direct naar inhoud van Regels
Plan: Chw bestemmingsplan Vinkenhoef
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0307.BP00180-0301

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.2 aanduidingsvlak

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.3 achtergevel

(oorspronkelijke) gevel aan de achterzijde van een gebouw;

1.4 ander bouwwerk

een bouwwerk, geen gebouw en geen bijbehorende bouwwerk zijnde;

1.5 antenne-installatie

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

1.6 bebouwing

één of meer bouwwerken;

1.7 bebouwingspercentage

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bebouwingsoppervlak geeft;

1.8 bedrijfsgebouw

een niet voor bewoning bestemd gebouw, dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;

1.9 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, welke slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, die duurzaam bij de dagelijkse bedrijfsvoering is betrokken, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein;

1.10 bestaand bouwwerk

een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, danwel omgevingsvergunning;

1.11 bestaand gebruik

gebruik van grond en bouwwerken dat aanwezig is op het moment van inwerkingtreding van het plan;

1.12 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.13 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.14 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.15 Bevi-inrichtingen

Bedrijven zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.16 bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

1.17 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op het perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak;

1.18 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.19 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.20 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitzondering van kelder en ruimten in de kap;

1.21 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.22 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

1.23 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.24 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.25 cultuurhistorische waarde

de waarde, gevormd door de duidelijke herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van bebouwing, nederzetting en/of landschap, in de structuur, de ruimte en de ruimtevormende elementen daarvan;

1.26 erf

al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

1.27 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.28 halfverharding

uit onsamenhangend materiaal bestaande halfverharding van bijvoorbeeld grind, gebroken puin en gebroken natuursteen waardoor de infiltratiecapaciteit wordt bevorderd;

1.29 hoofdgebouw

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.30 kap

constructie ter afdekking van een gebouw waarop de dakbedekking rust, niet zijnde een muur, met ten minste 1 hellend of gebogen vlak;

1.31 kelder

een gedeelte van een gebouw dat aan de bovenzijde wordt afgedekt door de begane grondvloer van datzelfde gebouw, dan wel van een bijbehorend bouwwerk of door het afgewerkte maaiveld, en dat geheel is gelegen onder het afgewerkte maaiveld.

1.32 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie;

1.33 omgevingsvergunning

vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.34 ondergeschikte bouwdelen aan de gevel

bouwkundige elementen aan de gevels van een hoofdgebouw, die geen deel uitmaken van het volume en de massa van het hoofdgebouw en daaraan in omvang ondergeschikt zijn, zoals plinten, pilasters, kozijnen, hemelwaterafvoeren, ventilatiekanalen, rookkanalen, afvoerpijpen, overstekende daken, afdaken, lijstwerk, luifels, antennes en antenne-installaties en andere daarmee gelijk te stellen bouwdelen;

1.35 ondergronds bouwwerk

een (gedeelte) van een bouwwerk dat geheel is gelegen onder maaiveld;

1.36 overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.37 overkapping

een overdekte bebouwde voorziening, die maximaal 2 eigen wanden heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door gebouwen en/of ondersteuningen van het dak;

1.38 pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

1.39 parkeereis

het aantal parkeerplaatsen dat op basis van de in Amersfoort geldende parkeernormen nodig is voor een ruimtelijke ontwikkeling;

1.40 peil
  • a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. voor de overige gebouwen: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat direct aan de weg grenst: de kruin van de weg;
  • d. voor de overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw;
  • e. de (maaiveld)hoogte van een voor een erf of erven als zodanig aangegeven punt;
  • f. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land;
1.41 plan

het Chw bestemmingsplan 'Vinkenhoef' met indentificatienummer NL.IMRO.0307.BP00180-0301 van de gemeente Amersfoort;

1.42 slopen

geheel of gedeeltelijk afbreken;

1.43 souterrain

het doorlopende gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of vrijwel gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen wordt begrensd en dat maximaal 1,2 meter boven het (straat)peil is gelegen;

1.44 verbeelding

de geometrisch bepaalde planobjecten (voorheen plankaart genoemd);

1.45 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan kennelijk als zodanig aangemerkt diende te worden;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand tot de perceelgrens:

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot een bepaalde grens van het erf;

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.3 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.4 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.5 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.6 de lengte, breedte en de diepte van een bouwwerk:

tussen de lijnen, getrokken door de buitenzijde van de gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren;

2.7 oppervlakte van bijbehorende bouwwerken:

bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken worden niet meegerekend (gedeelten van) bijbehorende bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak, met dien verstande dat erkers, etc. voor de voorgevel niet meetellen bij de berekening van de oppervlakte;

2.8 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf - 1

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven in de categorie 1 tot en met 4.2 ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - zones Wet milieubeheer 4.2' zoals aangeduid in de bij deze regels behorende Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bestemming Bedrijf - 1 en Bedrijventerrein;
  • b. bedrijfsgebonden, onzelfstandige kantoren en kantine zijn uitsluitend toegestaan voor zover zij behoren bij het toegelaten bedrijf en mits de vloeroppervlakte van die kantoren minder bedraagt dan 30% van het brutovloeroppervlak van het bedrijf;

met daarbij behorende:

  • parkeergelegenheid zoals beschreven in lid 15.1 en sublid 15.1.1;
  • laad- en losgelegenheid zoals beschreven in lid 15.2;
  • gebouwen;
  • verkeersdoeleinden;
  • groenvoorzieningen, taluds en water;
  • straten en paden;
  • andere bouwwerken ten dienste van de bestemming zoals palen, masten, verkeers-, reclame- en andere tekens, technische installaties en terreinafscheidingen.
3.2 Vergunningverlening

Bij vergunningverlening op grond van dit artikel moet tevens worden voldaan aan Artikel 13 Duurzaamheid en circulariteit en Artikel 15 Algemene parkeerregels.

3.3 Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming, en nutsvoorzieningen.

3.3.1 Gebouwen - algemeen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. ter plaatse van de maatvoering 'maximum bebouwingspercentrage (%)' mag de bebouwing per bouwperceel niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • c. buiten het bouwvlak mag niet worden bebouwd;
  • d. de gevel van de bebouwing dient minimaal 40% op de gevellijn gesitueerd te worden;
  • e. ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - vergunningsvrij bouwen uitgesloten (sbu-vu)' de gronden worden niet als erf aangemerkt in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan;
  • f. ter plaatse van de maatvoering 'minimale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet minder bedragen dan is aangegeven;
  • g. ter plaatse van de maatvoering 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • h. ter plaatse van de maatvoering 'maximum bebouwingspercentrage (%)' mag de bebouwing niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • i. in afwijking van het bepaalde in sublid 3.3.1 onder a, c en e, geldt voor nutsvoorzieningen dat deze tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan.
3.3.2 Andere bouwwerken

Binnen deze bestemming mogen andere bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. erfafscheidingen voor de voorgevel hebben een maximale hoogte van 1 meter;
  • b. erfafscheidingen achter de voorgevel hebben een maximale hoogte van 2 meter.
3.4 Specifieke gebruiksregel
3.4.1 één in-/uitrit

Binnen deze bestemming is maximaal één in-/uitrit van en naar het bouwperceel van maximaal 9 meter breed vanaf de hoofdstraat toegestaan.

3.4.2 twee in-/uitritten

Indien het bouwperceel breder is dan 50 meter, dan zijn maximaal twee in/uitritten naar het bouwperceel toegestaan met een onderlinge afstand van minimaal 20 meter en mag de gezamenlijke breedte niet meer bedragen dan 15 meter.

3.5 Afwijkbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 3.1 om andere bedrijven toe te staan die niet zijn opgenomen in Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bestemming Bedrijf - 1 en Bedrijventerrein, maar vergelijkbaar zijn voor wat betreft de aard en de omvang van de effecten naar de omgeving, zoals bedoeld in de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" uitgave 2009.

3.6 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder d van de Wet ruimtelijke ordening, nadere eisen stellen met betrekking tot de plaats en afmetingen van bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, voor zover nodig ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a van de Wro het plan wijzigen voor het toevoegen en schrappen van soorten bedrijven en het veranderen van de categorie-indeling van soorten bedrijven, voor zover veranderingen in de bedrijfsvoering en de milieugevolgen van die soorten bedrijven hiertoe aanleiding geven.

Artikel 4 Bedrijf - 2

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor één bedrijf:

  • a. bedrijf in de categorie 1 tot en met 3.2 ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - zones Wet milieubeheer' 3.2 zoals aangeduid in de bij deze regels behorende Bijlage 3 Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bestemming Bedrijf - 2;
  • b. bedrijf in de categorie 1 tot en met 4.2 ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - zones Wet milieubeheer' 4.2 zoals aangeduid in de bij deze regels behorende Bijlage 3 Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bestemming Bedrijf - 2;
  • c. bedrijfsgebonden, onzelfstandige kantoren en kantine zijn uitsluitend toegestaan voor zover zij behoren bij het toegelaten bedrijf en mits de vloeroppervlakte van die kantoren minder bedraagt dan 30% van het brutovloeroppervlak van het bedrijf;

met daarbij behorende:

  • parkeergelegenheid zoals beschreven in lid 15.1;
  • laad- en losgelegenheid zoals beschreven in lid 15.2;
  • gebouwen;
  • verkeersdoeleinden;
  • groenvoorzieningen, taluds en water;
  • straten en paden;
  • andere bouwwerken ten dienste van de bestemming zoals palen, masten, verkeers-, reclame- en andere tekens, technische installaties en terreinafscheidingen.
4.2 Vergunningverlening

Bij vergunningverlening op grond van dit artikel moet tevens worden voldaan aan Artikel 13 Duurzaamheid en circulariteit en Artikel 15 Algemene parkeerregels.

4.3 Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming en nutsvoorzieningen.

4.3.1 Gebouwen - algemeen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. ter plaatse van de maatvoering 'maximum bebouwingspercentrage (%)' mag de bebouwing niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • c. buiten het bouwvlak mag niet worden bebouwd;
  • d. ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - vergunningsvrij bouwen uitgesloten (sbu-vu)' de gronden worden niet als erf aangemerkt in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan;
  • e. ter plaatse van de maatvoering 'minimale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet minder bedragen dan is aangegeven;
  • f. ter plaatse van de maatvoering 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • g. ter plaatse van de maatvoering 'maximum bebouwingspercentrage (%)' mag de bebouwing niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • h. in afwijking van het bepaalde in sublid 4.3.1 onder a en c, geldt voor nutsvoorzieningen dat deze tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan.
4.3.2 Andere bouwwerken

Binnen deze bestemming mogen andere bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. erfafscheidingen voor de voorgevel hebben een maximale hoogte van 1 meter;
  • b. erfafscheidingen achter de voorgevel hebben een maximale hoogte van 2 meter.
4.4 Specifieke gebruiksregel
4.4.1 In-/uitrit(ten)

Binnen deze bestemming zijn in/uitritten uitsluitend toegestaan indien:

    • 1. maximaal één in-/uitrit van maximaal 12 meter breed; of,
    • 2. maximaal twee in-/uitritten, indien een onderlinge afstand van minimaal 40 meter en een gezamenlijke breedte van maximaal 18 meter niet wordt overschreden; of,
    • 3. maximaal drie in-/uitritten, indien een onderlinge afstand van minimaal 40 meter en een gezamenlijke breedte van maximaal 27 meter niet wordt overschreden.
4.4.2 Voorwaardelijke verplichting

Bij aanvraag omgevingsvergunning dient middels een onderzoek naar de trillingshinder van treinverkeer aangetoond te worden waaruit blijkt dat de streefwaarden uit de SBR-richtlijn Trillingen, deel B "Hinder voor personen in gebouwen", niet worden overschreden.

4.5 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder d van de Wet ruimtelijke ordening, nadere eisen stellen met betrekking tot de plaats en afmetingen van bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, voor zover nodig ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

4.6 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a van de Wro het plan wijzigen voor het toevoegen en schrappen van soorten bedrijven en het veranderen van de categorie-indeling van soorten bedrijven, voor zover veranderingen in de bedrijfsvoering en de milieugevolgen van die soorten bedrijven hiertoe aanleiding geven.

Artikel 5 Bedrijventerrein - kantoor

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Bedrijventerrein - kantoor" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de functieaanduiding 'kantoor (k)' voor kantoordoeleinden;
  • b. ter plaatse van de functieaanduiding 'opslag (op)' voor opslag;

met daarbij behorende;

  • de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, water, erven, groenvoorzieningen, parkeer- en laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen.
5.2 Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming, en nutsvoorzieningen.

5.2.1 Gebouwen - algemeen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. ter plaatse van de functieaanduiding 'opslag (op)' mag de goothoogte en de bouwhoogte niet meer bedragen dan de bestaande hoogte;
  • c. ter plaatse van de maatvoering 'maximale goothoogte (m)' mag de goothoogte niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • d. ter plaatse van de maatvoering 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • e. in afwijking van het bepaalde in sublid 5.2.1 onder a, geldt voor nutsvoorzieningen dat deze tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan.
5.2.2 Andere bouwwerken

Binnen deze bestemming mogen andere bouwwerken ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

  • a. indien zij voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen.
5.2.3 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder d van de Wet ruimtelijke ordening, nadere eisen stellen met betrekking tot de plaats en afmetingen van bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, voor zover nodig ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

5.3 Afwijkbevoegdheid
5.3.1 Bevoegdheid

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1 om een bedrijfswoning ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning (bw)' toe te staan als wordt voldaan aan het bepaalde onder Artikel 14 Algemene regels inzake hogere waarden en geluid en geen oneverendige aantasting voort doet in:

  • a. de woonsituatie;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de parkeergelegenheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de groenstructuur;
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 6 Bedrijventerrein

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

met daarbij behorende:

  • parkeergelegenheid zoals beschreven in lid 15.1 en sublid 15.1.2 welke uitsluitend half verhard is;
  • laad- en losgelegenheid zoals beschreven in lid 15.2;
  • gebouwen;
  • verkeersdoeleinden;
  • groenvoorzieningen en water;
  • straten en paden;
  • andere bouwwerken ten dienste van de bestemming zoals palen, masten, verkeers-, reclame- en andere tekens, technische installaties en terreinafscheidingen.
6.2 Vergunningverlening

Bij vergunningverlening op grond van dit artikel moet tevens worden voldaan aan Artikel 13 Duurzaamheid en circulariteit en Artikel 15 Algemene parkeerregels.

6.3 Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming, en nutsvoorzieningen.

6.3.1 Gebouwen - algemeen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • b. buiten het bouwvlak mag niet worden bebouwd;
  • c. ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - vergunningsvrij bouwen (sba-vu)' de gronden worden niet als erf aangemerkt in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan;
  • d. ter plaatse van de maatvoering 'minimale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet minder bedragen dan is aangegeven;
  • e. ter plaatse van de maatvoering 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • f. ter plaatse van de maatvoering 'maximale goothoogte (m)' mag de goothoogte niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • g. ter plaatse van de maatvoering 'maximum bebouwingspercentrage (%)' mag de bebouwing per bouwperceel niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • h. in afwijking van het bepaalde in sublid 6.3.1 onder a en b, geldt voor nutsvoorzieningen dat deze tevens buiten het bouwvlak zijn toegestaan.
6.4 Specifieke gebruiksregel
6.4.1 In-/uitrit(ten)

Binnen deze bestemming is maximaal één in/uitrit van en naar het bouwperceel van minimaal 5 meter en maximaal 7 meter breed toegestaan.

6.4.2 Duurzaamheid: Voorwaardelijke verplichting een zone van 3 meter in gras of laagblijvend bodembedekkers

Alvorens het bouwperceel in gebruik wordt genomen, dient buiten het bouwvlak een zone van 3 meter tussen de bouwperceelgrens en het bouwvlak uitgevoerd te worden, in gras of laagblijvende bodembedekkers. Dit geldt aan alle kanten van het bouwperceel met uitzondering van de kant aan de Oude Lageweg.

6.4.3 Voorwaardelijke verplichting bouwperceelgrensafscheiding als haag

Op de bouwperceelgrens dient, alvorens de bestemming in gebruik wordt genomen, een elzen- of beukenhaag van 0,8 meter breedte en 0,8 tot 1,20 meter hoogte te worden geplant (1 els/beuk per 0,8 m strekkende meter) en dient onderhouden te worden. Indien op de bouwperceelgrens een erf- of perceelafscheiding in de zin van artikel 2, tweede lid van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht is geplaatst, dan dient de vorenstaande haag zodanig beplant te worden dat de achter of in het midden van de haag dient komen.

6.4.4 Duurzaamheid: Voorwaardelijke verplichting één boom per 300 vierkante meter

Alvorens het bouwperceel in gebruik wordt genomen, dient per 300 m2 minimaal één inheemse boomsoort geplant en onderhouden te worden, op het betreffende bouwperceel. De hoogstam van de boom dient minimaal 15 cm te zijn bij aanplant. De stamomvang dient 1 meter vanaf het maaiveld te zijn. Onder inheemse boomsoorten wordt verstaan:

  • Acer campestre ‘Red Shine’;
  • Alnus incana ‘Aurea’;
  • Fraxinus excelsior;
  • Acer campestre ‘Elsrijk’;
  • Tilia platypyllos;
  • Fagus sylvatica ‘Riversii’.
6.4.5 Voorwaardelijke verplichting: onderzoek naar de trillingshinder van treinverkeer

Bij aanvraag omgevingsvergunning dient middels een onderzoek aangetoond te worden dat de streefwaarden uit de SBR-richtlijn Trillingen, deel B "Hinder voor personen in gebouwen" niet worden overschreden.

6.5 Afwijkbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 6.1 om andere bedrijven toe te staan die niet zijn opgenomen in Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bestemming Bedrijf - 1 en Bedrijventerrein, maar vergelijkbaar zijn voor wat betreft de aard en de omvang van de effecten naar de omgeving, zoals bedoeld in de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" uitgave 2009.

6.6 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder d van de Wet ruimtelijke ordening, nadere eisen stellen met betrekking tot de plaats en afmetingen van bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, voor zover nodig ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken.

6.7 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a van de Wet ruimtelijke ordening het plan wijzigen voor het toevoegen en schrappen van soorten bedrijven en het veranderen van de categorie-indeling van soorten bedrijven, voor zover veranderingen in de bedrijfsvoering en de milieugevolgen van die soorten bedrijven hiertoe aanleiding geven.

Artikel 7 Groen

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen, bermen, taluds en beplantingen;
  • b. parken en plantsoenen;
  • c. waterhuishoudkundige voorzieningen, oppervlaktewater, waterkering en waterkerende voorzieningen, watergangen en -partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of -stroken, met inachtneming van de keur van het waterschap;
  • d. voet- en fietspaden;
  • e. geluidwerende voorzieningen.
7.2 Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals abri's, telefooncellen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming en nutsvoorzieningen.

7.2.1 Niet voor bewoning bestemde gebouwen

Voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen gelden de volgende regels:
- de bruto-inhoud van de gebouwen bedraagt ten hoogste 50 m3;

- de bouwhoogte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 3,5 m.

7.2.2 Andere bouwwerken
  • a. toegestaan zijn andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals geluidwerende voorzieningen, lichtmasten, informatieborden, wegwijzers, verkeerstekens en regelinstallaties, schakelkasten, pergola's, straat- en pleinmeubilair, ondergrondse afvalcontainers, glascontainers, (beeldende) kunstwerken, kleine speeltoestellen, perceelsafscheidingen en kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding en de voet- en fietspaden;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:
bouwwerken   max. bouwhoogte  
palen, masten en reclame- en andere tekens   10 m  
verlichtingsmasten en antenne-installaties   12 m  
luifels en ander straatmeubilair   4 m  
andere overkappingen   3 m  
verkeerstekens en beeldende kunstwerken   4 m  
erf- en perceelsafscheidingen en overige andere bouwwerken   2 m  
geluidwerende voorzieningen   21 m  
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van de burgemeester en wethouders een speelvoorzieningen of voet- of fietspaden aan te leggen, waarvan de gezamenlijke verharde oppervlakte meer bedraagt dan 15% van het bestemmingsvlak, dan wel meer bedraagt dan 1.000 m²;
  • b. een vergunning als bedoeld onder a is slechts toelaatbaar, indien door de werken en/of werkzaamheden de natuurlijke, cultuurhistorische of landschappelijke waarden van de betreffende groenvoorziening niet in onevenredige mate worden aangetast;
  • c. het onder lid 7.3 onder a vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende andere werken en werkzaamheden;
    - werken en/of werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    - andere werken en/of werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het verkrijgen van rechtskracht van het plan.

Artikel 8 Verkeer - Verblijfsgebied

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woonerven, woonstraten, pleinen en speelvoorzieningen;
  • b. ontsluitingswegen, bestaande uit ten hoogste 2 rijstroken;
  • c. voet- en fietspaden;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. in-/uitritten;
  • f. bermen en groenvoorzieningen;
  • g. watergangen en -partijen;
  • h. geluidwerende voorzieningen;
  • i. bij een en ander behorende andere voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen.
8.2 Bouwregels

Op en in de gronden als bedoeld in lid 8.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. niet voor bewoning bestemde gebouwen, zoals nutsgebouwtjes en fietsenstallingen, niet zijnde verkooppunten voor motorbrandstoffen, met een maximale bruto-inhoud van ten hoogste 50 m3 en een maximale bouwhoogte van 3,5 m;
  • b. andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals geluidwerende voorzieningen, lichtmasten, wegwijzers, verkeerstekens en regelinstallaties, bovengeleidingsportalen, schakelkasten, straatmeubilair en (beeldende) kunstwerken, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:
bouwwerken   max. bouwhoogte  
palen, masten en reclame- en andere tekens   10 m  
verlichtingsmasten en antenne-installaties   12 m  
luifels en ander straatmeubilair   4 m  
andere overkappingen   3 m  
verkeerstekens en -regelinstallaties, (beeldende) kunstwerken en geluidwerende voorzieningen   10 m  
erf- en perceelsafscheidingen en overige andere bouwwerken   2 m  

Artikel 9 Water

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de bescherming van het waterschapsbelang, zoals de instandhouding van de waterkering en de waterhuishouding,
  • b. watergangen en -partijen,
  • c. onderhoudspaden, taluds, oeverbeschoeiingen, groenvoorzieningen en bermen met de daarbij behorende kunstwerken;
  • d. overbouwingen en onderdoorgangen ten behoeve van het wegverkeer en langzaam verkeer;
9.2 Bouwregels

Op en in de gronden als bedoeld in lid 9.1 Bestemmingsomschrijving, mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, zoals stuwen, gemalen, duikers en bruggen, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 m, met dien verstande dat de beheerder bij het beoordelen van een aanvraag wordt geraadpleegd omtrent de voorwaarden die, gelet op het waterschapsbelang, aan de uitvoering van de bouwwerken moeten worden gesteld.

Artikel 10 Leiding - Gas (dubbelbestemming)

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas (dubbelbestemming)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoge druk gastransportleiding met een belemmeringstrook van 5 meter ter weerszijden van de hartlijn van de leiding.

10.2 Voorrangsbepaling

In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die op grond van andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. Verder geldt voor zover de op de verbeelding weergegeven dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk samenvallen, dat de dubbelbestemming 'Leiding - Gas (dubbelbestemming)' voorrang krijgt.

10.3 Bouwregels

Op of in de gronden als bedoeld lid 10.1 mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bedoelde leiding(en) worden gebouwd. Overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan uit oogpunt van externe veiligheid en energieleveringszekerheid.

10.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.3 ten behoeve van het oprichten van bouwwerken overeenkomstig de regels van de daarvoor aangewezen andere bestemming, mits:

  • a. hierdoor de veiligheid van de aardgastransportleiding niet wordt geschaad;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de beheerder van de betrokken leidingen omtrent het onder a gestelde. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.
10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Voor zover van toepassing is het ten aanzien van de gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - Gas (dubbelbestemming)' verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van burgemeester en wethouders:
    1. gronden af te graven en/of op te hogen;
    2. wegen, paden, banen of andere oppervlakteverhardingen aan te brengen;
    3. bomen of andere diepwortelende beplantingen aan te brengen en/of te rooien;
    4. voorwerpen in de grond te drijven;
    5. de ondergrondse leiding die bij het van kracht worden van het plan in de betrokken strook aanwezig is te verzwaren of te verleggen;
    6. uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
    7. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in dit lid onder a is slechts toelaatbaar, indien door de werken en/of werkzaamheden de leiding niet wordt of kan worden beschadigd.
  • c. Het in lid 10.5 onder a vervatte verbod geldt niet voor de werken en/of werkzaamheden, welke worden uitgevoerd binnen het kader van het normale onderhoud en/of beheer van de leiding.
  • d. Alvorens burgemeester en wethouders vergunning verlenen zal advies worden ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Artikel 11 Waarde - Archeologie categorie 3 (dubbelbestemming)

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie categorie 3 (dubbelbestemming)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden, waarbij geldt dat:

  • a. deze bestemming primair is ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen;
  • b. wanneer in het geval van een ontwikkeling - in het gebied behorende bij deze ontwikkeling - twee of meer categorieën gelden, dan is de hoogste verwachtingswaarde van toepassing op het gehele bij de ontwikkeling behorende gebied;
  • c. het bepaalde in lid 11.1 onder b is niet van toepassing, wanneer na vooroverleg met de gemeentelijk archeoloog blijkt dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
11.2 Bouwregels

Op en in de gronden als bedoeld in lid 11.1 mogen ten dienste van de bestemming 'Waarde - Archeologie categorie 3 (dubbelbestemming)' uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken met een maximale bouwhoogte van 4 m.

11.2.1 Archeologisch onderzoeksrapport

Op en in de gronden als bedoeld in lid 11.1 mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) slechts worden gebouwd overeenkomstig de regels van die bestemming(en) en mits de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

11.2.2 Uitzonderingen

Het bepaalde onder sublid 11.2.1 met betrekking tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;
  • b. de oprichting van een bouwwerk waarbij de hiermee samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm;
  • c. de oprichting van een bouwwerk waarbij de hiermee samenhangende bodemingrepen wel dieper zijn dan 30 cm, maar de oppervlakte van deze bodemingrepen niet meer dan 500 m2 bedraagt;
  • d. indien op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
11.2.3 Verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de onder sublid 11.2.1 bedoelde omgevingsvergunning indien naar hun oordeel uit het daar genoemde rapport genoegzaam blijkt dat:

  • a. er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad, of,
  • b. schade door de met de oprichting van het bouwwerk samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.
11.2.4 Voorwaarden verlening vergunning

De volgende voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning verbonden worden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
11.2.5 Weigering

De onder sublid 11.2.1 bedoelde omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.3.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm en met een oppervlakte van meer dan 500 m2, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;
  • b. het ophogen van de bodem met meer dan 30 cm;
  • c. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 30 cm en met een oppervlakte van meer dan 500 m2;
  • d. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of
    parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de diepte van de aan te brengen verharding meer dan 30 cm en de oppervlakte meer dan 500 m2 bedraagt;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond op een grotere diepte dan 30 cm;
  • f. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden
    verwijderd op een grotere diepte dan 30 cm en het aanleggen van diepwortelende beplanting;
  • g. het omzetten van meer dan 500 m2 grasland in bouwland;
  • h. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een
    grotere diepte dan 30 cm.
11.3.2 Archeologisch onderzoeksrapport
  • a. de aanvrager van de vergunning als bedoeld in lid 11.3 legt een archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • b. de onder sublid 11.3.2 onder a beschreven verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport geldt niet indien op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.
11.3.3 Uitzonderingen

Het in lid 11.3 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van ten hoogste 500 m2.

11.3.4 Verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in sublid 11.3.2 genoegzaam blijkt dat:

  • a. er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad of;
  • b. schade door de met de werken en werkzaamheden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden
11.3.5 Voorwaarden verlening vergunning

De volgende voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning verbonden worden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
11.3.6 Weigering

De onder 11.3 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

11.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
11.4.1 Slopen van bouwwerken

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk te slopen, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen.

11.4.2 Verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen vergunning voor het slopen van bouwwerken indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in 11.3.2 genoegzaam blijkt dat:

  • a. er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad, of;
  • b. schade door de met de werken en werkzaamheden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.
11.4.3 Voorwaarden verlening vergunning

De in sublid 11.4.2 onder b genoemde voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de vergunning verbonden worden, zoals:

  • a. de sloopwerkzaamheden vanaf het maaiveld en dieper, worden begeleid door een gekwalificeerd deskundige wanneer deze werken of werkzaamheden dieper reiken dan 30 cm onder het maaiveld en het grondoppervlak van de werken of werkzaamheden meer bedraagt dan 500 m²;
  • b. indien bij bodemverstorende werkzaamheden zaken worden aangetroffen, waarvan de vinder weet of redelijker wijs moet vermoeden dat het gaat om archeologische vondsten of sporen, dan is diegene verplicht dit direct te melden bij burgemeester en wethouders, die in het belang van de archeologische monumentenzorg.
11.4.4 Weigering

De onder sublid 11.4.2 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

11.4.5 Uitzondering

Het in sublid 11.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van ten hoogste 500 m2, of niet dieper zijn dan 30 cm.

Artikel 12 Waarde - cultuurhistorie (dubbelbestemming)

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - cultuurhistorie (dubbelbestemming)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

12.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verharden of wijzigen van het profiel en/of reliëf van wegen en paden;
  • b. het verlagen van de bodem en het afgraven van gronden;
  • c. het ophogen en egaliseren van de bodem;
  • d. het aanleggen en dempen van watergangen, grachten, singels en andere waterpartijen;
  • e. het verhogen en verlagen van grondwaterstanden en/of het vergroten van de toe- en afvoer van water;
  • f. het draineren van gronden;
  • g. het vernieuwen en reconstrueren van de openbare groenstructuur op de gronden als bedoeld;
  • h. het herinrichten of anderszins wijzigen van de openbare ruimte.
12.2.1 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het in lid 12.2 vervatte verbod geldt niet voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden:

  • a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. werken en werkzaamheden waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
  • c. werken en werkzaamheden die behoud, herstel of versterking van de cultuurhistorische, natuur- of landschapswaarden tot doel hebben.
12.3 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
12.3.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk te slopen van de ijskelder ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding-ijskelder (sba-ij)'.

12.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het in sublid 12.3.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. het geheel of gedeeltelijk slopen van de ijskelder, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders op voorhand is vastgesteld dat bouwhistorische waarden niet aanwezig zijn of door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden aangetast;
  • b. sloopwerkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • c. sloopwerkzaamheden waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan;
  • d. sloopwerkzaamheden waarvoor al goedkeuring, vergunning of ontheffing op grond van een wet, een algemene maatregel van bestuur of een gemeentelijke of provinciale verordening, waarbij de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermde stadsgezicht mede zijn betrokken, is afgegeven.
12.3.3 Verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verleend de omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 12.3.1 voor het geheel slopen van de ijskelder uitsluitend, mits de ijskelder in een dusdanig slechte bouwkundige staat verkeerd dat herstel redelijkerwijs niet meer mogelijk is en voldoende aannemelijk is gemaakt dat er een ander bouwwerk wordt gebouwd dat in overeenstemming is met de regels van dit bestemmingsplan, waarbij het bouwwerk als het origineel wordt teruggebouwd en oorspronkelijke elementen zoveel als mogelijk worden hergebruikt en teruggeplaatst.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 13 Duurzaamheid en circulariteit

13.1 Beleidsregels Duurzaamheid Vinkenhoef

Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient aangetoond te worden dat een aantoonbare bijdrage geleverd wordt aan de verduurzaming en circulariteit van de fysieke leefomgeving.

Om te beoordelen of er voldoende aantoonbare bijdrage geleverd wordt aan de verduurzaming en circulariteit van de fysieke leefomgeving, wordt de aanvraag omgevingsvergunning aan de beleidsregel Duurzaamheid Vinkenhoef getoetst.

Indien deze beleidsregel gedurende planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregel.

13.2 Emissieregel
13.2.1 maximale stikstof en ammoniak

Bedrijven die zich vestigen op één van de in sublid 13.2.2 opgenomen kavels mogen maximaal de daarmee samenhangende stikstof (NOx) en ammoniak (NH3) emissie emitteren.

13.2.2 kavelindeling

De waarden in onderstaande tabel en figuur zijn van toepassing op de emissie per aanduiding zoals opgenomen in de figuur van de kavelindeling.

tabel behorende bij sublid 13.2.2:

nummer   oppervlakte (ha)   kg NOx per jaar   kg NH3 per jaar  
1   4,76   1250   20  
2   1,25   317   7,5  
3   0,53   41,7   2,5  
4   1,64   96,7   0  

figuur kavelindeling behorende bij sublid 13.2.2:

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00180-0301_0028.png"

13.3 Hemelwater

Bij de aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van de bestemmingen Bedrijf - 1, Bedrijf - 2 en Bedrijventerrein dient middels een waterhuishoudkundig- en inrichtingsplan te worden aangetoond dat er voldoende ruimte is voor de berging en infiltratie van regenwater. Het oppervlakte water en/of de wadi's moeten daarbij zodanig groot zijn gedimensioneerd dat binnen het bouwperceel een bui met een volume van 40 mm volledig kan worden geborgen. De voor de berging van hemelwater noodzakelijke voorzieningen moeten direct na het in gebruik nemen van de betreffende bestemming zijn getroffen.

13.4 Aardgas

Bij aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van (een) bouwwerk(en) dient aangetoond te worden, zoals deze gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag omgevingsvergunning, dat betreffende gebouw(en) of bouwwerk(en) niet worden aangesloten op het aardgasnet en niet worden verwarmd met aardgas.

Artikel 14 Algemene regels inzake hogere waarden en geluid

14.1 Hogere waarden wegverkeerslawaai

In aanvulling op de bepalingen in Artikel 5 Bedrijventerrein - kantoor gelden de hogere waarden, zoals die zijn beschreven in het van deze regels (Bijlage 1 Akoestisch onderzoek) deel uitmakende overzicht (de met een gele kleur aangegeven hogere waarden op de bladzijden 19 en 20) op de daarin aangegeven beoordelingspunten.

14.2 Situering beoordelingspunten in verband met hogere waarden

De situering van de beoordelingspunten, zoals opgenomen in lid 14.1, is aangegeven op de van deze regels (Bijlage 1 Akoestisch onderzoek) deel uitmakende kaart.

14.3 Aanvullende voorwaarden in verband met hogere waarden en geluid

In aanvulling op de leden 14.1 en 14.2 gelden de navolgende voorwaarden, zoals die zijn beschreven in Bijlage 1 Akoestisch onderzoek:

  • a. voordat de (bedrijfs)woningen in het gebied van dit plan in gebruik genomen mogen worden, dient de indeling overeen te komen en te zijn gerealiseerd conform de situering, hoogte, lengte en uitvoering, zoals is beschreven in Bijlage 1 Akoestisch onderzoekblz. 27 en 28;
  • b. De gevels van de woningen in het gebied van dit plan dienen een zodanige geluidswering te hebben, dat er sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau in de verblijfsruimten van de woningen (niet hoger dan 33 dB vanwege het gecumuleerde wegverkeersgeluid).

Artikel 15 Algemene parkeerregels

15.1 Parkeren

Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd wanneer niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden op het bouwperceel waarop de aanvraag omgevingsvegunning betrekking op heeft.

Bij de beoordeling van een aanvraag van een omgevingsvergunning wordt aan de Nota Parkeernormen Amersfoort 2009 en Beleidsregel Toepassing Parkeernormen 2020 getoetst of er sprake is van een voldoende parkeergelegenheid.

Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de gewijzigde beleidsregels.

15.1.1 Bijzondere regeling voor bestemming Bedrijf - 1

Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk dient een inrichtingsplan verstrekt te worden. Het inrichtingplan dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a. parkeerplaatsen mogen slechts achter de gevellijn worden aangelegd;
  • b. parkeerplaatsen mogen slechts worden halfverhard;
  • c. indien de parkeerplaatsen vanaf de openbare ruimte zichtbaar zijn, dan dient er een haag (van 1 tot 1,5m hoog en minimaal 0,8m breed) geplant en in stand gehouden te worden waarmee het zicht op de parkeerplaatsen worden ontnomen vanaf de openbare ruimte.
15.1.2 Bijzondere regeling voor bestemming Bedrijventerrein

Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk dient een inrichtingsplan verstrekt te worden, waaruit ten minste blijkt:

  • a. geparkeerde auto's dienen zoveel mogelijk uit het zicht vanaf de openbare ruimte gehouden te worden;
  • b. parkeerplaatsen mogen slechts achter de gevellijn worden aangelegd;
  • c. parkeerplaatsen mogen slechts worden halfverhard;
  • d. een groepering van meer dan zes parkeerplekken dient altijd te worden gecompartimenteerd door middel van hagen op het bouwperceel. De hagen dienen qua type, uitstraling en maat gelijk te zijn aan de haag welke geplaatst wordt zoals bepaald in sublid 6.4.3.
15.2 Laden en lossen

Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient middels een inrichtingsplan aangetoond en inzichtelijk te worden gemaakt dat:

  • a. voor de bestemming 'Bedrijf - 1' het laden en lossen van goederen vindt uitsluitend plaats op het bouwperceel en binnen het bouwvlak. Deze activiteiten mogen niet zichtbaar zijn vanaf de Energieweg en vanaf de gevellijn;
  • b. voor de bestemming 'Bedrijf - 2' het laden en lossen en van goederen vindt uitsluitend plaats op het bouwperceel en binnen het bouwvlak;
  • c. voor de bestemming 'Bedrijventerrein' het laden en lossen vindt uitsluitend plaats binnen het bouwvlak en aan de zijde van de hoofdstraat.

Artikel 16 Algemene gebruiksregels

16.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. gebruik van onbebouwde gronden:
    • 1. als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
    • 2. als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
    • 3. als plaats voor sloop-, reparatie- of andere werkzaamheden aan auto's, anders dan incidentele, reguliere onderhoudswerkzaamheden op beperkte schaal;
    • 4. voor de opslag en verkoop van motorbrandstoffen en LPG.
  • b. het gebruik van gebouwen en onbebouwde gronden als seksinrichting;
  • c. een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Bzro);
  • d. bedrijfsactiviteiten binnen de bestemming Bedrijf - 2 welke niet zijn opgenomen in Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bestemming Bedrijf - 2;
  • e. meer dan 80% verharding of halfverharding van het bouwperceel binnen de bestemming Bedrijf - 1;
  • f. meer dan 90% verharding of halfverharding van het bouwperceel binnen de bestemming Bedrijf - 2;
  • g. meer dan 60% verharding of halfverharding van het bouwperceel binnen de bestemming Bedrijventerrein;
  • h. gronden buiten het bouwvlak gebruiken voor het stallen van (buiten)opslag;
  • i. binnen de bestemming Bedrijventerrein mag de eerste drie meter, gerekend vanaf de bouwvlakgrens, naar het hart van het bouwperceel, niet worden gebruikt voor het opstallen van buitenopslag;
  • j. in-/uitritten van en naar de bestemming Bedrijf - 1 met een directe verbinding vanaf de Energieweg;
  • k. in-/uitritten van en naar de bestemming Bedrijventerrein met een directe verbinding vanaf de Oude Lageweg.

Artikel 17 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 18 Algemene aanduidingsregel

18.1 Milieuzone gemengd gebied

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - gemengd gebied' is sprake van een matige tot sterke functiemenging en/of van een ligging direct langs de hoofdontsluitingsstructuur. Bij de beoordeling van functies in deze zone mogen de richtafstanden in de VNG-brochure 'Handreiking Bedrijven en milieuzonering' met één afstandsstap worden verlaagd.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 19 Overgangsrecht

19.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Burgemeester en wethouders kan eenmalig een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub a, voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
19.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
19.3 Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kan burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht vrijstelling verlenen.

Artikel 20 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'Chw bestemmingsplan Vinkenhoef'.