| Plan: | TAM-omgevingsplan Jan van Arkelweg 55 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0327.320-0402 |
behorende bij het TAM-omgevingsplan Jan van Arkelweg 55
Initiatiefnemer is voornemens te stoppen met de agrarische bedrijfsvoering aan de Jan van Arkelweg 55 in Achterveld, gemeente Leusden. De wens is om daarna, ter compensatie van de sloop, twee nieuwe woningen te realiseren. Dit voornemen past niet in het omgevingsplan. Voor een verdere realisatie van het plan is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig.
De locatie is gelegen in het buitengebied van Achterveld. De dorpskern van ligt op circa 1 kilometer ten zuiden van de locatie. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Stoutenburg, sectie B, nummers 3395, 3396, 3397, 3398, 3399 en 3400.
Ligging in omgeving
Ter plaatse van het werkingsgebied geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Leusden. Het tijdelijk deel wordt onder andere gevormd door het bestemmingsplan Buitengebied 2009, vastgesteld door de gemeenteraad op 2 december 2010.
Voor de locatie geldt de bestemming Agrarisch gebied, met de nadere aanduiding 'intensieve veehouderij'. Ter plaatse is 1 bedrijfswoning van maximaal 600 m3 toegestaan. Verder geldt voor bedrijfswoningen een maximale goot- en bouwhoogte respectievelijk 6 en 10 meter. Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter.
Verder ligt de locatie deels in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Hiermee zijn deze gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
Uitsnede verbeelding
Het (tijdelijke deel) van het omgevingsplan maakt het initiatief niet mogelijk. Binnen de geldende bestemming zijn namelijk geen reguliere woningen toegestaan. In het bestemmingsplan is geen relevante afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen om de bestemming te wijzigen naar Wonen en extra woningen te realiseren. Voor het initiatief is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig.
Deze motivering vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het plan. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 6 en 7 wordt afgesloten met de (economische) uitvoerbaarheid en de procedure.
De locatie is gelegen in het buitengebied van Achterveld, ten noorden van de dorpskern. Het landschap is voornamelijk te typeren als kampenlandschap. Dit is een kleinschalig landschap met een onregelmatig, bochtig wegenpatroon, onregelmatige perceelsvormen en veel opgaande begroeiing in de vorm van bospercelen, houtsingels, laanbeplantingen en erfbeplantingen. Het grondgebruik is overwegend agrarisch. De agrarische erven staan verspreid in het landschap.
Luchtfoto omgeving
De locatie is gelegen aan Jan van Arkelweg. Dit is een lokale weg die in het noorden aansluit op de Stoutenburgerweg en in het zuiden op de Hessenweg.
De locatie is momenteel ingericht voor het agrarische bedrijf. Aan de zuidkant is de bedrijfswoning met aangebouwd bijgebouw aanwezig. Ten noorden daarvan zijn twee langgerekte pluimveestallen en twee loodsen aanwezig. Gezamenlijk hebben de bedrijfsgebouwen een omvang van 3.226 m2.
Situatietekening bestaande situatie
Luchtfoto locatie
Initiatiefnemer is voornemens te stoppen met de agrarische bedrijfsvoering en de bedrijfsbebouwing te slopen. De wens is om vervolgens 2 nieuwe woningen te realiseren en de huidige bedrijfswoning te gebruiken als reguliere woning.
De nieuwe woningen worden dichter op de bestaande woning gesitueerd dan de bedrijfsbebouwing nu is. Door de situering van de nieuwe woningen en bijgebouwen ontstaat een duidelijker, compacter erf. De nieuwe gebouwen worden haaks op de Jan van Arkelweg gesitueerd, en volgen daarmee de lengterichting van de verkaveling. Elke woning krijgt een nieuw bijgebouw. Daarnaast blijven de bestaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning behouden.
In de nieuwe situatie zal de bestaande inrit gehandhaafd blijven en verder verlengd worden tot het nieuwe erf. De woningen maken dan gezamenlijk gebruik van 1 oprit, wat het erfensemble verder versterkt. Parkeren vindt op eigen terrein plaats.
Naast de significante afname van het verharde oppervlak, wordt het perceel verder groen ingericht. Zo wordt de landschappelijke inpassing verder versterkt door de toevoeging van hagen langs de nieuwe kavels en nieuwe rijen bomen.
Inrichtingstekening
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd, waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd:
De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast.
Toetsing
Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van het werkingsgebied. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De instructieregels voor een omgevingsplan staan in hoofdstuk 5 beschreven. In afdeling 5.1 staan de instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt in dat er een balans is tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu).
De instructieregels uit afdeling 5.1 gaan over:
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Het gaat dan vooral om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Tot slot bevat afdeling 5.3 regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.
Toetsing
In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de instructieregels en wordt het initiatief getoetst.
De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De Omgevingsvisie is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De Omgevingsvisie is uitgewerkt aan de hand van 7 thema's en 3 regio's. De thema's zijn als volgt:
De drie regio's zijn U16, Amersfoort en Foodvalley.
De Omgevingsvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Interim Omgevingsverordening, die tegelijk met de Omgevingsvisie is vastgesteld. Op Omgevingsvisie heeft alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De Omgevingsverordening zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten.
Op 7 februari 2024 hebben Provinciale Staten de eerste wijziging Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. In de omgevingsverordening staan de regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn samengevoegd in één provinciale omgevingsverordening. De regels zijn herschreven, samengevoegd, vereenvoudigd en op elkaar afgestemd. De omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale omgevingsvisie. Hierna worden de voor het projectgebied relevante bepalingen besproken.
Artikel 7.11 Instructieregel landschap
Voor de Gelderse Vallei zijn de volgende kernkwaliteiten benoemd:
Toetsing
De kleinschaligheid van het landschap is op de locatie en de omgeving beperkt aanwezig. De omgeving wordt gekenmerkt door een vrij grofmazige verkaveling en beperkte hoeveelheid perceelsrandbeplantingen. Beken, griften en kanalen zijn op de locatie niet aanwezig. Wel zijn een aantal sloten ten noorden, oosten en westen van de locatie aanwezig. Dit project verandert niets aan die watergangen. Dit project doet geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten die samenhangen met de Grebbelinie. De locatie ligt niet in de nabijheid van de Grebbelinie. De genoemde kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei zijn niet specifiek op de locatie aanwezig en worden in dit project afdoende beschermd.
Artikel 9.13 Instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen (‘ruimte voor ruimte’)
Toetsing
Dit project voorziet in de sloop van in totaal 3.226 m2 aan bedrijfsbebouwing. Daarmee is de bouw van 2 nieuwe woningen toegestaan. De nieuwe woningen worden landschappelijk ingepast. Het inrichtingsplan is opgenomen als bijlage bij de regels, en is tevens gekoppeld aan een voorwaardelijke verplichting. Daarmee wordt de uitvoering van de landschappelijke inpassing geborgd.
Conclusie
Dit project is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.
De Omgevingsvisie gemeente Leusden is vastgesteld door de gemeenteraad op 28 september 2023. De omgevingsvisie geeft de ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen van Leusden op hoofdlijnen.
Voor de locatie is met name het thema 'wonen' van belang. Daarover is het volgende beschreven:
In het buitengebied bouwen is nodig omdat er binnen de kernen niet voldoende ruimte is voor een blijvende groei. Het buitengebied biedt o.a. kansen om bijzondere woonvormen te maken, die ons totale aanbod meer kleur geven. Daarbij gaan we zorgvuldig om met de belangen van natuur, landschap, de grondbehoefte binnen de agrarische sector en het recreatieve belang.
Ten aanzien van onze woningbouwopgave, onderdeel van het regionale ontwikkelbeeld, zijn nieuwe woningbouwlocaties nodig in het buitengebied. Daarvoor is één zoekgebied bij Leusden in beeld (ten zuiden van de wijk Tabaksteeg, begrensd door de Hamersveldseweg, Leusbroekerweg en Arnhemseweg) en twee rond Achterveld, aan de noordzijde van de Hessenweg.
Ook het thema 'agrarische en plattelandsactiviteiten is voor dit project relevant. Daarin is het volgende omschreven:
We willen vrijkomende agrarische bouwblokken graag opnieuw invullen omdat dit kan bijdragen aan de vitaliteit van het landelijke gebied en om verloedering van gebouwen te voorkomen. Bovendien kunnen nieuwe bedrijven zorgen voor extra verdiencapaciteit in het landelijke gebied, en zodoende investeringen mogelijk maken in de kwaliteit van het bouwblok en/of het landschap. Om de agrarische sector in haar kracht te kunnen zetten, beperken we de economische dynamiek vooral tot de (agrarische) erven.
We kiezen ervoor dat elk vrijgekomen erf in het landelijk gebied kan ingezet worden voor een bedrijfsmatige of woonfunctie. Onder vrijgekomen erven verstaan we zowel erven, waarvan de agrarische functie wordt beëindigd als die waarvan de agrarische functie in het verleden is beëindigd of waar een andere bedrijfsmatige functie gevestigd is geweest. Door alleen de erven anders te benutten, bereiken we een vitaal platteland met gemengde functies, zonder dat in grote delen van ons buitengebied verdergaande verstedelijking plaats vindt.
Ook het thema Groen, natuur en landschap is van belang. Hiervoor wil de gemeente aan de slag met de volgende opgaven:
Verder ligt de locatie in het deelgebied 'omgeving Hessenweg'. Hiervoor zijn de volgende doelen benoemd:
Toetsing
Dit project voorziet in een nieuwe invulling, te weten 'wonen', van een vrijkomend agrarisch bouwperceel. Naast dat daarmee verloedering tegengegaan wordt, wordt bijgedragen aan een levendig, vitaal platteland zonder vergaande verstedelijking. Ook wordt hiermee een aantrekkelijk woon- en leefklimaat behouden en verklakking van het landschap wordt tegengegaan.
Conclusie
Dit project is in overeenstemming met de omgevingsvisie.
In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties:
Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen.
Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl.
Voor deze locatie is door adviesbureau Grondvitaal BV een verkennend bodemonderzoek en asbest in bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 1. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Verkennend bodemonderzoek
De onderzoekshypothese ”onverdacht” kan op grond van de analyseresultaten van de grondwatermonsters heel strikt genomen niet worden gehandhaafd. Formeel gesproken is de kwalificatie verdacht van toepassing.
De aangetroffen barium, zink en molybdeen concentraties zijn echter van lichte aard en geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. De invloed hiervan op de volksgezondheid en het milieu is nihil.
In de boven- en ondergrondmengmonsters zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen.
Asbest in bodemonderzoek
De onderzoekshypothese "verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld" wordt op basis van de analyseresultaten en het berekende gewogen gehalten asbest bevestigd.
De aangetroffen waarden concentraties in de grondmengmonsters ABM1 en ABM2 zijn respectievelijk 1,6 en 0,8 mg/kg ds. Deze concentraties zijn marginaal en geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek.
Met betrekking tot de voorgenomen bouwactiviteiten op de onderzochte locatie, zijn milieutechnisch geen belemmeringen aan te geven. Aanbevolen wordt dit rapport in te dienen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning.
Beoordeling RUD
Het bodemonderzoek is beoordeeld door het RUD. Dat advies luidt als volgt:
"Het door ons beoordeelde bodemrapport geeft geen volledig beeld van de locatie van de aanvraag.Zo moet er aanvullend onderzoek worden uitgevoerd ter plaatse van de volgende constateringen:
1.De locatie van de aanvraag is groter dan de locatie van het bodemonderzoek:Ter plaatse van het ontbrekende gedeelte van de locatie van de aanvraag dient eenbodemonderzoek conform de vereisten die zijn opgenomen in paragraaf 5.2.2. van het Bal teworden gedaan.
2. Op het noordelijk deel van de locatie, rondom de kippenstallen, zijn meerdere constateringengedaan die mogelijk hebben kunnen leiden tot bodemverontreiniging.Deze verdachte locaties dienen alsnog onderzocht te worden conform de vereisten die zijn opgenomenin paragraaf 5.2.2. van het Bal."
Een aanvullend bodemonderzoek is noodzakelijk.
Aanvullend onderzoek
Het aanvullende bodemonderzoek is opgenomen als Bijlage 1. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Resterend plangebied
De onderzoekshypothese “onverdacht” kan formeel niet worden gehandhaafd vanwege lichte vervuiling met minerale olie en zink in één grondwatermonster. Deze verontreinigingen zijn echter beperkt en vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Andere monsters voldoen aan de normen.
Deelgebied opgebrachte grond
Grond uit een voormalig depot (uit 2011/2012) is onderzocht. Er zijn geen overschrijdingen van de interventiewaarde aangetroffen. De kwaliteit van de grond voldoet aan de eisen voor landbouw en natuur.
Locatie voormalig puin/sloopafval
Puin- en sloopafval uit eerdere bouwwerkzaamheden is verwijderd. In de onderzochte bovengrond zijn geen verontreinigingen of asbestverdachte materialen aangetroffen. De grond voldoet aan de eisen voor landbouw en natuur.
Depot “wit zand”
Zand uit een ander depot (aanwezig sinds 1992) is geanalyseerd. Geen verontreinigingen aangetroffen en de kwaliteit voldoet aan de landbouw- en natuurnormen. Ook op de vorige depotlocatie zijn geen bijzonderheden geconstateerd.
Met betrekking tot de voorgenomen activiteiten op de onderzochte locatie, zijn milieutechnisch geen belemmeringen aan te geven.
Onder de Omgevingswet is ook een goede afstemming nodig om hinder tussen woningen en bedrijven te voorkomen. Waar onder de Wet milieubeheer gesproken werd over milieubelastende 'inrichtingen', gaat het in de Omgevingswet over milieubelastende 'activiteiten'. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen hier niet onder.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is het concept van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uit 2022 gebruikt. Deze nieuwe handreiking is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019.
Bij deze nieuwe uitgave zit ook een nieuwe tabel, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten zones met afstanden zijn aangegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft zones voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geluid en geur.
Dit plan voorziet in nieuwe woningen. Daarmee is alleen sprake van inwaartse zonering.
Aan de Jan van Arkelweg 50 is een rundveebedrijf aanwezig. Daarvoor geldt geurzone 3 en geluidzone 2. Voor het geuraspect geldt een vaste afstand van 50 meter. Voor geluid geldt een richtafstand van 50 meter. De afstand tot de nieuwe woningen bedraagt ruim 120 meter. De afstand tot de bestaande woning is ongeveer 60 meter, en wijzigt niet ten opzichte van de bestaande situatie.
Verder is aan de Jan van Arkelweg 53 een schapen- en geitenhouderij aanwezig. Daarvoor geldt geurzone 2 en geluidzone 1. Ook hier geldt voor het geuraspect een vaste afstand van 50 meter. De richtafstand van het geluidsaspect bedraagt 30 meter. De afstand tot de projectlocatie bedraagt ruim 60 meter.
Overige milieubelastende activiteiten zijn op ruimere afstand gelegen. Andersom zorgt de functiewijziging niet voor een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. Op kortere afstand tot de omliggende bedrijven zijn namelijk al (burger)woningen aanwezig, die daarmee al beperkend zijn.
Conclusie
Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor dit project. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een basisgeluidemissie en geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde. De beoordeling van deze geluidbronnen bij gevoelige gebouwen ligt bij het bevoegd gezag.
Dit project voorziet in nieuwe, geluidgevoelige functies. Ondanks dat de nieuwe woningen in de geluidzone van de Jan van Arkelweg gelegen is, is dit geen drukke, doorgaande weg. Deze weg wordt voornamelijk gebruikt door de bewoners in het buitengebied. De geluidskaart van Atlas Leefomgeving laat dat ook zien: ter plaatse van de nieuwe woningen is een geluidbelasting van ongeveer 43 dB. Dat is ruimschoots onder de grenswaarde van 53 dB. Om deze redenen is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet nodig.
Uitsnede kaart Geluid van wegverkeer Atlas Leefomgeving
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Een van de standaardgevallen NIBM is 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet in de realisatie van 2 nieuwe woningen. Daarmee valt dit onder de Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)', namelijk in de categorie '1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg'. Daarom is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
De instructieregels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
Kwetsbare gebouwen en locaties
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's.
Plaatsgebonden risico
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit is een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Dit geldt voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moeten gemeenten rekening houden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. De standaardwaarde is 1 op de 1.000.000 per jaar.
Aandachtsgebieden
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.
Uitsnede risicokaart
Uit de risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat de projectlocatie niet gelegen is binnen de invloedsfeer van milieubelastende activiteiten of aandachtsgebieden.
Externe veiligheidsrisico's vormen geen belemmering voor dit project.
Dit bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling over te gaan.
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.
Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart geldt voor de locatie deels een hoge en deels een middelhoge verwachting. Archeologisch onderzoek is nodig bij ingrepen groter dan 100 m2 (hoge verwachting) of 500 m2 (middelhoge verwachting) en dieper dan 30 cm.
Met de archeologische dienst is afgestemd dat blijkt dat nog niet dat de hele locatie van de nieuwbouw verstoord is. De dienst stelt voor om na de sloop van de schuren een afspraak in te plannen zodat gekeken kan worden in hoeverre archeologische resten nog aanwezig kunnen zijn. Daarvoor is het nodig de sloop te beperken tot alleen die elementen die eruit moeten en dus niet de hele oppervlakte om te woelen. Als blijkt dat ter plaatse van de oude schuur nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn, omdat alleen de funderingen diep gaan, dan moet hier een proefsleuvenonderzoek plaatsvinden. Anders kan het worden vrijgegeven. Voor het zuidelijke deel moet in ieder geval een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd worden. In een later stadium, bij de aanvraag omgevingsvergunning, zal het archeologisch onderzoek uitgevoerd en aangeleverd worden.
Uitsnede archeologische beleidskaart
Specifieke cultuurhistorische waarden en monumenten zijn niet aanwezig binnen de locatie.
Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet waarborgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit.
Voor dit project is door adviesbureau Blom Ecologie een natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor de huismus.
Huismusonderzoek
In 2022 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in het plangebied aan de Jan van Arkelweg 55 te Achterveld. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied nesten van huismus aanwezig zijn. Hierbij zijn 3 huismusnesten aangetroffen buiten het plangebied. Deze nesten worden bij de beoogde ingreep niet beschadigd of weggenomen. Tevens is er essentieel leefgebied aangetroffen, dit is echter buiten de grenzen van het plangebied gelegen.
De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling uit de Omgevingswet. Er hoeft ten aanzien van huismus geen ontheffing van de Omgevingswet voorhanden te zijn alvorens het pand gesloopt kan worden.
Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Voor dit project is een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is opgenomen als Bijlage 4. Hieruit blijkt dat geen relevante waterschapsbelangen geraakt worden.
Met dit project neemt het totale verhardingsoppervlak op de locatie aanzienlijk af. Compenserende maatregelen voor waterberging zijn daarom niet nodig.
Het hemelwater dat op de nieuwe gebouwen valt zal opgevangen en afgevoerd worden richting de omliggende gronden en/of watergangen, waar het de bodem kan infiltreren.
Ter plaatse is geen grondwateroverlast bekend. Langs de oostelijke perceelsgrens loopt een A-watergang en langs de noordelijke- en westelijke grenzen C-watergangen. Dit project wijzigt niets aan deze watergangen.
De vuilwaterafvoer van de nieuwe woningen zal aangesloten worden op het bestaande gemeentelijke rioleringssysteem.
Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het project economisch uitvoerbaar is.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, op andere wijze verzekerd zijn of vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met deze wijziging voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft voor de gemeente geen financiële gevolgen.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Jan van Arkelweg 55, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0327.320-0402 zoals weergeven op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Dit TAM-omgevingsplan wijzigt de volgende planregels van het omgevingsplan:
Aan de verbeelding wordt ter plaatse van het werkingsgebied nieuwe bouwvlakken en deels de functie wonen toegekend. Het agrarische bouwvlak komt te vervallen. De bouw- en gebruiksregels voor de agrarische bestemming komen grotendeels te vervallen, voor zover het gaat om het toestaan van agrarische bedrijfsgebouwen. Binnen de functie wonen wordt voorzien in passende planregels om te voorzien in woningen en bijbehorende bouwwerken. De regels uit artikel 2 (wijze van meten en berekenen) van het bestemmingsplan Buitengebied 2009 zijn overgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan.
Artikel 3 Agrarisch
Met artikel 3 is de functie Agrarisch toegekend aan het werkingsgebied. Hiermee wordt voorzien in de agrarische gronden buiten de nieuwe woonfunctie. Hier zijn geen gebouwen toegestaan.
Artikel 5 Wonen
Met artikel 4 is de functie Wonen toegekend aan het werkingsgebied. Hiermee wordt voorzien in de bestaande en nieuwe woningen op het perceel. Voor de noordelijke nieuwe woning geldt een maximale inhoudsmaat van 600 m3. Voor de andere nieuwe woning geldt een maximale inhoudsmaat van 800 m3. Voor een woning geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. Voor de bijbehorende bouwwerken geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 6 meter. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een woning mag niet meer bedragen dan 80 m2.
Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan zal toegezonden worden aan de provincie Utrecht in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. Dit concept is tevens toegezonden aan de Rijksoverheid (RWS), Gasunie en het WaterschapVallei en Veluwe.
De ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van dit plan voor inspraak ter inzage gelegen.
De buurtbewoners zijn geïnformeerd over het initiatief. Het gaat om de bewoners van de Jan van Arkelweg 50, 53, 54 en 59. Hieruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen.
Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van 5 september 2025 tot en met 16 oktober 2025. ter inzage gelegen. Toen zijn geen zienswijzen ingediend.