direct naar inhoud van REGELS
Plan: TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0302.TAM0022n-vg01

REGELS

Preambule

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Schotkampweg 179 te Elspeet en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22n) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22n van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22n' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22n' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het eerste lid.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Schotkampweg 179 te Elspeet, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAM0022n-vg01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken

2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.43 gehanteerd.

2.3 Plan

Het TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022n-vg01 van de gemeente Nunspeet.

2.4 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022n-vg01 met de bijbehorende regels.

2.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.6 aan huis verbonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch,archeologische waarde therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk te stellen gebied, uitgezonderd prostitutie, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend door de gebruiker, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.7 archeologische waarde

de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

2.8 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

2.9 bebouwingsgebied

achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

2.10 bed & breakfast

een bedrijfsmatige voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als toeristisch-recreatieve activiteit, welke bedrijfsmatige voorziening ondergeschikt is aan de hoofdfunctie;

2.11 bedrijf

een bedrijfseconomische eenheid; onder eenheid worden ook verstaan rechtspersonen die ruimtelijk als één bedrijf optreden. Onder bedrijf - buitengebied gerelateerd wordt begrepen een bedrijf dat vanwege de aard van de bedrijfsvoering past in het buitengebied;

2.12 bedrijfsmatig

in de uitoefening van een beroep of bedrijf of tegen vergoeding;

2.13 bedrijfswoning/beheerderswoning/dienstwoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is voor beheer of toezicht;

2.14 bestaande

bestaand en legaal aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

2.15 bijbehorend bouwwerk

functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

2.16 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

2.17 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; indien en voorzover twee bouwpercelen middels de figuur relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel;

2.18 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

2.19 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.20 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.21 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied (waaronder begrepen landschapselementen) toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

2.22 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

2.23 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.24 erf

een al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een woning en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van de woning;

2.25 erfbeplanting

afschermende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bouwvlak van een agrarisch bedrijf of binnen of direct aansluitend aan een ander bedrijf of een woning;

2.26 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.27 huishouden

een verzameling van één of meerdere personen die samen één zelfstandig huishouden vormen dat zich kenmerkt door continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid;

2.28 inwoning

twee huishoudens in een woning waarbij er sprake is van een hoofdtoegang, die toegang verschaft tot een gemeenschappelijke hal van waaruit rechtstreekse toegang tot de beide woonruimtes wordt verschaft en waarbij er sprake blijft van één aansluiting op de nutsvoorzieningen;

2.29 kleine windturbine

een bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind;

2.30 landschappelijke inpassing

inpassing in het omringende landschap door bij de situering in te spelen op de landschappelijke kenmerken en/of door het gebruik van beplanting die past bij het landschapstype ter plaatse, om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen;

2.31 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde, in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

2.32 normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de functie;

2.33 paardenbak

een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;

2.34 peil
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
    de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd:
    het plaatselijke niveau ten opzichte van Nieuw Amsterdams Peil;
  • d. indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil;
2.35 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding;

2.36 recreatiewoning

een gebouw dat dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben;

2.37 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.38 stacaravan

een gebouw, bestaande uit een lichte constructie, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf en dat binnen 24 uur demontabel is. De stacaravan mag niet zijn/worden opgebouwd uit steenachtige materialen;

2.39 trekkershut

een kleinschalig gebouw, bestaande uit een lichte constructie, dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor kortdurend recreatief nachtverblijf en niet is opgebouwd uit steenachtige materialen met uitzondering van fundering;

2.40 verbeelding

de digitale verbeelding van het Plan TAM - omgevingsplan Schotkampweg 179, Hoofdstuk 22n.

2.41 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een woning of, bij onduidelijkheid daarover, de als zodanig door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

2.42 woning

een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

2.43 woonhuis

een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat;

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen:

3.1 Gebouwen en bouwwerken
3.1.1 De breedte van een gebouw:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren.

3.1.2 De dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.1.3 De goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Wolfseinden worden hieronder niet begrepen.

3.1.4 De bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.1.5 De inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.1.6 De oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bouwonderdelen zoals goten, dakoverstekken en in dakoverstekken geïntegreerde goten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen met een oversteek van meer dan 75 cm worden in de oppervlakte meeberekend.

3.1.7 De hoogte van een windturbine:

De hoogte van een windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan:

  • 1. bij een horizontale as-turbine: de (wieken)as van de windturbine;
  • 2. bij een verticale as-turbine: de bovenzijde van de rotor;
3.1.8 De vloeroppervlakte van een beroeps- en/of bedrijfsactiviteit:

tussen de binnenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren van de ruimtes die in gebruik zijn voor de beroeps- en/of bedrijfsactiviteit.

3.2 Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders aangegeven:

  • a. voor lengten in meters (m);
  • b. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  • c. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  • d. voor verhoudingen in procenten (%);
  • e. voor hoeken/hellingen in graden (º).

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Agrarisch

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

5.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch' heeft de volgende functies:

  • a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. het weiden van vee, anders dan in het kader van de uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • c. bos- en/of natuurelementen met een oppervlakte van minder dan 2 hectare;
  • d. bestaande wegen, wandel-, fiets- en ruiterpaden, toegangswegen;
  • e. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water, niet zijnde voorzieningen ten behoeve van ijsbanen of siervijvers;
  • f. een paardenbak, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak';
  • g. teeltondersteunende voorzieningen;
  • h. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarde en de landschappelijke waarde van de gronden;

met daarbijbehorende veldschuren, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en andere werken.

5.3 Bouwactiviteit - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 5.2.

5.4 Bouwactiviteit - nadere regels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden ook de volgende beoordelingsregels.

5.4.1 Gebouwen

Er mogen geen gebouwen worden gebouwd.

5.4.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer dan 0,3 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van lichtmasten ten behoeve van de paardenbak mag niet meer dan 6 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag niet meer dan 1,5 m bedragen.
5.5 Bouwactiviteit - vergunningplicht
5.5.1 Nieuwe schuilgelegenheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nieuwe schuilgelegenheid te bouwen. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. de schuilgelegenheid alleen wordt gebouwd en gebruikt ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren;
  • b. de omgevingsvergunning alleen wordt verleend voor een periode van maximaal 5 jaar; na de periode van 5 jaar kan na een nieuwe beoordeling eventueel een verlenging plaatsvinden;
  • c. in afwijking van sub a kan een omgevingsvergunning voor een tijdelijke schuilgelegenheid worden verleend wanneer het gaat om het bedrijfsmatig houden van dieren, waarbij deze vergunning dan alleen seizoensgebonden wordt verleend voor de periode tussen 1 maart en 1 november;
  • d. de schuilgelegenheid aantoonbaar noodzakelijk en doelmatig is in het kader van dierenwelzijn;
  • e. aanvrager niet in de nabijheid woont van het weiland waar het vee loopt/graast waardoor er niet aangehaakt kan worden bij bestaande bebouwing en er een behoefte bestaat aan een solitaire schuilgelegenheid;
  • f. de oppervlakte van de schuilgelegenheid niet meer dan 30 m2 bedraagt;
  • g. de bouwhoogte van de schuilgelegenheid niet meer dan 3 m bedraagt;
  • h. de goothoogte van de schuilgelegenheid niet meer dan 2 m bedraagt;
  • i. de schuilgelegenheid enkel uit houten wanden bestaat of eventueel uit wanden met een houtachtige uitstraling;
  • j. de schuilgelegenheid ten minste één zijde heeft die voor tweederde open moet zijn;
  • k. de schuilgelegenheid niet zodanig mag worden uitgerust waardoor permanent verblijf van dieren mogelijk is;
  • l. er geen buitenopslag mag plaatsvinden;
  • m. de aanvrager van een schuilgelegenheid minimaal 2.000 m2 aaneengesloten agrarische percelen in eigendom dan wel in gebruikt heeft;
  • n. per aanvrager maximaal 1 schuilgelegenheid is toegestaan;
  • o. voorafgaand aan de aanvraag een onderzoek dient plaats te vinden of geen gebruikgemaakt kan worden van bestaande bebouwing;
  • p. de schuilgelegenheid landschappelijk ingepast dient te worden, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het bestaande landschap en/of bestaande landschapselementen en/of aangrenzende bebouwing;
  • q. alle aanvragen om een schuilgelegenheid dienen getoetst te worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
5.5.2 Teeltondersteunende voorzieningen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning teeltondersteunende voorzieningen te bouwen boven de 0,3 meter. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. de hoogte is maximaal 1,5 m;
  • b. de noodzaak aannemelijk is gemaakt;
  • c. de tijdelijkheid van twee maanden is verzekerd;
  • d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
5.5.3 Afrasteringen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning afrasteringen te bouwen boven de 1,5 m. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. De bouwhoogte is maximaal 2 m.
  • b. De afrastering is ter voorkoming van wildschade.
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
5.5.4 Opwekking zonne-energie

Het is verboden zonder omgevingsvergunning zonnepanelen en bijbehorende constructies en installaties te bouwen. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte is maximaal 4 meter op of boven maaiveld;
  • b. de bouwwerken landschappelijk worden ingepast;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
  • d. bij aanvragen in de directe nabijheid van de Natura 2000-gebieden Veluwe en Veluwerandmeren, kan alleen een omgevingsvergunning worden verleend als aangetoond is dat er geen significant negatieve effecten op de wettelijke instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden zullen optreden;
  • e. de oppervlakte van zon op land (zonnevelden) mag maximaal 200 m2 bedragen, en dienen op of aansluitend aan een erf te worden aangelegd, waarbij aanvragen worden getoetst aan het Beleidskader Zonne-energie gemeente Nunspeet;
  • f. aanvragen getoetst dienen te worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
5.6 Gebruiksactiviteit - strijdig gebruik

Tot een met het TAM-omgevingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken voor opslag;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor verharding, anders dan bedoeld in lid 5.2 onder d, met uitzondering van koepaden met een oppervlakte van niet meer dan 200 m²;
  • d. het aanleggen en/of bouwen van kuilvoerplaten, sleufsilo's en voorzieningen ten behoeve van de opslag van mest en/of voer;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de opwekking van zonne-energie, tenzij een vergunning is verleend op grond van 5.5.4.

Artikel 6 Groen

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Groen'.

6.2 Functieomschrijving

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplantingen;
  • b. speelvoorzieningen;
  • c. kunstobjecten en speeltoestellen;
  • d. paden;
  • e. opritten ten behoeve van woningen
6.3 Bouwactiviteit - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 6.2.

6.4 Bouwactiviteit - nadere regels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. Op of in deze gronden zoals bedoeld in 6.2 mogen geen gebouwen worden gebouwd, tenzij de gebouwen worden gebouwd ten behoeve van speelvoorzieningen en speeltoestellen;
  • b. De bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • c. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 m bedragen.

Artikel 7 Wonen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Wonen'.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:

met daarbijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken, tuinen en erven.

7.3 Bouwactiviteit - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 7.2.

7.4 Bouwactiviteit - nadere regels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden ook de volgende beoordelingsregels.

7.4.1 Hoofdgebouwen bouwen

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
  • b. de afstand van een woonhuis ten opzichte van de weg zal ten minste de bestaande afstand bedragen;
  • c. de oppervlakte van een woonhuis mag niet meer dan 120 m2 bedragen. Indien de bestaande oppervlakte groter is dan 120 m2 mag de oppervlakte van een woonhuis (inclusief, indien van toepassing, niet woongedeelten binnen het oorspronkelijke boerderijpand) ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen;
  • d. de goothoogte mag niet meer dan 4 m bedragen, tenzij de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte mag bedragen;
  • e. de bouwhoogte mag niet meer dan 9 m bedragen, tenzij de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte mag bedragen;
  • f. de dakhelling mag niet minder dan 15° bedragen;
  • g. kelders mogen uitsluitend worden gerealiseerd loodrecht onder het woonhuis, inclusief de aangebouwde bijbehorende bouwwerken, tot een diepte van niet meer dan 3,50 m;
  • h. de afstand tot de bouwperceelgrens moet ten minste 3 m bedragen;
7.4.2 Bijbehorende bouwwerken bouwen

In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken:

  • a. een bijbehorend bouwwerk moet worden gesitueerd op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevel van het woonhuis, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval de afstand tenminste de bestaande afstand mag bedragen;
  • b. een vrijstaand bijbehorend bouwwerk moet worden gesitueerd op een afstand van ten hoogste 25 m van het dichtstbijzijnde punt van het woonhuis;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer bedragen dan 110 m². Indien het bebouwingsgebied groter is dan 500 m², mag de gezamenlijke oppervlakte worden vermeerderd met 10% van de oppervlakte van het bebouwingsgebied vanaf 500 m² tot een maximum van 150 m², waarbij geldt dat:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per woning niet meer mag bedragen dan 200 m², indien sprake is van het houden van dieren, waarbij minimaal 50 m2 wordt gebruikt voor het stallen van vee, en waarbij aansluitend aan het functievlak minimaal 5.000 m2 agrarische grond als zodanig in gebruik is bij de bewoner van de woning, welk gebruik aantoonbaar van langere duur moet zijn en waarbij tevens sprake moet zijn van een beperkte veebezetting;
  • d. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 3,50 m bedragen, tenzij de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte mag bedragen;
  • e. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 6 m bedragen, tenzij de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte mag bedragen;
  • f. de afstand tot de bouwperceelgrens moet ten minste 3 m bedragen;
  • g. vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet worden voorzien van een kelder.
7.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwen

In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken:

  • a. indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1,5 m bedragen;
  • b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedragen.
7.5 Bouwactiviteit - vergunningsplicht
7.5.1 Afstand woonhuis tot de weg

Met een omgevingsvergunning is een kortere afstand tot de weg dan het bepaalde in 7.4.1 onder b toegestaan. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
  • b. voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in Artikel 11 Algemene bouwregels;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.5.2 Oppervlakte woonhuis bij nieuwbouw of verbouw

Met een omgevingsvergunning is een groter oppervlak van een woonhuis dan 120 m2, zoals bepaald in 7.4.1 onder c, toegestaan. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. het oppervlak bedraagt niet meer dan 140 m2;
  • b. het boerderijvormen betreft met cultuurhistorische en/of architectonische waarde en een lage goot- en bouwhoogte;
  • c. de vergroting van de oppervlakte bijdraagt aan de cultuurhistorische waarde;
  • d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld en de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
7.5.3 Oppervlakte woonhuis ten behoeve van inwoning

Met een omgevingsvergunning is een groter oppervlak van een woonhuis dan 120 m2, zoals bepaald in 7.4.1 onder c, toegestaan. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. het oppervlak bedraagt niet meer dan 140 m2;
  • b. de uitbreiding vindt plaats ten behoeve van inwoning waarvoor een omgevingsvergunning is of wordt verleend als bedoeld in 7.7.4.
7.5.4 Bouw erkers en serres

Met een omgevingsvergunning is een groter oppervlak van een woonhuis dan 120 m2, zoals bepaald in 7.4.1 onder c, toegestaan. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. de vergroting is ten behoeve van de bouw van erkers of serres;
  • b. de erker of serre mag niet meer bedragen dan 12 m2.
7.5.5 Goothoogte bij waardevol pand

Met een omgevingsvergunning is een afwijkende goothoogte toegestaan dan is bepaald in 7.4.1 onder d en 7.4.2 onder d. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. de afwijkende goothoogte draagt bij aan de historische, cultuurhistorische en/of architectonische waarde;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 6 meter;
  • c. de afwijking wordt in ondergeschikte mate voor delen van het gebouw toegepast.
7.5.6 Bouwhoogte woonhuis

Met een omgevingsvergunning is een hogere bouwhoogte van een woonhuis toegestaan dan is bepaald in 7.4.1 onder e. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter;
  • b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.5.7 Dakvorm

Met een omgevingsvergunning is een andere dakvorm toegestaan dan is bepaald in 7.4.1 onder f. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. het bebouwingsbeeld wordt hier niet onevenredig door aangetast.
7.5.8 Afstand bijbehorend bouwwerk tot voorgevel woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan er een andere afstand van het bijbehorend bouwwerk tot de voorgevel van het woonhuis, zoals bepaald in 7.4.2 onder a, toegestaan worden. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.5.9 Afstand vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan een vrijstaand bijbehorend bouwwerk op een afstand meer dan 25 meter van het dichtsbijzijnde punt van het woonhuis, zoals bepaald in 7.4.2 onder b , gesitueerd worden. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. er binnen de afstand van 25 m redelijkerwijs geen ruimte aanwezig is voor de bouw van het vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.5.10 Afstand tot bouwperceelgrens

Met een omgevingsvergunning kan een andere afstand tot de bouwperceelgrens dan bepaald in 7.4.1 onder h en 7.4.2 onder f toegestaan worden. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.5.11 Vergroten woonruimte

Met een omgevingsvergunning kan ten behoeve van een grotere woonruimte met behoud van de waarde van het kleine woonhuis, de vereiste ondergeschiktheid van bijbehorende bouwwerken qua afmetingen aan het hoofdgebouw zoals bepaald in 7.4.1 en 7.4.2 losgelaten worden. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. er sprake is van een architectonisch hoogwaardig bouwplan waarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de waarden van het kleine woonhuis;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken ten hoogste 200 m² zal bedragen;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk ten hoogste 4,50 m zal bedragen;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk ten hoogste 9,00 m zal bedragen;
  • e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.6 Gebruiksactiviteit - strijdig gebruik

Tot een met het TAM-omgevingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van een grondwal;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis en de daarbijbehorende bouwwerken voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, met dien verstande dat dit is toegestaan indien:
    • 1. ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het woonhuis met de daarbijbehorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep en/of de kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, mits deze gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m²,
    • 2. de uitstraling als woning intact blijft;
    • 3. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu;
    • 4. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer en geen nadelige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
    • 5. geen detailhandel wordt uitgeoefend;
    • 6. geen sprake is van reclame-uitingen en buitenopslag;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis voor meer dan één woning;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardenbak;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeve van bewoning;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;
  • g. het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis ten behoeve van een extra huishouden;
  • h. het gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van bewoning van bijbehorende bouwwerken - die al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn gerealiseerd - waarin de bewoning in verband met mantelzorg niet binnen drie maanden is beëindigd;
7.7 Gebruiksactiviteit - vergunningsplicht
7.7.1 Woningsplitsing

Met een omgevingsvergunning kan, anders dan bepaald in 7.6 onder c en artikel 2.42, woningsplitsing worden toegestaan, in die zin dat twee woningen in 1 woonhuis woren gevestigd. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. het de oorspronkelijke woning betreft;
  • b. de inhoud van de twee woningen tezamen niet minder dan 700 m3 bedraagt;
  • c. de woningsplitsing uit milieu-oogpunt toelaatbaar is, waaronder begrepen geluid en externe veiligheid;
  • d. door de woningsplitsing de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • e. de woningsplitsing passend is in het geldende woningbouwbeleid;
  • f. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.7.2 Mantelzorg

Met een omgevingsvergunning kan, anders dan bepaald in 7.6 onder e, een aangebouwd of vrijstaand bouwwerk of aparte unit bij een woning gebruikt worden voor bewoning. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. bewoning plaatsvindt ten behoeve van mantelzorg;
  • a. de zorgbehoefte objectief aannemelijk is gemaakt;
  • b. verzekerd is dat na beëindiging van de mantelzorg het bijbehorend bouwwerk ongeschikt wordt gemaakt voor bewoning ten behoeve waarvan een overeenkomst wordt gesloten;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeerssituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.7.3 Bed & breakfast

Voor de beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bed & breakfast wordt verwezen naar artikel 14.2 Bed & breakfast.

7.7.4 Inwoning

Met een omgevingsvergunning is het, anders dan het bepaalde in 7.6 onder g, toegestaan dat een woonhuis wordt gebruikt voor meer dan één huishouden ten behoeve van inwoning. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. Het gaat om de huisvesting van één extra huishouden van één of twee personen;
  • b. de vloeroppervlakte van het inwoondeel niet meer dan 60 m² mag bedragen;
  • c. de inwoning wordt gerealiseerd op de begane grond waarbij minimaal 30 m² in het architectonische hoofdgebouw wordt gerealiseerd.
7.8 Aanlegactiviteit - vergunningsplicht
7.8.1 Vergunningsplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • het vellen of rooien van houtopstanden, houtwallen, singels, bomenrijen, boomgroepen en bos, voorzover dat in de Bomenverordening is bepaald.
7.8.2 Uitzondering

Het bepaalde in 7.8.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die;

  • a. normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen;
  • b. worden uitgevoerd krachtens een vastgesteld beheersplan.
7.8.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden als bedoeld in 7.8.1 kan slechts worden verleend, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 2

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'.

8.2 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen locatie heeft, naast voor de andere daar voorkomende functie(s), mede de volgende functie:

  • a. het beschermen en het behouden van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.
8.3 Bouwactiviteit - vergunningplicht
8.3.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen

Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 120 m2 waarbij voor de gehele oppervlakte werkzaamheden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd waarin naar het oordeel van het van het bevoegd gezag is aangetoond dat:

  • a. geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel
  • b. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel
  • c. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord.
8.3.2 Omgevingsvergunning voor het bouwen zonder rapport

In afwijking van artikel 8.3.1 behoeft geen rapport te worden overgelegd indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

8.3.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

Indien uit het in lid 8.3.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord, kunnen één of meer van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, en/of;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificatie.
8.4 Aanlegactiviteit - vergunningsplicht
8.4.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen van het waterpeil;
  • c. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in 8.4.1 is niet van toepassing indien:

  • a. de werken of werkzaamheden worden verricht op of in gronden onder bestaande gebouwen dan wel op of in gronden die 5 m rondom bestaande gebouwen zijn gelegen;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek naar het oordeel van het van het bevoegd gezag is aangetoond dat:
    • 1. geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel
    • 2. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel
    • 3. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord;

danwel

  • c. op basis van archeologisch onderzoek door het bevoegd gezag is bepaald dat bescherming van archeologisch materiaal afdoende kan plaatsvinden door aan de omgevingsvergunning een van de volgende voorwaarden te verbinden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
    • 3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumenten-zorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificatie.
  • d. het werken betreft op een geringere diepte dan 0,50 m onder maaiveld;
  • e. het werken betreft op een groter diepte dan 0,50 m onder maaiveld maar met een kleiner oppervlakte dan 2500 m2.

Artikel 9 Waarde - Jonge heideontginning

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Jonge heideontginning'.

9.2 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Jonge heideontginning ' aangewezen locatie heeft, naast voor de andere daar voorkomende functie(s), mede de volgende functie:

  • a. het beschermen en het behouden en/of het herstellen van de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden zoals deze tot uitdrukking komen in de openheid, de wegenstructuur en de beplantingstructuur en zoals deze zijn vastgelegd in paragraaf 3.4.4. in Bijlage 2.
9.3 Aanlegactiviteit - vergunningsplicht
9.3.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. de wijziging van de waterhuishouding of van waterstanden beogen of ten gevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten ;
  • b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en het aanleggen van oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
  • d. het aanleggen van nieuwe waterlopen en het vergraven, verbreden en dempen van bestaande waterlopen en vennen;
  • e. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;
  • f. het vellen of rooien van houtopstanden, houtwallen, singels, bomenrijen, boomgroepen en bos, voorzover dat in de Bomenverordening 2021 is bepaald.
9.3.2 Uitzondering

Het bepaalde in 9.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen.

9.3.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden als bedoeld in 9.3.1 kan slechts worden verleend, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals mede omschreven in Bijlage 2, welke bijlage deel uitmaakt van dit toetsingskader. Ondanks het bepaalde in Bijlage 2 kan een vergunning voor een houtopstand verleend worden als uit een onderbouwing blijkt dat de natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden versterkt of hersteld danwel niet onevenredig worden aangetast.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene bouwregels

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlakgrenzen niet meer dan 0,75 m bedraagt.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

12.1 Strijdig gebruik

Tot een met het TAM-omgevingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale, ter plaatse toegestane bedrijfsvoering;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als renbaan of menterrein, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van gemotoriseerde of gemechaniseerde sporten, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van recreatiewoningen, groepsaccommodaties, chalets, stacaravans, trekkershutten, toercaravans, vouwwagens, campers, tenten, huifkarren en andere recreatieobjecten voor niet recreatieve overnachtingen;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
  • g. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van zwembaden met een oppervlakte van meer dan 40 m²;
  • h. het gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van bewoning van bijbehorende bouwwerken - die al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn gerealiseerd - waarin de bewoning in verband met mantelzorg niet binnen drie maanden is beëindigd;
12.2 Toegestaan gebruik

Tot een met het TAM-omgevingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval niet gerekend het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van:

  • het aanleggen of het laten aanleggen van kabels en/of leidingen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, de riolering, de waterhuishouding, de energievoorziening en de datacommunicatie, met uitzondering van:
    • 1. aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" en/of een druk van meer dan 40 bar;
    • 2. transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
    • 3. hoogspanningsleidingen;
    • 4. buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 meter of meer en een lengte van 10 km of meer.
12.3 Gebruiksactiviteit - vergunningplicht
12.3.1 Bouw zwembaden

Met een omgevingsvergunning kan, anders dan bepaald in 7.4.1 onder b het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een zwembad toegestaan worden. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. het zwembad heeft een oppervlakte van niet meer dan 60 m2;
  • b. deze vergunning uitsluitend wordt verleend op percelen met een omvang van minimaal 1000 m² en met villa-achtige bebouwing.

Artikel 13 Specifieke gebruiksregels

13.1 Specifieke gebruiksregels m.b.t. onzelfstandige bewoning
  • a. Het is verboden om op locaties met de funtie 'Wonen' woningen, en/of woonhuizen, en/of wooneenheden, en/of bedrijfswoningen te gebruiken of in gebruik te geven voor onzelfstandige bewoning.
  • b. De verboden zoals beschreven in dit artikel onder lid a gelden ook voor (ver)bouwwerkzaamheden ten behoeve van onzelfstandige bewoning.
13.2 Gebruiksactiviteit - vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning kan, anders dan bepaald in 13.1 onder a, toegestaan worden dat een woning en/of woonhuis en/of bedrijfswoning en/of wooneenheid wordt gebruikt voor onzelfstandige bewoning. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. het de huisvesting van maximaal 5 personen betreft;
  • b. maximaal 5% van de woningen in de straat wordt aangewend voor de huisvesting voor onzelfstandige bewoning;
  • c. minimaal vier aaneengesloten panden aanwezig moeten zijn die niet als onzelfstandig ge-bruikte woningen en/of wooneenheden en/of woonhuizen en/of bedrijfswoningen wor-den gebruikt tussen de woningen die aangewend worden voor onzelfstandige bewoning;
  • d. voor woningen en/of woningen met kamergewijze verhuur in woongebouwen met 6 of meer woningen en/of woningen met kamergewijze verhuur geldt als aanvullende regel dat er tussen twee woningen met kamergewijze verhuur minimaal twee woningen gelegen moeten zijn:
  • e. binnen een straal van 250 meter rondom het vrijstaande kamerverhuurpand is geen ander vrijstaand pand met onzelfstandige bewoning, zoals bijvoorbeeld een kamerverhuurpand, aanwezig;
  • f. er mogen niet meer bewoners zijn dan het aantal aanwezige kamers (gemeenschappelijke ruimtes niet meegerekend);
  • g. er per bewoner minimaal één kamer aanwezig is;
  • h. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, hierbij spelen de volgende factoren een rol:
    • 1. de aard van de omgeving;
    • 2. de aard van de voorzieningen;
    • 3. de verhouding koop / huurwoningen;
    • 4. de staat van onderhoud van panden en tuinen;
    • 5. de aard van en het aantal klachten over onder meer:
      • a. geluidsoverlast;
      • b. overlast als gevolg van afval op straat of in tuinen;
      • c. drugsoverlast;
      • d. overlast vanwege drankmisbruik;
      • e. vernielingen;
      • f. geweld, mishandeling, bedreiging.
  • i. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de parkeernormen zoals vastgelegd in artikel 15.1 Parkeren;
  • j. sprake is van een verblijfsruimte van minimaal 12 m2 per persoon;
  • k. voldaan wordt aan milieu wet- en regelgeving;
  • l. dit niet leidt tot strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening, zoals dit blijkt uit:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid en de parkeersituatie;
    • 4. de brandveiligheid;
    • 5. de externe veiligheid;
    • 6. de rampenbestrijding;
    • 7. de milieusituatie;
    • 8. de cultuurhistorische waarde;
    • 9. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 14 Algemene vergunningplichten

14.1 Algemeen
14.1.1 Werkelijke afmetingen

Met een omgevingsvergunning is het toegestaan om het terrein aan te passen aan de werkelijke afmetingen. De omgevingsvergunning kan worden mits de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het Plan.

14.1.2 Bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde

Met een omgevingsvergunning kan de bouwhoogte van bouwwerken worden vergroot tot niet meer dan 10 m. De omgevingsvergunning kan worden verleend als:

  • geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
14.1.3 Bouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen

Met een omgevingsvergunning kan gebouwd worden voor nutsvoorzieningen. De omgevingsvergunning kan worden verleend als:

  • a. de bouwhoogte niet meer is dan 3 m;
  • b. de oppervlakte niet meer is dan 25 m2.
14.1.4 Plaatselijke verhogingen gebouwen

Met een omgevingsvergunning kan de bouwhoogte van gebouwen worden vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en schotelantennes. De omgevingsvergunning kan worden verleend als de oppervlakte van de vergroting van de verhoging niet meer bedraagt dan 1 m2, met dien verstande dat de oppervlakte van de vergroting ten behoeve van een liftkoker niet meer bedraagt dan 4 m2.

14.1.5 Evenementen

Met een omgevingsvergunning kan een evenement worden toegestaan. De omgevingsvergunning kan worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden.

14.1.6 Ontsluitingswegen

Met een omgevingsvergunning kan de aanleg van een ontsluitingsweg van percelen worden toegestaan. De omgevingsvergunning kan worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

14.2 Bed & breakfast

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Overige zone - bed en breakfast buitengebied' kan het college van Burgemeester en Wethouders een omgevingsvergunning verlenen, waarbij, anders dan bepaald in artikel 7.6, onder f, het gebruiken van en het verbouwen tot een bed en breakfast wordt toegestaan. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden.

  • 1. Een bed en breakfast mag gerealiseerd worden in een woning of in een bedrijfswoning behorend bij de functie Wonen. Ook in een niet-vrijstaand bijbehorend bouwwerk behorend bij de woning/bedrijfswoning bij deze woonfunctie kan onder voorwaarden een bed en breakfast worden gerealiseerd.
  • 2. Er mag voor de bed en breakfast niet meer dan 40% van de gebruiksvloeroppervlakte van de woning/bedrijfswoning en een niet vrijstaand bijbehorend bouwwerk worden gebruikt met een maximum van 120 m2. Onder de toegestane oppervlakte van een bed en breakfast vallen de volgende ruimten:
    • a. slaapkamer(s);
    • b. bad-, douche-, en toiletruimten die niet gedeeld worden met de bewoner(s);
    • c. een gemeenschappelijke ruimte;

Gemeenschappelijke verkeersruimtes hoeven niet bij de toegestane oppervlakte te worden meegerekend.

  • 3. Voor het realiseren van een bed en breakfast buiten de bebouwde kom in vrijstaande bijbehorende bouwwerken kan vergunning worden verleend met dien verstande dat:
    • a. deze bijdraagt aan de doelstellingen zoals deze genoemd worden in Thema 3 van de Omgevingsvisie Nunspeet;
    • b. niet meer dan maximaal 100 m2 van de vrijstaande bijbehorende bouwwerken hiervoor wordt ingericht. Hierbij dient wel het maximum aan m2 voor een bed en breakfast van in totaal 120 m2, volgens lid 2 van dit artikel, in acht te worden genomen;
    • c. de desbetreffende vrijstaande bijbehorende bouwwerken op minimaal 3 meter van de erfgrens staan. Bij knelpunten vanwege deze 3 meter-eis, kan het college van B&W - op ondergeschikte gedeelten van deze afstandslijn tot de perceelsgrens - hiervan afwijken.
  • 4. Degene die de bed en breakfast exploiteert, dient ingeschreven te staan in de BRP (Basisregistratie Personen) op het desbetreffende adres.
  • 5. Een bed en breakfast mag eveneens worden gerealiseerd in een uniek object, niet zijnde een woning of bijbehorend bouwwerk. Het gaat dan om karakteristieke gebouwen en/of varende constructies. Voorwaarde is dat het gebouw en/of de varende constructie voldoet aan de eisen zoals deze genoemd worden in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dergelijke initiatieven worden per geval beoordeeld. Omdat hier niet altijd sprake is van een inschrijving in de BRP (Basisregistratie Personen) van de bewoner(s) wordt een afweging per geval gemaakt.
  • 6. In de bed en breakfast mag geen zelfstandige kookvoorziening aanwezig zijn.
  • 7. Er moet een parkeergelegenheid aanwezig zijn of worden aangelegd op het perceel waarop de bed en breakfast wordt aangeboden. Het aantal parkeerplaatsen voor de bed en breakfast moet minimaal overeenkomen met het aantal slaapkamers van de bed en breakfast en komt boven op het aantal parkeerplaatsen dat bij de functie hoort.
  • 8. Ter beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning vindt een belangenafweging plaats, waarbij de volgende aspecten worden getoetst en meegewogen:
    • a. de belangen van de gebruikers of de eigenaren van de aanliggende gronden en nabijgelegen woningen en bedrijven;
    • b. de afstand van de bed en breakfast tot een woning op een naastgelegen perceel moet minimaal 10 m bedragen; Bij knelpunten vanwege deze 10 meter-eis kan het college van B&W hiervan afwijken waarbij aan de overige letters van dit sublid (letters a, c, d, e, f, en g) wel moet worden voldaan;
    • c. de milieusituatie (aan de bedrijfsvoering van agrarische en niet-agrarische bedrijven in de nabije omgeving mag door een bed en breakfast geen beperking ontstaan);
    • d. de verkeersveiligheid;
    • e. de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
    • f. het straatbeeld;
    • g. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en naastgelegen woningen.
  • 9. Degene die de gelegenheid biedt tot het houden van nachtverblijf is belasting verschuldigd op grond van de geldende Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelasting. De exploitant is verplicht hiervoor een eigen nachtverblijfregister bij te houden, die door de gemeente kan worden gecontroleerd.
  • 10. Het aantal overnachtingen waarbij in een bed en breakfast mag worden overnacht mag maximaal 14 nachten achtereen bedragen.
  • 11. Op het perceel van de bed en breakfast mag maximaal één reclameaanduiding in de vorm van een bord met een opschrift voor de bed en breakfast worden geplaatst. Dit bord dient te voldoen aan de eisen die aan reclame worden gesteld in de “Reclameverordening 1994” en in de “Welstandsnota (2015)”.
14.3 Kleine windturbines bij andere functies dan agrarische bedrijfsfuncties

Met een omgevingsvergunning kan een kleine windturbine worden toegestaan binnen de functieaanduidingen waar een hoofdgebouw aanwezig is. De omgevingsvergunning kan worden verleend onder de volgende voorwaarden.

  • 1. vrijstaande windturbines zijn niet toegestaan;
  • 2. per functievlak is maximaal één windturbine toegestaan, met uitzondering van 'wokkels', waarvan er meerdere zijn toegestaan;
  • 3. rotorbladen zijn niet toegestaan;
  • 4. de hoogte van de windturbine is maximaal 1,5 m boven dak- of nokhoogte van hte gebouw waarop of waaraan plaatsing plaatsvindt;
  • 5. de afstand tot de perceelgrens is minimaal 3 m, gemeten vanaf d eas van de windturbine tot aan de perceelgrens;
  • 6. plaatsing van windturbines bij gemeentelijke of rijksmonumenten is enkel mogelijk in overleg met de Monumentencommissie;
  • 7. het verlenen van de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Van belang daarbij kunnen zijn:
    • a. de bezonningssituatie;
    • b. de lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing;
    • c. zichtlijnen of visuele hinder;
    • d. het optreden van slagschaduw;
    • e. risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten;
    • f. afbreuk monumentaal karakter van een pand
    • g. geluidshinder; of,
    • h. de mogelijkheden tot voortzetting c.q. uitbreiding van een bestaand bedrijf;
  • 8. de provinciale verordening 'Omgevingsverordening Gelderland'.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Parkeren
15.1.1 Parkeerregels algemeen
  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en/of voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw dan wel voor het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de functie van het gebouw of het terrein in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor:
    • 1. het parkeren of stallen van auto's en fietsen;
    • 2. het laden of lossen van goederen;
    • 3. het realiseren van parkeervoorzieningen voor invaliden.
  • b. De onder a genoemde voorzieningen voor parkeren en laden of lossen worden gerealiseerd op eigen terrein, in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort respectievelijk op of onder het onbebouwde terrein waarvan het gebruik wordt gewijzigd.
  • c. Aan het gestelde onder a en b hoeft niet te worden voldaan
    • 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit;
    • 2. of voor zover aantoonbaar op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

en mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van

      • a. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
      • b. het woon- en leefklimaat;
      • c. de sociale veiligheid;
      • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • d. Aan het gestelde onder a en b hoeft ook niet te worden voldaan, indien er geen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, en de parkeerplaatsen niet voldoende in het openbaar gebied aanwezig (kunnen) zijn. Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in lid a, komt tot stand volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014). De financiële bijdrage voor het parkeerfonds wordt berekend volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014).
  • e. Bij een beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld onder a, b, c en d wordt getoetst aan de beleidsregel Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014) dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde, respectievelijk vervangende, beleidsregel.
15.2 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit Plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

15.3 Verwijzing naar adressen

De adressen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, betreffen de adressen zoals deze op de verbeelding zijn terug te vinden op het moment van vaststelling van het plan. Deze zijn niet leesbaar op ruimtelijke plannen.

15.4 Aanvullende werking welstandscriteria

De ter plaatse en in de regels geboden ruimte ten aanzien van de situering, de maatvoering en de vormgeving van bouwwerken kan nader worden ingevuld door de welstandscriteria, zoals opgenomen in de gemeentelijke "Welstandsnota" en het "Aanvullend welstandsbeleid bij nieuwbouw en uitbreiding van agrarische bedrijven in de gemeente Nunspeet".

Artikel 16 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht

Artikel 17 overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit hoofdstuk, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
17.2 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken   

Lid 17.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de rest van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dit plan.

17.3 Overgangsrecht gebruik   

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

17.4 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in lid 17.3 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

17.5 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 17.3, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

17.6 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 17.3 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met dit plan voor inwerkintreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.