direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Bosrand 69
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Nunspeet

Dit plan wijzigt het Omgevingsplan gemeente Nunspeet in die zin dat na hoofdstuk 22 van het 'Omgevingsplan gemeente Nunspeet' [een hoofdstuk 22j] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22j] van het 'Omgevingsplan gemeente Nunspeet'. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22j.] gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22j.] gelezen worden.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Bosrand 69 (hoofdstuk 22j), waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01.

Artikel 2 Begrippen

2.1 Van toepassing verklaring
  • a. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan van het omgevingsplan.
  • b. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in artikel 1 het bestemmingsplan 'Buitengebied 2023' met identificatienummer NL.IMRO.0302.BP01207-vg03, vastgesteld op 21 maart 2014, zijn van toepassing op dit plan van het omgevingsplan.
2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.5 gehanteerd.

2.3 Plan

Het TAM-omgevingsplan Bosrand 69 (hoofdstuk 22j) met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01 van de gemeente Nunspeet.

2.4 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.5 Locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat in de regels is aangewezen voor een gebruiksdoel.

Artikel 3 Wijze van meten

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de meetbepalingen zoals opgenomen in artikel 2 het bestemmingsplan 'Buitengebied 2023' met identificatienummer NL.IMRO.0302.BP01207-vg03, vastgesteld op 21 maart 2014.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Agrarisch

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01 is aangewezen als 'Agrarisch'.

4.2 Functieomschrijving Agrarisch

Een locatie die is aangewezen als 'Agrarisch' heeft de volgende functies:

  • a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. het weiden van vee, anders dan in het kader van de uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • c. bos- en/of natuurelementen met een oppervlakte van minder dan 2 hectare;
  • d. bestaande wegen, wandel-, fiets- en ruiterpaden, toegangswegen;
  • e. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water, niet zijnde voorzieningen ten behoeve van ijsbanen of siervijvers;
  • f. teeltondersteunende voorzieningen;
  • g. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarde en de landschappelijke waarde van de gronden;
  • h. veldschuren, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en andere werken.
4.3 Gebruiksactiviteiten
4.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden.

4.3.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze functie, zoals bedoeld in lid 4.2 wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken voor opslag;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor verharding, anders dan bedoeld in lid 4.2 onder d, met uitzondering van koepaden met een oppervlakte van niet meer dan 200 m2;
  • d. het aanleggen en/of bouwen van kuilvoerplaten, sleufsilo's en voorzieningen ten behoeve van de opslag van mest en/of voer;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardenbak;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de opwekking van zonne-energie.
4.4 Omgevingsplanactiviteit gebruik - wandel-, fiets- en ruiterpaden
4.4.1 Aanleggen nieuwe wandel-, fiets- en ruiterpaden - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - omgevingsplanactiviteit wandel-, fiets- en ruiterpaden', af te wijken van het bepaalde in lid 4.3.2 sub c.

4.4.2 Aanleggen nieuwe wandel-, fiets- en ruiterpaden - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.4.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. de afwijking uitsluitend wordt toegepast voor de aanleg van nieuwe paden en/of het verleggen van bestaande paden ten behoeve van de verbetering van natuurwaarden vanuit beheerinrichting;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
4.5 Omgevingsplanactiviteit gebruik - vergroten koepaden
4.5.1 Vergroten koepaden - omgevingsplanactivteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - omgevingsplanactiviteit vergroten koepaden', af te wijken van het bepaalde in lid 4.3.2 sub c.

4.5.2 Vergroten koepaden - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.5.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. de oppervlakte noodzakelijk is voor een goed agrarisch gebruik;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
4.6 Omgevingsplanactiviteit gebruik - paardenbak
4.6.1 Gebruik paardenbak - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - omgevingsplanactiviteit paardenbak' af te wijken van het bepaalde in lid 4.3.2 sub e.

4.6.2 Gebruik paardenbak - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.6.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. er maximaal één paardenbak wordt gebruikt;
  • b. het gebruik hobbymatig gebruik betreft;
  • c. de paardenbak gesitueerd is bij een woonhuis gelegen binnen een functievlak, waarbij geldt dat de paardenbak voor niet minder dan 20% moet zijn gelegen in het bestemmingsvlak waarin het woonhuis is gelegen en niet meer dan 80% is gelegen binnen de functie Agrarisch.
  • d. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast in combinatie en qua criteria passend met de afwijking voor de bouw van een paardenbak binnen de van toepassing zijnde functie;
  • e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
4.7 Bouwactiviteiten
4.7.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken geldt het volgende:

  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 4.2;
  • b. er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
4.7.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer dan 0,3 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag niet meer dan 1,5 m bedragen.
4.8 Omgevingsplanactiviteit bouwen - bouwen nieuwe schuilgelegenheden
4.8.1 Bouwen nieuwe schuilgelegenheden- omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - omgevingsplanactiviteit schuilgelegenheden', nieuwe schuilgelegenheden voor dieren te bouwen.

4.8.2 Bouwen nieuwe schuilgelegenheden- beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.8.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. het gaat om de huisvesting van hobbymatig te houden dieren;
  • b. de omgevingsvergunning alleen wordt verleend voor een tijdelijke afwijking van het omgevingsplan, voor een periode van maximaal 5 jaar. Na de periode van 5 jaar kan na een nieuwe beoordeling eventueel een verlenging plaatsvinden;
  • c. in afwijking van lid 4.8.2 onder a het gaat om het bedrijfsmatig houden van dieren, waarbij deze vergunning dan alleen seizoensgebonden wordt verleend voor de periode tussen 1 maart en 1 november;
  • d. de schuilgelegenheid aantoonbaar noodzakelijk en doelmatig is in het kader van dierenwelzijn;
  • e. aanvrager niet in de nabijheid woont van het weiland waar het vee loopt/graast waardoor er niet aangehaakt kan worden bij bestaande bebouwing en er een behoefte bestaat aan een solitaire schuilgelegenheid;
  • f. de oppervlakte van de schuilgelegenheid niet meer dan 30 m2 bedraagt;
  • g. de bouwhoogte van de schuilgelegenheid niet meer dan 3 m bedraagt;
  • h. de goothoogte van de schuilgelegenheid niet meer dan 2 m bedraagt;
  • i. de schuilgelegenheid enkel uit houten wanden bestaat of eventueel uit wanden met een houtachtige uitstraling;
  • j. de schuilgelegenheid ten minste één zijde heeft die voor tweederde open moet zijn;
  • k. de schuilgelegenheid niet zodanig mag worden uitgerust waardoor permanent verblijf van dieren mogelijk is;
  • l. er geen buitenopslag mag plaatsvinden;
  • m. de aanvrager van een schuilgelegenheid minimaal 2.000 m2 aaneengesloten agrarische percelen in eigendom dan wel in gebruikt heeft;
  • n. er maximaal één schuilgelegenheid wordt aangevraagd, waarbij er per aanvrager in totaal maximaal één schuilgelegenheid is toegestaan;
  • o. voorafgaand aan de aanvraag een onderzoek heeft plaatsgevonden of geen gebruikgemaakt kan worden van bestaande bebouwing;
  • p. de schuilgelegenheid landschappelijk ingepast wordt, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het bestaande landschap en/of bestaande landschapselementen en/of aangrenzende bebouwing;
  • q. alle aanvragen om een schuilgelegenheid getoetst worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
4.9 Omgevingsplanactiviteit bouwen - bouwhoogte teeltondersteunende voorzieningen
4.9.1 Afwijken bouwhoogte teeltondersteunendevoorzieningen - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - omgevingsplanactiviteit teeltondersteunende voorzieningen', af te wijken van de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen zoals bedoeld in lid 4.7.2 onder a.

4.9.2 Afwijken bouwhoogte teeltondersteunendevoorzieningen - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.9.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. de maximum bouwhoogte van de teeltondersteunende voorziening 1,5 m bedraagt;
  • b. de noodzaak aannemelijk is gemaakt;
  • c. de tijdelijkheid van twee maanden is verzekerd;
  • d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
4.10 Omgevingsplanactiviteit bouwen - bouwhoogte afrasteringen
4.10.1 Afwijken bouwhoogte afrasteringen- omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning af te wijken van de bouwhoogte van afrasteringen voorzieningen zoals bedoeld in lid 4.7.2 onder b.

4.10.2 Afwijken bouwhoogte afrasteringen- beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.10.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. de maximum bouwhoogte van de afrastering 2,0 meter bedraagt;
  • b. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
4.11 Omgevingsplanactiviteit bouwen - bouwhoogte constructies en installaties voor opwekking zonne-energie
4.11.1 Afwijken bouwhoogte constructies en installaties voor opwekking zonne-energie - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - omgevingsplanactiviteit zonne-energie', af te wijken van de bouwhoogte van zonnepanelen en de bijbehorende constructies en installaties zoals bedoeld in lid 4.7.2 onder b.

4.11.2 Afwijken bouwhoogte constructies en installaties voor opwekking zonne-energie - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.11.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. de maximum bouwhoogte van de zonnepanelen en bijbehorende constructies en installaties maximaal 4,0 meter op of boven het maaiveld bedraagt;
  • b. de bouwwerken landschappelijk worden ingepast;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
  • d. er wordt aangetoond dat er geen significant negatieve effecten op de wettelijke instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Veluwe zullen optreden;
  • e. de oppervlakte van zon op land (zonnevelden) maximaal 200 m2 bedraagt, en op of aansluitend aan een erf te wordt aangelegd, waarbij aanvragen worden getoetst aan het 'Beleidskader Zonne-energie gemeente Nunspeet' of diens opvolger;
  • f. aanvragen getoetst worden aan de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

Artikel 5 Wonen

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01 is aangewezen als 'Wonen'.

5.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:

  • a. wonen in een woning of een woonhuis;
  • b. beroep of bedrijf aan huis;
  • c. landschappelijke inpassingen en/of erfbeplanting;
  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • e. tuinen en erven;
  • f. parkeer-, speel- en groenvoorzieningen;
  • g. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' een ontsluitingsweg;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - groen' mogen de gronden uitsluitend worden gebruikt voor een groenstrook.
5.3 Gebruiksactiviteiten
5.3.1 Algemeen

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden.

5.3.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze functie, zoals bedoeld in lid 5.2 wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van een grondwal;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis voor meer dan één woning;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardenbak;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeve van bewoning;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis ten behoeve van een extra huishouden;
5.3.3 Beroep of bedrijf aan huis

Tot een gebruik in overeenstemming met deze functie, zoals bedoeld in 5.2, wordt in ieder geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis en de daarbijbehorende bouwwerken voor een beroep of bedrijf aan huis, met dien verstande dat dit is toegestaan indien:

  • a. ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het woonhuis met de daarbijbehorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis, mits deze gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m2,
  • b. de uitstraling als woning intact blijft;
  • c. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu;
  • d. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer en geen nadelige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
  • e. geen detailhandel wordt uitgeoefend;
  • f. geen sprake is van reclame-uitingen en buitenopslag.
5.3.4 Mantelzorgwoning

Tot een gebruik in overeenstemming met deze functie, zoals bedoeld in 5.2, wordt in ieder geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van bewoning van bijbehorende bouwwerken - die al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn gerealiseerd - waarin de bewoning in verband met mantelzorg binnen drie maanden wordt beëindigd.

5.4 Omgevingsplanactiviteit gebruik - mantelzorg
5.4.1 Gebruik mantelzorgwoning - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een mantelzorgwoning te gebruiken welke niet voldoet aan het gestelde in lid 5.3.4.

5.4.2 Gebruik mantelzorgwoning - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 5.4.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. de zorgbehoefte objectief aannemelijk is gemaakt;
  • b. verzekerd is dat na beëindiging van de mantelzorg het bijbehorend bouwwerk ongeschikt wordt gemaakt voor bewoning ten behoeve waarvan een overeenkomst wordt gesloten;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeerssituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
5.5 Omgevingsplanactiviteit gebruik - bed & breakfast
5.5.1 Exploiteren bed & breakfast- omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bed & breakfast te exploiteren.

5.5.2 Exploiteren bed & breakfast- beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 5.5.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. de bed & breakfast plaatsvindt in een legaal aanwezige woning, waarbij geldt dat ook de deel van een (voormalige) boerderij wordt geacht deel uit te maken van de woning;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte voor bed & breakfast niet meer bedraagt dan 40% van de gebruiksoppervlakte van de woning en tevens niet meer dan 120 m2, waarbij onder de oppervlakte voor bed & breakfast worden begrepen:
    • 1. slaapkamers;
    • 2. bad-, douche- en toiletruimten, die niet gedeeld worden met bewoners;
    • 3. een gemeenschappelijke ruimte van niet meer dan 30 m2;
  • c. niet meer dan vier slaapkamers met elk maximaal twee bedden (exclusief kinderbedjes) aanwezig zijn;
  • d. er geen kookvoorzieningen aanwezig zijn;
  • e. de parkeervoorzieningen op eigen terrein is gerealiseerd, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste gelijk dient te zijn aan het aantal slaapkamers dat voor bed & breakfast wordt aangewend;
  • f. de bed & breakfast uitsluitend wordt geëxploiteerd door de bewoner(s) van de woning;
  • g. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, het straatbeeld, de verkeerssituatie, de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
5.6 Omgevingsplanactiviteit gebruik - inwoning
5.6.1 Inwoning - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 5.3.2 onder f.

5.6.2 Inwoning - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 5.6.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. dit uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van de huisvesting van één extra huishouden van één of twee personen;
  • b. de vloeroppervlakte van het inwoondeel niet meer dan 60 m2 bedraagt;
  • c. de inwoning wordt gerealiseerd op de begane grond waarbij minimaal 30 m2 in het architectonische hoofdgebouw wordt gerealiseerd.
5.7 Bouwactiviteiten
5.7.1 Algemeen
  • a. bouwwerken staan ten dienste van de functies genoemd in 5.2;
  • b. er zijn hoofdgebouwen in de vorm van woningen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en kelders toegestaan;
  • c. woningen mogen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd.
5.7.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van de in lid 5.7.1 sub b genoemde hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
  • b. per bouwvlak mag niet meer dan één woonhuis worden gebouwd;
  • c. de oppervlakte van een woonhuis mag niet meer dan 120 m2 bedragen, tenzij:
    • 1. de bestaande oppervlakte groter is dan 120 m2 in welk geval de oppervlakte van een woonhuis (inclusief, indien van toepassing, niet woongedeelten binnen het oorspronkelijke boerderijpand) ten hoogste de bestaande oppervlakte mag bedragen;
  • d. de goothoogte mag niet meer dan 4 m bedragen, tenzij;
    • 1. de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte mag bedragen;
  • e. de bouwhoogte mag niet meer dan 9 m bedragen, tenzij;
    • 1. de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte mag bedragen;
  • f. de dakhelling mag niet minder dan 35° bedragen, tenzij;
    • 1. de bestaande dakhelling meer dan 35° bedraagt, in welk geval de dakhelling maximaal de bestaande dakhelling mag bedragen;
  • g. de afstand tot de bouwperceelgrens moet ten minste 3 m bedragen.
5.7.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van de in lid 5.7.1 sub b genoemde bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. een bijbehorend bouwwerk moet worden gesitueerd op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevel van het woonhuis, tenzij:
    • 1. de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval de afstand tenminste de bestaande afstand mag bedragen;
    • 2. er sprake is van een geïntegreerd bijbehorend bouwwerk;
  • b. een vrijstaand bijbehorend bouwwerk moet worden gesitueerd op een afstand van ten hoogste 25 m van het dichtstbijzijnde punt van het woonhuis;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer bedragen dan 110 m2, tenzij:
    • 1. de bestaande gezamenlijke oppervlakte groter is dan 110 m2, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte de bestaande gezamenlijke oppervlakte mag bedragen;
  • d. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 3,50 m bedragen, tenzij:
    • 1. de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte mag bedragen;
  • e. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 6 m bedragen, tenzij:
    • 1. de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte mag bedragen;
  • f. de afstand tot de bouwperceelgrens moet ten minste 3 m bedragen;
  • g. vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet worden voorzien van een kelder.
5.7.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van de in lid 5.7.1 sub b genoemde bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1,5 m bedragen;
  • b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedragen.
5.7.5 Kelders

Voor het bouwen van de in lid 5.7.1 sub b genoemde kelders gelden de volgende bepalingen:

  • a. kelders mogen uitsluitend loodrecht onder het woonhuis worden gerealiseerd, inclusief de aangebouwde bijbehorende bouwwerken,
  • b. de (verticale) diepte van een kelder mag maximaal 3,5 m bedragen.
5.8 Omgevingsplanactiviteit bouwen - afwijken oppervlakte woonhuis
5.8.1 Afwijken oppervlakte woonhuis - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 5.7.2 sub c.

5.8.2 Afwijken oppervlakte woonhuis - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 5.8.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. de oppervlakte van de woning niet meer dan 140 m2 bedraagt na uitbreiding;
  • b. de uitbreiding plaatsvindt ten behoeve van inwoning waarvoor een omgevingsvergunning is of wordt verleend als bedoeld in lid 5.6.1.
5.9 Omgevingsplanactiviteit bouwen - erkers en serres
5.9.1 Bouwen erkers en serres- omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 5.7.2 sub c, in die zin dat de oppervlakte van een woonhuis wordt vergroot ten behoeve van de bouw van erkers of serres.

5.9.2 Bouwen erkers en serres- beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 5.9.1 kan alleen worden verleend mits de oppervlakte van een erker of serre niet meer bedraagt dan 12 m2.

5.10 Omgevingsplanactiviteit bouwen - afwijken afstand bijbehorend bouwwerk tot voorgevel woonhuis
5.10.1 Afwijken afstand bijbehorend bouwwerk tot voorgevel woonhuis - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 5.7.3 sub a, in die zin dat een bijbehorend bouwwerk op minder dan 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel vóór de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd.

5.10.2 Afwijken afstand bijbehorend bouwwerk tot voorgevel woonhuis - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 5.10.1 kan alleen worden verleend mits:

  • a. dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
5.11 Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden - vellen of rooien van houtopstanden
5.11.1 Vellen of rooien van houtopstanden- omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning houtopstanden, houtwallen, singels, bomenrijen, boomgroepen en bos, voorzover dat in de Bomenverordening is bepaald, te vellen of te rooien.

5.11.2 Vellen of rooien van houtopstanden- uitzondering

Het verbod zoals bedoeld in lid 5.11.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen;
  • b. worden uitgevoerd krachtens een vastgesteld beheersplan.
5.11.3 Vellen of rooien van houtopstanden- beoordelingsregel

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk en werkzaamheden als bedoeld in lid 5.11.1 kan slechts worden verleend indien dat geen onevenredige afbreuk doet aan de landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting.

5.12 Voorwaardelijke verplichtingen
  • a. Het gebruik van gronden en gebouwen overeenkomstig de in artikel 5.2 genoemde functies is in strijd met het omgevingsplan indien de bedrijfsgebouwen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting sloop' en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken op het perceel niet volledig zijn gesloopt/geamoveerd.
  • b. Het gebruik van gronden en gebouwen overeenkomstig de in artikel 5.2 genoemde functies is in strijd met het omgevingsplan indien de groenstrook ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - groen' niet wordt aangelegd en niet wordt onderhouden, met dien verstande dat:
    • 1. de groenstrook ten tijde van aanplant een minimale hoogte van 1,5 m moet hebben;
    • 2. de groenstrook een maximale hoogte van 2 m mag hebben;
    • 3. de groenstrook een breedte van 3,5 m moet hebben.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 6 Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01.

Artikel 7 Aanvraagvereisten

  • a. de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
    • 2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  • b. in aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Bestaande maatvoering

Het in stand houden van bouwwerken waarvan de maatvoering afwijkt van het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan is toegestaan indien de bestaande maatvoering bestond op het moment dat dit artikel in werking is getreden en het bouwwerk is gerealiseerd overeenkomstig een daartoe verleende omgevingsvergunning.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met dit plan wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale, ter plaatse toegestane bedrijfsvoering;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als renbaan of menterrein
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van gemotoriseerde of gemechaniseerde sporten
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van recreatiewoningen, groepsaccommodaties, chalets, stacaravans, trekkershutten, toercaravans, vouwwagens, campers, tenten, huifkarren en andere recreatieobjecten voor niet recreatieve overnachtingen;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van zwembaden met een oppervlakte van meer dan 40 m2.
10.2 Verbod nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij

Tot een gebruik, strijdig met dit plan wordt in ieder geval gerekend:

  • a. een geitenhouderij te vestigen;
  • b. een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij;
  • c. het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden te vergroten;
  • d. de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten te vergroten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit;
  • e. een dierenverblijf voor een geitenhouderij op te richten en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen;
  • f. bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.
10.3 Toegestaan gebruik

Tot een gebruik, strijdig met dit plan wordt in ieder geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van het aanleggen of het laten aanleggen van kabels en/of leidingen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, de riolering, de waterhuishouding, de energievoorziening en de datacommunicatie, met uitzondering van:

  • a. aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" en/of een druk van meer dan 40 bar;
  • b. transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
  • c. hoogspanningsleidingen;
  • d. buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 meter of meer en een lengte van 10 km of meer.
10.4 Onzelfstandige bewoning
  • a. Het is verboden om voor de functie Wonen aangewezen gronden woningen, en/of woonhuizen, en/of wooneenheden, en/of bedrijfswoningen te gebruiken of in gebruik te geven voor onzelfstandige bewoning;
  • b. De verboden zoals beschreven in dit artikel onder lid a gelden ook voor (ver)bouwwerkzaamheden ten behoeve van onzelfstandige bewoning;
10.5 Parkeren
10.5.1 Parkeerregelsalgemeen
  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en/of voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw dan wel voor het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw of het terrein in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor:
    • 1. het parkeren of stallen van auto's en fietsen;
    • 2. het laden of lossen van goederen;
    • 3. het realiseren van parkeervoorzieningen voor invaliden.
  • b. De onder a genoemde voorzieningen voor parkeren en laden of lossen worden gerealiseerd op eigen terrein, in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort respectievelijk op of onder het onbebouwde terrein waarvan het gebruik wordt gewijzigd.
10.5.2 Parkeren - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 10.5.1.

10.5.3 Parkeren - beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 10.5.2 kan worden verleend mits:

  • a. het voldoen aan de bepalingen in lid 10.5.1 door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • b. voor zover aantoonbaar op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien; en
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
    • 2. het woon- en leefklimaat;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
10.5.4 Parkeerfonds- beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 10.5.2 kan, in afwijking van lid 10.5.3, ook worden verleend mits:

  • a. door de aanvrager van een omgevingsvergunning een financiële bijdrage wordt gestort in het parkeerfonds, indien er geen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, en de parkeerplaatsen niet voldoende in het openbaar gebied aanwezig (kunnen) zijn;
  • b. een omgevingsvergunning tot stand komt volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014);
  • c. de financiële bijdrage voor het parkeerfonds wordt berekend volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014).

Artikel 11 Algemene bouwregels

11.1 Ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlakgrenzen niet meer dan 0,75 m bedraagt.

11.2 Bodemgevoelige bijbehorende bouwwerken

In aanvulling op artikel 22.26 en 22.36 van het omgevingsplan mogen bodemgevoelige bijbehorende bouwwerken niet groter zijn dan 50 m2.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 12 Waarde - Archeologie 3

12.1 Voorrangsbepaling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3.

12.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01 is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'.

12.3 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende fucntie(s) mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.

12.4 Bouwactiviteiten
12.4.1 Algemeen

Bouwwerken staan ten dienste van de andere op deze gronden liggende functie(s).

12.4.2 Bouwwerken

Het bouwen van de in lid 12.4.1 genoemde bouwwerken zijn alleen toegestaan indien:

  • a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 500 m2;
  • b. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van meer dan 500 m2, maar waarbij de werkzaamheden voor de gehele oppervlakte niet dieper dan 0,5 m onder het maaiveld plaatsvinden;
  • c. er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit.
12.5 Omgevingsplanactiviteit bouwen - bouwwerken groter dan 500 m2
12.5.1 Bouwwerken groter dan 500 m2 - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 12.4.2 onder a.

12.5.2 Bouwwerken groter dan 500 m2 - uitzondering

Het verbod zoals bedoeld in lid 12.5.1 is niet van toepassing op bouwwerken voor zover het gaat om vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid.

12.5.3 Bouwwerken groter dan 500 m2 - beoordelingsregel

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 12.5.1 wordt alleen indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel
  • b. op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; dan wel
  • c. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord; dan wel
  • d. mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, en/of;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
    • 3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificatie.
12.6 Omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
12.6.1 uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden - omgevingsplanactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen van het waterpeil;
  • c. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
12.6.2 uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden - uitzondering

Het verbod zoals bedoeld in lid 12.6.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden indien:

  • a. de werken of werkzaamheden worden verricht op of in gronden onder bestaande gebouwen dan wel op of in gronden die 5 m rondom bestaande gebouwen zijn gelegen;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek naar het oordeel van het van het bevoegd gezag is aangetoond dat:
    • 1. geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel
    • 2. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel
    • 3. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord;

danwel

  • c. op basis van archeologisch onderzoek door het bevoegd gezag is bepaald dat bescherming van archeologisch materiaal afdoende kan plaatsvinden door aan de omgevingsvergunning een van de volgende voorwaarden te verbinden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
    • 3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumenten-zorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificatie.
  • d. het werken betreft op een geringere diepte dan 0,50 m onder maaiveld;
  • e. het werken betreft op een groter diepte dan 0,50 m onder maaiveld maar met een kleiner oppervlakte dan 2500 m2.

Artikel 13 Overige zone - GNN

13.1 Voorrangsbepaling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3.

13.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0302.TAM0022j-vg01 is aangewezen als 'Overige zone - GNN.

13.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Overige zone - GNN' heeft mede als functie - naast de andere aangewezen bestemming(en) - het behoud, het herstel en de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk, waarbij de regels van de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland in acht moeten worden genomen.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  • d. Het overgangsrecht geldt vanaf inwerkingtreding van onderhavig TAM-omgevingsplan voor een duur van vijf jaar.
14.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • e. Het overgangsrecht geldt vanaf inwerkingtreding van onderhavig TAM-omgevingsplan voor een duur van vijf jaar.