direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoofddorp Boslaan-Kruisweg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0394.TAMhfdboslkruisw-C001

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie 'Boslaan - Kruisweg' in Hoofddorp en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) van het omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1

Begripsbepalingen die op 1 januari 2024 zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, gelden voor dit TAM-omgevingsplan.

1.2

In aanvulling op lid 1 van dit artikel worden in dit TAM-omgevingsplan de volgende begripsbepalingen gehanteerd:

1.3 Plan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoofddorp Boslaan-Kruisweg met identificatienummer NL.IMRO.0394.TAMhfdboslkruisw-C001 van de gemeente Haarlemmermeer.

1.4 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer.

1.5 Aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsuitoefening

Het in of aan huis uitoefenen van (vrije) beroepen en/of het in of aan huis ontplooien van bedrijfsmatige activiteiten door de bewoner(s) van dat huis en maximaal één werknemer, die door de beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met overwegend behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.

1.6 Bed & breakfast

Een aan de woonfunctie ondergeschikte verblijfsvoorziening, bestaande uit het tegen betaling aanbieden van toeristisch en kortdurend verblijf in de woning en/of bijbehorende gebouwen. Een bed & breakfast wordt gerund door de hoofdbewoner(s) van de woning. De kamers ten behoeve van een bed & breakfast functioneren niet als zelfstandige wooneenheid.

1.7 Bedrijfswoning

Een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor bewoning door één huishouden waarvan de aanwezigheid gelet op de functie van een gebouw of terrein noodzakelijk is.

1.8 Dienstverleningsactiviteiten

Werkzaamheden bestaande uit het verlenen van economische en/of maatschappelijke diensten aan derden, met uitzondering van garagebedrijven en seksinrichtingen.

1.9 Huishouden

Een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.

1.10 Vakantieverhuur

Het verhuren van een (zelfstandige) woning of gedeelte daarvan voor toeristische doeleinden, waarbij geen van de bewoners aanwezig is.

1.11 Verbeelding

De verbeelding van het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoofddorp Boslaan-Kruisweg' met identificatienummer NL.IMRO.0394.TAMhfdboslkruisw-C001 van de gemeente Haarlemmermeer.

1.12 Werkingsgebied

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.13 Woning

Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.14 Zelfstandige woonruimte

Woonruimte die een eigen toegang heeft en die door één huishouden kan worden bewoond zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen (zoals badruimte, toilet en keuken) buiten de woonruimte.

Artikel 2 Toepassingsbereik

2.1 .

De besluiten op grond van artikel, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in lid 3 van dit artikel.

2.2 .

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, de regels in paragraaf 5.2.2.25, met uitzondering van Artikel 5.7, Artikel 5.8 en Artikel 5.9, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan, zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22a.

2.3 .

De regels in dit hoofdstuk 22a zijn van toepassing op de locatie 'Boslaan - Kruisweg', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0394.TAMhfdboslkruisw-C001.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Artikel 3 Paragraaf 4.1.2 Bouwen van een bouwwerk

3.1 Toepassing

Dit artikel gaat over het bouwen van een bouwwerk. 

3.2 Doelen

De regels in dit artikel hebben als doelen:  

  • a. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;  
  • b. het beschermen van het uiterlijk van een bouwwerk;  
  • c. het beschermen van het woon- en leefklimaat. 
3.4 Bijbehorend bouwwerk bouwen

Bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk wordt voldaan aan: 

3.5 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen

Bij het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde wordt voldaan aan: 

Artikel 4 Paragraaf 4.1.4 Cultureel erfgoed

4.1 Toepassing

Dit artikel gaat over het inperken van activiteiten in, op, aan en bij cultureel erfgoed. 

4.2 Doelen

De regels in dit artikel hebben als doel het behouden en beschermen van cultureel erfgoed.  

4.3 Beschermingsgebied archeologische waarden

Bij het verrichten van activiteiten in het werkingsgebied 'beschermingsgebied archeologische waarden 6' wordt voldaan aan artikel 13 [Paragraaf 5.2.4.2 Beschermingsgebied archeologische waarden].

Artikel 5 Paragraaf 4.1.14 Parkeernormen en laden en lossen

5.1 Toepassing

Dit artikel gaat over het in voldoende mate voorzien in ruimte voor het parkeren en stallen, en voor het laden en lossen van voertuigen, bij het gebruik van gronden en bouwwerken.

5.2 Doelen

De regels in dit artikel hebben als doelen het beschikbaar hebben en houden van voldoende ruimte voor parkeren en stallen, en voor het laden en lossen, van voertuigen.

5.3 Ruimte voor parkeren en stallen van voertuigen

Bij het verrichten van activiteiten wordt voldaan aan:

Artikel 6 Paragraaf 4.1.16 Wegen, water en overige openbare ruimte

6.1 Toepassing

Dit artikel gaat over activiteiten met betrekking tot wegen, water en overige gronden in de openbare ruimte.

6.2 Doelen

De regels in dit artikel hebben als doelen:

  • a. het waarborgen van de veiligheid;
  • b. het beschermen van de gezondheid;
  • c. het behoeden van de staat en werking van de openbare weg en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water;
  • d. het beheren van de infrastructuur;
  • e. het beheren van watersystemen;
  • f. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;
  • g. het bevorderen van een aantrekkelijke en bereikbare stad;
  • h. het behouden van een adequaat verkeers- en vervoersniveau;
  • i. het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; en
  • j. het bevorderen van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied.
6.3 Benutten van de openbare ruimte

Bij het verrichten van activiteiten in of met betrekking tot de openbare ruimte wordt voldaan aan:

Artikel 7 Paragraaf 4.2.7 Woongebied

7.1 Toepassing

Dit artikel gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken in het werkingsgebied 'gebiedstype Woongebied'. 

7.2 Doelen en waarden

De regels in dit artikel hebben als doelen: 

  • a. het waarborgen van de veiligheid; 
  • b. het beschermen van de gezondheid; 
  • c. het beschermen van het milieu; 
  • d. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; 
  • e. de kwaliteit van bouwwerken; 
  • f. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; 
  • g. het beperken van hinder; en 
  • h. het benutten van locaties en bouwwerken.  
7.3 Activiteiten met gebruiksruimte

  • 1. Binnen 'Gebiedstype woongebied' worden de volgende activiteiten met gebruiksruimte verricht: 

en op uitsluitend de daartoe aangewezen locaties: 

Hoofdstuk 3 Activiteiten

Artikel 8 Titel 5.1 Algemene bepalingen

8.1 Toepassing

1. Dit artikel gaat over algemene bepalingen voor het verrichten van activiteiten.

2. Met uitzondering van Artikel 8 is een artikel in hoofdstuk 3 van dit plan alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 2 van dit plan is bepaald.

8.2 Normadressaat

Aan de hoofdstukken 2 en 3 van dit plan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

8.3 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
8.4 Een toegestane activiteit

Een activiteit uit dit hoofdstuk is alleen toegestaan als er wordt voldaan aan de regels die gelden voor de activiteit.

Artikel 9 Paragraaf 5.2.2.1 Bouwwerk bouwen - algemeen

9.1 Toepassing
  • 1. Dit artikel gaat over: 
    • a. het bouwen van een hoofdgebouw; 
    • b. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk; 
    • c. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. 
  • 2. Onder het bouwen van een bouwwerk (een hoofdgebouw, een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk geen gebouw zijnde), wordt ook verstaan het uitbreiden of veranderen van een bouwwerk en het in stand houden van een bouwwerk. 
9.2 Doelen

De regels in dit artikel hebben als doelen: 

  • a. het beschermen van (landschappelijke en) stedenbouwkundige waarden; 
  • b. het beschermen van het woon- en leefklimaat. 
9.3 Meetbepalingen
  • 1. In hoofdstuk 3 van dit plan worden de waarden die daarin in meter of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten, tenzij in sub 2 van dit lid anders is bepaald:   
    • a. afstanden loodrecht;   
    • b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, die niet nodig zijn voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven;    
    • c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing blijven.    
    • d. voor de toepassing van onderdeel b wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.   
  • 2. In aanvulling op of in afwijking van sub 1 van dit lid, geldt de volgende wijze van meten:
    • a. afstand tussen bouwwerken onderling en tot perceelgrenzen: de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinste is;
    • b. bouwhoogte van een hoofdgebouw, bedrijfsgebouw of bedrijfswoning : de bouwhoogte wordt vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een hoofdgebouw, bedrijfsgebouw of bedrijfswoning, met uitzondering van verticaal uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter, gemeten; 
    • c. brutovloeroppervlak: het brutovloeroppervlak is de bebouwde oppervlakte van de afzonderlijke bouwlagen van een gebouw bij elkaar opgeteld, inclusief de bijzondere bouwlagen.
    • d. dakhelling: de dakhelling is de kleinste hoek langs het hellend dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;   
    • e. goothoogte van een gebouw: de goothoogte wordt vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot of de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel gemeten, waarbij de goot van dakkapellen, topgevels, trappenhuizen, liftkokers, schoorstenen en andere gelijksoortige bouwdelen buiten beschouwing worden gelaten;   
    • f. inhoud van een gebouw: de inhoud wordt tussen de onderzijde van de laagst gelegen vloer, de buitenzijde van de (denkbeeldige) gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen gemeten, met uitzondering van uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter;    
    • g. lengte en breedte van een gebouw: de lengte en breedte worden tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de (denkbeeldige) gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidsmuren) gemeten, met uitzondering van horizontaal uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter;  
    • h. oppervlakte van een gebouw: de oppervlakte wordt tussen de (denkbeeldige) buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk gemeten, met uitzondering van horizontaal uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard tot maximaal 1 meter;   
    • i. verticale diepte van een gebouw: de verticale diepte wordt vanaf het peil tot de onderkant van de vloer van de onderste bouwlaag met inbegrip van een bijzondere bouwlaag gemeten;
    • j. peil:

1°. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst is het peil de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

2°. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst is het peil de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

3°. voor een bouwwerk op een viaduct of brug is het peil de hoogte van de kruin van het viaduct of de brug ter plaatse van het bouwwerk;

4°. in afwijking van de onderdelen 1 tot en met 3 geldt voor een bouwwerk ter plaatse van het water dat het peil het zomerpeil of vaste peil is;

5°. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 4 is het peil de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;

  • 3. In hoofdstuk 3 van dit plan wordt onder zomerpeil of vaste peil van het water verstaan het zomerpeil of vaste peil zoals dat is vastgelegd door het bevoegd gezag in het geldende peilbesluit, met dien verstande dat indien sprake is van een dynamisch zomerpeil er wordt uitgegaan van de geldende bovengrens van dat zomerpeil.
  • 4. In hoofdstuk 3 van dit plan wordt onder uitstekende bouwonderdelen van ondergeschikte aard van een gebouw verstaan antennes, schoorstenen, bewassingsinstallaties, plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken en naar hun aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, beschouwd als zijnde van ondergeschikte aard.  

9.4 Samenvallende activiteiten

Voor zover een activiteit zoals bedoeld in artikel 8.1 geheel of gedeeltelijk samenvalt met een andere activiteit waarvoor op grond van het omgevingsplan regels gelden, dan zijn die regels op die andere activiteit onverkort van toepassing.  

9.5 Bouwen – ruimtelijke kenmerken – vergunningsvrij
  • 1. In aanvulling op overige regels in dit omgevingsplan geldt het verbod om te bouwen zonder vergunning, bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan, ook niet als:
    • a. het een gebouw is in de openbare ruimte ten behoeve van speelvoorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 4 meter en een oppervlakte van maximaal 10 m2;
    • b. het een gebouw is in de openbare buitenruimte voor verkeersafwikkeling met een bouwhoogte van maximaal 4 meter en een oppervlakte van maximaal 10 m2; of
    • c. het gebouw een bergbezinkbassin is met een verticale diepte van maximaal 4 meter.
  • 2. Sub 1 van dit lid geldt alleen als het is gelegen in een gebied dat, of een bouwwerk is dat, in de beleidsregel 'Nota uiterlijke kenmerken van gebouwen Haarlemmermeer 2021', of de opvolger daarvan, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 10 Paragraaf 5.2.2.5 Hoofdgebouw bouwen – vergunningplicht standaard

10.1 Toepassing
  • 1. Dit artikel gaat over de ruimtelijke kenmerken voor het bouwen van een hoofdgebouw.
  • 2. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning. 
10.2 Hoofdgebouw bouwen – ruimtelijke kenmerken – beoordelingsregels standaard
  • 1. Een omgevingsvergunning voor de ruimtelijke kenmerken van een hoofdgebouw wordt verleend als is voldaan aan de regels in het lid 3 van dit artikel.
10.3 Hoofdgebouw bouwen – ruimtelijke kenmerken
  • 1. Een hoofdgebouw wordt gebouwd in het werkingsgebied 'bouwvlak';
  • 2. Als een gebouw een woning is, is er maximaal 1 woning per bouwperceel;
  • 3. In afwijking van lid 1, worden in het werkingsgebied 'gestapelde woningbouw' gestapelde woningen gebouwd;
  • 4. De bouwhoogte van het hoofdgebouw is maximaal de met omgevingsnorm 'bouwhoogte' aangegeven hoogte.

Artikel 11 Paragraaf 5.2.2.6 Hoofdgebouw bouwen – beoordeling vergunningsplicht afwijken standaard

11.1 Toepassing
  • 1. Dit artikel gaat over de ruimtelijke kenmerken voor het bouwen van een hoofdgebouw.
  • 2. Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning. 
11.2 Hoofdgebouw bouwen – ruimtelijke kenmerken – beoordelingsregels afwijken standaard
  • 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw of een deel van het hoofdgebouw buiten het werkingsgebied 'bouwvlak' kan worden verleend als:
    • a. het niet gaan om een woning of een gebouw dat hoort bij een woning;
    • b. de gezamenlijke oppervlakte van (het) hoofdgebouw(en) buiten het bouwvlak per bouwperceel maximaal 20 m2 is;
    • c. de goothoogte maximaal 3 meter en de bouwhoogte maximaal 5 meter is;
    • d. het in het straat- en bebouwingsbeeld past; en
    • e. het geen onevenredige afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen.

Artikel 12 Paragraaf 5.2.2.14a Geluidgevoelig gebouw bouwen

12.1 Toepassing

Dit artikel gaat over het bouwen van een geluidgevoelig gebouw.

12.2 Geluidgevoelig gebouw bouwen – vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een geluidgevoelig gebouw te bouwen.

12.3 Geluidgevoelig gebouw bouwen – aanvullende aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw, worden aanvullend de volgende gegevens verstrekt: een akoestisch onderzoek naar geluidsbelasting op het gebouw vanwege wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie.

12.4 Geluidgevoelig gebouw bouwen – beoordelingsregel
  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw wordt verleend indien een akoestisch onderzoek wordt overlegd waaruit blijkt dat kan worden voldaan aan de standaardwaarde uit de tabel die is opgenomen in artikel 5.78t Besluit kwaliteit leefomgeving.
  • b. In afwijking van sub a. van dit lid, het eerste lid van dit artikel, wordt in het werkingsgebied 'grenswaarde geluid wegverkeer” indien niet wordt voldaan aan de standaardwaarde, een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw verleend indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat:
    • 1. Dat kan worden voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A) voor de geluidbelasting vanwege gemeentelijke wegen.
    • 2. Dat elke woning minimaal één geluidluwe gevel heeft waarop de geluidbelasting vanwege gemeentelijke wegen niet hoger is dan de standaardwaarde.

Artikel 13 Paragraaf 5.2.4.2 Beschermingsgebied archeologische waarden

13.1 Toepassing

Dit artikel gaat over het verrichten van activiteiten die archeologische waarden raken in het werkingsgebied 'beschermingsgebied archeologische waarden 6'.

13.2 Archeologische waarden - activiteiten

In het werkingsgebied 'beschermingsgebied archeologische waarden 6' worden de archeologische waarden bij het verrichten van activiteiten beschermd.

13.3 Archeologische waarden – voorrangsregels

Als de inhoud van een ander onderdeel van dit plan in strijd is met een onderdeel van dit artikel dan gaat het onderdeel in dit artikel voor.

13.4 Archeologische waarden – verbod bouwen bouwwerk

Het is verboden om in het werkingsgebied 'beschermingsgebied archeologische waarden 6' te bouwen.

13.5 Archeologische waarden – bouwen bouwwerk – waarde 6

1. Het verbod in lid 4 van dit artikel, geldt niet in het werkingsgebied 'beschermingsgebied archeologische waarden 6' als:

  • a. bij het bouwen van een bouwwerk wordt voldaan aan regels over bouwen in dit omgevingsplan en in dit plan;
  • b. een archeologisch rapport is verstrekt waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • c. uit het archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden door het bouwen:
    • 1. niet worden geschaad; of
    • 2. kunnen worden geschaad maar dit kan worden voorkomen door:
      • het treffen van maatregelen voorafgaand aan of bij het bouwen die zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem of het doen van opgravingen; of
      • het laten begeleiden van het bouwen door een archeologisch deskundige.

2. In afwijking van sub 1 van dit lid, geldt sub 1, onder b en c, niet als het om het bouwen van een bouwwerk gaat:

  • a. dat een legaal bouwwerk vervangt, vernieuwd of verandert;
    • 1. de bebouwde oppervlakte op of onder peil niet wordt uitgebreid; en
    • 2. de bestaande fundering wordt gebruikt;
  • b. waarbij de oppervlakte van de graafwerkzaamheden maximaal 10.000 m2 is; of
  • c. waarbij de diepte van de graafwerkzaamheden maximaal 0,4 meter is.

13.6 Archeologische waarden – vergunningplicht – uitvoeren werkzaamheden en werken

1. In afwijking van de regels in dit omgevingsplan over andere ter plaatse toegedeelde functies is het verboden zonder omgevingsvergunning in het werkingsgebied 'beschermingsgebied archeologische waarden 6' de volgende werkzaamheden of werken uit te voeren:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren en diepploegen van gronden;
  • b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen als:
    • 1. er een gerede kans op het zijwaarts in de bodem dringen van bouwmateriaal is zoals bij grondinjectie of door het uitzakken van gegoten beton;
    • 2. De verwachte verstoring door funderingspalen, al of niet plaatselijk, 1% of meer van de af te graven oppervlakte is;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanbrengen van drainage; en
  • f. het aanleggen van leidingen.

2. Van een verwachte verstoring als bedoeld in sub 1 van dit lid, onder b, sub 2, is in ieder geval sprake als de afstand tussen de funderingspalen kleiner is dan:

  • a. 30 maal de diameter bij grondverdringende palen; en
  • b. 10 maal de diameter bij grondvervangende palen.

3. Sub 1 van dit lid, geldt niet in het werkingsgebied 'archeologische waarden 6' als het om werkzaamheden of werken gaat:

  • a. voor archeologisch onderzoek;
  • b. die nodig zijn bij het bouwen van een bouwwerk dat voldoet aan dit artikel;
  • c. die een oppervlakte hebben van maximaal 10.000 m2; of
  • d. die een diepte hebben van maximaal 0,4 meter.

13.7 Archeologische waarden – beoordelingsregels

1. Een omgevingsvergunning als bedoeld in sub 1 van lid 6 van dit artikel, voor het uitvoeren van werkzaamheden of werken, kan alleen worden verleend als:

  • a. met een archeologisch rapport is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. een archeologisch rapport is verstrekt waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • c. uit het archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden voor het bouwen:
    • 1. niet worden geschaad; of
    • 2. kunnen worden geschaad maar dit kan voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden:
      • die zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem of het doen van opgravingen; of
      • door het laten begeleiden van werkzaamheden of werken door een archeologisch deskundige.

Artikel 14 Afdeling 5.2.13 Ondersteunende activiteit

14.1 Toepassing

1. Dit artikel gaat over een ondersteunende activiteit aan een activiteit (hoofdactiviteit) met gebruiksruimte.

2. Dit artikel geldt niet bij de activiteit wonen.

14.2 Ondersteunende activiteit - algemeen

1. Een ondersteunende activiteit bij een activiteit met gebruiksruimte kan worden verricht als:

  • a. de ondersteunende activiteit maximaal 25% van het totale brutovloeroppervlak met een maximum van 150 m2 is;
  • b. de openingstijden van de ondersteunende activiteit binnen die van de hoofdactiviteit vallen;
  • c. de toegang alleen plaatsvindt via de hoofdingang van de hoofdactiviteit; en
  • d. het laden, lossen en parkeren plaatsvindt op eigen terrein.

Artikel 15 Paragraaf 5.2.15.1 Parkeernormen en laden en lossen

15.1 Toepassing

Dit artikel gaat over het gaat over het in voldoende mate voorzien in ruimte voor het parkeren en stallen en voor het laden en lossen van voertuigen, bij het gebruik van gronden en bouwwerken. 

15.2 Parkeernormen voor vergunningplichtige activiteiten - beoordelingsregel
  • 1. Voor activiteiten die het gebruik van gronden en bouwwerken of de omvang van het gebruik op gronden en van bouwwerken wijzigen en waarvoor op grond van dit plan een verbod behoudens omgevingsvergunning geldt,
    • a. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor voertuigen; en
    • b. wordt op eigen terrein in voldoende mate ruimte gereserveerd, ingericht en in stand gehouden voor het parkeren en stallen en voor het laden en lossen van voertuigen.
  • 2. Van voldoende parkeergelegenheid als bedoeld in sub 1 van dit lid, is sprake als wordt voldaan aan het 'Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018 (herziening 2025)' of de daarna geldende regeling waarin parkeernormen zijn vastgelegd.
15.3 Specifieke aanvraagvereiste parkeren

Bij een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in lid 2 van dit artikel, worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

15.4 Maatwerkvoorschriften

Bij toepassing van lid 2 van dit artikel kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden die nodig zijn om het behoud van een voldoende aantal parkeerplaatsen te waarborgen.

15.5 Beleidsregels en peildatum

Het bevoegd gezag past de in sub 2 van lid 2 genoemde regels toe met inachtneming van de beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

15.6 Afwijken parkeerregeling

Het bevoegd gezag kan afwijken van lid 2 van dit artikel, als:

  • a. op een andere wijze dan op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor het laden en lossen van voertuigen ;
  • b. sprake is van een legaal bestaand gebouw of van legaal bestaande gebouwde parkeervoorzieningen en het voldoen aan de parkeernorm op overwegende bezwaren stuit; of
  • c. het voldoen aan het Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018 (herziening 2025) of de daarna geldende regeling waarin parkeernormen zijn vastgelegd door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Artikel 16 Afdeling 5.2.17 Wegen, water en overige openbare ruimte

16.1 Toepassing

Deze afdeling gaat over activiteiten met betrekking tot wegen, water en overige gronden in de openbare ruimte.

16.2 Activiteiten in en met betrekking tot de openbare ruimte

In en met betrekking tot de openbare ruimte worden de volgende activiteiten verricht:

  • a. het aanleggen en beheren van openbaar groen; 
  • b. aanleg en beheer van verharding;
  • c. aanleg en beheer van water en een waterhuishoudkundige voorzieningen, met inbegrip van bergbezinkbassins;
  • d. aanleg en beheer van kabels en leidingen;
  • e. aanleg en beheer van luchtkwaliteitsschermen;
  • f. activiteiten met betrekking tot verkeer en verblijf;
  • g. bedrijfsactiviteiten met betrekking tot nutsvoorzieningen;
  • h. spelen en sporten en ontspannen;
  • i. uiten van kunst;
  • j. uiten van reclame.
16.3 Groenstrook – inperking bouwen en aanleggen

1. In het werkingsgebied 'groenstrook' is het bepaalde in artikel 22.36 van dit omgevingsplan en het bepaalde in artikel 9.5 van dit plan niet van toepassing;

2. In het werkingsgebied 'groenstrook' is het aandeel verharding niet meer dan 25% van de gronden.

Artikel 17 Paragraaf 5.3.3.1 Bedrijfsactiviteit – geen vergunningplicht

17.1 Toepassing

1. Dit artikel gaat over het verrichten van bedrijfsactiviteiten.
2. Dit artikel gaat niet over regels met betrekking tot milieu als bedoeld in hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan

17.2 Algemene regels bedrijfsactiviteiten met uitzondering van bijzondere activiteiten

1. In het werkingsgebied 'bedrijfsactiviteit' worden bedrijfsactiviteiten verricht.

2. Artikel 5, eerste lid, geldt niet voor:

  • a. ativiteiten die een risicobron zijn als bedoeld in afdeling 5.1. van en bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • b. activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in paragraaf 5.4.5 van en Bijlage VIII bij het Besluit activiteiten leefomgeving;  
  • c. een datacenter; 
  • d. een garagebedrijf; 
  • e. verkooppunt van motorbrandstoffen; en
  • f. een andere activiteiten die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is.

3. In het werkingsgebied 'bedrijf – categorie 2' worden bedrijfsactiviteiten verricht tot maximaal bedrijfscategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten behorend bij dit omgevingsplan.

Artikel 18 Afdeling 5.3.7 Dienstverleningsactiviteit – geen vergunningplicht

18.1 Toepassing

Dit artikel gaat over het verrichten van zelfstandige dienstverleningsactiviteiten.

18.2 Dienstverlenende activiteit - Algemeen

In het werkingsgebied 'dienstverleningsactiviteiten' worden zelfstandige dienstverlenende activiteiten verricht.

Artikel 19 Afdeling 5.3.10 Maatschappelijke activiteit – geen vergunningplicht

19.1 Toepassing

1. Dit artikel gaat over het verrichten van zelfstandige maatschappelijke activiteiten.
2. Bij de toepassing van dit artikel worden onder maatschappelijke activiteiten verstaan activiteiten gericht op educatie, kinderopvang, buitenschoolse opvang, verenigingsleven, gezondheidszorg, welzijn, levensbeschouwing en openbare dienstverlening.

19.2 Maatschappelijke activiteit - algemeen
  • 1. In het werkingsgebied 'Maatschappelijke activiteiten' worden zelfstandige maatschappelijke activiteiten verricht.

Artikel 20 Afdeling 5.3.14 Wonen

20.1 Toepassing 

1. Dit artikel gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen.
2.Dit artikel gaat over het verrichten van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit.
3. Dit artikel gaat over het gebruik van een woning voor toeristisch verblijf.

20.2 Geen omgevingsvergunning voor functietoedeling

Als bij wonen wordt voldaan aan dit artikel is geen omgevingsvergunning nodig voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor wonen.

20.3 Wonen - algemeen

1. In het werkingsgebied 'wonen' wordt in een woning gewoond.

2. In een woning woont maximaal één huishouden.

20.4 Wonen - aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

1. Bij een woning kan een aan huis verbonden beroep- of bedrijfsactiviteit worden verricht als:

a. deze wordt verricht in een woning of in een bijbehorende bouwwerk; 

b. degene die de activiteit verricht zijn vaste woon- en verblijfsplaats in de woning heeft;
c. het geen horeca-activiteit is;

d. het niet om seksuele dienstverlening gaat;

e. de activiteit maximaal bedrijfscategorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is;

f. de activiteit niet leidt tot geluidhinder of geurhinder;
g. het vloeroppervlakte voor de activiteit maximaal 40% van het brutovloeroppervlak van de woning en bijbehorende bouwwerken is, tot maximaal 50 m2; en  

h. het geen detailhandel is, tenzij dit ondergeschikt is aan de beroeps- of bedrijfsactiviteit.   

20.5 Wonen - woningdelen voor kamerverhuur 

In afwijking van lid 3, sub 3, van dit artikel, kan in een woning ook onzelfstandige woonruimte aanwezig zijn voor verhuur aan een persoon buiten het huishouden van de hoofdbewoner als:   

a. de hoofdbewoner zijn vaste woon- of verblijfplaats in de woning heeft;   

b. het huishouden van de hoofdbewoner minimaal 60 % van het vloeroppervlak van de woning zelf bewoont;    
c. er maximaal twee onzelfstandige woonruimten in de woning worden verhuurd; en 
d. er per verhuurde onzelfstandige woonruimte maximaal één bewoner is.      

20.6 Woningdelen voor particuliere vakantieverhuur 

Een woning kan als toeristisch verblijf voor vakantieverhuur worden gebruikt als:  
a. de woning een zelfstandige woonruimte is;    
b. de hoofdbewoner zijn vaste woon- of verblijfplaats in de woning heeft;    
c. de vakantieverhuur maximaal 30 dagen per jaar plaatsvindt; en 
d. er aan maximaal 6 personen per nacht onderdak wordt verleend.