direct naar inhoud van 5.9 Water
Plan: Domplein schatkamer, Binnenstad
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0344.BPDOMPLEINSCHATKAM-0601

5.9 Water

5.9.1 Aanleiding

De Water paragraaf is een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan en vormt een wezenlijk element in het gehele watertoets proces. Het fungeert als een instrument waarin de waterhuishoudkundige gevolgen van een plan inzichtelijk worden gemaakt, de gemaakte afwegingen expliciet en toetsbaar worden vastgelegd en het water advies van de water beheerder wordt opgenomen. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem vroegtijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd.

5.9.2 Beleidskader

In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht en het waterschap HDSR gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd:

  • Rijksbeleid: Vierde Nota Waterhuishouding, Vijfde Nota RO, WB21, NBW, Waterwet, etc;
  • Provinciaal beleid: Nota Planbeoordeling, Waterhuishoudingsplan, Beleidsplan Milieu en Water, Streekplan, etc;
  • Gemeentelijk beleid: Gemeentelijk Rioleringsplan 2007-2010[1];
  • Waterschapsbeleid: Water beheerplan 2010-2015, Beleidsregels 2010 Keur 2009, Keur[2].



[1] De gemeente heeft de zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater, het inzamelen en verwerken van overtollig hemelwater en het voorkomen van structurele grondwater overlast. Het actuele beleid hiervoor is vastgelegd in het Gemeentelijk afval-, hemel- en grondwaterplan 2007-2010 en binnenkort in het Verbreed Gemeentelijk rioleringsplan 2011-2014. De ontwerpeisen zijn opgenomen in het Handboek Inrichting Openbare Ruimte, onderdeel riolen, riool gemalen en drainage (versie juni 2005). Daarnaast stelt de gemeente eisen aan het ontwerp van watergangen waarvan zij eigenaar of beheerder is of wordt.


[2] Het waterschap het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) heeft de zorg voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater in het plangebied. Het beleid en de regels van het waterschap zijn vastgelegd in diverse wetten en verordeningen. De belangrijkste verordening is de keur.


Betrokken partijen

In dit watertoetsproces participeren de volgende partijen:

Aanvrager : Lichtveld, Buis & Partners (in opdracht van Stichting Domplein 2013)

Opsteller : Gemeente Utrecht, Stadswerken - IBU Stadsingenieurs

Toetser : Waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (beheerder oppervlaktewater) en

Gemeente Utrecht, Stadswerken - Stedelijk Beheer (beheerder riolering)

5.9.3 Plansituatie


Plangebied
Het plangebied bevindt zich in het hart van de historische stadskern van Utrecht, ter plaatse van het Domplein. De tweetal 'kamers' is geprojecteerd ter plaatse van de sleuven 19 en 20, gelegen binnen de contouren van het voormalige middenschip van de gotische Domkerk (zie figuur 10). Het ruimtebeslag van het ondergrondse publiekscentrum bedraagt globaal 510 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPDOMPLEINSCHATKAM-0601_0014.png"

Figuur 11. Inrichtingstekening bezoekerscentrum (bron: WP JDvD ,23-12-2010)


Randvoorwaarden en uitgangspunten
Aan deze water paragraaf liggen -naast de eigen beheer gegevens en interne informatie- de onderstaande documenten en rapporten ten grondslag. De hierin opgenomen gegevens en gepubliceerde onderzoeksresultaten zijn als uitgangspunten en randvoorwaarden gehanteerd.

  • 1. Programma van Eisen Schatkamer II (Twan Toonen PP, kenmerk onbekend, d.d. 15 juli 2010) [1]
  • 2. Grond en grondwater analyses t.b.v. archeologisch onderzoek Domplein (MOS Grond mechanica, kenmerk B0051109-RH_1, d.d. 16-09-2009)
  • 3. Voorlopige ontwerp notitie betreffende geo technische aspecten ondergrondse ruimte (ABT, kenmerk 10185, d.d. 8-10-2009) [2]
  • 4. Concept water paragraaf Schatkamer II (LBP-Sight, kenmerk VO42704acA1, d.d. 23-12-2010)


ad 1 Randvoorwaarden 'water' uit het programma van eisen van de stichting Initiatief Domplein 2013:

  • Sectie Cultuurhistorie van de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Utrecht
  • Waterkering noodzakelijk, zoveel mogelijk binnen de sleuven
  • Aandachtspunt: vochthuishouding



ad 2 Randvoorwaarden omgeving: Grondwater
Vanwege mogelijke schade aan archeologische resten mag het grondwater buiten sleuf 19 en 20 niet afwijken van de normale grondwaterstanden. Dit is afhankelijk van de werkelijk grondwaterstanden en het gewenste laagste aanleg niveau van de vloer. In principe is er circa 0.5 m niveauverschil nodig tussen grondwaterstand en vloer peil. Door het monitoren van de grondwaterstanden kan dit bewaakt worden. Zie voor nadere uitwerking van geo technische aspecten het rapport Ontwerp notitie geo technische aspecten van ABT.


ad 3 Uitvoeringseisen: Technische eisen
Uitgangspunt: Geen waterkerende vloer noodzakelijk omdat vloer peil boven grondwaterstand ligt (vloer peil circa 1,3 m + NAP = onderkant Romeinse weg). In de bodem zijn geen natuurlijke water remmende lagen aanwezig, daarom zal er een drainagesysteem worden aangebracht. Mocht er uit nader onderzoek blijken dat er te veel vocht uit de bodem in de ruimte komt, dan kan er een extra damp remmende laag of in het uiterste geval een grondwaterkering door middel van injecteren worden aangebracht. Het drainagesysteem wordt onder het vloer niveau aangebracht. Boven de drainage een zandpakket ter dikte van tenminste 0,75 m aanbrengen (zie rapport ABT).


ad 4 Belangrijke uitgangspunten water uit de notitie va ABT

  • De binnenruimte moet worden afgesloten van het grondwater in verband met het binnenklimaat en het verhinderen van een beïnvloeding van de grondwater situatie buiten de ruimte.
  • Het aanleg niveau van de diepe vloer is voorlopig vastgesteld op 1,3 m + NAP.
  • Ten behoeve van de beleving van de bezoekers is het wenselijk dat het oorspronkelijke bodemprofiel zichtbaar wordt gemaakt, zowel in verticale als in horizontale zin.

5.9.4 Bestaande en toekomstige situatie Watersysteem


Maaiveld en bodem

Het bodemarchief onder en rondom het Domplein in Utrecht is aangewezen als beschermd archeologisch monument. De locatie herbergt de resten van een Romeinse legerplaats (castellum) en van een middeleeuwse bisschoppelijke burcht met kerken en keizerlijke residentie gebouwen. Met deze aanwijzing wordt historisch erfgoed en het bodemarchief beschermd dat voor een belangrijk deel verstopt ligt onder het plaveisel van het Domplein en in de kelders en onder vloeren van aangrenzende gebouwen.

Het straatniveau van het Domplein verloopt in noord zuidelijke richting van globaal NAP +6.00 naar +5.00 m. Ter hoogte van de Domtoren bedraagt het maaiveld peil globaal NAP +5.50 m. Het ondergrondse publiekscentrum zal, op de entree en een nooduitgang na, volledig onder het maaiveld worden aangelegd. De realisatie heeft geen consequenties voor het huidige maaiveld verloop.

Onder regie en coördinatie van ABT heeft reeds uitgebreid grondonderzoek plaatsgevonden: voor de specifieke onderdelen en de bevindingen ervan wordt verwezen naar de bovengenoemde notitie. Door MOS is het fysieke geo technisch grondonderzoek verricht. Hieruit blijkt onder andere dat in het zandpakket beneden NAP 0.00 m geen uniforme water afsluitende kleilaag voorkomt. Op basis van dit grondonderzoek kan de bodem opbouw als volgt schematisch worden weergegeven:


afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPDOMPLEINSCHATKAM-0601_0015.png"

Figuur 12. Schematisch bodemprofiel Domplein (bron: (ABT, kenmerk 10185, d.d. 8-10-2009)


Oppervlaktewater
In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten westen van het Domplein -ter hoogte van de Maartensbrug- bevindt zich op circa 100 m afstand van het Domplein de Oude gracht, onderdeel van het hoofdwatersysteem van de stadskern Utrecht. Deze historische waterverbinding is in beheer en onderhoud bij HDSR en heeft een streef peil van NAP +0.60 m. In de bestaande situatie is er geen sprake van een water opgave in of rondom het plangebied.


Grondwater (beheer gegevens gemeente)
Het langjarig grondwater regime wordt beïnvloed door het peil beheer van het oppervlaktewater. De gemeente Utrecht beschikt over een eigen grondwater meetnet. De grondwaterstand in het eerste watervoerende pakket is afgeleid uit de dichtstbijzijnde peilbuizen van dit meetnet. Op het Domplein, ter hoogte van huisnummer 1 (B001) en huisnummer 26 (M70), bevinden zich twee peilbuislocaties, locatie B001 is voorzien van een diepe (1WVP) en ondiepe peilbuis (freatisch GW).

Het langjarig grondwater regime is vastgelegd in de 'Grondwatercontourkaart Utrecht' (Wareco, 26-03-2008). Op basis van deze kaart wordt voor het plangebied de volgende gemiddelde grondwaterstanden verondersteld: droge periode = NAP +0.25 m, natte periode = NAP +0.65 m en gemiddeld = NAP +0.55 m. De ondiepe peilbuis van locatie B001 meet incidenteel een freatisch grondwaterpeil van circa NAP +4.3 m wat duidt op het optreden van een schijn grondwaterspiegel (zie ook onderstaande bevindingen MOS). Het plangebied ligt in een inzijggebied waarbij de grondwaterstand gemiddeld structureel lager ligt dan het gemiddelde oppervlaktewater peil.


Grondwater (peilbuismetingen MOS)
Door MOS is ter plaatse van het plangebied (zie bijlage Grond- en grondwater analyses MOS, kaart 'situatie grondonderzoek', d.d. 18-08-09) een diepe en een ondiepe peilbuis geplaatst. De grondwaterstand in de peilbuizen wordt periodiek gemeten door Stichting Domplein 2013 met een frequentie van 1x per 2 weken. Door ABT is op basis van deze monitoring (en de beschikbare peilbuismetingen van MOS) de volgende waarden gehanteerd:

  • De grondwaterstand fluctueert overwegend van 0,25 m tot 0,75 m + NAP en bedraagt globaal gemiddeld 0,4 m + NAP.
  • Actuele metingen peilbuizen B1 en B2: 0,25 m + NAP.
  • Voor de maximale grondwaterstand kan vooralsnog een niveau van 1,0 m + NAP worden aangehouden.
  • Er moet rekening worden gehouden met (tijdelijk) een verhoogde grondwaterstand in de toplaag van klei en zand in natte perioden (schijn grondwaterstand).


Conclusie
De grondwater fluctuatie zoals gemeten door Stichting Domplein 2013 -periode en duur onbekend- komt redelijk overeen met het langjarig grondwater regime conform de monitoring door de gemeente Utrecht. Uit analyse van het verloop van dit grondwater regime blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand / natte periode van NAP +0.65/0.75 m frequent en langdurig overschreden wordt.


Biowasmachine
Het plangebied ligt in de werkingsfeer van de 'biowasmachine', een project van de gemeente Utrecht (in samenwerking met verschillende partners) om de grondwaterverontreinigingen in de diepe ondergrond op een unieke wijze aan te pakken. De bodem en het grondwater in het centrum van Utrecht is in het verleden op veel plaatsen verontreinigd met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl) door chemische wasserijen en metaalverwerkende bedrijven (zie figuur 3). Bij het concept van de 'biowasmachine' vind voornamelijk natuurlijke biologische afbraak van verontreinigingen in het grondwater plaats (eerste watervoerend pakket WVP1 van 5- 50 m -mv). Indien in het gebied bronbemalingen of WKO-installaties in bedrijf worden genomen zal circulatie van het grondwater en daarmee de natuurlijke afbraak van de verontreinigingen worden gestimuleerd. Ook de verhoogde temperatuur die bij warmte- koude opslag ontstaat, heeft een positief effect op de natuurlijke afbraak van de verontreiniging in de ondergrond.


afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPDOMPLEINSCHATKAM-0601_0016.png"

Figuur 13. Contouren bodem verontreinigingen Stationsgebied

Bij iedere grondwaterontrekking zal verplaatsing van grondwater en daarmee ook grondwater-verontreinigingen plaatsvinden. De Wet Bodembescherming eist dat deze verontreinigingen niet mogen verplaatsen en indien dit toch plaatsvindt moeten tegenmaatregelen te worden getroffen (denk aan retourbemalingen). In Utrecht is de verontreinigingssituaite zodanig dat bij de meeste grondwateronttrekkingen hier sprake van zal zijn. Op veel plaatsen zijn VOCl verontreinigingen aanwezig en als ze er niet zijn zullen ze door hun mobiele karakter al snel door nabijgelegen onttrekkingen verplaatsen.

Door gebruik te maken van de biowasmachine kunnen deze tegenmaatregelen achterwege blijven. De grondwateronttrekking is daarmee een stuk eenvoudiger te realiseren doordat alleen nog maar op het optreden van humane en ecologische risico's wordt getoetst. Om van de biowasmachine gebruik te kunnen maken is een meldingsprocedure opgesteld, mede om te toetsen of aan de randvoorwaarden van het principe van de Biowasmachine wordt voldaan.

De Biowasmachine is echter niet van toepassing op andere verontreinigingen dan de VOCl tussen 5 en 50 m-mv binnen de systeemgrens. Voor dergelijke andere verontreinigingen is het 'business as usual'. Dat houdt in dat in het invloedsgebied van de grondwateronttrekking gekeken moet worden of er van deze verontreinigingen aanwezig zijn en dat als ze onverhoopt door de onttrekking worden verplaatst er tegenmaatregelen moeten worden getroffen om dit tegen te gaan.

Ondertussen heeft de gemeente een aanvulling op de biowasmachine in concept gereed. Als deze aanvulling wordt geaccepteerd is het straks ook mogelijk deze andere verontreinigingen met de biowasmachine mee te laten verspreiden; tegenmaatregelen zijn dan niet nodig. Wel een onderbouwing dat deze verspreiding geen onacceptabele risico's oplevert.


Ontwateringsdiepte en drooglegging
De drooglegging en de ontwateringsdiepte in het plangebied worden sterk gereguleerd door het peil beheer van het nabijgelegen oppervlaktewater. De drooglegging, het niveauverschil tussen maaiveld (plein= NAP +5.50 m) en het gemiddelde streef peil (NAP +0.60 m), bedraagt circa 4,9 m. De ontwateringsdiepte, het niveauverschil tussen maaiveld (plein= NAP +5.50 m) en de gemiddelde maximale grondwaterstand (NAP +0.75 m) bedraagt gemiddeld 4,75 m. De ontwateringsdiepte komt globaal overeen met drooglegging.


Waterdichtheid
Het ondergrondse publiekscentrum wordt een verblijfsruimte. De bouw regelgeving uit de Woningwet en de daarop gebaseerde regelgeving (het Bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening) verplicht tot het waterdicht maken van ruimten beneden de begane grondvloer als ze als verblijfsgebied -ruimten waar regelmatig mensen verblijven- fungeren. Om grondwater overlast in de kelderruimte te voorkomen, dient de constructie waterdicht te zijn of in zijn geheel boven de maximaal optredende grondwaterstand te liggen (conform het uitgangspunt van ABT).


afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPDOMPLEINSCHATKAM-0601_0017.png"

Figuur 14. Globaal diepte profiel publiekscentrum Domplein (bron: WP JDvD ,23-12-2010)

Op basis van het gemeentelijk en waterschapsbeleid (gericht op de waterkwaliteit- en waterkwantiteitstrits) is het niet toegestaan om structureel, niet-overtollig grondwater af te voeren. Een drainagesysteem op
0,5-0.75 m minus vloer peil, leidt echter tot het structureel afvoeren van niet-overtollig grondwater (zie conclusie Grondwater).

Hoewel het programma van eisen van de stichting Initiatief Domplein 2013 aangeeft dat een waterkerende vloer niet noodzakelijk is (het vloer peil ligt boven grondwaterstand, er is geen risico voor opdrijven), is een waterdichte vloer bij het niet toepassen van drainage wel noodzakelijk. Bovendien stelt de aanwezige schijn grondwaterspiegel eisen aan de waterdichtheid van de wanden. Deze randvoorwaarden hebben consequenties voor de constructieve uitwerking van de vloer en de wanden van de ruimte (zie ook onderstaande conclusie van ABT).


Kelderconstructie (tekst ABT)
De ondergrondse ruimte wordt volgens het principe van een gesloten bouwput met keerwanden uitgevoerd. De bouwputwanden hebben in principe een permanent karakter en fungeren zowel als definitieve kelderwand en funderingselement. Vanwege de bodemgesteldheid en de aanwezigheid van bestaande fundamenten zijn er wel aandachtspunten met betrekking tot waterdichtheid van de onderafsluiting van de ruimte. Een oplossing met een betonnen keldervloer is niet gewenst uit oogpunt van architectuur c.q. archeologie.

Oplossing uitvoeringssysteem II (ongeroerde ondergrond) heeft de voorkeur waarbij de vloerafwerking "zwevend" wordt aangebracht zodat voldoende ventilatie mogelijk is. Rondom de pijlers wordt een drainage sleuf aangebracht ten behoeve van minimalisatie van op trekkend vocht en kristallisatie van zouten. Hierbij wordt er ontgraven tot het aanleg niveau van de verharding, zonder aanvullende voorzieningen. Voor de verticale bouwput begrenzing wordt uitgegaan van de toepassing van stalen damwanden. Ten behoeve van waterdichting worden de damwandsloten in het werk afgelast. De waterhuishouding in de ondergrond wordt buiten de damwanden niet beïnvloed. Bij het gekozen vloerpeil zijn geen constructieve voorzieningen nodig in verband met opwaartse waterdruk.

Kelderdiepte
Het aanleg niveau van de keldervloer is, conform het programma van eisen van de stichting Initiatief Domplein 2013, voorlopig vastgesteld op NAP +1.30 m (niveau opgraving Van Giffen 1949 en onderkant Romeinse weg). Figuur 4 toont een schematisch diepteprofiel van het ondergrondse publiekscentrum. Bij een maaiveldhoogte van globaal NAP +5.50 m en een aanlegniveau van NAP +1.30 m, bedraagt de ontgravingsdiepte circa 4.2 m. Het is mogelijk dat proefgravingen of archeologisch onderzoek leidt tot een (lokaal) diepere ontgraving.

Voor een droge ondergrond ter plaatse van de keldervloer is een minimale drooglegging van 0.5 m vereist. Om deze lokale drooglegging te garanderen, is het noodzakelijk om een waterdichte vloer- en wand constructie te realiseren.

Risico's
Bij het principe van een gesloten bouwput zonder water afsluitende laag (zie onderzoek ABT) blijft het grondwater onder het ondergrondse publiekscentrum in open verbinding staan met het omringende grondwater. Hierdoor beïnvloed het grondwater regime (van het 1WVP) -via het zandpakket onder de damwand constructie- het grondwater regime onder het publiekscentrum. Monitoring en bewaking van het grondwaterpeil is dan ook noodzakelijk om het risico voor archeologische objecten, de fundatie poeren van de gotische Dom en de fundering van omringende historische bebouwing te kunnen beheersen.

Beleid HDSR
Om onnodige vervuiling van af stromend hemelwater te voorkomen, stelt HDSR eisen aan de kwaliteit en de behandeling van het af stromend oppervlak:

  • geen toepassing van uitloogbare materialen zoals zink, koper en lood.
  • geen gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen.
  • geen directe lozing van verontreinigd hemelwater op oppervlaktewater, conform de beslisboom aan- en afkoppelen verharde oppervlakken uit 2003.

5.9.5 Bestaande en toekomstige situatie Riolering

Riolering
Het Domplein bevindt zich precies op het scheidingsvlak van bemalingsgebied Lauwerecht / Tuinwijk (21) en Korte Baanstraat (6). Aan de noordzijde van het Domplein ligt, globaal op NAP +3.10, een gemengd riool Ø300 en Ø400 mm (jaar van aanleg 1975). Aan de zuidzijde van het geprojecteerde bezoekerscentrum, nabij de Domtoren, is ook een gemengd riool aanwezig.

Deze eindstreng 300/450 mm (jaar van aanleg 1949) ligt op circa NAP +3.50. In de huidige situatie wordt het vuilwater (dwa) èn het hemelwater (hwa) afgevoerd via het gemengde rioleringsstelsel.

Hemelwater
Omdat het ondergrondse bezoekerscentrum met de bovengrondse entree en nooduitgang op een bestaand plein wordt gerealiseerd, is er geen sprake van toenemend verhard, afvoerend oppervlak. In de huidige situatie zal, vooral bij kleine buien, het merendeel van de neerslag door de elementenverharding door in de ondergrond infiltreren en toegevoegd worden aan het grondwater.

Bij de aanleg van een gesloten dakconstructie direct onder de verharding, kan het geïnfiltreerde hemelwater niet percoleren naar het grondwater. Om een instabiele ondergrond te voorkomen, zal tussen de verharding en de dakconstructie een ontwateringsvoorziening (drainage) moeten worden aangelegd. Bovendien dient de bovenkant van de dakconstructie onder afschot (schuin aflopend) te worden uitgevoerd zodat er geen water op kan blijven staan.

Het geïnfiltreerde hemelwater dat in de ontwateringsvoorziening tussen de verharding en de dakconstructie wordt opgevangen en/of door het dakafschot afstroomt, dient duurzaam te worden verwerkt. Een lokale infiltratievoorziening of lozing op de Oude Gracht heeft hierbij de voorkeur. Door de afstand (circa 100 m) naar dit oppervlaktewater en het historische karakter van het tracé, zal de realisatie van een lozingsleiding de nodige inspanningen en middelen vergen. Wellicht biedt een andere, alternatieve voorziening een doelmatiger en kosteneffectievere oplossing.

Grondwater
Vanwege het gemeentelijke beleid (gericht op de waterkwaliteit- en waterkwantiteitstrits) is het niet toegestaan om structureel schoon grondwater op het gemengd riool te lozen.

Vuilwater
In het plan van het bezoekerscentrum is een natte groep opgenomen (toiletten, pantry). Het hierdoor geproduceerde afvalwater kan niet onder vrijverval op het bestaande gemengd stelsel worden geloosd in verband met de relatief hoge ligging van de riolering.

Het is bijvoorbeeld mogelijk om met een inpandig pompje (keuze en berekening voor installateur) het afvalwater onder druk naar een nieuwe en aparte vrijverval lozingsleiding te verpompen. Een persleiding direct op het openbaar gemengd riool is niet gewenst. Een terugklep is noodzakelijk om bij hevige neerslag instroming van vuilwater te voorkomen. Voor de aansluiting van de natte groep op de openbare riolering is een aansluitvergunning vereist van de dienst Stadswerken.

Onttrekking en lozen van grondwater
Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouw is vergunningsplichtig, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op de gemeentelijke riolering of op het oppervlaktewater. Bij de bouwfase van het publiekscentrum kan er sprake zijn van een beperkte (open) bemaling. Het tijdens de bouwfase tijdelijk lozen van bemalingswater op de riolering of op het oppervlaktewater is onder voorwaarden (o.a. hoeveelheid en samenstelling) toegestaan. Bij de gemeente Utrecht dient een vergunning voor het tijdelijk lozen van grondwater op de openbare riolering, en bij het waterschap HDSR voor het tijdelijk lozen van grondwater op het oppervlaktewater te worden aangevraagd.

Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om het overtollige water te onttrekken en af te voeren. Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen moet een melding worden gedaan bij het waterschap. De provincie is verantwoordelijk voor grotere grondwateronttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar.

Omdat structurele lozing van schoon grondwater op het gemengd stelsel niet is toegestaan, dient het geïnfiltreerde hemelwater duurzaam te worden verwerkt.

Watervergunning
Ten behoeve van het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers en bouwen in en langs water is een Watervergunning van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden noodzakelijk. Ten behoeve van de ontwikkelingen in het plangebied is een Keurontheffing vereist. Alle wateraspecten (inclusief de Keur-aspecten) worden in de watervergunning geregeld.

Conclusie
Op basis van het gemeentelijk en waterschapsbeleid is het niet toegestaan om structureel, niet-overtollig grondwater af te voeren. Om een waterdichte verblijfsruimte met een optimale vochthuishouding te garanderen, is een waterdichte vloer- en wandconstructie noodzakelijk.

Een ander punt van aandacht is de omgang met het hemelwater dat boven de dakconstructie van het ondergrondse publiekscentrum door de pleinverharding infiltreert. Via dakafschot en/of drainage kan dit worden afgevoerd naar een lokale infiltratievoorziening (de omringende ondergrond) of via een lozingsleiding op de Oude Gracht (oppervlaktewater) worden geloosd. Gezien de benodigde voorzieningen en middelen hiervoor wordt onderzoek naar een alternatief, doelmatig en kosteneffectieve oplossing sterk aanbevolen.

De geplande ontwikkeling heeft, bij de uitwerking van de voorgeschreven omgang met het grond-, hemel- en vuilwater geen negatieve invloed op de waterhuishouding in en rondom het plangebied. De toekomstige waterstromen (vuil en schoon) worden conform het beleid van de waterbeheerders duurzaam gescheiden ingezameld, getransporteerd en verwerkt.

5.9.6 Verslaglegging van gevoerd overleg gemeente - waterbeheerder

De waterbeheerder heeft in overleg aangegeven te kunnen instemmen met de waterparagraaf.