direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan H22E Lange Muiderweg 16 Weesp
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0363.W2401OPSTD-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Algemeen

1.1 Begripsbepalingen
  • 1. In aanvulling op artikel 1.1 van de hoofdregeling, gelden voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan de volgende begripsbepalingen:

 

  • a. TAM-omgevingsplan H22E Lange Muiderweg 16 Weesp: de onderhavige wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam die volgens de technische standaarden van IMRO tot stand komt.

  • b. Besluitgebied van dit TAM-Omgevingsplan: het besluitgebied waarvan de geometrisch bepaalde begrenzing is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0363.W2401OPSTD-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

  • c. Hoofdregeling: Het regelingdeel Omgevingsplan gemeente Amsterdam, vindbaar op https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR696291, en raadpleegbaar via de viewer Regels op de kaart onder de naam Omgevingsplan gemeente Amsterdam, of identificatienummer/akn/nl/act/gm0363/2020/omgevingsplan.

  • d. Cultuurhistorische waarden: de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik, dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.

  • e. Landschappelijke waarden: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, cultuurhistorische en ruimtelijke esthetische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang, een en ander zoals beschreven in de toelichting.

  • f. Natuurlijke waarden: de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang een en ander zoals beschreven in de bij dit bestemmingsplan behorende toelichting.

  • 2. Voor zover een begripsbepaling, opgenomen in lid 1.1, onder 1, afwijkt van een begripsbepaling, bedoeld in artikel 1.1 van het onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam dat in het Omgevingsloket vindbaar is onder de naam "Omgevingsplan gemeente Amsterdam", met identificatienummer /akn/nl/act/gm0363/2020/omgevingsplan, is de in het eerste lid bedoelde begripsbepaling van toepassing op dit TAM-omgevingsplan.

1.2 Positie binnen het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, toepassingsbereik
  • 1. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam.
  • 2. De regels van dit TAM-omgevingsplan gelden deels in aanvulling en deels ter vervanging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam en uitsluitend binnen het besluitgebied van dit TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 GEBRUIKSDOEL VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN, REGELS OVER GEBRUIK

Artikel 2 Algemene regels

2.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk heeft betrekking op het gebruiksdoel van gronden en bouwwerken en het gebruik van gronden en bouwwerken.

Artikel 3 Gebruiksdoel: agrarisch bedrijf - veehouderij en paardenfokkerij

3.1 Toepassingsbereik
  • 1. Dit artikel is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: agarisch bedrijf - veehouderij en paardenfokkerij'.
  • 2. Dit artikel geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: agarisch bedrijf - veehouderij en paardenfokkerij'.
3.2 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: agrarisch bedrijf - veehouderij en paardenfokkerij', toegestaan gebruik

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: agrarische bedrijven veehouderij of paardenfokkerij' hebben als gebruiksdoel veehouderij en paardenfokkerij en mogen worden gebruikt ten behoeve van het uitoefenen van een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij of een paardenfokkerij.

3.3 Beperking met betrekking tot intensieve veehouderijen

De uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een intensieve veehouderij is niet toegestaan.

3.4 Beperking met betrekking tot opslag

Opslag is niet toegestaan.

3.5 Beperking met betrekking tot paardenbakken

Paardenbakken zijn niet toegestaan.

3.6 Beperking met betrekking tot de teelt van ruwvoedergewassen

De teelt van ruwvoedergewassen is toegestaan tot maximaal 10% van de gronden behorende bij een agrarisch bedrijf waarbij de gronden duurzaam in gebruik zijn en de teelt bedoeld is voor de eigen bedrijfsvoering. Tot gronden die duurzaam in gebruik zijn behoren zowel de gronden die in eigendom zijn als gronden die langdurig via huur of pacht deel uitmaken van het bedrijf.

Artikel 4 Gebruiksdoel: groen

4.1 Toepassingsbereik
  • 1. Dit artikel is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'.
  • 2. Dit artikel geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen'.
4.2 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik
  • 1. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' hebben als gebruiksdoel:
    • a. het realiseren, in stand houden en gebruiken van groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.
    • b. met dien verstande dat de gronden in het werkingsgebied van dit plan uitsluitend bestemd zijn voor weideland.
  • 2. Tenzij elders in dit TAM-omgevingsplan of de hoofdregeling anders is bepaald zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mede bedoeld voor het realiseren van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken:
    • a. vijvers, sloten, waterlopen, waterwegen en overige waterpartijen met bijbehorende beschoeiingen, (aanleg)steigers, bruggen en daarmee vergelijkbare naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken die zich verdragen met het in het tweede lid, gestelde doel;
    • b. nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;
    • c. waterstaatkundige werken.
  • 3. Bij het realiseren van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit TAM-omgevingsplan en hoofdregeling gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.
  • 4. Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.

Artikel 5 Gebruiksdoel: wonen

5.1 Toepassingsbereik
  • 1. Dit artikel is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'.
  • 2. Dit artikel geldt ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen'.
5.2 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen', toegestaan gebruik
  • 1. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: wonen' hebben als gebruiksdoel wonen, en mogen worden gebruikt ten behoeve van wonen.
  • 2. Een ander gebruik van woonruimte dan voor wonen is uitsluitend toegestaan voor zover dit in dit artikel is aangegeven en met inachtneming van de daarvoor geldende regels.
5.3 Omvang en situering van wonen

Ter plaatse van de aanduiding ' maximum aantal wooneenheden' is het maximum aantal woningen de daar bepaalde waarde.

5.4 Specifieke regels over het gebruik van het bij een woonruimte behorend erf
  • 1. Het is verboden een bij een woonruimte behorend bijgebouw te gebruiken voor bewoning.
  • 2. Het is verboden een motorrijtuig op het bij een woonruimte behorend gebouwerf te parkeren, tenzij dit plaatsvindt:
    • a. binnen een bouwwerk dat klaarblijkelijk is bedoeld voor het parkeren van een motorrijtuig; of
    • b. buiten een daartoe klaarblijkelijk bedoeld bouwwerk, voor zover de bestaande inrichting van de openbare ruimte en de aansluiting van het erf op de openbare weg hieraan niet in de weg staan.
  • 3. Het in het tweede lid opgenomen verbod is niet van toepassing op een motorrijtuig op twee wielen of op een gehandicaptenvoertuig, bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
5.5 Uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis
  • 1. Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan, maar uitsluitend voor zover:
    • a. het gebruik van de woonruimte en het erf ten behoeve van bewoning overheersend blijft; en
    • b. het beroep of bedrijf aan huis door de bewoner zelf wordt uitgeoefend.
  • 2. Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis dat gepaard gaat met geluidhinder of geurhinder is niet toegestaan.
  • 3. Het uitoefenen van bedrijfsmatige seksuele dienstverlening is niet toegestaan.
  • 4. Op degene die een beroep of bedrijf aan huis uitoefent berust de bijzondere zorgplicht datgene in het werk te stellen wat redelijkerwijze kan worden verlangd om hinder op de woonomgeving als gevolg van de uitoefening van het beroep of bedrijf aan huis te voorkomen.
  • 5. Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen over de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis om onaanvaardbare hinder voor het woon- en leefklimaat tegen te gaan.
5.6 Short stay

Het gebruik van woonruimte voor short stay is niet toegestaan.

5.7 Garageboxen

Het gebruik van gronden en bouwwerken voor garageboxen is niet toegestaan.

5.8 Het gebruik van woonruimte of bijbehorende opstallen voor bed and breakfast
  • 1. Het is verboden woonruimte te gebruiken voor Bed and Breakfast, tenzij daarvoor de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde vergunning is verleend, en uitsluitend voor de duur van die vergunning.
  • 2. Het is verboden bij woonruimte behorende bijgebouwen te gebruiken voor Bed and Breakfast.
5.9 Het gebruik van woonruimte of bijbehorende opstallen voor kamerverhuur

Woonruimte is uitsluitend toegestaan in de vorm van zelfstandige woonruimte, tenzij:

  • 1. de woonruimte is gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor zover die vergunning voorziet in het realiseren van onzelfstandige woonruimten; of
  • 2. de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde omzettingsvergunning is verleend; of
  • 3. het een omzetting naar een onzelfstandige woning betreft die in de Huisvestingsverordening is vrijgesteld van vergunningplicht als bedoeld in artikel 21 lid 1 onder c van de Huisvestingwet.
5.10 Woningvorming

Het is verboden een woonruimte te verbouwen tot twee of meer woonruimten, tenzij daarvoor de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde woningvormingsvergunning is verleend.

Hoofdstuk 3 OVERIGE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN

Artikel 6 Inrichting en gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf, erfbebouwing

  • 1. Het gebruik van het bij een hoofdgebouw behorend erf is in overeenstemming met een in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan aan een locatie gegeven gebruiksdoel.
  • 2. Onder het gebruik van een bij een hoofdgebouw behorend erf dat in overeenstemming is met een in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan aan een locatie gegeven gebruiksdoel wordt verstaan een inrichting en gebruik op een wijze die naar algemene maatstaven als een normale inrichting en gebruik van het bijbehorende erf wordt beschouwd.

Artikel 7 Beperkingen vanwege provinciaal landschap en werelderfgoed

7.1 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1. Dit artikel is gericht op de bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten van het provinciaal beschermd landschap ter plaatse van de aanduiding 'beschermd landschap Vechtstreek-Noord' .
  • 2. Dit artikel is gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde van de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, ter plaatse van aanduiding 'erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'.
7.2 Gebodsbepaling - Provinciaal landschap

Ter plaatse van de aanduiding 'beschermd landschap Vechtstreek-Noord' zijn het erf en de tuin bij een hoofdgebouw binnen 1 jaar na de gereedmelding bouwactiviteit volgens artikel 2.21 Besluit bouwwerken leefomgeving van het desbetreffende hoofdgebouw, ingericht in overeenstemming met het 'Erfinrichtings- en landschappelijk inpassingsplan' in Bijlage 1 van dit TAM-omgevingsplan, en worden deze vervolgens in overeenstemming met dit plan in stand gehouden.

7.3 Gebodsbepaling - Erfgoed uitzonderlijke universele waarde

Ter plaatse van de aanduiding 'erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' zijn het erf en de tuin bij een hoofdgebouw binnen 1 jaar na de gereedmelding bouwactiviteit volgens artikel 2.21 Besluit bouwwerken leefomgeving van het desbetreffende hoofdgebouw, ingericht in overeenstemming met het 'Erfinrichtings- en landschappelijk inpassingsplan' in Bijlage 1 van dit TAM-omgevingsplan, en worden deze vervolgens in overeenstemming met dit plan in stand gehouden.

Hoofdstuk 4 BOUWWERKEN

Artikel 8 Beperkingen vanwege provinciaal landschap en werelderfgoed

8.1 Provinciaal beschermd landschap

Artikel 5.8, aanhef en onder a, van de hoofdregeling gemeente Amsterdam is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beschermd landschap Vechtstreek-Noord'.

8.2 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde

Artikel 5.8, aanhef en onder a, van de hoofdregeling gemeente Amsterdam is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'.

Artikel 9 Gebouwen

9.1 Waar bovengrondse gebouwen zijn toegestaan
  • 1. Een bovengronds gebouw is, tenzij elders in dit TAM-omgevingsplan of de hoofdregeling anders is bepaald, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'.
  • 2. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bestaande bordessen, erkers, galerijen, luifels, buitentrappen, pothuizen en balkons en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, voor zover die legaal zijn gerealiseerd. Deze mogen in stand worden gehouden en binnen de bestaande afmetingen worden vernieuwd.
9.2 Waar ondergrondse gebouwen zijn toegestaan en tot welke verticale bouwdiepte

Een ondergronds gebouw is uitsluitend toegestaan voor zover het een legaal gebouwd bestaand ondergronds gebouw betreft, met de bestaande omvang en bestaande verticale bouwdiepte ervan als maximum omvang en maximum verticale bouwdiepte.

9.3 Bouwhoogte van gebouwen
  • 1. Tenzij elders in dit TAM-omgevingsplan of de hoofdregeling anders is bepaald, is voor een bovengronds gebouw de bestaande bouwhoogte ervan de maximum bouwhoogte.
  • 2. In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)', de maximum bouwhoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.
9.4 Goothoogte van gebouwen
  • 1. Tenzij elders in dit TAM-omgevingsplan of de hoofdregeling anders is bepaald, is voor een bovengronds gebouw de bestaande goothoogte ervan de maximum goothoogte.
  • 2. In afwijking van het eerste lid is ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)', de maximum goothoogte van een gebouw in meters de daar bepaalde waarde.
9.5 Kelders

Onder gebouwen met het gebruiksdoel wonen en daarbij behorende aan- en uitbouwen mogen kelders worden gebouwd, met dien verstande, dat:

  • a. de kelder loodrecht onder de woning en/of daarbij behorende aan- en uitbouwen wordt gebouwd;
  • b. de maximale diepte van de kelder, gemeten vanaf de onderkant begane grond, 4 meter bedraagt;
  • c. voorkomende archeologische waarden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beschermingszone archeologie' niet onevenredig mogen worden verstoord.

Artikel 10 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

De maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde bedraagt 1 meter.

Hoofdstuk 5 AANLEGACTIVITEITEN (HET UITVOEREN VAN EEN WERK, GEEN BOUWWERK ZIJNDE, OF VAN EEN WERKZAAMHEID

Artikel 11 Algemeen toepassingsbereik

11.1 Aanlegactiviteit

Dit hoofdstuk heeft betrekking op het verrichten van een aanlegactiviteit.

11.2 Activiteiten in het kader realiseren bouwwerk

Onverminderd afdeling 4.2 van de hoofdregeling is dit hoofdstuk onverkort van toepassing op de aangewezen activiteiten als die plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.

Artikel 12 Vergunningsplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone archeologie'

 

12.1 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1. Deze afdeling is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit het verstoren van de bodem door: a. het uitvoeren van grondbewerkingen onder maaiveld of indien het water betreft dieper dan de waterbodem, waartoe onder meer wordt gerekend het ophogen, ontgraven, egaliseren, roeren en omwoelen van gronden;
    • a. het aanbrengen van drainage;
    • b. het aanleggen en verbreden van wateren;
    • c. het wijzigen van het waterpeil;
    • d. het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen;
    • e. het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.
  • 2. Deze afdeling geldt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beschermingszone archeologie'.
  • 3. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van archeologische verwachtingswaarden.

12.2 Vergunningsplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beschermingszone archeologie' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone te verrichten.

12.3 Uitzondering op de vergunningplicht
  • 1. Het verbod, bedoeld in 12.2, geldt niet als de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.
  • 2. Het verbod, bedoeld in 12.2, geldt niet als de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.
  • 3. Het verbod, bedoeld in 12.2, geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlak vergunningvrije bodemverstoring (m2)', en het oppervlak van de bodemverstoring niet groter is dan de daar in vierkante meters bepaalde waarde.
  • 4. Het verbod, bedoeld in 12.2, geldt niet als de daar bedoelde activiteiten plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'maximum diepte vergunningvrije bodemverstoring (m)', en de bodemverstoring niet dieper gaat dan dan de daar in meters bepaalde waarde.

12.4 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt alleen verleend als het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, bedoeld in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zich daartegen niet verzet.

12.5 Aanvraagvereisten
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld.
  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het college reeds over voldoende informatie beschikt om de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate vast te stellen, en dit schriftelijk aan de aanvrager is medegedeeld. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone wordt deze schriftelijke mededeling verstrekt.

12.6 Vergunningvoorschriften

  • 1. Met het oog op het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische vindplaatsen kunnen aan een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit archeologische beschermingszone voorschriften worden verbonden.
  • 2. Een voorschrift als bedoeld in het eerste lid kan in elk geval inhouden:
    • a. de verplichting tot het doen van aanvullend archeologisch onderzoek;
    • b. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische vindplaatsen fysiek worden behouden;
    • c. de verplichting tot het indienen van een programma van eisen, met betrekking tot het onder a en b gestelde;
    • d. de verplichting dat pas begonnen wordt met aanvullend archeologisch onderzoek, bedoeld onder a, nadat het college het programma van eisen, bedoeld onder c, heeft vastgesteld.
  • 3. Als aan de vergunning het voorschrift is verbonden tot het doen van aanvullend archeologisch onderzoek als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt aan de vergunning tevens het voorschrift verbonden dat het college tijdens het aanvullend archeologisch onderzoek aanwijzingen kan geven over de uitvoering van het archeologisch onderzoek, en dat de aanwijzingen van het college in acht worden genomen.

Artikel 13 Vergunningsplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'beschermd landschap Vechtstreek-Noord'

13.1 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit werken of werkzaamheden die de aanwezige waarden van het provinciaal beschermd landschap kunnen aantasten door:
    • a. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • b. het ontginnen, mengen, woelen, bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de grond;
    • c. het aanleggen van bos, boomgaard en bomenrij;
    • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatie-leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • e. het bemalen of draineren van de grond, alsmede het winnen, toevoeren, afdammen of stuwen van water;
    • f. het aanleggen van water(lopen) of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaand(e) water(lopen);
    • g. het scheuren van grasland;
    • h. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas en rietgewassen;
    • i. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen of kaden;
    • j. het aanleggen van dijken of andere taluds of het vergraven of ontgraven van reeds bestaande dijken of taluds.
  • 2. Dit artikel geldt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beschermd landschap Vechtstreek-Noord'.
  • 3. De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beschermd landschap Vechtstreek-Noord'.
13.2 Vergunningsplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - beschermd landschap Vechtstreek-Noord' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit zoals genoemd in lid 13.1, eerste lid, te verrichten.

13.3 Uitzondering op de vergunningsplicht

Het verbod bedoeld in lid 13.2, geldt niet als:

  • a. de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.
  • b. de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.
13.4 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd landschap Vechtstreek-Noord wordt alleen verleend indien het belang, bedoeld in artikel 13.1, derde lid, zich daartegen niet verzet.

13.5 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermd landschap Vechtstreek-Noord worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op de waarden van het beschermde landschap;
  • b. de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;
  • c. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en
  • d. de te gebruiken materialen.

Artikel 14 Vergunningsplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde '

14.1 Toepassingsbereik en oogmerk
  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanlegactiviteit, voor zover die bestaat uit werken of werkzaamheden die de aanwezige erfgoederen van universele waarde kunnen aantasten door:
    • a. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • b. het ontginnen, mengen, woelen, bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de grond;
    • c. het aanleggen van bos, boomgaard en bomenrij;
    • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatie-leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    • e. het bemalen of draineren van de grond, alsmede het winnen, toevoeren, afdammen of stuwen van water;
    • f. het aanleggen van water(lopen) of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaand(e) water(lopen);
    • g. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas en rietgewassen;
    • h. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen of kaden;
    • i. het aanleggen van dijken of andere taluds of het vergraven of ontgraven van reeds bestaande dijken of taluds.
  • 2. Dit artikel geldt ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'.
  • 3. De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'.
14.2 Vergunningplicht voor aangegeven aanlegactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' is het verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit zoals genoemd in lid 14.1 te verrichten.

14.3 Uitzondering op de vergunningplicht

Het verbod bedoeld in lid 14.2, geldt niet als:

  • e. de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen.
  • f. de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.
14.4 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde wordt alleen verleend indien het belang, bedoeld in artikel 14.1, derde lid, zich daartegen niet verzet.

14.5 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een omschrijving van de voorgenomen activiteiten en de effecten van de activiteiten op de waarden van het beschermde erfgoed van uitzonderlijke universele waarde;
  • b. de specifieke locatie waar het werk of de werkzaamheid zal worden uitgevoerd;
  • c. de afmetingen van het werk of de omvang van de werkzaamheid; en
  • d. de te gebruiken materialen.

Hoofdstuk 6 SLOTBEPALINGEN

Artikel 15 Citeertitel

Dit TAM-omgevingsplan wordt aangehaald als: TAM-omgevingsplan H22E Lange Muiderweg 16 Weesp.