Regels
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het uitbreiden van het bedrijfsgebouw op de herontwikkeling perceel Hogeweg 227 naar bedrijfsgebouwen vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22r) van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22r van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22r.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22r.' gelezen worden.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22r. Aanvullend op deze begripsbepalingen gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen:
1.1 TAM-omgevingsplan:
Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hogeweg 227 met identificatienummer NL.IMRO.0307.TAM015-0301 van de gemeente Amersfoort;
1.2 Omgevingsplan:
Het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort;
1.4 bedrijf:
een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;
1.5 bedrijfsactiviteiten:
activiteiten waarbij een onderneming het accent legt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;
1.6 bedrijfsgebonden kantoor
Bedrijfsgebonden, onzelfstandige kantoren zijn het (noodzakelijke) kantorendeel bij een bedrijf waar bedrijfsonderdelen als management, administratie, facilitaire diensten, receptie en dergelijke zijn gesitueerd.
1.7 bouwwerk:
Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;
1.8 buitenopslag:
Goederen die buiten worden opgeslagen bij een gebouw;
1.9 erf:
Al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;
1.10 kunstwerk:
Civiel-technisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen waterkeringen en of leidingen en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf, zoals een brug, duiker of viaduct;
1.11 nutsvoorziening:
Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes/kasten, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;
1.12 ondergronds bouwwerk:
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die onder het straatpeil is gelegen;
1.13 voorgevel:
De naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan kennelijk als zodanig aangemerkt diende te worden;
1.14 werkingsgebied:
Het werkingsgebied begrenst (met coördinaten/geometrie) de juridische werking van de tekst: het duidt aan dat de tekst alleen binnen dit werkingsgebied een juridische werking heeft;
Artikel 2 Meet- en rekenvoorschriften
Het bepaalde in artikel 22.28 van het omgevingsplan Amersfoort is van toepassing op de regels in hoofdstuk 22r. Daarnaast gelden de volgende meetbepalingen bij toepassing van de regels.
2.1 afstand tot de perceelgrens:
de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot een bepaalde grens van het erf;
2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.3 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
2.4 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
2.5 de hoogte van een windturbine:
vanaf het straatpeil tot aan de (wieken)as van de windturbine;
2.6 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.7 de lengte, breedte en de diepte van een bouwwerk:
tussen de lijnen, getrokken door de buitenzijde van de gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren;
2.8 oppervlakte van bijbehorende bouwwerken:
bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken worden niet meegerekend (gedeelten van) bijbehorende bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak, met dien verstande dat erkers, etc. voor de voorgevel niet meetellen bij de berekening van de oppervlakte;
2.9 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2 Integratie omgevingsplan
Artikel 3 Toepassingsbereik
3.1 Verhouding met ruimtelijke regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie als bedoeld in
Artikel 3.3.
3.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rijkswege (bruidsschat)
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.3.6.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in hoofdstuk 22r.
- De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.3.6.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in hoofdstuk 22r.
- Onder de regels in hoofdstuk 22r, als bedoeld onder a, worden de regels van het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hogeweg 227, Amersfoort met identificatienummer NL.IMRO.0307.TAM015-0301 van de Gemeente Amersfoort verstaan.
3.3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan Hogeweg 227
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hogeweg 227, Amersfoort , waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0307.TAM015-0301 zoals vastgelegd op
https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
3.4 Integratie omgevingsplan gemeente Amersfoort
De regels in dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hogeweg 227, Amersfoort zijn integraal onderdeel van de geconsolideerde versie van het 'Omgevingsplan gemeente Amersfoort' zoals dat is gepubliceerd op de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/home.
4.1 Oogmerk
- het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
- het beschermen van natuur;
- het beschermen van de gezondheid;
- het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
- het behoud van cultureel erfgoed;
- het beschermen van archeologische waarden;
- het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
- het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken.
- het waarborgen van de veiligheid;
- het beschermen van het milieu;
- het voorkomen of beperken van geluidhinder;
- het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening;
- het beschermen van de kwaliteit van de bodem;
- het doelmatig beheer van afvalstoffen;
- het beschermen van de Eemkleilaag en het voorkomen van verspreiding grondwaterverontreiniging (horizontaal/verticaal).
4.2 Normadressaat
Aan de regels van
Hoofdstuk 2 Thematische regels wordt voldaan door de eigenaar, erfpachter, gebruiker of degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 5 Archeologische waarden categorie 2
5.1 Toepassingsbereik
- Dit artikel gaat over het verrichten van grondwerkzaamheden en het ophogen van de bodem in een gebied met Waarde - Archeologie 2.
Onder de in onderdeel 1 bedoelde grondwerkzaamheden wordt verstaan:
- het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;
- het uitgraven van een bouwput en/of funderingssleuven;
- het omzetten van grasland naar bouwland;
- het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
- het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
- het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
- het aanleggen van bos of boomgaard met diepwortelende beplanting;
- het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
5.2 Vergunningplicht
Het is verboden om in het werkingsgebied archeologie 2 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten of de bodem op te hogen, als:
- de grondwerkzaamheden dieper zijn dan 30 cm; of
- de bodem met meer dan 30 cm wordt opgehoogd;
- en de oppervlakte van het gebied waarbinnen grondwerkzaamheden en/of ophoging plaatsvindt meer is dan 100 m²
Lid 1 geldt niet voor:
- voor grondwerkzaamheden die worden verricht voor vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;
- als er op voorhand door het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
5.3 Aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 5.2 wordt een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch onderzoeksrapportaangeleverd waaruit blijkt dat de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld.
- Als het in het eerste lid bedoelde archeologisch onderzoek een proefsleuvenonderzoek of een opgraving is, wordt voorafgaand aan dat onderzoek een door het college van B&W goedgekeurd archeologisch programma van eisen aangeleverd, waarin nadere regels worden gesteld over het betreffende onderzoek.
- Voordat het in het tweede lid bedoelde archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd, legt de initiatiefnemer een archeologisch plan van aanpak ter goedkeuring voor aan het college van burgemeester en wethouders.
5.4 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in
lid 5.2 wordt verleend als:
- archeologische waarden naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig worden geschaad; of
- schade door de grondwerkzaamheden en/of ophoging van gronden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen, door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als bedoeld in lid 5.5 .
5.5 Vergunningvoorschriften
Op grond van de beoordelingsregels als bedoeld in
lid 6.4 sub b kunnen de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in
lid 6.2 worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van aanvullend onderzoek.
Artikel 6 Archeologische waarden categorie 3
6.1 Toepassingsbereik
- Dit artikel gaat over het verrichten van grondwerkzaamheden en het ophogen van de bodem in een gebied met Waarde - Archeologie 3.
Onder de in onderdeel 1 bedoelde grondwerkzaamheden wordt verstaan:
- het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;
- het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
- het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
- het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
- het aanleggen van bos of boomgaard met diepwortelende beplanting;
- het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
6.2 Vergunningplicht
Het is verboden om in het werkingsgebied Waarde - Archeologie 3 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten, als:
- de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm; en
- de oppervlakte van de graafwerkzaamheden meer is dan 500 m².
- het eerste onderdeel geldt niet:
- voor grondwerkzaamheden die worden verricht voor vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;
- als er op voorhand door het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
6.3 Aanvraagvereisten
- Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 6.2 wordt een archeologisch onderzoeksrapport aangeleverd waaruit blijkt dat de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld.
- Als het in onderdeel 1 bedoelde archeologisch onderzoek een proefsleuvenonderzoek of een opgraving is, wordt voorafgaand aan dat onderzoek een archeologisch programma van eisen aangeleverd, waarin nadere regels worden gesteld over het betreffende onderzoek.
- Voordat het in onderdeel 2 bedoelde archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd, legt de initiatiefnemer een archeologisch plan van aanpak ter goedkeuring voor aan het college van burgemeester en wethouders.
6.4 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in
lid 6.2 wordt verleend als:
- er geen archeologische waarden worden geschaad; of
- schade door de met de oprichting van het bouwwerk samenhangende activiteiten kan worden voorkomen, door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als bedoeld in lid 6.5 .
6.5 Vergunningvoorschriften
Op grond van de beoordelingsregels als bedoeld in
lid 6.4 sub b kunnen de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in
lid 6.2 worden verbonden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van aanvullend onderzoek.
7.1 Toepassingsbereik
Dit artikel gaat over groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de groenvoorzieningen en inrichting voor recreatief medegebruik, en ontsluitingswegen ten behoeven van de aangelegen functies.
8.1 Toepassingsbereik
Dit artikel gaat over het parkeren bij bouwactiviteiten waarvoor op grond van
lid 10.3 van dit hoofdstuk 22r een vergunning nodig is, waarbij sprake is van:
- nieuwbouw; of
- uitbreiding van de brutovloeroppervlakte; of
- functiewijzigingen van gronden en/of bouwwerken
8.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in
lid 10.3 wordt verleend als wordt voorzien in (de aanleg van) voldoende parkeergelegenheid, zoals vastgelegd in de gemeentelijke Nota Parkeernormen 2009, Beleidsregel Toepassing Parkeernormen 2024 en rechtsopvolgende beleidsregels inzake het parkeren zoals die gelden tijdens het indienen van de omgevingsvergunning (zie
www.overheid.nl).
8.3 Instandhoudingsplicht
Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, is alleen toegestaan zolang de in
lid 8.2 bedoelde parkeergelegenheid in stand wordt gehouden.
4 Activiteitgerichte regels
9.1 Oogmerk
- het beschermen en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat;
- het in stand houden en beschermen van de groene waarden, natuur en ecologische waarden;
- het beschermen van de gezondheid;
- het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
- het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
- het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
- het waarborgen van de veiligheid;
- het beschermen van het milieu;
10.1 Toepassingsbereik
De regels in
artikel 11 tot en met
artikel 15 zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van gebouwen.
10.2 Anti-dubbeltelbepaling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
10.3 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, tenzij anders aangegeven.
10.4 Bouwen ten dienste van gebruik
11.1 Beoordelingsregels algemeen
De omgevingsvergunning als bedoeld in
lid 10.3 wordt voor een hoofdgebouw verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels in
lid 11.2 tot en met
lid 11.4
11.2 Bouwvlak
- het hoofdgebouw wordt gerealiseerd in het werkingsgebied bouwvlak;
- het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
11.3 Bouwhoogte
De maximale bouwhoogte is de ter plaatse van het werkingsgebied ‘maximum bouwhoogte’ bepaalde waarde.
11.4 Gebouwtypologie
In het werkingsgebied ‘Bedrijf’ wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in
lid 10.3 alleen verleend voor bedrijfsbebouwing tot en met de positie 3 in de VNG-uitgave Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024.
Artikel 12 Bijbehorende bouwwerken
12.1 Verbodsbepaling bijbehorende bouwwerken
Het is verboden om bijbehorende bouwwerken te realiseren.
Artikel 13 Ondergeschikte bouwdelen
13.1 Ondergeschikte bouwdelen
De omgevingsvergunning als bedoeld in
lid 10.3 wordt verleend voor het bouwen van ondergeschikte bouwdelen als:
- plinten, pilasters, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen, airco- en liftinstallaties en rookkanalen de bouwgrens met maximaal 0,3 meter overschrijden;
- luifels en overstekende daken de bouwgrens met maximaal 1 meter overschrijden, waarbij bestaande grotere overschrijdingen zijn toegestaan;
- airco- en liftinstallaties en rookkanalen de bouwhoogte met maximaal 3 meter overschrijden;
- bouwwerken die boven een openbaar voetpad worden aangebracht een minimale doorgangshoogte van 2,2 meter hebben.
Artikel 14 Bouwactiviteiten met nadere afweging
14.1 Overschrijding bouwgrenzen met nadere afweging
De omgevingsvergunning als bedoeld in
lid 10.3 wordt ook verleend voor het bouwen van luifels, balkons, bordessen, trappen, galerijen, reclametoestellen en draagconstructies voor reclame, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de bouwgrens wordt met niet meer dan 1,5 meter overschreden;
- de bouwwerken worden niet lager dan 4,2 meter boven een rijbaan en 2,2 meter boven een voetpad aangebracht;
- er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en het straat- en bebouwingsbeeld.
14.2 Bouwactiviteiten met nadere afweging
In afwijking van het bepaalde in artikelen
artikel 11 en
artikel 13 wordt een omgevingsvergunning verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- voor het bouwen van niet voor bedrijf bestemde gebouwen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, abri's, fietsenstallingen, weegbruggen en dienstgebouwtjes voor onderhoud of gebruik van openbaar groen, wegen of speelplaatsen, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 meter en de inhoud niet meer dan 50 m3 mag bedragen;
voor het in geringe mate overschrijden van de grenzen van een werkingsgebied met ten hoogste 3 meter, mits:
- dit noodzakelijk is voor de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing; en
- daardoor de geldende oppervlakte van de bij de afwijking betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt vergroot;
- voor overschrijdingen van eisen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die beperkt blijven tot ten hoogste 10%.
- De omgevingsvergunning als bedoeld in onderdeel a wordt geweigerd als:
- op enig aangrenzend terrein de realisering van planologische mogelijkheden wordt belemmerd;
- daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
- daardoor onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld;
- daardoor de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 15 Werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden
15.1 Algemeen
Dit artikel gaat over het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde en over het uitvoeren van werkzaamheden.
15.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden algemeen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren het openbaar gebied:
- het aanleggen en verharden of wijzigen van het profiel van wegen en paden, wanneer het niet gaat om normaal beheer en onderhoud;
- het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, wanneer het niet gaat om normaal beheer en onderhoud;
15.3 Aanleggen of wijzigen oppervlakteverharding buitenruimte
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
lid 15.2 wordt verleend als door de werken en/of werkzaamheden de natuurlijke of landschappelijke waarden niet in onevenredige mate worden aangetast.
16.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk gaat over gebruiksactiviteiten in TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Hogeweg 227.
16.3 Normadressaat
Aan de regels van
Hoofdstuk 4 Gebruiksactiviteiten wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
16.4 Verbod op strijdig gebruik
Het is verboden om in het plangebied andere gebruiksactiviteiten te verrichten dan genoemd in de regels van een werkingsgebied van een gebruiksactiviteit zoals bedoeld in
Artikel 16.
17.1 Bedrijf
In het werkingsgebied 'Bedrijf ' mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bedrijven tot en met de positie 3 in de VNG-uitgave
Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024. Wat gelijk staat aan categorie 3.2 uit de Staat van bedrijfsactiveiten.
Ook zijn bedrijfsgebonden kantoren, toegangswegen, parkeerplaatsen,
laad- en losvoorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en water(gangen) en -partijen toegestaan.
Ter plaatse van de functieaanduiding 'nutsvoorziening' tevens nutsvoorzieningen.
Ter plaatse van de aanduding 'Geluidsscherm' tevens een geluidsscherm bestaande uit een kokoshaag van 4 m hoog, zoals beschreven in het onderzoek naar industrielawaai (De Milieuadviseur, 16 juli 2025, rapportnummer 25072, zie
bijlagen bij toelichting, bijage 2).
Artikel 18 Overgangsrecht
18.1 Overgangsrecht gebruik
- Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
- Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in onderdeel 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
- Indien het gebruik, bedoeld in onderdeel 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
- Onderdeel 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan.
18.2 Overgangsrecht gebouwen
- Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd of na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
- Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van onderdeel 1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in onderdeel 1 met maximaal 10%.
- Onderdeel 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat omgevingsplan.