TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f-Bilderdammerweg 6-20
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01 |
| Plantype: | bestemmingsplan |
TOELICHTING
TAM-omgevingsplan Bilderdammerweg 6-20
Inhoudsopgave
1.2 Ligging en begrenzing projectgebied
1.3 Omgevingsplan Gemeente Aalsmeer
2.3 Visie, beleid en regels op locatie
2.4 Functionele ontwikkeling en programma
2.5 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in omgeving
HOOFDSTUK 3 Fysieke leefomgeving
3.1 Toetsing milieueffectrapportage (m.e.r.)
3.6 Archeologie en cultureel erfgoed
3.12 Duurzaam bouwen en energie
HOOFDSTUK 4 Financiële haalbaarheid
4.1 Financieel economische haalbaarheid
HOOFDSTUK 5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Bijlage 8
HOOFDSTUK 1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Dit plan, de Bilderdammerweg 6-20, maakt onderdeel uit van het project Bilderdammerweg 6-30, waar 12 sociale huurwoningen hebben gestaan.
De woningen aan de Bilderdammerweg 6–30 waren dusdanig verouderd dat sloop noodzakelijk was. De woningen zijn geruime tijd onbewoond geweest. Deze leegstand en verpaupering is, vooral in deze tijd, onwenselijk en het is daarom noodzakelijk de woningen te slopen en iets terug te bouwen. De woningen zijn eind 2024 gesloopt.
Huidig plangebied
In september 2024 heeft de projectnota en het beeldkwaliteitsplan Bilderdammerweg 6-30 ter inzage gelegen waar bewoners/omwonenden op konden reageren. De projectnota beschrijft het initiatief voor het slopen van de 12 grondgebonden sociale huurwoningen van Eigen Haard en het realiseren van 26 sociale huurappartementen en 8 grondgebonden koopwoningen, waarvan minimaal 50% in het middensegment verkocht moeten worden.
Er zijn 9 reacties binnengekomen op de ontwerp projectnota. Deze gingen over de positionering van de woningen, het belang van (meer) woningbouw, doelgroepen waarvoor gebouwd moet worden, energietransitie en verkeer. Deze zijn beantwoord en de projectnota is samen met het beeldkwaliteitsplan op 13 februari 2025 vastgesteld door de raad. Zie bijlage 1 voor het Beeldkwaliteitsplan.
Deze TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f - Bilderdammerweg 6-20 regelt de planologische procedure voor de 8 grondgebonden woningen. Voor de appartementen zal een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) procedure worden doorlopen.
1.2 Ligging en begrenzing projectgebied
De gewenste ontwikkeling vindt plaats aan de Bilderdammerweg 6-20 in Kudelstaart, Aalsmeer. Kudelstaart is gelegen in het zuidwesten van de gemeente Aalsmeer. Het plangebied ligt ten zuidoosten van de (nog te bouwen) nieuwe woonwijk Westeinderhage. De Bilderdammerweg ligt in het verlengde van de Kudelstaartseweg.
![i_NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01_402001.png)
Luchtfoto projectlocatie met de 12 sociale huurwoningen
1.3 Omgevingsplan Gemeente Aalsmeer
Het plangebied is gelegen binnen het Omgevingsplan gemeente Aalsmeer.
Het omgevingsplan bestaat uit een nieuw en een tijdelijk deel. Het tijdelijk deel bestaat uit de Bruidsschat en het bestemmingsplan 'Kudelstaart 2020' en diverse paraplubestemmingsplannen.
Het nieuwe deel van het omgevingsplan is in principe leeg met uitzondering van de onderwerpen die van rechtswege onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
Wel heeft het ontwerp wijziging omgevingsplan gemeente Aalsmeer Bruidsschat bouwen t/m 16 juli ter inzage gelegen. De verwachting is dat deze eind 2025 wordt vastgesteld.
1.3.1 De Bruidsschat
Van rechtswege opgenomen in het tijdelijke deel is de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn een aantal regels van het rijk naar de gemeente verhuist door middel van de bruidsschat. De regels uit de bruidsschat zijn automatisch in het tijdelijk deel van het omgevingsplan geland. De gemeente zal vervolgens zelf een afweging maken hoe zij de onderwerpen uit de bruidsschat willen regelen en wat zij wel en niet over willen nemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Van belang is dat regels moeten voldoen aan artikel 4.2 lid 1 van de Omgevingswet: de regels moeten nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovendien moeten de regels voldoen aan de instructieregels voor omgevingsplannen die zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels uit de bruidsschat zijn beleidsneutraal overgenomen, hierdoor voldoen niet alle bruidsschat regels aan het Bkl. Dat betekent dat de gemeenten in ieder geval die artikelen moeten gaan omzetten of schrappen.
1.3.2 Bestemmingsplan
Voor onderhavig plangebied is het bestemmingsplan ‘Kudelstaart 2020’ van toepassing. In dit bestemmingsplan zijn diverse bestemmingen en gebiedsaanduidingen opgenomen. Ter plaatse van de projectlocatie geldt de bestemming ‘Wonen’ en de bestemming 'Tuin'. Een klein deel heeft een dubbelbestemming "waarde - Archeologie 2" en tot slot zijn er ook gebiedsaanduidingen in verband met het luchtverkeer afkomstig van Schiphol.
![i_NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01_402003.png)
Uitsnede van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ‘Kudelstaart 2020’
Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woongebouwen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-gebonden bedrijf met de daarbij behorende tuinen en erven en bouwwerken.
De woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gerealiseerd worden met een goothoogte van maximaal 3 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter.
Tuin
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de aangrenzende woningen.
Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2
Voor deze dubbelbestemming is het paraplubestemmingsplan ‘Archeologie en Cultuurhistorie Aalsmeer 2024’, vastgesteld op 30 mei 2024. Het plan bepaalt dat de regels ten aanzien van archeologie die zijn opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen vervallen en worden vervangen door de archeologieregels die zijn opgenomen in het parapluplan.
Ter plaatse van de aanduiding 'Waarde - Archeologie 2 mogen geen bouwwerken worden gebouwd met bodemingrepen dieper dan 40 centimeter tenzij de oppervlakte kleiner is dan 50 m2. Zie ook paragraaf 3.6.1.
Overige bestemmingsplannen.
Veeg- en Herstelplan Aalsmeer 2024
Het tijdelijk deel van het omgevingsplan ‘Veeg- en Herstelplan Aalsmeer 2024’, die gedeeltelijke een herziening van en aanvulling is op een ‘Uiterweg – Plasoevers 2021’ heeft als doel het herstellen van de omissies en het geven van een actueel en correct kader waaraan toekomstige aanvragen voor omgevingsvergunningen kunnen worden getoetst. Het TAM-omgevingsplan is in overeenstemming met het Veeg- en Herstelplan.
In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn ook de volgende bestemmingsplannen opgenomen:
Paraplu bestemmingsplan Parkeernormen
Paraplu bestemmingsplan Kamerverhuurbedrijf Aalsmeer
Paraplu bestemmingsplan Datacenter Aalsmeer
Deze bestemmingsplannen zijn niet relevant voor het verplaatsen en vernieuwen van een woonark. Deze thema's gaan om de realisatie een datacenter, het realiseren van kamerverhuur of een ontwikkeling waarvoor andere parkeernormen van toepassing zijn.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d - Bodem Aalsmeer
Op 27 maart 2025 is het TAMomgevingsplan hoofdstuk 22dBodem Aalsmeer vastgesteld. In dit TAMomgevingsplan zijn de regels van de TAM voorbereidingsbesluiten 'bodem Aalsmeer' en 'staalslakken en grondstabilisatie Aalsmeer' verwerkt. Dit TAM omgevingsplan hoofdstuk 22d betreft het gehele grondgebied van Aalsmeer en is een aanvulling op de regels van het tijdelijke deel omgevingsplan.
1.4 TAM-omgevingsplan
De nieuwe grondgebonden woningen komen deels of geheel buiten het bouwvlak te liggen. Voor het mogelijk maken van woningen buiten het bouwvlak is aanpassing van het tijdelijk deel van het omgevingsplan noodzakelijk. Dit kan middels een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) Omgevingsplan. Voor de grondgebonden woningen zal een tenderprocedure worden opgestart. De winnende marktpartij zal dan op basis van het TAM omgevingsplan een omgevingsvergunning aanvragen.
1.5 Procedure
Met de projectnota Bilderdammerweg 6-30 en het beeldkwaliteitsplan is geparticipeerd met de omgeving. Tijdens de planuitwerking, de planologische procedures en ook tijdens de bouw wordt blijvend gecommuniceerd met belanghebbenden, waaronder de huurdersvereniging.
Het ontwerp TAM - omgevingsplan wordt op basis van artikel 16.30 Omgevingswet (Ow) en afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter inzage gelegd. De kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpTAMomgevingsplan wordt gedaan via digitale weg in het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. Het ontwerpTAMomgevingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd en binnen deze termijn kan een ieder zienswijzen bij de gemeente indienen. De ingediende zienswijzen worden voor zover nodig/mogelijk verwerkt in het (vast te stellen) TAMomgevingsplan. Na de vaststelling van het TAMomgevingsplan door de gemeenteraad of het college ligt het vastgestelde TAMomgevingsplan zes weken ter inzage en kunnen diegenen, die een zienswijze hebben ingediend, en belanghebbenden zijn, een beroepsschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State indienen. Tevens kan een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingediend.
1.6 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk vormen wordt in hoofdstuk 2 de planvorming besproken. Hierin wordt de huidige ruimtelijk- functionele situatie, de ambitie op hoofdlijnen en de aspecten uit relevante visies, beleid en regels op het plan beschreven. Aanvullend is in hoofdstuk 2 ook de gedetailleerde planomschrijving inclusief de ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. De financiële- en maatschappelijke haalbaarheid komen vervolgens in hoofdstuk 4 en 5 aan de orde. In het laatste hoofdstuk leest u in de conclusie of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies en of het plan bijdraagt aan een gezonde leefomgeving.
HOOFDSTUK 2 Planvorming
2.1 Huidige situatie
De woningen aan de Bilderdammerweg 6 – 30 zijn in de jaren 50 gebouwd. Deze waren na ca. 70 jaar dusdanig verouderd dat sloop noodzakelijk was.
De woningen bestonden uit 1 bouwlaag met kap in een cluster van 3 blokken met in totaal 12 woningen. De woningen zijn allemaal gesloopt.
Aanzicht tijdens de sloop
2.2 Nieuwe situatie
Er worden maximaal 8 grondgebonden woningen teruggebouwd (en 26 sociale huurappartementen). De woningen zijn met de belangrijkste zijde gericht naar het openbaar gebied. Als ze niet aan de Bilderdammerweg staan dan is de belangrijkste zijde gericht op het parkeerterrein.
Indicatieve verkaveling voor de grondgebonden woningen (bron: beeldkwaliteitsplan)
De nieuwe woningen mogen in maximaal twee bouwlagen met kap worden gebouwd, waarbij de kap tot de eerste bouwlaag wordt doorgetrokken. Hierdoor krijg je een optisch verlaagde goot.
2.2.1 Motivatie
De 8 grondgebonden (koop)woningen, waarvan minimaal 4 in het middensegment, zijn noodzakelijk om de saneringskosten te kunnen bekostigen.
Het oorspronkelijke plan was om op de locatie Bilderdammerweg 6-30 circa 17 sociale huurwoningen terug te bouwen. Uit onderzoek is gebleken dat de locatie sterk is vervuild en dat de saneringskosten zwaar drukken op de herontwikkeling. Omdat er aanvankelijk enkel sociale huurwoningen zouden worden teruggebouwd, zou dat een sterk negatieve grondexploitatie opleveren. Er is door partijen, gemeente en woningbouwcorporatie, gekeken naar een optimale invulling van de locatie met een vergroting van het programma om de opbrengstpotentie te vergroten ter dekking of in ieder geval reductie van het tekort. Daar is het plan van 26 sociale huurappartementen en 8 grondgebonden koopwoningen, uit voortgekomen. De 26 sociale huurappartementen worden gebouwd voor senioren en starters uit Kudelstaart. Deze appartementen zullen via een aparte procedure (Bopa) mogelijk worden gemaakt.
De 4 grondgebonden koopwoningen in het middensegment zal de doorstroom vanuit (sociale) huurwoningen kunnen bewerkstelligen.
2.3 Visie, beleid en regels op locatie
2.3.1 Rijksbeleid
2.3.1.1 Instructieregels Rijk via Besluit kwaliteit leefomgeving
Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Het Rijk heeft de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) opgenomen. Behalve het Rijk stelt ook de provincie Noord-Holland instructieregels in de omgevingsverordening, zie paragraaf 2.3.2.1.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de minimumeis die de Omgevingswet (artikel 4.2) stelt aan de regels in het Omgevingsplan en de verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). De beleidsvrijheid van de gemeente om keuzes te maken over de inrichting van de fysieke leefomgeving wordt begrensd door instructieregels van het Rijk en de Provincie. De instructieregels van een provincie zijn gebonden aan regels van het Rijk.
In hoofdstuk 5 van het Bkl staan de instructieregels voor omgevingsplannen per onderwerp:
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van waterbelangen;
het beschermen van gezondheid en milieu;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;
het behoud van ruimte voor toekomstige functies;
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten.
Naast de hierboven genoemde instructieregels, voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in afdeling 5.1 van het Bkl, bevat afdeling 5.2 van het Bkl nog instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer over het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen en lokale spoorwegen binnen vervoersregio’s, over bebouwingscontouren voor houtkap en jacht en over het lozen van industrieel afvalwater op het openbaar vuilwaterriool.
Relevantie plangebied
Het onderhavige project past binnen de instructieregels in afdeling 5.1 en 5.2 Bkl en betreft geen omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang.
De relevante onderdelen van paragraaf 5.1.4 uit het BKL ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’ komen in hoofdstuk 3 aan bod.
2.3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 5.129g (paragraaf 5.1.5.4) van het Bkl is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. De ladder beoogt zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen en leegstand tegen te gaan. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling en de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in de behoefte te voorzien. Een stedelijke ontwikkeling, waarop 5.129g Bkl van toepassing is, is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening, en die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrenzen voor wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de lijn uitgezet dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Relevantie plangebied
Tot 2040 zijn in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) ongeveer 240.000 nieuwe woningen nodig. Hiervan moet ongeveer een derde sociale huur zijn, nog eens een derde middeldure huur en koop en de rest duurder, zowel huur als koop.
Hier wordt aan voldaan. Tweederde van de woningen wordt voor de sociale huur gebouwd.
2.3.1.3 Luchthavenindelingsbesluit Schiphol
Op grond van artikel 4.104a, lid 2 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt het Lib als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, lid 2 van de Omgevingswet. De gelding als voorbereidingsbesluit eindigt in afwijking van artikel 4.16, lid 5 van de Omgevingswet alleen op het tijdstip van inwerkingtreding of vernietiging van het omgevingsplan dat is gewijzigd overeenkomstig het Lib.
Op grond van artikel 2.2.1c en 2.2.1d gelden op gronden die zijn aangewezen op de kaarten in bijlage 3 met de nummers 4 en 5 beperkingen voor geluid en externe veiligheid. Op grond van artikel 2.2.2 en 2.2.2a van het LIB zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaarten in bijlage 4 en 4a bij het besluit geen objecten toegestaan die hoger zijn dan de op de kaarten aangegeven maximale waarden. De hoogtes zijn gerelateerd aan het N.A.P.
Op grond van artikel 2.2.3 zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 5 diverse soorten grondgebruik of functie niet toegestaan, om vogel aantrekkende werking te voorkomen.
Op grond van artikel 2.2.4 zijn op gronden die zijn aangewezen op de kaart in bijlage 6 geen vaste laserinstallatie of windturbine toegestaan vanaf een minimale hoogte.
Relevantie plangebied
Het voorliggende plan valt binnen het beperkingengebied van het LIB.
In onderhavig plan worden 12 woningen gesloopt en 34 teruggebouwd. Het plangebied ligt niet in een afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid (zone 5) en waar beperkingen gelden voor functies die vogels aantrekken. Het plangebied ligt wel binnen de toetshoogte en radarhoogte van Schiphol. De toetshoogte is 99 meter t.o.v. NAP en de radarhoogte t.o.v. 57 meter NAP. De bouwhoogte van de nieuwe woningen liggen hier ver onder. Er worden geen windturbines en laserinstallaties gebouwd. Het LIB vormt geen belemmeringen voor onderhavig plan.
2.3.1.4 Deltaplan Ruimtelijke adaptatie
Het Rijk heeft in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) de landelijke aanpak van klimaatadaptatie vastgesteld.
Het Deltaprogramma bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert.
Het doel van dit deltaplan is adaptatie te versnellen en te intensiveren, zodat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht
In het plan zijn 7 ambities opgenomen:
kwetsbaarheid in steden in beeld brengen middels een stresstest;
risicodialoog voeren op verschillende niveaus met gebiedspartners en een strategie opstellen;
uitvoerings- en investeringsagenda opstellen per regio;
het koppelen van uitvoeringsagenda met andere ruimtelijke opgaven (bijv. nieuwbouw en (groot)onderhoud);
stimuleren met financiële middelen en faciliteren middels het delen van kennis, instrumenten en ervaringen;
reguleren en borgen in beleid en regelgeving;
handelen bij calamiteiten indien er toch overlast en schade is bij extreme weersituaties.
De ambities, afspraken en acties kunnen alleen gerealiseerd worden door intensief met elkaar samen te werken.
Relevantie plangebied
Zie paragraaf 3.4
2.3.2 Provinciaal beleid
2.3.2.1 Omgevingsverordening Provincie Noord-Holland
Artikel 2.6 van de Omgevingswet bepaalt dat Provinciale Staten één omgevingsverordening vaststellen waarin de provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water.
De provincie Noord-Holland wil met de Omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland.
De Omgevingsverordening bevat instructieregels die van belang zijn om het provinciale beleid of het provinciale belang te laten doorwerken in de uitoefening van taken of bevoegdheden door andere bestuursorganen dan provinciale staten, zoals gemeenten. Het doel van de instructieregel is dat wordt voldaan aan omgevingswaarden of dat andere doelstellingen van de provincie voor de fysieke leefomgeving worden bereikt (artikel 2.22 Omgevingswet). Hoofdstuk 6, afdeling 6.2 bevat de instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen.
De provincie heeft als doel om in 2050 volledig klimaatbestendig te zijn, wat betekent dat ze voorbereid wil zijn op de effecten van klimaatverandering. Vanaf januari 2025 moeten gemeenten bij nieuwe projecten kijken naar de risico’s van klimaatverandering, zoals wateroverlast, overstromingen, droogte, hitte en waterkwaliteit. Als er risico’s zijn, leggen zij uit wat ze doen om deze te verkleinen.
Relevantie plangebied
Er worden 12 woningen gesloopt en 34 woningen teruggebouwd. Het plan is niet in strijd met de omgevingsverordening van de Provincie Noord-Holland. In paragraaf 3.4 staat hoe in dit plan rekening wordt gehouden met de risico's van klimaatverandering.
2.3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050
De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond.
Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat Noord-Holland een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven.
In de omgevingsvisie worden ambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie.
De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden als volgt. Een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. In het kader van gezondheid en veiligheid, het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het vergroten van de biodiversiteit van Noord-Holland.
Voor het gebruik van de leefomgeving gelden de volgende ambities.
Een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor, daardoor is er ruimte voor ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.
Verder wil de provincie vraag en aanbod van woon- en werklocaties beter afstemmen (kwantitatief en kwalitatief). Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Duurzaamheid van de totale woningvoorraad is het uitgangspunt.
De derde ambitie binnen deze categorie is het effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen van inwoners, bedrijven en producten van Noord-Holland, waarbij negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk worden meegewogen.
Als laatste geldt het behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Voor energietransitie is de overkoepelende ambitie dat Noord-Holland in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd op hernieuwbare energie. Daarom is er ruimte voor de noodzakelijke energietransitie en daarvoor benodigde infrastructuur. Dit alles rekening houdende met de ambities voor verstedelijking en landschap.
Relevantie plangebied
Er is behoefte aan betaalbare woningen in de regio. Door het bouwen van 26 sociale huurwoningen en 4 koopwoningen in het middensegment wordt in de behoefte voorzien.
2.3.3 Beleid en regelgeving van het waterschap
In Nederland dragen onder meer de waterschappen zorg voor watersystemen. Deze zorg omvat het beheer van bepaalde watersystemen waaronder de oppervlaktewateren/-waterlichamen en grondwaterlichamen, en bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende (waterstaatkundige) kunstwerken. Het waterschap draagt zorg voor:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen;
het zuiveren van stedelijk afvalwater, tenzij een gemeente dit overneemt.
De waterschappen maken elke zes jaar een waterbeheerplan, tegelijkertijd met (en afgestemd op) het Nationale Waterplan van het Rijk en de provinciale waterplannen.
Per 1 januari 2024 zijn de waterschappen verplicht een waterschapsverordening te hebben. Deze verordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap binnen haar beheergebied stelt. De waterschapsverordening is daarmee een juridisch instrument om het watersysteem te beschermen tegen activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de goede staat en werking van het watersysteem. De regels in de waterschapsverordening hebben onder meer betrekking op:
Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam;
Lozingsactiviteiten op een zuiveringstechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie);
Activiteiten in of nabij het oppervlaktewater;
Activiteiten in, op of nabij waterkeringen;
Het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.
Het grondgebied van Aalsmeer ligt in het beheergebied van twee waterschappen: het Hoogheemraadschap Rijnland en het waterschap Amstel Gooi en Vecht (AGV). De scheidslijn tussen de beide beheergebieden loopt langs de Legmeerdijk, de Bachlaan, de Kudelstaartseweg en de Herenweg en buigt dan af richting Bilderdam. Globaal genomen ligt Kudelstaart met uitzondering van de oevers van de Westeinderplassen binnen het beheersgebied van Amstel, Gooi en Vecht en de rest van het grondgebied van de gemeente, inclusief de Westeinderplassen en het Uiterweggebied, Aalsmeer centrum, de wijken Hornmeer en Stommeer, Green Park en Aalsmeer Oost en de Schinkelpolder in het beheergebied van het Hoogheemraadschap.
Bij een ruimtelijk plan moet de gemeente rekening houden met het waterbelang. In de weging van het waterbelang (watertoets) wordt, waar nodig, het waterschap aangehaakt.
Relevantie plangebied
Het plangebied ligt in het waterschap AGV.
2.3.3.1 Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht
Sinds 1 januari 2024 heeft Amstel, Gooi en Vecht (AGV) een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de keur. AGV heeft belangen om watergangen en waterkeringen in stand te houden, kwel tegen te gaan en te snelle afwatering te voorkomen. Om deze belangen te beschermen zijn onze beleidsregels opgesteld in de Waterschapsverordening. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij oppervlaktewater, dijken en gemalen.
Relevantie plangebied
Zie paragraaf 3.3
2.3.3.2 Waterbeheerplan Amstel Gooi en Vecht
In het Waterbeheerplan AGV 2022-2027 heeft het waterschap de wensbeelden per thema voor 2030 beschreven. Daaruit afgeleid zijn de doelen voor de planperiode 2022-2027 geformuleerd en is een aanpak op hoofdlijnen uitgewerkt. De uitgangspunten van het waterbeheerplan zijn:
samenbrengen van alle regionale waterbeheertaken in één regionale waterautoriteit;
een klimaatbestendig en waterrobuust gebied;
steden die beter bestand zijn tegen extreme regenbuien, wateroverlast, overstromingen, hitte en droogte;
een omgeving die zich bewust is van waterveiligheid;
water dat overal in het gebied geschikt is voor de vastgestelde gebruiksfunctie;
gebruik van afvalwater als grondstof en bron voor energie en water;
gebruik van vernieuwende oplossingen vanuit samenwerking met kennisinstellingen, andere overheden en marktpartijen;
vermindering van regeldruk en vergroting van kosteneffectiviteit;
afstemming over alle watertaken per stroomgebied;
behoud van de zelfstandige bevoegdheid.
Het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft naast haar waterbeheerplan voor verschillende gebieden aparte Watergebiedsplannen opgesteld met als doel gebiedsgerichte maatregelen te formuleren om het watersysteem te verbeteren. Daarvoor is zowel het grond als het oppervlaktewater kwalitatief en kwantitatief in beeld gebracht. Tevens is de ecologische toestand onderzocht met het oog op het behalen van de doelen uit de Europese Kaderrichtlijn water.
Als algemene regel voor de compensatie van de aanleg van verhard oppervlak hanteert het AGV dat bij aanleg vanaf 5.000 m2 verhard oppervlak buiten bestaand stedelijk gebied of 1.000 m2 in bestaand of nieuw in te richten stedelijk gebied of glastuinbouwgebied watercompensatie plaats moet vinden in de voorkeursvolgorde binnen plangebied, nabij plangebied of het vigerende peilvlak.
Relevantie plangebied
Zie paragraaf 3.3
2.3.4 Gemeentelijk beleid
2.3.4.1 Gebiedsvisie Kudelstaart
De invoering van de Omgevingswet verplicht gemeenten om een omgevingsvisie voor hun gemeente op te stellen. In de gebiedsvisie Aalsmeer 2020, waar Kudelstaart in is opgenomen, is verouderd. Dit heeft geleid tot een actuele visie, specifiek voor Kudelstaart, waarvan de opgaven en uitgangspunten zullen gaan landen in de nog op te stellen omgevingsvisie van Aalsmeer.
Op 13 februari 2024 Is de gebiedsvisie Kudelstaart vastgesteld met de volgende uitgangspunten:
Kwaliteitsverbetering van het centrum door nieuwe voorzieningen, woningen en verbetering van de openbare ruimte.
Toekomstbestendige glastuinbouw in gebieden A1 en A2.1, met handhaving op gebieds- en functievreemde elementen.
Realisatie van kleinschalige woningbouw waar mogelijk.
Gesprekken met de Provincie Noord-Holland over het afhalen van het predikaat Glastuinbouwconcentratiegebied van gebied A2.2 en het verruimen van definities en bebouwingspercentages.
Versterking van de toeristische en recreatieve waarde van Kudelstaart door het benutten van de kwaliteiten van de Loswal, Fort Kudelstaart, de Westeinderplassen en de landschapsontwikkeling Westeinderscheg.
Behoud van de RES-zoeklocatie, waarbij onderzocht dient te worden in hoeverre het opwekken van energie voorwaardelijk is voor het realiseren van toekomstbestendige glastuinbouw en de verduurzaming van Kudelstaart met inachtneming van de belangen en gezondheid van omwonenden
Voor wat betreft de woningbouw: Met circa 85% van de woonvoorraad kent Kudelstaart een groot aandeel eengezinswoningen. Er is daarmee een te weinig passend woningaanbod voor starters en ouderen.
Relevantie plangebied
Met de bouw van 26 sociale huurwoningen voor starters en ouderen wordt er tegemoetgekomen aan deze doelgroep. Het plan is in overeenstemming met de gebiedsvisie Kudelstaart.
2.3.4.2 Cultuurhistorische Nota "Gebroken landen, geheelde gronden
De cultuurhistorische nota “Gebroken landen, geheelde gronden” geeft ter voorbereiding op nader cultuurhistorisch beleid een beschrijving en analyse van cultuurhistorisch onderscheiden deelgebieden en bevat een aantal beleidsaanbevelingen ten behoeve van het behoud en de bescherming van cultuurhistorische waarden. In de nota wordt het gebied van de niet-verveende en hogere landen rond de oude ontginningslinten van de Uiterweg, Oosteinderweg, Calslagen en Kudelstaart en de (verdwenen) Westeinderdijk tussen de kleine en de grote poel onderscheiden als deelgebied met hoge cultuurhistorische waarde.
De essentiële kenmerken van het deelgebied leiden tot de volgende beleidsaanbevelingen:
behoud en versterking van de karakteristieke bebouwingslinten en het bijbehorende verkavelingspatroon en bebouwingskarakteristiek;
behoud van het profiel en aanzien van de oude wegen zoals de Uiterweg en de Oosteinderweg, inclusief de nog aanwezige wegsloten;
behoud, versterking of ontwikkeling om te komen tot een redelijk “groen” aanzien van de achterkanten van de kavels in zijn totaliteit;
maatregelen voor het fysieke behoud van met name eilanden van de Westeinderdijk.
Relevantie plangebied
Het plan heeft betrekking op het realiseren van woonbebouwing langs de Bilderdammerweg waardoor de lintbebouwing langs deze weg wordt versterkt.
2.3.4.3 Erfgoedverordening 2017
De verordening ziet toe op het beheer en behoud van cultureel erfgoed gelegen binnen Aalsmeer, dat van bijzonder belang is vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. Op grond van deze verordening is het, verboden binnen een archeologisch verwachtingsgebied zonder omgevingsvergunning de bodem dieper dan 40 cm te verstoren.
Relevantie plangebied
zie paragraaf 3.6.
2.3.4.4 Agenda en actieplan Klimaatadaptatie Aalsmeer 2021-2026
Klimaatadaptatie is voor de gemeente Aalsmeer een belangrijke transitie. Het is essentieel om de leefomgeving aan het veranderende klimaat aan te passen. De hete en droge zomers hebben het belang van klimaatadaptatie extra duidelijk gemaakt. Klimaatverandering versnelt op de vier belangrijkste klimaattrends waarvoor de gemeente ambities heeft opgesteld waar rekening mee gehouden dient te worden bij de inrichting van de openbare ruimte, nieuwbouw en private terreinen:
het wordt warmer: beperken van impact op de gezondheid en de leefomgeving;
het wordt natter: inrichten van de buitenruimte op extreme buien;
het wordt droger: vergroten sponswerking van de buitenruimte en de bodem;
de zeespiegel stijgt: regionale samenwerking aan gevolgbeperking en dijkversterking.
De gemeente Aalsmeer volgt de landelijke aanpak voor klimaatadaptatie, en sluit daarmee aan bij de MRA en provinciale richtlijnen, via de volgende stappen:
Kwetsbaarheid in beeld brengen (weten)
Via klimaatstresstesten heeft de gemeente Aalsmeer de lokale impact voor de vier klimaattrends op hoofdlijnen en knelpuntlocaties in kaart gebracht:
Wateroverlast: de kaart laat de waterdieptes op straat en tegen gebouwen bij een extreme regenbui en de grondwateroverlast zien. Er zijn 10 locaties als knelpunt voor wateroverlast aangewezen.
Hitte tijdens een hittegolf: de kaart geeft de (gevoels)temperatuur tijdens een extreem hete dag weer. Er zijn 7 onderwerpen als hitteknelpunt aangemerkt.
Droogte: de gevolgen van een langdurig droogte voor bodemdaling en het grondwater zijn aangegeven. Voor droogte zijn 8 knelpunten benoemd.
Waterveiligheid: de kans op een dijkdoorbraak bij extreme waterstanden is in beeld gebracht. Bij de analyse zijn geen locatie specifieke knelpunten geconstateerd voor waterveiligheid.
Risicodialogen voeren en ambities (willen)
In het plan zijn 4 ambities opgenomen:
Wateroverlast: het inrichten van de stad op extreme buien.
Bij een bui van 70 mm in één uur (die gemiddeld 1x per 100 jaar voorkomt) stroomt er vanuit de openbare ruimte geen water gebouwen in; daarnaast blijven nutsvoorzieningen en vitale objecten functioneren bij een bui van 90 mm in één uur. Op openbaar en privaat terrein streeft de gemeente ernaar dat regenwater als waardevol product wordt gezien. De gemeente streeft ernaar dat regenwater zoveel mogelijk opgevangen wordt waar het valt, hergebruikt wordt (groen, grondwater, toilet) of vertraagd wordt afgevoerd.
Hitte: het beperken van de impact op de gezondheid en de leefomgeving.
De hitte impact is in 2050 niet erger dan in 2020; knelpunten van kwetsbare groepen uit de stresstest zijn onderzocht en waar nodig maatregelen getroffen. De negatieve gezondheidsimpact op kwetsbare groepen wordt verkleind; de openbare ruimte, gebouwen, nutsvoorzieningen en vitale functies worden hittebestendiger ingericht.
Droogte: het vergroten van de sponswerking van de stad en de bodem.
Droogte leidt niet tot onomkeerbare schade aan gebouwen, infrastructuur en natuur
Waterveiligheid: het regionaal samenwerken aan gevolgbeperking en dijkversterking Om de waterveiligheid blijvend te borgen draagt de gemeente actief bij aan de regionale samenwerking. Het waterschap is leidend bij dijkversterkingen en de Veiligheidsregio bij gevolgbeperking van overstromingen.
Een belangrijk deel van de klimaatopgave zal binnen het particulier bezit moeten worden
gerealiseerd. Voor het bevorderen van de bewustwording en actiebereidheid bij bewoners
en bedrijven zijn aansprekende (appellerende) acties nodig, zoals een 'bewonersagenda'.
Klimaatadaptatieagenda opstellen (werken),
Als basis voor alle maatregelen hanteert de gemeente Aalsmeer de volgende algemene
principes bij de uitvoering:
We maken ruimte voor een klimaatbestendige inrichting.
We werken samen in een netwerksamenleving met gedeelde verantwoordelijkheid.
Onacceptabele knelpunten lost de gemeente samen met partners binnen 10 jaar op.
Voor de uitvoering van projecten wordt in principe aangehaakt bij bestaande processen en investeringen.
Werken aan het klimaat vindt plaats aan de hand van een continu leerproces.
Relevantie plangebied
Zie paragraaf 3.4
2.3.4.5 Geluidbeleid bij nieuwe ontwikkelingen
De Omgevingswet heeft ook gevolgen voor het geluidbeleid. Landelijke geluidnormen zijn gedeeltelijk vervallen en worden opgenomen in het omgevingsplan.
In het kader van de Omgevingswet heeft de gemeenteraad van Aalsmeer het “Geluidbeleid bij nieuwe ontwikkelingen” (2025) vastgesteld. Het geluidbeleid is een middel voor de gemeente om (rand)voorwaarden en eisen te stellen aan het (akoestische) woon- en leefklimaat binnen haar gemeentegrenzen. Het beleid is van toepassing bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en bij de uitwerking van de omgevingsvisie, programma’s of andere ruimtelijke besluiten. Met het geluidbeleid concretiseert de gemeente Aalsmeer haar doelen en afwegingen en heeft de gemeente een toetsingskader dat gebruikt wordt bij het beoordelen van de geluidbelasting.
Het gemeentelijk geluidbeleid heeft betrekking op geluidbelastingen vanwege wegverkeer (wegen), (lokaal) spoorwegverkeer en industrieterreinen, waarvoor een geluidaandachtsgebied van toepassing is, en sprake is van een bepaalde geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouw.
Onder de Omgevingswet heeft de gemeente ruimte om op grond van eigen beleid te beoordelen welk geluidniveau tussen de standaardwaarde en de grenswaarde als toelaatbaar gezien kan worden.
Standaardwaarde
Indien de standaardwaarde wordt overschreden worden alle maatregelen die het geluid kunnen beperken tot de standaardwaarde onderzocht.
Om een kleine overschrijding van de standaardwaarde niet te laten leiden tot het nemen van ingrijpende maatregelen is er een onderverdeling gemaakt in drie niveaus tussen de standaardwaarde en de grenswaarde: de tussenwaarde niveau 1, 2 en 3.
![i_NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01_402007.png [image]](i_NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01_402007.png)
De maatregelen:
Geluidluwe gevel: Om de gezondheid te beschermen moet het geluidgevoelige gebouw beschikken over minimaal één geluidluwe gevel (dit is niet van toepassing voor vliegtuiggeluid)
Geluidluwe buitenruimte: Gebouwen met een woonfunctie beschikken over een geluidluwe buitenruimte.
Woningindeling: De geluidgevoelige ruimten worden zoveel mogelijk aan de geluidluwe gevel van de woning geprojecteerd, waarbij minimaal één slaapkamer aan de geluidluwe gevel wordt gerealiseerd.
Hoe hoger de tussenwaarde, hoe zwaarder de maatregel.
Gecumuleerd geluid
Het gecumuleerd geluid is het geluid door alle geluidbronsoorten en activiteiten gezamenlijk, rekening houdend met de verschillen in hinderlijkheid tussen verschillende soorten geluidbronnen. Dit wordt bij elkaar opgeteld met correctie.
De gemeente beoordeeld of en in welke mate het verantwoord is om de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te gebruiken.
|
Gecumuleerd geluid (Lcum) |
Beoordeling |
|
tot 45 |
zeer goed |
|
46-50 |
goed |
|
51-55 |
redelijk |
|
56-60 |
matig |
|
61-65 |
tamelijk slecht |
|
66-70 |
slecht |
|
vanaf 71 |
zeer slecht |
Gezamenlijk geluid
Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid op de gevel wordt gebruikt voor het bepalen van de eis aan de geluidwering van de gevel.
Indien de standaardwaarde wordt overschreden is altijd een extra geluidnorm van toepassing, namelijk de grenswaarde voor het geluidniveau in geluidgevoelige ruimten: de binnenwaarde. De binnenwaarde is een extra waarborg om ervoor te zorgen dat bewoners ook bij hogere geluidniveaus op de gevels onder acceptabele omstandigheden in hun woning kunnen leven en slapen. Middels (extra) gevelisolatie wordt dit gegarandeerd. Van de binnenwaarde kan niet worden afgeweken.
Relevantie plangebied
Zie paragraaf 3.7
2.3.4.6 Mobiliteitsagenda Aalsmeer
Op 27 januari 2022 heeft de gemeenteraad de Mobiliteitsagenda Aalsmeer vastgesteld.
Deze agenda heeft drie uitgangspunten:
1. Aalsmeer via alle modaliteiten bereikbaar;
2. Aalsmeer verkeersveilig en toegankelijk; en
3. Aalsmeer innovatief duurzaam bereikbaar.
Er komen nieuwe ontwikkelingen op Aalsmeer en de regio af. Het voorgaande beleid, Aalsmeers Verkeer en Vervoerplan (AVVP) uit 2009, hield geen rekening met de huidige trends, ontwikkelingen en vraagstukken.
De Raad heeft in maart 2021 het Koersdocument Mobiliteit vastgesteld waarin 11 koersen zijn opgenomen op basis waarvan de Mobiliteitsagenda is opgesteld. De 11 koersen zijn:
1. Naar een flexibele Mobiliteitsagenda Aalsmeer
2. Ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit in samenhang bezien
3. Ruimtelijk patroon Aalsmeer vraagt om maatwerk per gebied
4. Aanpak gevolgen vergrijzing voor mobiliteit
5. Een compleet mobiliteitsaanbod
6. Product OV versterken
7. Faciliteren groeiend (e)fietsgebruik
8. Optimalisatie logistieke ketens
9. Actieve rol van ondernemers in bereikbaarheid
10.Naar een integrale en actieve aanpak van verkeersveiligheid
11.Een volgende stap in duurzame mobiliteit en deelmobiliteit
Relevantie plangebied
Zie paragraaf 3.11
2.3.4.7 Nota Parkeernormen Aalsmeer 2016
Parkeernormen moeten vanaf 2018 zijn opgenomen in bestemmingsplannen en vanaf 1 januari 2024 in het omgevingsplan. Door in het omgevingsplan via de regels een verwijzing op te nemen naar deze Nota Parkeernormen inclusief toepassingsregels wordt aan deze verplichting voldaan en geldt voor iedereen een eenduidig kader. In de regels behorende bij dit TAM omgevingsplan is een verwijzing opgenomen naar de Nota Parkeernormen. Het vaststellen van parkeernormen en toepassingsregels is om diverse redenen belangrijk en nuttig. Door het parkeren nadrukkelijk te toetsen en de juiste parkeernorm zo vroeg mogelijk in een planproces te bepalen wordt parkeeroverlast voorkomen en wordt de verkeersveiligheid verbeterd. Indien een ontwikkelaar namelijk te weinig parkeerplaatsen realiseert op eigen terrein, gaan er ook mensen in de omgeving parkeren met mogelijk parkeeroverlast en verkeersonveilige situaties tot gevolg.
Voor burgers, bedrijven en ontwikkelaars is met deze nota duidelijk welke normen gehanteerd worden bij een aanvraag. Bovendien bevat de nota duidelijke toepassingsregels om uit te leggen hoe de parkeernormen gehanteerd moeten worden. Hierdoor wordt er geborgd dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en dat mogelijk verwachte parkeerproblemen vanaf het begin van het planproces worden voorkomen.
Relevantie plangebied
Zie paragraaf 3.11
2.4 Functionele ontwikkeling en programma
De grond waarop de woningen van de huidige woningbouwcorporatie Eigen Haard waren gebouwd is in eigendom van de gemeente Aalsmeer en in erfpacht uitgegeven aan de woningbouwcorporatie. In de oude woningen waren verzakkingen geconstateerd, was er sprake van scheurvorming in de gevels en vochtproblemen. De technische installaties waren verouderd en aan vervanging toe. Het renoveren van de woningen was geen reële optie, omdat het verbeteren van kwaliteit een zeer forse en onrendabele investering vergden. Ook na een grondige renovatie zouden de woningen niet de kwaliteit en het comfort van nieuwbouw benaderen.
De 12 woningen zijn gesloopt. Daar komen 26 sociale huurappartementen en 8 grondgebonden koopwoningen, waarvan minimaal 50% in het middensegment, voor terug. Deze TAM-omgevingsplan regelt de 8 grondgebonden woningen.
2.5 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in omgeving
Het plan heeft betrekking op het realiseren van woonbebouwing langs de Bilderdammerweg waardoor de lintbebouwing langs deze weg wordt versterkt. Het principe van voorkanten gericht naar de Bilderdammerweg is uitgangspunt (frontvorming). Het plan bestaat voor een deel uit grondgebonden woningen. De grondgebonden woningen worden in maximaal 2 lagen met kap uitgevoerd. De parkeerplaatsen zijn achter de lintbebouwing gesitueerd. Dit binnenterrein dient zoveel mogelijk door (2e) voorkanten te worden gemarkeerd.
De appartementen (komt tot stand middels een andere ruimtelijke procedure (Bopa)) en de grondgebonden woningen zijn “familie van elkaar”. Dat betekent dat deze niet hetzelfde zijn, maar wel verwant in bijvoorbeeld detaillering, materiaal- en kleurgebruik. Zo wordt er meer ruimte gelaten aan de ontwerpen en is bijvoorbeeld de kap minder stringent gedefinieerd.
De Beeldkwaliteitscriteria, zie bijlage 1, zijn per deelgebied opgesteld, zowel voor de appartementen, de grondgebonden woningen en de openbare ruimte waaronder het centrale middengebied.
HOOFDSTUK 3 Fysieke leefomgeving
3.1 Toetsing milieueffectrapportage (m.e.r.)
3.1.1 Toetsingskader
Doel
In een project-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn 2 uitkomsten mogelijk:
Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt.
Wettelijk kader
Of een besluit over een project project-mer-beoordelingsplichtig is, kunt u afleiden uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
Het wijzigen van het omgevingsplan heeft betrekking op de activiteit J11: 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterrein'. Onder de omgevingswet is de drempelwaarde komen te vervallen zodat (vooralsnog) elke stedelijke ontwikkelingsproject MER-beoordelingsplichtig is.
Toetsing
De criteria voor de mer-beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese mer-richtlijn. In de mer-richtlijn staat dat de voorgenomen activiteiten op de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Via een mer-beoordeling worden de milieueffecten van het project of de voorgestane ontwikkeling (in een plan) onderzocht. Op basis hiervan wordt beoordeeld en beslist of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld.
3.1.2 Projectgebied
Aan de Bilderdammerweg 6-30 in Aalsmeer zijn 12 woningen gesloopt en daar worden 8 grondgebonden woningen en 26 appartementen teruggebouwd. Dit is een stedelijke ontwikkeling.
3.1.3 Conclusie
Locatie
De projectlocatie is niet gelegen in of nabij een gebied dat wordt beschermd vanuit de natuurwaarden. De locatie is daarnaast zodanig ver verwijderd van een Natura 2000-gebied dat van externe werking geen sprake kan zijn. Tevens ligt het niet in de buurt van het Natuurnetwerk Nederland of overig beschermd natuurgebied.
Milieueffecten
De omvang van de voorgenomen ontwikkeling brengt geen zodanige productie van afvalstoffen, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen met zich mee op basis waarvan belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In de volgende paragrafen zijn verschillende milieueffecten beschouwd. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen.
3.2 Bodem
3.2.1 Toetsingskader
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet krijgt de gemeente een aantal regels over het onderwerp bodem in het tijdelijk deel van het omgevingsplan middels de bruidsschat. De bruidsschat is een set aan regels die van het Rijk naar onder andere de gemeenten gaan. Deze regels worden automatisch onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers:
het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie)
het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies)
het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen)
In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient voorkomen te worden dat bodemgevoelige activiteiten op verontreinigd grond plaats vinden. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor het toelaten van een bouwactiviteit (bouwen van een bodemgevoelig gebouw) op een bodemgevoelige locatie.
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn.
Een bodemgevoelige locatie is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tevens wordt daaronder de aangrenzende aaneengesloten tuin of het aangrenzende aaneengesloten terrein verstaan, net als een onmiddellijk aan een woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein.
Gelet op artikel 5.89j van het Bkl moeten bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in acht genomen worden. Bij overschrijding van die waarden mag alleen gebouwd worden als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Deze beoordeling vindt plaats in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken (zie hiervoor de artikelen 22.29, lid 1 sub c, 22.30 en 22.31 van het omgevingsplan gemeente Aalsmeer). Desalniettemin dient bij de toelating van een bodemgevoelige gebouw aannemelijk zijn dat de vergunning verleend kan worden en dat het plan financieel uitvoerbaar is.
Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het besluitgebied. Bij een geconstateerde (potentiële) verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan tevens in kaart worden gebracht welke maatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.
Aalsmeer
Het vastgestelde beleidskader bodem geeft de Aalsmeerse invulling weer van een deel van de bodemregelgeving onder de Omgevingswet. De juridische basis voor lokaal beleid is opgenomen in het TAM-voorbereidingsbesluit bodem. Op 12 december 2023 is er een TAM-voorbereidingsbesluit Bodem vastgesteld die per 1 januari 2024 is ingegaan. Er is geconstateerd dat er een verkeerde verwijzing in de documentatie zit zodat op 5 maart 2024 een nieuw besluit is genomen. Met dit TAM-voorbereidingsbesluit bodem worden er bodemregels vastgesteld in aanvulling op het Omgevingsplan van rechtswege per 1 januari 2024.
Op 27 maart 2025 is het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d-Bodem Aalsmeer vastgesteld. In dit TAM-omgevingsplan zijn de regels van de TAM voorbereidingsbesluiten 'bodem Aalsmeer' en 'staalslakken en grondstabilisatie Aalsmeer' verwerkt. Dit TAM omgevingsplan hoofdstuk 22d betreft het gehele grondgebied van Aalsmeer en is een aanvulling op de regels van het tijdelijke deel omgevingsplan.
Onderdeel van de regelgeving is de bodemkwaliteitskaart. Bijlage 3A-1 geeft de zonekaart van de bodemkwaliteitskaart weer waarin verschillende zones zijn gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie.
3.2.2 Projectgebied
Uitsnede zonekaart regio Amstelland en Meerlanden
Zones 1 en 2 op de zonekaart van de bodemkwaliteitskaart hebben betrekking op locaties met een relatief schone bodem. Voorafgaand aan het bouwen van een bodemgevoelige gebouw in deze zones is in principe een vooronderzoek (dossieronderzoek) voldoende, tenzij dat onderzoek aanleiding geeft voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek.
De voorgenomen ontwikkeling aan Bilderdammerweg 6-20 vindt plaats in zone 1.
Op 22 augustus 2022 is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Milieutechniek ZVS Eemnes BV (zie bijlage 2, projectnummer BO422268). De conclusie was dat er verontreiniging is geconstateerd. op basis daar van is er een nader onderzoek opgesteld, d.d. 26 oktober 2022 (zie bijlage 3, projectnummer BO422292) om de ernst van de verontreiding vast te stellen.
3.2.3 Conclusie
ZVS concludeert dat de bovengrond van de locatie sterk is verontreinigd. Er is in elk geval sprake van een ernstig geval, omdat er meer dan 25 m3 grond is verontreinigd. Onderscheid kan worden gemaakt tussen zand met bijmengingen, klei met bijmengingen en veen. Bijmengingen komen voor tot 1 m-mv.
De hoogste gehalten komen voor in de toplaag, vermoedelijk als gevolg van jarenlange toevoeging van assen als bemesting voor de moestuinen. Bijmengingen met kolengruis komen ook voor in het ophoogzand onder de erfverharding. Dit is mogelijk een erfenis van vroeger, toen de paden waren voorzien van een laag grind.
De grond zal deels worden gesaneerd en geschikt worden gemaakt voor de functie wonen. De grond zal deels worden gesaneerd en geschikt worden gemaakt voor de functie wonen. De grond zal voor het gehele project opgehoogd worden. Het maaiveld ligt nu te laag t.o.v de hoogte van de rijweg en de naastgelegen nieuwbouwproject Westeinderhage.
De as van de weg ligt op -4,04 meter ten opzichte van NAP (ter hoogte van Gravin Aleidstraat) oplopend naar -3,62 NAP (ter hoogte van Stichtse pad).
Het terrein richting de sloot ligt op sommige delen ruim een halve meter lager dan de as van de weg.
Normaliter ligt de as van de weg 0,20-0.30 meter onder afgewerkt vloerpeil.
Het openbaar terrein ligt gemiddeld 0,15 meter boven de as van de weg.
Dit betekent dat het vloerpeil op circa -3,84/-3,74 oplopend naar -3,42/-3,32 komt te liggen. En het openbaar terrein op circa -3,89 oplopend tot -3,47 NAP.
Het vloerpeil in Westeinderhage, het naastgelegen nieuwbouwproject, is vastgesteld op -3.85 NAP.
Op basis hiervan is het noodzakelijk de grond op te hogen.
Hierdoor kan het hemelwater beter worden opgevangen en afgevoerd naar de bestaande sloot achter het project en is er een betere aansluiting op de rijweg Bilderdammerweg.
Bestaand maaiveldhoogte Nieuwe maaiveld hoogt
3.3 Water
3.3.1 Toetsingskader
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Bij de uitvoering van de digitale watertoets komt het naleven van instructieregels aan de orde.
Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied;
het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid, de uitvoering ervan in de rijkswateren en de daartoe behorende aspecten van het omgevingsbeleid. Het NWP 2022-2027 geeft uitvoering aan de EU richtlijnen. Het NWP is de doorwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en een verplicht programma op grond van de Omgevingswet. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee.
Watertoets
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijft voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Op grond van dit artikel dient afstemming plaats te vinden met de waterbeheerder (Rijk, provincie, waterschap of gemeente). De verplichte weging van waterbelangen in afstemming met de waterbeheerder wordt ook 'watertoets' genoemd.
Bij verlies aan waterberging in de bodem en bij verhoogde afvoer van hemelwater op het oppervlaktewater, dient er in hetzelfde peilgebied open water te worden aangelegd of alternatieve waterberging toe te passen (bijvoorbeeld vegetatiedaken of speciale constructies om water op te vangen). Bij compensatie in open water geldt als norm dat het oppervlaktewatersysteem wordt uitgebreid met een wateroppervlak dat gelijk is aan 10 tot 20% van het aan te leggen verhard oppervlak. In de meeste gevallen is een percentage van 10% voldoende. In individuele gevallen kan het bestuur de compensatienorm naar boven bijstellen tot 20%. Dit zal met name het geval zijn in stedelijk gebied met een hoge bebouwingsdichtheid.
3.3.2 Projectgebied
Bij ruimtelijke plannen dient een watertoets te worden uitgevoerd. Doel van de watertoets is om de relatie tussen planvorming en waterhuishouding te versterken. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen daartoe te worden getoetst door de waterbeheerder. Bij een watertoets moeten de gevolgen voor de waterhuishouding in beeld worden gebracht.
Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van het AGV. Activiteiten moeten voldoen aan de eisen die worden gesteld vanuit de Waterschapsverordening. Bij (de uitvoering van) het onderhavige plan en de beoogde ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met het beleid en de Waterschapsverordening AGV.
Vuilwaterafvoer en hemelwaterafvoer
De woningen zullen aangesloten worden op een gescheiden stelsel. Het hemelwater wordt apart aangeboden van de vuilwaterafvoer en zal vertraagd afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. Dit betekent dat het gebruik van lood, zink en koper dat in contact kan komen met hemelwater niet is toegestaan.
Ook wordt teerhoudende dakbedekking (PAK's) vermeden en mag er niet met verontreinigende stoffen verduurzaamd hout in de bouw en bij de inrichting van de openbare ruimte worden gewerkt.
Het vuilwater zal worden afgevoerd naar de vuilwaterafvoer.
Waterkeringen
De activiteit wordt niet uitgeoefend binnen – of in een gebied nabij een waterkering.
Watercompensatie
In de tijd dat de sociale huurwoningen nog bewoond waren, was er veel verharding op de erven aanwezig. Aangezien de woningen eind 2024 zijn gesloopt mag er in het gebied van watercompensatie rekening worden gehouden met voorheen verharde situatie en de nieuwe verharde situatie.
Voor de sloop van de woningen was er 3621 m2 verharding aanwezig.
In de nieuwe situatie is er 3150 m2 aan verharding aanwezig. Dat is bijna 500 m2 minder. Hierdoor hoeft er geen watercompensatie plaats te vinden. Zie bijlage 4 voor kaart watercompensatie Bilderdammerweg 6-30.
Peilmaat
In het naastgelegen ontwikkelgebied Westeinderhage is bij het opstellen van het bijbehorende bestemmingsplan Kudelstaart - Westeinderhage geconstateerd dat er een aantal verschillende peilgebieden voorkomen in dat plan.
De peilhoogtes van deze gebieden variëren van – 5,07 tot circa – 5,97 meter ten opzichte van NAP.
Dit voormalige agrarisch gebied wordt momenteel getransformeerd naar een woongebied. Er is voor het gehele gebied, Zuider Legmeerpolder, waar dit project ook binnen valt, op 29 mei 2024 een peilbesluit genomen waarbij de verschillende kleine peilgebieden samen zijn gevoegd tot een groot peilgebied (NAP -5,2 m). Dat maakt het watersysteem van dit gebied en van de polder in zijn geheel robuuster en duurzamer.
Op locaties waar grondwatereffecten worden verwacht zal de grondwaterstand worden gemonitord door de initiatiefnemer voorafgaand aan de realisatie tot een ruime periode na de realisatie.
Waterkwaliteit
Er wordt geadviseerd gebruik te maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het is niet toegestaan om uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te gebruiken. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Vooroverleg AGV
Op 9 april 2025 is er contact geweest met Waternet over de watercompensatie.
Er is aangegeven dat er geen water hoeft te worden gecompenseerd. Daarnaast hebben ze nog wat relevante zaken mee gegeven voor de verdere uitwerking. Voor Klimaatadaptieve zaken zie paragraaf 3.4
3.3.3 Conclusie
Met het onderhavige plan is er geen sprake van functies en activiteiten die, per saldo, leiden tot een aantasting van de waterhuishouding. Het verhard oppervlak neemt af. Het aspect water is geen belemmering voor het onderhavige TAM - omgevingsplan.
3.4 Klimaatadaptatie
3.4.1 Toetsingskader
Om Nederland te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering, is het nodig om verschillende soorten maatregelen te nemen, vanuit verschillende beleidsvelden.
Klimaatadaptatie is een van de grote opgaven die overheden moeten aanpakken. De instrumenten van de Omgevingswet zijn hulpmiddelen om de opgave van klimaatadaptatie integraal met andere omgevingsopgaven aan te pakken.
3.4.2 Plangebied
De gemeente vereist dat in nieuwbouwprojecten klimaatadaptief wordt gebouwd. Voor die plangebied zijn de volgende eisen van toepassing op basis van landelijk beleid, dat van de MRA en gemeentelijk beleid.
Het plangebied moet een maatgevende bui van 70 mm per uur kunnen verwerken zonder dat er schade door wateroverlast ontstaat op het perceel en aangrenzende percelen.
De openbaar toegankelijke gebieden moeten voorzien van 30% schaduw
De ontwateringsdiepte tussen de kruipruimte en gemiddeld hoogste grondwaterstand(GHG) moet minimaal 0,20 m zijn.
Toenemend verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden conform de eisen van het waterschap (zie eerder benoemde eis onder ‘water’).
Er zijn verschillende instrumenten om dit te toetsen en diverse maatregelen om hier invulling aan te geven binnen het stedenbouwkundig plan.
Wateroverlast voorkomen
Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt een waterbergingseis van 70 mm voor het te ontwikkelen gebied. Deze waterberging moet primair een plaats vinden in oppervlaktewater (minimaal 10% van het plangebied). De openbare ruimte en privaat terrein moeten zo zijn ontworpen en ingericht dat de resterende berging hier plaatsvindt en het water zonder schade kan worden vastgehouden, geborgen en afgevoerd. Dit moet worden aangetoond in het ontwerp.
Hitte beperken
Bij nieuwbouwontwikkeling streeft de gemeente naar een zodanige inrichting van het gebied dat de gevoelstemperatuur binnen aanvaardbare normen blijft. Koele verblijfsplekken van minimaal 200 m2 zijn aanwezig op maximaal 300 m loopafstand om (de gevolgen van) hitte voor mens en natuur te beperken. Verblijfsplekken worden met minimaal 50% groen en 30% schaduw ingericht (bomen tellen voor beide). Daarbij is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de bestaande Flora en Fauna en voor nieuwe beplanting keuzes worden gemaakt voor gebiedseigen Flora en Fauna
Droogte
Een gebied bij een nieuwbouwontwikkeling wordt neerslag bergend en afvoer vertragend ingericht. Zodanig dat bij droogte bomen, groen, (dak)tuinen of andere voorzieningen van water worden voorzien. Daarom wordt het principe van de verdringingsreeks gehanteerd: vasthouden, bergen en afvoeren.
Maatregelen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 30 jaar worden in het ontwerp opgenomen, zoals langdurige voorbelasting om restzetting te beperken.
3.4.3 Conclusie
Er is een klimaat- en watertoets opgesteld voor dit project (projectnummer 0506350.00 datum 18 november 2025, zie bijlage 11). De conclusie van het rapport is dat in algemene zin de plannen volledig zijn en er is over elk klimaatthema en de bijbehorende toetsingskaders goed, zorgvuldig en proactief nagedacht.
Openbare ruimte:
De parkeerplaatsen op het binnenterrein worden ontsloten op de Bilderdammerweg. Deze parkeerplaatsen zijn voor zowel de appartementen als de grondgebonden woningen. De inrichting van het openbaar gebied dient te voldoen aan de door de gemeente Aalsmeer gestelde randvoorwaarden en conform beleid/eisen Klimaatadaptief bouwen. Hierbij is het van belang het verharde oppervlak zoveel mogelijk te beperken.
Bij de inrichting van de openbare ruimte is het van belang dat het regenwater zoveel mogelijk wordt opgevangen, hergebruikt kan worden of dat wordt gezorgd voor een vertraagde afvoer. De Bilderdammerweg watert af in zuidwestelijke richting. Op de kavels en over de parkeerplaats wordt er met kleine hoogteverschillen (10-20 cm) afgewaterd richting de watergang die aan de noord- en oostzijde van het plangebied ligt.
Hitte
In het huidig VO is er voldoende schaduw en boomkroonbedekking aanwezig.
Het parkje in de oostelijke hoek van het plangebied is groot en bereikbaar genoeg om als koele zone te fungeren binnen de plannen. Daarnaast bieden de groenstructuren in de ontwikkeling van Westeinderhage een goed alternatief voor verkoeling.
Grote parkeerplaats en aangelegen verharding om de parkeerplekken te bereiken in het midden van het plan is een aandachtspunt voor hittestress.
Droogte
De ontwikkeling heeft minder verhard oppervlak dan de huidige situatie (twaalf grondgebonden woningen), wat positief bijdraagt aan het laten infiltreren, en dus vasthouden of vertraagd afvoeren, van hemelwater.
Klimaatbestendig nieuwbouw
De woningen kunnen het hemelwater van piekbuien opvangen, vasthouden en vertraagd afvoeren (70 mm/u). Huidige plannen voldoen aan de eisen die gesteld zijn voor het waterbergen op privaatterrein.
3.5 Natuur
3.5.1 Toetsingskader
Doel van de omgevingswet is onder andere de bescherming van soorten en leefgebieden als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet is een implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn).
De Omgevingswet beslaat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De wet kent een beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, voor soorten van de Habitatrichtlijn en voor andere soorten. Het komt er onder andere op neer dat soorten niet opzettelijk gedood, gevangen of verstoord mogen worden. Ook het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen is verboden. Vrijwel alle vogels zijn beschermd ingevolge de Vogelrichtlijn.
Habitatrichtlijnsoorten zijn bijvoorbeeld alle vleermuissoorten. Onder de andere soorten vallen bijvoorbeeld de ringslang en grote modderkruiper. Gedeputeerde Staten kunnen in sommige gevallen ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen voor de andere soorten. Met betrekking tot de gebiedsbescherming wordt hoofdzakelijk gekeken naar de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het wijzigen van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal of gemeentelijk beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het besluitgebied zelf te liggen. Activiteiten in een besluitgebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking.
3.5.2 Flora en fauna
Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied vanwege de sloop van de woningen. Uit deze quick scan bleek dat nader onderzoek nodig was naar jaarrond beschermde vogelnesten en vleermuizen.
Uit het nader onderzoek (zie bijlage 5, projectnummer 18029 d.d. 6-12-21) bleek dat er diverse vleermuisverblijfplaatsen in de panden aanwezig zijn. Er is daarom een vergunning aangevraagd conform de Wet natuurbescherming aan de Omgevingsdienst. Deze is verleend op 9 maart 2022 en was tot 31 december 2024 geldig. Tot die tijd zijn er voorafgaand aan de sloop vleermuiskasten opgehangen rondom het plangebied, zodat vleermuizen voldoende gelegenheid wordt geboden om andere plekken op te zoeken om te verblijven. De woningen zijn dichtgezet voor vogels en vleermuizen. De woningen zijn gesloopt.
Op 11 september 2024 is een wijziging van de verleende ontheffing aangevraagd. Deze is op 29 januari 2025 verleend (zie bijlage 6).
De Omgevingdienst gaat akkoord met de wijziging van de geldigheidsduur, de locaties van de permanente alternatieve verblijfplaatsen alsmede de tenaamstelling van de ontheffing conform hoofdstuk 3 van de Wnb voor de sloop en nieuwbouw van een aantal woningen aan de Bilderdammerweg.
3.5.2.1 Conclusie
Het aspect flora en fauna is geen belemmering voor het onderhavige TAM - omgevingsplan.
3.5.3 Stikstof
In het kader van de bescherming van Natura 2000-gebieden moet onderzocht worden of een plan of project negatieve effecten veroorzaakt. Om de externe effecten te onderzoeken moet een stikstofberekening uitgevoerd worden van de bouwfase en de gebruiksfase met AERIUS Calculator.
Er is een berekening uitgevoerd voor de realisatie en de gebruiksfase van het project (zie bijlage 7, 25 april 2025) om de (mogelijke) stikstofdepositie te berekenen.
Uit de berekeningen blijkt dat het project niet leidt tot stikstofdepositie. Het plangebied ligt ook niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied (circa 9 kilometer), waardoor direct negatieve effecten ook uitgesloten kunnen worden.
3.5.3.1 Conclusie
Geconcludeerd wordt dat negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit benodigd.
3.6 Archeologie en cultureel erfgoed
3.6.1 Archeologie
3.6.1.1 Toetsingskader
De Erfgoedwet vormt (momenteel) het wettelijke fundament voor het materieel cultureel erfgoed en de archeologie in Nederland. Onderdelen van de voormalige Monumentenwet over archeologie vallen nu onder de Erfgoedwet en worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Onderdeel van archeologische regelgeving is de verplichting om rekening te houden met archeologie bij het opstellen van een omgevingsplan of bij een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit. Dit houdt in dat de gemeente bij de voorbereiding van een planwijziging of besluit omgevingsvergunning moet onderzoeken of de grond een archeologische waarde of verwachting bezit. In het omgevingsplan of de omgevingsvergunning kunnen archeologische voorschriften worden opgenomen wanneer de gemeente de grond bestemd heeft als archeologisch waardevol of onderzoeksgebied.
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta) uit 1992. Dit gaat uit van de bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Tevens dient de financiering van het archeologisch onderzoek en het behoud in de bodem te worden geregeld.
De kern van de Erfgoedwet is dat gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden.
Dankzij het principe van ‘de verstoorder betaalt’, dat ervan uitgaat dat de aanvrager van een omgevingsvergunning en de uitvoerder van bouwwerkzaamheden of van aanlegactiviteiten zelf de kosten moet dragen voor het voldoen aan de archeologische voorschriften, worden meer archeologische resten in situ behouden.
Het principe dat de veroorzaker betaalt geldt uitsluitend wanneer de wet uitdrukkelijk bepaalt dat er een archeologisch voorschrift aan de vergunning kan worden verbonden.
De volgende archeologische voorschriften worden in de Erfgoedwet genoemd:
Het treffen van maatregelen waardoor de archeologische resten in situ behouden blijven;
De verplichting tot het doen van opgravingen;
Het werk laten begeleiden door een deskundige.
Het Rijk is het bevoegd gezag bij toevalsvondsten, waarvan sprake is wanneer er bij werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen (paragraaf 5.4 Erfgoedwet). Vondsten met archeologische waarde dienen te worden aangegeven bij het provinciaal depot voor archeologie van de provincie Noord-Holland.
Archeologie gemeente Aalsmeer
In sommige delen van Aalsmeer, is de kans op archeologische resten in de bodem klein, omdat de bodem in het verleden al is verstoord, bijvoorbeeld door inpoldering. In andere delen van Aalsmeer is de kans op archeologische waarden in de bodem juist groot. Bijvoorbeeld in de oude dorpskern en langs de dijken die al lang worden bewoond. Aalsmeer is daarom ingedeeld in archeologische verwachtingsgebieden. Deze archeologische verwachtingsgebieden zijn toegelicht in de ‘Beleidsnota Archeologie 2016’ en de ‘Beleidsnota Archeologiekaart’.
![i_NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01_402012.jpg [image]](i_NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01_402012.jpg)
Uitsnede archeologiekaart met legenda
Of een archeologisch onderzoek bij plannen is vereist is afhankelijk van de grootte en diepte van de bodemverstoring. Dit is bijvoorbeeld aangegeven in de legenda van de 'Beleidsnota Archeologiekaart'.
3.6.1.2 Plangebied
Volgens de archeologiekaart geldt voor een klein deel van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde, een archeologisch onderzoek is een vereiste bij plannen met bodemverstoring dieper dan 0,40 meter, tenzij de oppervlakte van (de bodemingreep ten behoeve van) het bouwwerk niet meer dan 50 m2 bedraagt. In 2022 is een archeologische onderzoek uitgevoerd m.b.t. de aanleg van een fietspad. Uit het archeologische bureauonderzoek volgde het advies om een proefsleuvenonderzoek te doen. De verwachting is dat het onderzoek te weinig kans biedt op kennisvermeerdering. In het kader van de vergunningverlening hoeft geen verder onderzoek worden gedaan ten behoeve van de archeologische monumentenzorg. De meldingsplicht voor vondsten blijft natuurlijk gelden.
Het overgrote deel van het plangebied is archeologievrij
3.6.1.3 Conclusie
Het omgevingsaspect archeologie vormt geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
3.6.2 Cultureel erfgoed
Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten.
Binnen het plangebied zijn geen monumenten.
3.7 Geluid
3.7.1 Toetsingskader
De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor- en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de bepaling van geluidaandachtsgebieden in de Omgevingswet en in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De toetsing van de geluidbelasting is nodig voor zover het geluidgevoelig gebouw is gelegen in een geluidaandachtsgebied. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg of wijziging van een weg zal ook de geluidbelasting veroorzaakt door verkeer op die weg op bestaande geluidgevoelige gebouwen in beeld moeten worden gebracht. In het Bkl is tevens bepaald wanneer en hoe het gecumuleerde geluid en gezamenlijke geluid dienen te worden berekend.
Geluidaandachtsgebied
Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Besluit kwaliteit leefomgeving). Bij een gemeenteweg, waterschapsweg en lokale spoorweg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip begrensd door een vaste afstand (artikel 17.5 Omgevingsregeling). Deze afstanden zijn weergegeven in de hiernavolgende tabel. Voor provinciale wegen (in Noord-Holland) geldt momenteel ook de vaste afstand voor het geluidaandachtsgebied. Voor wegen en spoorwegen met een geluidproductieplafond geldt (reeds) een specifiek geluidaandachtsgebied behorende bij die weg.
Geluidaandachtsgebieden wegverkeer, volgens de overgangsregeling
|
Aantal rijstroken |
Maximumsnelheid |
Breedte geluidaandachtsgebied |
|
1 of 2 |
30 km/uur |
100 meter |
|
1 of 2 |
> 30 km/uur |
200 meter |
|
3 of meer |
> 30 km/uur |
350 meter |
Standaardwaarden en grenswaarden
Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Een standaardwaarde kan bij omgevingsplan hoger of lager worden vastgesteld. Zo kan bijvoorbeeld in het omgevingsplan de standaardwaarde voor een bedrijventerrein verhogen en in het buitengebied verlagen. Als aan de standaardwaarde wordt voldaan, is geen nadere afweging of besluitvorming nodig.
Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Een overschrijding van de grenswaarde op een geluidgevoelig gebouw is alleen bij uitzondering en in de in het Bkl genoemde gevallen mogelijk.
Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid
Het gecumuleerd geluid is het geluid door de geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld met een correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid.
Bij zowel het bepalen het gecumuleerd geluid en het gezamenlijk geluid moet in ieder geval het geluid afkomstig van (spoor)wegen, industrieterreinen, luchtvaartverkeer, windturbines en schietbanen worden betrokken.
Wegverkeer
Tijdens de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moet inzicht worden gegeven in de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen die gesitueerd worden binnen het geluidaandachtsgebied van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg of wijziging van een weg zal ook de geluidbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe en/of gewijzigde weg op (bepaalde) bestaande geluidgevoelige functies/gebouwen in beeld moeten worden gebracht.
Luchtvaartverkeer / vliegverkeer
In het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) zijn onder andere zones opgenomen waarin beperkingen gelden voor (nieuwe) geluidgevoelige functies/gebouwen. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de beperkingen en bepalingen van het LIB.
Het luchtvaartlawaai van Schiphol moet in bepaalde gevallen mee worden genomen bij de berekening van gezamenlijk geluid, en kan in elk geval worden meegenomen bij de berekening en beoordeling van gecumuleerd geluid in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bedrijven algemeen
Als een bedrijf zich bevindt op een gezoneerd industrieterrein, dan zijn de grenswaarden van de geluidzone ofwel het geluidaandachtsgebied van toepassing. Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige gebouwen binnen de geluidzone, alsook een bedrijfsactiviteit op het industrieterrein, dient rekening te worden gehouden met de grenswaarden van de geluidzone. Voor een industrieterrein waarvoor nog geen geluidproductieplafond (gpp) is vastgesteld, geldt dat, in het geval van een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde, voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen hogere waarden dienen te worden vastgesteld.
Voor de (kleinere) bedrijfsterreinen waarvoor geluidzonering (dan wel een geluidaandachtsgebied) niet verplicht is, geven de VNG-publicaties/handreikingen 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) en ‘Activiteiten en milieuzonering’ (2024) richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid kan worden omgegaan. De VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) geeft onder meer, ter voorkoming van geluidhinder bij geluidgevoelige functies/gebouwen, richtafstanden en streefwaarden. De wettelijke geluidsnormen (standaardwaarden en grenswaarden toelaatbaar geluid) voor bedrijfsactiviteiten, welke gelden voor de bedrijven, zijn opgenomen in het Bkl.
3.7.2 Plangebied
Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het plan (zie bijlage 8, kenmerk: R001-1301446JHK-V03-mwh-NL, datum 13-05-2025).
De nieuw te realiseren woningen zijn gelegen in het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen Bilderdammerweg, Gravin Aleidstraat, Stichtse Pad, Robend, Kudelstaartseweg en Herenweg. Daarnaast is er sprake van luchtvaartlawaai.
Wegverkeer
Uit de resultaten volgt dat het geluid door gemeentewegen op de woningen ten hoogste 55 dB bedraagt. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 Lden overschreden. De grenswaarde van 70 Lden wordt niet overschreden.
Uit de berekeningen blijkt dat de standaardwaarde voor gemeentewegen alleen wordt overschreden op de gevels die aan de Bilderdammerweg zijn gelegen. De geluidbelastingen op de overige gevels voldoen aan de standaardwaarde en zijn daarmee volgens de definitie uit het geluidbeleid geluidluw.
Schiphol
De woningen liggen qua geluid binnen een beperkingengebied van het LIB van de luchthaven Schiphol. De geluidbelasting vanwege vliegverkeer aan de Bilderdammerweg 6-30 bedraagt 49 of 50 dB. Deze geluidbelastingen zijn gehanteerd bij de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting en het gezamenlijke geluid.
Cumulatie
Conform de rekenregels uit de Omgevingswet is de gecumuleerde geluidbelasting berekend ten gevolge van het wegverkeer en luchtvaart.
De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 59 dB. Hierbij is de geluidbelasting vanwege luchtvaart het meest bepalend.
Gezamenlijk geluid
Het gezamenlijk geluid op de gevel is de geluidbelasting van de verschillende geluidbronnen tezamen op die gevel. Het geluid van de betrokken geluidbronnen wordt ongewogen bij elkaar opgeteld, zonder correcties voor verschillen in hinderlijkheid.
Het gezamenlijk geluid is nodig om de benodigde geluidwering van de gevel te bepalen. Dit is nodig om de binnenwaarde van een geluidgevoelig gebouw te borgen.
Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 56 dB. Hierbij is de geluidbelasting vanwege luchtvaart het meest bepalend.
Bedrijvigheid
de woningen liggen niet in de buurt van een gezoneerde bedrijventerrein.
3.7.3 Conclusie
De geprojecteerde woningen beschikken over een geluidluwe gevel aan de zijden die niet naar de Bilderdammerweg zijn gericht. Hier kan ook een geluidluwe buitenruimte worden gecreëerd. Bij de indeling van de woningen zullen de slaapkamers zoveel mogelijk aan de geluidluwe gevel (de noordwest-, noordoost- en/of de zuidwestgevel) moeten worden gerealiseerd om aan de derde eis uit het geluidbeleid te voldoen. Daarnaast zullen de installaties in de woning optimaal gepositioneerd moeten worden ten opzichte van de slaapkamers. Hiermee kan in het ontwerp rekening worden gehouden.
Er is sprake van een gecumuleerde geluidbelasting en een gezamenlijk geluid van meer dan 53 dB, namelijk 56 dB. Geadviseerd wordt om de geluidwering van de gevel te laten beoordelen, waarbij wordt uitgegaan van de eisen zoals gesteld in het Besluit bouwwerken leefomgeving in nieuwbouw situaties.
3.8 Luchtkwaliteit
3.8.1 Toetsingskader
De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid, zo bepaalt artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet (Ow). Hierbij houdt de gemeente rekening met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Ow).
In paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels die de gemeente bij een omgevingsplanwijziging of het toestaan van een buitenplanse omgevingsactiviteit moet hanteren om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Strikt genomen gaat het daarbij om activiteiten gelegen in een aandachtsgebied. De toetsing aan de rijksomgevingswaarden geldt niet als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Het niet in betekenende mate (NIBM) verslechteren van de luchtkwaliteit is het geval als een activiteit leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van NO2 en PM10 van 1,2 µg/m3 of minder, waarvoor een aantal standaardgevallen zijn aangewezen.
De standaardgevallen niet in betekenende mate
De standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit staan onder artikel 5.54 (Bkl). Voor woonfuncties geldt:
Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of
twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen;
3.8.2 Plangebied
Het betreft het slopen van 12 grondgebonden woningen en het bouwen van 8 grondgebonden woningen (en 26 appartementen waar een aparte procedure voor wordt doorlopen).
3.8.3 Conclusie
Het project voldoet aan artikel 5.54 Bkl en draagt "niet in betekende mate" bij aan de lucht verontreiniging.
3.9 Geurhinder
3.9.1 Toetsingskader
De gemeente moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:
bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen
bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven
De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.
Woningen kunnen ook zelf geurhinder veroorzaken. Bijvoorbeeld als gevolg van hobbymatige activiteiten. Of het stoken van hout in kachels en open haarden. De instructieregels in het Bkl, paragraaf 5.1.4.6, gelden niet voor woningen. De gemeente is dus niet verplicht om in het omgevingsplan regels te stellen aan woningen die de geurhinder in de leefomgeving beperken. Wel kan de gemeente ervoor kiezen hier regels aan te stellen.
Het gaat hier niet om woningen met een bedrijf aan huis. Als de geurhinder afkomstig is van de bedrijfsmatige activiteit, dan gelden de instructieregels uit het Bkl wel.
3.9.2 Plangebied
In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen te vinden die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het woon- en leef-klimaat. Anderzijds worden er dus ook geen veehouderijen belemmerd door de realisatie van de woning.
3.9.3 Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘geurhinder’ geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
3.10 Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Aalsmeer gaat het voor externe veiligheid met name om de risico’s van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, de luchthaven Schiphol en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen. Tegenwoordig wordt externe veiligheid ook (als een onderdeel van) omgevingsveiligheid genoemd.
3.10.1 Toetsingskader
Productie, opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen moet veilig worden uitgevoerd. Daarom zijn er regels en vergunningen die daartoe verplichten. Als er toch een ongeval plaatsvindt, moet de omgeving tegen de gevolgen van een brand, explosie of gifwolk beschermd zijn. Hier richt Omgevingsveiligheid zich op door een balans te vinden tussen economische activiteiten met gevaarlijke stoffen en de inrichting van de omgeving.
Algemene regels van het Rijk op het gebied van externe veiligheid staan in:
het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als het gaat om regels voor burgers en bedrijven
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) als het gaat om regels voor overheden
Bij omgevingsveiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving in relatie tot het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen bij bedrijven met risicovolle milieubelastende activiteiten, het transport van gevaarlijke stoffen via openbare wegen, water- en spoorwegen en buisleidingen, het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens.
Een viertal begrippen is van belang:
Plaatsgebonden risico (PR),
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen of activiteiten, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
Voorschriftengebieden
In het omgevingsplan worden aandachtsgebieden als voorschriftengebieden aangewezen, waardoor (bouwtechnische) maatregelen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gaan gelden voor nieuwe gebouwen.
Groepsrisico
Binnen de aandachtsgebieden kunnen zich ongewone voorvallen met gevaarlijke stoffen voordoen, waarbij afhankelijk van de bevolkingsdichtheid in het gebied meer of minder slachtoffers kunnen vallen. Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal tien mensen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Deze begrippen vullen elkaar aan en leiden gecombineerd met elkaar tot een voldoende (en afgewogen) beschermingsniveau per functie en locatie.
3.10.2 Plangebied
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van risicovolle bedrijven, buisleiding of route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook maakt het omgevingsplan geen van deze risicoveroorzakende activiteiten mogelijk.
3.10.3 Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘omgevingsveiligheid’ geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
3.11 Mobiliteit en parkeren
3.11.1 Toetsingskader
Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming hebben we het over vervoer met de auto, het openbaar vervoer, de fiets, et cetera. Hiervoor zijn voorzieningen nodig, zoals wegen, fietspaden, openbaar vervoerverbindingen en parkeervoorzieningen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is verder een aspect dat in de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
De gemeente Aalsmeer heeft haar parkeernormen vastgelegd in de parkeernota ‘Nota Parkeernormen Aalsmeer 2016’. Deze nota is door de gemeenteraad van Aalsmeer vastgesteld op 22 september 2016.
In het plan worden kleine woningen gerealiseerd, met een woonoppervlak kleiner dan 100m2. Alleen de 4 hoekwoningen mogen een woonoppervlak tot maximaal 140 m2. Echter geldt er met de huidige Nota Parkeernormen Aalsmeer 2016 een relatief hoge parkeernorm voor dit plan. Omdat een actualisatie van de huidige parkeernormen op zich laat wachten, is het daarom wenselijk om af te wijken van de huidige parkeernormen en aan te sluiten bij het beoogde toekomstige beleid. Er komen veelal starters en senioren in de nieuw te bouwen woningen. In verband met de goede bereikbaarheid met fiets en openbaar vervoer is het passend hier rekening mee te houden in de parkeernorm.
Conform de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren (van parkeerkencijfers naar parkeernormen)’ wordt voor een kleine eenpersoonswoningen een norm gehanteerd tussen de 0,6 en 0,8 parkeerplaatsen. Voor huurappartementen, midden/goedkoop zien we een norm tussen de 0,8 en 1,6 parkeerplaatsen in een weinig stedelijk gebied. Voor koopappartementen, goedkoop ligt dit tussen de 1,0 en 1,8 parkeerplaatsen.
We kunnen daarmee stellen dat een lagere parkeernorm op z’n plaats is en hebben daarmee gekozen voor een gemiddelde, waarbij we uit zijn gegaan van 1,2 parkeerplaatsen per woning tot 100 m2 woonoppervlak. Voor de 4 hoekwoningen wordt uitgegaan van 1,9 pp per woning, conform de Nota Parkeernormen Aalsmeer. De parkeervraag voor het gehele project komt daarmee uit op een totaal van 43,6 parkeerplaatsen, afgerond 44 parkeerplaatsen.
3.11.2 Plangebied
Parkeren
Het aantal woningen in het plangebied, inclusief de appartementen, zal toenemen met 22 woningen. Door het realiseren van een fietspad zijn de openbare parkeerplaatsen voor de gesloopte woningen opgeheven. Alle parkeerplaatsen voor dit project moeten nieuw worden aangelegd. Dit wordt op een nieuw aan te leggen parkeerterrein gedaan achter de Bilderdammerweg.
Deelmobiliteit
In de directe omgeving zijn geen gereserveerde parkeerplaatsen voor deelauto's.
Oplaadpunten
Voor het opladen van een elektrische auto zijn er in de directe omgeving nog geen openbare oplaadpunten aanwezig. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden ingespeeld op de stijgende behoefte aan oplaadvoorzieningen. Daarom moet 5% van de te realiseren parkeerplaatsen worden voorzien van een openbare oplaadpaal.
Bushalte
De OV-bereikbaarheid is gunstig. Tegenover de projectlocatie ligt de bushalte Gravin Aleidstraat waar buslijn 358, via busstation Aalsmeer en Amstelveen, tot station Zuid in Amsterdam rijdt.
Fietspad
Voor het projectgebied ligt een, pas aangelegde, vrijliggend tweerichtingenfietspad tot aan de kruising met het Stichtse Pad
3.11.3 Conclusie
Voor het gehele project (grondgebonden woningen en appartementen) zijn 44 parkeerplaatsen benodigd. Deze dienen op het binnenterrein te worden gerealiseerd, de nieuw aan te leggen parkeerterrein is voldoende groot. Er kunnen 45 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Minimaal 2 parkeerplekken dienen te worden voorzien van oplaadpunten.
Onderhavig planvoornemen kent geen belemmeringen met betrekking tot het aspect mobiliteit en parkeren.
3.12 Duurzaam bouwen en energie
3.12.1 Toetsingskader
Aalsmeer zet in op duurzaamheid in brede zin: duurzame energie, circulaire economie én een kansrijke samenleving. Daarnaast heeft Nederland zich aangesloten bij het Klimaatakkoord in Parijs en heeft toegezegd dat onze energievoorziening in 2050 volledig duurzaam is. Aalsmeer streeft er in 2050 vrij te zijn van fossiele brandstoffen.
De Wet Voortgang Energietransitie (wet VET) trad op 1 juli 2018 in werking. De wet regelt onder meer dat de aansluitplicht voor aardgas vervalt. In de praktijk betekent dat nieuwbouw niet meer zal worden aangesloten op aardgas, behalve in uitzonderlijke situaties.
Voor BENG betekent dit dat nieuwe gebouwen in vrijwel alle gevallen zonder aardgas zullen worden ontwikkeld. Voor alle nieuwbouw gelden vanaf 1 januari 2021 de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD).
Een toekomstbestendige economie is een circulaire economie, waarbij wordt ingezet op hergebruik van grondstoffen. De bouw biedt concrete kansen voor de circulaire economie. Er worden veel materialen gebruikt en de resultaten zijn tastbaar. Het is goed om in te zetten op: hergebruik van minerale grondstoffen; levensduurverlenging en hoogwaardig hergebruik. Circulaire economie in de nieuwbouw moet leiden tot CO2-reductie. Het doel volgt daarin de gestelde doelen in het klimaatakkoord.
De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een indicator van de milieubelasting van de materialen in een gebouw. Een MPG-score is verplicht bij een omgevingsvergunning. Per 1 juli 2021 geldt een landelijke grenswaarde van maximaal 0,80 voor nieuwe woningen. Deze wordt de komende jaren stapsgewijs aangescherpt.
In Nederland maken we de overstap van fossiele naar duurzame energie, de zogeheten energietransitie. De energietransitie vraagt ruimte in de fysieke leefomgeving. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen.
3.12.2 Plangebied
Het uitgangspunt voor de grondgebonden woningen is dat deze energieneutraal zijn. In de tenderprocedure zal hier aandacht aan gegeven worden, bijvoorbeeld door middel van een ontwerp voor woningen met een beperkte energievraag en voldoende eigen duurzame opwekking. Bij het aspect energie wordt ook meegenomen dat de woningen zo min mogelijk bijdragen aan de netcongestie die in de regio aanwezig is.
3.12.3 Conclusie
De gemeente stimuleert en faciliteert om woningen te verduurzamen of zo duurzaam mogelijke te bouwen, zie Duurzaamheid | Gemeente Aalsmeer.
HOOFDSTUK 4 Financiële haalbaarheid
4.1 Financieel economische haalbaarheid
De beoogde ontwikkeling bevat directe bouwtitels voor de verwezenlijking van 8 grondgebonden woningen. Gelet op de grote behoefte aan woningen in Kudelstaart en Aalsmeer is de verwachting dat de bestemming gerealiseerd gaat worden.
De gemeente is eigenaar van de grond. De gemeente heeft sloopwerk uitgevoerd en zal de grond saneren en bouwrijp maken.
De grondopbrengsten dekken naar verwachting de grondexploitatiekosten. Overigens is er al een voorziening getroffen voor de ontwikkeling van het grondexploitatiegebied waar ook de naastgelegen ontwikkeling van 26 appartementen deel van uitmaakt.
4.2 Kostenverhaal
De Omgevingswet (artikel 13.11 Ow en artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob)) verplicht gemeenten de gemaakte kosten te verhalen op de initiatiefnemer als deze nieuwe bouwactiviteiten en/of gebruiksactiviteiten uitvoert of wil uitvoeren die in het Omgevingsbesluit (‘Ob’) zijn aangewezen. In dit plan is de gemeente grondeigenaar. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd door uitgifte van de gronden.
De gemeente is de enige eigenaar in het projectgebied. Doordat de gemeente op eigen grond ontwikkelt is van de noodzaak van het verhalen van kosten op derden geen sprake.
4.3 Nadeelcompensatie
Nadeelcompensatie gaat over de schade die de gemeente rechtmatig veroorzaakt bij bijvoorbeeld vergunningverlening of uitvoering. De basisregeling voor nadeelcompensatie staat in titel 4.5 van de Awb. In deze titel staan grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over de toekenning van nadeelcompensatie. Omdat deze regeling niet zonder meer kan worden toegepast op besluiten uit de Omgevingswet voorziet de Omgevingswet in een regeling voor nadeelcompensatie in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 15.
HOOFDSTUK 5 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1 Participatie
Omwonenden/belanghebbenden zijn door Eigen Haard op de hoogte gebracht van de sloop van de 12 grondgebonden sociale huurwoningen. Alleen was er toen nog sprake van het terug bouwen van 17 grondgebonden sociale huurwoningen.
Op 29 februari 2024 zijn de omwonenden/belanghebbenden tijdens een informatiebijeenkomst van het nieuwe plan op de hoogte gebracht. Iedereen kon zorgen/wensen/ideeën aangeven welke in het project meegenomen zouden kunnen worden. De mensen waren overwegend positief en waren blij dat er eindelijk in dat jaar gesloopt ging worden.
Vanaf 5 september t/m 10 oktober 2024 heeft de projectnota en beeldkwaliteitsplan in concept ter inzage gelegen voor participatie. Daar zijn 9 reacties op binnengekomen.
Op 13 februari 2025 is de projectnota en beeldkwaliteitsplan vastgesteld.
5.2 Bestuurlijk vooroverleg
In het kader van het vooroverleg is het concept ontwerp toegezonden aan de hieronder genoemde instantie op 13 augustus 2025.
De toezending is gedaan met het verzoek om binnen 6 weken te reageren en met de mededeling, dat indien niet binnen die termijn zal zijn gereageerd, wordt aangenomen dat het concept ontwerp TAM-omgevingsplan geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen.
Amstel, Gooi en Vecht (AGV)
Brandweer Amstelland
Beide instanties hebben een reactie gestuurd. In bijlage 10 vindt u de nota van beantwoording met de inhoudelijke reactie van het college op de ingediende inspraakreacties.
5.3 Vaststellingsprocedure
Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd van 28 november 2025 tot en met 8 januari 2026. Omwonenden zijn middels een huis-aan-huis brief op de hoogte gesteld van de procedure.
Gedurende de termijn van ter inzage legging heeft eenieder de gelegenheid om een zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Het plan wordt wel (ambtelijk) gewijzigd vastgesteld.
Paragraaf 3.4 van de toelichting:
Er is een klimaat- en watertoets opgesteld voor dit project. De conclusie uit dit rapport is tekstueel opgenomen in 3.4.3.
Ook is het rapport opgenomen in de bijlagen bij de toelichting (bijlage 11).
Plankaart:
In verband met de inrichting van de weg en bijbehorende maatvoering is de lijn van functie Woongebied (WG) 46 cm verschoven naar het oosten toe (zie rode pijl op de verbeelding hieronder). De functie Verkeer -Verblijfsgebied is hierdoor vergroot met 0.46 cm.
Gewijzigde plankaart
HOOFDSTUK 6 Conclusie
6.1 Gezonde leefomgeving
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem.
Toetsing
De genoemde aspecten, voor zover van toepassing, zijn in hoofdstuk 3 nader gemotiveerd. Volledigheidshalve wordt hier dan ook naar verwezen. Uit de nadere motivering blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er is als gevolg van de ontwikkeling geen sprake van een onevenredige verslechtering van de fysieke leefomgeving.
Conclusie
Er is vanuit het oogpunt van gezondheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.2 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Het plan voldoet aan de instructieregels van het Rijk en de Provincie, de visie en beleid van het Rijk, Waterschappen, Provincie en de gemeente. Verder voldoet het aan alle milieuaspecten. Het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.