervolgstappen aangeraden:
  • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023).
  • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar gierzwaluw uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar gierzwaluw wordt uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode 1 juni t/m 15 juli met minstens één veldbezoek tussen 20 juni en 7 juli, conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2023).
  • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 van de quickscan uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.
  
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied 'Markermeer en IJmeer' ligt op circa 3,3 km ten zuiden van het plangebied. Op een afstand van ca. 16 km ten zuidwesten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Eilandspolder’. Dit betreffen niet stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, ‘Schoorlse Duinen', ligt circa 27 km ten westen van het plangebied.
 
Ook ligt het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest dichtbijgelegen deel van het NNN ligt ca. 4.9 km van het plangebied. Ook ligt het plangebied niet binnen de grenzen van het Bijzonder Provinciaal Landschap. Door de ruime afstand tot de beschermde gebieden zijn verstorende effecten zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring uitgesloten. Gezien de lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand uitgesloten. Het Natura 2000-gebied 'Markermeer en IJmeer' is niet stikstofgevoelig. Het Natura 2000-gebied 'Schoorlse Duinen’ is wel stikstofgevoelig. De effecten van stikstof op het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied zijn op voorhand niet uitgesloten. Daar wordt hieronder nader op ingegaan.
  
Stikstofdepositie
Vanwege een toename van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase is er een stikstofberekening uitgevoerd om de effecten op Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen (Buro SRO, d.d. 16 september 2025, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 8). Uit de AERIUS berekening blijkt dat voor beide fases de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving.     
  
Houtopstanden
Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet.
   
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.
4.10 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
 
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
 
Beleid
De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
 
Nationaal Waterprogramma
Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
  
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016.
 
Weging van het waterbelang
Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben.
 
Berging van water in de bodem
Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen dient het water tijdelijk in het plangebied te worden geborgen op basis van het toekomstig dakoppervlak. Hiertoe dient een berging van 70 mm te worden gerealiseerd  met een totaal van 400 m3.   
 
Watercompensatie
Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlak minimaal even groot als 15% van de toename in het hard oppervlak. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.
      
Planspecifiek
Watercompensatie
Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstil beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Op grond van de waterschapsverordening geldt dat het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak zonder vergunning is toegestaan indien de verhardingstoename minder dan 800 m² bedraagt, de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvlak beslaat en het desbetreffende watersysteem van de toename van de piekafvoer kan verwerken.
   
Het plangebied heeft in de huidige situatie een oppervlak van 13.890 m², waarvan minder dan 1% verhard is. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de bouw van 44 woningen, er wordt circa 7.376 m² aan bebouwing en wegen gerealiseerd. De huidige verharding bedraagt ca 479 m²,  waardoor er sprake is van en toename van verharding van ca 6.898 m². De verharding neemt toe met meer dan 800 m² wat betekent dat er een compensatie-eis van 10% geldt. Ook dient er een watervergunning aangevraagd te worden bij het hoogheemraadschap. In de onderstaande afbeeldingen wordt de verhardingsbalans weergegeven.
 
 
Verhardingsbalans (bron: Vollmer + partners, 02-07-025)        
Door het bouwplan van voorliggend plan neemt de verharding toe met 6.898 m² ten opzichte van de huidige situatie. Voor de beoogde ontwikkeling wordt 10% van de verharding met oppervlaktewater gecompenseerd. Tevens wordt er 182,74 m² aan oppervlaktewater gedempt. Dit dient 1 op 1 gecompenseerd te worden. Er is gekozen om de bestaande sloot aan het zuidoosten en het zuidwesten van het plangebied te verbreden, waardoor er 879,04 m² aan wateroppervlak wordt toegevoegd en ruim aan de compensatie eis wordt voldaan. De berekening is op de onderstaande afbeelding te zien.
   
Berekening watercompensatie (bron: Vollmer + partners, 02-07-025)
 
Waterafvoer
De bebouwing dient te voldoen aan de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden wordt afgevoerd en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater zijn:
  • de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreedt;
  • de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert;
  • schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd via het oppervlaktewater en/of door het te laten infiltreren (via verlaagde bermen met drainage en infiltratiekratten onder parkeerplaatsen) in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel.
      
Geohydrologisch onderzoek
Om inzicht te krijgen in de geohydrologische situatie ter plekke van de beoogde woningen is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. (Hoven Consult, d.d. 14 juli 2025, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 9). Uit dit onderzoek blijkt dat gezien de lage doorlatendheid van de natuurlijk aanwezige ondergrond (deklaag) infiltratie van hemelwater naar het diepe grondwater geen reële optie is. Klimaatadaptieve maatregelen dienen dan ook gericht te zijn op tijdelijke berging van het hemelwater in het plangebied. Hiervoor is een vergroting van het huidige oppervlaktewater reeds voorzien.
 
Voor de berekening van de aanvullende waterberging in het plangebied zijn de eisen van de gemeente maatgevend. Voor het aan te brengen verharde oppervlak dient een bergingscapaciteit van 70 mm te worden gerealiseerd. Bij een toekomstig verhard oppervlak van 4.142 m² komt dat overeen met een benodigde berging in het plangebied van 275 m³.  De voorkeur heeft het de berging te realiseren middels waterpartijen of wadi’s in de wijk. Echter, hiervoor ontbreekt de beschikbare ruimte. Derhalve ligt (een combinatie met) een berging in de ondergrond meer voor de hand. Voor het bergen en infiltreren van water wordt gebruik gemaakt van het Wavicore systeem.
 
Conclusie
Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.
4.11 Geur
Er bestaan diverse activiteiten waar geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.
 
In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan.
De gemeente kan bij een wijziging van het omgevingsplan waar nodig één of meer bebouwingscontouren geur vaststellen waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan. 
 
Planspecifiek
In het noorden van het plangebied is een rioolgemaal aanwezig. De beoogde woningen komen op een korte afstand van dit gemaal te staan. Derhalve is er een onderzoek naar geur- en geluidbelasting uitgevoerd (Peutz, O 17329-1-RA-003 d.d. 22 mei 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10).
 
Uit de berekeningen volgt dat bij de geprojecteerde woningbouw in een worstcasescenario (exclusief geurreducerende werking van het aanwezige filter) ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde van 0,5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde.
 
In onderhavige situatie is sprake van een lage geuremissie met goed onderhouden en functionerende geurreducerende maatregelen waardoor het niet waarschijnlijk is dat geurhinder zal ontstaan ter hoogte van de geprojecteerde woningbouw. Met filter bedraagt de geurbelasting zelfs maar < 0,05 ouE/m3 als 98-percentielwaarde.
 
De minimale afstand tussen het gemaal en de meest dichtbijgelegen woning bedraagt 10 meter. Hiermee wordt voor wat betreft het aspect geluid voldaan aan de mogelijke te hanteren richtafstand. Op de erfgrens van het plangebied bedraagt de geurconcentratie als 98-percentielwaarde ten hoogste 0,2 ouE/m3. Hiermee is de GES-score voor geur binnen het plangebied 1, hetgeen staat voor een goed geurklimaat vanwege het rioolgemaal Noorderdracht.
 
Met de beheerder van het gemaal,  het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, is overleg geweest over de uitkomsten van het geuronderzoek. Hoewel de onderzoeksmethode onderschreven wordt en de geldende normen vanuit het Omgevingsplan geldend zijn blijkt uit de praktijk dat bewoners alsnog geuroverlast kunnen ervaren. Overlast wordt vaak ervaren in de tuin. Om 'intensief' tuingebruik in directe aansluiting op het gemaal te ontmoedigen is overeengekomen dat er geen bouwwerken in een straal van 10 meter nabij het gemaal worden gerealiseerd. Aanvullend worden ook vergunningsvrije bouwwerken in deze zone uitgesloten. Aanvullend wordt een haag om het gemaal geplaatst.  Hoewel een haag geen geurafschermende werking heeft is de ervaring dat het niet zien van het gemaal ook (kan) leiden tot het niet ruiken. Tot slot wordt er mechanische ventilatie toegepast bij de woningen rondom het rioolgemaal zodanig dat de ventilatie plaatsvindt aan de kant van de woonwijk in plaats van het rioolgemaal.
4.12 M.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
 
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
 
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.
 
Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
  • Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
  • Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
 
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:
  1. de kenmerken van het project
  2. de plaats van het project
  3. de kenmerken van de potentiële effecten
  
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 44 woningen. Onderhavig plan is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt:
 
Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen:
  1. die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
  2. waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod.
 
Voor het project is een aanmeldnotitie opgesteld (Buro-SRO, d.d. 19 september 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 11). In deze notitie wordt geconcludeerd dat het opstellen van een milieuefffectrapportage geen verder inzicht geeft op de milieueffecten van deze ontwikkeling. In de aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag voorgesteld in het nog te nemen mer-beoordelingsbesluit geen milieuefffectrapportage op te stellen voor deze ontwikkeling.
    
5 Juridische aspecten
5.1 Algemeen
Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
   
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.
 
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsregels. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
 
In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:  
  • Toepassingsbereik
  • Functieomschrijving
  • Beoordelingsregels bouwactiviteiten
  • Specifieke bouwregels
  • Specifieke gebruiksregels
5.4 Toelichting op functies en locaties
De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Drechterland. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten:
 
Agrarisch
Locaties aangewezen als ‘Agrarisch’ hebben als functie de uitoefening van agrarisch grondgebruik, met uitzondering van houtteelt en bosbouw.
   
Bedrijf - Nutsvoorziening
De functie ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ ziet op transformatorgebouwen en rioolgemalen.
 
Groen
Locaties aangewezen als groen bevatten delen van het plangebied waar het groene karakter van structurele waarde is voor de beeldkwaliteit van het plangebied en waar zeer beperkt gebouwd mag worden.
 
Verkeer - verblijfsgebied
De als 'Verkeer - verblijfgebieden' aangewezen gebieden betreffen openbare straten in het plangebied met als functies een goede doorstroming van het verkeer en de ontsluiting van de buurten, de daarbij behorende voorzieningen zoals parkeerplaatsen.
 
Wonen
De locaties die zijn aangewezen als 'Wonen' beschikken over de functies woningen met hun aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Bijbehorende achtertuinen, -erven en -terreinen behoren ook tot de functies. Binnen de bebouwingsbepalingen voor deze locaties is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen enerzijds en aan- en uitbouwen en bijgebouwen anderzijds. Het hoofdgebouw is het belangrijkste bouwwerk op het perceel, niet alleen qua bestemming maar ook qua bouwmassa. Daarnaast worden bijgebouwen gezien als bouwwerken die ruimtelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit.
Binnen Wonen is een aanvullende aanduiding opgenomen waarmee bepaald is dat de vergunningsvrije bouwmogelijkheden zoals deze in het Omgevingsplan opgenomen zijn niet van toepassing is op de gronden binnen het aanduidingsgebied.
 
Water
De oppervlaktewaterlichaam en watergangen in het plangebied zijn locaties die zijn aangewezen als 'Water'. Op deze locaties mogen geen bouwwerken en overkappingen gebouwd worden.
 
Waarde - Archeologie 2
De locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2' hebben, naast de andere voor die locatie aangewezen functies de functie voor het behouden van (mogelijke) archeologische waarden. Bij bodem ingrepen geldt het volgende: Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een oppervlakte meer dan 500 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.
   
Leiding - Water
De persleidingen in het plangebied zijn aangewezen als “Leiding - Water”. De regeling voorziet in de aanwezigheid van deze functie en in de  bescherming ervan. Binnen de op de kaart aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een plicht van een omgevingsvergunning opgenomen.
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
   
De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
 
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
 
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
 
Planspecifiek
Het initiatief heeft plaats voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De kosten voor de gemeente worden op de initiatiefnemer verhaald. Ten behoeve hiervan is een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten. Het ruimtelijk plan is financieel uitvoerbaar. Ook is er met de gemeente een planschadeovereenkomst gesloten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie.
 
Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.1 Omgevingstafel
Op 13 oktober 2023 heeft er een omgevingstafel plaatsgevonden met betrokkenen van de gemeente, de initiatiefnemer, het hoogheemraadschap, de omgevingsdienst en andere. Tijdens de omgevingsrafel wordt een toelichting van het concept plan op dat moment gegeven. Per thema worden er vragen en opmerkingen gemaakt om op te nemen in het volgende concept. De belangrijkste punten uit de omgevingstafel zijn:
  • Waar mogelijk wordt het plan aangepast op de opmerkingen van de stedenbouwkundige van de gemeente
  • Er komt een afspraak over de spuitzone
  • de parkeernorm wordt gecontroleerd
6.2.2 Intaketafel
Op 29 november 2023 heeft een intaketafel plaatsgevonden door betrokkenen van de gemeente Drechterland. Tijdens de intaketafel is het initiatief beoordeeld op meerdere punten. De conclusie van de intaketafel was 'Ja, mits'. Er werden meerdere onderdelen benoemd waar aandacht. Deze onderdelen waren:
 
• Creativiteit en meerwaarde
• hoeveelheid woningen
• spuitzones
• molenbiotoop
 
  
6.2.3 Participatie
Op 31 augustus 2023 zijn omwonenden en belanghebbenden per brief uitgenodigd voor een inloopavond om kennis te maken met de plannen en om vragen te stellen en opmerkingen te maken. Tijdens de inloopavond op 14 september 2023 waren de plannen te zien op verschillende borden. Bij elk bord was een projectbetrokkene aanwezig om informatie te geven over de ontwikkeling. Bij de inloopavond zijn ca. 45 personen aanwezig geweest.
 
Op dinsdagavond 9 juli 2024 heeft de tweede participatieavond plaatsgevonden. Omwonenden en belanghebbenden zijn opnieuw per brief uitgenodigd. Bij deze bijeenkomst waren ca. 50 bewoners aanwezig. Er is door de gemeente en de initiatiefnemer een presentatie gegeven over de plannen. Na de presentatie was er eerst collectief en daarna individueel gelegenheid voor het stellen van vragen. Ook kon men op de panelen met tekeningen ideeën en opmerkingen kwijt om mee te geven aan de gemeente en ontwikkelaar.
 
Op 20 mei 2025 heeft de derde participatieavond plaatsgevonden. Voor deze inloopavond zijn omwonenden en nabijgelegen bedrijven (totaal 127 adressen) uitgenodigd. Ongeveer 30 belangstellenden waren aanwezig. Op panelen is het aangepaste plan en de beoogde architectuur getoond. Op een groot scherm was een doorlopende presentatie met de planuitgangspunten en doorgevoerde planaanpassingen te zien. Het aangepaste plan is goed ontvangen. Er zijn vooral vragen gesteld over het vervolg en de planning voor de verkoop en bouw.
Daarnaast hebben diverse aanwezigen van de gelegenheid gebruik gemaakt om een voorkeur aan te geven voor de straatnamen in het plan. Door het College van B&W van de gemeente Drechterland zal te zijner tijd een straatnamen- en huisnummerbesluit worden genomen.
 
6.2.4 Vooroverleg
Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan is het plan voorgelegd aan de provincie Noord-Holland, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord.
     
Op de website www.participatie-molenhof.nl is van begin af aan alle informatie (tekeningen, verslagen, etc.) gezet en kan de voortgang worden gevolgd.
 
Op 19 september 2025 heeft het hoogheemraadschap gereageerd op de ontwerpversie van het TAM-omgevingsplan. Op basis van de reactie is er een tekstuele aanpassing gedaan aan paragraaf 4.11. Daarnaast is er als aandachtspunt benoemd dat het plangebied deels boven een persleiding van het hoogheemraadschap. Deze leiding dient verlegt te worden.
6.2.5 Zienswijze
Het TAM-omgevingsplan Molenhof Oosterblokker heeft van 13 oktober 2025 tot en met 26 november 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode van ter inzagelegging is er één zienswijzen ontvangen. Een naastgelegen bedrijf heeft een zienswijze ingediend in verband met de afstand tussen de beoogde woningen en het bedrijf. De zienswijze is na een gesprek en een toelichting ingetrokken. De toelichting is als bijlage toegevoegd (Buro SRO, d.d. 12 november 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 12). In de toelichting wordt duidelijk dat het bedrijf niet verder gehinderd wordt in zijn bedrijfsvoering door de beoogde ontwikkeling.