Regels

 

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS

 

Artikel 1 Begrippen

 

1.1 plan:

het bestemmingsplan Soest Midden en Zuid van de gemeente Soest.

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0342.BPSOE0003-0401 met de bijbehorende regels en bijlagen.

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar -ingevolge de regels- regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 achtererfgebied:

Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m. van de voorkant, van het hoofdgebouw.

1.6 achtergevel:

de van de weg afgekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één van de van de weg afgekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.

1.7 ambulante handel:

handel zonder vaste plaats, in die zin dat deze plaats relatief eenvoudig verplaatst kan worden, zoals een bloemenstal, een vis-, oliebollen- of loempiakraam.

1.8 ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

1.9 archeologisch deskundige:

de gemeentelijke archeoloog of een andere door Burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.

1.10 archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door de gemeente Soest of namens de gemeente Soest door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 en werkend volgens de kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie.

1.11 archeologisch verwachtingsgebied:

terrein dat op basis van de Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart van de gemeente Soest op de verbeelding is aangeduid als gebied met lage, dan wel middelmatige of onbekende, dan wel hoge archeologische verwachting.

1.12 archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

1.13 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.

1.14 bebouwingspercentage:

een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage van de oppervlakte van het bouwvlak, dat mag worden bebouwd, of indien dat in de regels is aangegeven; van het bestemmings- of maatvoeringsvlak.

1.15 bedrijf:

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende activiteiten.

1.16 bedrijf aan huis:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door de hoofdbewoner, gericht op consumentenverzorging, geheel of overwegend door middel van handwerk, alsmede handelsactiviteiten via internetwinkels, waarvan de omvang zodanig is dat de activiteit in een woning en/of de daarbij behorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

1.17 bedrijfsgebouw:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

1.18 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein.

1.19 begane grondbouwlaag:

de eerste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

1.20 beroep aan huis:

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinning, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of de daarbij behorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend of beroepsmatig verleend door de hoofdbewoner.

1.21 bestaand:

bestaand ten tijde van de in werking treding van het bestemmingsplan.

1.22 bestaand bijgebouw

een niet voor bewoning bestemd gebouw, dat behoort bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, zoals een garage, hobbyruimte, bergruimte, kas of huisdierenverblijf bestaand ten tijde van de in werking treding van het bestemmingsplan.

1.23 bestemmingsgrens:

de grens van het bestemmingsvlak.

1.24 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming.

1.25 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.26 bouwgrens;

een op de kaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak.

1.27 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.

1.28 bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel.

1.29 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten.

1.30 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.31 bruto vloer oppervlakte (BVO):

de totale oppervlakte van gebouwen ten dienste van de bedrijfsactiviteiten, met inbegrip van daartoe behorende opslag- en overige dienstruimten.

1.32 bijbehorende bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebuw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.33 cultuurhistorische waarden:

de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld, dat is ontstaan door het gebruik, dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied.

1.34 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop of te huur aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van het bieden van gelegenheid om gekochte etenswaren ter plaatse te nuttigen.

1.35 perifere detailhandel:

detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair.

1.36 dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan bedrijven of het publiek zoals administratie-, advertentie-, advocaten-, advies-, en ingenieursbureaus, congres- en vergader-accommodaties, makelaars, banken en andere financiële dienstverleners, reis- en uitzendbureaubureaus, postkantoren, kapsalons, schoonheidsinstituten, stomerijen en  wasserettes.

 

1.37 erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmngsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

1.38 extensieve recreatie:

die vormen van openluchtrecreatie, waarbij men vooral het landschap of bepaalde aspecten daarvan sterk beleeft, zoals wandelen en fietsen, waarbij relatief weinig mensen aanwezig zijn per oppervlakte-eenheid en die plaatsvinden in een gebied zonder recreatievoorzieningen.

1.39 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.40 grootschalige detailhandel:

een vestiging van detailhandel met een minimaal winkelvloeroppervlak van 2.000 m² per vestiging in één branche, met uitzondering van de branches food (zoals supermarkten) en perifere detailhandel.

1.41 hoofdbewoner:

degene die in de gemeentelijke basisadministratie als zodanig voor het betreffende adres vermeld staat, alsmede de personen die deel uitmaken van zijn/haar huishouden.

1.42 hoofdgebouw:

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.43 horeca:

een bedrijf, in hoofdzaak gericht op:

Tot horeca worden ook afhaalzaken en maaltijdbezorgdiensten gerekend.

1.44 internetwinkel:

een specifieke vorm van detailhandel, waarbij:

1.45 kantoor:

een ruimte, die blijkens zijn indeling en inrichting is bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor werkzaamheden van administratieve aard.

1.46 kelder:

een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 0,5 m boven de kruin van de weg, waaraan het bouwperceel is gelegen.

1.47 landschapswaarden:

de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied.

1.48 maatvoeringsvlak:

een geometrisch bepaald vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor bepaalde bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt.

1.49 natuurwaarden:

de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.50 openbaar toegankelijk gebied

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

1.51 openbare dienstverlening:

de dienstverlening door een (semi-)overheidsinstelling in het kader van de uitoefening van de aan die instelling toegekende publieke taak.

1.52 overkapping:

een ander bouwwerk dat een overdekte ruimte vormt zonder, dan wel met ten hoogste één wand.

1.53 peil:

  1. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
    de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang, vermeerderd met 5 cm.

  2. in andere gevallen:
    de hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende terrein, vermeerderd met 5 cm., waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.

1.54 seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.55 straatmeubilair:

meubilair dat langs de openbare weg staat zoals lantaarnpalen, banken en afvalbakken.

1.56 verbeelding:

de kaart met bijbehorende verklaring waarop de bestemmingen alsmede de aanduidingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangewezen.

1.57 vlak:

een geografisch bepaald gebied.

1.58 voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.

1.59 waardevolle archeologische laag:

de grondlaag in de bodem waarin de archeologische waarden zijn te verwachten.

1.60 wonen-maatschappelijk:

vorm van wonen die voorziet in de aangepaste woonbehoefte van personen of groepen van personen, zoals gehandicapten, ouderen of anderszins verzorgingsbehoevenden, voor wie reguliere woonvoorzieningen niet passend of toereikend zijn.

1.61 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.62 zijerf:

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 Meetregels

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

  1. afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens: de kortste afstand van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelsgrens;

  2. afstand tussen gebouwen: de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen;

  3. de bruto vloeroppervlakte van een gebouw: gemeten (op alle bouwlagen) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, of tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie, indien de binnenruimte van het gebouw grenst aan de binnenruimte van een ander gebouw;

  4. de netto vloeroppervlakte van een gebouw: binnen de afgewerkte omtrekwanden, onder aftrek van de in de ruimte uitspringende onderdelen van het gebouw, zoals schoorsteenstoelen, kanalen en kasten, doch zonder aftrek van plinten en vast meubilair, zoals aanrechten en verwarmingslichamen; de vloeroppervlakte van een verdieping, waarboven minder dan 1,5 m hoogte aanwezig is, wordt buiten beschouwing gelaten;

  5. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

  6. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. druiplijn, het boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Indien het terrein voor en achter het bouwwerk niet even hoog ligt, wordt de goothoogte gemeten aan de voorgevel; voor de achtergevel liggen in dat geval de goothoogten op dezelfde werkelijke hoogte als bij de voorgevel. Indien de voorgevel wordt uitgevoerd als opgaande topgevel, gelden de goothoogten voor de zijgevels. Zij worden gemeten uit het terrein, aanliggende aan de voorgevel;

  7. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

  8. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

  9. de oppervlakte van een bouwwerk: buitenwerks en 1 m boven peil waarbij voor bijbehorende bouwwerken de vloer van de kelder wordt meegerekend, indien deze van buitenaf bereikbaar is. Indien op die hoogte geen buitenwerkse gevelvlakken en/of scheidingsmuren aanwezig zijn, wordt de verticale projectie van het gehele bouwwerk op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk gemeten;

  10. de verticale bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;

  11. de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

 

2.2 Aanvullende meetregels

Bij het meten gelden de volgende aanvullende regels:

  1. ondergeschikte bouwonderdelen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, bestemmings- en aanduidingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt;

  2. relatie: indien op de verbeelding twee of meer bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken door middel van de aanduiding 'relatie' met elkaar zijn verbonden, dan worden die bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken bij de toepassing van deze regels aangemerkt als één bestemmingsvlak respectievelijk één bouwvlak.

HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS

 

Artikel 3 Agrarisch

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. agrarische bedrijven;

  2. instandhouding van de ter plaatse voorkomende waardevolle landschapselementen, zoals bomenrijen, singel- en laanbeplanting, streek en waterlopen;

  3. extensieve recreatie;

  4. watergangen en waterpartijen;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijf paardenkampcentrum: een paardenkamp;

  2. ter plaatse van de functieaanduiding ‘kantoor: een kantoor;

met de daarbij behorende:

  1. waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals duikers, bruggen en stuwen; sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;

  2. overige voorzieningen, zoals ontsluitingsverhardingen, groenvoorzieningen, open terreinen, tuinen en erven.

 

3.2 Bouwregels

 

3.2.1 Bouwen

Voor het bouwen van agrarische gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. b. ter plaatse van de bouwaanduiding ‘bijgebouwen': bestaand bijgebouw;

  3. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding ‘tredmolen': een tredmolen;

  4. het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' anders staat aangegeven;

  5. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' mogen de goothoogte en de bouwhoogte van gebouwen, niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

3.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Vlaggenmasten

8 m

Overkappingen en pergola’s

3,5 m

Perceelsafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van een gebouw

1 m

Overige perceelsafscheidingen

1 m

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

5 m

 

3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

 

3.3.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aan te leggen of aan te brengen;

  2. wegen en paden aan te leggen en te verharden of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;

  3. de bodem te verlagen en gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren;

  4. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur aan te brengen;

  5. andere handelingen te verrichten die de dood of ernstige beschadiging van bomen ten gevolge hebben of kunnen hebben.

 

3.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunning

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.3.1 is vereist voor werken of werkzaamheden die:

  1. het normale onderhoud betreffen;

  2. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de grond;

  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

  4. van zodanig ondergeschikt belang en van zo geringe omvang zijn, dat aan de karakteristieke waarden van de bomen en hagen geen afbreuk wordt gedaan.

 

3.3.3 Toegestane werken of werkzaamheden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.3.1 mag slechts verleend worden, indien:

  1. de werkzaamheden of de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig aantasten of kunnen aantasten;

  2. door het stellen van voorwaarden ten aanzien van plaats, omvang, wijze en tijd van uitvoering aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden kan worden voorkomen;

  3. de mogelijkheden tot herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

 

Artikel 4 Agrarisch met waarden

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. agrarische bedrijven;

  2. instandhouding van de ter plaatse voorkomende waardevolle landschaps- en/of natuurwaarden, waaronder geomorfologische, bodemkundige, landschapsvisuele en cultuurhistorische waarden;

  3. instandhouding van de ter plaatse voorkomende waardevolle landschapselementen, zoals bomenrijen, singel- en laanbeplanting, streek en waterlopen;

  4. extensieve recreatie;

met de daarbij behorende:

  1. waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;

  2. overige voorzieningen, zoals ontsluitingsverhardingen, groenvoorzieningen, open terreinen, tuinen en erven.

 

4.2 Bouwregels

 

4.2.1 Bouwen

Voor het bouwen van agrarische gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de bouwaanduiding ‘bijgebouwen': bestaand bijgebouw;

  3. het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd, tenzij ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' anders staat aangegeven;

  4. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' mogen de goothoogte en de bouwhoogte van gebouwen, niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  5. in afwijking van hetgeen genoemd onder c mag, indien de bestaande goothoogte aan de achterzijde van het gebouw hoger is, de goothoogte aan de achterzijde van het gebouw niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte.

 

4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Perceelsafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van een gebouw

1 m

Overige perceelsafscheidingen

1 m

 

4.3 Specifieke gebruiksregels

De voor Agrarisch met waarden aangewezen gronden mogen niet worden gebruikt voor:

  1. het weiden van dieren;

  2. moestuinen en/of volkstuinen;

  3. het bebossen van gronden;

  4. paardenbakken.

 

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

 

4.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aan te leggen of aan te brengen;

  2. wegen en paden aan te leggen en te verharden of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;

  3. de bodem te verlagen en gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren;

  4. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee saenhangende constructies, installaties en apparatuur aan te brengen;

  5. andere handelingen te verrichten die de dood of ernstige beschadiging van bomen ten gevolge hebben of kunnen hebben.

 

4.4.2 Uitzonderingen omgevingsvergunning

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4.1 is vereist voor werken of werkzaamheden die:

  1. het normale onderhoud betreffen;

  2. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de grond;

  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

  4. van zodanig ondergeschikt belang en van zo geringe omvang zijn, dat aan de karakteristieke waarden van de bomen en hagen geen afbreuk wordt gedaan.

 

4.4.3 Toegestane werken of werkzaamheden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.4.1 mag slechts verleend worden, indien:

  1. de werkzaamheden of de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig aantasten of kunnen aantasten;

  2. door het stellen van voorwaarden ten aanzien van plaats, omvang, wijze en tijd van uitvoering aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden kan worden voorkomen;

  3. de mogelijkheden tot herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

 

Artikel 5 Bedrijf

 

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven tot en met categorie 2 van de bij deze regels behorende bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 1': bedrijven tot en met categorie 1;

  2. ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning': bedrijfswoning;

  3. ter plaatse van de functieaanduiding 'wonen': woning;

  4. ter plaatse van de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg': verkooppunt motorbrandstoffen met lpg;

  5. ter plaatse van de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg': verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg;

  6. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- drukkerij': drukkerij;

  7. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- tank-en reservoirbouwbedrijf’: tank- en reservoirbouwbedrijf p.o. < 2000 m²;

  8. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- autospuitinrichting': autospuitinrichting;

  9. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- bouwbedrijf' :bouwbedrijf algemeen, p.o. < 2000 m²;

  10. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk-educatie': educatie;

  11. ter plaatse van de functieaanduiding 'opslag': opslag;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. tuinen, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen;

  3. technische installaties, luifels, overkappingen, reclametekens, pergola’s en vlaggen- en andere masten.

 

5.2 Bouwregels

 

5.2.1 Bouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd, tenzij ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' anders staat aangegeven;

  3. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'gemeentelijke monumenten': gemeentelijk monument;

  4. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'aantal' mag het aantal niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  5. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' mogen de goothoogte en de bouwhoogte van gebouwen, niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

5.2.2 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende eisen:

  1. binnen het bouwvlak mag maximaal één bedrijfswoning worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ geen bedrijfswoning is toegestaan;

  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' mag de bouwhoogte van bedrijfswoningen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  3. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 600 m³ of indien de bestaande inhoud meer dan 600 m³ bedraagt, niet meer dan de bestaande inhoud;

  4. er mag geen deel uitsteken buiten de denkbeeldige vlakken, die de denkbeeldige verticale vlakken waarin de twee langste gevels van het bouwwerk liggen onder een hoek van 142° snijden ter hoogte van de maximum goothoogte. Deze bepaling is niet van toepassing op ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, dakkapellen en goten.

 

5.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende eisen:

  1. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

  2. bij bedrijfswoningen behorende bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van minimaal 3 m achter het verlengde van de voorgevel van de betreffende woning worden gebouwd;

  3. de totale oppervlakte van bij bedrijfswoningen behorende bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 75 m² bedragen;

  4. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken behorende bij bedrijfswoningen mag niet meer dan 3 m bedragen;

  5. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken behorende bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 5 meter;

  6. er mag geen deel uitsteken buiten de denkbeeldige vlakken, die de denkbeeldige verticale vlakken waarin de twee langste gevels van het bouwwerk liggen onder een hoek van 142° snijden ter hoogte van de maximum goothoogte. Deze bepaling is niet van toepassing op ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, dakkapellen en goten.

 

5.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Vlaggenmasten

8 m

Perceelsafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van een gebouw

1 m

Overige perceelsafscheidingen

2 m

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

5 m

 

5.3 Specifieke gebruiksregels

Op de voor Bedrijf aangewezen gronden zijn uitsluitend bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2 van de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' toegestaan, tenzij in 5.1 anders aangeduid.

 

5.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 5.3 voor bedrijfsactiviteiten die niet in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' zijn genoemd maar naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de rechtstreeks toegelaten bedrijfsactiviteiten.

 

Artikel 6 Bos

 

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bos en bebossing, ten behoeve van het behoud en herstel van de landschappelijke waarden.

 

6.2 Bouwregels

 

6.2.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

bouwhoogte

Overige perceelsafscheidingen

2 m

 

  1. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'onoverdekte zwembad': een onoverdekt zwembad;

  2. ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen': bestaand bijgebouw.

 

6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

 

6.3.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aan te leggen of aan te brengen;

  2. wegen en paden aan te leggen en te verharden of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;

  3. de bodem te verlagen en gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren;

  4. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur aan te brengen;

  5. andere handelingen te verrichten die de dood of ernstige beschadiging van bomen ten gevolge hebben of kunnen hebben.

 

6.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunning

werkzaamheden die:

  1. het normale onderhoud betreffen;

  2. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de grond;

  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

  4. van zodanig ondergeschikt belang en van zo geringe omvang zijn, dat aan de karakteristieke waarden van de bomen en hagen geen afbreuk wordt gedaan.

 

6.3.3 Toegestane werken of werkzaamheden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.3.1 mag slechts verleend worden, indien:

  1. de werkzaamheden of de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig aantasten of kunnen aantasten;

  2. door het stellen van voorwaarden ten aanzien van plaats, omvang, wijze en tijd van uitvoering aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden kan worden voorkomen;

  3. de mogelijkheden tot herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 7 Centrum - 1

 

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Centrum - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. detailhandel en daarbij behorende en/of daaraan verwante dienstverlening, met overwegend een baliefunctie, zoals reisbureaus, bankfilialen, makelaarskantoren, videotheken, kap- en schoonheidssalons, en bijbehorende werkplaatsen en ateliers;

  2. horeca;

  3. dienstverlening;

  4. groen;

  5. verkeer;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. overige voorzieningen, zoals groenvoorzineingen, voetgangersgebieden, voet- en fietspaden en nutsvoorzieningen;

  3. straatmeubilair en beeldende kunstwerken.

 

7.2 Bouwregels

 

7.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  3. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

7.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Verlichtingselementen, plastische kunstwerken en vlaggenmasten

8 m

Luifels en pergola’s

3,5 m

Uitstalkasten en ander winkelstraatmeubilair

2,5 m

Perceelsafscheidingen

2 m

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

5 m

 

7.3 Specifieke gebruiksregels

Horeca als bedoeld in lid 7.1 onder b. is toegestaan tot categorie 1 van de hierna volgende lijst van toegestane horeca-activiteiten:

SBI

Omschrijving

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Grootste afstand

Categorie

5511 5512

Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra

10

0

10

10

10

1

553

Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding

10

0

10

10

10

1

554.1

Café's, bars

0

0

10

10

10

1

554.2

Discotheken, muziekcafé's

0

0

30

10

30

2

 

Artikel 8 Centrum - 2

 

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Centrum - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. detailhandel en daarbij behorende en/of daaraan verwante dienstverlening, met overwegend een baliefunctie, zoals reisbureaus, bankfilialen, makelaarskantoren, videotheken, kap- en schoonheidssalons, en bijbehorende werkplaatsen en ateliers;

  2. wonen, behoudens de daarbij behorende ingangspartijen en bergingen, boven de begane grondbouwlaag en ter plaatse van de functieaanduiding 'wonen uitgesloten': wonen niet is toegestaan;

  3. horeca;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'sportcentrum': een sportcentrum;

  2. met de daarbij behorende:

  3. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  4. overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, voetgangersgebieden, voet- en fietspaden en nutsvoorzieningen;

  5. straatmeubilair en beeldende kunstwerken.

 

8.2 Bouwregels

 

8.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de bouwaanduiding 'onderdoorgang': een onderdoorgang;

  3. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  4. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

8.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

bouwhoogte

Verlichtingselementen, plastische kunstwerken en vlaggenmasten

8 m

Luifels en pergola’s

3,5 m

Uitstalkasten en ander winkelstraatmeubilair

2,5 m

Perceelsafscheidingen

2 m

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

5 m

 

8.3 Specifieke gebruiksregels

Horeca als bedoeld in lid 8.1 onder c. is toegestaan tot categorie 1 van de hierna volgende lijst van toegestane:

SBI

Omschrijving

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Grootste afstand

Categorie

5511 5512

Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra

10

0

10

10

10

1

553

Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding

10

0

10

10

10

1

554.1

Café's, bars

0

0

10

10

10

1

554.2

Discotheken, muziekcafé's

0

0

30

10

30

2

 

Artikel 9 Detailhandel

 

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. detailhandel;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'horeca': horeca;

  2. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf natuursteenbewerkingsbedrijf': natuursteenbewerkingsbedrijf;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, voet- en fietspaden en nutsvoorzieningen.

 

9.2 Bouwregels

 

9.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'gemeentelijke monumenten': gemeentelijk monument;

  3. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'rijksmonumenten': rijksmonument;

  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  5. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

9.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

bouwhoogte

Vlaggenmasten

8 m

Overkappingen en pergola’s

3,5 m

Perceelsafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van een gebouw

1 m

Overige perceelsafscheidingen

2 m

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

5 m

 

9.3 Specifieke gebruiksregels

De voor 'Detailhandel’ aangewezen gronden mogen niet worden gebruikt voor detailhandel in vuurwerk of detailhandel in andere brand- en explosiegevaarlijke stoffen.

 

9.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.3.

 

Artikel 10 Detailhandel - Grootschalig

 

10.1 Bestemmingsbeschrijving

De voor 'detailhandel-grootschalig' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. grootschalige detailhandel in outdoor- en sportartikelen, tuininrichtingsartikelen, keuken en sanitair, woninginrichtingsartikelen, waaronder meubelen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen zoals accesoires, onderdelen en onderhoudsmiddelen, met een brutowinkelvloeroppervlakte van minimaal 1000 m², met uitzondering van de branches food (zoals supermarkten) en perifere/volumineuze detailhandel;

  2. kantoor uitsluitend behorende bij de bedrijfsvoering;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning': bedrijfswoning;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, voet- en fietspaden en nutsvoorzieningen, technische installaties, luifels, overkappingen, reclametekens, pergola’s en vlaggen- en andere masten.

 

10.2 Bouwregels

 

10.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  3. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

10.2.2 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende eisen:

  1. binnen het bouwvlak mag maximaal één bedrijfswoning per branche worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' mag de bouwhoogte van bedrijfswoningen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  3. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 600 m³ of indien de bestaande inhoud meer dan 600 m³ bedraagt, niet meer dan de bestaande inhoud.

 

10.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende eisen:

  1. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

  2. bij bedrijfswoningen behorende bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van minimaal 3 m achter het verlengde van de voorgevel van de betreffende woning worden gebouwd;

  3. de totale oppervlakte van bij bedrijfswoningen behorende bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 75 m² bedragen;

  4. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken behorende bij bedrijfswoningen mag niet meer dan 3 m bedragen;

  5. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken behorende bij bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 5 meter.

 

10.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

bouwhoogte

Vlaggenmasten

8 m

Overkappingen en pergola’s

3,5 m

Perceelsafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van een gebouw

1 m

Overige perceelsafscheidingen

2 m

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

5 m

 

10.3 Specifieke gebruiksregels

De voor 'Detailhandel-Grootschalig' aangewezen gronden mogen niet worden gebruikt voor detailhandel in vuurwerk of detailhandel in andere brand- en explosiegevaarlijke stoffen.

 

Artikel 11 Gemengd

 

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. zakelijke, maatschappelijke en overige dienstverlening, waarvan de uitoefening zoveel mogelijk dient te gescheiden in een direct contact met het publiek, bijvoorbeeld door middel van een baliefuctie;

  2. wonen, met dien verstande dat ter plaatse van de functieaanduiding 'wonen uitgesloten': wonen niet is toegestaan;

  3. kantoren;

  4. bedrijven tot en met categorie 2 van de bij deze regels behorende bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'detailhandel': detailhandel;

  2. ter plaatse van de functieaanduiding 'horeca': horeca;

  3. ter plaatse van de 'speciefieke bouwaanduiding rijksmonumenten': rijksmonument;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, voet- en fietspaden en nutsvoorzieningen.

 

11.2 Bouwregels

 

11.2.1 Toegestane bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in lid 11.1 mogen uitsluitend worden gebouwd:

  1. woningen mogen uitsluitend binnen bouwvlakken worden gebouwd, met de voorgevels gekeerd naar de weg;

  2. ter plaatse van de bouwaanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan;

  3. ter plaatse van de bouwaanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee-onder-één-kapwoningen toegestaan;

  4. ter plaatse van de bouwaanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;

  5. ter plaatse van de bouwaanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan;

  6. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'gemeentelijke monumenten': gemeentelijke monument;

  7. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'rijksmonument': rijksmonument;

  8. ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen': bestaand bijgebouw.

 

11.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  3. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan, met de daarbij behorende inpandige bergingen.

 

11.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende eisen:

  1. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

  2. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken behorende bij hoofdgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen;

  3. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken behorende bij hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

bouwhoogte

Aan- en uitbouwen

5 m

Bijgebouwen

5 m

Overkappingen

3 m

 

  1. aan- en uitbouwen bij een woning mogen een diepte van 3 m hebben, onverminderd het hiervoor bepaalde en met dien verstande dat:

    1. de gezamenlijke diepte van een woning en aan- en uitbouwen niet meer dan 15 m mag bedragen en in geval van een bouwvlak van 15 meter diep niet meer dan 18 meter;

    2. de breedte van de aan- en uitbouw aan de achterzijde van het hoofdgebouw niet meer dan de breedte van het hoofdgebouw, inclusief aan- en/of uitbouwen aan de zijgevel mag bedragen;

    3. de afstand van de aan- en uitbouw aan de zijgevel van de woning dient tot aan de voorgevel meer dan 3 m te bedragen;

    4. de overschrijding van de voorgevelrooilijn door uitbouwen aan de oorspronkelijke voorgevel van de woning niet meer dan 1,5 m mag bedragen;

    5. de breedte van uitbouwen aan de oorspronkelijke voorgevel van de woning niet meer dan 50% mag bedragen.

 

11.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Verlichtingselementen, plastische kunstwerken en vlaggenmasten

8 m

Luifels en pergola’s

3 m

Uitstalkasten en ander winkelstraatmeubilair

2,5 m

Perceelsafscheidingen

2 m

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

5 m

 

11.3 Specifieke gebruiksregels

Horeca als bedoeld in lid 11.1 onder e. is toegestaan tot categorie 1 van de hierna volgende lijst van toegestane horeca-activiteiten:

SBI

Omschrijving

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Grootste afstand

Categorie

553

Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding

10

0

10

10

10

1

554.1

Café's, bars

0

0

10

10

10

1

 

Artikel 12 Groen - Structuurgroen

 

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen - Structuurgroen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. groenvoorzieningen, die deel uit maken van de hoofdgroenstructuur , ten behoeve van het behoud en herstel van de aldaar voorkomende, danwel daaraan eigen, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;

met de daarbij behorende:

  1. openbaar groen, speelvoorzieningen, verblijfsgebied en geluidwerende voorzieningen;

  2. overige voorzieningen, zoals watergangen en waterpartijen, hondenuitlaatvoorzieningen, waterbergingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals duikers, bruggen en stuwen, alsmede voet- en fietspaden, ontsluitingsverhardingen, in- en uitritten, openbare verlichting, nutsvoorzieningen, open terreinen en landschappelijke beplantingen.

 

12.2 Bouwregels

 

12.2.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Voorzieningen ten behoeve van de openbare veiligheid

18 m

Openbare verlichting

10 m

Geluidwerende voorzieningen

3 m

Speelvoorzieningen

5 m

Overige andere bouwwerken

3 m

 

12.3 Specifieke gebruiksregels

De gronden als bedoeld in lid 12.1 mogen niet worden gebruikt voor parkeren.

 

12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

 

12.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aan te leggen of aan te brengen;

  2. wegen en paden aan te leggen en te verharden of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;

  3. de bodem te verlagen en gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren;

  4. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur aan te brengen;

  5. andere handelingen te verrichten die de dood of ernstige beschadiging van bomen ten gevolge hebben of kunnen hebben.

 

12.4.2 Uitzonderingen omgevingsvergunning

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 12.4.1 is vereist voor werken of werkzaamheden die:

  1. het normale onderhoud betreffen;

  2. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de grond;

  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

  4. van zodanig ondergeschikt belang en van zo geringe omvang zijn, dat aan de karakteristieke waarden van de bomen en hagen geen afbreuk wordt gedaan;

  5. gelet op de in de bestemmingsomschrijving als bedoeld in lid 6.1 opgenomen doeleinden, waaronder het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden, voor de gronden van ondergeschikte betekenis moeten worden beschouwd.

 

12.4.3 Toegestane werken of werkzaamheden

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 12.4.1 mag slechts verleend worden, indien:

  1. de werkzaamheden of de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig aantasten of kunnen aantasten;

  2. door het stellen van voorwaarden ten aanzien van plaats, omvang, wijze en tijd van uitvoering aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden kan worden voorkomen;

  3. de mogelijkheden tot herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

 

Artikel 13 Groen - Wijkgroen

 

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen - Wijkgroen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. groenvoorzieningen, deel uitmakend van de wijkgroenstructuur;

met de daarbij behorende:

  1. openbaar groen, speelvoorzieningen, verblijfsgebied en geluidwerende voorzieningen;

  2. overige voorzieningen, zoals watergangen en waterpartijen, waterbergingen, hondenuitlaatvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals duikers, bruggen en stuwen, alsmede voet- en fietspaden, ontsluitingsverhardingen, in- en uitritten, openbare verlichting, nutsvoorzieningen, open terreinen en landschappelijke beplantingen.

 

13.2 Bouwregels

 

13.2.1 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Voorzieningen ten behoeve van de openbare veiligheid

18 m

Openbare verlichting

10 m

Geluidwerende voorzieningen

3 m

Speelvoorzieningen

5 m

Overige andere bouwwerken

3 m

 

13.3 Specifieke gebruiksregels

De gronden als bedoeld in lid 13.1 mogen niet worden gebruikt voor parkeren.

 

13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

 

13.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aan te leggen of aan te brengen;

  2. wegen en paden aan te leggen en te verharden of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;

  3. de bodem te verlagen en gronden af te graven, op te hogen en te egaliseren;

  4. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur aan te brengen;

  5. andere handelingen te verrichten die de dood of ernstige beschadiging van bomen ten gevolge hebben of kunnen hebben.

 

13.4.2 Uitzonderingen omgevingsvergunning

Geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 13.4.1 is vereist voor werken of werkzaamheden die:

  1. het normale onderhoud betreffen;

  2. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de grond;

  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

  4. van zodanig ondergeschikt belang en van zo geringe omvang zijn, dat aan de karakteristieke waarden van de bomen en hagen geen afbreuk wordt gedaan;

  5. gelet op de in de doeleindenomschrijving als bedoeld in lid .1 opgenomen doeleinden, waaronder het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden, voor de gronden van ondergeschikte betekenis moeten worden beschouwd.

 

13.4.3 Toegestane werken of werkzaamheden

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 13.4.1 mag slechts verleend worden, indien:

  1. de werkzaamheden of de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig aantasten of kunnen aantasten;

  2. door het stellen van voorwaarden ten aanzien van plaats, omvang, wijze en tijd van uitvoering aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden kan worden voorkomen;

  3. de mogelijkheden tot herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische, karakteristieke en/of natuurwetenschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

 

Artikel 14 Horeca

 

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. horeca;

als mede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'kantoor': kantoor;

  2. ter plaatse van de functieaanduiding 'wonen': wonen;

  3. ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning': bedrijfswoning;

  4. ter plaatse van de functieaanduiding 'dienstverlening': dienstverlening;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. bij deze doeleinden behorende overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en speelvoorzieningen.

 

14.2 Bouwregels

 

14.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  3. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'aantal' mag het aantal niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  4. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mogen de goot- en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  5. de afstand van enig gebouw tot de zij- en achtererfscheiding mag niet minder dan 3 m bedragen;

  6. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'gemeentelijke monumenten': gemeentelijke monument;

 

14.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Perceelsafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van een gebouw

1 m

Overige perceelsafscheidingen

2 m

Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde

3 m

Speelvoorzieningen

5 m

 

14.3 Specifieke gebruiksregels

Horeca als bedoeld in lid 14.1 onder a. is toegestaan tot en met categorie 2van de Staat van horeca-activiteiten zoals opgenomen in bijlage 2.

 

Artikel 15 Kantoor

 

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Kantoor' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. kantoren;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'wonen': een woning;

  2. ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning': een bedrijfswoning;

  3. ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’: opslag;

  4. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk':maatschappelijke voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. overige voorzieningen, zoals tuinen en landschappelijke beplantingen.

 

15.2 Bouwregels

 

15.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van genouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  3. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mogen de goot- en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

15.2.2 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende eisen:

  1. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

  2. bij bedrijfswoningen behorende bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van minimaal 3 m achter het verlengde van de voorgevel van de betreffende woning worden gebouwd;

  3. de totale oppervlakte van hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50% van het bijbehorende bouwperceel met een maximum van 75 m² ;

  4. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen;

  5. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Bijgebouwen

5 m

Overkappingen

3 m

Aan- en uitbouwen

5 m

 

15.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

bouwhoogte

Perceelsafscheidingen voor de voorgevel van de woning

1 m

Overige andere bouwwerken

1 m

Perceelsafscheidingen

2 m

 

Artikel 16 Maatschappelijk

 

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. maatschappelijke voorzieningen op het gebied van religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, buitenschoolse opvang, recreatie, gezondheids- en revalidatiezorg, bejaardenzorg en -huisvesting, alsmede openbare en bijzondere dienstverlening;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats': een begraafplaats;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. speeltuinen en -voorzieningen en tuinen;

  3. overige voorzieningen, zoals watergangen en waterpartijen.

 

16.2 Bouwregels

 

16.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'gemeentelijke monumenten': gemeentelijk monument;

  3. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'rijksmonumenten': rijksmonument;

  4. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  5. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

16.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

bouwhoogte

Vlaggenmasten

8 m

Speelvoorzieningen

5 m

Perceelsafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van een woning

1 m

Overige perceelsafscheidingen

2 m

Overige bouwwerken gen gebouwen zijnde

1 m

 

Artikel 17 Sport

 

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. sportvoorzieningen, zoals sportvelden en -hallen en tennisbanen;

als mede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'speelvoorziening': speelvoorziening;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden en nutsvoorzieningen.

 

17.2 Bouwregels

 

17.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mag het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  3. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

17.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

bouwhoogte

Vlaggenmasten en verlichtingselementen

8 m

Speelvoorzieningen

5 m

Ballenvangers

10 m

Perceelsafscheidingen

2 m

Overige bouwwerken

6 m

Sporthal

12 m

 

Artikel 18 Tuin

 

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. tuinen, behorende bij het hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel;

  2. perceelsontsluitingen.

 

18.2 Bouwregels

 

18.2.1 Toegestane bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in lid 18.1 mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd.

  1. ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen' zijn de bestaande bijgebouwen toegestaan;

  2. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'onoverdekte zwembad' is de bestaande zwembad toegestaan

  3. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'rijksmonument': rijksmonument.

 

18.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken als bedoeld in lid 18.2.1 mag niet meer bedragen dan 1 m.

 

18.2.3 Erkers en ingangspartijen

Uitbouwen, waaronder begrepen erkers en ingangspartijen, buiten het bouwvlak, aan de voorgevel van een woning zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  1. de breedte van de betreffende uitbouw mag niet meer dan 50% van de breedte van de voorgevel zijn, dan wel niet breder dan het bestaande raam waarvoor de erker in de plaats komt;

  2. de diepte van betreffende uitbouw mag, gerekend vanaf de voorgevel van de woning, niet dieper zijn dan 1,5 meter;

  3. de goothoogte van betreffende uitbouw mag niet meer bedragen dan 3 meter gemeten vanaf peil;

  4. de bouwhoogte van betreffende uitbouw mag niet meer bedragen dan 4 meter gemeten vanaf peil;

  5. de oppervlakte van betreffende uitbouw wordt meegeteld bij de maximale bebouwing zoals bedoeld in artikel 16.2.2.b.

 

18.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan in de tabel is aangegeven:

bouwwerk

voor de voorgevel hoofdgebouw

achter de voorgevel hoofdgebouw

vlaggenmasten

8 meter

8 meter

perceelafscheidingen

1 meter

2 meter

overige bouwwerken, geen gebouwen

1 meter

2 meter

 

  1. een overkapping boven de voordeur is toegestaan, mits:

    1. de breedte maximaal 120% bedraagt van de breedte van de entreepartij;

    2. de horizontale diepte niet meer dan 1,50 meter bedraagt, gemeten uit de voorgevel van het gebouw waaraan wordt aangebouwd;

    3. het om een open constructie zonder zijwanden gaat;

    4. de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt.

 

Artikel 19 Verkeer

 

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wegen, rijbanen, inclusief in-, uitvoeg- en opstelstroken, verkeerstekens en verkeersborden;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'spoorweg': een spoorweg;

  2. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-bedrijfsmatige opslag': bedrijfsmatige opslag;

met de daarbij behorende:

  1. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  2. voet- en fietspaden;

  3. groen- en speelvoorzieningen;

  4. bermen en overige verhardingen;

  5. overige voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen en kleinschalige infrastructurele voorzieningen, zulks met uitzondering van verkooppunten van motorbrandstoffen;

  6. waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals duikers, bruggen en stuwen.

 

19.2 Bouwregels

 

19.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende eisen:

  1. van gebouwen mag de oppervlakte niet meer dan 10 m² en de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedragen;

  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - garageboxen': garageboxen mogen uitsluitend aaneengesloten worden gebouwd en de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen;

  3. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven.

 

19.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen:

  1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bouwwerken

bouwhoogte

Lichtmasten en andere palen en masten

10 m

Overige andere bouwwerken

3 m

Nutsvoorzieningen

10 m

Geluidswering

10 m

 

Artikel 20 Wonen

 

20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wonen;

  2. al dan niet met een beroep of bedrijf aan huis;

met de daarbij behorende:

  1. tuinen en erven;

  2. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluitingsverhardingen;

  3. bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken;

  4. overige voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de functieaanduiding 'detailhandel': detailhandel;

  2. ter plaatse van de functieaanduiding 'gezondheidszorg': gezondheidsvoorziening;

  3. ter plaatse van de functieaanduiding 'dienstverlening': dienstverlening;

  4. ter plaatse van de functieaanduiding 'horeca': uitsluitend horeca inde categorieën 1 en 2 van de Staat van horeca-activiteiten in bijlage 2;

  5. ter plaatse van de functieaanduiding 'kantoor': kantoor;

  6. ter plaatse van de functieaanduiding 'gemengd': publieksgerichte dienstverlening en gemengde doeleinden tot en met categorie 1 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, uitsluitend op de begane grond;

  7. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van dienstverlening- massagesalon': massagesalon;

  8. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van dienstverlening- lichaamsverzorging': een praktijk voor lichaamsverzorging;

  9. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie-kinderdagverblijf': een kinderdagverblijf.

 

20.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

20.2.1 Hoofdgebouwen

  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

  2. ter plaatse van de bouwaanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan;

  3. ter plaatse van de bouwaanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee-onder-één-kapwoningen toegestaan;

  4. ter plaatse van de bouwaanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan;

  5. ter plaatse van de bouwaanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;

  6. ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen': bestaand bijgebouw;

  7. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'balkon': balkon;

  8. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'terras': terras;

  9. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'gemeentelijke monumenten': gemeentelijk monument;

  10. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'rijksmonumenten': rijksmonument;

  11. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan op de verbeelding is aangegeven;

  12. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'aantal' mag het aantal niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  13. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mogen de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

  14. onder woningen zijn kelders toegestaan tot een verticale bouwdiepte van 3,3 meter.

 

20.2.2 Bijbehorende bouwwerken

  1. bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

  2. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 20% van de oppervlakte van de bij de woning behorende gronden met de bestemming wonen en tuin met een maximum van 150m2;

  3. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

bijbehorend bouwwerk

goothoogte

bouwhoogte

gebouwen

3 meter

5 meter

overkappingen

3 meter

5 meter

  1. van bijbehorende bouwwerken mag geen deel uitsteken buiten de denkbeeldige vlakken, die vanaf een hoogte van 3 meter op de zijdelingse perceelsgrenzen onder een hoek van 52 gr. met de horizon omhooglopen.

 

20.2.3 Andere bouwwerken

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:

situering

bouwhoogte

voor de voorgevel van het hoofdgebouw

1 meter

achter de voorgevel van het hoofdgebouw

2 meter

 

  1. voor het bouwen van een zwembad dient het volgende in acht te worden genomen:

    1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient tenminste 3 meter te bedragen.

 

20.3 Afwijken van de bouwregels

  1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor de bouw van een bijbehorend bouwwerk met een hogere goot- en/of bouwhoogte, mits:

    1. daarmee een betere aansluiting op de hoogte van de begane grond laag van het hoofdgebouw kan worden verkregen;

    2. de kapvorm en dakhellingen van het hoofdgebouw worden overgenomen;

    3. de bouwhoogte tennminste 2 meter onder de bouwhoogte van het hoofdgebouw ligt.

 

20.4 specifieke gebruiksregels

Voor het gebruik gelden de volgende regels:

  1. Het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken dient functioneel ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw, dus te gebruiken voor functies zoals garage, stalling, hobbyruimte, bergruimte, kas, huisdierenverblijf, en voor een aan huis gebonden bedrijf of beroep;

  2. Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis, met dien verstande dat:

    1. de woonfunctie daardoor niet mag worden verdrongen en maximaal 50 m² van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken voor de bedoelde activiteiten mag worden gebruikt;

    2. het beroep- of bedrijf aan huis door de hoofdbewoner wordt uitgeoefend;

    3. in het kader van een beroep of bedrijf aan huis mogen maximaal 2 personen in de woning werkzaam zijn, mits kan worden voldaan aan de parkeernormen volgens de 'Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds' (1e herziening) d.d. 18 februari 2010 van de Gemeente Soest;

    4. uitsluitend beroeps- en bedrijfsactiviteiten kunnen worden toegestaan in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten aan huis in bijlage 3;

    5. er geen horeca of detailhandel wordt uitgeoefend, met uitzondering van beperkte verkoop als ondergeschikte nevenactiviteit van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit;

    6. aan de in de 'Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds' (1e herziening) d.d. 18 februari 2010 van de Gemeente Soest vastgelegde parkeernormen wordt voldaan;

    7. door de bedrijvigheid geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat, behoudens in- en uitladen, geen bedrijfsmatige activiteiten in het openbaar gebied rond de betreffende kleinschalige bedrijvigheid mogen plaatsvinden;

    8. er geen reclame wordt gemaakt aan of bij het pand, met uitzondering van een klein bord, met een maximale oppervlakte van 0,5 m², voor de mededeling van het beroep, de openingstijden etc..

 

20.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 20.4 en de vestiging toestaan van een beroep- of bedrijfsactiviteit die niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten aan huis is genoemd, danwel ten behoeve van het uitsluitend verrichten van administratieve werkzaamheden, maar die naar hun aard en invloed op de omgeving kan worden vergeleken met een rechtstreeks toegelaten beroeps- of bedrijfsactiviteit.

 

Artikel 21 Leiding - Riool

 

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een rioolpersleiding met de daarbij behorende beschermingszone, waarbij de bestemming Leiding - Riool voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemmingen.

 

21.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

 

21.2.1 Verbod

Op de voor Leiding - Riool mede bestemde gronden is het verboden om zonder afwijking zoals bedoeld in 21.3 te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

21.2.2 Uitzonderingen

Het onder 21.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op bebouwing ten behoeve van de rioolpersleiding met een maximale bouwhoogte van 4 meter.

 

21.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan afwijken van het verbod in 21.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits de bouw verenigbaar is met de belangen van de rioolpersleiding en de leidingbeheerder daarover heeft geadviseerd.

 

21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

21.4.1 Verbod

Het is verboden om op de voor Leiding - Riool aangewezen gronden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  1. het afgraven of ophogen van gronden;

  2. het egaliseren van gronden;

  3. het beplanten met diepwortelende beplanting;

  4. het vellen, rooien van bomen en andere houtopstanden;

  5. aanleggen van onder- en/of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen, en de daarmee verband houdende constructies en/of installaties.

 

21.4.2 Uitzonderingen

Het in 21.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor het normale onderhoud van de gronden;

  2. noodzakelijk zijn voor de realisering van een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning is verleend of die vergunningvrij kunnen worden gebouwd;

  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerking treding van dit plan.

 

21.4.3 Toestingscriteria

De in 21.4.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:

  1. de werken en/of werkzaamheden nodig zijn voor de realisering of handhaving van de aan de gronden gegeven bestemming, functies of waarden;

  2. de werken en/of werkzaamheden verenigbaar zijn met de belangen van de rioolleiding en de leidingbeheerder daarover heeft geadviseerd.

 

Artikel 22 Waarde - Archeologie Waardevol Gebied 1

 

22.1 Bestemmingsbeschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie Waardevol gebied 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische monumenten, waarbij de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol gebied 1 voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

22.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

 

22.2.1 Verbod

Op de voor Waarde - Archeologie Waardevol gebied 1 mede bestemde gronden is het verboden om zonder een afwijking zoals bedoeld in 22.3 te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

22.2.2 Uitzonderingen

Het onder 22.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:

  1. bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;

  2. bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;

  3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:

    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;

    2. de bestaande oppervlakte met niet meer dan 50 m² wordt uitgebreid.

 

22.3 Afwijken van de bouwregels

 

22.3.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in 20.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord.

 

22.3.2 Beperkingen

Het bevoegd gezag kan beperkingen afwijken en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

22.3.3 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een ontheffing winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de afwijking archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de afwijking moeten worden verbonden.

 

22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

22.4.1 Verbod

Het is verboden om op de voor Waarde - Archeologie Waardevol gebied 1 aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  1. de bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld;

  2. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  3. de aanleg of uitbreiding van oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 20 m² zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;

  4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;

  5. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  6. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  7. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting;

  8. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.

 

22.4.2 Uitzonderingen

Het onder 22.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of die het archeologisch onderzoek betreffen.

 

22.4.3 Toestingscriteria

De vergunning wordt verleend, indien de in 22.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

 

22.4.4 Voorwaarden

Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en devolgende voorschriften aan de vergunning verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

22.4.5 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.

 

22.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol gebied 1 geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

 

Artikel 23 Waarde - Archeologie Waardevol Gebied 2

 

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie Waardevol gebied 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van terreinen met hoge archeologische waarden, waarbij de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol gebied 2 voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

23.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

 

23.2.1 Verbod

Op de voor Waarde - Archeologie Waardevol gebied 2 mede bestemde gronden is het verboden om zonder een afwijking zoals bedoeld in 23.3 te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

23.2.2 Uitzonderingen

Het onder 23.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:

  1. bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;

  2. bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;

  3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:

    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;

    2. de bestaande oppervlakte met niet meer dan 50 m² wordt uitgebreid.

 

23.3 Afwijken van de bouwregels

 

23.3.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan afwijken van het verbod in 23.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord.

 

23.3.2 Beperkingen

Het bevoegd gezag kan onder beperkingen afwijken en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

23.3.3 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de afwijking archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de afwijking moeten worden verbonden.

 

23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

23.4.1 Verbod

Het is verboden om op de voor Waarde - Archeologie Waardevol gebied 2 aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  1. de bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld;

  2. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  3. de aanleg of uitbreiding van oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 50 m² zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;

  4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;

  5. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  6. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  7. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting;

  8. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.

 

23.4.2 Uitzonderingen

  1. Het onder 23.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of die het archeologisch onderzoek betreffen of die een oppervlakte van 50 m² of minder beslaan, of die zijn voorzien op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de waardevolle laag al is geroerd, of waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

23.4.3 Toestingscriteria

De vergunning wordt verleend, indien de in 23.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

 

23.4.3 Toestingscriteria

De vergunning wordt verleend, indien de in 23.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

 

23.4.4 Voorwaarden

Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de aanlegvergunning verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

23.4.5 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.

23.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol gebied 2 geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

Artikel 24 Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 1

 

24.1 Bestemmingsbeschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde, waarbij de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 1 voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

24.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

 

24.2.1 Verbod

Op de voor Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 1 mede bestemde gronden is het verboden om zonder een afwijking zoals bedoeld in 24.3 te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

24.2.2 Uitzonderingen

Het onder 24.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:

  1. bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;

  2. bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;

  3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:

    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;

    2. de bestaande oppervlakte met niet meer dan 100 m² wordt uitgebreid, of;

  4. bebouwing waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m² en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

24.3 Afwijken van de bouwregels

 

24.3.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan afwijken van het verbod in 24.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord.

 

24.3.2 Beperkingen

Het bevoegd gezag kan onder beperkingen afwijken en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

24.3.3 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslissen over een afwijking winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de afwijking archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de afwijking moeten worden verbonden.

 

24.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

24.4.1 Verbod

Het is verboden om op de voor Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 1 aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  1. de bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld;

  2. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  3. de aanleg of uitbreiding van oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;

  4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;

  5. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  6. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  7. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting;

  8. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.

 

24.4.2 Uitzonderingen

  1. Het onder 24.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of die het archeologisch onderzoek betreffenof die een oppervlakte van 100 m² of minder beslaan, of die zijn voorzien op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de waardevolle laag al is geroerd, of waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

 

24.4.3 Toestingscriteria

De vergunning wordt verleend, indien de in 24.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

 

24.4.4 Voorwaarden

Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

24.4.5 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.

24.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 1 geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

 

Artikel 25 Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2

 

25.1 Bestemmingsbeschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde, waarbij de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2 voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

25.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

 

25.2.1 Verbod

Op de voor Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2 mede bestemde gronden is het verboden om zonder een afwijking van het bevoegd gezag te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen.

 

25.2.2 Uitzonderingen

Het onder 25.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:

  1. bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;

  2. bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;

  3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:

    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;

    2. de bestaande oppervlakte met niet meer dan 500 m² wordt uitgebreid, of;

  4. bebouwing waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m² en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

25.3 Afwijken van de bouwregels

 

25.3.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan afwijken van het verbod in 25.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord.

 

25.3.2 Beperkingen

Het bevoegd gezag kan onder beperkingen afwijken en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

25.3.3 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de afwijking archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de afwijking moeten worden verbonden.

 

25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnden, of werkzaamheden

 

25.4.1 Verbod

Het is verboden om op de voor Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2 aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  1. de bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld;

  2. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  3. de aanleg of uitbreiding van oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 500 m² zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;

  4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;

  5. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  6. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  7. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting;

  8. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.

 

25.4.2 Uitzonderingen

Het onder 25.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken ofwerkzaamheden:

  1. die het normale onderhoud betreffen, of;

  2. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of:

  3. die het archeologisch onderzoek betreffen, of;

  4. die een oppervlakte van 500 m² of minder beslaan, of;

  5. die zijn voorzien op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de waardevolle laag al is geroerd, of;

  6. waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

 

25.4.3 Toestingscriteria

De vergunning wordt verleend, indien de in 25.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

 

25.4.4 Voorwaarden

Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

25.4.5 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.

 

25.5 Wijzgingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 2 geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

 

Artikel 26 Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 3

 

26.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een gebied met middelhoge archeologische verwachtingswaarde, waarbij de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 3 voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

26.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

 

26.2.1 Verbod

Op de voor Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 3 mede bestemde gronden is het verboden om zonder een afwijking van het bevoegd gezag te bouwen of te laten bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen.

 

26.2.2 Uitzonderingen

Het onder 26.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:

  1. bebouwing die nodig is voor het archeologisch onderzoek met een maximale bouwhoogte van 5 meter, of;

  2. bebouwing waarvan de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 30 centimeter en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;

  3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:

    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;

    2. de bestaande oppervlakte met niet meer dan 10.000 m² wordt uitgebreid, of;

  4. bebouwing waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 10.000 m² en die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en).

 

26.3 Afwijken van de bouwregels

 

26.3.1 Afwijking

Het bevoegd gezag kan afwijken van het verbod in 26.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord.

 

26.3.2 Beperkingen

Het bevoegd gezag kan onder beperkingen afwijken en de volgende voorschriften aan de afwijking verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

26.3.3 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een afwijking winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de afwijking archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de afwijking moeten worden verbonden.

 

26.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnden, of werkzaamheden

 

26.4.1 Verbod

Het is verboden om op de voor Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 3 aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  1. de bodem met meer dan 1 meter op te hogen boven het bestaande maaiveld;

  2. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  3. de aanleg of uitbreiding van oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 10.000 m² zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;

  4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren;

  5. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  6. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld;

  7. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting;

  8. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.

 

26.4.2 Uitzonderingen

  1. Het onder 26.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of die het archeologisch onderzoek betreffen. Het onder 23.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treding van het bestemmingsplan, of die het archeologisch onderzoek betreffen of die een oppervlakte van 10.000 m² of minder beslaan, of die zijn voorzien op gronden waarvan kan worden aangetoond dat de waardevolle laag al is geroerd, of waarvan op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

 

26.4.3 Toestingscriteria

De vergunning wordt verleend, indien de in 26.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

 

26.4.4 Voorwaarden

Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden:

  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

 

26.4.5 Advies

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning winnen zij schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.

 

26.5 Wijzgingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming Waarde - Archeologie Waardevol Verwachtingsgebied 3 geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

 

Artikel 27 Waarde - Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht

 

27.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor:

  1. instandhouding van de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende ruimtelijke structuur en stedenbouwkundige kwaliteit van het beschermd dorpsgezicht.

 

27.2 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen te stellen aan de plaats en de afmetingen van bouwwerken ter instandhouding van de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende ruimtelijke structuur en stedenbouwkundige kwaliteit van het beschermd dorpsgezicht.

 

27.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

27.3.1 Verbod

Het is verboden om op de voor Waarde - Cultuurhistorie Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht aangewezen gronden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  1. het dempen van aanwezige waterlopen;

  2. het verwijderen, kappen, rooien of beschadigen van bomen.

 

27.3.2 Uitzonderingen

Het in 27.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor het normale onderhoud van de gronden;

  2. noodzakelijk zijn voor de realisering van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;

  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

27.3.3 Toestingscriteria

De in 27.3.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:

  1. de werken en/of werkzaamheden nodig zijn voor de realisering of handhaving van de aan de gronden gegeven bestemming, functies of waarden;

  2. de werken en/of werkzaamheden verenigbaar zijn met de belangen van het beschermde stadsgezicht en de Commissie voor welstand en monumenten daarover heeft geadviseerd.

 

Artikel 28 Waarde - Rijks beschermd dorpsgezicht

 

28.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Rijks beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor:

 

  1. instandhouding van de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende ruimtelijke structuur en stedenbouwkundige kwaliteit van het beschermd dorpsgezicht.

 

28.2 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan nadere eisen te stellen aan de plaats en de afmetingen van bouwwerken ter instandhouding van de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende ruimtelijke structuur en stedenbouwkundige kwaliteit van het beschermd dorpsgezicht.

 

28.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

 

28.3.1 Verbod

Het is verboden om op de voor Waarde - Cultuurhistorie Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht aangewezen gronden de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  1. het dempen van aanwezige waterlopen;

  2. het verwijderen, kappen, rooien of beschadigen van bomen.

 

28.3.2 Uitzonderingen

Het in 28.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor het normale onderhoud van de gronden;

  2. noodzakelijk zijn voor de realisering van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend;

  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

 

28.3.3 Toestingscriteria

De in 28.3.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:

  1. de werken en/of werkzaamheden nodig zijn voor de realisering of handhaving van de aan de gronden gegeven bestemming, functies of waarden;

  2. de werken en/of werkzaamheden verenigbaar zijn met de belangen van het beschermde stadsgezicht en de Commissie voor welstand en monumenten daarover heeft geadviseerd.

 

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS

 

Artikel 29 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Artikel 30 Algemene bouwregels

 

30.1 Bestaande en afwijkende maatvoering en situering

  1. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van de maatvoering en situering van gebouwen gelden de bouwregels, zoals die onder de bestemmingen en algemene bouwregels in artikel 30 zijn voorgeschreven, dan wel de bestaande overschrijding daarvan, zoals deze op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, of kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor bouwen.

  2. Het bepaalde onder 30.1.a. geldt niet voor bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

30.2 Maximum goothoogte

Van een gebouw waarvan de maximum goothoogte is bepaald, mag geen deel uitsteken boven de denkbeeldige vlakken, die de denkbeeldige verticale vlakken onder een hoek van 142 graden snijden ter hoogte van de maximum goothoogte. Onder de denkbeeldige verticale vlakken worden de verticale vlakken verstaan boven twee tegenover elkaar liggende zijden van het bouwvlak evenwijdig aan de hoofdrichting van de nok. Deze bepaling is niet van toepassing op ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, dakkapellen en goten (zie toelichting in 30.3: figuur maximale goothoogte).

  1. Van een gebouw waarvoor geen bouwvlak is opgenomen en waarvan de maximum goothoogte is bepaald, mag geen deel uitsteken buiten de denkbeeldige vlakken, die de denkbeeldige verticale vlakken waarin de twee langste gevels van het bouwwerk liggen onder een hoek van 142° snijden ter hoogte van de maximum goothoogte. Deze bepaling is niet van toepassing op ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, dakkapellen en goten.

  2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen met betrekking tot het uiterlijk, de afmeting en de plaatsing van dakkapellen.

 

30.3 Figuur maximale goothoogte

 

 [image]

 

30.4 Onderkeldering van gebouwen

Voor het bouwen onder een gebouw gelden de volgende regels:

  1. de verticale bouwdiepte mag maximaal 3.30 meter bedragen;

  2. het deel van de kelder, dat verder reikt dan het oppervlak van het gebouw vanaf peil wordt meegeteld bij de oppervlaktebebouwing buiten het bouwvlak en bedraagt niet meer dan de maxima zoals deze zijn gesteld in de daar voorkomende bestemming;

  3. de voorzieningen voor de toetreding van daglicht mogen maximaal 1.00 meter uit de gevel van de kelder worden gebouwd;

  4. toelaatbaar zijn uitsluitend ondergrondse ruimten, die een functionele eenheid vormen met de ter plaatse toegestane functies, zoals (huishoudelijke) bergruimten, parkeerruimten en fietsenstallingen.

 

Artikel 31 Algemene gebruiksregels

Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt:

  1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting, tenzij dit gebruik als zodanig uitdrukkelijk is toegestaan in of krachtens het plan;

  2. het gebruik van onbebouwde gronden als stand- of ligplaats van onderkomens, en als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met de verwerkelijking of het beheer van de bestemming.

Artikel 32 Algemene aanduidingregels

 

32.1 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

De voor 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor de exploitatie en bescherming van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening;

 

32.1.1 Bouwregels

Op de gronden mag niet worden gebouwd met uitzondering van putten ten behoeve van de waterwinning. Deze putten mogen maximaal 2 meter hoog zijn.

 

32.2 Veiligheidszone - lpg

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' is het bouwen van nieuwe gebouwen, in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk 2 in dit plan, uitsluitend toegestaan, indien is gebleken dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkelingen.

 

32.3 veiligheidszone - vuurwerk

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - vuurwerk' is het bouwen van nieuwe gebouwen, in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk 2 van dit plan, uitsluitend toegestaan indien is gebleken dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkelingen.

Artikel 33 Algemene afwijkingsregels

 

33.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan mits dit stedenbouwkundig acceptabel wordt geacht:

  1. voor het overschrijden van bouwgrenzen, mits de overschrijding niet meer dan 2.00 meter bedraagt;

  2. voor het overschrijden van voorgeschreven maten en percentages tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages;

  3. voor het toestaan van bijzondere dakvormen;

  4. voor het bouwen van portieken, liftschachten en stedenbouwkundige accenten;

  5. voor de bouw van niet voor bewoning bestemde bouwwerken bij een woning voor de stalling van scootmobielen of daaraan gelijk te stellen vervoersmiddelen, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 3.00 m en de oppervlakte niet meer dan 10 m² mag bedragen;

  6. voor het plaatsen van beeldende kunstwerken met een maximale bouwhoogte van 5.00 m.

 

33.2 Criteria

Er wordt niet afgeweken als bedoeld in lid 26.1, indien daardoor afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

 

Artikel 34 Algemene wijzigingsregels

 

34.1 Overschrijding van bestemmingsgrenzen

Burgemeester en wethouders kunnen de begrenzing van bestemmings- en bouwvlakken wijzigen, zodanig dat de geldende oppervlakte van de bij de wijziging betrokken vlakken en zones niet meer dan 20% wordt verkleind of vergroot.

 

34.2 Wijzigen van Staat van Bedrijfsactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen de van deze regels deel uit makende Staat van bedrijfsactiviteiten als bedoeld in bijlage 1 wijzigen, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven.

 

34.3 Wijzigen van Beleidsnota parkeernormen en parkeersfonds

Burgemeester en wethouders kunnen voor het toepassen van de Beleidsnota parkeernormen (1e herziening) d.d. 18 februari 2010 het bestemmingsplan wijzigen voor zover dit nodig is in verband met een nieuwe door de gemeenteraad vastgestelde Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds.

 

34.4 Wijzigen van de Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart

Burgemeester en wethouders kunnen voor het toepassen van de Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart het bestemmingsplan wijzigen voor zover dit nodig is in verband met:

    1. een nieuwe door de gemeenteraad vastgestelde Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart, dan wel;

    2. een door Burgemeester en wethouders vastgestelde wijziging van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie Waardevol Gebied 1, 2 of 3, zodanig, dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beïndiging van opgraving, daartoe aanleiding geeft.

 

34.5 wro-zone - wijzigingsgebied 2

Burgemeester en wethouders van de gemeente Soest zijn bevoegd om gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied-2' (Lange Brinkweg 18 e) te wijzigen zodanig dat een bouwvlak opgenomen kan worden, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  1. in het bouwvlak alleen een kinderdagverblijf is toegestaan;

  2. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte;

  3. middels onderzoeken is aangetoond dat er geen onevenredige schade voor het milieu, bodem en archeologische waarden ontstaat;

  4. alle wettelijk verplichte onderzoeken zijn gedaan;

  5. aan de in de 'Nota Parkeernormen en Parkeerfonds' van de Gemeente Soest vastgelegde parkeernormen wordt voldaan;

  6. er mag geen nadelige invloed ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en in de parkeerbehoefte moet worden voorzien;

  7. bij voltooiing van de verbouwwerkzaamheden mag de woning niet, als gevolg van milieuhinder, binnen de stankcirkel vallen.

 

34.6 wro-zone - wijzigingsgebied 3

Burgemeester en wethouders van de gemeente Soest zijn bevoegd om gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied-3' (nabij Lange Brinkweg 38) te wijzigen in de bestemming Tuin als bedoeld in artikel 18 en de bestemming Wonen als bedoeld in artikel 20, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  1. in het bouwwerk mag één woning gerealiseerd worden;

  2. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte;

  3. middels onderzoeken is aangetoond dat er geen onevenredige schade voor het milieu, bodem en archeologische waarden ontstaat;

  4. alle wettelijk verplichte onderzoeken zijn gedaan;

  5. bij voltooiing van de verbouwwerkzaamheden mag de woning niet, als gevolg van milieuhinder, binnen de stankcirkel vallen.

 

34.7 wro-zone - wijzigingsgebied 4

Burgemeester en wethouders van de gemeente Soest zijn bevoegd om gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied-4' (nabij Lange Brinkweg 31a) te wijzigen in de bestemming Agrarisch met waarden als bedoeld in artikel 3, Tuin als bedoeld in artikel 18 en de bestemming Wonen als bedoeld in artikel 20, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  1. een exploitatieovereenkomst is afgesloten en ondertekend waarin expliciet staat aangegeven dat de nieuwbouw van de woning pas kan plaatsvinden nadat de opstallen (stal, kelder, overkapping, hooiberg, opslag en verharding van totaal circa 2200 m2) zijn gesloopt;

  2. naast de bestaande woning mag er maximaal een nieuwe woning worden gebouwd;

  3. de huidige woning Lange Brinkweg 31a gewijzigd wordt in een burgerwoning;

  4. de goothoogte van de woning bedraagt maximaal 3 meter;

  5. de bouwhoogte van de woning bedraagt maximaal 8 meter;

  6. aan de in de 'Nota Parkeernormen en Parkeerfonds' van de Gemeente Soest vastgelegde parkeernormen wordt voldaan;

  7. er mag geen nadelige invloed ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en in de parkeerbehoefte moet worden voorzien;

  8. middels onderzoeken is aangetoond dat er geen onevenredige schade voor het milieu, bodem en archeologische waarden ontstaat;

  9. alle wettelijk verplichte onderzoeken zijn gedaan.

 

34.8 wro-zone - wijzigingsgebied 5

Burgemeester en wethouders van de gemeente Soest zijn bevoegd om gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied-5' ( tegen over Stationsweg 18) te wijzigen in de bestemming Tuin als bedoeld in artikel 18 en de bestemming Wonen als bedoeld in artikel 20, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  1. het toestaan van de bouw van maximaal drie woningen;

  2. het gebied dient als één geheel ontwikkeld te worden;

  3. de goothoogte van de woningen bedraagt maximaal 6 meter;

  4. de bouwhoogte van de woningen bedraagt maximaal 9 meter;

  5. in het gebied zijn woningen van de volgende categorieën mogelijk:

    1. twee-aan-een;

    2. vrijstaand;

  6. aan de in de 'Nota Parkeernormen en Parkeerfonds' van de Gemeente Soest vastgelegde parkeernormen wordt voldaan;

  7. er mag geen nadelige invloed ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en in de parkeerbehoefte moet worden voorzien;

  8. middels onderzoeken is aangetoond dat er geen onevenredige schade voor het milieu, bodem en archeologische waarden ontstaat;

  9. alle wettelijk verplichte onderzoeken zijn gedaan.

 

34.9 wro-zone - wijzigingsgebied 6

Burgemeester en wethouders van de gemeente Soest zijn bevoegd om gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied-6' (Kerkstraat 56 -58) te wijzigen in de bestemming Groen als bedoeld in artikel 11, de bestemming Tuin als bedoeld in artikel 18 en de bestemming Wonen als bedoeld in artikel 20, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  1. het toestaan van de bouw van maximaal 20 woningen;

  2. het gebied dient als één geheel ontwikkeld te worden;

  3. De bouwhoogte van de woningen bedraagt maximaal 10 meter ten opzichte van aansluitend afgewerkt terrein, mits de zichtlijn vanuit de Eng wordt gewaarborgd;

  4. in het gebied zijn woningen van de volgende categorieën mogelijk:

    1. gestapeld;

  5. het gebied dient minimaal 40% betaalbare woningen te bevatten;

  6. tussen twee niet aaneengebouwde bouwwerken mag de afstand van elk van de bouwwerken niet minder bedragen dan hierna is aangegeven:

    1. de afstand tussen de bestaande bebouwing op het perceel Kerkstraat 60-62 en de nieuw te realiseren bebouwing op het perceel Kerkstraat 56-58 moet minimaal 7 meter breed zijn;

    2. de afstand tussen het nieuw te realiseren bouwblok aan de Kerkstraat en het nieuw te realiseren bouwblok aan de Eng zijde op het perceel Kerkstraat 56-58 moet minimaal 19 meter zijn;

  7. de verkeersontsluiting dient aan te sluiten op de verbindingen in de omgeving;

  8. aan de in de 'Nota Parkeernormen en Parkeerfonds' van de Gemeente Soest vastgelegde parkeernormen dient te worden voldaan;

  9. er mag geen nadelige invloed ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en in de parkeerbehoefte moet worden voorzien;

  10. middels onderzoeken is aangetoond dat er geen onevenredige schade voor het milieu, bodem en archeologische waarden ontstaat;

  11. alle wettelijk verplichte onderzoeken zijn gedaan.

 

34.10 wro-zone - wijzigingsgebied 8

Burgemeester en wethouders van de gemeente Soest zijn bevoegd om gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied-8' ( naast Kerkpad ZZ 148) te wijzigen in de bestemming Tuin als bedoeld in artikel 18 en de bestemming Wonen als bedoeld in artikel 20, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  1. het aantal woningen mag niet meer dan één bedragen;

  2. de goothoogte van de woning bedraagt maximaal 3 meter;

  3. de bouwhoogte van de woning bedraagt maximaal 8 meter;

  4. de dakhelling dient te voldoen aan het gestelde in artikel 2.3 van het bestemmingsplan;

  5. de afstand zijgevel woning Kerkpad ZZ 148 en nieuwe woning dient 6 meter te bedragen;

  6. aan de in de 'Nota Parkeernormen en Parkeerfonds' van de Gemeente Soest vastgelegde parkeernormen wordt voldaan;

  7. er mag geen nadelige invloed ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en in de parkeerbehoefte moet worden voorzien;

  8. middels onderzoeken is aangetoond dat er geen onevenredige schade voor het milieu, bodem en archeologische waarden ontstaat;

  9. alle wettelijk verplichte onderzoeken zijn gedaan.

 

34.11 wro-zone - wijzigingsgebied 10

Burgemeester en wethouders van de gemeente Soest zijn bevoegd om gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied-10' (Birkstraat 86) te wijzigen in de bestemming Tuin als bedoeld in artikel 18 en de bestemming Wonen als bedoeld in artikel 20, waarbij de volgende bepalingen gelden:

  1. het aantal woningen mag niet meer dan twee bedragen;

  2. de goothoogte van de woning bedraagt maximaal 6 meter;

  3. de bouwhoogte van de woning bedraagt maximaal 9 meter;

  4. het bouwvlak bedraagt maximaal 11,5 breed en 15 meter diep;

  5. de voorgevelrooilijn van de te bouwen woningen dient evenredig te zijn met de naastgelegen woning Birkstraat 88;

  6. aan de in de 'Nota Parkeernormen en Parkeerfonds' van de Gemeente Soest vastgelegde parkeernormen wordt voldaan;

  7. er mag geen nadelige invloed ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en in de parkeerbehoefte moet worden voorzien;

  8. middels onderzoeken is aangetoond dat er geen onevenredige schade voor het milieu, bodem en archeologische waarden ontstaat;

  9. alle wettelijk verplichte onderzoeken (o.a. akoestisch onderzoek) zijn gedaan.

 

34.12 wro-zone - wijzigingsgebied 11

Burgemeester en wethouders van de gemeente Soest zijn bevoegd om gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied-11' (Birkstraat 84/locatie Vosseveld) te wijzigen in de bestemming Maatschappelijk als bedoeld in artikel 16 , waarbij de volgende bepalingen gelden:

  1. de nieuwbouw dient binnen het bestaande bouwvlak te worden gerealiseerd;

  2. het bebouwingspercentage bedraagt maximaal 61%;

  3. de bouwhoogte van de nieuwbouw bedraagt 3,5 meter met uitzondering van de 4 woonkamers. De bouwhoogte van de 4 woonkamers bedraagt maximaal 4,6 meter;

  4. aan de in de 'Nota Parkeernormen en Parkeerfonds' van de Gemeente Soest vastgelegde parkeernormen wordt voldaan;

  5. er mag geen nadelige invloed ontstaan op de normale afwikkeling van het verkeer en in de parkeerbehoefte moet worden voorzien;

  6. aanleveren bomeninventarisatie en bomen effectenanalyse;

  7. middels onderzoeken is aangetoond dat er geen onevenredige schade voor het milieu, bodem, groen en archeologische waarden ontstaat;

  8. alle wettelijk verplichte onderzoeken zijn gedaan.

 

34.13 Nadere eisen:

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:

  1. het waarborgen van de in het plan beoogde stedenbouwkundige kwaliteit;

  2. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;

  3. een goede woonsituatie;

  4. de verkeersveiligheid;

  5. de sociale veiligheid;

  6. de milieusituatie;

  7. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

Artikel 35 Overige regels

 

35.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen, waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van dit plan.

 

HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS

 

Artikel 36 Overgangsrecht

 

36.1 Overgangsrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

    2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit, geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder 36.1.a met maximaal 10%;

  3. Het bepaalde onder 36.1.a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

 

36.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder 36.2.a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

  3. Indien het gebruik, bedoeld onder 36.2.a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

  4. Het bepaalde onder 36.2.a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Artikel 37 Slotbepaling

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Soest Midden en Zuid

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 15 december 2011.

 

De gemeenteraad van Soest,

De griffier, De voorzitter,

 

M. van Vliet MPM AA A. Noordergraaf