direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch
Plan: Krommenie
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0479.STED3763BP-0301

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven niet zijnde intensief;

en tevens voor:

  • b. dagrecreatief medegebruik;
  • c. verkoop van eigen (streekgebonden) producten, tot max, 50 m2;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. (openbare) nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • f. verkeersvoorzieningen;
  • g. water;
  • h. en overige voorzieningen ten behoeve van deze bestemming.
3.2 Bouwregels

Op en onder de in lid 3.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen:

3.2.1 Bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van agrarische bedrijven

Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van agrarische bedrijven gelden de volgende bepalingen:

  • a. alle bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan voorzover noodzakelijk voor de uitoefening ter plaatse van het bestaande agrarische bedrijf;
  • b. de bouwwerken dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.
3.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen ten behoeve van de uitoefening van agrarische bedrijven gelden de volgende bepalingen:

  • a. bedrijfsgebouwen mogen slechts voor één agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is ten hoogste de aangegeven maximale bouwhoogte toegestaan;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' is ten hoogste de aangegeven maximale goothoogte toegestaan.
3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. maximale bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van gebouwen mag niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. maximale bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 4 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 10 meter bedragen;
  • e. er mogen geen paardenbakken worden gebouwd.
3.3 Nadere eisen
3.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • b. het landschaps- en bebouwingsbeeld;

nadere eisen stellen aan de plaats en de omvang van bouwwerken.

3.3.2 Voorwaarde

Bij de afweging of er sprake is van een onevenredige aantasting van het landschaps- en bebouwingsbeeld worden de beeldkwaliteitseisen betrokken zoals geformuleerd in het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied d.d. 2 september 2009.