direct naar inhoud van 11.2 Natuurtoets
Plan: Zuidelijke binnenstad
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0363.A1006BPSTD-OH01

11.2 Natuurtoets

De Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam heeft in maart 2011 een natuurtoets uitgevoerd. De volledige tekst van de toets is opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting op het bestemmingsplan. Een korte samenvatting is hieronder opgenomen.

Uit de natuurtoets wordt duidelijk of de natuurwetgeving consequenties heeft voor het bestemmingsplan. Voor het plangebied Zuidelijke binnenstad is vooral de Flora- en faunawet van toepassing. In het plangebied is een aantal beschermde dier- en plantensoorten aangetroffen. Relatief kleine ingrepen kunnen al effect hebben op deze soorten.
Het bestemmingsplan Zuidelijke binnenstad is conserverend van karakter. Het plan is gericht op behoud en herstel van de bestaande bebouwing. Grootschalige nieuwe bebouwing wordt niet mogelijk gemaakt.

Het plangebied wordt intensief gebruikt. Voor grondgebonden diersoorten is in de openbare ruimte nauwelijks leefgebied. Amfibieën zijn door de mens naar de binnenterreinen gebracht. Kikkers, padden en salamanders planten zich voort op deze binnenterreinen en handhaven zich daar ook. Het plangebied is bereikbaar voor vliegende soorten. Veel gebouwen in het plangebied zijn geschikt als verblijfsplaats voor vleermuizen of vogels.

Het plangebied bevindt zich buiten de speciale beschermingszones (Natura 2000 gebieden). Het Frederiksplein, het Weteringplantsoen en het Leidse Bosje maken deel uit van de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam. De hoofdgroenstructuur is een onderdeel van de Structuurvisie 2040 van de gemeente Amsterdam (vastgesteld februari 2011). De hoofdgroenstructuur is vergeleken met de versie uit 2002 uitgebreid met een aantal gebieden. Voor het plangebied Zuidelijke binnenstad zijn dit de hierboven genoemde gebieden. Inpasbare voorzieningen in deze gebieden zijn in de structuurvisie omschreven. Ontwikkelingen die daar niet in passen moeten aan een Technische Advies Commissie worden voorgelegd. Uiteindelijk beslist de gemeenteraad of de voorziening wordt toegelaten.

Beschermde soorten in het plangebied

Vleermuizen, broedvogels, amfibieën en muurplanten zijn door de Flora- en faunawet beschermde soorten. Voor de kleine watersalamender, bruine kikker en de gewone pad geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Negatieve effecten op vissen worden niet verwacht. Bij werkzaamheden waarbij beschermde muurplanten betrokken zijn, kan volgens de gedragscode van de gemeente Amsterdam worden gewerkt. Ontheffing is dan niet nodig. Voor de meeste broedvogels geldt dat er geen problemen met de Flora- en faunawet zijn als de broedperiode bij werkzaamheden wordt vermeden. Voor vleermuizen is een ontheffing nodig als verbodsartikelen overtreden worden.

Vleermuizen

Gewone of ruige dwergvleermuizen worden in het plangebied dikwijls gezien. Bij ingrepen aan gebouwen kunnen zomer-, winterverblijfplaatsen en baltsplaatsen van vleermuizen in verdrukking komen. Een eerste stap is een beoordeling van het gebouw op mogelijke verblijfsplaatsen. Als een gebouw geschikt is en de voorgenomen ingreep potentiële verblijfsplaatsen zal vernietigen, dan is gespecialiseerd onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Vleermuizen worden door de Flora- en faunawet zwaar beschermd. Indien na onderzoek blijkt dat er vaste verblijfplaatsen in gebouwen zijn, dan moet volgens de Flora- en faunawet gehandeld worden. In de gedragscode van de gemeente Amsterdam staan hiervoor de richtlijnen.

Broedvogels

Voor de meeste broedvogels geldt dat de nesten gedurende de broedtijd zijn beschermd. Ontheffing voor broedvogels wordt meestal niet verleend, omdat het in de regel goed mogelijk is om verontrusting in het broedseizoen te voorkomen. Broedvogels waarvan het nest ook buiten de broedtijd beschermd is, zijn de huismus (Rode lijst) en de gierzwaluw. Het is niet uitgesloten dat er zich in de binnentuinen mussenkolonies bevinden. Voor het in stand houden van een kolonie mussen is het van belang dat zowel nestgelegenheid als schuilplaatsen beschermd worden.