| Plan: | TAM-omgevingsplan Hopeseweg 26a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0351.TAMHopeseweg26a-vg01 |
behorende bij het TAM-omgevingsplan Hopeseweg 26a
Aan de Hopeseweg 26a in Woudenberg is een veehouderij aanwezig. De eigenaar heeft in 2022 een omgevingsvergunning gekregen voor de bouw van een bedrijfswoning. Tot heden is die woning nog niet gebouwd. Initiatiefnemer wil de bedrijfswoning nu op een andere locatie bouwen. Het bedrijfsperceel heeft momenteel twee tegen elkaar gelegen bouwvlakken. In elk bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan. Met de beoogde verplaatsing komt de te realiseren bedrijfswoning in het bouwvlak te liggen waar al een bedrijfswoning aanwezig is. Dat past niet in het omgevingsplan. Een wijziging van het omgevingsplan is daarom nodig.
De locatie is gelegen in het buitengebied van Woudenberg. De dorpskern van ligt op circa 5 kilometer ten noordwesten van de locatie. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Woudenberg, sectie I, nummers 88, 414, 612 en 613.
Ligging in omgeving
Ter plaatse van het werkingsgebied geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Het tijdelijk deel wordt onder andere gevormd door het bestemmingsplan Buitengebied 2010 vastgesteld door de gemeenteraad op 23 september 2010.
Voor de locatie geldt de bestemming Agrarisch. Daarmee zijn deze gronden in hoofdzaak bestemd voor agrarische bedrijven. Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan, waarvoor een maximale inhoudsmaat van 600 m3 geldt. Op de locatie zijn twee bouwvlakken aanwezig, wat betekent dat er ook twee bedrijfswoningen toegestaan zijn.
Uitsnede verbeelding
Het (tijdelijke deel) van het omgevingsplan maakt het initiatief niet mogelijk. In het oostelijke bouwvlak zijn twee bedrijfswoningen niet toegestaan. Voor het initiatief is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig.
Deze motivering vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het plan. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 6 en 7 wordt afgesloten met de (economische) uitvoerbaarheid en de procedure.
De locatie is gelegen in het buitengebied van Woudenberg. Het landschap is te typeren als een slagenlandschap. Dit is een vrij grootschalig landschap met een regelmatige rechthoekige verkaveling en rechte wegen. Beplanting is voornamelijk aanwezig langs de wegen en op de erven. De agrarische erven staan langs de wegen en verspreid in het landschap.
Luchtfoto omgeving
De locatie is gelegen op ongeveer 200 meter ten westen vanaf de Hopeseweg. De locatie is volledig ingericht ten behoeve van het agrarische bedrijf. Zo zijn er een pluimveestal, varkensstal en twee rundveestalle aanwezig, evenals een bedrijfswoning en een tijdelijke woonunit. De locatie heeft een lange oprit die aansluit op de Hopeseweg, die leidt naar het erf. De bebouwing is gegroepeerd binnen de bouwvlakken. Buiten het erf en de bebouwing liggen enkele weilanden. Beplanting is schaars aanwezig, op de bosrand rond het westelijk gelegen weiland na.
Luchtfoto locatie
Initiatiefnemer is in 2020 eigenaar geworden van de Hopeseweg 26a. Sindsdien heeft hij meerdere omgevingsvergunningen aangevraagd en verleend gekregen, waaronder een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwe, tweede bedrijfswoning. Daarnaast is een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een pluimveestal en een vleeskalverenstal. Verder is een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor een tijdelijke woonunit. In de omgevingsvergunning voor de tweede bedrijfswoning was namelijk de voorwaarde opgenomen dat die pas gerealiseerd mocht worden tijdens of na de bouw van de nieuwe pluimveestal. Inmiddels is die pluimveestal gerealiseerd en in gebruik genomen.
De vergunde positie van de tweede bedrijfswoning is ten westen van de nieuwe pluimveestal. Gezien de situatie op het erf is deze positie toch niet wenselijk voor de initiatiefnemer. De vergunde situatie maakt dat de woning geheel aan de achterzijde van alle bebouwing is gesitueerd. Daarmee is er weinig toezicht op het erf en met name op de ingang van de pluimveestal. De aankomst van bezoekers blijft onopgemerkt. Stedenbouwkundig gezien is het ook fraaier als een agrarische bedrijfswoning aan de voorzijde van het erf staat. Daarbij komt dat bezoekers van de woning zelf ook niet het gehele erf over te rijden als de tweede bedrijfswonig op een andere locatie gebouwd wordt. Dat komt de verkeersveiligheid ten goede. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een verreiker of tractor, hoeven die werktuigen niet de verkeersroute naar de bedrijfswoning te doorkruisen. Passeren van verkeer is dan lastig in de vergunde opzet, omdat de uitweg en erfopzet door de ligging van de bedrijfsgebouwen, niet erg breed is. De huidige positie van de vergunde tijdelijke woonunit, gelegen in het oostelijke agrarische bouwvlak, bevalt zeer goed en kent de genoemde nadelen niet. Het voornemen is daarom om de tweede bedrijfswoning te bouwen nabij de locatie waar nu de tijdelijke woonunit staat.
Om te voorkomen dat er straks een derde bedrijfswoning gerealiseerd kan worden omdat de tweede bedrijfswoning in het oostelijke bouwvlak, waar al een bedrijfswoning aanwezig is, gebouwd wordt, is het nodig dit planologisch uit te sluiten. De eenvoudigste oplossing daarvoor is om een bedrijfswoning in het westelijke bouwvlak uit te sluiten. In het oostelijke bouwvlak worden vervolgens twee bedrijfswoningen toegestaan. Er hoeft daarmee geen vormwijziging of vergroting van de bouwvlakken plaats te vinden. Ook de gebruiksmogelijkheden blijven verder onveranderd in de nieuwe situatie.
Situatietekening
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd, waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd:
De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast.
Toetsing
Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van het werkingsgebied. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De instructieregels voor een omgevingsplan staan in hoofdstuk 5 beschreven. In afdeling 5.1 staan de instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt in dat er een balans is tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu).
De instructieregels uit afdeling 5.1 gaan over:
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Het gaat dan vooral om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Tot slot bevat afdeling 5.3 regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.
Toetsing
In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de instructieregels en wordt het initiatief getoetst.
De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De Omgevingsvisie is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De Omgevingsvisie is uitgewerkt aan de hand van 7 thema's en 3 regio's. De thema's zijn als volgt:
De drie regio's zijn U16, Amersfoort en Foodvalley.
De Omgevingsvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Interim Omgevingsverordening, die tegelijk met de Omgevingsvisie is vastgesteld. Op Omgevingsvisie heeft alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De Omgevingsverordening zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten.
Op 7 februari 2024 hebben Provinciale Staten de eerste wijziging Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. In de omgevingsverordening staan de regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn samengevoegd in één provinciale omgevingsverordening. De regels zijn herschreven, samengevoegd, vereenvoudigd en op elkaar afgestemd. De omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale omgevingsvisie. Hierna worden de voor het projectgebied relevante bepalingen besproken.
Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied
Toetsing
De locatie is binnendijks gelegen. Dit project voorziet niet in nieuwe woonwijken en vitale of kwetsbare objecten. Daarom hoeft geen rekening gehouden te worden met overstromingsrisico's.
Artikel 7.11 Instructieregel landschap
Voor de Gelderse Vallei zijn de volgende kernkwaliteiten benoemd:
Toetsing
De kleinschaligheid van het landschap is op de locatie en de omgeving beperkt aanwezig. De omgeving wordt gekenmerkt door een vrij grofmazige verkaveling en beperkte hoeveelheid perceelsrandbeplantingen. Beken, griften en kanalen zijn op de locatie niet aanwezig. Wel liggen rondom een aantal sloten. Dit project verandert niets aan die watergangen. Dit project doet geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten die samenhangen met de Grebbelinie. De genoemde kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei zijn niet specifiek op de locatie aanwezig en worden in dit project afdoende beschermd.
Conclusie
Dit project is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.
In de Structuurvisie Woudenberg 2030 geeft het gemeentebestuur zijn visie over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren in Woudenberg voor de komende jaren tot 2030.
De agrarische sector blijft een belangrijke functie in het buitengebied met uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven die dat wensen. Uitgaande van specifieke bedrijfs- en locatie omstandigheden kan uitbreiding van bouwvlakken, groter dan de mogelijkheden van de geldende bestemmingsplannen, overwogen worden.
Toetsing
Dit project voorziet niet in uitbreidingsmogelijkheden. Er vindt enkel een verschuiiving plaats van de locatie waar de tweede bedrijfswoning gerealiseerd wordt.
Conclusie
Dit project is in overeenstemming c.q. niet in strijd met de structuurvisie.
In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties:
Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen.
Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl.
Voor dit project is door adviesbureau Hopman en Peters een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 1 bij deze motivering. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Geconcludeerd wordt, dat gezien het feit dat er geen gehalten boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond, de onderzoekshypothese verdacht in de zin van de NEN 5740 verworpen dient te worden.
Het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwatermonster is niet duidelijk verklaarbaar, de concentratie is echter van zodanige aard dat deze geen verdere aandacht vereist.
Op basis van de momenteel beschikbare gegevens is er geen behoefte aan aanvullend onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling van de locatie.
Ook onder de Omgevingswet is ook een goede afstemming nodig om hinder tussen woningen en bedrijven te voorkomen. Waar onder de Wet milieubeheer gesproken werd over milieubelastende 'inrichtingen', gaat het in de Omgevingswet over milieubelastende 'activiteiten'. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen hier niet onder.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Dit project voorziet niet in een wijziging van de gebruiksmogelijkheden van het bedrijf. Zodoende vinden er ook geen wijzigingen plaats ten aanzien van milieuzoneringen.
Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor dit project.
Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een basisgeluidemissie en geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde. De beoordeling van deze geluidbronnen bij gevoelige gebouwen ligt bij het bevoegd gezag.
Met de nieuwe bedrijfswoning voorziet dit project in een nieuwe, geluidgevoelige functie. De woning is op meer dan 200 meter van de Hopeseweg geprojecteerd. Gezien deze afstand is hinder door wegverkeer niet te verwachten. De geluidskaart van Atlas Leefomgeving laat dat ook zien: ter plaatse van de nieuwe woning is een geluidbelasting van ongeveer 42 dB te zien. Dat is ruimschoots onder de grenswaarde van 53 dB. Om deze redenen is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet nodig.
Uitsnede kaart Geluid van wegverkeer Atlas Leefomgeving
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Een van de standaardgevallen NIBM is 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Omdat dergelijke projecten niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, is op voorhand duidelijk dat de bouw van een nieuwe bedrijfswoning ook niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Daarom is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
De instructieregels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
Kwetsbare gebouwen en locaties
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's.
Plaatsgebonden risico
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit is een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Dit geldt voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moeten gemeenten rekening houden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. De standaardwaarde is 1 op de 1.000.000 per jaar.
Aandachtsgebieden
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.
Uitsnede risicokaart
Uit de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat de projectlocatie niet gelegen is binnen de invloedsfeer van milieubelastende activiteiten of aandachtsgebieden. Externe veiligheidsrisico's vormen geen belemmering voor dit project.
Dit project maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling over te gaan.
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.
Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart geldt voor de locatie een middelhoge verwachting. Archeologisch onderzoek is nodig bij ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm. Die ondergrens wordt niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.
Specifieke cultuurhistorische waarden en monumenten zijn niet aanwezig binnen de locatie.
Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet waarborgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit.
Voor dit project is door adviesbureau Hopman en Peters een natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 2. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Soortenbescherming
Tijdens het onderzoek zijn geen (sporen van bewoning door) beschermde soorten te verwachten noch aangetoond. De ontwikkeling zal geen negatief effect veroorzaken op beschermde soorten.
Gebiedsbescherming
De locatie ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Op ruim 7 kilometer afstand is het Natura 2000-gebied Binnenveld aanwezig. Gezien deze afstand en de aard van het project zijn negatieve effecten op beschermde gebieden niet aan de orde. Natuurregelgeving staat de uitvoerbaarheid van het bouwplan niet in de weg.
Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Voor dit project is een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is opgenomen als Bijlage 3. Hieruit blijkt dat overleg met het waterschap nodig is.
Met het project neemt het verharde en bebouwde oppervlak toe door de bouw van de woning. Die toename is niet zodanig dat daarvoor compenserende maatregelen voor waterberging nodig zijn.
Het hemelwater dat op de nieuwe woning valt zal opgevangen en afgevoerd worden richting de omliggende gronden en/of watergangen, waar het de bodem kan infiltreren. De vuilwaterafvoer van de nieuwe bedrijfswoning wordt aangesloten op het bestaande riool.
Ter plaatse is geen grondwateroverlast bekend. Rond de locatie liggen een aantal C-watergangen. Dit project wijzigt niets aan deze watergangen.
Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het project economisch uitvoerbaar is.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, op andere wijze verzekerd zijn of vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met deze wijziging voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft voor de gemeente geen financiële gevolgen.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Hopeseweg 26a, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0351.TAMHopeseweg26a-vg01 zoals weergeven op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.
Dit TAM-omgevingsplan wijzigt de volgende planregels van het omgevingsplan:
Een bedrijfswoning wordt uitgesloten in het westelijke bouwvlak. Vervolgens worden twee bedrijfswoningen mogelijk gemaakt in het oostelijke bouwvlak. Daarmee wordt voorzien in de te verplaatsen, vergunde tweede bedrijfswoning. Voor het overige wordt aangesloten bij de regels uit het Bestemmingsplan 2010.
Artikel 3 Agrarisch
Met artikel 3 is de functie Agrarisch toegekend aan het werkingsgebied. Daarbinnen zijn twee bouwvlakken aanwezig. Alleen in het oostelijke bouwvlak mogen twee bedrijfswoningen gebouwd worden. In het westelijke bouwvlak wordt de mogelijkheid voor een bedrijfswoning uitgesloten. Verder wijzigen de gebruiksmogelijkheden niet ten opzichte van de huidige situatie.
Artikel 4 Waarde - Archeologie 5
Conform de meest recente archeologische beleidskaart van de gemeente Woudenberg is de dubbenbestemming Waarde - Archeologie 5 toegekend aan het werkingsgebied.
Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan is toegezonden aan de provincie Utrecht in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. Dit concept is ook toegezonden aan het Waterschap Vallei en Veluwe, Tennet en Gasunie. Alleen Tennet en Gasunie hebben gereageerd. Zij heben aangegeven geen bezwaren te hebben op deze ontwikkeling.
De ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van dit plan voor inspraak ter inzage gelegen.
Initiatiefnemer heeft de omwonenden geïnformeerd over het project. Het gaat om de bewoners van de Heuvelsesteeg 32 en de Hopeseweg 28, 30 en 32. Ook de eigenaar van de aangrenzende gronden rond het bouwvlak is geïnformeerd. Uit de reacties zijn geen bezwaren naar voren gekomen. Het participatieverslag is opgenomen als Bijlage 4.
Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van 18 juni 2025 tot en met 29 juli 2025 ter inzage gelegen. Toen zijn geen zienswijzen ingediend.