| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Skaeve Huse |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0307.TAM013-0301 |
Voor sommige inwoners van Amersfoort is het vanwege persoonlijk problemen lastig a om in een 'gewone' woonwijk zelfstandig te wonen. De gemeente Amersfoort is daarom voornemens om inwoners die moeite hebben om in een 'reguliere' woonwijk te wonen en daardoor overlast veroorzaken alsnog een plek te geven. Gemeente Amersfoort heeft in samenwerking met verscheidene zorgaanbieders onderzoek gedaan naar wat voor deze mensen een geschikte manier van wonen zou kunnen zijn. Hieruit blijkt dat het woonconcept 'Skaeve Huse' een oplossing kan bieden. Skaeve Huse staan op meerdere plekken in Nederland, bijvoorbeeld in Rotterdam en Hilversum. Het concept komt oorspronkelijk uit Denemarken. De letterlijke vertaling is 'rare huisjes'. Het is een woonvorm voor mensen die niet in een reguliere wijk of opvang kunnen wonen of dakloos zijn, omdat zij daar overlast veroorzaken door hun persoonlijke problemen.
Met duidelijke regels en de juiste begeleiding op maat, kunnen deze bewoners hier werken aan het herstel van hun gewone leven. In het coalitieakkoord 2022-2026 is afgesproken om ook in Amersfoort te zorgen voor passende huisvesting voor inwoners met een complexe problematiek. Waarbij een menswaardig thuis voor iedereen centraal staat. De Gemeente Amersfoort, corporatie Omnia Wonen en de participerende zorgaanbieders Leger des Heils, Kwintes en de Tussenvoorziening werken gezamenlijk om het woonconcept Skaeve Huse te realiseren in Amersfoort.
Voor deze ontwikkeling volgen we als gemeente het proces uit het stappenplan Complexe ruimtelijke ontwikkelingen uit de Participatiegids. Deze vorm van participatie is bedoeld voor initiatieven die behoorlijk afwijken van de regels in het omgevingsplan of die een grotere impact hebben op de omgeving. Bij participatie voor complexe ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om van tevoren kaders te maken waar het project aan moet voldoen. Deze kaders worden afgestemd met belanghebbenden en geïnteresseerden. De kaders worden vastgesteld doormiddel van een kaderstellende notitie.
Op 30 januari 2024 heeft de raad ingestemd met de kaders voor Skaeve Huse doormiddel van een kaderstellende notitie. De kaderstellende notitie komt voort uit de eerste fase van participatie. Waarbij de gemeente afspraken maakt waaraan het project moet voldoen en hoe de buurt betrokken zal worden bij het project. Tijdens deze verkennende fase heeft de gemeente Amersfoort, samen met Omnia Wonen en aanbieders De Tussenvoorziening, Kwintes en het Leger des Heils, gesproken met de klankbordgroep, omwonenden en andere belanghebbenden. Vragen en opmerkingen zijn zorgvuldig uitgezocht en voorzien van een antwoord. Deze staan op www.amersfoort.nl/skaevehuse. Dit heeft de gemeente input gegeven voor de vastgestelde kadernotitie.
Na de vaststelling van de kaderstellende notitie is het uitwerkingsvoorstel opgesteld. Het uitwerkingsvoorstel wordt aangevuld met een stedenbouwkundig ontwerp en een woonzorgplan. De gemeenteraad heeft op 15 juli 2025 ingestemd met het uitwerkingsvoorstel en het woonzorgplan voor Skaeve Huse aan de Palestinaweg Oost. Dit uitwerkingsvoorstel is de basis voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.Een uitgebreidere toelichting over het participatietraject, de kaderstellende notitie en het uitwerkingsvoorstel is te lezen in hoofdstuk 5.
Het plan om de Skaeve Huse te realiseren is strijdig met het omgevingsplan Amersfoort, tijdelijk deel bestemmingsplan 'Hooglanderveen en Vathorst'. Om alsnog mee te werken dient een onderbouwing te worden geschreven. Deze onderbouwing is opgesteld voor het TAM-Omgevingsplan en dient als verdere uitwerking van de door de raad vastgestelde kaders zoals het eerder benoemde kaderstellende notitie, het uitwerkingsvoorstel, het stedenbouwkundig ontwerp (bijlage 10) en het woonzorgplan (bijlage 1). Voorliggende onderbouwing borduurt dus voort op en is de planologische juridische vertaling van door raad vastgestelde uitwerking van de kaders en zorgt voor een goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving voor het mogelijk maken van Skaeve Huse aan de Palestinaweg-Oost.
Het plangebied is gelegen ten zuiden van de locatie dat bekend stond als de Palestinaweg Oost 3-5 (kadastraal bekend als gemeente Hoogland, sectie B, nummer 3255). Het ligt in het buitengebied van Amersfoort in het gebied Over de Laak, aangrenzend aan de woonwijk Vathorst-Noord en aan de gemeentegrens van Nijkerk. De ligging van de locatie ten opzichte van Amersfoort is te zien in figuur 1 en 2.
Figuur 1: Globale ligging plangebied rood omcirkeld (Bron: Google Earth, d.d. 3-4-25)
Figuur 2: begrenzing plangebied rood omkaderd (Bron: Google Earth d.d. 3-4-25)
De Omgevingswet (Ow) streeft naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De Omgevingswet bepaalt dat de gemeente ervoor moet zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Ow). Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Ow. Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende:
Om het initiatief te realiseren moet er worden afgeweken van het Omgevingsplan. In de voorliggende motivering is een verantwoording gegeven, waaruit blijkt dat er met de ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat er gemotiveerd kan worden afgeweken van het Omgevingsplan. Doormiddel van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel Omgevingsplan (hierna TAM Omgevingsplan) wordt er verdere invulling gegeven aan de regels die zorgen dat het project gerealiseerd kan worden.
Deze onderbouwing bestaat uit zeven hoofdstukken. Na de inleiding volgt in hoofdstuk twee de planbeschrijving. In hoofdstuk drie wordt het beleidskader dat relevant is voor de ontwikkeling benoemd en wordt de ontwikkeling hieraan getoetst. In hoofdstuk 4 worden alle andere relevante aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voorbeelden hiervan zijn luchtkwaliteit, geur en water. In hoofdstuk vijf wordt het participatieproces beschreven. Hoofdstuk zes betreft de uitvoerbaarheid van het plan. Ten slotte worden in hoofdstuk zeven de belangenafweging en conclusie beschreven. In hoofdstuk 8 staan alle bijlagen waar in deze onderbouwing naar wordt verwezen.
Het terrein ligt aan de Palestinaweg Oost binnen het gebied Over de Laak. Over de Laak grenst aan de woonwijk Vathorst-Noord en aan de gemeente Nijkerk. Het perceel bevindt zich aan de locatie dat voormalig bekend stond als de Palestinaweg Oost 3-5. Waarbij het gerealiseerd wordt op het gedeelte aan de zuidkant van de weg, waar voorheen de stal van de voormalige boerderij stond. De locatie is in eigendom van Omnia Wonen. Op de onderstaande figuur 3 is deze locatie in het geel aangegeven.
De woonwijk Vathorst ligt op ongeveer 300 meter afstand van de projectlocatie. Hiermee ligt het plangebied in het buitengebied van de gemeente Amersfoort. De locatie ligt bewust buiten de bebouwde kom omdat dit onderdeel is van het Skaeve Huse concept. Waarbij over het algemeen tenminste 100 meter afstand wordt gehouden tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing. Dit betekent dat de omgeving hoofdzakelijk een agrarisch gebied is, wat verder gekenmerkt wordt door het open slagenlandschap. Nabij de locatie zijn meerdere ontwikkelingen voor recreatieve doeleinden. De Skaeve Huse-locatie aan de Palestinaweg-Oost ligt op 200 meter afstand van het recreatiegebied 't Hammetje.
Figuur 3: Omgeving Palestinaweg Oost (Bron: kaderstellende notititie Skaeve Huse)
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Voor de projectlocatie geldt het bestemmingsplan 'Hooglanderveen en Vathorst', vastgesteld door de gemeenteraad van Amersfoort op 25 juni 2013.
De locatie kent op dit moment de bestemming 'agrarisch met waarden – slagenlandschap met perceel begroeiing'. Dit betekent dat het terrein is bestemd voor een boerenbedrijf waarbij het landschap met landbouwgrond in stroken (slagen) behouden blijft. Net als de aanwezige natuur en eventuele cultuurhistorische onderdelen (zoals bijvoorbeeld het slagenlandschap). In de afbeelding hieronder is het terrein waar Skaeve Huse op komt, rood gearceerd.
Figuur 4: Uitsnede tijdelijk omgevingsplan 'Hooglanderveen en Vathorst (Bron: Omgevingsloket)
Waarom het omgevingsplan moet worden gewijzigd
Om dit plan te realiseren moet worden afgeweken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan 'Hooglanderveen en Vathorst' geldend op de locatie. Artikel 5.1 van het tijdelijke omgevingsplan geeft het volgende aan:
“De voor 'Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsrandbegroeiing' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
met dien verstande dat voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen Amersfoort zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag.”
Het is niet mogelijk om woonunits, zoals de Skaeve Huse, te realiseren op een locatie met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsrandbegroeiing'. Aanvullend ligt de locatie binnen een geurzone. Het is niet mogelijk om woningen of andere gevoelige functies te realiseren binnen de geurzone, zolang het bedrijf dat de geurzone veroorzaakt nog in dienst is. In hoofdstuk 4.7 wordt gemotiveerd waarom deze geurzone verwijderd kan worden.
Voor de realisatie van de Skaeve Huse is dus een wijziging nodig van het omgevingsplan waarmee de geldende agrarische bestemming wordt gewijzigd en de geurzone wordt aangepast. Aangezien de gemeente op dit moment nog niet de mogelijkheden heeft om het omgevingsplan te wijzigingen volgens de nieuwe Standaard voor officiële publicaties (STOP) en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD), is een TAM Omgevingsplan nodig (Tijdelijke Alternatieve Maatregel). Met een TAM omgevingsplan kunnen we het omgevingsplan met de huidige softwaretechniek wijzigen en bekend maken, volgens de eisen van de Omgevingswet. Om aan te tonen dat deze wijziging mogelijk is, worden er verschillende onderzoeken uitgevoerd die aantonen dat het mogelijk is om de Skaeve Huse op deze locatie te realiseren en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Er komen acht vrijstaande woonunits voor maximaal 10 bewoners en een beheerdersunit. Al deze gebouwen worden ingepast in het bestaande landschap. Hierbij is er sprake van woonunits van 30-50m2 met een brandalarm, robuuste (stevig en ongevoeilig voor diverse invloeden) uitvoering en units die goed schoon te houden zijn. De woonunits bestaan uit een begane grond met een plat dak en worden dus 1-laags. Skaeve Huse zijn eenvoudige, kleine woonunits met een eigen keukentje, douche en toilet. De woningen komen op 5 meter afstand van elkaar te liggen. De beheerdersunit komt vlakbij de entree. De woonunits vormen samen een ensemble. Wat betekent dat de omliggende gronden het open karakter behouden van het gebied. Hiermee blijft er een bufferstrook rondom de Skaeve Huse die het open zicht behouden.
De positionering van de woonunits zijn zodanig geplaatst dat de privacy tussen de bewoners onderling ook zo veel mogelijk wordt gewaarborgd. Zo kunnen bewoners vanuit hun woonunits niet bij elkaar naar binnen kunnen kijken door de positie van gevelopeningen in de woonunits. Verder komt er groene aanplant op het terrein. Om de privacy te bevorderen, zorgt dit groen voor afscherming van het terrein ten opzichte van de omgeving.
Figuur 5: Impressie foto Skaeve Huse (Bron: ontwerpboek Hodes)
In het ontwerp blijven de bestaande bomen en struiken zoveel mogelijk staan. De bomen en struiken rondom het plangebied zorgen voor natuurlijke verblijfplaatsen van diverse dieren. Het project zorgt hiermee voor een verbetering aan biodiversiteit en hoogwaardig groen, ten opzichte van het huidige landschap.
Verder worden de woonunits passend in het landschap geplaatst door ze in een paar groepjes te zetten die met elkaar de uitstraling hebben van een 'boerenerf'. Er komt daarnaast extra groen om de woonunits af te schermen van de omliggende omgeving voor de leefkwaliteit en privacy van de bewoners. Het perceel wordt groen omringd met een hek, rijtje bomen en struiken en sluiten we aan op de groenstructuur en inrichting van de open omgeving.
Hiermee is het in lijn met het omliggende open slagenlandschap. Een slagenlandschap wordt gekenmerkt als een landschap met veel strokenverkaveling. Wat kenmerkend is voor agrarische gebieden. Met de uitstraling van een erfensemble wordt ook rekening gehouden met de agrarische omgeving. Aanvullend is er sprake van niet meer dan 2% verharding op de locatie buiten de beheerders- en woonunits.
De woonunits zijn te bereiken via de huidige Palestinaweg Oost. Omnia Wonen zorgt voor voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Parkeren
Vanwege de aard van de doelgroep is de mobiliteitsbehoefte van deze mensen zeer beperkt. Hierdoor beschikken bewoners in principe niet over een eigen auto. De parkeerbehoefte bij dit type woning wordt vooral veroorzaakt door zorgverleners en is daarom te vergelijken met de categorie verpleeg- en verzorgingstehuis. De parkeernorm van dit type woning is 0,5 parkeerplaatsen per woning. Om die reden is deze parkeernorm ook voor dit type woning als uitgangspunt genomen.
Het project betreft de realisatie van in totaal 8 woonunits. Met een parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen per woning wordt een parkeereis gesteld van 4 parkeerplaatsen.
Ontsluiting
De huidige toegangsweg naar de Skaeve Huse komt van de Palestinaweg-Oost. Deze wordt behouden en er wordt hiernaar een toerit gerealiseerd op het terrein. Aanvullend is er gekeken naar een extra toegangsweg in de buurt voor de huidige bewoners. Deze wordt gerealiseerd voor de woningen aan de Palestinaweg Oost 7 en 9.
Figuur 6: Nieuwe situatie toegangsweg
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek
Gezien de aard en omvang van het project is de NOVI niet specifiek van belang. Desalniettemin draagt deze ontwikkeling bij aan een aantal nationale belangen. Met het initiatief wordt er specifiek ruimte gegeven aan een doelgroep die meer moeite heeft met het vinden van een woning. Het planvoornemen is van beperkte omvang waardoor er geen strijdigheden zijn met Rijksbelangen.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:
Planspecifiek
Het is van belang om bij de wijziging van het omgevingsplan te bezien of de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast. Dat hangt af van de vraag of wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij kleinschalige ontwikkelingen is niet altijd sprake van verstedelijking. De grens van een stedelijke ontwikkeling ligt voor woningbouw op 12 woningen, zo blijkt uit jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL: RVS:2015:2921, r.o. 4.3.). Er worden maximaal acht vrijstaande woonunits en een beheerdersunit gerealiseerd waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
Het plan betreft geen stedelijke ontwikkeling en de ladder van duurzame verstedelijking hoeft niet te worden doorlopen. De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor het mogelijk maken van het Skaeve Huse project is in overeenstemming met het rijksbeleid.
In de Omgevingsvisie provincie Utrecht geeft de provincie aan dat de ruimte in de provincie beperkt is, terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema's geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
Figuur 7: Beleidsthema's Omgevingsvisie Provincie Utrecht (Bron: Omgevingsvisie Provincie Utrecht)
Slim combineren
Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers.
Slim concentreren
Slim concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. Door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie.
Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie
De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek
In de omgevingsvisie wordt er onder andere nadruk gelegd op ruimte voor wonen en leven. Waarbij een specifiek punt is dat eenieder in de provincie Utrecht een woning moet kunnen vinden die past bij de persoonlijke voorkeur, gezinssituatie en portemonnee. Waarbij gestreefd wordt naar een inclusieve samenleving, bijvoorbeeld door menging van typen woningen en woonmilieus in stadsdelen, wijken en kernen.
Door middel van dit initiatief wordt invulling gegeven aan het ideaal van een inclusieve samenleving waarbij er een woning is voor iedereen. Het idee van een inclusieve samenleving is dat alle mensen uit alle doelgroepen kunnen meedoen in de samenleving. Het Skaeve Huse concept past hier goed in aangezien er nadruk is om mensen te betrekking die juist buiten de samenleving zijn gevallen.
Aanvullend is er ook rekening gehouden met Groen Groeit Mee. Het programma Groen Groeit Mee brengt en houdt verstedelijking en groen in de provincie Utrecht in balans. De provincie geeft aan dat groen evenwichtig moet meegroeien met de woningbouw bij uitleglocaties boven de vijftig woningen. Bij deze uitleglocaties moet het plan getoetst worden aan de handreiking 'Groen bij uitbreidingslocaties'. Bij dit initiatief betreft het de realisatie van 8 woonunits en is de handreiking groen bij uitbreidingslocaties niet van toepassing.
Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de Omgevingsverordening en Programma's.
Omgevingsverordening
In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico's uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo'n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden.
Programma's
Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma's. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma 'wonen en werken'. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen.
Planspecifiek
Met betrekking tot dit plan zijn de instructieregels van artikel 9.11 van de omgevingsverordening provincie Utrecht van toepassing. Deze instructieregel ziet op de functiewijziging van (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar een stedelijke functie (anders dan wonen). De Skaeve Huse vallen onder dit artikel omdat de woonunits gedefinieerd kunnen worden als kleinschalige woonzorgaccommodatie. De provincie definieert een kleinschalige woonzorgvoorzieningen als een kleinschalige woonaccommodatie ten behoeve van zorgvragers met mogelijkheden voor zorg en dagactiviteiten voor ongeveer 25 zorgvragers. Bij deze ontwikkeling worden woonzorgvoorzieningen gerealiseerd voor maximaal 10 personen.
In artikel 9.11 van de Omgevingsverordening is onder andere bepaald dat:
1. een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het landelijk gebied kan regels bevatten die toestaan dat op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bedrijfswoning en overige bedrijfsgebouwen een stedelijke functie, niet zijnde wonen, krijgen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:
Op voorliggend perceel en het perceel aan de overkant van de weg stonden agrarische bedrijfsgebouwen die niet meer in gebruik waren. Ter compensatie van de realisatie van de Skaeve Huse zijn deze gesloopt. Waarbij rekening gehouden is met de eis om minimaal 50% van de bebouwing te slopen. Bij dit specifieke initiatief hoeft hier overigens niet ook aan te worden voldaan omdat het om een kleinschalige woonzorgaccommodatie betreft t waarbij 8 Skaeve Huse woonunits worden gerealiseerd en 1 begeleidersunit.. De gesloopte bouwwerken hadden geen historische waardevolle of karakteristieke bebouwing.
De woonunits worden compact ingericht binnen het perceel waarbij rekening is gehouden met wat afstand tussen de units, voor de privacy van toekomstige bewoners. Ook zijn de woonunits compact ingericht om rekening te houden met het karakteristieke open landschap (zie hoofdstuk 2.2 met betrekking tot landschap. De omliggende agrarische bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering (zie hoofdstuk 4.3).
Conclusie
De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor het mogelijk maken van het Skaeve Huse project is in overeenstemming met het provinciale beleid.
De Omgevingsvisie Amersfoort 2030-2040 is een aanvulling op de Structuurvisie Amersfoort 2030 (2013). Er is de afgelopen jaren veel veranderd in Amersfoort en de komende jaren zal er nog veel meer veranderen. De stad groeit omdat het voor veel mensen een aantrekkelijke plek is om te wonen, te werken en te recreëren. Vanwege economische ontwikkelingen, klimaatverandering en energietransitie zal de stad op verschillende plekken ingrijpend aangepakt moeten worden. De visie en strategie zijn samen met de ambities en doelen voor het beleid voor de fysieke leefomgeving vertaald in zes integrale ontwikkelopgaven:
1. Een groene stad in een groene omgeving die water omarmt
Gezond samenleven betekent een stad met voldoende ruimte voor water en groen en een robuust en goed functionerend natuurlijk systeem. Een groene stad in een groene omgeving biedt ruimte voor ontspanning, recreëren, ontmoeten en gezond bewegen. Een gezonde leefomgeving levert een positieve bijdrage aan een gezonde leefstijl, aan sociale cohesie in wijken en een gezonde leefomgeving met ruimte voor rust, stilte en schone lucht. In deze omgeving is er ook ruimte voor de intrinsieke waarde van natuur. We versterken de biodiversiteit met voldoende en goed verbonden water en groen voor mensen en dieren. Om te komen tot een duurzame, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving zijn water en bodem zoveel mogelijk leidend bij de inrichting van de (openbare) ruimte.
De omgevingsvisie beschrijft een aantal deelopgaven om het bovenstaande te bewerkstelligen:
2. Een duurzame CO2-neutrale stad
Er wordt gekozen voor hernieuwbare energie en materialen. Gezond samenleven betekent minder broeikasgassen uitstoten en werken aan schone lucht. Dit draagt bij aan de gezondheid en het welzijn van mensen en dieren. Als we de opwarming van de aarde willen beperken, zullen we moeten veranderen. Dit vraagt een transitie in hoe we naar zaken kijken, hoe we gewend zijn beslissingen te nemen en hoe we ons gedragen. In de toekomst willen we een circulaire stad zijn die niet meer bijdraagt aan de CO2-uitstoot. We hebben als doel om in 2030 minimaal 55% CO2 te reduceren en in 2050 100 % CO2-neutraal te zijn. Om deze doelstelling te realiseren, zal er voldoende hernieuwbare elektriciteit en duurzame warmte gerealiseerd en gebruikt moeten worden. Daarnaast is een betrouwbare, robuuste infrastructuur van groot belang om de stijgende en veranderde vraag naar energie te kunnen faciliteren. Er vindt in de komende jaren een steeds grotere verschuiving van centraal gestuurde energieoplossingen naar decentrale en lokale initiatieven plaats. Ook is het nodig om grondstoffen in kringloop te houden en afval zo hoogwaardig in de kringloop terug te brengen. Hiervoor is het goed scheiden en inzamelen van stoffen cruciaal. We zorgen voor een inclusieve en zo snel mogelijke transitie van ons energiesysteem en onze omgang met grondstoffen. Hiervoor kijken we per opgave en per situatie naar de beste rol voor de gemeente om zo effectief mogelijk te zijn. Dit gaat van mogelijk maken in regelgeving tot stimuleren tot aan regie nemen en exploiteren.
Om het bovenstaande te realiseren zijn een aantal deelopgaven opgesteld.
3. Een stad met een duurzame mobiliteit
Amersfoort is in de toekomst een bereikbare en leefbare stad die actieve mobiliteit (lopen en fietsen) en openbaar vervoer omarmt. Nabijheid is het sleutelwoord. Door verschillende functies compact en gemengd te bouwen langs levensaders en op centraal gelegen, goed toegankelijke ontmoetingsplekken, in de directe nabijheid van voorzieningen en openbaar vervoersknooppunten, stimuleren we actieve mobiliteit en het gebruik van openbaar vervoer en beperken we de noodzaak van verplaatsingen met de auto. Om de stad bereikbaar en leefbaar te houden, zetten we ook op systeemniveau in op lopen en fietsen, vervolgens het openbaar vervoer, daarna MaaS en deelmobiliteit en als laatste het gebruik van de privéauto. Om deze omslag te bereiken, zetten we ook parkeerregulering in. Dit leidt samen tot een beter leefklimaat en een lagere parkeerbehoefte, waardoor meer ruimte ontstaat voor groen en klimaatadaptatie en meer ruimte om te verblijven en gezond te bewegen. Door de fietsers meer ruimte te bieden en het doorgaande autoverkeer door het centrum en door de wijken zoveel mogelijk te beperken, wordt ingezet op de verandering in de keuze van vervoerswijze. Het verstedelijkingsconcept van levensaders en ontmoetingsplekken draagt hieraan bij. Een aantal deelopgaven zijn opgesteld:
4. Een inclusieve en aantrekkelijke stad om in te wonen
Amersfoort biedt een thuis voor iedereen en we kiezen gezond groeien met voldoende diversiteit. Gezond samenleven betekent dat alle mensen een thuis hebben en zich thuis voelen. Dat geldt voor bestaande inwoners en het grote aantal woningzoekenden. De stad groeit zodat iedereen een thuis kan hebben. Prettig wonen – je thuis voelen – gaat naast het hebben van een betaalbare en passende woning ook over een gezonde leefomgeving en hoe mensen samenleven. Veel verschillende mensen kunnen hier naast en met elkaar leven, waarbij iedereen zichzelf kan zijn en zich verbonden kan voelen. De deelopgaven zijn als volgt opgesteld:
Gezond groeien en leefbare wijken. Denk aan de nieuwbouw van voldoende woningen, het bouwen aan een compacte stad, inbreiden boven uitbreiden, het aantrekkelijker maken van de bestaande wijken en kansen benutten bij bestaande woningen. Passende ouderenhuisvesting en wonen met zorg. Er wordt gelet op beter passend woonaanbod voor ouderen en zorg en voorzieningen dichter bij huis. Een thuis voor iedereen. Betaalbaar wonen voor lage en middeninkomens. Voldoende variate van soorten woningen en ruimte voor vernieuwende woonvormen.
5. Een stad met een veelzijdige en veerkrachtige economie
Het aantal arbeidsplaatsen dient mee te groeien met het aantal inwoners en de economie dient een bijdrage te leveren aan een duurzame, circulaire, inclusieve, gezonde en leefbare stad. Amersfoort is in de toekomst een stad met een veelzijdige economie met werkgelegenheid die goed aansluit bij de kwaliteiten en behoefte van onze eigen inwoners. Met economische activiteiten die bijdragen aan de levendigheid en aantrekkelijkheid van de stad, een hoog voorzieningenniveau én ondernemers die met innovatieve oplossingen bijdragen aan het eerlijk, duurzaam en toekomstbestendig maken van de stad. De uitdaging is om in de verdichtende stad de groeiende ruimtebehoefte voor bedrijven en voorzieningen te faciliteren. De ruimtebehoefte van bedrijven dient zoveel mogelijk in de bestaande stad te worden opgevangen. Dit vraagt om zorgvuldig ruimtegebruik. Daarom dienen duidelijke kaders helderheid te scheppen voor wat het economisch perspectief is voor bedrijvigheid in de stad. Bedrijventerreinen en kantorenlocaties spelen een belangrijke rol bij het huisvesten van Amersfoortse bedrijven. Maar ook het 'werken in de wijk', de binnenstad en de verschillende winkel/recreatiegebieden zijn belangrijk voor bedrijvigheid en werkgelegenheid.
Er zijn deelopgaven opgesteld die het bovenstaande kunnen versterken.
6. Een stad waarin voorzieningen meegroeien
De voorzieningen dienen mee te groeien met de groei van het aantal inwoners. Maatschappelijke voorzieningen hebben een belangrijke rol als ontmoetingsplekken in de stad. In een stad met een groeiend aantal inwoners, groeit ook de vraag naar voorzieningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in stedelijke voorzieningen en voorzieningen op buurt- of wijkniveau. De groeiende groep senioren en inwoners met een beperking zorgt voor een extra vraag naar cultuur, recreatie, dienstverlening en zorg. Door de groeiende groep kinderen en jongeren stijgt de behoefte aan onderwijs, opvang en ruimte voor sport en spel. De veranderende vraag naar voorzieningen zal niet overal in de stad gelijk zijn. De deelopgaven zijn als volgt geformuleerd:
Planspecifiek
Zoals benoemd in de Omgevingsvisie heeft de gemeente de ambitie om van Amersfoort een inclusieve en aantrekkelijke stad om te wonen te maken. Dit wordt toegelicht in de ontwikkelopgave 'Een inclusieve en aantrekkelijke stad om in te wonen'. In deze ontwikkelopgave wordt gezond samenleven benoemd. Gezond samenleven betekent dat alle mensen een thuis hebben en zich thuis voelen. Hierbij wordt er ook gekeken naar de sociale huursector en specifiek naar kwetsbare groepen met een beperkte zelfredzaamheid. Hiervoor is maatwerk nodig. Bij dit initiatief wordt er geholpen om voor een deel van een kwetsbare groep mensen een woning te realiseren dat specifiek is ingericht op het individu. Waarbij er aandacht is om een omgeving te creëren met weinig prikkels in de omgeving voor de individuen. Hierdoor wordt de kans op overlast gereduceerd. Door de focus op gezond samenleven is dit initiatief in lijn met de omgevingsvisie.
Conclusie
Het initiatief past binnen de Omgevingsvisie van de gemeente Amersfoort.
Op 28 mei 2019 heeft de gemeenteraad van Amersfoort het Deltaplan Wonen vastgesteld. Dit plan bevat een uitbreiding en aanscherping van de strategie sociale woningbouw. Het woonbeleid is erop gericht dat er voldoende, betaalbare en passende woningen worden gebouwd. Amersfoort wil de lange wachtlijsten voor woningzoekenden oplossen en zorgen dat ook inwoners met een kleinere portemonnee nu en in de toekomst een woning kunnen kopen of huren. Tot 2030 zet Amersfoort daarom in op een groei van 1.000 woningen per jaar, zoals is vastgesteld in het Deltaplan Wonen. Het aandeel binnenstedelijke groei van de 1.000 woningen per jaar is 70%. In totaal worden in de projecten Langs Eem en Spoor tussen de 4.000 en 5.000 woningen gebouwd, tot 2030. Dat betekent dat er in hoge dichtheid gebouwd gaat worden. Vanuit het Deltaplan wordt middels beleid en maatregelen niet alleen gefocust op betaalbare woningen, maar ook op speciale doelgroepen.
Planspecifiek
De komende jaren is er een grote extra behoefte aan sociale huurwoningen voor mensen die moeten uitstromen uit een zorginstelling of de maatschappelijke opvang. Dit is het gevolg van Rijksbeleid (extramuralisering). Companen heeft in 2018 voor het Programma Wonen en Zorg berekend dat er voor kwetsbare doelgroepen met een zorgbehoefte de komende jaren jaarlijks ongeveer 200-250 zelfstandige woningen nodig zijn. Deze kwetsbare doelgroepen zijn, net als veel reguliere huurders, grotendeels aangewezen op sociale huurwoningen tot de eerste aftoppingsgrens en voor een klein deel duurdere sociale huurwoningen of vrije sector huur- of koopwoningen.
Zonder aanvullende maatregelen kan op korte termijn niet worden voldaan aan deze huisvestingsvraag. Ook zien we een toenemend aantal crisissituaties waarbij mensen met spoed een woonruimte nodig hebben of anders op straat of op zorgplekken terechtkomen (dit is overigens breder dan alleen mensen met een zorgbehoefte). Daarom heeft in ons beleid en de aanpak van sociale huurwoningen deze doelgroep prioriteit. Voor een integrale aanpak werken we met partijen aan een uitvoeringsprogramma Wonen en Zorg en we nemen diverse maatregelen specifiek voor deze doelgroep. Zo maken we met corporaties maatwerk afspraken over betaalbaar en passend aanbod. We werken aan tijdelijke woningen, onzelfstandige woningen en geclusterde woonconcepten als tussenstap naar zelfstandig wonen. En op verschillende manieren passen we regels voor woonruimteverdeling aan zodat kwetsbare doelgroepen meer voorrang krijgen en/of met meer maatwerk aan een passende woning kunnen komen.
Met de realisatie van de Skaeve Huse wordt invulling gegeven aan dit beleid. Hiermee wordt er aandacht gegeven aan een kwetsbare bevolkingsgroep en wordt er gezorgd voor een passende woonomgeving voor deze mensen en wordt er aandacht gegeven voor de sociale leefbaarheid voor buurten waar op dit moment relatief veel kwetsbare doelgroepen worden gehuisvest.
Op 8 november 2016 heeft de gemeenteraad van Amersfoort de 'Groenvisie Amersfoort 2030' vastgesteld. Met de groenvisie wil de gemeente de kwaliteit van de groenstructuur verbeteren. De groenvisie benadrukt dat Amersfoort een groene stad is, maar dat meer groen van belang is. De doelen van de groenvisie worden aan de hand van een aantal thema's verwoord:
Groencompensatiebeleid
Aan de hand van de groenvisie heeft de raad van Amersfoort op 31 mei 2022 het Groencompensatiebeleid vastgesteld. Ruimtelijke plannen die niet passen in het geldende bestemmingplan dienen getoetst te worden aan het groencompensatiebeleid. De toetsing bestaat uit een stappenplan dat de initiatiefnemer dient te doorlopen. Bij de beoordeling worden er aan vier aspecten getoetst, namelijk, omgeving, bomen, gebouw en verblijf.
Planspecifiek
Het initiatief is getoetst op het groencompensatiebeleid van de gemeente Amersfoort. Het initiatief wordt gezien als een kleinschalig project.
Het initiatief scoort zeer positief op het aspect bomen. Het huidige plangebied heeft geen bomen en bij dit initiatief worden er 25 nieuwe bomen geplant. Om aan het aspect gebouw te voldoen is de beheerdersunit ingericht als een groen dak met sedum, waardoor er wordt voldaan een de eisen voor natuurinclusief bouwen. Verder wordt de toegevoegde verharding gecompenseerd door kwalitatief beter groen. Waarbij er een toenname is aan kruiden- en faunarijk grasland. Door al deze maatregelen is er voldoende sprake van groencompensatie bij de ontwikkeling van het plan.
Op 5 juli 2016 is de 'Ontwikkelingsvisie Over de Laak' door de gemeenteraad vastgesteld. Deze visie is de eerste stap om te komen tot een groen-recreatief gebied aan de noordzijde van het riviertje de Laak. Het gehele gebied Over de Laak is circa 145 hectare. De Ontwikkelingsvisie richt zich op de gronden (36 hectare) die in eigendom zijn van de gemeente en beschrijft de mogelijke toekomstige invulling van drie gebieden: 't Hammetje, Speelpolder en Waterrijk. Ook komen er nieuwe routes om te fietsen en te wandelen. De ontwikkelingsvisie beperkt zich tot de gronden in 'Over de Laak' die in bezit zijn van de gemeente Amersfoort.
Planspecifiek
Het vertrekpunt voor de groene, recreatieve inrichting van het hele gebied Vathorst-Noord blijft ongewijzigd met de komst van Skaeve Huse.
Aangezien de gronden van de Skaeve Huse niet in gemeentelijk eigendom is valt het buiten de ontwikkelingsvisie 'Over de Laak'. Wel is de locatie in figuur 7 aangegeven, zie het rood omcirkelde gele vlakje. De Skaeve Huse-locatie ligt op 200 meter afstand van het recreatiegebied 't Hammetje en ligt aan één van de toegangswegen. De zorgmanagers van Kwintes en Leger des Heils geven aan dat Skaeve Huse bewoners weinig tot geen last zullen hebben van bezoekers die over de toegangsweg naar het recreatiegebied gaan. En bezoekers van het recreatiegebied zullen vanwege de afstand geen overlast ervaren van Skaeve Huse-bewoners waardoor zij ontspannen kunnen recreëren.
Figuur 8: Groene, recreatieve ontwikkeling gemeentelijk gebieden Over de Laak met
de locatie van de Skaeve Huse toegevoegd.
Het coalitieakkoord is een akkoord tussen de regerende partijen van Amersfoort. Hierin worden de ambities van de huidige coalitie vastgelegd waarbij het doel is om deze ambities te verwezenlijken. De ambities worden in vier punten samengevat. Dit zijn:
Planspecifiek
Eén van de ambities is 'een thuis voor iedereen. Hierbij staat in het coalitieakkoord dat opvang en huisvesting hand in hand gaan. De opgave voor het huisvesten van kwetsbare groepen is onverminderd groot in Amersfoort. Een woningmarkt die onder druk staat helpt daarin niet mee. Mensen die dak - of thuisloos raken moeten goed worden opvangen. Om doorstroming te bevorderen en herstel te bespoedigen wordt de maatschappelijke opvang anders ingericht. Daarnaast is een groep inwoners vanwege hun complexe problematiek langdurig dakloos, omdat ze moeizaam in buurten plaatsbaar zijn of omdat ze niet in de opvang terecht kunnen. Voor hen wil de gemeente de juiste huisvesting realiseren. Waarbij aan wordt gegeven dat het belangrijk is dat mensen met een psychische kwetsbaarheid zo veel mogelijk mee kunnen doen in de samenleving. Daarvoor is sluitend aanbod nodig. Het concept van de Skaeve Huse wordt als een van de mogelijke opties gegeven voor de huisvesting voor inwoners met complexe problematieken. Hiermee is het initiatief in lijn met het coalitieakkoord.
De milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een mer is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit mer Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Een mer-beoordeling bestaat uit 2 verplichte stappen:
De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
Planspecifiek
De mer-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag, de gemeente Amersfoort, om te bepalen of als gevolg van het voorgenomen project mogelijk aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. In deze aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere mer-procedure nodig is.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn er op twee aspecten potentiële effecten te verwachten in dit gebied. De realisatie van het initiatief heeft potentiële effecten op het leefgebied van de haas en de bunzing. Deze worden beide verder toegelicht in hoofdstuk 4.5 natuur. Met de haas en de bunzing kan rekening worden gehouden zolang er verplichtingen zijn aan de werkzaamheden. Om met de haas en de bunzing rekening te houden zal een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit nodig zijn. Dit geeft echter geen aanleiding voor een verdere milieu-effect rapportage. De mer aanmeldnotitie is toegevoed als bijlage 9 in de onderbouwing
Conclusie
Het project brengt milieueffecten met zich mee, maar gezien het feit dat er mitigerende maatregelen worden getroffen en een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, waarin deze mitigerende maatregelen worden opgenomen als voorschrift, worden deze milieueffecten als niet aanzienlijk beschouwd. De mer aanmeldnotitie toont aan dat een verdere mer onderzoek niet nodig is.
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema's geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema's. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
Planspecifiek
Duurzaamheid
Amersfoort werkt aan een toekomstbestendige en duurzame stad. Nieuwe ontwikkelingen zijn bij uitstek een kans om daaraan te werken. De regel in Amersfoort is dat nieuwbouw energieneutraal is (evenveel energie opwekt als het gebruikt) en circulair wordt gebouwd (van hergebruikte materialen of van materialen die later te hergebruiken zijn). Daarnaast moeten nieuwe plannen klimaatbestendig zijn (hittestress en verdroging voorkomen).
Bij dit initiatief gaat het om een permanente locatie met sobere, duurzame woonunits. Deze woonunits voldoen aan de BENG eisen. Een belangrijke eis is dat de woonunits robuust en duurzaam zijn. Dit werkt door in het ontwerp van de woonunits en de materiaalkeuze. Waarbij er bij het materiaal gebruik is gekeken naar circulariteit en recyclen. Dit betekent onder andere dat de wanden en daken worden gebouwd met 100% recyclebaar materiaal. Ook worden de units gerealiseerd in een productiehal zodat ze afgeleverd kunnen worden op locatie. Door het op deze manier te doen worden onder andere bouwafval en transportbewegingen beperkt.
Energievoorziening: De woonunits worden voorzien van een lucht-water warmtepomp, met actieve koeling en vloerverwarming. MV-box (mechanische ventilatie) met CO2 sensor.
Waterbeheer: Er is nauwelijks risico op overstroming. De voorgestelde hoogte van de vloeren is zo hoog, dat bij hevige neerslag geen zodanig schade ontstaat, dat bewoning niet meer mogelijk zou zijn. Ook bij droogte zijn er geen risico's. Een wadi (sloot) in het gebied zorgt voor voldoende afvoer van het regenwater. De woningen hebben relatief beperkte openingen en dit heeft een gunstig effect op de binnentemperatuur.
Groenbeheer: De bomen en struiken rondom het plangebied zorgen voor natuurlijke verblijfplaatsen van diverse dieren. Het project draagt daarmee zeker bij aan biodiversiteit en hoogwaardig groen (ten opzichte van het landschap dat er was).
Vuil- en afvalstoffeninzameling: Met de ROVA is afgestemd hoe we vuil- en grondstoffen inzamelen. Hiervoor gebruiken we twee (cocon) containers voor restafval en papier op het terrein van Skaeve Huse, vlakbij de ingang.
Gezondheid
Om de gezondheidsaspecten goed af te stemmen is dit initiatief voorgelegd bij de GGD. Hierbij is onder andere advies ontvangen met betrekking tot geluid, geur en lucht. Waarbij gekeken is naar de nabij gelegen pluimveehouderij en de A28. De advies van de GGD wordt verder besproken in de respectievelijke hoofdstukken geluid, geur en luchtkwaliteit.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande wordt geconcluseerd dat het plan voldoet aan de eisen die worden gesteld met betrekking tot duurzaamheid en gezondheid.
Voor dit initiatief is een woonzorgplan opgesteld. Door het opvolgen van het woonzorgplan wordt een veilige omgeving voor zowel de toekomstige bewoners van Skaeve Huse als voor de bestaande woningen die in de buurt liggen van dit project gecreëerd. Dit woonzorgplan is getoetst doormiddel van een second opinion van Breuer en Intraval. De second opinion is van belang om aan te tonen dat het woonzorgplan deugd en rekening houdt met alle te verwachten risico's. Hierbij is er onder andere gekeken naar andere al gerealiseerde Skaeve Huse projecten in Nederland en of het woonzorgplan voldoende aansluit bij deze vorm van wonen.
De combinatie van zorgvuldige selectie van toekomstige bewoners, het woonzorgplan met onder andere de huisregels zorgen samen voor een samenhangende aanpak. Door proactieve begeleiding van de bewoners wordt ook preventief gewerkt aan het zoveel mogelijk voorkomen van incidenten.
Geconcludeerd kan worden dat met genoemde maatregelen een veilige omgeving wordt gecreëerd en gehandhaafd voor de toekomstige bewoners van de Skaeve Huse, de nabije bewoners en de recreanten. Het woonzorplan is toegevoegd als bijlage 1. De second opinion is opgenomen als bijlage 11.
Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
De locatie zal hoofdzakelijk worden bezocht door de gebruiks van de Skaeve Huse en de beheerders. Hierdoor is er sprake van een lage verkeersgeneratie. De weg waaraan het perceel ligt kan hiermee de groeiende verkeersgeneratie voldoende opvangen voor dit plan.
Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Planspecifiek
Het project betreft de realisatie van in totaal 8 woonunits. Deze woningen hebben een parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen. Bij dit initiatief worden vier parkeerplekken op eigen terrein gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de parkeereis.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande wordt er voldaan aan de verkeers- en parkeersaspecten.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffing verlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan.
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn.
De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek
Soortenbescherming
Voor het plan is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage 2). De onderzoeksresultaten van dit onderzoek hebben aangetoond dat niet uit te sluiten is dat de bunzing, das, haas, hermelijn, konijn, levendbarende hagedis en de wezel gebruik maken van het terrein als mogelijke verblijfplaats. Op basis van deze uitkomst is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3).
Op basis van het ecologisch onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken.
In verband met de aanwezigheid van legers van de haas en de mogelijke aanwezigheid van de bunzing dient een omgevingsvergunning voor Flora en Fauna activiteit aangevraagd te worden. Deze vergunning wordt aangevraagd parallel aan het proces van de bouwvergunning.
Aanvullend zijn voor beide mitigerende maatregelen nodig. Allereerst moet ten alle tijden de zorgplicht in acht genomen worden. Dit houdt in dat er zoveel mogelijk gewerkt wordt tussen zonsopkomt en zonsondergang, gerichte lichtbronnen worden gebruikt, het gebruik van lichtbronnen zoveel mogelijk voorkomen wordt na zonsondergang, voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied controleren op beschermde soorten en controleren op broedende vogels als gewerkt wordt tijdens het broedseizoen. De eisen met betrekking tot zorgplicht worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Verder dienen de groenstroken en de greppels intact te blijven vanwege de aanwezigheid van de haas. Van belang is dat tijdens werkzaamheden de verblijfplaatsen en wegkruipmogelijkheden niet worden verstoord. Dit laatste aspect wordt meegenomen bij de vergunningaanvraag voor de Flora en Fauna activiteit.
Van de steenmarter zijn geen verblijfmogelijkheden aangetroffen. Deze soort gebruikt de onderzoekslocatie enkel als foerageergebied waarbij voornamelijk de groenstrook gebruikt wordt. De groenstrook dient in stand te worden gehouden vanwege de aanwezigheid van de haas. Door deze eerder genoemde maatregelen op te nemen voor het behoud van de groenstrook wordt er voldoende rekening gehouden met de steenmarter.
Met de mitigerende maatregelen is het aannemelijk dat het plan uitvoerbaar is met betrekking tot soortenbescherming. Waarbij er eisen worden opgenomen in het plan ter bescherming van de haas en voor de marter en maatregelen worden genomen tijdens de werkzaamheden. Aanvullend wordt de bovengenoemde omgevingsvergunning aangevraagd bij de provincie Utrecht.
Houtopstanden
Op de onderzoekslocatie worden geen bomen gekapt. De bescherming van houtopstanden uit de Omgevingswet is niet van toepassing.
Conclusie
Door het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, door het behouden van de groenstroken en de greppels en door het opnemen van de eisen van de zorgplicht in de omgevingsvergunning voor de realisatie van de Skaeve Huse wordt er voldoende rekening gehouden met natuur en ecologie bij de uitvoering en realisatie van het plan.
De luchtkwaliteit in Nederland is de afgelopen jaren verbeterd, maar veroorzaakt nog steeds veel schade aan de gezondheid. Luchtverontreiniging veroorzaak en verergert aandoeningen aan luchtwegen en longen (inclusief longkanker) en aandoeningen aan hart en bloedvaten. Iedereen kan ziek worden maar kinderen, ouderen en mensen met luchtweg- of hart- en vaataandoeningen zijn extra gevoelig en lopen een hoger risico. Blootstelling aan luchtverontreiniging veroorzaakt ook vroegtijdige sterfte.
Een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit is vereist als een activiteit onder andere leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Het bevoegd gezag toetst de vergunningaanvraag aan de omgevingswaarden. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging.
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3 . Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Planspecifiek
Voor dit plan is een rapport luchtkwaliteit opgesteld (zie bijlage 4). De planontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 8 woonunits. Het plan valt hiermee binnen de gestelde NIBM grenzen voor woningbouwlocaties. Daarmee is aannemelijk gemaakt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Hiermee voldoet het plan aan de milieukwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
Aanvullend zijn er ter hoogte van de beoordelingspunten geen overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het aantal overschrijdingen van de daggemiddelden is voor deze locatie berekend op 6 keer per jaar, ruim onder de grenswaarde van 35 keer per jaar. Ook is het berekende jaargemiddelde van 16,4 ìg/m3 ruim onder de grenswaarde van 40 ìg/m3. Ook aan de
EU-grenswaarde van 20 ìg/m3 wordt voldaan. Aan de WHO-advieswaarde van 15 ìg/m3 wordt niet voldaan. Dat hier niet aan wordt voldaan, komt met name door de achtergrondconcentratie van 15,7 ìg/m3. Uit de luchtkwaliteitsberekeningen blijkt dat ter hoogte van het plangebied ruim wordt voldaan aan de grenswaarden van fijnstof (PM10) uit de Omgevingswet. Ook aan de EU-grenswaarde van 20 ìg/m3 wordt voldaan. Aan de WHO-advieswaarde van 15 ìg/m3 wordt niet voldaan, maar dit komt vooral door de achtergrondconcentratie die al hoger is dan de WHO-advieswaarde. De gemeente Amersfoort heeft geen toetsingskader voor de beoordeling van de luchtkwaliteit in relatie tot een goede ruimtelijke ordening. Wel heeft de gemeente Amersfoort het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend, waarna de doelstelling in de Omgevingsvisie is geformuleerd om 50% gezondheidswinst te behalen ten opzichte van 2016.
Aanvullend adviseert de GGD met betrekking tot een gezonde luchtkwaliteit een minimumafstand tot een drukke weg of een snelweg. Waarbij de volgende minimum afstanden worden aangeven:
- Snelweg: ten minste 150 meter
- Drukke weg buiten de bebouwde kom: ten minste 50 meter
- Drukke weg binnen de bebouwde kom: ten minste 25 meter:
Dit initiatief is op meer dan 150 meter afstand van de dichtstbijzijnde snelweg (de A28) en voldoet hiermee aan de minimum afstand die de GGD adviseert.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande voldoet het plan aan de eisen die worden gesteld met betrekking tot luchtkwaliteit en zijn geen aanvullende eisen nodig.
Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen kan het gebeuren dat gewasbeschermingsmiddelen onbedoeld in de lucht of op de grond terechtkomen. Dit wordt ook wel een drift genoemd. Om risico's voor de gezondheid te voorkomen is het nodig een spuitzone te hebben. Een spuitzone wordt ook wel spuitvrijezone genoemd, waarbij het verboden is om binnen dit gebied gewasbestrijdingsmiddelen te gebruiken.
Planspecifiek
De directe omgeving is bestemd als 'agrarisch met waarden – Slagenlandschap met perceelsbegroeiing'. Hierbij is de mogelijkheid voor eigenaren van deze gronden om het perceel te gebruiken voor het verbouwen van gewassen. Hierbij kan er sprake zijn van het gebruik van pesticide. Op dit moment worden de percelen niet zodanig gebruikt, maar de planologische mogelijkheden geven hier ruimte voor. De woonunits zijn een gevoelige activiteit omdat er gewoond zal worden. Ter bescherming van de bewoners van het Skaeve Huse project wordt een zogenaamde spuitzone opgelegd. In deze zone is het verboden om binnen 50 meter van een gevoelige activiteit met pesticiden te sproeien. Dit wordt vertaald in een regel waarin het niet mogelijk zal zijn om gebruik te maken van gewasbeschermingen binnen 50 meter van de Skaeve Huse.
Conclusie
Rond 50 meter van de Woonunits wordt een spuitzone opgelegd. Dit wordt gedaan ter bescherming van de toekomstige inwoners van de Skaeve Huse. Dit is van belang omdat de Skaeve Huse een gevoelige activiteit is. Door het opleggen van de spuitzone is het niet mogelijk om binnen 50 meter van de woonunits met pesticiden te sproeien. Dit is afgestemd met de grondeigenaren. Hiermee wordt de gevoelige activiteit voldoende beschermd en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De regels voor geluid zijn opgenomen in het omgevingsplan van Amersfoort (bruidsschatregels) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Gebouwen met een woonfunctie zijn geluidgevoelige gebouwen op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en dienen getoetst te worden aan de standaard- en grenswaarden die in het Bkl zijn vastgelegd voor geluidbelasting door verkeerswegen. Voor agrarische bedrijven gelden de geluidnormen uit het Omgevingsplan van de gemeente Amersfoort.
Planspecifiek
Bij dit plan worden 8 woningen en een beheerdersunit gerealiseerd volgens het Skaeve Huse principe. De 8 woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen waarbij het van belang is dat deze gebouwen geen significant nadeel ondervinden van geluidshinder. Om dit te controleren is er een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting van nabijgelegen gemeentewegen, de rijksweg A28 en twee agrarische bedrijven gelegen op de Palestinaweg 3 en Palestinaweg Oost 7-9. Het akoestisch onderzoek wegverkeer en bedrijven is te vinden in bijlage 5 van deze onderbouwing.
Uit de resultaten voor wegverkeerslawaai blijkt dat er wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB die geldt voor de gemeentewegen. Aanvullende maatregelen zijn hier niet nodig.
Er wordt echter niet voldaan aan de standaardwaarde van maximaal 50 dB die geldt voor de rijkswegen volgens de rijksregels. Wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 60dB die staat in de concept geluidsregels van de gemeente Amersfoort waarbij moet worden voldaan aan een paar voorwaarden. Deze geluidvoorwaarden houden in dat wanneer de geluidbelasting voor wegen tussen de 53 en 60 dB ligt, er tenminste 1 geluidluwe gevel aanwezig is en tenminste 1 slaapkamer aan geluidluwe gevel is gesitueerd. Daarnaast dient een geluidluwe (gemeenschappelijke) buitenruimte aanwezig te zijn en mag het gecumuleerde geluid niet hoger zijn dan 65 dB.
Het gezamenlijk en het gecumuleerde geluid van alle bronnen bij elkaar bedraagt in voorliggend project maximaal 60 dB. Alle gevels binnen de geluidaandachtsgebieden dienen voldoende geluidisolatie te bevatten om het geluid binnen de woningen voldoende laag te houden. Dit betreft toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) onder de Omgevingswet. De benodigde gevelisolatie van de woningen dient te worden bepaald op basis van het uiteindelijk optredende gezamenlijke geluid. Het gezamenlijk geluid dient maximaal 60dB te zijn en dit zal worden vastgelegd in het omgevingsplan. In figuur 8 is het maximale gezamenlijk geluid per woning aangegeven. Verdere aanvullende geluidmaatregelen voor de rijksweg A28 worden als niet doelmatig beschouwd, vanwege de afstand van de woningen tot de rijksweg en het beperkte aantal geplande woningen.
Uit de resultaten voor industrielawaai blijkt dat de vergunningvoorschriften voor het bedrijf Palestinaweg Oost 7-9 gelden ter plaatse van de woningen van derden. De afstand van de woningen in het plangebied tot het bedrijf Palestinaweg Oost 7-9, is groter dan de afstand van die voormalige woning tot het bedrijf. De omgevingsvergunning voor het bedrijf is sinds 2016 niet gewijzigd, dus er zijn geen extra bedrijfsactiviteiten bij gekomen. Daarnaast zal in de toekomst de ontsluiting van het bedrijf omgelegd worden. Dit zal de situatie ter plaatse van de woningen binnen het plangebied verbeteren. De nieuwe woningen zullen geen beperking vormen voor de bedrijfsactiviteiten van het agrarisch bedrijf en zij daarmee inpasbaar.
Figuur 9: Gezamenlijk geluid ter hoogte van de beoogde woningen. (bron Akoestisch onderzoek wegverkeer en bedrijven Skaeve Huse; d.d. 27-02-2025)
Conclusie
Rekening houden met het bovenstaande voldoet het plan aan de eisen die worden gesteld met betrekking tot geluid. Hierbij dient gezamenlijk geluid van max van 60dB te worden vastgelegd in de regels van voorliggend omgevingsplan voor de locatie en dient er tenminste 1 slaapkamer te worden gerealiseerd aan de geluidluwe kant van de gevels van de woonunits.
Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 van het Bkl.
Planspecifiek
Met Skaeve Huse worden woonunits mogelijk gemaakt. Dit zijn geurgevoelige objecten, waarvoor bij het wijzigen van het omgevingsplan onderzocht moet worden of voor Skaeve Huse kan worden voldaan aan een goed woon- en verblijfsklimaat. Daarnaast moet worden vastgesteld of het plan niemand onevenredig raakt. Dit heeft betrekking op bedrijven in de omgeving. Omdat nieuwe geurgevoelige objecten niet mogelijk zijn op grond van het vigerende omgevingsplan moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat voldoet aan de eisen die vanuit geur worden gesteld en dat de (agrarische) bedrijven in de omgeving niet onevenredig worden benadeeld.
Uit het geuronderzoek (bijlage 6) blijkt dat het plangebied niet binnen de minimum afstandsnormen of binnen de geurcontour van 14 oue/m3 van de omliggende veehouderijen valt. Er worden hiermee met de planontwikkeling geen geurgevoelige objecten gerealiseerd binnen de minimum afstandsnormen of geurcontouren. Met de realisatie van het plan worden de omliggende veehouderijen daarmee ook niet belemmerd in de bedrijfsvoering.
Figuur 10: Kwaliteit achtergrondbelasting, planlocatie rood omkaderd (bron
geuronderzoek)
Binnen het plangebied bedraagt de voorgrondbelasting 2,6 oue/m3. Dit geeft binnen het plangebied een hinderpercentage tussen de 5 en 10%, dit betekent dat de milieukwaliteit in de klasse 'goed' valt. In het algemeen kan dit worden gezien als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij voldoet het niet alleen aan de normen van Amersfoort maar ook de normen van de GGD die een maximum voorgrondbelasting van 5,0 oue/m3 hanteert.
Geitenhouderij
Aanvullend ligt er een geitenhouderij in de gemeente Nijkerk op ongeveer 1 kilometer afstand. De GGD heeft vanwege de gerezen 'geitenhouderijen problematiek' in Brabant waar veel geitenveehouderijen dicht op elkaar voorkomen - een advies uitgebracht waarbij een richtafstand van 1 km wordt aangehouden tot gevoelige bestemmingen (zoals woningen, verzogingshuizen, kinderopvang en scholen).
Dit betreft geen wettelijke norm maar een gezondheidsadvies van de GGD. De geitenhouderij aan de Bunschoterweg 48 is een solitair bedrijf en de huidige afstand tot Skaeve Huse bedraagt circa 930/1004 (zie figuur 11) meter. Met deze afstand voldoen we nagenoeg aan de richtafstand van de GGD. Het verschil in genoemde meters valt te verklaren dat er geen indicatie wordt gegeven vanaf welk meetpunt moet worden gemeten (bijvoorbeeld vanaf de emissiebron, het agrarisch bouwvlak of grens van het bouwvlak).
Verder is van belang dat de locatie van Skaeve Huse niet in de dominante windrichting van de betreffende geitenhouderij ligt. De vaak gehanteerde cirkel van 1 km houdt namelijk geen rekening met lokale weersinvloeden of windrichtingen. Het geuronderzoek in bijlage 6 van de onderbouwing onderstreept dit ook, waarbij de milieukwalitet van locatie in de klasse 'goed' valt.
Tot slot blijkt uit het advies van de GGD wel duidelijk dat hoe groter de afstand, hoe kleiner de 'extra' kans op het krijgen van longontsteking is. De toekomstige bewoners van Skaeve Huse behoren niet tot de extra kwetsbare groep zoals kinderen, ouderen en mensen met onderliggende gezondheidsproblemen (longaandoeningen, hart- en vaatziekten). De locatie ligt hiermee op geruime afstand vande geitenhouderij en uit de gedane onderzoeken blijkt niet dat de toekomstige bewoners op dit gebied een verhoogd gezondheidsrisico oplopen.
Figuur 11: Straal van 1004,37 meter, gemeten vanaf de geitenhouderij aan de Bunschoterweg 48 (Bron gemeente Nijkerk).
Conclusie
Op basis van bovenstaande zijn er op het gebied van geurhinder en veehouderij geen belemmeringen om de toekomstige plannen.
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Aandachtsgebieden
De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Plaatsgebonden risico
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde 'in acht worden genomen'. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan 'rekening gehouden worden'. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
Planspecifiek
Plaatsgebonden risico
Om de externe veiligheid te controleren is een onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). In dit onderzoek wordt aangegeven dat nabij het plangebied de A28 en de buisleidingen A-510 en W-500-1 liggen. Voor de A28 geldt een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van 20 meter. Dit volgt uit de Regeling Basisnet. Het PR wordt, volgens artikel 14, lid 4 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, gemeten vanaf de middenberm van de weg. De A28 ligt op ongeveer 300 meter ten oosten van het plangebied. Het PR van de A28 reikt daarmee niet over het plangebied en vormt dus géén belemmering voor het gewenste plan.
Voor de buisleidingen A-510-01 en W-500-01 geldt geen PR 10-6 contour. De PR 10-6 contour van W-500-01 is berekend en deze is uitgekomen op de buisleiding zelf. Op onderstaande figuur is een blauw gebied te zien rechts bovenin: de PR 10-6 contour van A-510-01. De PR 10-6 contour vormt geen belemmering voor het plangebied, omdat de grens- én richtwaarde niet overschreden wordt.
Voor de buisleidingen A-510-01 en W-500-01 zijn PRcontouren van 1 op de 100 miljoen (verder: PR 10-8) vastgesteld. Op de Atlas leefomgeving kaart zijn deze PR 10-8 contouren weergegeven met een groene stippellijn. Op onderstaande figuur is te zien dat het beoogde plan binnen de PR 10-8 contour valt. Aangezien het plangebied binnen de PR 10-8 contour van beide buisleidingen ligt is het advies om bouwkundige maatregelen aan de woonunits toe te passen. Dit zorgt ervoor dat toekomstige bewoners binnenshuis voldoende worden beschermd tegen de vrijkomende warmtestraling bij een mogelijke fakkelbrand. Deze maatregelen volgen uit artikel 4.91 tot en met 4.95 van het Bbl.
De PR 10-6 aandachtgebied van de beide leidingen en de A28 vormen geen belemmering voor het initiatief. Op basis van de plaatsgebonden risico kan het initiatief gerealiseerd worden met de eerder genoemden voorwaarden met betrekking tot de PR 10-8 contouren.
Figuur 12: Plaatsgebonden risico contouren buisleidingen
Aandachtsgebieden
De beoogde locatie van de Skaeve Huse valt gedeeltelijk binnen het gifwolkaandachtsgebied en ligt binnen de brandaandachtsgebieden van de buisleidingen A-510-1 en W-500-01. Voor de leiding A-510-01 worden bouwkundige maatregelen toegepast op basis van artikel 4.91 - 4.95 van het Bbl. Voor W-500-01 wordt ingezet op het minimaliseren van het restrisico, door de woonunits preventief te ontruimen bij graaf- of onderhoudswerkzaamheden bij of aan deze buisleidingen.
Verantwoording groepsrisico
Omdat de beoogde locatie van de Skaeve Huse gedeeltelijk binnen het gifwolkaandachtsgebied en binnen het brandaandachtsgebieden van de buisleidingen A-510-1 en W-500-01 valt, dient er een verantwoording te worden genomen van het groepsrisico. Daarom worden de volgende maatregelen genomen om het groepsrisico te beperken.
Door het nemen van de bovenstaande maatregelen wordt er voldoenden rekening gehouden met de verantwoording van het groepsrisico.
Conclusie
Het projectgebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van de A28 en in de nabijheid van twee hogedruk aardgasleidingen. Het is verplicht een voorschriftengebied aan te wijzen als er sprake is van zeer kwetsbare gebouwen binnen een aandachtsgebied, zoals een ziekenhuis of kinderdagverblijf. Daar is in dit geval geen sprake van en daardoor zijn de effecten te overzien. Doormiddel van het opnemen van de bovengenoemde maatregelen wordt er voldoende rekening gehouden met het aspect omgevingsveiligheid.
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal).
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek
Archeologie
Het initiatief bevindt zich op een locatie met een lage tot middelhoge archeologische verwachting. Dit vertaalt zich in het tijdelijke omgevingsplan tot de regels die gelden voor archeologie categorie 3 en 4. Om deze reden is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd middels 6 boringen. In één van de boringen is een diepgaande verstoring gevonden. Dit betekent dat een aanvullend vervolgonderzoek nodig is in de vorm van een inventariserend veldonderzoek middels proeflsleuven. Op 3 november is dit aanvullende onderzoek uitgevoerd conform het programma van eisen. Dit onderzoek heeft geen aanleiding getoond voor een vervolgonderzoek waarbij het plan met betrekking tot archeologie akkoord is. Dit besluit wordt opgenomen bij het verlenen van de vergunning en is te zien in bijlage 12 van deze toelichting.
Figuur 13: Archeologische beleidskaart
Cultuurhistorie
Er zijn geen monumentale waarden in of nabij het plangebied aanwezig. Daarnaast zijn er geen cultuurhistorische aspecten aanwezig in de nabijheid van het plangebied. Het projectgebied bevindt zich wel in een gebied waar de landschappelijke waarden behouden moeten worden. De landschappelijke waarden worden niet aangetast, de perceelsbegroeiing blijft behouden.
Conclusie
Naar aanleiding van het veldonderzoek is er geen reden om aan te nemen dat er archeologische waarden te vinden zijn op de projectlocatie. Op het gebied van archeologie zijn de benodigde onderzoeken gedaan en is het plan akkoord. Wel zal er een meldingsplicht in de vergunning worden opgenomen, conform artikel 5.10 van de Erfgoedswet.
Met betrekking tot cultuurhistorie blijft de perceelsbegroeiing behouden en wordt daardoor de landschappelijke waarden van het gebied niet aangetast. Verder zijn er geen cultuurhistorische of monumentale aspecten om en nabij het plangebied.
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Planspecifiek
In het kader van de aanvraag Omgevingsvergunning en de geplande graafactiviteiten dient een verkennend bodemonderzoek cf. NEN 5740 te worden uitgevoerd. Op 5 december 2024 is dit verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8). Hierbij is het doel van het onderzoek om de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de locatie aan te tonen. Waarbij aangetoond moet worden dat de bodem van de locatie vanuit milieuhygiënische eisen acceptabel is voor wonen.
Op basis van de resultaten van het voorliggend onderzoek gelden voor de voorgenomen graafwerkzaamheden, bij meer dan 25 m3 bodemvolume, de inhoudelijke regels uit de milieubelastende activiteit (MBA) uit paragraaf 4.119 van de Besluit activiteiten leefomgeving (“Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde”). De grond aan de voorzijde van de voormalige schuur (B09) dient gescheiden ontgraven te worden van grond op het overige deel van het terrein. Dit vanwege de verschillen in kwaliteitsklassen (Wonen versus Landbouw/natuur).
De uitvoerende instantie – initiatiefnemer dient minimaal één week voor aanvang van de graafwerkzaamheden informatie te verschaffen aan het bevoegd gezag, middels een melding via het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet).
De grond voldoet aan de maximale kwaliteitsklasse 'Wonen'; deze klasse sluit aan bij het toekomstige gebruik van het perceel (woonunits). Vervolgonderzoek vanuit de Omgevingswet is derhalve niet noodzakelijk.
Aanvullend is er een onderzoek gedaan naar asbest in de grond. Dit is van belang vanwege de voormalige schuur met een asbestdak. In geen van de onderzochte inspoelzones nabij de schuur is asbest aangetoond. Wel is plaatselijk in de vrijkomende grond aan de voorzijde van de voormalige schuur asbest aangetoond. In gat BG09 is een gewogen asbestgehalte van 17 mg/kg ds aangetoond. Aangezien het gehalte asbest kleiner is dan de interventiewaarde gedeeld door een factor 2 (50 mg/kg d.s) geldt geen noodzaak tot nader asbestonderzoek. Het is statistisch aannemelijk (vanwege de worst-case benadering op gat-niveau) dat de interventiewaarde voor asbest niet zal worden overschreden.
Conclusie
De conclusie uit het bodemonderzoek zijn afgestemd met de RUD. De conclusies uit het bodemonderzoek worden meegenomen bij de vergunningaanvraag. Waarbij aangetoond is dat het grond voldoet aan de maximale kwaliteitsklasse 'Wonen' en de bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van het initiatief.
Gezien de nieuwe functie van het perceel, zal deze naar verwachting niet leiden tot een verslechtering van de bodemkwaliteit en daarmee geen aanzienlijk milieueffect hebben.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Europese Kaderrichtlijn Water (2000)
De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; verbetering van emissies; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.
Nationaal Water Programma 2022-2027
In het Nationaal Water Programma (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma is vastgesteld in 2021 en anticipeert op de Omgevingswet. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Voor de periode 2022-2027, maar ook verder vooruit. Doel is werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het Nationaal Waterprogramma is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021.
Bodem- en waterprogramma 2022-2027
Het Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 (hierna BWP) is vastgesteld in 2021. Hierin zijn de ambities voor bodem en water uit de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht uitgewerkt. Onderdeel van het programma is het wettelijke verplichte Regionaal Waterplan onder de Waterwet. Het plan voldoet aan de eisen van een Regionaal Waterprogramma volgens de Omgevingswet.
In het BWP wordt uitvoering gegeven aan vier verplichte Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Ook actuele thema's, zoals omgaan met toenemende periodes van droogte en wateroverlast, en toenemende drukte in de ondergrond, zijn onderdeel van het BWP. Verder wordt beschreven wat de relatie is met andere provinciale beleidsthema's of programma's. Het programma is een vervolg op het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021.
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027
In het Waterbeheerprogramma 2016-2021 geeft Waterschap Vallei en Veluwe inzicht in de doelen en maatregelen die het waterschap in deze periode van zes jaar gaat bereiken. De maatregelen zijn hierin op hoofdlijnen beschreven. Dit plan is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied. Het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) is eind 2021 vastgesteld en is de opvolger van het waterbeheerprogramma. Het BOP is de gebiedsgerichte doorvertaling van de BOVI2050. Het BOP is het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. Het BOP is resultaatsverplichtend en zelfbindend. Voor het Eemland zijn gebiedsdoelen/-programma's vastgesteld. Deze laten zien waar het waterschap voor staat t.a.v. waterveiligheid en schoon en voldoende oppervlaktewater.
Watervisie gemeente Amersfoort 2021-2040
De watervisie is het kader voor integraal en duurzaam waterbeheer in Amersfoort. De ambitie is dat Amersfoort een gezonde, groene stad is met mogelijkheden om te groeien. Een goede waterhuishouding is elementair voor een afgewogen inrichting en beheer. Ook speelt een goede waterhuishouding een belangrijke rol in (recreatief) gebruik, economie, cultuurhistorie, groenblauwe structuren, biodiversiteit en toekomstbestendige (klimaat)oplossingen. Het klimaat verandert, er ligt een grote binnenstedelijke woningbouwopgave en het gebruik van de openbare ruimte zal intensiveren. Daarom zijn extra inspanningen nodig op het gebied van het waterbeheer om de stad leefbaar te houden. Met name bij nieuwe ontwikkelingen liggen hiervoor kansen. Daarbij wil de gemeente Amersfoort om kunnen gaan met de gevolgen van klimaatverandering en de natuur meer kansen geven. Amersfoort hanteert voor de duurzame ontwikkeling van nieuwbouwplannen het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw. Specifiek voor water zijn aanvullende uitgangspunten opgesteld (Uitgangspunten Klimaatadaptief Bouwen, dec. '23).
Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2031
In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is beschreven hoe de gemeente de komende jaren invulling geeft aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Centraal doel is het behouden en versterken van een vitale en gezonde leefomgeving. Het inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt is een taak van de gemeente. Daarnaast treft de gemeente op doelmatige wijze maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater. De uitvoering van deze taken zoveel mogelijk aansluitend bij de natuurlijke situatie en in verbinding met andere maatschappelijke opgaven. In het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig is. Op basis van het GRP zijn maatregelen benoemd om regenwateroverlast tot een acceptabel niveau te beperken. De uitvoering van is zo mogelijk gekoppeld aan andere ontwikkelingen in de stad.
Omgevingsprogramma Groen-Blauw 2040
Uitgangspunt van het programma Groen-Blauw 2040 (vastgesteld jan. '24) is een groene stad in een groene omgeving die water omarmt. In het omgevingsprogramma zijn duidelijke afspraken vastgesteld hoe groen te behouden en te laten meegroeien. Zo kan Amersfoort een groene en gezonde gemeente zijn en blijven.
Weging van het waterbelang
Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor watersystemen en moeten de betrokken bestuursorganen worden betrokken.
De initiatiefnemer heeft op 16 september 2025 het wateradvies www.hetwateradvies.nl ingevuld. Het Waterschap Vallei en Veluwe is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen.
Planspecifiek
Huidige situatie
Oppervlaktewater
Het perceel ligt in het beheergebied van Waterschap Vallei en Veluwe binnen peilgebied GPG_1743 met een minimum peil van NAP-0,7 en een maximum peil van NAP-0,5m. Het perceel is aan alle zijden omringd door C-watergangen die afwateren in westelijke en vervolgens noordelijke richting.
Figuur 14: Afwatering van hemelwater
Afvalwater
Aan de Palestinaweg-Oost ligt een persriool. De persriool in het gebied is eigendom van de gemeente Nijkerk.
Hemelwater
Het terrein is onverhard. Hemelwater infiltreert in de bodem en stroomt af naar omliggende watergangen. De kans op water op straat is klein.
Grondwater
Er is geen grondwaterpeilbuis in of nabij het plangebied. Schatting op basis van verder gelegen peilbuizen en grondwatermodellen geeft een grondwaterstand tussen de 30 en 80 cm beneden maaiveld.
Waterveiligheid
Ten zuidwesten van het perceel ligt watergang De Laak met een dijk met een beschermingszone. Het plangebied ligt buiten deze beschermingszone.
Het maaiveld ligt tussen NAP+1,4m en NAP+2,2m. Volgens de overstromingrisicokaart is er door deze hoge ligging geen overstromingsrisico.
Figuur 15: Uitsnede overstromingsrisicokaart
Toekomstige situatie
Oppervlaktewater
In de toekomstige situatie blijven de omliggende c-watergangen behouden. Er wordt geen nieuw water gegraven.
Afvalwater
Afvalwater wordt gescheiden van regenwater opgevangen en afgevoerd. Er komt een pompput op de kavel waar de woningen met vrijvervalleidingen op aansluiten. Vanaf de pompput wordt aangesloten op het huidige persriool aan de Palestinaweg-Oost van gemeente Nijkerk.
Hemelwater
In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe. Hemelwater wordt gescheiden van het vuilwater opgevangen en afgevoerd. Er wordt op het perceel dat zorgt voor voldoende berging en vertraagde afvoer/infiltratie van het regenwater. Dit wordt vormgegeven met een wadi. De voorgestelde hoogte van de vloeren is zo hoog, dat bij hevige neerslag geen zodanige schade ontstaat, dat bewoning niet meer mogelijk zou zijn.
Grondwater
Het grondwaterpeil ligt dicht onder maaiveld dus de ontwatering is relatief klein. Met name op de laaggelegen delen. Om grondwateroverlast te voorkomen is daarom ophoging benodigd.
Waterveiligheid
Het plangebied ligt niet in een overstroombaar gebied. Er zijn daardoor geen maatregelen nodig tegen overstroming.
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen
De gemeente Amersfoort heeft voor de gehele gemeente een vooronderzoek laten uitvoeren naar niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Om te bepalen of er een risico voor explosieven in of rondom het plangebied bestaat is de kaartlaag 'risicokaart niet gesprongen explosieven' op Amersfoort in Beeld geraadpleegd.
Planspecifiek
Het initiatief bevindt zich niet binnen een locatie dat is aangeduid als het hebben van een verhoogd risicoprofiel of als een verdacht gebied. Er is geen reden om aanvullend onderzoek te doen of om voorwaarden op te nemen met betrekking tot explosiegevaar.
Figuur 16: Risicokaart explosieven
Conclusie
Er is geen reden om aan te nemen dat er sprake is van ontplofbare oorlogsresten in de grond. Dit aspect vormt geen belemmering tot het plan en aanvullende voorwaarden hoeven niet genomen te worden.
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
Planspecifiek
Met 2,5 kilometer ligt het projectgebied op ruime afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Arkemheen. Directe effecten zoals ruimtebeslag of lichthinder kunnen omwille van de afstand op voorhand worden uitgesloten. Het gebied Arkemheen is niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Veluwe. Gezien de afstand van dit gebied tot de gemeente Amersfoort, heeft de gemeente Amersfoort beleid vastgesteld waarin wordt aangegeven dat stikstofonderzoek niet nodig is, in het geval van een woningbouwontwikkeling van 60 woningen of minder. Er worden bij dit initiatief minder dan 60 woningen gerealiseerd.
De generieke voortoets van Amersfoort toont in voldoende mate aan dat het initiatief om acht tot tien woonunits te realiseren geen relevante bijdrage levert aan de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het initiatief.
Conclusie
Het plan heeft een zeer beperkte stikstofdepositie. Waarbij het plan ruim onder de waarden zit van de generieke stikstofonderzoek die de gemeente Amersfoort heeft vastgesteld. Het plan is met betrekking tot het aspect stikstof uitvoerbaar.
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie.
Provincie
Vanwege de ligging in het buitengebied van de gemeente Amersfoort is het plan voorgelegd aan de provincie Utrecht. Hierbij heeft de provincie verzocht om een paar van de regels aan te scherpen zodat het meer overeen komt met de provinciale verordening. Waarbij het van belang is dat bij de wijziging in het omgevingsplan de agrarische bedrijvigheid niet meer mogelijk is op de locatie waar de Skaeve Huse komen en is verzocht om het begrip van de Skaeve Huse beter te concretiseren in het Omgevingsplan.
De participatiegids vormt de leidraad voor het communicatie- en participatietraject. In de gids wordt een minimale vorm van participatie gevraagd afhankelijk van het type ontwikkeling. Dit initiatief betreft een 'Meest complexe ontwikkeling' waarbij de stappen zijn doorlopen met betrekking tot dit type ontwikkeling
Participatieproces
Op 20 oktober 2022 heeft de gemeente gesproken met omwonenden en andere belanghebbenden tijdens een inloopbijeenkomst. Dit is gedaan in samenwerking met Omnia Wonen en de zorgaanbieders Kwintes, De Tussenvoorziening en Leger des Heils. Geïnteresseerden zijn geïnformeerd over Skaeve Huse en de uitkomst van de QuickScan over de voorkeurslocatie aan de Palestinaweg Oost 3-5. Deze gesprekken vonden plaats om te horen wat er speelt en leeft onder omwonenden en andere belanghebbenden. Daaruit kwamen veel vragen, opmerkingen en zorgen. Tijdens de bijeenkomst werd ook duidelijk dat een eenduidige en bij voorkeur plenaire bijeenkomst met goede verslaglegging nodig was.
De vragen zijn beantwoord en aangevuld in de QuickScan op www.amersfoort.nl/skaevehuse. Tijdens een plenaire informatiebijeenkomst op 22 februari 2023 zijn, onder leiding van een onafhankelijke gespreksleider, de antwoorden op de vragen toegelicht en werden de vervolgstappen uitgelegd. Alle ontvangen inbreng vanuit deze bijeenkomsten hebben bijgedragen aan de kaderstellende notitie, die vastgesteld is op 30 januari 2024. Hieruit zijn kaders gekomen die vorm hebben gegeven aan de verdere uitwerking van het project. Tijdens de plenaire bijeenkomsten is onder andere veiligheid van omwonenden en de begeleiding van Skaeve Huse-bewoners als belangrijk aangegeven.
Aanvullend is voor dit project een klankbordgroep ingesteld. De klankbordgroep is een groep mensen met verschillende belangen, zorgen, inzichten, ideeën en wensen. Denk aan (direct) omwonenden en organisaties in de omgeving. De klankbordgroep denkt mee en reageert op de plannen, tekeningen en regels die opgesteld worden. Het heeft een raadgevende rol. Onder andere is het woonzorgplan afgestemd met de leden van de klankbordgroep. Hierbij zoekt de gemeente steeds naar de balans tussen het verwerken van de inbreng van alle belanghebbenden en het bewaken van de voortgang en de uitvoerbaarheid van het project. Het aanmelden voor de klankbordgroep kon via skaevehuse@amersfoort.nl.
Op 3 juni 2025 is het uitwerkingsvoorstel vastgesteld. Hierin zijn de laatste kaders van het initiatief vastgesteld. Waarbij onder andere het woonzorgplan en het stedenbouwkundig voorstel zijn afgestemd. Dit uitwerkingsvoorstel, het woonzorgplan en het stedenbouwkundig voorstel zijn als basis gebruikt voor het opstellen van deze onderbouwing.
Stappen participatiegids
Hieronder staat een overzicht van de genomen stappen tijdens het participatieproces:
De procedure tot vaststelling van dit TAM-Omgevingsplan volgt de uitgebreide procedure van de Algemene wet bestuursrecht (Awb, afdeling 3.4). Dat betekent dat de volgende stappen worden doorlopen:
Omdat de coördinatieregeling van toepassing is verklaard kunnen belanghebbenden die over de wijziging van het omgevingsplan of over de omgevingsvergunning al dan niet een zienswijzen hebben ingediend en niet-belanghebbenden die wel een zienswijzen hebben ingediend gedurende zes weken na bekendmaking van het besluit tot wijziging en verlenen een gemotiveerd beroepschrift indienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA, Den Haag.
De omgevingsvergunning wordt verleend door het college van burgemeester en wethouders en de wijziging van het omgevingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Beide besluiten treden in werking vier weken na de bekendmaking. Een eventueel beroep schorst de werking van deze besluiten niet. Daarvoor moet een afzonderlijk verzoek om voorlopige voorziening worden gericht aan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het Publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften zijn mogelijk voor zover ze betrekking hebben op het gebied waar de vergunningaanvraag op ziet én voor zover de voorschriften betrekking hebben op de aangevraagde ontwikkeling.
De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige 'financiële bijdrage gebiedsontwikkeling' worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is art. 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek
De gemeente Amersfoort heeft een Anterieure Overeenkomst (AO) afgesloten met woningcorporatie Omnia Wonen. Deze overeenkomst (AO) regelt de financiële bijdragen en verantwoordelijkheden van beide partijen voor de ontwikkeling van het project.
Daarnaast sluiten de gemeente, Omnia Wonen en de Tussenvoorziening een Samenwerkingsovereenkomst (SOK). Deze overeenkomst legt de afspraken vast over de samenwerking en financiering van de zorg- en ondersteuning voor de bewoners van de Skaeve Huse. Met deze afspraken hebben alle betrokken partijen duidelijkheid over hun financiële verplichtingen en bijdragen.
De voorgenomen ontwikkeling betreft een initiatief waarbij 8 woonunits en één beheerdersunit volgens het Skaeve Huse principe worden gerealiseerd in het buitengebied van de gemeente Amersfoort. Het initiatief is getoetst aan het rijks-, provinciaal-, en gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met dat beleid en in ieder geval niet in strijd is met het beleid.
Daarnaast is het initiatief getoetst op alle relevante aspecten over de fysieke leefomgeving en het milieu. Vanuit deze aspecten komt naar voren dat er geen belemmeringen worden gevormd voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.