direct naar inhoud van Regels

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f-Bilderdammerweg 6-20

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0358.TAMOP22f-VG01
Plantype: bestemmingsplan

REGELS

 

Bilderdammerweg 6-20 Aalsmeer

 

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van maximaal 8 grondgebonden woningen op de locaties Bilderdammerweg 6 t/m 20 te Kudelstaart in de gemeente Aalsmeer, en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22f]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Aalsmeer. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

 

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22f] van het omgevingsplan van de gemeente Aalsmeer. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22f]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22f]’ gelezen worden.

 

 

 
Inhoudsopgave

 

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

Artikel 2 Begripsbepalingen

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Artikel 4 Meet- en rekenbepaling

Artikel 5 Vergunningsplicht

Artikel 6 Aanvraagvereisten

HOOFDSTUK 2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Algemeen gebruiksverbod

Artikel 8 Groen

Artikel 9 Tuin

Artikel 10 Verkeer-Verblijfsgebied

Artikel 11 Woongebied

Artikel 12 Waarde - Archeologie 2

HOOFDSTUK 3 Algemene regels

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Artikel 14 Algemene bouwregels

Artikel 15 Algemene aanvullende beoordelingsregels

Artikel 16 Overige regels

 

 

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1 Toepassingsbereik

  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.

  2. De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22f.

  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f-Bilderdammerweg 6-20, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO. met identificatienummer NL.IMRO.0358.TAMOP22f-OW01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl

 

 

Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage II van het omgevingsplan zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22f, alsmede , bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22f, voor zover daarvan in bijlage II van het omgevingsplan niet is afgeweken.

 

 

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

3.1 Plan:

het "TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f-Bilderdammerweg 6-20" van de gemeente Aalsmeer;

3.2 Aan huis gebonden beroep en of -bedrijf:

Beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;

3.3 Aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

3.4 Aanduidingsvlak:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

3.5 Achtererfgebied

Gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied;

3.6 Bebouwingspercentage:

het deel van het bouwvlak uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden;

3.7 Bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

3.8 Bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

3.9 Bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

3.10 Bouwlaag:

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

3.11 Bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

3.12 Bruto vloeroppervlakte (b.v.o.)

bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

3.13 Dakterras:

een vanuit een gebouw betreedbaar plat dakvlak, voorzien van een vloerafscheiding (hekwerk, balustrade);

3.14 Eerste bouwlaag:

de bouwlaag op de begane grond;

3.15 Geluidreducerende maatregelen:

fysieke en niet-fysieke maatregelen gericht op het reduceren van de geluidsbelasting vanwege industrie-, bedrijfs- of wegverkeerslawaai op geluidsgevoelige objecten, of maatregelen die daar niet specifiek op gericht zijn doch wel tevens een geluidsreducerende uitwerking hebben, zoals bijvoorbeeld verkeersmaatregelen, het aanbrengen van geluidsarm asfalt, geluidswallen of -schermen of de aanleg van nieuwe wegen elders die tot gevolg hebben dat de verkeers- en de geluidsbelasting afneemt;

3.16 Geluidwerende voorzieningen:

Maatregel die het geluid op een geluidgevoelig gebouw verlaagt;

3.17 Goot:

opvangbak voor hemelwater;

3.18 Hoofdverblijf:

het verblijf waar iemand woont, zijnde het woonadres zoals bedoeld wordt in de Wet basisregistratie personen;

3.19 Huishouden:

persoon of groep personen die een huishouding voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.

3.20 Kruin:

hoogste punt van het wegbaangedeelte dat is ingenomen door rijbanen, veiligheidsstroken en bermen;

3.21 Maaiveld:

de bovenkant van het oorspronkelijke dan wel (verhoogd of verlaagd) aangelegd terrein waar een bouwwerk zal worden opgericht, dan wel is opgericht;

3.22 Normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden:

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de functie;

3.23 Nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

3.24 Seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

3.25 Talud:

het schuine vlak langs een weg, watergang of van een dijk;

3.26 Voorerfgebied

Gebouwerf dat geen onderdeel is van het achtererf;

3.27 Waterberging:

de tijdelijke opslag van een overmaat aan (oppervlakte) water in (oppervlakte) watersystemen. Waterberging kan worden onderverdeeld in drie categorieën:

3.28 Waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die het waterhuishoudingbelang dienen, zoals watergangen (sloten), kunstwerken, bruggen, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang en dergelijke;

3.29 Wonen:

activiteit inhoudende de permanente bewoning van een woonruimte door één huishouden.

3.30 Woning:

Een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

 

 

Artikel 4 Meet- en rekenbepaling

  1. De meet- en rekenbepalingen, bedoeld in artikel 6 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het tweede lid tot en met het vierde lid.

  2. De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

  3. De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, ventilatiekanalen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

  4. De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

 

Artikel 5 Vergunningsplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te veranderen met uitzondering van de vergunningsvrije bouwwerken zoals bepaald in hoofdstuk 6 van het omgevingsplan.

 

 

Artikel 6 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk 22f.

 

 

HOOFDSTUK 2 Functies en activiteiten

 

 

Artikel 7 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

 

 

Artikel 8 Groen

 

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen'.

 

8.2 Functieomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  1. groenvoorzieningen;

 

met daaraan ondergeschikt:

  1. parkeervoorzieningen;

  2. fiets-, voet en ruiterpaden;

  3. speelvoorzieningen;

  4. water, waterlopen en waterpartijen;

  5. waterhuiskundige voorzieningen;

  6. nutsvoorzieningen, ter plaatse van de functieaanduiding 'nutsvoorziening';

  7. bruggen;

 

met de daarbij behorende:

  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

8.3 beoordelingsregels bouwen

 

8.3.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, behoudens een nutsvoorziening ter plaatse van de functieaanduiding 'nutsvoorziening'.

 

8.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van kunstwerken mag niet meer bedragen dan 6 meter;

  2. de hoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 10 meter;

  3. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 meter.

 

8.4 Specifieke functieregels

 

8.4.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met dit TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;

  2. het gebruik van gronden als staan- of ligplaats, alsmede kampeerterrein;

  3. het gebruik van gronden voor het beproeven van voer- of vaartuigen, voor het beoefenen van auto- of motorsport of de (model) vliegsport en voor het houden wedstrijden met motorvoertuigen of bromfietsen;

  4. het gebruik van gronden voor sport- of wedstrijdterrein, parkeerterrein, landingsplaats, dagcamping dan wel voor de ruitersport.

 

 

Artikel 9 Tuin

 

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Tuin'.

 

9.2 Functieomschrijving

Een als 'Tuin' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  1. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;

  2. erkers;

 

met de daarbij behorende:

  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

 

met daaraan ondergeschikt:

  1. verhardingen;

 

9.3 beoordelingsregels bouwen

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de functies benoemd in artikel 8.1.

 

9.3.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, behoudens het bepaalde in artikel 8.2.3.

 

9.3.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan:

  1. 6 meter voor palen;

  2. 3 meter voor lichtmasten;

  3. 2 meter voor erf- en perceelafscheidingen, waarbij de aanvullende regels onder b. gelden;

  4. 1 meter voor het overige;

  1. voor erf- en perceelafscheidingen bij woningen in een voorerfgebied, dat grenst aan een openbaar toegankelijk gebied gelden de volgende voorwaarden:

  1. de hoogte van de afscheiding in een voorerfgebied mag vanaf het aansluitende terrein niet meer dan 2,00 meter bedragen, mits het voorerfgebied minimaal 2,50 meter diep is ten opzichte van de voorgevelrooilijn van de woning;

  2. een afscheiding vanaf 1 meter hoog tot 2,00 meter hoog in het voorerfgebied mag slechts bestaan uit een transparant rasterwerk dat minimaal 90% open van structuur is, en zich leent voor begroeiing;

  3. de bouwhoogte van gemetselde penanten in een voorerfgebied mag niet meer dan 2,00 meter bedragen;

 

9.3.3 Erkers

Voor het bouwen van erkers gelden de volgende regels:

  1. een erker mag alleen worden gebouwd aan een hoofdgebouw;

  2. de diepte van een erker mag maximaal 1 meter bedragen;

  3. de breedte van een erker mag maximaal 3/5 deel bedragen van de voorgevel gevelbreedte van de woning;

  4. de hoogte van een erker mag niet hoger zijn dan 0,30 meter boven de eerste verdieping van de woning;

  5. de erker bedoeld is om de woonkamer of de keuken te vergroten.

 

9.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing ter waarborging van:

  1. de waterhuishouding;

  2. de brandveiligheid en rampenbestrijding;

  3. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend bebouwingsbeeld en de landschappelijke inrichting en inpassing;

  4. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken.

 

9.5 Specifieke functieregels

 

9.5.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met dit TAM-omgevingsplan, wordt in ieder geval gerekend:

  1. voor het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;

  2. voor het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;

  3. als opslag-, laad- en/of losplaats ten behoeve van handelsdoeleinden;

  4. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

 

9.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

9.6.1 Verboden werkzaamheden

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het gebruik van deze gronden voor opslag voor goederen;

  2. het gebruik van deze gronden ten behoeve van het parkeren.

 

9.6.2 Vergunningsvrije werkzaamheden

Het in lid 9.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  1. het normale onderhoud betreffen;

  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

 

Artikel 10 Verkeer-Verblijfsgebied

 

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer-Verblijfsgebied'.

 

10.2 Functieomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  1. wegen, straten en paden;

  2. parkeervoorzieningen;

 

met de daarbij behorende:

  1. waterhuishoudkundige voorzieningen;

  2. bruggen;

  3. groenvoorzieningen;

  4. nutsvoorzieningen;

  5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

  6. geluidwerende voorzieningen;

  7. fietsenstallingen;

  8. infrastructurele voorzieningen met het oog op het beheer van de locatie.

 

10.3 beoordelingsregels bouwen

 

10.3.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de hoogte van palen en (licht)masten, mag niet meer bedragen dan 16 meter;

  2. de hoogte van reclame-uitingen en kunstwerken, zowel civiel als cultureel, mag niet meer bedragen dan 6 meter;

  3. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 3 meter.

 

10.4 Specifieke functieregels

 

10.4.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met dit TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van de gronden voor de opslag van goederen in de openbare ruimte;

  2. het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting.

 

 

Artikel 11 Woongebied

 

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Woongebied'.

 

11.2 Functieomschrijving

De voor 'Woongebied' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  1. het wonen in een woning, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-gebonden bedrijf;

 

met de daarbij behorende:

  1. tuinen en erven;

  2. parkeervoorzieningen;

  3. bijbehorende bouwwerken;

  4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

  5. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en oevervoorzieningen;

  6. groenvoorzieningen;

  7. speelvoorzieningen;

  8. openbare nutsvoorzieningen;

 

met daaraan ondergeschikt:

  1. verhardingen, paden en ontsluitingswegen.

 

11.3 beoordelingsregels bouwen

 

11.3.1 Algemeen

Op en onder de in artikel 10.1 genoemde locatie mag slechts worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies.

 

11.3.2 Bouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gerealiseerd worden;

  2. hoofdgebouwen dienen als grondgebonden woningen te worden gerealiseerd;

  3. ter plaatse van het figuur "gevellijn' dient de voorgevel in deze lijn te worden gebouwd;

  4. de maximum goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag niet worden overschreden;

  5. de tussenwoningen mogen maximaal 100 m2 b.v.o. bedragen;

  6. de hoekwoningen mogen maximaal 140 m2 b.v.o. bedragen;

  7. de dakhelling van een kap van een woning mag niet meer dan 60º bedragen. Deze dakhelling geldt voor tenminste twee met elkaar door een nok verbonden dakvlakken;

  8. een dak van een grondgebonden woning dient te zijn voorzien van een nok;

  9. het aantal hoofdgebouwen per bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;

  10. een eventueel voorerfgebied bij een grondgebonden woning mag niet worden bebouwd, behoudens een erker in één bouwlaag;

  11. een dakkapel mag worden gerealiseerd, met dien verstande dat:

  1. voor zover gelegen op het dakvlak aan de straatzijde of op het dakvlak aan de zijde van de zijtuin, de dakkapel niet breder mag zijn dan de helft van de breedte van het dakvlak van het hoofdgebouw, de afstand tot de zijkant van het dak meer dan 1 meter en de hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, niet meer dan 1,5 meter mag bedragen;

  2. voor zover gelegen op het dakvlak aan de achtertuinzijde, de zijkanten van de dakkapel op meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak van het hoofdgebouw worden gerealiseerd;

  3. de bovenzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter onder de noklijn van het dakvlak wordt gerealiseerd;

  4. de onderzijde van de dakkapel ten minste 0,5 meter en niet meer dan 1 meter boven de gootlijn van het dakvlak wordt gerealiseerd;

  5. per dakvlak meerdere dakkapellen zijn toegestaan indien de dakkapellen op dezelfde bouwlaag worden gerealiseerd en deze dakkapellen tezamen voldoen aan de hiervoor opgenomen breedte- of afstandsmaten;

  1. het oprichten van gebouwen is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in bijlage 1.

 

11.3.3 Bijbehorend bouwwerk

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden de volgende regels:

  1. een bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd in een achtererfgebied;

  2. voor zover wordt gebouwd op een afstand van ten hoogste 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding niet hoger dan:

  1. 5 meter;

  2. 0.3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

  3. het hoofdgebouw.

  1. voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw en voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding hoger is dan 3 meter:

  1. wordt deze voorzien van een schuin dak;

  2. is de dakvoet niet hoger dan 3 meter;

  3. wordt de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3.

  1. voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

  2. de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

  1. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;

  2. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2;

  3. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.

  1. het bijbehorend bouwwerk biedt alleen verblijfsgebied in de eerste bouwlaag;

  2. het bijbehorend bouwwerk is niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte, tenzij:

  1. het dakterras wordt gebouwd op een bijbehorend bouwwerk aan een woning gelegen in het achtererfgebied;

  2. het dakterras wordt gebouwd tot een afstand van maximaal 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw;

  3. het dakterras bereikbaar is via een deur op de eerste of tweede verdieping van de woning;

  4. het dakterras is voorzien van een hekwerk van minimaal 1.20 meter, gemeten vanaf de bovenkant van het dak.

 

11.3.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde alsmede de inrichting van de buitenruimte dient tevens te worden voldaan aan de eisen zoals opgenomen in Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan.

 

11.3.5 Geluidgevoelige gebouwen

Voor het bouwen van geluidgevoelige gebouwen gelden de volgende regels:

  1. Een geluidgevoelig gebouw wordt toegestaan, indien de geluidbelasting op een gebouw niet hoger is dan de standaardwaarden zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  2. Een geluidgevoelig gebouw met een geluidbelasting die hoger is dan de standaardwaarde, als bedoeld in lid 1, wordt toegestaan als:

  1. is aangetoond dat het gezamenlijk geluid op het geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de waarden van het gezamenlijk geluid zoals bepaald in het rapport ‘Akoestisch onderzoek Bilderdammerweg 6-30 in Kudelstaart’ met kenmerk RO01-1301446JHK-V03-mwh-NL en datum 13 mei 2025, opgenomen in Bijlage 8 Akoestisch onderzoek;

  2. is aangetoond dat wordt voldaan aan het bepaalde in hoofdstuk 7 van de beleidsregel ‘Geluidbeleid bij nieuwe ontwikkelingen’ ten aanzien van maatregelen aan en bij het gebouw, betreffende een geluidluwe zijde, geluidluwe buitenruimte en slaapkamer aan geluidluwe zijde;

  3. is aangetoond dat het geluid in de geluidgevoelige ruimten niet hoger is dan 33 dB Lden op basis van ten minste de waarden van het gezamenlijk geluid zoals bepaald in het rapport ‘Akoestisch onderzoek Bilderdammerweg 6-30 in Kudelstaart’ met kenmerk RO01-1301446JHK-V03-mwh-NL en datum 13 mei 2025, opgenomen in Bijlage 8 Akoestisch onderzoek.

  1. In afwijking van het bepaalde in lid 2 onder a kan een geluidgevoelig gebouw met een gezamenlijk geluid van ten hoogste 57 dB Lden worden toegestaan, mits wordt voldaan aan het bepaalde in lid 2 onder b, en is aangetoond dat het geluid in de geluidgevoelige ruimten niet hoger is dan 33 dB Lden op basis van de waarde van het gezamenlijk geluid van 57 dB Lden.

 

11.4 Specifieke functieregels

 

11.4.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met dit TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van vrijstaande (bij)gebouwen voor bewoning;

  2. het plaatsen of geplaatst hebben van onderkomens;

  3. het opslaan van goederen, stoffen, producten of materialen en materieel, waarvan de aanwezigheid voor de realisering of handhaving van de in lid 1 genoemde bestemming niet noodzakelijk is, dan wel kan worden geacht noodzakelijk te zijn;

  4. het gebruik ten behoeve van detailhandel;

  5. het gebruik ten behoeve van horeca;

  6. het gebruik ten behoeve van zelfstandige kantoren;

  7. het gebruik ten behoeve van een bed & breakfast;

  8. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

 

 

Artikel 12 Waarde - Archeologie 2

 

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 2.

 

12.2 Functieomschrijving

De als 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen locatie heeft, naast de andere daar voorkomende functies, mede de functie bescherming en behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Deze functie van bescherming en behoud is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende functies.

 

12.3 Beoordelingsregels bouwen

 

12.3.1 Algemene regels bouwen

Op de in lid 12.1 bedoelde gronden mogen bouwwerken ten behoeve van de andere aan deze gronden toegekende functies worden gebouwd indien deze bouwwerken voldoen aan de volgende regels:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'waarde archeologie 2' reiken de bodemingrepen niet verder dan een maximale diepte van 0,40 meter;

  2. het bepaalde onder a is niet van toepassing bij een oppervlakte kleiner dan 50 m2;

  3. het bepaalde onder a en b is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder het peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

 

12.4 Specifieke beoordelingsregels bouwen

 

12.4.1 Beoordelingsregels

In afwijking van artikel 12.3, kan een omgevingsvergunning voor een activiteit die niet voldoet aan de in dat onderdeel bepaalde regels worden verleend voor het bouwen ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende functie indien:

  1. uit archeologisch onderzoek blijkt dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; of;

  2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of;

  3. de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld, op grond van een onderzoeksrapport.

 

12.4.2 Vergunningvoorschriften

Indien uit het onder 12.4.1 van dit artikel genoemde archeologisch onderzoek of rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden aangetast, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorschriften verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

  3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

 

12.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

12.5.1 Verboden werkzaamheden

Het is verboden op of in de als Waarde - Archeologie aangewezen locatie zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;

  2. het bodemverlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingvergunning is vereist, waartoe ook gerekend wordt woelen en draineren;

  3. het bebossen van gronden;

  4. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

  5. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

  6. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;

  7. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;

  8. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;

  9. het door- of vergraven van historische kades;

  10. het bepaalde onder a t/m i is niet van toepassing bij een oppervlakte kleiner dan 50 m2.

 

12.5.2 Vergunningplicht

Voor de onder 12.5.1 genoemde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig wanneer sprake is van grondbewerkingen dieper dan 0,40 meter en groter dan 50 m2.

 

12.5.3 Vergunningsvrije werkzaamheden

Het onder 12.5.1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  1. het normale onderhoud betreffen;

  2. op archeologisch onderzoek gericht zijn;

  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM- omgevingsplan.

 

12.5.4 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.5.2 kan worden verleend, indien:

  1. uit archeologische onderzoek blijkt dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

  2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord, of;

  3. de archeologische waarden van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate worden veiliggesteld, op grond van een onderzoeksrapport.

 

12.5.5 Vergunningvoorschriften

Indien uit het onder 12.5.4 van dit artikel genoemde archeologisch onderzoek of rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning zullen of kunnen worden aangetast, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorwaarden verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

  3. de verplichting de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan het door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

 

 

HOOFDSTUK 3 Algemene regels

 

 

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

 

Artikel 14 Algemene bouwregels

 

14.1 Toegelaten overschrijdingen

Het is toegestaan de in dit plan aangegeven bestemmings-, bouwgrenzen en/of hoogtematen te overschrijden:

  1. ten behoeve van toegangen van bouwwerken, luifels, stoepen, stoeptreden, reclame-uitingen, vrijhangende balkons (al dan niet ondersteund door kolommen) bij woongebouwen, gaanderijen en funderingen en daarmee gelijk te stellen onderdelen van gebouwen, voor zover de bouwgrens met niet meer dan 2.50 meter wordt overschreden en deze onderdelen van gebouwen niet worden opgericht op gronden, bestemd voor verkeer en tevens een niet te bebouwen strook van 1 meter in acht wordt genomen ten opzichte van de gronden, bestemd voor verkeersdoeleinden;

  2. ten behoeve van vrijhangende balkons, gaanderijen, luifels en reclame-uitingen boven een functie verkeers is mogelijk indien er een vrije hoogte aanwezig is van 4,20 m boven de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg en een minimale vrije hoogte van 2,20 m boven een ander deel van de weg;

  3. ten behoeve van plaatselijke verhogingen op gebouwen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, trappenhuizen en lichtkappen, alsmede technische voorzieningen, mits:

  1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 25% van de oppervlakte van het dak(vlak) bedraagt;

  2. de hoogte niet meer dan 5 meter bovenop de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt.

 

14.2 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens de in deze regels opgenomen afwijkingsmogelijkheden en specifieke regels, de volgende regels:

  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering van (het ondergrondse deel van) bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke tevens zijn toegestaan buiten een bouwvlak;

  2. ondergrondse bouwwerken betreffende kelders zijn uitsluitend toegestaan onder een hoofdgebouw;

  3. de verticale diepte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer dan 3 meter beneden het peil bedragen, met uitzondering van funderingen;

  4. het realiseren van ondergrondse bouwwerken mag geen nadelige effecten hebben op een waterkering, de archeologische waarden, een leiding van een nutsvoorziening, en de bodem- en waterhuishouding.

 

 

Artikel 15 Algemene aanvullende beoordelingsregels

 

15.1 Afwijkingsregels

Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van:

 

  1. de in de beoordelingsregels opgenomen maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, uitsluitend indien dit nodig is voor een technische betere realisering van het plan, met dien verstande dat dit niet van toepassing is op andere afwijkingsmogelijkheden in dit plan;

  2. de beoordelingsregels, ten behoeve van een geringe aanpassing van de inrichting van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit daartoe aanleiding geven;

  3. de beoordelingsregels, ten behoeve van het overschrijden van bouwgrenzen, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;

  4. de beoordelingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het vergroten van de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot niet meer dan 10 meter;

  5. de beoordelingsregels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het vergroten van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, tot niet meer dan 40 meter;

  6. de beoordelingsregels, ten behoeve van het oprichten van ondergrondse kelderruimten, met dien verstande dat:

  1. de kelder in een bestemmingsvlak Wonen dient te worden gerealiseerd en voor de functie wonen dient te worden gebruikt;

  2. het realiseren van ondergrondse bouwwerken geen nadelige effecten mag hebben op de bodem- en waterhuishouding;

  1. de beoordelingsregels, ten behoeve het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes ten behoeve van de dienstverlening van overheidswege, het openbaar bestuur en openbare nutsbedrijven, zoals transformatorhuisjes, telefooncellen, gemaalgebouwtjes en wachthuisjes voor verkeersdiensten, mits de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 50 m³ en de bouwhoogte niet meer dan 4 meter;

  2. de beoordelingsregels, ten behoeve van het realiseren van groene daken op hoofdgebouwen, dan wel bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat:

  1. de overschrijding van de voorgeschreven goot- en/of bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10%;

  2. deze overschrijding met 10% heeft slechts betrekking op de extra (constructieve) opbouw op een dak dat nodig is om een groendak te kunnen toepassen, exclusief beplanting;

  3. groene daken mogen niet als dakterras of daktuin worden gebruikt als deze worden toegepast op woningen. Bij andere gebouwen dan woningen wordt het gebruik van een groendak als dakterras of daktuin per geval beoordeeld, waarbij vooral de privacy van naburige woonpercelen niet nadelig mag worden beïnvloed.

 

Geen omgevingsvergunning wordt verleend indien:

  1. daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan (bijvoorbeeld door schaduwwerking) aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

  2. dit leidt tot aantasting van de ruimtelijke karakteristiek ter plaatse.

 

 

Artikel 16 Overige regels

 

16.1 Voorrangsregels

In het geval van strijdigheid van belangen tussen een functie en artikel 11, gaat het belang van artikel 11 voor.

 

16.2 Parkeren

 

16.2.1 Beoordelingsregels parkeergelegenheid - parkeernormen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, verbouwen, uitbreiden en/of functiewijziging van een gebouw of perceel wordt slechts verleend, wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het thans geldend beleid 'Nota Parkeernormen Aalsmeer'. Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode door het bevoegd gezag wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging van deze regels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

 

16.2.2 Afwijkingsregel voor parkeergelegenheid

In afwijking van artikel 16.2.1 geldt voor woningen kleiner en gelijk aan 100 m2 een parkeernorm van 1,2 parkeerplaats per woning.

 

16.2.3 Beoordelingsregels laden en lossen

Indien de functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en/of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

 

16.2.4 Specifieke beoordelingsregels parkeergelegenheid

Indien uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning te overleggen parkeerbalans blijkt dat niet (geheel) kan worden voldaan aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij rekening gehouden wordt met dubbelgebruik en de benodigde parkeerplaatsen niet in de openbare ruimte kunnen worden gerealiseerd, kan in afwijking van artikel 16.2.1 de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend indien:

  1. de (resterende) parkeerbehoefte meer dan 2 parkeerplaatsen betreft, of:

  2. met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid.

 

16.2.5 Specifieke beoordelingsregels laden en lossen

In afwijking van artikel 16.2.3 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend indien:

  1. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

  2. voor zover op andere wijze in de nodige laad- en/of losruimte wordt voorzien.