| Plan: | TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0302.TAM0022n-vg01 |
Aan de Schotkampweg 179 te Elspeet staat een bedrijfswoning ten behoeve van een paardenhouderij, en een schuur, waarin al enkele decennia in wordt gewoond. Voor het wonen in de schuur wordt een beroep gedaan op de coulanceregeling van de gemeente Nunspeet. Dit is mogelijk als er vanaf de peildatum van de regeling (14 augustus 2000) permanent gewoond is in de woning. Dit is hier het geval en is middels bewijsstukken aangetoond bij de gemeente Nunspeet. Met dit omgevingsplan wordt de huidige situatie planologisch-juridisch geregeld. De bedrijfswoning evenals de woning in de schuur krijgen een woonfunctie en de paardenhouderij wordt ontmanteld. De gemeente Nunspeet heeft aangegeven in principe medewerking te verlenen aan onderhavig initiatief.
Het plangebied is gelegen aan de Schotkampweg te Elspeet. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Elspeet omgeven door woningen en natuur. De planlocatie is gelegen op de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Nunspeet, sectie F, percelen 6787 en 6788. De projectlocatie heeft een oppervlakte van circa 3.995 m². In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied aangegeven.
Luchtfoto met globale ligging plangebied (bron: PDOKViewer)
Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied (bron: www.perceelloep.nl)
Het plangebied ligt in het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Dit omgevingsplan bestaat op de planlocatie uit de bruidsschatregels en uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan: het bestemmingsplan 'Buitengebied 2023'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Nunspeet op 21 maart 2024.
In het (tijdelijke deel van) het omgevingsplan kent het plangebied de functies 'Agrarisch' en 'Agrarisch - Paardenhouderij'. Binnen deze functie zijn de gronden onder andere bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en de uitoefening van een gebruiksgerichte paardenhouderij (geen manege) en/of productiegerichte paardenhouderij, waaronder begrepen het fokken en trainen van wedstrijdpaarden voor verkoop.
Naast de hiervoor genoemde functies beschikt het plangebied over een bouwvlak, de beschermingscategorieën 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Jonge heideontginning en de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en 'overige zone - bed en breakfast buitengebied'.
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Er geldt een onderzoeksplicht als er sprake is van het bouwen van bouwwerken, werken en werkzaamheden die groter zijn dan 120 m2 of dieper dan 50cm onder het maaiveld. De uitwerking hierop met betrekking tot voorgenomen ontwikkeling wordt in hoofdstuk 5.12 verder toegelicht.
De voor 'Waarde - Jonge heideontginning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden zoals deze tot uitdrukking komen in de openheid, de wegenstructuur en de beplantingstructuur.
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' zijn specifieke regels van toepassing voor het omzetten van een agrarische functie naar een agrarisch bedrijf, kwekerij of paardenhouderij. Dit is voor onderhavig initiatief niet relevant.
De gebiedsaanduiding 'overige zone - bed en breakfast buitengebied' is niet relevant voor onderhavige ontwikkeling.
Voorts is het plangebied gelegen binnen de begrenzing van de volgende bestemmingsplannen (van het tijdelijke omgevingsplan):
De genoemde paraplubestemmingsplannen voorzien in aanvullende regels voor wat betreft welstand, bed & breakfast en parkeren. Het "Parapluplan Onzelfstandige Bewoning en Logies Arbeidsmigranten / Seizoenarbeiders e.a. " voorziet in aanvullende regels ten aanzien van bewoning van de (reguliere) woningen in de gemeente Nunspeet waarbij deze woningen niet worden bewoond door één (zelfstandig) huishouden. Op het "Parapluplan Parkeren" zal nader worden ingegaan in hoofdstuk 5.17.
De plannen zijn strijdig met het omgevingsplan, omdat bewoning in de schuur niet is toegestaan en reguliere bewoning niet toegestaan is aan de Schotkampweg 179.
Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2023' met aanduiding plangebied (bron omgevingswet.overheid.nl)
Van de algemene wijzigingsregels die zijn opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan voor een wijziging naar de functie wonen met sloop bebouwing en van het algemene functieveranderingsbeleid van de gemeente Nunspeet kan geen gebruik worden gemaakt aangezien er niet voldaan kan worden aan alle voorwaarden.
Met onderhavig initiatief wordt een beroep gedaan op de coulanceregeling m.b.t. het tijdelijke bewoonde bijgebouw. Hiervoor is een bewijsvoering aangeleverd waarin is aangetoond dat het bijgebouw (het voorste gedeelte van de schuur) vanaf 14 augustus 2000 permanent bewoond is (met een maximale onderbreking van de bewoning van 12 maanden). De gemeente Nunspeet is daarom bereid om op basis hiervan het bijgebouw een permanente woonstatus te geven.
De bestaande paardenbak blijft toegestaan omdat er in onderhavige situatie een paardenhouderij wordt ontmanteld en de ontwikkeling daarmee in zijn totaliteit tot een verbetering van de ruimtelijke situatie in het plangebied leidt. De ruimtelijke kwaliteit dient gewaarborgd te worden. Daarom wordt er een landschappelijk inpassingsplan aangeleverd, waarin ook de paardenbak wordt meegenomen. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 1.
Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie gegeven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de gewenste situatie toegelicht. Daarbij wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling en op de ruimtelijke en functionele inpassing daarvan in de bestaande structuur. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het van belang zijnde beleidskader, waarna in hoofdstuk 5 een toetsing aan de milieuaspecten volgt. Wanneer deze van toepassing zijn, worden daarbij de uitgangspunten voor het TAM omgevingsplan genoemd. In hoofdstuk 6 volgt een toelichting op de werking van het TAM omgevingsplan en de daarin opgenomen juridische regeling. Tenslotte gaat hoofdstuk 7 in op de uitvoerbaarheid van het TAM omgevingsplan, waarbij aandacht wordt besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
In de huidige situatie aan de Schotkampweg 179 te Elspeet is een bedrijfswoning gelegen, en een schuur waarin het voorste gedeelte bewoond wordt. Ten westen van de schuur bevindt zich een paardenbak. De schuur wordt momenteel in gebruik genomen voor de stalling van paarden en voorin deze schuur wordt zoals benoemd gewoond.
Luchtafbeelding bestaande situatie ligging woningen, schuur en paardenbak (bron: pdokviewer.nl)
Straatbeeld perceel vanaf noord-oostzijde
Schetstekening bestaande situatie plangebied (bron: Hulsarchitecten)
In de toekomstige situatie wordt de huidige agrarische functie van het gehele plangebied aangepast, zodat twee reeds aanwezige woningen de functies 'Wonen' ontvangen, waarbij tevens de aanwezigheid van bijgebouwen wordt toegestaan. De paardenbak behoudt de agrarische funtie en de groene inpassing daaromheen krijgt de functie groen toegekend.
Op het perceel zijn circa 380m2 agrarische bedrijfsgebouwen/bijgebouwen aanwezig, welke als “sloopmeters” ingezet kunnen worden. Het voornemen is om de gebouwen een andere functie te geven, waarbij t.a.v. de twee te vormen woonfuncties geen overschrijding plaatsvindt van het bebouwde oppervlakte conform de functie “wonen”. Concreet betekent dit dat er een woning gevormd wordt met een oppervlakte van 120m2 en de overige 260m2 als bijgebouw bij de beide woningen. De bestaande woning (met een achtererf van >900m2) krijgt circa 200m2 bijgebouwen. Dit is toegestaan conform artikel 7.4.2 Bijbehorende bouwwerken bouwen onder c onder 2. De nieuwe woning (met een achtererf van circa 600m2) krijgt circa 60 m2 bijgebouwen. De 2 woonpercelen passen dan binnen de functie wonen.
De nabijgelegen paardenbak ten westen van de schuur krijgt een agrarische functie toegekend. De aanduiding paardenhouderij vervalt, waardoor enkel hobbymatig paarden gehouden kunnen worden. Door het ontmantelen van de paardenhouderij zal de ruimtelijke situatie en het woon- en leefklimaat per saldo verbeterd worden. Daarnaast vindt er een aanplanting van verschillende bomen plaats om de landschappelijke inpassing van het plangebied te verbeteren.
In bijlage 1 is het complete inpassingsplan te vinden en in bijlage 2 het inpassingsplan met daarop ook het achtererfgebied weergegeven. Daarop is te zien dat de bestaande woning een achtererfgebied heeft van 1.382,28 m2 en de nieuwe woonfunctie een achtererfgebied van 172,24 m2.
Schetstekening toekomstige situatie plangebied (bron: Huls architecten)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).
Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.
De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:
Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Conclusie
Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en bevat specifieke regels waar lagere overheden zich aan moeten houden. In hoofdstuk 5 zijn regels opgenomen voor het opstellen van een omgevingsplan en het beoordelen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze instructieregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen (afdeling 5.1):
In bijzondere gevallen is het mogelijk dat minister ontheffing verleend van de instructieregels.
In hoofdstuk 5 van deze onderbouwing wordt ingegaan op de onderwerpen die van belang zijn voor deze ontwikkeling, en wordt onder meer getoetst aan de instructieregels uit het Bkl.
Conclusie
Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in rijksbeleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze toelichting geeft de onderbouwing hiervan.
Het vertrekpunt bij het maken van de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland', welke is vastgesteld op 19 december 2018 zijn de maatschappelijke opgaven geweest die in gesprekken met overheden, organisaties en particulieren naar voren zijn gebracht. Gaaf verwijst naar mooi en vernieuwend, om een aantrekkelijke omgeving voor nieuwe generaties te behouden en creëren. De gedeelde opgaven in deze Omgevingsvisie zijn de uitkomst van een evenwaardige uitwisseling tussen deze verschillende partijen in een proces van co-creatie. De opgaven zijn die zaken die partijen met elkaar delen. Ongeacht wie wat doet en welke rollen zij spelen, staan deze opgaven centraal voor de komende pakweg vijf tot tien jaar.
In de visie van de provincie Gelderland worden zeven ambities omschreven:
Planspecifiek
Onderhavige ontwikkeling kan een goede invulling geven aan de ambitie 'woon- en leefomgeving'. Binnen deze ambitie wordt de voorkeur gegeven aan het benutten van bestaande gebouwen. Door de functie te wijzigen naar wonen wordt er bijgedragen aan het opnieuw benutten van bestaande bebouwing en is het voornemen dus passend binnen de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
Conclusie
Onderhavig initiatief is in lijn met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
In de Omgevingsverordening Gelderland zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. De Omgevingsverordening is 2 januari 2024 in werking getreden, waarna het een aantal keer is aangepast en gewijzigd. De laatste aanpassing die in werking is getreden dateert van 1 mei 2024. De Omgevingsverordening omvat toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
Voor onderhavige locatie geldt de gebiedsaanwijzing 'Amonniakbuffergebied', hetgeen niet van toepassing is gezien voorgenomen ontwikkeling geen hervestiging of uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf/tak betreft.
Ook valt het plangebied binnen de 'Gelderse streek Veluwe'. Bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de gestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van landschap de Veluwe. Deze gestelde kwaliteiten en doelen voor de regio Veluwe zijn vooral gericht op het behoud en de versterking van het landschap, karakteristieke elementen, beleving en doorzichtlijnen op de omgeving. Tegenover het toevoegen van bebouwing en functieverandering heerst terughoudendheid. Voorgenomen functiewijziging kan wel worden gerealiseerd door middel van het inpassen en het rekening houden met de natuurwaarden in de omgeving.
Als laatste geldt de gebiedsaanwijzing 'Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied'. Dit is niet van toepassing gezien voorgenomen ontwikkeling geen uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf betreft.
Conclusie
Onderhavig initiatief is in lijn met de Omgevingsverordening Gelderland.
Op 17 oktober 2023 heeft het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe hun waterschapsverordening vastgesteld. De waterschapsverordening bevat regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het watersysteem binnen het waterschapsgebied. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur van 21 Waterschap Vallei en Veluwe en de daarbij behorende algemene regels. Bovendien bevat het regels over lozingen, die voorheen op rijksniveau waren geregeld.
Planspecifiek
Het plan is niet strijdig met de waterschapsverordening
De gemeenteraad van Nunspeet heeft op 29 november 2018 de Omgevingsvisie Nunspeet vastgesteld. De gemeente Nunspeet heeft een integrale toekomstvisie opgesteld voor de gehele gemeente, de Omgevingsvisie Nunspeet. In deze visie kijkt de gemeente vooruit in een periode tot 2030. De gemeente blijft bouwen aan een krachtige en vitale gemeente, waar het goed wonen, werken en recreëren is. De gemeente werkt hier graag aan mee met zoveel mogelijk partijen uit de samenleving. De omgevingsvisie heeft een breed karakter.
De Omgevingsvisie Nunspeet geeft de koers, die voor een belangrijk deel samen met de samenleving uitgestippeld is en waar de gemeente vervolgens ook samen mee aan de slag willen gaan.
Planspecifiek
Het plangebied bevindt zich in deelgebied 7: Kern en agrarisch enclave Elspeet. Binnen dit deelgebied heeft de gemeente de volgende uitgangspunten voor het behoudt van de kwaliteit van dit gebied:
Ligging plangebied binnen de Omgevingsvisie van de gemeente Nunspeet (bron: omgevingswet.overheid.nl)
Ook heeft de gemeente de ambitie om dat er met respect voor de waarden, mogelijkheden zijn voor versterking van het gemengde karakter (zonder verder dichtslibben), bijvoorbeeld ter plaatsen van vrijkomende agrarische bebouwing. Voorgenomen ontwikkeling kan hier passend invulling aan geven, gezien bestaande agrarische bebouwing kan worden ingezet voor wonen, zonder dat dit ten koste gaat van doorzichten en openheid van het landschap. Daarnaast zal onderhavig initiatief de agrarische- en dorpse karakteristiek niet aantasten, en zullen markante objecten niet worden aangetast.
Conclusie
Onderhavig initiatief is in lijn met de Omgevingsvisie van de gemeente Nunspeet.
De gemeente Nunspeet heeft de Integrale toekomstvisie Nunspeet 2030 vastgesteld. Deze integrale toekomstvisie (ITV) vormt voor de gemeente de koers voor het te ontwikkelen beleid om de visie in al haar facetten gerealiseerd te krijgen. Vanuit de gedachte 'meer samenleving, minder overheid' zal de gemeente meer vanuit een stimulerende, faciliterende en uitnodigende rol de toekomstvisie gaan uitvoeren, waarbij het benutten van kansen centraal staat. Daarnaast vormt de ITV een uitdaging voor ondernemers, inwoners, maatschappelijke organisaties, enzovoorts om met elkaar, vanuit de kracht van de samenleving ervoor te zorgen dat Nunspeet in 2030 een vitale, ondernemende en zorgzame gemeente is waar het uitstekend wonen, werken en recreëren is.
De uitdaging is om te blijven streven naar een goede onderlinge balans tussen dynamiek en rust, tussen wonen, bedrijvigheid en infrastructuur enerzijds en natuur en landschap anderzijds. Om alle aanwezige kwaliteiten te behouden is hier en daar ook verandering noodzakelijk. In de toekomstvisie zijn vier ontwikkelingsrichtingen uitgewerkt:
Planspecifiek
In voorliggend geval is met name het thema 'Een prettige woonomgeving voor iedereen' van belang.
In de kernen van de gemeente Nunspeet is het niet eenvoudig om betaalbare woningen te kunnen aanbieden voor jongeren, starters, jonge gezinnen of senioren. Het waarborgen van voldoende diversiteit en beschikbaarheid op de woningmarkt vormt dan ook een wezenlijke voorwaarde voor het waarborgen van de sociale samenhang en verscheidenheid van de lokale samenleving. Verder is van belang dat de kerngerichtheid van de bewoners groot is. Er wordt ernaar gestreefd om elke inwoner woonruimte te kunnen bieden in zijn/haar eigen kern. Dit betekent niet automatisch veel bouwen, maar zorgvuldig en periodiek analyseren wat noodzakelijk is om het aanbod voor alle groepen op peil te houden en de doorstroming te bevorderen.
De strategie is maatwerk. De gemeente wil op basis van de werkelijke behoefte in de kernen woningbouw mogelijk maken, waarbij ook het bestaande aanbod in aanmerking wordt genomen. Het doel is om aan iedereen kansen te geven, belangrijke doelgroepen zijn de starters, jonge doorstromers en senioren.
Nieuwe ontwikkelingen moeten er vooral op gericht zijn de bestaande kernkwaliteiten te versterken en recht te doen aan het credo 'het hart op de juiste plaats'. Daarom zal bij de woningbouwopgave bezien worden of er in het bestaand bebouwd gebied kan worden ingebreid. Hierdoor wordt het landschap ontzien en wordt er voldoende aandacht besteed aan beeldkwaliteit en cultuurhistorische waarden.
Onderhavig initiatief betreft een inpandige functiewijziging. Omdat er geen nieuwe bebouwing wordt toegevoegd, worden de kernkwaliteiten van de omgeving in stand gehouden. Daarnaast wordt er een nieuwe woonruimte mogelijk gemaakt, waarmee uitkomst wordt gegeven aan het bestaande woningtekort.
Conclusie
Onderhavig initiatief is in lijn met de Integrale toekomstvisie Nunspeet 2030.
Algemeen
In de woonvisie legt de gemeenteraad de ambities op het gebied van wonen vast. De woonvisie 'Goed wonen in de gemeente Nunspeet' is op 20 februari 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze woonvisie is vastgesteld voor de periode van 2020 tot 2025.
Met deze woonvisie wordt een nieuw fundament gelegd voor voldoende aantrekkelijke woningen voor iedereen, een kwalitatief en energetisch hoogwaardige woningvoorraad, waar iedereen in elke levensfase, met of zonder zorgbehoefte, kan (blijven) wonen.
In de woonvisie staan drie ambities centraal:
Het gemeentebestuur wil dat alle inwoners van de gemeente Nunspeet zo passend mogelijk wonen, en wil de vier kernen 'in balans' houden. Daarvoor is een uitbreiding van de woningvoorraad nodig in de periode 2020 tot 2025. Voor starters is de grootste urgentie, maar ook het passend wonen voor senioren is een grote opgave. Dit vraagt vooral om meer betaalbare woningen: sociale huur en betaalbare koop.
De gemeente wil een duurzame woningvoorraad die zich kenmerkt door groen en zuinig energieverbruik, dan wel energieneutraliteit. Tevens wil de gemeente goed wonen voor mensen met een zorgbehoefte mogelijk maken.
Dilemma's op de woningmarkt
De woonvisie biedt inzicht in de ontwikkelingen op het brede gebied van het wonen. Het geeft ook een beeld van de effecten van beleid van de afgelopen jaren. Ook richt de visie zich op de toekomst waar zich grote veranderingen aankondigen, in hoofdlijnen worden de volgende dilemma's benoemd:
Kwantitatieve woningbehoefte
Op 1 januari 2019 kende Nunspeet 10.851 woningen (Bron: CBS). De vraag is hoeveel woningen er in 2025 nodig zijn om aan de woningbehoefte te voldoen. In de meest recente huishoudensprognose in Nunspeet voor de periode van 2019-2025 een toename van 535 huishoudens verwacht. Ook speelt er een huidig woningtekort van huishoudens die nu al graag zelfstandige woning wensen in Nunspeet maar nog niet zelfstandig wonen. Dit woningtekort moet bij de geraamde groei van het aantal huishoudens worden opgeteld om tot een reële woningbehoefte te komen. Het is niet duidelijk hoe groot dit tekort in Nunspeet precies is, maar de provincie Gelderland raamt voor de hele provincie dat de woningbehoefte ongeveer 25% hoger ligt dan de groei van het aantal huishoudens. Wanneer we deze vuistregel toepassen op Nunspeet dan is er in de gemeente tot 2025 sprake van een extra woningbehoefte van circa 670 woningen. Voor de periode 2025-2030 gaat het om respectievelijk een huishoudensgroei van 282 huishoudens en een extra woningbehoefte van 350 woningen.
Plancapaciteit
Momenteel kent de gemeente een plancapaciteit van 919 woningen, waarvan ruim een kwart harde en driekwart zachte plannen betreft. Wanneer we deze plancapaciteit afzetten tegen de geraamde woningbehoefte dan blijkt dat Nunspeet onvoldoende plannen heeft om in de verwachte extra woningbehoefte te kunnen voorzien. Zowel voor de periode tot 2025 als daarna. De realiteit is dat een deel van de plannen uiteindelijk niet doorgaat. Wanneer we rekening houden met dergelijke planuitval dan blijkt het tekort aan woningbouwplannen nog groter. Tot 2025 komt de gemeente plannen te kort voor circa 277 woningen.
Bovendien zijn de plannen tot 2025 slechts 100 woningen in harde plannen voorzien. Er worden dus naar verwachting te weinig woningen gerealiseerd om in de woningbehoefte te kunnen voorzien. Sturen op realisatie en versnelling is noodzaak.
Planspecifiek
Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 1 nieuwe woning in het buitengebied van Elspeet. Hiervoor geldt dat de gemeente faciliteert bij concrete behoefte van onderop, van de inwoners zelf. In voorliggend geval is hiervan sprake, het betreft een particulier initiatief. Daarnaast is het van belang dat met woningbouw een bijdrage geleverd worden aan de vitaliteit/leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. In voorliggend geval wordt hier bij aangesloten. Het betreft namelijk de bouw van woningen voor de lokale behoefte, waarbij de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van het buitengebied door de inpandige functiewijziging niet wordt aangetast, terwijl er wel een nieuwe woning wordt gerealiseerd. Gezien de schaarste van de woningen binnen de gemeente Nunspeet geeft onderhavig initiatief een impuls aan de woningmarkt. Het voornemen ziet toe op de realisatie van vrijstaande koopwoning. Het voornemen voorziet in het bouwen voor de lokale behoefte.
Conclusie
Onderhavig initiatief is in lijn met de Woonvisie van de gemeente Nunspeet.
Sinds 2021 kent de gemeente Nunspeet een participatiebeleid. Participatie wordt daarin omschreven als “het informeren, meedenken, meewerken en/of meebeslissen van/door belanghebbenden bij de invulling en/of uitvoering van (bouw)activiteiten, projecten en beleid.” Om dit te bereiken gaat de gemeente uit van 5 doelen:
Planspecifiek
Onderhavig initiatief betreft een particulier initiatief. Hierover zegt het beleid het volgende:
Wanneer niet de gemeente, maar een initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het proces, vragen we de initiatiefnemer om in beeld te brengen wie hij allemaal heeft betrokken bij het initiatief. Ook moet de initiatiefnemer aantonen dat in het plan zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met ingebrachte belangen en wensen. Dit doet de initiatiefnemer aan de hand van de stappen uit de beleidsnotitie “Omgevingsdialoog gemeente Nunspeet” en een participatieverslag die bij de aanvraag wordt gevoegd.
Dit stappenplan is verplicht voor alle vergunningaanvragen waarvoor een participatieplicht op grond van de Omgevingswet geldt. Voor alle andere initiatieven waarvoor geen vergunningplicht geldt, stimuleren we het gebruik van de “omgevingsdialoog gemeente Nunspeet”.
Onderhavig initiatief betreft een initiatief vanuit de omgevingswet een participatieplicht geldt. Tijdens de voorbereiding op aanvraag voor het principeverzoek voor onderhavig initiatief is met directe belanghebbenden (buurtbewoners) geparticipeerd, conform de "Handreiking omgevingsdialoog" van de gemeente Nunspeet. Het plan heeft een beperkte impact, aangezien er minder dieren gehouden kunnen worden en de nieuwe woonfuncties landschappelijk ingepast worden. Hieronder is het verslag van de "mondelinge dialoog" met de buurt weergegeven.
Medio januari 2023 hebben wij onze buren geïnformeerd over ons voornemen een aanvraag in te dienen om het omgevingsplan van ons huis te wijzigen van agrarisch naar wonen en het verkrijgen van een 2e woonfunctie.
Wij hebben individueel gesproken met de buren wonende op Schotkampweg 177a, 177, 175 en Stakenbergweg 216. Deze buren zien geen bezwaren. In de huidige functie en gebruik ondervinden de buren geen overlast of hinder. In de nieuwe voorgenomen plannen verwachten wij en de buren dat er in hun en onze woonsituatie niet of nauwelijks iets zal veranderen wat hinder of overlast kan of zal veroorzaken.
De buren zien dan ook geen problemen wat betreft de voorgenomen plannen.
Conclusie
Er is geparticipeerd met de omgeving van het plangebied conform de omgevingsdialoog gemeente Nunspeet. Er is voldaan aan het participatiebeleid van de gemeente Nunspeet.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1 tot en met 5.13 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 5.14 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente.
In paragraaf 5.1.2 van het Bkl worden regels gegeven over de toelaatbaarheid van de verschillende categorieën gebouwen en locaties in verband met een veiligheidsrisico dat ontstaat door een activiteit die op grond van het omgevingsplan op die locatie is toegestaan.
Kwetsbare gebouwen en locaties
Het Bkl werkt, net als het voorgaande recht, met de begrippen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. In bijlage VI bij het Bkl is aangegeven welke soorten gebouwen en locaties tot de verschillende categorieën behoren. Belangrijk om op te merken is dat ook gebouwen en locaties die nog niet bestaan, maar wel op grond van een omgevingsplan mogelijk gemaakt worden, tot deze categorieën worden gerekend. De lijst in bijlage VI betreft een limitatieve lijst. Indien een functie niet is genoemd in de bijlage, valt het hier dus niet onder. Het staat het bevoegd gezag vrij om functies onder een strengere categorie te scharen dan vereist. In H4 van het Bal worden de minimale afstanden van verschillende milieubelastende activiteiten tot kwetsbare locaties genoemd.
Plaatsgebonden risico
Artikel 5.7 Bkl bepaalt dat het plaatsgebonden risico voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen niet groter mag zijn dan 1 op de 1.000.000. In artikel 5.8 Bkl, in combinatie met de verschillende onderdelen van bijlagen VII van het Bkl en H4 van het Bal, is aangegeven bij welke afstanden aan het vereiste van artikel 5.7 Bkl wordt voldaan. Artikel 5.9 Bkl bepaalt vervolgens tot waar de afstanden gemeten dienen te worden.
Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat het bevoegd gezag het plaatsgebonden risico van maximaal 1 op de 1.000.000 niet in acht neemt maar er rekening mee houdt. Dit houdt in dat het bevoegd gezag een eventuele afwijking van dit getal moet kunnen verantwoorden, maar dat die afwijking dus eventueel wel toegestaan is.
Aandachtsgebieden
Het plaatsgebonden risico, gekoppeld aan de afstanden die daar krachtens artikel 5.8 Bkl voor gelden, zorgen voor een contour rondom het risico-object waarbinnen geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd mogen worden. De zogenaamde aandachtsgebieden voegen meer lagen aan deze contour toe.
Het Bkl kent drie soorten aandachtsgebieden: een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. Net als bij het plaatsgebonden risico worden ook voor de aandachtsgebieden de begrenzingsregels gegeven in het Bkl.
Het aanwijzen van een aandachtsgebied heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste kan in het geval van een brand- dan wel explosieaandachtsgebied het gebied worden aangewezen als brand- respectievelijk explosievoorschriftengebied. Dit heeft gevolgen voor de bouwvoorschriften waar in het gebied te realiseren gebouwen aan moeten voldoen. Ten tweede moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van minstens tien personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de risico-gevende activiteit. Het bevoegd gezag moet, net als bij het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare functies, rekening houden met dit groepsrisico. Het Bkl geeft zelf aan hoe het bevoegd gezag hier in ieder geval aan kan voldoen: er kan voor worden gekozen om geen (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties of zeer kwetsbare gebouwen te realiseren in dit aandachtsgebied. Indien deze categorieën wel worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag verplichten dat maatregelen worden getroffen voor de mensen in die locaties of door het aantal mensen in die locaties te beperken.
Een woning betreft een kwetsbaar gebouw, zodat getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: Portaal Atlas Veiligheid)
Transport gevaarlijke stoffen
Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour.
Activiteiten
In de directe nabijheid van het plangebied vinden geen omgevingsveiligheid-relevante activiteiten plaats, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van het Bkl, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving.
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Rijksbeleid
Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat het wettelijk kader voor het beschermen van waterbelangen. Hierin worden regels gegeven ter bescherming van primaire waterkeringen, de kust, grote rivieren en het IJsselmeergebied. Als een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsacitiviteit betrekking heeft op een locatie in een van deze gebieden, gelden er regels ter bescherming van waterbelangen.
De gemeente heeft de verplichting het waterbelang mee te wegen bij het vaststellen van een omgevingsplan of het verlenen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 5.37 Bkl). Hierbij moet het waterschap betrokken worden. Dit kan door middel van een wateradvies. Een wateradvies geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de wateradvies is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
Regionaal en gemeentelijk beleid
Samen met de gemeenten Hattem, Oldebroek, Elburg en het Waterschap Vallei en Veluwe heeft de gemeente Nunspeet het Beleids- en beheerplan Water en Riolering opgesteld. Dit plan is vastgesteld op 1 juni 2023. De drie zorgplichten van de gemeente - afvalwaterzorgplicht, hemelwaterzorgplicht en grondwaterzorgplicht - vormen de basis van dit gemeentelijke waterbeleid. Aan de hand van de vier thema's gezondheid, klimaatadaptatie, communicatie & educatie en energie & grondstoffen wordt inzichtelijk gemaakt waar de komende jaren op gefocust zal worden.
Voor (her)ontwikkeling van nieuwbouw worden bergingseisen. Voor nieuwbouw wordt aangesloten bij het beleid van Waterschap Vallei en Veluwe. Concreet betekent dat het realiseren van een waterberging met een inhoud van 60 mm voor elke vierkante meter verhard oppervlak. Deze eis moet ook toegepast worden voor bestaand gebied waar herontwikkeling plaatsvindt. Ongeacht de toename van verhard oppervlak wordt er gestreefd naar een inrichting waarin 60 mm waterberging voor elke vierkante meter verhard oppervlak is opgenomen.
De ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een primaire waterkering, in het kustfundament, bij grote rivieren of in het IJsselmeergebied. De instructieregels uit het Bkl met betrekking tot deze gebieden zijn daarom niet van toepassing.
Wateradvies
Het wateradvies is doorlopen om na te gaan of het waterschap positief staat tegenover het plan (bijlage 3). Hieruit blijkt dat er geen waterschapsbelangen worden geraakt.
Toetsing waterbeleid
Op grond van het Beleids- en beheerplan Water en Riolering geldt er een bergingseis van 60 mm voor elke vierkante meter verhard oppervlak. Ondanks dat er geen sprake is van een toename van verhard oppervlak, geldt deze eis wel, aangezien dit bij elke (her)ontwikkeling wordt toegepast. De twee woningen liggen in het buitengebied op een groot erf, waarvan een groot deel onverhard is. Hemelwater van de huidige woning gaat naar een put in de tuin. Eén hemelwaterafvoer van de nieuwe woning loopt ook naar deze put in de tuin, de andere hemelwaterafvoer van de nieuwe woning vloeit af op het maaiveld. De hemelwaterafvoeren van de bijgebouwen vloeien af op het maaiveld. Dit allen tezamen zorgt ervoor dat er ruim voldoende water gebergd kan worden.
Vanuit het aspect water bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
In paragraaf 5.1.4 van het Bkl wordt het wettelijk kader voor het beschermen van de gezondheid en het milieu gegeven. In deze paragraaf worden instructieregels gegeven voor luchtkwaliteit (paragraaf 5.1.4.1), geluid (paragraaf 5.1.4.2 en 5.1.4.3), trilling (paragraaf 5.1.4.4), slagschaduw van windturbines (paragraaf 5.1.4.4a), bodem (paragraaf 5.1.4.5) en geur (paragraaf 5.1.4.6). In de volgende paragrafen komen deze milieuaspecten aan bod. In de volgende paragrafen wordt per milieuaspect ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op gezondheid en milieu.
Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. Dit geldt bij een aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, voor het realiseren van een tunnel van ten minste 100 meter en bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg.
Daarnaast zijn er aandachtsgebieden aangewezen waarbinnen getoetst moet worden aan de luchtkwaliteit. Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof gaat dat om Amsterdam/Haarlem, Arnhem, Eindhoven, Etten-Leur, 's-Gravenhage/Leiden, Rotterdam/Dordrecht en Utrecht. Voor alleen fijnstof gaat het om de gemeenten Asten, Barneveld, Bernheze, Ede, Leudal, Nederweert, Scherpenzeel en Venray.
Het project draagt 'niet in betekende mate' (NIBM) bij, als de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijnstof onder de 1,2 µg/m3 blijft. Dan hoeft niet getoetst te worden aan te rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.
Effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit
De ontwikkeling is niet gelegen in een van de aandachtsgebieden uit het Bkl. Toetsing van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er hoeft niet getoetst te worden aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
Vanuit het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit.
| Stof | Jaar 2023 | Jaar 2030 | Grenswaarde | Advieswaarde |
| NO2 | 8,0 µg/m3 | 6,8 µg/m3 | 40 µg/m3 | 10 µg/m3 |
| PM10 | 13,7 µg/m3 | 12,1 µg/m3 | 40 µg/m3 | 15 µg/m3 |
| PM2,5 | 7,3 µg/m3 | 6,1 µg/m3 | 20 µg/m3 | 5 µg/m3 |
Waarden in het plangebied, omgevingswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit
Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. In de huidige situatie aan de Schotkampweg liggen de concentraties ver beneden de omgevingswaarden en in het geval van NO2 en PM10 zelfs onder deze advieswaarde. Voor wat betreft PM2,5 geldt dat er net niet wordt voldaan aan de advieswaarde, maar zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van geluidbelasting veel meer een decentrale afweging dan voorheen. In het omgevingsplan nemen gemeentes regels op waar activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen aan moeten voldoen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat.
Het Bkl stelt op rijksniveau regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen in afdeling 3.5. In plaats van geluidzones zal er worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden en geluidproductieplafondwaarden (gpp).
Een geluidsaandachtsgebied is een gebied rondom bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen.
Een ggp is het gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het gpp geeft aan hoeveel geluid maximaal is toegestaan op een geluidreferentiepunt. Het bevoegd gezag monitort het geluid op dit punt.
Een woning wordt beschouwd als een geluidsgevoelig gebouw, waardoor nagegaan of de locatie is gelegen in een geluidsaandachtsgebied of geluidsproductieplafond. De locatie is niet gelegen binnen een geluidsproductieplafond van een (spoor)weg of industrieterrein. Wel ligt het plan op korte afstand van wegen, namelijk de Schotkampweg en de naastgelegen Stakenbergweg. Echter wordt de Schotkampweg, gezien de ligging, enkel incidenteel voor aanwonend verkeer gebruikt. De naastgelegen Stakenbergweg ligt op een afstand van circa 100 meter van het plangebied. Voor onderhavig initiatief is de kaart Omgevingsgeluid van de Atlas Leefomgeving bestudeerd. Op deze kaart is zichtbaarhoeveel geluid deze weg vroorzaakt.
Uitsnede kaart geluid wegverkeer met aanduiding plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)
Uit bovenstaande kaart blijkt dat in het plangebied een geluidsbelasting van onder de 45 dB geldt. Dit is ruim onder de voorkeurswaarde van 48 dB. Er zal voldaan worden aan de geldende akoestische normen. Nader akoestisch onderzoek is niet benodigd.
Vanuit het aspect akoestiek bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen.
In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.
De beoogde ontwikkeling vindt plaats op een afstand van meer dan 250 meter van een spoor, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over trilling.
In paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl worden regels gesteld voor slagschaduw van windturbines. Het gaat hierbij om regels voor windturbines met een rotordiameter van 2 meter of meer die langer dan 10 jaar ergens zullen staan. Slagschaduwgevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebruik (artikel 5.98b Bkl). De gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met de aanvaardbaarheid van slagschaduw van windturbines. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.3.18 van de Bruidsschat en zijn gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit, zolang de gemeente deze regels nog niet heeft verplaatst en/of aangepast.
De beoogde ontwikkeling is niet gelegen in de buurt van een windturbine, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over slagschaduw.
In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.2.3 en 22.3.7 van de Bruidsschat.
De regels voor bodem zijn berust op drie pijlers:
Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Onderhavig initiatief betreft een wijziging naar een woonfunctie op een locatie waar nu de 'agrarische functie is toegestaan. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van vervuilende stoffen is er een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en 5740 uitgevoerd (bijlage 4). Uit het uitgevoerd bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Daarnaast zijn er de volgende aanbevelingen:
Daarnaast is in het verleden asbest verwijdert uit onderhavig pand. Dit blijkt uit bijgevoegde documenten met daarin een rapportage van de visuele eindcontrole (bijlage 5).
Vanuit het aspect bodem bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan.
De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een 'bebouwingscontour geur' vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een 'hoge bescherming' en daarbuiten een 'lage bescherming'. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan.
Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en bouten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour.
Onderhavig initiatief betreft het omzetten van een deel van een schuur naar een woning. Een woning betreft een geurgevoelig gebouw. De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom.
Omdat op de locatie Schotkampweg 179 op 18 maart 2000 sprake was van een veehouderij, blijft ook voor de voormalige bedrijfswoning de vaste afstanden gelden ten aanzien van geurbelasting van omliggende bedrijven. Ook voor de extra woning gelden deze vaste afstanden, omdat dit samenhangt met het buiten werking stellen van het dierenverblijf. Deze vaste richtafstand is 50 meter tussen een geurgevoelig gebouw en een agrarisch bedrijf. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf is gelegen op een afstand van circa 270 meter van het plangebied. Deze is ruim buiten de richtafstand van 50 meter gelegen. Doordat het dichtsbijzijnde agrarische bedrijf op zeer ruime afstand van de planlocatie is gelegen, en door de aard en omvang van de veehouderijen in de omgeving, kan worden aangenomen dat er ook geen sprake is van een cumulatieve geurbelasting op de locatie.
Er bestaan vanuit het aspect geur geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking) en over cultureel erfgoed. De ontwikkeling is niet in of nabij de kust, de Waddenzee of het Waddengebied gelegen, waardoor die instructieregels niet van toepassing zijn. De laatste twee onderwerpen, de laddertoets en cultureel erfgoed, komen in de volgende paragrafen aan bod.
Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met:
Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Allereerst moet beoordeeld worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen of de nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies bij een ruimtebeslag van 500 m2. Onderhavig initiatief betreft de realisatie van extra 1 woning. Gezien het aantal woningen ruim onder de grens van nieuwe stedelijke ontwikkeling valt, wordt geconcludeerd dat het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk wordt geacht
Onderhavig initiatief is niet strijdig met het oogmerk van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over:
Tot dat de gemeentes regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat.
Op de planlocatie geldt een archeologische verwachtingswaarde 2. Hiervoor geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m2 waarbij voor de gehele oppervlakte werkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden, een archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling zal er niet gegraven worden om het plan te realiseren. De gestelde norm zal niet worden overschreden. Archeologisch onderzoek is daarom niet benodigd.
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende omgevingsplan. Wel kent een deel van het plangebied de aanduiding 'Waarde - Jonge heideontginning'. Hiermee worden onder meer cultuurhistorische waarden beschermd. Onderhavig initiatief betreft enkel een inpandige functiewijziging. De aanwezige kenmerken van een jonge heideontginning worden niet aangetast. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.
Vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter - en goedkoper - gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.
In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangsinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes.
Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Daarnaast is er in het plangebied geen openbare buitenruimte aanwezig, waardoor er geen rekening hoeft te worden gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking.
Er moet te allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora- en fauna-activiteit' is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.
Gebiedsbescherming
Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000-gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.
Stikstofdepositie
Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.
Zorgplicht
Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt te allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.
Ten aanzien van onderhavig initiatief is er in april 2024 een natuurwaarde onderzoek uitgevoerd (bijlage 6). Uit dit Natuurwaardenonderzoek is gebleken dat bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden er geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden. Tevens dient er geen nadere toetsing plaats te vinden of er een vergunningplicht geldt voor Natura 2000-activiteit.
Gebiedsbescherming
Natura 2000
De locatie is gelegen op korte afstand (circa 30 meter) van Natura 2000-gebied. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt het beëindigen van een paardenhouderij juridisch planologisch vastgelegd. Met het beëindigen van deze bron wordt een significante bron van stikstofemissie tenietgedaan. Dit heeft een positief effect op de stikstofdepositie in de omgeving.
Daarnaast wordt er een woning gelegaliseerd in de voorzijde van de bestaande schuur. Doordat dit plaatsvindt in bestaande legale bebouwing, is er geen sprake van een 'realisatiefase'. Enkel het gebruik leidt tot een stikstofdepositie. De gebruiksfase van één woning beperkt zich in dit geval tot gasverbruik voor het verwarmen (wat in de voorgaande situatie bij gebruik als schuur ook al gebeurde) en de verkeersgeneratie. Dit gebruik valt echter in het niet bij de stikstofdepositie die vervalt vanwege de voormalige paardenhouderij. Om die reden is het dan ook aannemelijk dat het aspect 'stikstof' de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg zit.
Natuurnetwerk Nederland
De planlocatie is gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland (Natuurnetwerk Gelderland). Aangezien het plangebied buiten het Natuurnetwerk en de groene ontwikkelingszone valt wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is.
Soortbescherming
Flora
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Vleermuizen
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Zoogdieren
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Vogels
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Overige soorten
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Houtopstanden
Er worden geen bomen gekapt. Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Vanuit het aspect flora en fauna bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen.
Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn.
Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave 'Handreiking activiteiten en milieuzonering' uit 2024 worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald.
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.
De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de met de afwisseling van functies wonen, natuur en agrarisch, worden gekarakteriseerd als gemengd gebied.
Een woning kan worden gezien als een gevoelige functie. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk andere woningen en natuur aanwezig. Voor een beoordeling van de aspecten geluid en geur wordt verwezen naar de paragrafen 5.5 en 5.9.
Direct ten zuiden van de planlocatie ligt een agrarisch perceel. Op basis van jurisprudentie moet 50 meter aangehouden worden tussen agrarische percelen en gevoelige objecten. Dit vanwege mogelijke gevolgen voor de gezondheid door het gebruik van bestrijdings- en/of gewasbeschermingsmiddelen. Deze afstand hoeft niet aangehouden te worden indien het omgevingsplan dit gebruik expliciet verbied. Indien niet aan deze afstand kan worden voldaan zijn er twee opties:
De woningen liggen binnen de 50 meter van het agrarische perceel. De woning aan Schotkampweg 179 betreft een bestaande woning die enkel wordt omgezet van bedrijfswoning naar reguliere woning. De feitelijke situatie wijzigt niet. De (planologisch) nieuw te realiseren woning zit aan de voorzijde van de schuur. Het achterste gedeelte van de schuur zit tussen de woning en de agrarische percelen. Dit vormt een barrière voor eventuele schadelijke bestrijdgings- en/of gewasbeschermingsmiddelen. Om die reden is er voor het toevoegen van deze woning geen belemmering vanuit spuitzonering.
De paardenbak ligt (te) dichtbij de woonfuncties. Echter, de paardenbak is in de huidige situatie ook al aanwezig. Met de ontmanteling van de paardenhouderij verkleind de milieubelasting op de omgeving. Om die reden wordt het aanvaardbaar geacht de paardenbak te behouden, omdat het totale plan leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat.
Een woning wordt niet gezien als een overlastgevende functie.
Vanuit milleubelastende overwegingen zijn er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig initiatief.
Duurzame leefomgeving
Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.
Klimaatbestendigheid
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
Energietransitie
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de wettelijke normen en vereisten, en aangesloten bij de gestelde duurzaamheidskaders. Op het bijgebouw zullen zonnepanelen geplaatst worden.
Op basis van de parkeernota Nunspeet 2014 kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Voor een vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen per woning. Voor onderhavig initiatief met 1 woning geldt dan een parkeernorm van 3 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om aan deze parkeernorm te voldoen.
Het plangebied wordt ontsloten via de Schotkampweg. In de gewenste situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024, Basis voor parkeernormering'. Hierin is gekeken naar een vrijstaande koopwoning met een minimale verkeersgeneratie van 7,8 mvt/etmaal per woning. Dit komt neer op een verkeersaantrekkende werking van 8 mvt/etmaal.
Daar de parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden, vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De verkeersbewegingen nemen met onderhavig initiatief toe met minimaal 8 mvt/etmaal. Gezien de ligging en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied. Daarnaast is de gewenste situatie als jaren de feitelijke situatie in het plangebied. Gezien er in de huidige situatie geen belemmeringe worden ervaren in de verkeersafwikkeling, zal dat in de toekomst naar verwachting ook zo zijn.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Uit het geldende Omgevingsplan van de gemeente Nunspeet is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.
De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (SMB-richtlijn).
De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.
Voorliggende ontwikkeling wordt niet gezien als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor niet beoordeeld hoeft te worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Voorliggend plan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.
De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.
Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te ‘ponsen’. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels:
Artikel 1 (Toepassingsbereik)
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven.
In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig is met het TAM-omgevingsplan.
In dit artikel staan pecifieke gebruiksregels m.b.t. onzelfstandige bewoning
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het TAM-omgevingsplan af te wijken.
In de overige regels zijn voorschriften opgenomen om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of voldoende laad- en losruimte alsook aanvullende welstandscriteria.
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
Een TAM-Omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Nunspeet (bestemmingsplan 'Buitengebied 2023'). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.
Groen
Onder de functie 'groen' is de groenstrook rondom het plangebied gebracht. Deze is bedoeld als beplanting tussen naastgelegen percelen.
Wonen
De bestaande woning heet de functie "Wonen" gekregen. Het gaat hier om een woning op een voormalig agrarisch perceel. De nieuwe woning bevindt zich in het voormalige agrarisch gebouw. Per vlak is een woning toegestaan, Nieuwbouw van woningen is beleidsmatig niet toegestaan. Wel kan een bestaande woning worden gesloopt en vervangen door een nieuwe woning. Naast de woningen blijft er een paardenbak bestaan hetwelk hobbymatig gebruikt zal worden.
Waarde - Archeologie 2
De gebieden die in de archeologische waardenkaart zijn aangeduid als gebieden met een hoge verwachtingswaarde vallen onder de beschermingscategorie Waarde - Archeologie 2. In deze gebieden is archeologisch onderzoek nodig als er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m², waarbij grondroerende werkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden. Uit dit onderzoek zal moeten blijken op welke wijze meegewerkt kan worden aan een ingreep. Het kan zijn dat er geen waarden worden aangetroffen, in welk geval de ingreep zonder verdere voorwaarden kan worden uitgevoerd. Het kan ook zijn dat er wel archeologische resten worden gevonden, in welk geval één of meer voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Voor werken en werkzaamheden, anders dan bouwen, groter dan 2500m² is een vergunning vereist. Een omgevingsvergunning is niet vereist voor werken en werkzaamheden onder bestaande gebouwen of in een zone van 5 meter rondom bestaande gebouwen.
Waarde - Jonge heideontginning
De naam 'kolonie' had in de 19de eeuw betrekking op armoedige behuizingen en hutten die op jonge ontginningen en op de heide neergezet waren.
In de 19de eeuw probeerde de overheid delen grond planmatig te ontginnen, zodat armere mensen een plek hadden waar zij een bestaan konden opbouwen. Dit had onder andere te maken met een snelle bevolkingsgroei in de eerste helft van de 19de eeuw. In veel gevallen ging het om de wat armere grond die overgebleven was na eeuwenlang landgebruik tot 1800. Op oude kaarten is te zien dat het gebied zompig was. Dit verklaart niet alleen de naam 'Veenweg', maar geeft ook aan waarom dit land nog niet in gebruik was genomen.
Bij Elspeet liggen de Grote en Kleine Kolonie. Het gaat hier om twee nederzettingen voor armere bewoners op de heide, in dit geval de Elspeter velden. De gemeente gaf de heide in erfpacht uit aan boeren in 1846.
In Bijlage 2 bij de regels zijn hoofdstuk 3 onder 3.4.4. de kenmerken en waardevolle elementen beschreven. Daarbij is ook aangegeven waar rekening mee moet worden gehouden bij ruimtelijke ingrepen.
In het omgevingsvergunningenstelsel zijn een aantal werken en werkzaamheden pas mogelijk nadat een omgevingsvergunning is verleend. Bij de afweging van deze vergunningen zal telkens rekening worden gehouden met hetgeen in paragraaf 3.4.4. is omschreven.
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Omgevingswet. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft nadeelcompensatie zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.
Ten aanzien van onderhavig initiatief heeft er participatie plaatsgevonden met de omwonenden van het plangebied. Dit is geschied conform de omgevingsdialoog gemeente Nunspeet, zoals omschreven in het participatiebeleid van de gemeente. Uit de participatie blijkt dat de omgeving geen probleem heeft met onderhavige ontwikkeling.
In voorbereiding op dit TAM-IMRO plan zijn er diverse overleggen met de gemeente gevoerd, waarin uiteindelijk besloten is deze ontwikkeling mogelijk te maken. Gezien de noodzaak tot het sluitend wijzigen van het omgevingsplan (van rechtswege) is een procedure middels een BOPA niet toereikend aangezien dan op de oude locatie het planologisch regime alsnog een woonark toestaat hetgeen niet de bedoeling is. Aangezien de gemeente Nunspeet nog geen nieuw omgevingsplan heeft dat van kracht is anders dan het omgevingsplan van rechtswege is de TAM-IMRO procedure dus de aangewezen manier om het planvoornemen planologisch te regelen.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende stukken hebben voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen op het ontwerp TAM-omgevingsplan ingediend.