1.1 Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens om de locatie op de Hogeweg 227 in Amersfoort te herontwikkelen. Het plangebied, gelegen tegen aan de zuidelijke rand van het bedrijventerrein 'De Wieken'. De locatie bestaat uit een restaurant met een parkeerterrein bedoeld voor vrachtwagens. De exploitatie van het restaurant (truckerscafé) zal per oktober 2025 beëindigd worden. Tevens is een (voormalige) bedrijfswoning aanwezig. Het voornemen is om alle bestaande bebouwing, inclusief woning, te slopen en hiervoor in de plaats een bedrijfsgebouw, bestaande uit een (timmer)fabriek, een kantoor en enkele bedrijfshallen te realiseren.
Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan gemeente Amersfoort, waar het bestemmingsplan 'bedrijventerreinen e.o. en snelwegen' onderdeel van is. Derhalve is het voorliggende TAM-omgevingsplan opgesteld, waarmee een wijziging op het omgevingsplan wordt doorgevoerd.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de Hogeweg, in het oosten van de gemeente Amersfoort. De planlocatie wordt aan de noordzijde begrensd door de Hogeweg. Te noorden van de Hogeweg is bedrijventerrein De Wieken gelegen. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door het Bloeidaalpad, met daarachter een tuincentrum. Aan de zuidzijde van het plangebied is een twee-onder-een-kapwoning aanwezig. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Barneveldseweg. Verder ten westen van de planlocatie ligt het centrum van Amersfoort.
Het plangebied is bekend onder de kadastrale gemeente Amersfoort, sectie R, perceelnummers 230, 228, 229, 922, 923, 231, 225, 694 en deels 1110 en 695 en heeft een oppervlakte van ca. 1.2 ha
Onderstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth)
Begrenzing plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: Google Earth)
1.3 Toetsing aan omgevingsplan
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Voor de projectlocatie geldt het bestemmingsplan 'bedrijventerreinen e.o. en snelwegen', vastgesteld door de gemeenteraad van Amersfoort op 12 december 2014. Tevens geldt het parapluplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2023', het voorbereidingsbesluit 'TAM-voorbereidingsbesluit functiebeperking bedrijventerreinen' en het wijzigingsplan 'Partiele herziening Veegplan B - Archeologie'. Allen maken onderdeel uit van het omgevingsplan gemeente Amersfoort.
De navolgende afbeelding toont een uitsnede van dat bestemmingsplan.
Uitsnede bestemmingsplan ‘bedrijventerreinen e.o. en snelwegen', plangebied rood omkaderd (bron: omgevingswet.overheid.nl)
In het bestemmingsplan 'bedrijventerreinen e.o. en snelwegen' heeft het plangebied de enkelbestemming 'Horeca - 1'. De gronden van het plangebied zijn daarmee bestemd tot Horeca- a met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, één bedrijfswoning, andere bouwwerken, parkeerterrein en erf, met dien verstande dat voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernorm. Een deel van het plangebied is voorzien van de enkelbestemming 'Verkeer'. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, paden, voet- en fietspaden en groen- en watervoorzieningen.
In het wijzigingsplan 'Partiele herziening Veegplan B - Archeologie' is het plangebied voorzien verschillende enkelbestemmingen voor de bescherming van archeologische waarden. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. In het noordwesten van het plangebied geldt de bestemming 'Waarde - archeologie categorie 2'. Bij bodemingrepen in dit gebied groter dan 100 m² en dieper dan 30cm is archeologisch onderzoek nodig. In het zuiden van het plangebied geldt de bestemming 'Waarde - archeologie categorie 3'. Bij bodemingrepen in dit gebied groter dan 500 m² en dieper dan 30cm is archeologisch onderzoek nodig.
De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied voorziet in het realiseren een bedrijfsgebouw, kantoor en bijbehorende parkeerplaatsen.
Deze functies passen niet binnen de mogelijkheden van de bestemming 'Horeca - 1'. Derhalve is de voorgenomen ontwikkeling strijdig met het tijdelijke deel van het omgevingsplan en dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om voorlopig op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)-omgevingsplan
De TAM biedt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer dit nog niet via de nieuwe standaarden en met nieuwe plansoftware mogelijk is. Met het TAM-omgevingsplan wordt het tijdelijk deel van het omgevingsplan juridisch gewijzigd.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.
2.1 Huidige situatie
In de huidige situatie is bebouwing aanwezig van een horecavestiging. Het restaurant fungeerde als een 'chauffeurscafé' nabij de rijksweg A28. Het betreft een gebouw van ca. 450 m² dat bestaat uit een laag met een kap. Het grootste gedeelte van het plangebied is ingericht als parkeerplaats voor vrachtwagens, dit betreft ca. 7.200 m² van het plangebied. Het overige deel van het plangebied is in gebruik voor een bedrijfswoning behorende bij het restaurant.
Het plangebied ligt aan rand van de stad Amersfoort, nabij het bedrijventerrein De Wieken. De Wieken ligt ten zuiden van het Knooppunt Hoevelaken, in de oksel van de rijkswegen A28 en A1.
Aan het noorden van het plangebied ligt de Hogeweg. De Hogeweg is een verbindingsweg tussen de A28 en het centrum van Amersfoort. De weg loopt voorbij de planlocatie verder door in het bedrijventerrein. Verder ten noorden is een Foodcourt en meerdere bedrijven gelegen. Ten oosten van het plangebied is een tuincentrum aanwezig. Verder ten oosten is er een gemengd gebied aanwezig bestaande uit een mix van bedrijven en woningen. Ten zuiden van het plangebied staat een woning met enkele paardenvelden. Daarachter is een paardenpensioen gevestigd. Ten westen van het plangebied ligt de Barneveldseweg en de afrit van de A28. Tussen de afrit en de rijksweg staat de rijksmonumentale boerderij 'Maxhoeve'. Verder ten westen liggen de wijken Liendert en Rustenburg.
Op de onderstaande afbeeldingen is een impressie van het plangebied in de huidige situatie te zien.
Huidige situatie plangebied, vanaf de Hogeweg (bron: Google Streetview)
Situatietekening huidige situatie (bron: Google Streetview)
2.2 Toekomstige situatie
Het voornemen is om het restaurant, bedrijfswoning en parkeerterrein te slopen en hier in de plaats een bedrijfsgebouw te realiseren. Het gebouw bestaat uit twee delen: een fabriekshal en een kantoor. Het gebouw heeft een bvo van 5.433 m² en wordt 15 meter hoog. De fabriekshal omvat het merendeel van het gebouw. De fabriek heeft een bvo van 4.857 m² en betreft enkel de begane grond. Het kantoor komt ten westen van de fabriek en bestaat uit drie lagen. Het kantoor heeft een bvo van ca. 1.800 m². Aan de noordwestzijde van de fabriek worden drie bedrijfsunits toegevoegd. Deze units zijn bedoeld voor de verhuur. Zoals uit paragraaf 3.3 blijkt, bestaat in Amersfoort de behoefte aan dergelijke bedrijfsruimte. De drie units zijn passend op deze locatie. Ook zijn de units meegenomen in de uitgevoerde onderzoeken in hoofdstuk 4.
Het overige deel van het plangebied blijft grotendeels verhard. Ten zuiden van het kantoor en fabriek worden 90 parkeerplaatsen voor werknemers eventuele bezoekers geplaatst. Langs de randen van het terrein wordt groen aangebracht. Aan het zuiden van het plangebied, langs de perceelsgrens met de nabijgelegen woning wordt een kokoswall van 4 meter hoog geplaatst.
De onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie.
Situatietekening toekomstige situatie, begane grond (bron: Architektenburo Guido Bakker, 23-10-2025)
Situatietekening toekomstige situatie, verdieping 1 t/m 3 (bron: Architektenburo Guido Bakker, 04-06-2025)
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
- ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
- duurzaam economisch groeipotentieel;
- sterke en gezonde steden en regio's;
- toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek
Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk om voor duurzaam economisch groeipotentieel.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:
- de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
- als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek
Stedelijke ontwikkeling
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m². Met de beoogde ontwikkeling wordt een bedrijfslocatie van ca. 7.300 m² BVO mogelijk gemaakt. Derhalve is er sprake van een stedelijke ontwikkeling en dienen de trappen van de ladder behandeld te worden.
Behoefte
Zoals blijkt uit 'Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort 2030-2040' blijkt dat er in de gemeente Amersfoort behoefte is voor het uitbreiden en intensiveren van enkele bestaande bedrijventerreinen en goed bereikbare locaties langs de A1 en A28. Het plangebied ligt nabij het
bedrijventerrein De Wieken en op zeer korte afstand tot de A1 en A28. Gelet op de ligging van het plangebied op het bedrijventerrein en de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving is te stellen dat er behoefte is voor uitbreiding op deze locatie en dat dit gewenst is.
Buiten bestaand stedelijk gebied
In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bestaand stedelijk gebied als volgt omschreven: ‘op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.’ Rondom het plangebied zijn reeds woon- en bedrijfsgebouwen aanwezig. Het plangebied maakt onderdeel uit van dit stedenbouwkundig samenstel. Uitgaande van de definitie als omschreven in het Bkl kan het plangebied dan ook aangemerkt worden als stedelijk gebied. Tevens wordt het plangebied in de omgevingsverordening provincie Utrecht aangemerkt als stedelijk gebied.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht
De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 1 januari 2024 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
- waarin Stad en land gezond zijn;
- die Klimaatbestendig en water robuust is;
- waarin Duurzame energie een plek heeft;
- met Vitale steden en dorpen;
- die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is;
- met een Levend landschap, erfgoed en cultuur;
- die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Kernwoorden hierbij zijn slim combineren en concentreren. Daarnaast gaat het om samenwerking, aangezien de provincie de vraagstukken waar de provincie voor staat niet alleen kan oplossen. Het betreft samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek
Vitale steden en dorpen
Het plangebied is gelegen binnen het stedelijk gebied zoals aangewezen door de provincie Utrecht. De werkgelegenheid binnen de provincie groeit tot 2050 stevig met naar verwachting 100.000 banen en dat is ook nodig voor een goede woon-werkbalans. De provincie Utrecht heeft de ambitie om de ruimtevraag zo veel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd en in de nabijheid van bestaande knooppunten. Het initiatief sluit aan bij deze ambitie door middel van het uitbreiden van een bestaand bedrijf binnen het stedelijk gebied van Amersfoort.
Overstroombaar gebied
Verder ligt het plangebied in een overstroombaar gebied. Binnen dit gebied werken gemeenten, waterbeheerders en de veiligheidsregio Utrecht samen om gevolgen van mogelijke overstromingen zo veel mogelijk te beperken. Bij naslag van de klimaateffectatlas is de minimumkans voor overstroming binnen het plangebied eens per driehonderd jaar. Het beoogde plan ondervindt geen hinder op basis van dit punt.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie van de provincie Utrecht.
3.2.2 Omgevingsverordening Provincie Utrecht
In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken.
De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden.
Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere keer zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te stimuleren.
Planspecifiek
Stedelijk gebied
Het plangebied ligt in het stedelijk gebied. In artikel 9.18 van de omgevingsverordening staan instructieregels over bedrijventerreinen binnen stedelijk gebied. Er wordt gesteld dat met ontwikkeling wordt aangesloten aan het Provinciaal Programma Wonen en Werken. Gelet op de beperkte schaal van de uitbreiding voldoet voorliggend plan aan de basisprincipes van het programma: de ontwikkeling is kleiner dan 1 hectare. Tevens betreft de beoogde uitbreiding, zoals in
paragraaf 4.2 is opgenomen, een duurzame ontwikkeling.
Overstroombaar gebied
Het plangebied is gelegen in een overstroombaar gebied, waarbij het risico is dat het plangebied onder water komt te staan. Volgens artikel 2.16 van de verordening moeten plannen in gebieden waar een reëel risico is op overstroming rekening houden met deze mogelijkheid. Deze verantwoordelijkheid geldt binnendijks enkel voor kwetsbare en vitale objecten, woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks geldt deze ook voor individuele woningen en bedrijven. Het initiatief heeft betrekking tot het toevoegen van een enkel bedrijf. Deze functie betreft geen vitaal object, woonwijk of bedrijventerrein. Artikel 2.16 van de verordening vormt geen belemmering voor het initiatief.
Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht.
3.3.1 Omgevingsvisie Amersfoort 2030-2040
De gemeenteraad van Amersfoort heeft de Omgevingsvisie 2030-2040 ‘Gezond Samenleven’ op 19 december 2023 vastgesteld. In het kader van de visievorming is vastgesteld dat de afgelopen jaren veel is veranderd in Amersfoort en de komende jaren zal er nog veel meer veranderen. De stad groeit omdat het voor veel mensen een aantrekkelijke plek is om te wonen, te werken en te recreëren. Vanwege economische ontwikkelingen, klimaatverandering en energietransitie zal de stad op verschillende plekken ingrijpend aangepakt moeten worden. De visie en strategie zijn samen met de ambities en doelen voor het beleid voor de fysieke leefomgeving vertaald in zes integrale ontwikkelopgaven.
- Een groene stad in een groene omgeving die water omarmt;
- Een duurzame CO2-neutrale stad;
- Een stad met een duurzame mobiliteit;
- Een inclusieve en aantrekkelijke stad om in te wonen;
- Een stad met een veelzijdige en veerkrachtige economie;
- Een stad waarin voorzieningen meegroeien.
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bijgedragen aan meerdere ontwikkelopgaven uit de omgevingsvisie. Met het het verplaasten uitbreiden van de bedrijvigheid wordt er bijgedragen aan de vijfde ontwikkelopgave. De stad wil dat het aantal arbeidsplaatsen meegroeit met de groei van het aantal inwoners en dat de economie een bijdrage levert aan een duurzame, circulaire, inclusieve, gezonde en leefbare stad. Met de beoogde bedrijfsuitbreiding worden er meer arbeidsplaatsen gecreëerd.
3.3.2 Groenvisie Amersfoort 2030
Op 8 november 2016 heeft de gemeenteraad van Amersfoort de 'Groenvisie Amersfoort 2030' vastgesteld. Met de groenvisie wil de gemeente de kwaliteit van de groenstructuur verbeteren. De groenvisie benadrukt dat Amersfoort een groene stad is, maar dat meer groen van belang is. Op 28 mei 2024 is het beleid omtrent groen geactualiseerd. Met de actualisatie heeft het nieuwe puntensysteem voor groencompensatie en natuurinclusief bouwen haar intrede gedaan.
De doelen van de groenvisie worden aan de hand van een aantal thema's verwoord:
- Stad van de groene ruimte
- Biodivers Amersfoort
- Recreatief Amersfoort
- Eetbaar Amersfoort
- Klimaatbestendig Amersfoort
- Boomrijk Amersfoort
Groencompensatiebeleid
Aan de hand van de groenvisie heeft de raad van Amersfoort op 31 mei 2022 het Groencompensatiebeleid vastgesteld. Ruimtelijke plannen die niet passen in het geldende bestemmingplan dienen getoetst te worden aan het groencompensatiebeleid. De toetsing bestaat uit een stappenplan dat de initiatiefnemer dient te doorlopen. Daarnaast is een Maatregelencatalogus opgesteld. De catalogus is een communicatiemiddel dat initiatiefnemers helpt om de juiste maatregelen op de juiste locatie in het ontwerp te kunnen toepassen.
Planspecifiek
De initiatiefnemer heeft de stappen uit het stappenplan doorlopen en het instrument groencompensatie en natuur inclusief bouwen ingevuld. Hieruit blijkt dat er voor alle categorieën voldoende punten behaald kunnen worden. de invultabel is bijgevoegd als bijlage (Architectenburo Guid Bakker, d.d. 22 september 2025, zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 1)
3.3.3 Welstandsnota
De welstandsnota van de gemeente Amersoort (origineel uit 2008) is in 2017 geactualiseerd vanuit de behoefte aan een beter hanteerbaar beleid voor de ruimtelijke kwaliteiten van de stad. Met de criteria en uitgangspunten voor de welstandsbeoordeling wordt een bijdrage geleverd aan het ontwikkelen en versterken van de ruimtelijke karakteristieken en kwaliteiten binnen de gemeente Amersfoort. Naast de algemene criteria geldt er gebiedsgerichte criteria voor de 13 verschillende gebiedstypen die in de welstandsnota zijn onderscheiden. Het plangebied ligt echter niet in een van gebiedstypen. De planlocatie ligt binnen 'Gebied in ontwikkeling'. Voor gebieden in ontwikkeling geldt het (voor dat gebied) vastgestelde beeldkwaliteitsplan.
Het planvoornemen wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand door de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit (GAO), voorheen Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK).
3.3.4 Omgevingsprogramma Werklocaties
In februari 2025 is het Omgevingsprogramma Werklocaties door de gemeenteraad van Amersfoort vastgesteld. De gemeente Amersfoort streeft ernaar het aantal banen evenredig te laten meegroeien met de bevolkingsgroei. Dit vraagt om voldoende en toekomstbestendige ruimte voor bedrijven en werkgelegenheid. De gemeente richt zich daarbij primair op een optimaal gebruik van bestaande bedrijventerreinen, kantoorlocaties en andere werklocaties binnen de stad. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in het Omgevingsprogramma Werklocaties, waarin is uitgewerkt op welke wijze deze ambitie wordt gerealiseerd. Met de vaststelling van dit programma heeft de gemeenteraad de eerdere beleidsdocumenten – de Visie Werklocaties (2011), de actualisatie hiervan (2013) en het Afwegingskader Transformatie Kantoren (2019) – ingetrokken.
Binnen het Omgevingsprogramma zet de gemeente in op behoud van van deze terrein voor handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. De gemeente wil zoveel mogelijk inzetten op het landen van niet-mengbare bedrijven op deze terreinen, zoals bedrijven met activiteiten die (veel) hinder veroorzaken. De gemeente voorziet dat de vraag naar ruimte op bedrijventerreinen in de toekomst verder zal toenemen. Dit heeft onder andere te maken met de transitie naar een circulaire economie. Deze transitie is hard nodig vanwege
aantasting van natuur, uitstoot van verontreinigende stoffen, klimaatverandering, afvalbergen en leveringsrisico’s van grondstoffen en producten.
Planspecifiek
Met het voorliggende plan krijgt een kavel op (of nabij) het bedrijventerrein De Wieken een bedrijfsmatige functie. Op het terrein wordt een bedrijfstak van Aalbers ondergebracht, houtbouw, waarmee invulling wordt gegeven aan de veranderingen in de bouw als gevolg van een steeds meer circulaire economie. Voorliggend plan sluit daarmee aan op de ambities vanuit het omgevingsprogramma.
3.3.5 Omgevingsprogramma Mobiliteit 2025-2035
Op 13 mei 2025 heeft het college van Burgemeester en Wethouders het Omgevingsplan Mobiliteit vastgesteld, waaronder ook het parkeerbeleid. Om Amersfoort ook in de toekomst bereikbaar en leefbaar te houden voor iedereen die er woont, werkt en ontspant, is het
nodig dat anders wordt omgegaan met mobiliteit. Het Omgevingsprogramma geeft hieraan een eerste invulling.
Het beleid in de gemeente Amersfoort kent drie belangrijke pijlers te weten:
- STOMP: Dit is de afkorting voor Stappen (lopen), Trappen (fietsen), OV (Openbaar Vervoer), MaaS (deelvervoer) en Privéauto.
- Levensaders: Dit zijn doorgaande routes die ruimte bieden voor ontmoeten en waar voetgangers en fietsers voorop staan.
- Bereikbare stad voor iedereen: Beperkingen in lichamelijke, psychische, financiële zin of welke zin dan ook, moeten daarin zo min mogelijk een rol spelen.
Het programma gaat onder andere uit van de realisatie van twee stadsrandhubs en drie corridors waar verschillende lijnen (zowel U-liner, U-link en U-bus) van profiteren. De verbindingsroute Oost sluit aan op de stadsrandhub te hoogte van de A28. Bedrijventerrein De Wieken kan hiervan profiteren.Ten aanzien van parkeren wordt nabij De Wieken niet voorzien in betaald parkeren.
Planspecifiek
Onderhavig plan heeft niet direct een relatie met het Omgevingsprogramma Mobiliteit. Als gevolg van de ambities vanuit het programma wordt de bereikbaarheid van het bedrijventerrein, via het openbaar vervoer, wel verbetert op termijn.
4.1.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
Om de toename van het aantal verkeersbewegingen in beeld te brengen is de CROW publicatie 744 geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in 'rest bebouwde kom', in 'sterk stedelijk' gebied. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie weergegeven.
| Type | CROW-categorie | Aantal | Kengetal | Verkeersgeneratie |
| Bedrijfsgebouw | Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief | 7.100 m² | 4,3 per 100 ² bvo | 315,95 |
| Kantoor | Kantoor (met baliefunctie) | 1.800 m² | 10,6 per 100 m² bvo | 190,8 |
| kantoor | Kantoor (zonder balie functie) | 1.000 m² | 5,6 per 100 m² | 56 |
| Totaal | | | | 562,75 |
Zoals blijkt uit de tabel neemt het aantal verkeersbewegingen toe met ca. 562,75 verkeersbewegingen per etmaal. Deze toename kan naar verwachting goed opgevangen worden op de Hogeweg en de nabijgelegen A28. De verwachting is dat de werkelijke verkeersgeneratie lager zal zijn. In het gebouw zullen ca. 20 medewerkers komen te werken. Ervan uitgaande dat alle medewerkers met de auto komen (dit kan worden gezien als een worstcase benadering), en er per dag enkele bezoekers en leveranciers aanwezig zijn, zal er sprake zijn van ca. 50 verkeersbewegingen per etmaal.
Uit raadpleging van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit blijt dat de etmaal intensiteit aan de Hogeweg/Barneveldseweg, ter hoogte van de ontwikkellocatie, in totaal 3.138 mvt/e bedraagt. De capaciteit per rijstrook varieërt in de regel tussen de 1.800 – 2.000 mvt/uur. Voor een tweestrooksweg (2×1) betekent dat dus maximaal ca. 3.600 – 4.000 mvt/uur totaal (in beide richtingen samen). Daarmee heeft de Hogeweg/Barneveldseweg nog voldoende capaciteit om de berekende toename op te vangnen. Waarbij de kanttekening gemaakt moet worden dat in de berekening nog geen rekening is gehouden met de afname van het (zwaar-)verkeer als gevolg van de sluiting van het truckerscafé.
Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.1.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Planspecifiek
De 'Parkeernormen Auto Gemeente Amersfoort 2025' van de gemeente Amersfoort bevat de gemeentelijke parkeernormen die aangehouden dienen te worden bij een ontwikkeling. Deze parkeernormen zijn uitgangspunt voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘rest Amersfoort'. Hiervan wordt het gemiddelde gebruikt.
De onderstaande afbeelding toont de parkeerberekening.
Parkeerberekening (bron: Architectenburo Guido Bakker)
De parkeerbehoefte in de beoogde ontwikkeling bedraagt afgerond 90 parkeerplaatsen. Op het parkeerterrein van het bedrijf wordt ruimte gemaakt voor 90 parkeerplaatsen. Hiermee wordt er ruim voldaan aan de parkeerbehoefte. Met de parkeerberekening is rekening gehouden een mogelijke toekomstige uitbreiding van de kantoorruimte van de kleinere bedrijfshallen. Dit maakt verder geen deel uit van het voorliggende plan.
4.2 Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).
Planspecifiek
Het beoogde bedrijfsgebouw wordt volgens de BENG methode gebouwd. Aan de hand van de overige aspecten van de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat het aspect gezondheid op voorhand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. In aanvulling hierop is de klimaateffectatlas geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er voor het plangebied geen aandachtpunten zijn voor de gevolgen van klimaatverandering.
Op basis van de invultabel uit het groencompensatietabel van de gemeente Amersfoort wordt er extra groen gerealiseerd, zowel op maaiveld als op het dak van het bedrijfsgebouw. Tevens worden er PV panelen op het dak toegevoegd, zoals op de onderstaande afbeelding te zien is.
Dakaanzicht bedrijfsgebouw (bron: Architectenburo Guido Bakken, 22-09-2025)
4.3 Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
- woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
- onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
- gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
- gebouw voor kinderopvang met bedden;
- bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Planspecifiek
Het beoogde bedrijfsgebouw is niet aan te merken als een geluidgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderzoek naar beluidbelasting vanwege wegverkeer is daarmee niet nodig. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Activiteiten en milieuzonering
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.
Zones, waarden en afstanden
Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.
Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.
Gebiedstypen
In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan.
Bestaande activiteit
Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Dit kan bijvoorbeeld via een eigen functieaanwijzing met regels of met een maatwerkvoorschrift. Voor de bestaande activiteiten kan daarom een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Het moet gaan om een rechtmatige en feitelijk aanwezige geluid- of geurbelasting, ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan.
Andere milieuthema’s dan geur en geluid
Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
- Luchtverontreiniging.
- Externe veiligheid en gevaar.
- Trillinghinder.
- Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
- Lichthinder.
- Spuitzones.
- De hinder door verkeer aantrekkende werking.
Planspecifiek
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient aangetoond te worden dat het realiseren van het bedrijfsgebouw geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat en activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt worden.
Uit raadpleging van de VNG publicatie 2024 blijkt dat voor 'Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout' een basiswaarde van 50 dB op 100 meter geldt. In de directe nabijheid zijn zes woningen aanwezig die mogelijk hinder kunnen ondervinden van de beoogde nieuwe bedrijfsvoering. Om de effecten van de beoogde bedrijfsvoering op deze zes woningen in beeld te brengen is door de Milieuadviseur een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd (De Milieuadviseur, 16 juli 2025, rapportnummer 25072, zie
bijlagen bij toelichting, Bijlage 2). Onderzocht is wat de gevelbelasting, als gevolg van de bedrijfsvoering, bedraagt bij de woningen aan de Barneveldseweg 2 en 10 en de Hogeweg 170, 219, 229 en 229a. In het onderzoek is de beoogde plaatsing van een Kokowall van 4 meter hoog in de zuidelijke perceelsgrens als maatregel meegenomen.
De Milieuadviseur komt in zijn onderzoek tot de conclusie dat bij alle omliggende woningen wordt voldaan aan de grenswaarden van 50 dB(A) uit het Omgevingsplan. Ook voor de maximale geluidsbelastingen (piekniveaus) wordt voldaan aan de geldende richtwaarden.
4.5 Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
- Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
- Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek
De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de beperkte omvang van het initiatief wordt het per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Er is gekeken naar het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het plangebied (32160938_200308). Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2024 van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5) en (PM10) in het plangebied bedragen respectievelijk gemiddeld 18,6 μg/m³, 8,7 μg/m³ en 16 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Cultuurhistorie en archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal).
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek
Archeologie
Op de gronden van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. De vrijstellingsgrenzen van deze dubbelbestemmingen worden met de beoogde ontwikkeling overschreden. Derhalve is archeologisch onderzoek vereist. ADC Archeologie Projecten heeft hiertoe een bureauonderzoek uitgevoerd. (6383, d.d. 16-04-2024, zie:
bijlagen bij toelichting, bijlage 3).
In het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat er in het plangebied mogelijk archeologische resten aanwezig zijn. Op grond van eerder onderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied verschillende archeologische resten zijn aangetroffen. Er wordt geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Het doel van dit onderzoek is de bodemopbouw en de aard, omvang en diepte van eventuele verstoringen in kaart te brengen. Aan de hand van de gegevens van het veldonderzoek kan de gespecificeerde verwachting worden aangevuld. De werkzaamheden dienen voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). Op basis hiervan worden er tijdens de sloopactiviteiten proefsleuven gegraven.
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Op een afstand van ca. 130 m ten westen van het plangebied is een monument gelegen. De boerderij aan de Hogeweg 219 (Herenboerderij Maxhoeve) is opgenomen als rijksmonument. De beoogde ontwikkeling doet, gelet op de afstand en schaal van de ontwikkeling, geen afbreuk aan de waarde van dit monument. In het plangebied of in de omgeving zijn daarnaast geen cultuurhistorische waarden aanwezig die aangetast worden door de beoogde ontwikkeling.
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen daarmee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Wel dient er een archeologisch onderzoek door middel van een verkennend booronderzoek uitgevoerd te worden.
4.7 Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
- Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
- Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en het mogelijk maken van een bodemgevoelige locatie dient bij een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek te worden verstrekt. Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Amos, 244.026.BR.11.ROS, d.d. 12 april 2024, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 4).
Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat voor het overgrote deel van het terrein er hoogstens lichte verontreinigingen zijn aangetoond, welke geen directe beperking geven voor eventuele herontwikkeling tot bedrijventerrein. In de bovengrond, direct onder de fundering, van het oude parkeerterrein zijn verhoogde waarden aan zware metalen, PKA, en/of minerale olie aanwezig.
In de bodem is enkel sporadisch, eenduidige asbest onverdachte bijmenging (enkele resten/sporen baksteen) aangetroffen. Deze eenduidige bijmenging wordt niet als asbestverdacht beschouwd.
Conclusie
Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geadviseerd om de verontreinigde funderingslagen voorafgaand aan afvoer (bijvoorbeeld naar een verwerker) of toepassing elders alsnog te keuren middels een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit. De verontreinigde verharding / puinfundatie wordt afgevoerd. Er is geen sprake van een bodemverontreiniging.
4.8 Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Kwetsbare gebouwen en locaties
Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven.
Aandachtsgebieden
De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Plaatsgebonden risico
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.
Seveso-inrichtingen
De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Seveso-inrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling.
In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:
- 30 meter voor een brandaandachtsgebied
- 200 meter voor een explosieaandachtsgebied
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd.
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied transportroutes en gasleidingen aanwezig zijn en dat het plangebied binnen enkele aandachtsgebieden ligt. In dit kader is een onderzoek naar de omgevingsveiligheid uitgevoerd (Kragten, SRO095, d.d. 2 juli 2025,
bijlagen bij toelichting, bijlage 5 ).
Explosieaandachtsgebied (Rijksweg A28)
Het plangebied ligt deels binnen het explosieaandachtsgebied van de N11. De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden hieronder beschouwd.
Bestrijding calamiteit
Een explosie als gevolg van een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust.
De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie ‘Handreiking bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019’ van Brandweer Nederland.
Uit voorgenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. In de voorliggende situatie betreft het de herontwikkeling van een bedrijventerrein naar een woongebied. Als gevolg van het plan worden geen wijzigingen in de hoofdinfrastructuur voorzien. Uitgangspunt is dat het plangebied goed bereikbaar is en blijft. In de voorliggende situatie betreft het de herontwikkeling van een restaurant/parkeerterrein naar een bedrfijsgebouw. Als gevolg van het plan worden een wijzigingen in de hoofdinfrastructuur voorzien. Uitgangspunt is dat het plangebied goed bereikbaar is en blijft.
Zelfredzaamheid
Binnen het onderhavige plan worden geen functies voorzien specifiek voor minder zelfredzame personen. Het plan omvat de ontwikkeling van een bedrijfsgebouw. Indien toch minder zelfredzame personen aanwezig zijn bij een calamiteit, zullen deze personen met hulp van de aanwezige zelfredzame personen en de BHV-organisatie in veiligheid gebracht worden. Binnen het explosieaandachtsgebied is vluchten het uitgangspunt.
Binnen het plan zijn diverse vluchtmogelijkheden om het gebied te kunnen ontvluchten afzijdig van de risicobron, in de luwte van de bebouwing.
Gifwolkaandachtsgebied (Rijksweg A28)
Het plan ligt volledig binnen het gifwolkaandachtsgebied als gevolg van de rijksweg. Onderstaand worden de aspecten beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid nader beschouwd.
Bestrijding calamiteit
Bij een ongeval met een toxische gaswolk kan de brandweer optreden om de gaswolk neer te slaan, te verdunnen of op te nemen met water. Hiervoor dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Ook dient het risicogebied voldoende bereikbaar te zijn. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening ter plaatse van de weg.
Zelfredzaamheid
Bij het vrijkomen van een toxische wolk is schuilen het beste advies, mits rames deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Aangezien de beoogde ontwikkeling nieuwbouw betreft, zal op grond van de geldende bouwregelgeving voldoende aandacht besteed worden aan de naad- en kierdichting om de gebouwen zo luchtdicht mogelijk te maken. Gezien de ligging binnen het gifwolkaandachtsgebied dient op grond van artikel 4.124 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een mechanisch ventilatiesysteem toegepast te worden dat handmatig uitgeschakeld kan worden. Indien er in het geval van een toxische wolk toch gekozen wordt het gebeid te ontruimen, dienen personen haaks op de wolk te kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, in de betreffende locatie is dat het geval.
Brandaandachtsgebied (buisleiding)
Het plangebied ligt binnen het brandaandachtsgebied van buisleiding A-510. Onderstaand worden de aspecten beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid nader beschouwd.
Bestrijding calamiteit
Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaatsvindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol.
Zelfredzaamheid
Het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Een belangrijke bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd.
Binnen het brandaandachtsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat deze zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van de bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario´s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid groter. Vluchten kan alleen maar via een route buiten het ´zicht´ van de fakkel.
Aangezien het plangebied op korte afstand van de buisleiding is gelegen, is vluchten bij een calamiteit alleen mogelijk buiten het zicht van de fakkel. Er dienen voldoende nooduitgangen aanwezig te zijn van waar aanwezige personen bij een calamiteit kunnen vluchten in de luwte van het bedrijfsgebouw. Via het bestaande wegennet kan afzijdig van de buisleiding gevlucht worden.
Conclusie
Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan.
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
- aanwezige dier- en plantensoorten;
- typen natuurlijke habitats;
- leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn.
De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
- strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
- andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op werkzaamheden die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor beschermde soorten en gebieden. De bebouwing van het restaurant en de bedrijfswoning worden gesloopt. In de tuin van de bedrijfswoning staan tevens enkele bomen en is er groen aanwezig dat verwijderd wordt. Dit betreft een Flora- en Fauna-activiteit zoals geformuleerd in de Omgevingswet.
Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een ecologische quickscan uitgevoerd (De Slijpkruik, 24DBH05, d.d. 02-04-2024, zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 6).
Soortenbescherming
-Vogels
Naar aanleiding van het onderzoek is gebleken het plangebied geschikt is als nestplaats voor huismussen. Nesten van huismus zijn jaarrond beschermd en daarom is bij sloopwerkzaamheden mogelijk sprake van overtreding van de Omgevingswet. De huismus is onderdeel van het Soortmanagement Plan (SMP) dat voor de bebouwde kom van Amersfoort is opgesteld. Het plangebied is onderdeel van de bebouwde kom, daarom kan in principe gewerkt worden volgens de voorschriften uit het SMP. De ontheffinghouder van het SMP, in dit geval de gemeente Amersfoort dient te bevestigen dat volgens het SMP gewerkt mag worden. Indien dit niet gewenst is, is soortgericht vervolgonderzoek naar nestplaatsen van huismus noodzakelijk om vast te stellen of uit te sluiten of deze aanwezig zijn binnen het plangebied. Indien nestplaatsen van huismus worden aangetroffen dient een omgevingsvergunning ‘flora- en fauna-activiteit’ te worden aangevraagd bij de provincie Utrecht. Een onderdeel van een omgevingsvergunning is een activiteitenplan waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten op beschermde soorten en hun leefgebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Het plangebied is ongeschikt voor andere vogels met een jaarrond beschermde nestplaats door het ontbreken van geschikte nestplaatsen.
In het plangebied kunnen ook vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien er broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is.
-Vleermuizen
Uit de quickscan blijk dat beide gebouwen (het restaurant en de bedrijfswoning) mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen door aanwezigheid van scheefliggende dakpannen en open stootvoegen. De voorgenomen (sloop)werkzaamheden leiden daarom mogelijk tot negatieve effecten op vaste, jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen en daarmee overtreding van de OW. Te verwachten soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Verwachte functies zijn zomer-, kraam-, paar- en (kleine) winterverblijfplaats. Beide panden zijn ongeschikt als massawinterverblijfplaats, omdat de panden onvoldoende warmtebuffercapaciteit hebben, de panden zijn daarvoor te klein. De in Nederland te verwachten gebouwbewonende vleermuizen zijn onderdeel van het Soortmanagement Plan (SMP) dat voor de bebouwde kom van Amersfoort is opgesteld. Het plangebied is onderdeel van de bebouwde kom, daarom kan in principe gewerkt worden volgens de voorschriften uit het SMP. De ontheffinghouder van het SMP, in dit geval de gemeente Amersfoort, dient te bevestigen dat volgens het SMP gewerkt mag worden. Indien dit niet gewenst is, is soortgericht vervolgonderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk om vast te stellen of uit te sluiten of deze aanwezig zijn binnen het plangebied. Indien verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen dient een omgevingsvergunning ‘flora- en fauna-activiteit’ te worden aangevraagd bij de provincie Utrecht. Een onderdeel van een omgevingsvergunning is een activiteitenplan waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten op beschermde soorten en hun leefgebied zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Van aantasting van een vaste (essentiële) vliegroute van vleermuizen door toedoen van de geplande werkzaamheden is geen sprake. Mogelijk zijn de groenstructuren op en rond het plangebied onderdeel van (niet-essentieel) foerageergebied van vleermuizen. Aanbevelen wordt om lichtverstoring van van foerageergebied van vleermuizen te voorkomen.
Werk bij voorkeur uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang. Wanneer het onvermijdelijk is om verlichting toe te passen voorkom dan het beschijnen van bomen en beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter. Werk bij voorkeur uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang. Wanneer het onvermijdelijk is om verlichting toe te passe voorkom dan het beschijnen van bomen en beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter.
- Overige soorten
De aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren is uitgesloten door het ontbreken van geschikte mogelijkheden voor schuil- en verblijfplaatsen zoals bomen (met holtes), takkenstapels en oppervlaktewater.
Wat betreft beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, vissen, reptielen, ongewervelden en flora) is aanwezigheid binnen het plangebied uitgesloten. Er zijn geen vervolgacties nodig ten aanzien van beschermde soorten uit overige soortgroepen.
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Het plangebied ligt op circa 14,5 km afstand tot Natura 2000-gebied die gevoelig is voor stikstof. Mogelijke stikstof effecten zijn daarom niet op voorhand uitgesloten. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling een stikstofberekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 24 oktober 2025, zie
bijlagen bij toelichting , bijlage 7). Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden
Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet. Wel worden er enkele bomen gekapt herplant en er worden nieuwe bomen toegevoegd. Voor deze werkzaamheden wordt op een later moment een vergunning aangevraagd.
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Verder vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.
4.10 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Beleid
De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
Nationaal Waterprogramma
Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Waterschap Vallei en Veluwe
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de Waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het waterschap vervangen. In de Waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. Omdat het omzetten van de keur naar de Waterschapsverordening beleidsneutraal heeft plaatsgevonden zijn de nieuwe beleidsregels vrijwel gelijk gebleven aan de keur.
Weging van het waterbelang
Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben.
Berging van water in de bodem
Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet voldaan worden aan de uitgangspunten Klimaat adaptief Bouwen van de gemeente Amersfoort, waaruit verschillende bergingseisen van toepassing zijn voor verschillende typen buien.
Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2031
In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is beschreven hoe de gemeente de komende jaren invulling geeft aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Centraal doel is het behouden en versterken van een vitale en gezonde leefomgeving. Het inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt is een taak van de gemeente. Daarnaast treft de gemeente op doelmatige wijze maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater. De uitvoering van deze taken zoveel mogelijk aansluitend bij de natuurlijke situatie en in verbinding met andere maatschappelijke opgaven. In het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig is. Op basis van het basisrioleringsplan zijn maatregelen benoemd om regenwateroverlast tot een acceptabel niveau te beperken. De uitvoering van is zo mogelijk gekoppeld aan andere ontwikkelingen in de stad
Watervisie gemeente Amersfoort 2021-2040
De watervisie is het kader voor integraal en duurzaam waterbeheer in Amersfoort. De ambitie is dat Amersfoort een gezonde, groene stad is met mogelijkheden om te groeien. Een goede waterhuishouding is elementair voor een afgewogen inrichting en beheer. Ook speelt een goede waterhuishouding een belangrijke rol in (recreatief) gebruik, economie, cultuurhistorie, groenblauwe structuren, biodiversiteit en toekomstbestendige (klimaat)oplossingen. Het klimaat verandert, er ligt een grote binnenstedelijke woningbouwopgave en het gebruik van de openbare ruimte zal intensiveren. Daarom zijn extra inspanningen nodig op het gebied van het waterbeheer om de stad leefbaar te houden. Met name bij nieuwe ontwikkelingen liggen hiervoor kansen. Daarbij wil de gemeente Amersfoort om kunnen gaan met de gevolgen van klimaatverandering en de natuur meer kansen geven. Amersfoort hanteert voor de duurzame ontwikkeling van nieuwbouwplannen het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw. Specifiek voor water zijn aanvullende uitgangspunten opgesteld (Uitgangspunten Klimaatadaptief Bouwen, dec. '23).
Planspecifiek
Watercompensatie
Met de beoogde ontwikkeling wordt er verharding toegevoegd. Uit raadpleging van de waterschapsverordening van Waterschap Vallei en Veluwe blijkt dat er geen compensatieplicht geldt voor het toevoegen van verharding. Met beoogde ontwikkeling wordt er geen oppervlaktewater gedempt of verlegd. Hiermee is watercompensatie niet aan de orde.
Afvalwater- en hemelwater
Voldaan zal worden aan de waterschapsverordening van Waterschap Vallei en Veluwe en het Gemeentelijke Rioolplan 2021-2031 ten aanzien van de afvoer van hemelwater en afvalwater. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijke rioolstelsel. Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd naar de watergang aan de oostzijde van het plangebied. Ook is er sprake van infiltratie op het maaiveld en van waterberging op het gebouw. Op het maaiveld wordt ca. 240 m² groen aangebracht. Tevens wordt er gebruik gemaakt van ca. 1.100 m² aan halfverharding voor de de parkeerplaatsen, op delen van het plangebied die in de huidige situatie volledig verhard zijn. Onder de parkeerplaasten worden infiltratiekratten toegapast. Het dak van het gebouw wordt uitgevoerd als groen dak. Er wordt 3.600 m² aan groen gerealiseerd op het dak. Op de gevels van het gebouw wordt 40 m aan gevelgroen aangebracht.
Op de onderstaande afbeelding zijn de maatregelen en de omvang hiervan op het maaiveeld te zien.
Maatregelen infiltratie en groen (bron: Architectenburo Guido Bakker, 22-09-2025)
Waterkeringen
Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering.
Watertoets
Voor het plan is een digitale watertoets uitgevoerd op www.hetwateradvies.nl (Zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 8). Uit de beoordeling volgt dat de normale procedure gevolgd dient te worden.
4.11 Ontplofbare Oorlogsresten
De gemeente Amersfoort heeft voor de gehele gemeente een vooronderzoek laten uitvoeren naar ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Om te bepalen of er een risico voor explosieven in of rondom het plangebied bestaat is de kaartlaag 'risicokaart niet gesprongen explosieven' op Amersfoort in Beeld geraadpleegd. Een uitsnede van deze kaart is op de onderstaande afbeelding te zien.
Risicokaart 'niet gesprongen explosieven' (bron: gemeente Amersfoort)
Het plangebied ligt binnen een gebied dat is verdacht op geschutmunitie. Het plangebied ligt daardoor binnen gebieden waar onderzoek verplicht is. Aangezien een groot gedeelte van het plangebied verhardt is, wordt dit aspect verder onderzocht wanneer de sloopwerkzaamheden zijn afgerond.
4.12 M.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
- Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
- Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:
- de kenmerken van het project
- de plaats van het project
- de kenmerken van de potentiële effecten
Planspecifiek
Onderhavig plan is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt:
Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen:
- die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
- waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod.
Voor het project is een aanmeldnotitie opgesteld (Buro-SRO, d.d. 24 oktober 2025, zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 9). In deze notitie wordt geconcludeerd dat het opstellen van een milieuefffectrapportage geen verder inzicht geeft op de milieueffecten van deze ontwikkeling. In de aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag voorgesteld in het nog te nemen mer-beoordelingsbesluit geen milieuefffectrapportage op te stellen voor deze ontwikkeling.
5.1 Algemeen
Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.
De planregels zijn onderverdeeld in vijf hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat thematische regels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de activiteitgerichte regels. Hoofdstuk IV beschrijft de gebruiksactiviteiten. Ten slotte regelt hoofdstuk V de overgangsbepalingen.
In het tweede, derde en vierde hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies. Ook deze hoofdstukken kennen een standaardopbouw:
- Functieomschrijving
- Beoordelingsregels bouwactiviteiten
- Specifieke bouwregels
- Specifieke gebruiksregels
5.4 Toelichting op functies en locaties
De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Amersfoort. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten:
Bedrijf
Het gehele plangebied heeft de functie 'Bedrijf' gekregen. Hier zijn bedrijven in de posities 1, 2 en 3 in de VNG-uitgave Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 toegestaan.
Waarde - Archeologie 2
Conform het 'Partiele herziening Veegplan B - Archeologie' is ter bescherming van archeologische waarden voor de gronden van het plangebied de functie 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen.
Waarde - Archeologie 3
Conform het 'Partiele herziening Veegplan B - Archeologie' is ter bescherming van archeologische waarden voor de gronden van het plangebied de functie 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen.
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek
De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. In de gemeente Amersfoort dient participatie aan de hand van de participatiegids van Amersfoort uitgevoerd te worden.
Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.1 Participatie
Er zijn reeds vier bijeenkomsten met de omwonenden geweest. Op basis van deze bijeenkomsten zijn de volgende aanpassingen gedaan aan het:
- Voorstel voor kokowall-scherm van 4 meter hoog met beplanting (totaal 5m, rekening houdend met hoogteverschil).
- Behoud van bestaande wal en bomen waar mogelijk.
- Aanpassing van tekening met extra bomen.
- Toevoeging van doorsnede en zichtlijnen.
- Fundering trillingsarm uitvoeren.
- Suggestie voor snelheidsverlaging gedeeld met gemeente.
- Aanpassen van de bouwhoogte van 18 m naar 15 m.
Een samenvatting van het participatieprocess is als bijlage toegevoegd (Aalberts Ontwikkeling, zie
bijlagen bij toelichting, bijlage 10)
6.2.2 Voortraject
Voor het plan is door initiatiefnemer een vooroverleg aangevraagd. Dit verzoek is onder voorwaarden positief beoordeeld. In overleg met de gemeente Amersfoort is het plan bijgesteld tot het voorliggende plan. Dit aangepaste plan is akkoord bevonden door de gemeente Amersfoort waarmee de formele procedure doorlopen kan worden.
6.2.3 Bestuurlijk overleg
Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan is het plan voorgelegd aan de provincie Utrecht, het Waterschap Vallei en Veluwe en de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht.
PM: dient te worden afgestemd met de gemeente
6.2.4 Zienswijzen
Het TAM-omgevingsplan Hogeweg 227 heeft van woensdag 17 december 2025 tot woensdag 28 januari 2026. ter inzage gelegen. Gedurende deze periode van ter inzagelegging zijn twee zienswijzen ontvangen. De zienswijzen en de gemeentelijk reactie daarop zijn weergegeven in de als
bijlagen bij toelichting, bijlage 13 bijgevoegde 'Zienswijzenota Hogeweg 227'. Naar aanleiding hiervan is het TAM-omgevingsplan op enkele onderdelen aangepast.
7 Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een fabrieksgebouw met een kantoor. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het beleid. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen belemmeringen voort. Wel dient nader onderzoek naar beschermde soorten en archeologie plaats te vinden. Daarnaast wordt de ontwikkeling stedenbouwkundig zorgvuldig ingepast. Alle aspecten afwegende kan de toedeling van de beoogde functies aan de locatie als evenwichtig worden beoordeeld.