direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Skaeve Huse
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0307.TAM013-0301

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van 8 Skaeve Huse woonunits en één begeleidersunit. Voor deze locatie is het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Skaeve Huse als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22p van het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22p.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor

het nummer van de bijlage '22p.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22p. Aanvullend op deze begripsbepalingen gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen:

1.1 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p 'Skaeve Huse' met identificatienummer NL.IMRO.0307.TAM013-0201 van de gemeente Amersfoort.

1.2 Agrarisch bedrijf

Een bedrijf dat geheel of overwegend is gericht op het voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ter verkrijging van plantaardige of dierlijke producten, zoals een weidebouw-, akkerbouw-, pluimvee-, veehouderij-, veemesterij- pelsdierenfokkerij-, fruitteelt-, bloemisterij- en boomkwekerijbedrijf (waaronder mede begrepen tuincentra), niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een champignonkwekerij, een gebruiksgerichte paardenhouderij, een wormenkwekerijof of een volle grond tuinbouwbedrijf.

1.3 Ander bouwwerk

Een bouwwerk, geen gebouw en geen bijbehorende bouwwerk zijnde.

1.4 Begeleidersunit

Een bouwwerk bedoeld voor de begeleiders van de bewoners van de Skaeve Huse woonunits.

1.5 Extensief recreatief medegebruik

Recreatief medegebruik van gronden, zoals fietsen, paardrijden, varen, vissen, wandelen en zwemmen.

1.6 Gewasbeschermingsmiddelen

Gewasbeschermingsmiddel zoals opgenomen in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving.

1.7 Grondgebonden agrarisch bedrijf

Agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten, waarbij de productie geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond als productiemiddel waar het bedrijf over kan beschikken.

1.8 Intensief veehouderijbedrijf

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarin het houden van dieren geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt in gebouwen, waarbij het op biologische wijze houden van dieren, alsmede het op grondgebonden wijze houden van dieren die een substantieel deel van het jaar weidegang hebben, niet wordt aangemerkt als intensieve veehouderij.

1.9 Maatschappelijk-Skaeve Huse

Een bijzondere vorm van begeleid wonen in een prikkelarme woonomgeving voor inwoners van de gemeente Amersfoort die zich niet in een gewone woonomgeving kunnen aanpassen en niet volledig zelfstandig kunnen wonen.

1.10 Nevenactiviteit

een activiteit ondergeschikt aan de hoofdactiviteit.

1.11 Niet-agrarische nevenactiviteiten

Activiteiten die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsactiviteiten op een agrarisch bouwperceel.

1.12 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Amersfoort.

1.13 Skaeve Huse woonunit

Een woonunit bedoeld voor wonen met het Skaeve Huse principe

1.14 Werkingsgebied

Het werkingsgebied begrenst (met coördinaten/geometrie) de juridische werking van de tekst: het duidt aan dat de tekst alleen binnen dit werkingsgebied een juridische werking heeft. Op de digitale verbeelding verwijst het werkingsgebied naar de voormalige terminologie onder de Wro, namelijk bestemming.

Artikel 2 Meet- en rekenvoorschriften

Het bepaalde in artikel 22.28 van het omgevingsplan Amersfoort is van toepassing op de regels in hoofdstuk 22p. Daarnaast gelden de volgende meetbepalingen bij toepassing van de regels.

2.1 afstand tot perceelgrens

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot een bepaalde grens van het erf;

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.3 de dakhelling

De hellingshoek langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.4 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.5 de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.6 de lengte, breedte en de diepte van een bouwwerk

tussen de lijnen, getrokken door de buitenzijde van de gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren;

2.7 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.8 de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken

de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken: bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken worden niet meegerekend (gedeelten van) bijbehorende bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak en/of voor de voorgevelrooilijn, met dien verstande dat erkers, etc. voor de voorgevel niet meetellen bij de berekening van de oppervlakte

Hoofdstuk 2 Integratie omgevingsplan

Artikel 3 Toepassingsbereik

3.1 Geometrische afbakening

De regels in dit plan zijn van toepassing op de locaties waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0307.TAM006-0301, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

3.2 Integratie omgevingsplan gemeente Amersfoort

De regels in dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Skaeve Huse zijn integraal onderdeel van de geconsolideerde versie van het 'Omgevingsplan gemeente Amersfoort' zoals dat is gepubliceerd op de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/home.

3.3 Buitenwerkingstelling eerdere besluiten

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet binnen het werkingsgebied van dit plan.

3.4 Integratie omgevingsplan
3.4.1 Integratie bruidsschat
  • a. De regels in hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het Omgevingsplan gemeente Amersfoort zijn van overeenkomstige toepassing op de locaties in dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p Skaeve Huse.
  • b. Als de regels uit hoofdstuk 22 (zonder lettertoevoeging) van het geconsolideerde versie van het 'Omgevingsplan gemeente Amersfoort' op enig moment een andere plek in de structuur van het 'Omgevingsplan gemeente Amersfoort' krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.

3.4.2 Voorrangsregeling specifieke bepalingen TAM-omgevingsplan

In afwijking van 3.4.1 zijn de geluidsbepalingen in paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan gemeente Amersfoort niet van toepassing, voor zover het bepaalde in dit artikel in strijd is met regels in dit TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 3 Thematische regels

Artikel 4 Algemeen

4.1 Oogmerk

De regels in Hoofdstuk 3 Thematische regels zijn gesteld met het oog op:

  • a. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  • b. het beschermen van natuur;
  • c. het beschermen van de gezondheid
  • d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  • e. het beschermen van archeologische waarden;
  • f. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  • g. het waarborgen van de veiligheid;
  • h. het beschermen van het milieu;
  • i. het beschermen van de kwaliteit van de bodem;
  • j. het beschermen van de Eemkleilaag en het voorkomen van verspreiding grondwaterverontreiniging (horizontaal/verticaal).
4.2 Normadressaat

Aan de regels van Hoofdstuk 3 Thematische regels wordt voldaan door de eigenaar, erfpachter, gebruiker of degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 5 Archeologische waarden

5.1 Toepassingsbereik
  • 1. Deze paragraaf gaat over het verrichten van grondwerkzaamheden en het ophogen van de bodem in het werkingsgebied 'Waarde-Archeologie 3' of 'Waarde-Archeologie 4'
  • 2. Onder de in lid 1 bedoelde grondwerkzaamheden wordt verstaan:
    • a. Het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;
    • b. Het uitgraven van een bouwput en/of funderingssleuven;
    • c. Het omzetten van grasland naar bouwland;
    • d. Het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
    • e. Het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • f. Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
    • g. Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
    • h. Het aanleggen van bos of boomgaard met diepwortelende beplanting;
    • i. Het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
5.2 Vergunningsplicht
  • 1. Het is verboden om in het werkingsgebied 'Waarde-Archeologie-3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten of de bodem op te hogen, als:
    • a. De grondwerkzaamheden dieper zijn dan 30 cm; of
    • b. De bodem met meer dan 30 cm wordt opgehoogd;
    • c. En de oppervlakte van het gebied waarbinnen grondwerkzaamheden en/of ophoging plaatsvindt meer is dan 500m2.

  • 2. Het is verboden om in het werkingsgebied 'Waarde-Archeologie-4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden ter verrichten of de bodem op te hogen, als:
    • a. De grondwerkzaamheden dieper zijn dan 30 cm; of
    • b. De bodem met meer dan 30 cm wordt opgehoogd;
    • c. En de oppervlakte van het gebied waarbinnen grondwerkzaamheden en/of ophoging plaatsvindt meer is dan 10.000m2.
  • 3. Het eerste en tweede lid gelden niet:
    • a. voor grondwerkzaamheden die worden verricht voor vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;
    • b. als er op voorhand door het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
  • 4. In het geval van grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm en/of ophoging van meer dan 30 cm in een gebied waar twee of meer categorieën gelden is de hoogste verwachtingswaarde van toepassing.

5.3 Aanvraagvereisten
  • 1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 5.2 wordt een door het college van burgemeesters en wethouders goedgekeurd archeologisch onderzoeksrapport aangeleverd waaruit blijkt dat de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld.
  • 2. Als het in het eerste lid bedoelde archeologisch onderzoek een proefsleuvenonderzoek of een opgraving is, wordt voorafgaand aan dat onderzoek een archeologisch programma van eisen aangeleverd, waarin nadere regels worden gesteld over het betreffende onderzoek.
  • 3. Voordat het in tweede lid bedoelde archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd, legt de initiatiefnemer een archeologisch plan van aanpak ter goedkeuring voor aan het college van burgemeester en wethouders.

5.4 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 5.2 wordt verleend als:

  • a. archeologische waarden naar het oordeel van het college van burgemeesters en wethouders niet onevenredig worden geschaad; of
  • b. schade door de grondwerkzaamheden en/of ophoging van gronden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen, door het verbinden van vergunningsvoorschriften, als bedoeld in artikel 5.5 vergunningsvoorschriften

5.5 Vergunningvoorschriften

Op grond van de beoordelingsregels als bedoeld in 5.4 onder b kunnen de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van aanvullend onderzoek

Artikel 6 Parkeren

6.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het parkeren bij bouwactiviteiten waarvoor op grond van 9.3 een vergunning nodig is.

6.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 9.3 wordt verleend als ten aanzien van het parkeren wordt voorzien in (de aanleg van) voldoende parkeergelegenheid, zoals vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingsprogramma Mobiliteit 2025 - 2035, en rechtsopvolgende beleidsregels inzake het parkeren zoals die gelden tijdens het indienen van de omgevingsvergunning (zie www.overheid.nl).

6.3 Instandhoudingsplicht

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, is alleen toegestaan zolang de in de 6.2 bedoelde parkeergelegenheid in stand wordt gehouden.

Artikel 7 Gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten

7.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij gevoelige activiteiten in het buitengebied.

De gronden binnen het werkingsgebied 'gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten' zijn mede aangewezen voor de bescherming van de gezondheid van personen op nabijgelegen verblijfslocaties.

7.2 Verbod

Het is verboden om op gronden binnen het werkingsgebied 'gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten' gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.

Hoofdstuk 4 Activiteitgerichte regels

Artikel 8 Algemeen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in Hoofdstuk 4 Activiteitgerichte regels zijn gesteld met het oog op:

  • a. het beschermen en in stand houden van een goed woon- en leefklimaat;
  • b. het in stand houden en beschermen van de groene waarden, natuur en ecologische waarden;
  • c. het beschermen van gezondheid;
  • d. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  • e. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  • f. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  • g. het waarborgen van de veiligheid;
  • h. het beschermen van het milieu.
8.2 Normadressaat

Aan de regels van Hoofdstuk 4 Activiteitgerichte regels wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

8.3 Voorrangsbepaling

In geval van strijdigheden van regels gaan de regels in artikel 17 voor op de regels in de artikelen 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 en 16.

Artikel 9 Bouwen

9.1 Toepassingsbereik

De regels in artikel Hoofdstuk 4 Activiteitgerichte regels zijn van toepassing op het bouwen en in stand houden van gebouwen.

9.2 Anti-dubbeltelbepaling

Grond de eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

9.3 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, tenzij in subparagraaf 22.2.6.2 van het omgevingsplan anders is aangegeven.

9.4 Bouwen ten dienste van gebruik

Het is verboden om een bouwwerk te bouwen voor een gebruiksactiviteit die niet is toegestaan volgens Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten .

Artikel 10 Hoofdgebouw

10.1 Beoordelingsregel algemeen

De omgevingsvergunning als bedoeld in 9.3 wordt voor een hoofdgebouw verleend als wordt voldaan aan de beoordelingsregels in 10.2 tot en met 10.5.

10.2 Bouwvlak

het hoofdgebouw wordt gerealiseerd in het werklingsgebied bouwvlak.

10.3 Bouwhoogte

De maximale bouwhoogte is de ter plaatse van het werkingsgebied 'maximum bouwhoogte (m)' bepaalde waarde.

10.4 Goothoogte

De maximale goothoogte is de ter plaatse van het werkingsgebied 'maximum goothoogte (m)' bepaalde waarde.

10.5 Maximaal aantal bouwlagen

De gebouwen mogen uitsluitend in 1 bouwlaag worden gebouwd;

10.6 Doelmatigheid bedrijfsvoering

Voor gebouwen in het werkingsgebied Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing dienen de gebouwen noodzakelijk te zijn in verband met de doelmatige agrarische bedrijfsvoering ter plaatse. De reeds aanwezige bebouwing wordt betrokken bij de beoordeling van de doelmatigheid.

10.7 Bedrijfswoning

De omgevingsvergunning als bedoeld in 9.3 wordt voor de realisatie van een bedrijfswoning in het werkingsgebied Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing verleend, mits

  • a. de bedrijfswoning uitsluitend binnen het bouwvlak wordt gebouwd;
  • b. de inhoud van een bedrijfswoning niet meer dan 600m3 bedraagt;
  • c. per bouwvlak niet meer dan 1 bedrijfswoning wordt gebouwd.
10.8 Verbod op bouwen kassen

Het is verboden om kassen te bouwen.

Artikel 11 Bijgebouwen

11.1 Beoordelingsregel algemeen

De omgevingsvergunning als bedoeld in 9.3 wordt voor een bijgebouw verleend als wordt voldaan aan de beoordelingseis in 11.2, 11.3 of 11.4.

11.2 Beoordelingsregel bijgebouw Skaeve Huse woonunit

Het is toegestaan om binnen het werkingsgebied Maatschappelijk - Skaeve Huse buiten het bouwvlak 1 bijbehorend bouwwerk te realiseren als:

  • a. het bijbehorende bouwwerk wordt gebouwd bij het hoofdgebouw;
  • b. het bijbehorend bouwwerk op minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn wordt gesitueerd;
  • c. de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk mag niet meer bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
11.3 Beoordelingsregel bijgebouw beheerdersunit

Het is toegestaan om binnen het werkingsgebied Maatschappelijk - Begeleidersunit met de aanduiding 'Berging van beheerdersunit' 1 berging te realiseren als:

  • a. de berging ondergeschikt is aan de beheerdersunit;
  • b. de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk mag niet meer bedragen dan de bouwhoogte van de beheerdserunit.
11.4 Beoordelingsregel bijgebouw bedrijfswoning agrarisch

Het is toegestaan om binnen het werkingsgebied Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing bijgebouwen bij bedrijfswoningen te realiseren als:

  • a. de bijbehorende bouwwerken uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waartoe deze bebouwing behoort, vermeerderd met 0,30 m;
  • c. de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 m;
  • d. de bijbehorende bouwwerken plat worden afgedekt en/of met een dakhelling kleiner dan 45°; indien de dakhelling van het hoofdgebouw groter is dan 45° mogen de bijbehorende bouwwerken een dakhelling overeenkomstig het hoofdgebouw hebben;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken :
    • 1. voor percelen tussen de 0 m2 en 100 m2 bij elke woning niet meer bedraagt dan 20% van de bij de woning behorende kavel, met een maximum van 20m2;
    • 2. voor percelen tussen de 100 m2 en 500 m2 bij elke woning niet meer bedraagt dan 20 m2, vermeerderd met 14% van het meerdere van 100 m2 van de bij de woning behorende kavel, met een maximum van 75 m2;
    • 3. voor percelen groter dan 500 m2 bij elke woning niet meer bedraagt dan 75 m2, vermeerderd met 2,5% van het meerdere van 500 m2 van de bij de woning behorende kavel, met een maximum van 100 m2;
  • f. bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld onder h wordt de oppervlakte van bijbehorende aangebouwde bouwwerken aan de voorzijde niet meegerekend;
  • g. het bouwen van bijbehorende bouwwerken niet tot gevolg heeft dat een stedenbouwkundig onaanvaardbare situatie ontstaat en/of dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden.

Artikel 12 Overige andere bouwwerken

12.1 Beoordelingsregels andere bouwwerken agrarisch

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3 wordt in het werkingsgebied Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing verleend voor;

  • a. het bouwen van andere bouwwerken buiten het bouwvlak tot een maximale hoogte van 1,30 meter;
  • b. het bouw van (kunst)mest- en/of voedersilo's en kuilvoerplaten en -sleuven mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken worden gebouwd;
  • c. het bouwen van palen en masten binnen het bouwvlak tot een maximale hoogte van 8 meter;
  • d. het bouwen van torensilo's binnen het bouwvlak tot een maximale hoogte van 12 meter;
  • e. het bouwen van erf- en perceelsafscheidingen binnen het bouwvlak tot een maximale hoogte van 2 meter;
  • f. het bouwen van overige andere bouwwerken binnen het bouwvlak tot een maximale hoogte van 6 meter;
  • g. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouwd zijnde, in het achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering mits binnen het bouwvlak en tot een maximale hoogte van 2 meter.

Artikel 13 Beoordelingsregels ondergrondse bouwwerken

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3 wordt verleend voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken als:

  • a. deze geheel zijn gelegen onder het maaiveld en geplaatst zijn waar gebouwen zijn toegestaan;
  • b. de gevels van ondergrondse bouwwerken niet zichtbaar zijn;
  • c. het realiseren van ondergrondse bouwwerken geen nadelige invloed heeft op de bodem- en wateruhishouding en op eventuele archeologische waarden.

Artikel 14 Werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden

14.1 Algemeen

Dit artikel gaat over het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde en over het uitvoeren van werkzaamheden.

14.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden algemeen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren in de buitenruimte:

  • a. het aanleggen en verharden of wijzigen van het profiel van wegen en paden, wanneer het niet gaat om normaal beheer en onderhoud;
  • b. het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, wanneer het niet gaat om normaal beheer en onderhoud.
14.3 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in 14.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een situatietekening op schaal van de bestaande en de nieuwe situatie;
  • b. de locatie van de werkzaamheden;
  • c. een beschrijving van de te gebruiken materialen;
  • d. een omschrijven van de werkzaamheden en de effecten daarvan.
14.4 Aanleggen of wijzigen oppervlakteverharding buitenruimte

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 14.2 wordt verleend als;

  • a. de aanwezige oppervlakte aan groen niet minder wordt dan is aangegeven op de Groenkaart; en
  • b. door de werken en/of werkzaamheden de natuurlijke of landschappelijke waarden niet in onevenredige mate worden aangetast;
  • c. op andere wijze verstening wordt voorkomen dan wel waterdoorlatendheid is geregeld.

Artikel 15 Ondergeschikte bouwdelen

De omgevingsvergunning als bedoeld in 9.3 wordt verleend voor het bouwen van ondergschikte bouwdelen als:

  • a. plinten, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen en rookkanalen de bouwgrens met maximaal 0,3 meter overschrijden;
  • b. luifels en overstekende daken de bouwgrens met maximaal 1 meter overschrijden, waarbij bestaande grotere overschrijdingen zijn toegestaan;
  • c. bouwwerken die boven een openbaar voetpad worden aangebracht een minimale doorganshoogte van 2,2 meter hebben;
  • d. bouwwerken die boven een rijbaan worden aangebracht een minimale doorgangshoogte van 4,2 meter hebben.

 

Artikel 16 Bouwactiviteiten met nadere afweging

16.1 Nadere eisen

Voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3 in het werkingsgebied Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing zijn burgemeester en wethouders bevoegd nadere eisen te stellen met betrekking tot de plaats en afmetingen van gebouwen en andere bouwwerken voor:

  • a. een samenhangend bebouwingsbeeld;
  • b. de instandhouding en de bescherming van waarden zoals benoemd in artikel 19.1.
16.2 Overschrijding bouwgrenzen met nadere afweging
  • 1. in afwijking van het bepaald in 10, 11, 12, 13, 14 kunnen burgemeesters en wethouders afwijken, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, abri's, fietsenstallingen, weegbruggen en dienstgebouwtjes voor onderhoud of gebruik van openbaar groen, wegen of speelplaatsen, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de goothoogte niet meer dan 3 meter en de inhoud niet meer dan 50 m3 mag bedragen;
    • b. voor het in geringe mate overschrijden van de grenzen van een aanuiding met ten hoogste 3 meter, mits:
      • dit noodzakelijk is voor de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing; en
      • daardoor de geldende oppervlakte van de bij de afwijking betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt vergroot;
    • c. voor overschrijdingen van eisen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, mits die beperkt blijven tot ten hoogste 10%.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt geweigerd als:
    • a. op enig aangrenzend terrein de realisering van planologische mogelijkheden wordt belemmerd;
    • b. daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • c. daardoor onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld;
    • d. daardoor de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 17 Werkzaamheden nabij buisleiding

17.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat naast het toepassingsbereik zoals beschreven in 9.1 ook over het aanleggen van werken, geen bouwwerk zijnde en over het uitvoeren van werkzaamheden.

17.2 Vergunningplicht
17.2.1 Vergunningplicht bouwwerkzaamheden

Het is verboden om in het werkingsgebied Overig - Gastransportleiding zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 9.3 bouwwerken te bouwen.

17.2.2 Vergunningplicht grondwerkzaamheden

Het is verboden om in het werkingsgebied Overig - Gastransportleiding zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of grondwerkzaamheden uit te voeren. Hierbij wordt verstaan:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage
  • b. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • c. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
  • e. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • f. het aanleggen van bos of boomgaard met diepwortelende beplanting;
  • g. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
17.3 Uitzondering vergunningplicht

Het verbod als bedoeld in 17.2.2 geldt niet voor grondwerkzaamheden:

  • a. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • b. die het normale beheer en onderhoud ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende ativiteit(en) betreffen;
  • c. zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken; die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
17.4 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 17.2.2 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt.

  • a. een situatietekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie en maatvoeringen van de activiteit; en
  • b. een omschrijving van de activiteit en de effecten daarvan.
17.5 Beoordelingsregels
17.5.1 Beoordelingsregels bouwwerkzaamheden

De omgevingsvergunning als bedoeld in 9.3 en 17.2.1 wordt verleend als de beheerder van de gastransportleiding wordt geraadpleegd en instemt met de manier waarop de veiligheid rondom de gastransportleiding is gewaarborgd. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegestaan.

17.5.2 Beoordelingsregels grondwerkzaamheden

De omgevingsvergunning als bedoeld in 17.2 wordt verleend als de beheerder van de gastransportleiding wordt geraadpleegd en instemt met de manier waarop de veiligheid rondom de gastransportleiding is gewaarborgd.

Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten

Artikel 18 Algemeen

18.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk gaat over gebruiksactiviteiten in TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22p Skaeve Huse.

18.2 Oogmerken

De regels in Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

18.3 Normadressaat

Aan de regels van Hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

18.4 Verbod op strijdig gebruik

Het is verboden om andere gebruiksactiviteiten te verrichten op (onbebouwde) gronden en in bouwwerken, dan genoemd in de regels van een gebruiksactiviteit als bedoeld in artikel 19, 20, 21, 22, 23 en 24.

Artikel 19 Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing

19.1 Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing

In het werkingsgebied Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing mogen gronden worden gebruikt voor:

  • a. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven, waarbij per bouwvlak ten hoogste één agrarisch bedrijf is toegestaan;
  • b. het weiden van vee en/of het verbouwen van gewassen (niet in een volkstuin-complex;
  • c. de instandhouding, bescherming en ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het open landschap;
  • d. intensieve veehouderij als neventak is toegestaan, mits de daarvoor aangewende oppervlakte van de bebouwing niet meer bedraagt dan 250 m2, tenzij op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan een grotere oppervlakte aanwezig was, in welk geval de oppervlakte niet meer mag bedragen dan de bedoelde grotere oppervlakte;
  • e. extensief recreatief medegebruik
  • f. de waterhuishouding
  • g. nutsvoorzieningen en kleinschalige infrastructurele voorzieningen
19.2 Verbod op strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. teeltondersteunende voorzieningen;
  • b. paardenbakken en paddocks, buiten de bouwvlakken.
  • c. het gebruik van de gronden binnen de bouwvlakken voor de volgende wijzen van (co-)vergisting van mest, voor zover de capaciteit van de(co-)vergistingsinstallatie minder dan 100.000 kg per dag bedraagt en:
  • d. het bedrijf verwerkt eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe; de co-vergiste mest wordt op tot het bedrijf behorende gronden gebruikt of naar derden afgevoerd;
  • e. het bedrijf verwerkt aangevoerde mest geproduceerd door derden en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe; de co-vergiste mest wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt;
  • f. het leveren van energie die vrijkomt bij het onder a bedoelde proces van co-vergisting;
  • g. het trainen van paarden als nevenactiviteit bij een paardenfokkerij;
19.3 Afwijken van de gebruiksregels
19.3.1 Niet-agrarische nevenactiviteiten

In het werkingsgebied Agrarisch met waarden - Slagenlandschap met perceelsbegroeiing kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van het bepaalde in 19.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het toestaan van de volgende niet-agrarische nevenactiviteiten:

  • a. paardenpension met buitenbak;
  • b. kleinschalig kampeerterrein, met dien verstande dat er geen stacaravans zijn toegestaan;
  • c. horeca van categorie a ten dienste van extensief recreatief medegebruik, met dien verstande dat dit alleen is toegestaan in nabijheid van recreatieve routes;
  • d. sociale dienstverlening, zoals een zorgboerderij of kinderdagverblijf;
  • e. andere niet-agrarische bedrijfs- en andere activiteiten, die in ruimtelijk en functioneel opzicht met de hiervoor genoemde activiteiten gelijk kunnen worden gesteld;


De omgevingsverguning als bedoeld in 19.3.1 wordt verleend als de volgende voorwaarden in acht worden genomen:

  • 1. de agrarische bedrijvigheid is en blijft als hoofdfunctie aanwezig;
  • 2. de oppervlakte van de activiteiten genoemd onder 19.3.1 a, d, en e mag niet meer bedragen dan 300 m² (gebouwen),
  • 3. de oppervlakte van de activiteiten, genoemd onder 19.3.1 c mag niet meer bedragen dan 150 m², gebouwen en onbebouwd (terras) samen;
  • 4. voor de niet-agrarische nevenactiviteiten mogen de bestaande gebouwen, zoals aanwezig op het moment van ter inzage legging van het ontwerp van dit plan, niet worden uitgebreid en er mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd;
  • 5. de activiteiten die niet in gebouwen plaatsvinden (zoals kamperen, parkeren, terras en/of buitenbak) moeten binnen het bestaande bouwvlak plaatsvinden;
  • 6. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • 7. de parkeerbehoefte wordt op eigen terrein en binnen het bestaande bouwvlak opgelost;
  • 8. de activiteiten worden landschappelijk ingepast indien de terreininrichting wordt gewijzigd, wat moet blijken uit een door de aanvrager op te stellen inrichtingsplan;

Artikel 20 Maatschappelijk - Skaeve Huse

20.1 Skaeve Huse

In het werkingsgebied 'Maatschappelijk-Skaeve Huse' mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor wonen in een woonzorgvoorziening volgens het Skaeve Huse principe verdeeld over 8 woonunits om maximaal 10 personen te huisvesten.

20.2 Gezamenlijke geluid

Het gezamenlijk geluid dient maximaal 60dB te zijn en er dient tenminste 1 slaapkamer te worden gerealiseerd aan de geluidluwe kant van de gevels van de woonunits.

20.3 Skaeve Huse - terreininrichting

In het werkingsgebied 'Maatschappelijk-Skaeve Huse' mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bij het wonen behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, groen, fietsparkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water.

Artikel 21 Maatschappelijk - Begeleidersunit

21.1 Begeleidersunit

In het werkingsgebied 'Maatschappelijk – Begeleidersunit' mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de begeleiding van de bewoners van de Skaeve Huse woonunits.

21.2 Begeleidersunit berging

In het werkingsgebied 'Maatschappelijk - Begeleidersunit' mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor een berging ten behoeve van de begeleidersunit. De bouwhoogte van de berging mag niet meer bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

Artikel 22 Verkeer - Verblijfsgebied

22.1 Verblijfsgebied

In het werkingsgebied 'Verblijfsgebied' mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor:

  • a. hoofd)ontsluitingswegen bestaande uit ten hoogste 2 rijstroken;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. in-/uitritten;
  • e. bermen en groenvoorzieningen;
  • f. geluidwerende voorzieningen.
22.2 Verblijfsgebied - parkeren

In de aanduiding 'Verblijfsgebied parkeren' mogen gronden worden gebruikt voor parkeeractiviteiten.

Artikel 23 Groen - Skaeve Huse

23.1 Groen-Skaeve Huse

In het werkingsgebied 'Groen-Skaeve Huse' mogen gronden worden gebruikt voor:

  • a. waterhuishoudkundige voorzieningen, watergangen en -partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of -stroken;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de groenvoorzieningen
  • c. recreatief medegebruik in de vorm van spelen, verblijven en beleven;
  • d. speeltoestellen.
23.2 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 14.2 wordt verleend als wordt voldaan aan een door bevoegd gezag goedgekeurde inrichtingsplan.

23.3 Instandhoudingsplicht

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, is alleen toegestaan zolang de in 23.2 bedoelde groenmaatregelen in stand worden gehouden.

Artikel 24 Overig - Gastransportleiding

24.1 Gastransportleiding

In het werkingsgebied Overig - Gastransportleiding mogen gronden worden gebruikt voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse hogedruk gastransportleidingen (inclusief voorzieningen) met daarbij behorende belemmeringstroken.

24.2 Verbod op strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met Overig - Gastransportleiding, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het opslaan van goederen, met uitzondering het opslaan van goederen t.b.v. van inspectie en onderhoud van de gastransportleiding.
  • b. het wijzigen van het gebruik van bestaande gebouwen, indien daardoor een kwetsbaar object wordt toegelaten.

Hoofdstuk 6 Overgangsrecht

Artikel 25 Overgangsrecht

25.1 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in lid 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Lid 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan

25.2 Overgangsrecht gebouwen
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd of na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 1 met maximaal 10%.
  • 3. Lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat omgevingsplan.