direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Bosrand 69
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Aan de Bosrand 69 te Elspeet bevindt zich een intensieve veehouderij met bedrijfswoning. Initiatiefnemer is voornemens de bedrijfsvoering te beëindigen en de bedrijfsbebouwing op het perceel voVaststellingsbesluitlledig te slopen. Aan de hand van de ruimte-voor-ruimte regeling wil de initiatiefnemer hier drie nieuwe vrijstaande woningen realiseren. De bestaande bedrijfswoning zal blijven bestaan maar worden omgezet naar een reguliere woning. Om de nieuwe woningen te kunnen realiseren moet het omgevingsplan worden herzien.

De initiatiefnemer heeft ten behoeve van bovenstaande wensen bij de gemeente Nunspeet een principeverzoek ingediend. Op 20 januari 2023 heeft de gemeente aangegeven positief tegenover het verzoek van de initiatiefnemer te staan.

Het projectgebied is ter plaatse van de bedrijfswoning en de nieuw te bouwen woningen bestemd als 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Op grond van het 'Omgevingsplan gemeente Nunspeet', met onderliggend het bestemmingsplan 'Buitengebied 2023', is de bouw van de nieuwe woningen niet toegestaan. Om dit te realiseren, is het wijzigen van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggende motivering toont aan dat het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het plan ruimtelijk wenselijk is.

1.2 Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Nunspeet. Het projectgebied bevindt zich ten noordoosten van de kern Elspeet. Aan de noordzijde en zuidzijde bevinden zich een aantal woningen, agrarische gronden en een houtsingel. De oostzijde grenst aan een bosgebied. De westzijde grenst aan een bomenrij en een enkele woning.

Op de navolgende afbeeldingen is globaal de ligging en begrenzing van het projectgebied met een rode stippellijn weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het projectgebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01_0001.jpg"

Globale ligging projectgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01_0002.jpg"

Globale begrenzing projectgebied

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de omgevingsplanwijziging die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk-functionele situatie. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling en de strijdigheid met het geldend omgevingsplan. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de voorbereiding en participatie van onderhavig plan. In Hoofdstuk 5 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt inzicht gegeven in diverse planologische en milieuaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In Hoofdstuk 7 wordt ingegaan op mogelijke beperkingengebieden die in het projectgebied gelden. In Hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in Hoofdstuk 9 ingegaan op de juridische uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving huidige situatie

In de huidige situatie bevindt zich een kalverfokkerij binnen het projectgebied. De stal heeft een oppervlakte 2.125 m2, hetgeen wat maximaal is toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan. De stallen bestaan uit één laag met een kap, waarbij de daken aan elkaar vastzitten. Daarnaast bevindt zich aan de oostzijde van het projectgebied de bestaande bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen en tuin.

Aan de noordzijde is een stuk onbebouwde agrarische grond. Langs de rand van het perceel loopt een houtsingel met grote, oude Zomereiken. Deze houtsingel is aangeduid als Gelders Natuurnetwerk.

Navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de huidige situatie binnen het projectgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01_0003.jpg"

Huidige situatie binnen projectgebied

Hoofdstuk 3 Voorgenomen ontwikkeling

3.1 Wat houdt de ontwikkeling in?

In de toekomstige situatie zal de gehele stal worden gesloopt, waarna er drie vrijstaande woningen voor worden teruggebouwd. Daarnaast wordt de bedrijfswoning omgezet naar regulier woning. Deze woning zal echter niet worden aangepast. Onderstaande afbeelding toont het verkavelingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01_0004.jpg"

Verkavelingsplan

De woningen bestaan uit één laag met kap. De goothoogte wordt maximaal 4 meter, de bouwhoogte maximaal 9 meter. Daarbij wordt er ook variatie in kaprichting aangebracht. De brutovloeroppervlakte van de begane grond van de drie woningen is per woning circa 96 m2.

Tussen de nieuwe woningen en de bestaande woning zal een nieuw aan te leggen groenstructuur worden aangelegd, waardoor de privacy van de huidige bewoners ook kan blijven behouden. Daarnaast wordt aan de zuidzijde een groenstructuur van minimaal 1,5 m hoog en een maximale hoogte van 2 m worden aangelegd, waarbij de breedte van de groenstructuur circa 3,5 m zal beslaan. Daarvoor is er een beplantingsplan opgesteld, welke is bijgevoegd als Bijlage 1. Tevens is de groenstrook aan de zuidzijde als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. De huidige bedrijfswoning zal blijven bestaan en worden omgezet naar reguliere woning. Hier zullen geen aanpassingen worden doorgevoerd. Tevens zal de onbebouwde agrarische grond onbebouwd blijven en zullen de Zomereiken niet worden aangetast.

Er zullen geen standaard schuttingen als erfafscheidingen worden geplaatst tussen en rondom de woningen. De erfafscheidingen zullen groene afscheidingen betreffen, bijvoorbeeld hagen. De groene beplanting, onder andere een coniferenhaag en een beukenhaag, die zich in de aan te leggen groenstrook bevinden, zullen blijven behouden.

De ontsluiting zal geregeld worden via een pad dat aansluit op de Bosrand. Deze ontsluiting zal in de regels worden opgenomen. Daarnaast wordt een keerlus opgenomen aan het einde van de toegangsweg op de Vierhouterweg. Hulpdiensten kunnen op deze manier ook altijd toegang krijgen tot de vier woningen.

De uitstraling van de bebouwing zal voldoen aan de Welstandsnota van de gemeente Nunspeet. Door het voldoen aan de welstandsnota is het niet noodzakelijk een volledig beeldkwaliteitsplan op te stellen voor onderhavig plan.

3.2 Strijdigheid omgevingsplan

3.2.1 Geldend omgevingsplan

Voor het projectgebied geldt het (tijdelijk deel van het) 'Omgevingsplan gemeente Nunspeet', met onderliggend het bestemmingsplan 'Buitengebied 2023'. Op basis van het Omgevingsplan is de locatie van het projectgebied bestemd als 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Navolgend is met een rood kader de begrenzing van het projectgebied aangegeven op de verbeelding van het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01_0005.jpg"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan

Op grond van het vigerende bestemmingsplan heeft het projectgebied de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. De gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, waaronder teeltondersteunende kassen, bedrijfswoningen al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep en/of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken, tuinen, erven en agrarische gronden.

Het projectgebied heeft de functieaanduiding 'intensieve veehouderij', waardoor intensieve veehouderijen tevens zijn toegestaan. Daarnaast ligt er een maatvoering op het projectgebied die regelt dat de maximale oppervlakte van de stal 2.125 m2 mag bedragen.

Daarnaast geldt er voor het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op deze gronden mag niet worden gebouwd, indien daarvoor dieper dan 0,50 m in de bodem zal worden geroerd en de oppervlakte van het nieuwe bouwwerk of de uitbreiding van het bestaande bouwwerk meer dan 500 m2 bedraagt. Indien er wel groter en dieper wordt gebouwd dan voorgenoemde maatvoeringen dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Tot slot gelden er twee algemene gebiedsaanduidingen. De eerste betreft de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. Deze aanduiding regelt dat vergroting van een intensieve veehouderij is toegestaan tot 1 ha en in het kader van dierenwelzijn tot 1,5 ha. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone - gelders natuurnetwerk'. Ter plaatse van deze aanduiding geldt dat die gronden - naast de andere aangewezen bestemming(en) - mede bestemd zijn voor het behoud, het herstel en de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk.

3.2.2 Strijdigheid geldend omgevingsplan

Allereerst is wonen ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' niet toegestaan. Alleen bedrijfswoningen zijn toegestaan, met een maximum aantal van één. Het initiatief voorziet in de realisatie van drie reguliere woningen. Deze functiewijziging, alsmede de in het plan opgenomen goot- en bouwhoogten, zijn specifiek toegesneden op dit initiatief.

Om het initiatief mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.

3.3 Medewerking opheffen strijdigheid

Op 20 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet een principebesluit genomen om medewerking te verlenen aan de functiewijziging van een intensieve veehouderij naar drie grondgebonden woningen en het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere woning.

De gemeente heeft een aantal voorwaarden gesteld aan de medewerking. Eén van deze voorwaarden is dat de nieuwe woningen ontsloten worden op de Bosrand. Daarnaast dient een inpassingsplan te worden opgesteld waarmee het landelijk beeld wordt gewaarborgd. Tot slot dienen de rechten voor stikstof uitstoot die vrij vallen door het opheffen van het agrarische bedrijf ter plaatse, middels een overeenkomst overgedaan worden aan de gemeente, met uitzondering van de rechten die benodigd zijn om de realisatie van het initiatief mogelijk te maken.

3.4 Conclusie

Alles overwegende draagt de ontwikkeling bij aan een goede fysieke leefomgeving. Uit voorliggende motivering blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met het Besluit kwaliteit leefomgeving, Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 4 Voorbereiding en participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het wijzigen van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit hoofdstuk zal hier verder op worden ingegaan.

4.1 Participatie omgeving

Participatiemoment 1

De directe omgeving, oftewel de omwonenden, zijn geïnformeerd. De bewoners zijn op diverse manieren benaderd om hen te informeren over de geplande functieverandering en het project. Dit gebeurde in eerste instantie door middel van schriftelijke communicatie, waarin de plannen en de eerste ideeën werden toegelicht.

Daarnaast heeft de initiatiefnemer een informatiebijeenkomst gehouden in het Kulturhus te Elspeet. Dit werd gedaan naar aanleiding van bezorgdheden over de toekomstige ontsluiting via de Vierhouterweg. De bezwaren van de omwonenden waren vooral gericht op de verwarring rondom het gebruik van de toegangsweg en de impact die een ontsluiting via deze route zou hebben. Tijdens de informatiebijeenkomst werd duidelijk dat de omwonenden geen bezwaar hadden tegen de komst van woningbouw zelf, maar wel zorgen uitten over de ontsluiting via de Vierhouterweg

De zorgen die naar voren kwamen tijdens de informatiebijeenkomst zijn meegenomen. In reactie op de bezwaren is er onderzoek gedaan naar alternatieve ontsluitingsroutes. Uiteindelijk is tijdens een overleg en middels een schriftelijke schrijven bevestigd dat er besloten is om de toegangsweg via de Vierhouterweg niet meer te gebruiken. In plaats daarvan is gekozen voor een ontsluiting via de Bosrand, langs woonhuis 69. Het plan is hiermee aangepast om tegemoet te komen aan hun wensen en zorgen.

Gezien de landschappelijke inpassing en het gehoor geven aan de wensen van de omwonenden omtrent de ontsluitingsroutes, zullen omwonenden ook geen hinder ondervinden van de ontwikkeling. Hiermee is de participatie en maatschappelijke uitvoerbaarheid geborgen.

Het participatieverslag van participatiemoment 1 is als Bijlage 2 bijgevoegd.

Participatiemoment 2

Op 23 juni 2025 is een tweede informatiebijeenkomst gehouden in het Kulturhus te Elspeet. Hier zijn de volgende punten besproken en met de omwonenden afgesproken.

Verkeer en ontsluiting
Tijdens de omgevingsdialoog is gebleken dat er zorgen bestaan over de verkeersafwikkeling en bereikbaarheid. Omwonenden gaven aan dat het belangrijk is dat:

  • de bestaande mogelijkheid tot keren voor vuilniswagens behouden blijft;
  • het bouwverkeer uitsluitend gebruik maakt van de Bosrand of een tijdelijke noordelijke ontsluiting (perceel 7388), zodat schade en overlast aan de Vierhouterweg wordt beperkt;
  • in geval van nood hulpdiensten toegang via de Vierhouterweg behouden.


Deze aandachtspunten zijn verwerkt in het aangepaste plan. Concreet betekent dit dat er een keerlus wordt opgenomen aan het einde van de toegangsweg, bouwverkeer via de Bosrand of een tijdelijke noordelijke ontsluiting wordt geleid, en dat hulpdiensten altijd via de Vierhouterweg toegang hebben in noodsituaties.

Waterafvoer
Omwonenden hebben gewezen op het risico van wateroverlast door ophoging van het maaiveld. Daarom is afgesproken dat het peil niet hoger wordt gelegd dan de bestaande bebouwing. Bovendien verdwijnt een groot deel van het huidige verhard oppervlak, wat de waterhuishouding ten goede komt.

Groenstrook en afstand tot bebouwing
In reactie op zorgen over bijgebouwen en privacy is besloten dat aan de zuidzijde minimaal 5 meter afstand wordt aangehouden, inclusief de groenstrook. Daarnaast is vastgelegd dat de groenstrook juridisch wordt geborgd via een kwalitatieve verplichting of erfdienstbaarheid ten gunste van de aangrenzende percelen. Bij de beplantingskeuze wordt rekening gehouden met de aangrenzende paardenbak; giftige soorten worden uitgesloten.

Het participatieverslag van participatiemoment 2 is als Bijlage 3 bijgevoegd.

Hoofdstuk 5 Beleid en regelgeving

5.1 Rijksbeleid en Rijksregels

5.1.1 Beleid: Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.

Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan:

  • periodes van droogte afgewisseld met extreme regenval;
  • de zeespiegelstijging;
  • de overgang naar duurzame energie;
  • de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen;
  • de bouw van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen;
  • de groei en het bereikbaar houden van steden;
  • plekken voor distributiecentra;
  • het versterken van de natuur en biodiversiteit;
  • het behoud van het landschap;
  • de vitaliteit van de landbouw.

Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

Toetsing

Ten aanzien van dit project wordt er ingespeeld op de opgave van het bouwen van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen. Met de realisatie van het initiatief worden drie nieuwe woningen gerealiseerd.

Tevens wordt er, al zij het op micro-niveau, een bijdrage geleverd aan het sterker en leefbaarder maken van steden/dorpen en regio's. De woningen die op de locatie worden gebouwd dragen bij aan de behoefte aan en ondersteuning van het voorzieningenniveau in Elspeet en omgeving.

Tot slot wordt een intensieve veehouderij definitief beëindigd. Deze veehouderij ligt tegen het Natura 2000-gebied de Veluwe aan. Met de beëindiging van de veehouderij zal tevens de stikstofuitstoot op het Natura 2000-gebied flink worden verminderd. Hiermee kan de natuur die gevoelig is voor stikstofuitstoot mogelijk weer herstellen. Het kabinet wil ervoor zorgen dat in 2030 minimaal de helft van de natuur in beschermde Natura 2000-gebieden op een gezond stikstofniveau zit. Hiermee draagt het initiatief bij aan de benodigde stikstofreductie in Natura 2000-gebieden.

5.1.2 Regels: Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):

  • 1. het Omgevingsbesluit (Ob);
  • 2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • 3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • 4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:

  • De dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl);
  • Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Toetsing

Voor het plan zijn, anders dan de instructieregels die in deze motivering aan bod komen, geen specifieke instructieregels van toepassing. De mogelijke belemmeringen vanuit de instructieregels op het plan, worden in de verschillende milieu paragrafen in Hoofdstuk 6 afzonderlijk getoetst. Op basis van deze paragrafen wordt geconcludeerd dat de instructieregels geen belemmering op het plan vormen.

5.1.3 Conclusie rijksbeleid

Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid en de regels van het Rijk.

5.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

5.2.1 Beleid: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland.

De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven:

  • Energietransitie;
  • Klimaatadaptatie;
  • Circulaire economie;
  • Biodiversiteit;
  • Bereikbaarheid;
  • Vestigingsklimaat;
  • Woon- en leefklimaat.

Themakaarten

Bij de visie is een aantal themakaarten aanwezig. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen:

  • ruimtelijk beleid;
  • waterbeleid;
  • milieubeleid;
  • natuur- en landschapsbeleid.

Daarmee is voor een aantal onderwerpen specifiek beleid vastgelegd. Op de themakaart milieubeleid staan geen aspecten die betrekking hebben op de gemeente Nunspeet.

Uitvoering beleid

In het kader van de uitvoering van de visie, zijn ook drie beleidsdocumenten vastgesteld:

  • Regionaal waterprogramma;
  • Handreiking plussenbeleid;
  • Beleidslijn windenergie.

Toetsing

Ten aanzien van dit project voorziet het initiatief in de beëindiging en sloop van een intensieve varkenshouderij en de realisatie van drie grondgebonden woningen. Daarnaast wordt een bedrijfswoning omgezet naar reguliere woning. De nieuwe woningen worden duurzaam en gasloos uitgevoerd. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de energietransitie.

De intensieve veehouderij zorgt in de huidige situatie voor de uitstoot van stikstof op Natura 2000-gebieden. Daarnaast zorgt de veehouderij tevens voor geurhinder in de omgeving. De beëindiging van de intensieve veehouderij draagt bij aan het verbeteren van de woon- en leefomgeving. Tevens draagt het bij aan de verbetering van de natuur. Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij de provinciale Omgevingsvisie.

5.2.2 Regels: Omgevingsverordening provincie Gelderland

De meest actuele Omgevingsverordening is op 1 mei 2024 door de Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld. In de verordening staan alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee wordt gewerkt aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook de verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Telkens wordt er gelet op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijk maken van ontwikkelingen in een bepaald gebied binnen de provincie. Daarbij worden ook belangrijke waarden als het Gelders Natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening beschermd.

Voor de volgende onderwerpen gelden er provinciale instructieregels:

  • Algemeen (afd. 5.1 Omgevingsverordening);
  • Natuur (afd. 5.2 Omgevingsverordening);
  • Landschap (afd. 5.3 Omgevingsverordening);
  • Erfgoed (afd. 5.4 Omgevingsverordening);
  • Milieu (afd. 5.5 Omgevingsverordening);
  • Provinciale wegen (afd. 5.6 Omgevingsverordening);
  • Ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en regionale samenwerking (afd. 5.7 Omgevingsverordening).

Ten aanzien van dit project zijn de regels ten aanzien van de onderwerpen 'woonlocaties', 'Gelders Natuurnetwerk', 'niet-grondgebonden veehouderij in ammoniakbuffergebied, 'beschermen nationale landschappen'' en 'klimaatadaptatie' relevant.

Paragraaf 5.7.1 'Woonlocaties en recreatiewoningen', doorwerking regionale woonagenda (art. 5.64)

In de verordening wordt aangegeven dat een omgevingsplan alleen nieuwe woningen toe laat als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling

toch toelaten als:

  • a. de gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en
  • b. Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.

Paragraaf 5.2.1 'Gelders natuurnetwerk', instructieregel beschermen kwaliteit Gelders natuurnetwerk (art. 5.5)

In de verordening wordt aangegeven dat, voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties in het Gelders natuurnetwerk, wordt een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone.

Er is geen sprake van nadelige gevolgen voor de oppervlakte als die in overeenstemming met de artikelen 5.12 tot en met 5.18 worden gecompenseerd:

  • a. in de nabijheid van het Gelders natuurnetwerk; of
  • b. in het Gelders natuurnetwerk op gronden die op de ambitiekaart bij het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland zijn aangeduid met code N00.01.

Paragraaf 5.7.5 'Veehouderij', niet-grondgebonden veehouderij in ammoniakbuffergebied (art. 5.82)

Een omgevingsplan laat binnen een ammoniakbuffergebied:

  • a. hervestiging van een niet- grondgebonden veehouderijbedrijf en nieuwvestiging of hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderijtak niet toe; en
  • b. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijtak alleen toe als die uitbreiding niet leidt tot een toename van de emissie van ammoniak.

Afdeling 5.3 'instructieregels omgevingsplan: Landschap (art. 5.33)

Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het projectgebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen.

Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat:

  • a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en
  • b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd.

Paragraaf 5.7.6 'Klimaatadaptatie', instructieregel klimaatadaptatie (art. 5.85)

De provinciale omgevingsverordening die op 1 mei 2024 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptatie (art. 5.85). Voor zover een motivering een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij de motivering een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

Toetsing

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van drie woningen. Deze woningen dragen beperkt bij aan het nationale woningbouw tekort. Daarbij zal gezorgd worden voor een goed woon- en leefklimaat en waar mogelijk zal er ook een bijdrage geleverd worden aan de biodiversiteit. De regionale woonagenda kent geen specifieke regels ten aanzien van dit voorgestelde plan.

De houtsingel die van noord naar zuid loopt is aangemerkt als Gelders natuurnetwerk. De aanduiding 'intensieve veehouderij' uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2023' dient in het kader van onderhavig initiatief volledig te

worden verwijderd. Een klein deel van de houtsingel is aangeduid als 'intensieve veehouderij'. Om deze reden is een klein deel van de houtsingel onderdeel van het projectgebied. Er worden echter geen ontwikkelingen beoogd op deze locatie. Nadere toetsing aan de omgevingsverordening op dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.

Het initiatief voldoet aan de regels omtrent het ammoniakbuffergebied. Er wordt met onderhavig plan geen nieuwe veehouderij gerealiseerd. Er wordt er juist een beëindigd.

Op basis van de klimaatatlas gemeente Nunspeet is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering.

  • Wateroverlast. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het projectgebied geen of weinig plasvorming wordt verwacht na een korte of lange bui. Daarnaast wordt er in paragraaf 6.5 uitgebreid ingegaan op het aspect water en hoe om te gaan met eventuele wateroverlast.
  • Hittestress. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur in het projectgebied koeler zal zijn op warme dagen. Dit komt door de ligging van het projectgebied in het buitengebied. Daarnaast ligt het projectgebied tegen een bos aan, wat zorgt voor koelte op warme dagen. Tot slot zal er meer groen worden toegepast in het projectgebied. De grote stal wordt gesloopt waarnaar er veel minder bebouwing voor terugkomt. Tevens zijn de geplande nieuwbouwwoningen goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode.
  • Droogte. De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 geen verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft in het projectgebied sprake van lagere grondwaterstanden en van grotere droogtegevoeligheid. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf zoals dat in feite in de huidige situatie ook zo is. Het projectgebied ligt in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. In het projectgebied zijn geen waterpartijen en beken aanwezig die stil kunnen komen te staan of droog kunnen vallen. Daarmee is geen sprake van een risico voor de volksgezondheid. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering.
  • Overstroming. De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er geen watergangen in nabijheid van het projectgebied liggen. Overstroming vormt geen risico voor het projectgebied.

Er hoeven geen specifieke maatregelen te worden getroffen op het gebied van klimaatadaptatie. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de provinciale Omgevingsvisie en de regels op het gebied van 'woonlocaties', 'Gelders Natuurnetwerk', 'niet-grondgebonden veehouderij in ammoniakbuffergebied, 'beschermen nationale landschappen' en 'klimaatadaptatie'.

5.2.3 Conclusie provinciaal beleid en provinciale regels

Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen, beleid en regels van de provincie Gelderland.

5.3 Beleid waterschap

5.3.1 Beleid: Blauwe Omgevingsvisie 2050

De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:

  • 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.
  • 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water.
  • 3. Partnerschap als watermerk.

Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond.

Toetsing

De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in paragraaf 6.5.

5.3.2 Regels: Waterschapsverordening Vallei en Veluwe

De eerste versie van de Waterschapsverordening Vallei en Veluwe ontstaat van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Die Waterschapsverordening bevat (op basis van artikel 22.14 van de Omgevingswet en artikel 4.7 van de Invoeringswet Omgevingswet) de regels van het waterschap over de waterstaatswerken, zoals waterkeringen en watergangen, en de zorgplicht voor het watersysteem.

De Keur is beleidsneutraal 'technisch' omgezet naar de Waterschapsverordening om aan de randvoorwaarden en standaarden van de Omgevingswet te voldoen. De waterschapsverordening is niet klaar. In 2024 gaat het hoogheemraadschap werken aan het verbeteren, vereenvoudigen en het modelleren van nieuw vast te stellen beleid op het gebied van o.a. waterkwaliteit, klimaat, ecologie.

Toetsing

Het initiatief dient te voldoen aan de waterschapsverordening. Het initiatief raakt verder geen specifieke onderdelen van de verordening. Nadere toetsing is om die reden dan ook niet noodzakelijk.

5.3.3 Regels: BOP 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe

Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.

  • 1. Waterveiligheid
    Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.
  • 2. Watersysteem
    Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.
  • 3. Wonen en zuiveren
    Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
  • 4. Circulaire economie
    Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.
  • 5. Energietransitie
    Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.

Toetsing

De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in paragraaf 6.5.

5.4 Gemeentelijk beleid

5.4.1 Beleid: Omgevingsvisie Nunspeet

De gemeenteraad van Nunspeet heeft op 29 november 2018 de Omgevingsvisie Nunspeet vastgesteld. De Omgevingsvisie van Nunspeet beschrijft de gewenste toekomstige ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de gemeente. De visie is opgesteld met inbreng van verschillende belanghebbenden, zoals inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties.

De omgevingsvisie heeft een aantal bijzondere kenmerken, die sterk medebepalend zijn voor het karakter, namelijk:

  • 1. Grensoverschrijdend. De gemeenten Nunspeet, Elburg en Oldebroek (NEO) hebben de gezamenlijke opgaven gedefinieerd die grensoverschrijdend zijn. Dit heeft geleid tot de Gebiedsagenda NEO;
  • 2. Uitnodigend. De omgevingsvisie wil uitnodigend zijn. De koers is in nauw overleg met de inwoners tot stand gekomen. De gemeente wil via deze visie inwoners en ondernemers uitnodigen om initiatieven op te pakken, waarvoor de visie de kaders aangeeft;
  • 3. Brede aanpak. Inzet van de visie is om de ontwikkelingen breed op te pakken met economische-, sociale, ruimtelijke- en milieuthema's. Inzet is het behouden en versterken van vitaliteit en leefbaarheid.

Voor de gemeente Nunspeet is de uitdaging om te blijven streven naar een goede onderlinge balans tussen dynamiek en rust, tussen wonen, bedrijvigheid en infrastructuur enerzijds en natuur en landschap anderzijds. Om alle aanwezige kwaliteiten te behouden is hier en daar ook verandering noodzakelijk.

Het projectgebied ligt in 'deelgebied 7 Kern en agrarische enclave Elspeet'. Elspeet is gelegen in een agrarische enclave. De agrarische enclaves vormen open, duidelijk omkaderde ruimtes, binnen het zeer besloten bosgebied van de Veluwe. De enclave is een halfopen gebied met veel verspreide bebouwing en opgaande beplanting. Het kampen- en essenlandschap rondom het dorp bestaat uit een open complex van aaneengesloten akkers in een kleinschalige structuur van bosschages, houtwallen, singels en gemengd agrarisch gebruik. Rondom het dorp zijn er, met respect voor de waarden, mogelijkheden voor versterking van het gemengde karakter (zonder verder dichtslibben), bijvoorbeeld ter plaatse van vrijkomende agrarische bebouwing.

De uitgangspunten kwaliteit voor Elspeet zijn:

  • Openheid tussen kern en bosrand waarborgen (voormalig beschermd dorpsgezicht)
  • Behoud agrarische- en dorpse karakteristiek, zoals de ruimtelijke structuur van wegen, de beeldkwaliteit en belevingswaarde van aanwezige bebouwing en inrichting van openbare ruimte
  • Behoud van markante plekken, monumenten en karakteristieke bebouwing, zoals de brink, de schaapskooi en omgeving, de molen De Hoop en omgeving
  • Behoud van de doorzichten binnen het dorp en naar het buitengebied (bossen, en akkers)
  • Het is in het algemeen van belang dat zorgvuldig omgegaan wordt met de ligging in het Veluws natuurgebied

Toetsing

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de sloop van vrijgekomen agrarische bebouwing en de realisatie van drie vrijstaande woningen. Hierdoor behoudt het gebied het gemengde karakter zonder dat het verder dichtslibt. Hiermee wordt de openheid tussen de kern en de bosrand gewaarborgd. Tot slot dient zorgvuldig omgegaan te worden met het natuurgebied de Veluwe. Doordat een intensieve veehouderij aan de rand van dit natuurgebied stopt, vindt er minder stikstofuitstoot plaats op de Veluwe. Dit wordt als positief beschouwd voor het natuurgebied. Zie voor de stikstofberekening paragraaf 6.9.

5.4.2 Beleid: Woonvisie Nunspeet 2020-2025'Goed wonen in de gemeente Nunspeet'

Sinds de vaststelling van de vorige woonvisie in 2015 is de woningmarkt sterk veranderd. Denk aan de recent toegenomen druk op de woningmarkt en de gestegen koopprijs. Door de voortzettende vergrijzing en huishoudensverdunning ziet de gemeente dat de vraag naar het type woningen veranderd. De recente herleving van de bouwproductie heeft het vestigingstekort omgebogen in een vestigingsoverschot. Dit heeft de prognose van de behoefte aan woningen veranderd. Tot en met 2025 moeten 670 woningen worden toegevoegd. Daarbij blijft Nunspeet inzetten op passende prestatieafspraken met Omnia Wonen en huurdersorganisatie SHOW. De vraag naar zowel koop als (sociale) huurwoningen is momenteel groot. Naast het invullen van uitbreidingslocaties wil de gemeente plannen ten aanzien van nieuwbouw en transformatie binnen bestaand stedelijk gebied zoveel mogelijk faciliteren en ondersteunen ('Woningbouw op maat'). Deze aanpak biedt ruimte voor starters, waaronder jongeren en jonge gezinnen, en geeft nieuwe dynamiek in de omgeving. Ook wil de gemeente huisvesting voor ouderen dichtbij benodigde voorzieningen zo veel mogelijk ondersteunen. Verder wordt de succesvolle aanpak ten aanzien van het Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) gecontinueerd. Met deze woonvisie legt de gemeente een nieuw fundament voor voldoende aantrekkelijke woningen voor iedereen, een kwalitatief en energetisch hoogwaardige woningvoorraad, waar iedereen in elke levensfase, met of zonder zorgbehoefte, kan (blijven) wonen.

Drie ambities voor 2020-2025 staan in de woonvisie centraal:

  • een gezonde woningmarkt met passende woningen, voor nu en later;
  • ambitieus in energietransitie;
  • evenwichtige en zorgzame wijken.

Toetsing

De ontwikkeling betreft de realisatie van drie vrijstaande woningen ter plaatse van vrijgekomen agrarische bebouwing. Met het plan wordt beperkt bijgedragen aan de woningbouwbehoefte binnen de gemeente Nunspeet.

5.4.3 Beleid: Notitie functieverandering, uitgangspunten voor nieuw functieveranderingsbeleid van agrarisch naar wonen gemeente Nunspeet

Op 22 november 2020 heeft de gemeente Nunspeet de Notitie functieverandering 'Uitgangspunten voor nieuw functieveranderingsbeleid van agrarisch naar wonen' vastgesteld. Deze notitie bevat richtinggevende uitgangspunten voor een herijking van het beleid voor functieverandering naar wonen in het buitengebied van de gemeente Nunspeet.

Functieverandering naar wonen is één van de mogelijke alternatieven voor stoppende agrariërs. Nadat er nu circa 15 jaar met deze beleidsregels voor functiewijziging naar wonen is gewerkt, heeft de gemeenteraad gevraagd om het beleid en de regels voor functieverandering te evalueren en een herijking door te voeren. De actuele ontwikkelingen en de toekomstperspectieven in het landelijk gebied vragen om een passende regeling. De notitie voorziet hierin.

In afgelopen jaren is in de diverse bestemmingsplannen voor het buitengebied van Nunspeet een generieke regeling opgenomen die het mogelijk maakt om op het perceel één of meerdere woningen te bouwen in ruil voor het slopen van agrarische bebouwing. Voor functieverandering naar wonen is in het bestemmingsplan Buitengebied 2019 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Onder voorwaarden kunnen bepaalde bestemmingen worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen'.

Deze regeling is gedurende de jaren gemonitord en op onderdelen verruimd of aangepast. In de 'Notitie Ruimtelijke kwaliteit functieverandering agrarische bebouwing naar wonen' zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke kwaliteit (landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing) van plannen voor functieverandering opgenomen. Deze notitie uit 2011 geldt nog steeds en is onderdeel van de gemeentelijke Welstandsnota 2015.

Deze visie werkt door in de functieveranderingsregels die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. De staffeling is in het nieuwe beleid aangepast, met de bedoeling om de mogelijkheden voor functieverandering voor grotere bedrijven (tijdelijk) te verruimen en tegelijk voor de kleinere bedrijven de sloop-en salderingsmogelijkheden te behouden. De volgende tabel geeft de nieuwe staffeling weer.

Nieuwe regeling    
Alle of minimaal 600 m2   1 woonhuis of agrarische bedrijfswoning  
Alle of minimaal 1.200 m2   2 vrijstaande woonhuizen  
Alle of minimaal 2.000 m2   3 woonhuizen à 120 m2 (op één locatie)  
Alle of minimaal 2.800 m2   3 woonhuizen à 180 m2 + 125 m2 bijgebouwen (op één locatie)  

Toetsing

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de sloop van vrijgekomen agrarische bebouwing en de realisatie van drie vrijstaande woningen. Er wordt 2.125 m2 aan agrarische bebouwing gesloopt. Hiervoor in de plaats mogen 3 woonhuizen à 120 m2 worden teruggebouwd. De nieuwe woningen krijgen een oppervlakte van 96 m2, waarmee deze voldoen aan de eis van maximaal 120 m2. De overige gronden die niet worden omgezet naar de bestemming 'Wonen' worden omgezet naar de bestemming 'Agrarisch', waarbij geen nieuwe intensieve veehouderij is toegestaan. De ontwikkeling is hiermee in lijn met de 'Notitie functieverandering, uitgangspunten voor nieuw functieveranderingsbeleid van agrarisch naar wonen gemeente Nunspeet'.

5.4.4 Beleid: Notitie Ruimtelijke kwaliteit: Functieverandering agrarische bebouwing naar wonen in de gemeente Nunspeet

De gemeente heeft in het bestemmingsplan 'Buitengebied' een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor functieverandering naar wonen bij sloop van vrijkomende agrarische bebouwing. De notitie geeft de uitgangspunten en randvoorwaarden aan voor het ruimtelijk ontwerp van landschap, erf en bebouwing en laat zien hoe met functieverandering de ruimtelijke kwaliteit en het landschap ter plekke versterkt kunnen worden.

Centraal uitgangspunt bij functieverandering is de versterking van ruimtelijke kwaliteit en het landschap. Een plan voor functieverandering wordt daarom beoordeeld op drie thema's:

  • 1. Het erf
    • a. Samenhang op het erf
    • b. Gebouwen staan aan een gemeenschappelijke ruimte
    • c. Hiërarchie, er is een hoofdgebouw met bijgebouwen
    • d. Het erf heeft een hoofdentree
    • e. Het erf is verbonden met het landschap
  • 2. Het erf in het landschap
    • a. Elk landschap heeft eigen kenmerken
  • 3. Uitgangspunten voor bebouwing
    • a. Waar moet de nieuwe bebouwing aan voldoen?

Toetsing

De opzet van het nieuwe erf, waarop drie nieuwe woningen worden gerealiseerd en de bestaande bedrijfswoning staat, is uitvoerig besproken met de gemeente. Het plan voldoet dan ook aan alle bovenstaande punten. De uiteindelijke uitwerking van de woningen wordt beoordeeld conform de Welstandsnota van de gemeente Nunspeet.

5.5 Omgevingswaarden

De gemeente Nunspeet heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.

Hoofdstuk 6 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

6.1.1 (Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:

  • Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
  • Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
  • Het bevorderen van bronmaatregelen;
  • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;
  • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen.

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.

6.1.2 Onderzoek

Het initiatief bestaat uit de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van drie grondgebonden woningen. De nieuwe woningen staan nabij één geluidsbron, namelijk de Vierhouterweg. Gezien de ligging tot de Vierhouterweg (circa 120 meter) en de verkeersintensiteiten op deze weg (circa 1.100 motorvoertuigen per etmaal) zal naar alle waarschijnlijkheid worden voldaan aan de voorkeurswaarde van 53 dB. In overleg met de gemeente is ervoor gekozen geen akoestisch onderzoek uit te voeren voor onderhavig bestemmingsplan.

Onderstaande afbeelding toont een uitsnede uit de 'Atlas Leefomgeving'. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een groene cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01_0006.jpg"

Eindconclusie Bkl

Uit de 'Atlas Leefomgeving' blijkt dat ter plaatse van het projectgebied de maximale geluidbelasting 37 dB bedraagt. Voor gemeentewegen geldt een streefwaarde van maximaal 53 dB. De streefwaarde wordt dus ruimschoots gehaald. Een nadere toetsing aan het aspect geluid is dan ook niet noodzakelijk.

Eindconclusie Bbl

Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd te worden. Volgens artikel 4.102 van het Bbl bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Gezien het feit dat de gevelbelasting op de nieuwbouwwoningen onder de 53 dB ligt, is het uitvoeren van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek niet noodzakelijk.

6.1.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.2 Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

6.2.1 (Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden;
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier berekend worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

Ten slotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

6.2.2 Onderzoek

Het voorgenomen initiatief voorziet in de sloop van een intensieve veehouderij en de realisatie van drie woningen in het projectgebied. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het projectgebied tussen 2023 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Het rekenpunt (52584372_16065374) dat het dichtst bij het projectgebied ligt kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2024:

  • NO2: 8,7843 µg/m3
  • PM10: 14,2017 µg/m3
  • PM2,5: 7,6703 µg/m3

Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het projectgebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2023, 2025 en 2030 in het projectgebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

6.2.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.3 Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

6.3.1 (Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.

Gemeentelijke geurbeleid

De gemeente Nunspeet heeft gemeentelijk geurbeleid vastgesteld. Door middel van de geurverordening heeft de gemeente Nunspeet afwijkende geur-en afstandsnormen vastgesteld dan de normen uit het Bkl voor woningen binnen de bebouwde kom van de kernen in de gemeente Nunspeet. Voor de woningen buiten de bebouwde kom zijn geen afwijkende geurnormen opgenomen.

6.3.2 Onderzoek

In 2023 is reeds een geuronderzoek uitgevoerd door Buro Ontwerp & Omgeving. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Met de komst van de Omgevingswet is deze wet opgenomen in het Bkl met instructieregels. De toetsingswaarden in het Bkl zijn echter gelijk aan die van de voormalige Wgv. Om deze reden is geen nieuw geuronderzoek uitgevoerd en worden hieronder de resultaten van het onderzoek uit 2023 kort behandeld. Waar wordt verwezen naar 'de Wgv' moet 'het Bkl' worden gelezen.

Nabij de ontwikkeling liggen zowel extensieve veehouderijen, zoals melkveehouderijen, als intensieve veehouderijen, zoals rundveehouderijen. In de omliggende veehouderijen worden dieren zonder een vastgestelde geuremissie en dieren met een vastgestelde geuremissie gehouden. Hiervoor gelden geurafstanden respectievelijk geurnormen. In het kader van het geuronderzoek is het dan ook noodzakelijk om te toetsen aan de geurafstanden en aan de geurnormen.

Onderzoek naar de afstandsnormen (dieren zonder vastgestelde geuremissie)

De nieuwe woningen kunnen niet binnen 50 meter (afstandsnorm) van een emissiepunt worden gebouwd van stallen waarin dieren zonder vastgestelde geuremissie worden gehouden, zoals melkrundvee. Stallen die natuurlijk geventileerd worden door de openingen in de stal, zoals open staande ramen en deuren of een open wand, wordt het emissiepunt verdeeld over de gehele stal.

In het geuronderzoek is er vanuit gegaan dat de dierenverblijven zich kunnen bevinden op het gehele agrarisch bouwvlak. De agrarische bouwvlakken zijn overgenomen van de geldende bestemmingsplannen.

Binnen 50 meter van de beoogde woningen in het projectgebied bevinden geen veehouderijen zonder vastgestelde geuremissie. Daarmee wordt voldaan aan de afstandsnormen uit de Wgv. De geplande woningen in het projectgebied bevinden zich dus op een afstand die voldoet aan de afstandseis die is bepaald in de Wgv en onderhavig plan zorgt niet voor een (verdere) beperking van de bedrijfsvoering van veehouderijen zonder vastgestelde geuremissie in de omgeving.

Onderzoek naar de geurnormen (dieren met vastgestelde geuremissie)

Van alle veehouderijen in een straal van 3 km rondom de nieuwe woningen zijn de geuremissies geïnventariseerd. De geuremissies van de veehouderijen uit de zijn afkomstig van de Gelderse

omgevingsdiensten. Nabij de ontwikkeling liggen diverse veehouderijen die maatgevend zijn voor het geuremissie in het projectgebied. In de onderstaande tabel worden de achtergrondbelastingen en de bijbehorende leefklimaat weergegeven. Zoals eerder benoemd zijn er voor de achtergrondbelasting geen normen vastgesteld in de Wgv.

Achtergrondbelastingen bij de nieuwe woningen afkomstig van de omliggende veehouderijen  
  Achtergrondbelasting in ouE/m3   Milieukwaliteit  
Wnp.01   5,53   Redelijk goed  
Wnp.02   4,52   Redelijk goed  
Wnp.03   3,77   Goed  

Daarnaast is een schatting gemaakt van de voorgrondbelasting van de omliggende veehouderijen. Uit de geschatte voorgrondbelasting blijkt dat de veehouderij aan de Maatweg 63 het grootste aandeel heeft in de achtergrondbelasting. Deze veehouderij is dan ook maatgevend voor de voorgrondbelasting. In de onderstaande tabel zijn de voorgrondbelastingen weergegeven.

Voorgrondbelastingen bij de nieuwe woningen afkomstig van de omliggende veehouderijen  
  Voorbelasting in ouE/m3   Milieukwaliteit  
  Maatweg 63    
Wnp.01   5,3   Redelijk goed  
Wnp.02   4,3   Redelijk goed  
Wnp.03   3,5   Goed  

Uit het onderzoek naar de voorgrondbelasting (geurbelasting van de individuele veehouderijen) blijkt dat bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de geurnorm van 14 ouE/m3 uit de Wgv. De optredende voorgrondbelasting bij de woningen komt overeen met de milieukwaliteit 'Redelijk goed' tot 'Goed'.

6.3.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.4 Bodemkwaliteit

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

6.4.1 (Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:

  • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
6.4.2 Onderzoek

Door Hunneman Milieu-Advies Raalte B.V. is in februari 2025 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek kort behandeld.

Asbestonderzoek

Zintuiglijk zijn in de vaste bodem lokaal zwakke bijmengingen met puin waargenomen. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de actuele contactzone onder de drupzones binnen RE-01 t/m RE-03 [0,0-0,2 m-mv] is, in de fractie > 0,5 mm en < 20 mm, analytisch geen tot maximaal 6,5 mg/kg d.s. aan gewogen asbest aangetoond. In de fractie <0,5 mm zijn geen vrije vezels aangetroffen. Het maximaal aangetoonde gehalte aan asbest overschrijdt de bepalingsgrens, maar blijft ruim beneden de ½ interventiewaarde (50 mg/kg d.s.).

In de actuele contactzone binnen RE-04 t/m RE-06 [0,0-0,5 m-mv] is, in de fractie > 0,5 mm en < 20 mm, analytisch geen tot maximaal 4,8 mg/kg d.s. aan gewogen asbest aangetoond. In de fractie <0,5 mm zijn geen vrije vezels aangetroffen. Het maximaal aangetoonde gehalte aan asbest overschrijdt de bepalingsgrens, maar blijft ruim beneden de ½ interventiewaarde (50 mg/kg d.s.).

Vaste bodem en grondwater

Analytisch zijn in de bovengrondmengmonsters (MM-01 t/m MM-03), met uitzondering van een licht verhoogd gehalte aan zink in MM-01, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. Het aangetoonde gehalte aan zink in MM-01 overschrijdt de achtergrondwaarde, maar blijft beneden de tussenwaarde.

Analytisch zijn in de ondergrondmengmonsters (MM-04 t/m MM-06), van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. Analytisch zijn in het bovengrondmengmonster, ter plaatse van de wasplaats (MM-07), geen oliecomponenten aangetoond boven de achtergrondwaarden. Het grondwater bevindt zich dieper dan 5,0 m-mv en is derhalve niet onderzocht.

Aanbevelingen

In de bodem is zintuiglijk geen asbest aangetroffen. Analytisch is maximaal 6,5 mg/kg d.s. aan gewogen asbest aangetoond. De aangetoonde gehalten blijven ruim beneden de ½ interventiewaarde (50 mg/kg d.s.).

In de vaste bodem zijn, met uitzondering van een licht verhoogd gehalte aan zink, geen verhoogde gehalten aangetoond. Het aangetoonde gehalte vormt geen aanleiding tot nader onderzoek.

Op basis van de onderzoeksresultaten en de aanvullende historische informatie is de actuele bodemkwaliteit in 2021 afdoende vastgelegd. De aanvullende historische gegevens gaven geen aanleiding voor aanvullend veld- en chemisch onderzoek. Milieutechnisch gezien bestaan geen bezwaren voor de sloop van de opstallen, nieuwbouw en bestemmingswijziging op de locatie.

Wij adviseren om bij ontwikkeling van de locatie te werken met een gesloten grondbalans. Indien grond vrijkomt en van de locatie wordt afgevoerd is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing (Bbk). Af te voeren grond dient eventueel AP-04 te worden ingekeurd, voor de bepaling van de definitieve afzetmogelijkheden.

6.4.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.5 Water

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water.

6.5.1 (Wettelijk) kader

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een instructieregel voor het meewegen van het waterbelang opgenomen. In paragraaf 5.2.3 is het beleid van het waterschap beschreven. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen initiatief in overeenstemming is met het beleid van het waterschap. Ten aanzien van het onderzoek is de Digitale Watertoets ingevuld om na te gaan welke waterbelangen er voor het initiatief in het projectgebied relevant zijn.

6.5.2 Onderzoek

Door Drong Omgeving & Techniek is een bergingsnotitie opgesteld. Deze notitie is bijgevoegd als Bijlage 6. Hieronder worden kort de belangrijkste conclusies van dit document behandeld.

Conform de eisen van de gemeente dient er 60 mm geborgen te worden over het verhard oppervlak. Op basis van 1333,1 m2 verhard oppervlak dient er 1333,1*60*0,001=80 m3 water geborgen te worden over het gehele gebied.

In totaal zijn er 151 kratten benodigd. Bij een eenmalige meting is geconstateerd dat de grondwaterstand dieper ligt dan 5,0 m-mv. De kavels hebben ruime tuinen en meer dan voldoende ruimte om de kratten in aan te leggen. Het advies is om de kratten te leggen met een afstand van 5 meter van de gevels van de woning.

6.5.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.6 Mobiliteit en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.

6.6.1 (Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).

Wel kan een verandering van functies zorgen voor een verkeersaantrekkende werking. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Nunspeet heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

6.6.2 Onderzoek

Verkeer

Om deze toename te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van het CROW. Bij de berekening van de toename van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van het volgend aantal functies:

  • 3 koopwoningen in de vorm van vrijstaande woningen.

Het projectgebied ligt in de categorie 'weinig stedelijk, buitengebied'. Hiervoor zijn door het CROW de volgende verkeersgeneratie aan toegeschreven:

  • Koop, huis, vrijstaand: gemiddeld 8,2 per woning.

De totale toename van de verkeersgeneratie is (3 x 8,2 = 24,6) afgerond 25 motorvoertuigenbewegingen per dag. De woningen worden uiteindelijk ontsloten op de Vierhouterweg. Deze weg heeft voldoende capaciteit om de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen op te vangen.

Parkeren

Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het initiatief voorziet.

Voor wat betreft het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor de woningen is uitgegaan van de 'Parkeernota 2014' van de gemeente Nunspeet. Bij de berekening van de toename van het aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van het volgend aantal functies:

  • 3 koopwoningen in de vorm van vrijstaande woningen.

Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen per woning. In de 'Parkeernota 2014' is per parkeervoorziening bij woningen een theoretisch aantal en een berekeningsaantal gegeven. De berekeningsaantallen zijn de aantallen waarmee gerekend dient te worden. Een enkele oprit zonder garage telt bijvoorbeeld theoretisch voor 1 parkeerplaats, maar telt als 0,8 parkeerplaats als berekeningsaantal.

De nieuwe woningen betreffen allen vrijstaande woningen met een groot perceel (+ 1.100 m2). Bewoners hebben dan ook meer dan voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te vangen. Indien rekening gehouden dient te worden met de berekeningsaantallen is het alleen mogelijk te voldoen aan de parkeernorm van 2,5 parkeerplaats door een zeer grote, niet reële oprit met garage te creëren. Dit is niet gewenst binnen het projectgebied. Het is vanzelfsprekend dat bij grote ontwikkelingen een deel van het parkeren op eigen terrein verloren gaat aan andere functies en hierbij extra openbare parkeerplaatsen benodigd zijn. Onderhavig plan betreft echter een kleine ontwikkeling waarbij dit niet van toepassing is. Zoals eerder benoemd is er op de percelen meer dan voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te vangen. Het is dan ook niet nodig dat auto's aan de openbare weg worden geparkeerd. Om deze reden wordt geconcludeerd dat het parkeren geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

6.6.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect mobiliteit en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.7 Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

6.7.1 (Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
6.7.2 Onderzoek

Het voorgenomen initiatief voorziet per saldo in de realisatie van drie woningen. Deze woningen worden aangemerkt als 'kwetsbaar object'. Hiermee voorziet de ontwikkeling in nieuw kwetsbare objecten. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de Risicokaart Nederland. De globale ligging van het projectgebied is hierop aangeduid met een groen vierkant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01_0007.jpg"

Uitsnede kaart omgevingsveiligheid, bron: Atlas leefomgeving

Het projectgebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 risicocontour. Tevens is het projectgebied niet gelegen in een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied. Er is daarom geen (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.

6.7.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.8 Bedrijven en milieuzonering

Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het projectgebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies.

6.8.1 (Wettelijk) kader

Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies.

6.8.2 Onderzoek

Het projectgebied en haar omgeving maakt gezien de aanwezige functies deel uit van een 'rustig buitengebied'.

Hinderveroorzakende functies in het projectgebied

Binnen het projectgebied worden geen functies gerealiseerd die milieuhinder veroorzaken. De nieuwe woningen kunnen worden aangemerkt als milieuhindergevoelig.

Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het projectgebied

Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het projectgebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het projectgebied.

Rondom het projectgebied liggen verschillende agrarische bedrijven en inrichtingen. Voor de locaties Maatweg 59, Vierhouterweg 43 en Bosrand 109 geldt een vaste afstandsnorm van 50 meter. Binnen 50 meter van de beoogde woningen zijn geen veehouderijen gelegen met een vaste afstandsnorm. Hierdoor wordt er ruimschoots voldaan aan de afstandsnorm van 50 meter voor dieren zonder vastgestelde geuremissie.

Voor varkenshouderijen en vleesrundveehouderijen gelden geen vaste afstandsnormen, maar zijn geurnormen vastgesteld. Deze geurnormen zijn vastgesteld op 14 ouE/m3. Het projectgebied ligt in de buurt van één vleesrundveehouderijen, namelijk de locatie Maatweg 63. Om deze reden is een nader onderzoek uitgevoerd in de vorm van een onderzoek agrarische geurhinder. Zie voor het onderzoek en bijbehorende conclusies paragraaf 6.3.

6.8.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen initiatief.

6.9 Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

6.9.1 (Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven).

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

6.9.2 Onderzoek

Door Veldbiologische Werken in december 2021 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. Gezien de geldigheid van het onderzoek van 3 jaar, is in maart 2025 door Cozijnsen flora fauna advies de locatie opnieuw geïnspecteerd om de geldigheid van de bevindingen te actualiseren. Deze memo is bijgevoegd als Bijlage 8. De conclusies van beide onderzoeken worden hieronder kort behandeld.

Gebiedsbescherming

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe, gelegen op circa 50 meter. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand. Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Door het gebruik van werktuigen kunnen er wel indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat drie Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand van het projectgebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen van deze gebieden. Om eventuele effecten van de stikstofuitstoot op nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een AERIUS-berekening uitgevoerd.

Het projectgebied ligt op 0 meter afstand van, maar wel buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN), en circa 250 meter van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.

Soortenbescherming

Tijdens het recente veldbezoek en aanvullende literatuur- en bronnenonderzoek is vastgesteld dat de situatie op de planlocatie niet wezenlijk is veranderd sinds de oorspronkelijke Quickscan uit 2021. Uit deze quickscan blijkt dat de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden niet wetsovertredend kunnen zijn t.a.v. beschermde soorten. Voor alle soortgroepen valt het redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande ingreep een overtreding vormt t.a.v. de Wet natuurbescherming dan wel de Omgevingsvisie en -verordening Provincie Gelderland, mits wordt voldaan aan de in de rapportage beschreven voorwaarden. Er zijn geen strikte tegenstrijdigheden geconstateerd tussen realisatie van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied en de Omgevingsvisie en -verordening Provincie Gelderland.

Stikstof

Door Craeft is in november 2024 een voortoets Natuur - gebiedsbescherming (stikstof) uitgevoerd. In oktober 2025 is deze voortoets geactualiseerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek kort behandeld.

Er is geen sprake van significant negatieve effecten in de aanlegfase. Het verkeer of de inzet van machines leidt niet tot depositie. Significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten.

De gebruiksfase leidt tevens niet tot stikstofdepositie. Significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten.

Op grond van de uitgevoerde Aerius-berekeningen blijkt dat zowel in de aanlegfase als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Veluwe (en/of andere gebieden). Er is dan ook per definitie geen sprake van significant negatieve effecten. Het bevoegd gezag kan derhalve de Buitenplanse Omgevingsplanactiviteitvergunning verlenen.

6.9.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.10 Cultureel erfgoed

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

6.10.1 (Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
6.10.2 Onderzoek

Archeologie

Het archeologisch beleid is verwerkt in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2023' van de gemeente Nunspeet'. Voor de locatie geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Voor deze gronden geldt dat ten behoeve van het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm de aanvrager een archeologisch rapport dient te overleggen.

De nieuwe woningen hebben een brutovloeroppervlakte op de begane grond van 96 m2 per woning. In totaal betreft dit, met drie woningen, een oppervlakte van 288 m2. Hiermee blijft de bodemingreep ver onder de 500 m2 waarvoor een archeologisch rapport dient te worden opgesteld. Daarnaast zijn de gronden in de huidige situatie reeds bebouwd. Zo bevinden zich gierkelders onder de stallen. De aanwezigheid van gierkelders onder de stallen zijn aanleiding om geen archeologisch onderzoek te verlangen. Dit is omdat de bodem verstoord zal zijn ter plaatse van de gierkelders, waardoor de kans op het verstoren van archeologische waarden zeer gering is.

Cultuurhistorie

De bestaande bedrijfswoning en stallen hebben geen specifieke cultuurhistorische waarde. Het voorgenomen initiatief heeft eveneens geen negatief effect op eventuele cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving. Om deze reden is verdere toetsing aan het aspect cultuurhistorie niet noodzakelijk.

6.10.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect cultureel erfgoed geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.11 Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; 'energietransitie', 'circulariteit' en 'klimaatadaptatie en water'.

6.11.1 (Wettelijk) kader

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip 'duurzame ontwikkeling' als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

Circulariteit

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water

Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie Hoofdstuk 5).

6.11.2 Onderzoek energietransitie

De woningen zullen gasloos worden uitgevoerd en met een (lucht)warmtepomp worden uitgerust. Deze warmtepomp zal zorgen voor het verwarmingssysteem. Daarnaast zullen de woningen geschikt zijn voor zonnepanelen. Hiermee zijn de woningen klaar voor de energietransitie.

6.11.3 Onderzoek circulariteit

De exacte wijze van bouwen en het materiaalgebruik is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

Het is wel goed denkbaar dat de woningen zullen traditioneel worden gebouwd met systeemvloeren. De dragende wanden zullen van kalkzandsteen worden gebouwd. Kalkzandsteen is een duurzaam materiaal dat wordt gemaakt van kalk, water en zand. Kalkzandsteen is in principe 100% recyclebaar, en heeft een zeer lage MKI- en MPG-score.

6.11.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect duurzaamheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

6.12.1 (Wettelijk) kader

In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4). Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.

6.12.2 Onderzoek

Voorliggende ontwikkeling ziet toe op de realisatie van drie woningen. Ten opzichte van de vigerende planologische situatie neemt het aantal woningen in het projectgebied toe met drie woningen. De ontwikkeling wordt dus niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden kan toetsing aan de ladder achterwege blijven.

6.12.3 Conclusie

De voorliggende ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl.

6.13 Milieubelastende activiteiten

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt:

  • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba's) mogelijk maakt, en zo ja;
  • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten;
  • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.
6.13.1 (Wettelijk) kader

Het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten).

Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.

In dit gedeelte worden regels over mba's bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld 'Milieubelastende activiteiten' en bevat gemeentelijke regels over mba's. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van 'activiteiten'. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee 'milieubelastende activiteiten' worden bedoeld.

6.13.2 Onderzoek

Het initiatief voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het initiatief richt zich voornamelijk op de functie wonen binnen een omgeving waar de functie wonen en agrarische bedrijfsvoering de boventoon voert. Daarbij worden kleinschalige bedrijfsfuncties toegestaan door het toestaan van bedrijven/beroepen aan huis. Dit is echter tevens passend binnen de functie wonen en een omgeving waar de functie wonen en agrarische bedrijfsvoering de boventoon voert. Deze activiteiten zullen bovendien niet tot nauwelijks milieubelastend zijn.

6.13.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.14 M.e.r.- beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.

6.14.1 (Wettelijk) kader

De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan:

  • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;
  • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.

Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

6.14.2 Onderzoek

De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen', zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een project-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 10 bijgevoegd.

6.14.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

6.15 Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de
  • vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
6.15.1 (Wettelijk) kader

Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

6.15.2 Onderzoek

Gelet op de aard en schaal van het initiatief zullen er geen aspecten worden geraakt die rondom het thema gezondheid belangrijk zijn. Gelet op de overige omgevingsaspecten is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

6.15.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

Hoofdstuk 7 Beperkingengebieden

7.1 Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones.

7.2 Conclusie

Het projectgebied ligt niet in een beperkingengebied. Nadere toetsing aan dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid

8.1.1 Financieel economische haalbaarheid

De gemeente hoeft geen belangrijke voorinversteringen te doen om het plan haalbaar te maken. De overige kosten komen op rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het plan volledig financieel economisch haalbaar.

8.1.2 Kostenverhaal

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een particulier. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

8.1.3 Nadeelcompensatie

In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Participatie

In paragraaf 4.1 is opgenomen op welke wijze burgers en maatschappelijke belangenorganisaties bij de voorbereiding van het omgevingsplan zijn betrokken.

8.2.2 Zienswijzen

Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit wordt op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerpbesluit bij de gemeenteraad naar voren brengen.

Het ontwerp omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Bosrand 69' is op 9 december 2025 gepubliceerd in het gemeenteblad van de gemeente Nunspeet. Daarnaast is het ontwerp digitaal raadpleegbaar geweest via www.ruimtelijkeplannen.nl en het Omgevingsloket. In de periode 10 december 2025 tot en met 20 januari 2026 heeft het ontwerp omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Bosrand 69' voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerp omgevingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van de gemeente Nunspeet. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen. Het plan wordt ongewijzigd vastgesteld.

Hoofdstuk 9 Juridische uitvoerbaarheid

9.1 Algemeen

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan.

Met het TAM-omgevingsplan Bosrand 69 wordt de herstructurering van het plangebied mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Nunspeet' is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) op basis van de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

Omgevingsplan

Op 1 januari 2024 is het 'Omgevingsplan gemeente Nunspeet' van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de Omgevingswet. Het bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wro gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op het werkingsgebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 1.2 van deze motivering is een globale begrenzing van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

9.2 Toedelen van functies aan locaties

9.2.1 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele projectgebied en bestaat uit:

Artikel 1: In dit artikel is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het 'Omgevingsplan gemeente Nunspeet' en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Het artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn, indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM- omgevingsplan.

Artikel 2: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.

Artikel 3: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

9.2.2 Specifieke regels over functies

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het projectgebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan. In dit TAM-omgevingsplan zijn de functies 'Agrarisch' en 'Wonen' opgenomen. Navolgend worden de regels die zijn opgenomen voor deze functies nader toegelicht.

Agrarisch (Artikel 4)

De gronden met de functie 'Agrarisch' zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, het weiden van vee, bos- en of natuurelementen, bestaande wegen, wandel-, fiets- en ruiterpaden en toegangswegen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, teeltondersteunende voorzieningen en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarde en de landschappelijke waarde van de gronden.

Er mogen op deze gronden geen gebouwen worden gebouwd. Wel zijn teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van niet meer dan 0,3 meter toegestaan en bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5 meter.

Binnen de functie 'Agrarisch' zijn een aantal omgevingsplanactiviteiten opgenomen. Deze omgevingsplanactiviteiten vloeien voort uit de voormalige afwijkingen van bouw- en gebruiksregels uit het voorgaande bestemmingsplan, 'Buitengebied 2023' met identificatienummer NL.IMRO.0302.BP01207-vg03, vastgesteld op 21 maart 2014. Met het oog op het omzetten van dit TAM-omgevingsplan naar het Omgevingsplan gemeente Nunspeet, zijn de afwijkingsregels alvast in het 'jasje' van de Omgevingswet gegoten. De omgevingsplanactiviteiten zijn in de huidige situatie ook reeds mogelijk op gronden die bestemd zijn als 'Agrarisch'. Om deze reden worden deze omgevingsplanactiviteiten hier niet nader toegelicht.

Wonen (Artikel 5)

De bestemming 'Wonen' is toegekend aan de percelen van de drie nieuwe woningen en de voormalige bedrijfswoning. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in een woning of een woonhuis al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep en/of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Verder zijn bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, andere werken, tuinen en erven toegestaan.

In het projectgebied zijn drie bouwvlakken opgenomen. Per bouwvlak mag één woning worden gebouwd. De woningen mogen een maximale oppervlakte van 120 m2 hebben. Verder gelden voor woningen de volgende bouwregels:

  • De goothoogte mag niet meer dan 4 meter bedragen of de bestaande goothoogte.
  • De bouwhoogte mag niet meer dan 9 meter bedragen, of de bestaande bouwhoogte.
  • De dakhelling mag niet minder dan 35 procent bedragen.
  • Kelders mogen alleen loodrecht onder het woonhuis worden gerealiseerd, tot een diepte van 3,5 meter.
  • De afstand tot de bouwperceelgrens moet minimaal 3 meter bedragen.
9.2.3 Algemene regels over functies

Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele projectgebied en zijn van algemene aard. Deze worden daarom niet nader toegelicht in deze paragraaf.

9.2.4 Algemene regels ter bescherming van waarden en objecten

Er zijn twee artikelen opgenomen betreffende de regels ter bescherming van waarden en objecten. Dit zijn 'Waarde - Archeologie 3' en 'Overige zone - GNN'.

Waarde - Archeologie 3 (Artikel 12)

De gronden die de waarde 'Waarde - Archeologie 3' hebben, hebben als doel het behoud, de bescherming en/of archeologische waarden in de bodem.

Overige zone - GNN (Artikel 13)

Een locatie die is aangewezen als 'Overige zone - GNN' heeft mede als functie - naast de andere aangewezen bestemming(en) - het behoud, het herstel en de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk, waarbij de regels van de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland in acht moeten worden genomen.

9.2.5 Overgangsrecht

In Hoofdstuk 5 staan de overgangsregels. In Artikel 14 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.