direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Slenterweg 5 Zevenaar
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer heeft de gronden van het voormalige tuincentrum aan de Slenterweg 5 te Ooy verworven. Hij wil alle bedrijfsactiviteiten op deze locatie beëindigen en de overtollige bebouwing en kassen te slopen. Ter compensatie hiervan wil hij twee extra woningen bouwen op zijn perceel. De bestaande bedrijfswoning wordt hierbij omgezet naar een burgerwoning.

Dit wijzigingsplan beoogt de planologische basis te leggen voor de wijziging van de bestemming 'Detailhandel - Tuincentrum' in 'Wonen'.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen ten oosten van de Slenterweg in het buurtschap Ooy. Het gebied dat tot Ooy wordt gerekend, is gelegen tussen de dorpen Groessen, Pannerden, Oud Zevenaar en de spoorlijn van Arnhem naar Duitsland.

Het landelijk gelegen Ooy heeft een heeft eigen dorpscultuur die vooral door de lokale verenigingen in stand wordt gehouden. In Ooy ligt het natuurbad De Breuly, een openluchtzwembad dat ook als visvijver gebruikt wordt. Nabij De Breuly aan de Panovenweg ligt het Buitengoed Panoven.

De Betuweroute sluit nabij Ooy aan op de spoorlijn Arnhem-Duitsland. In 2003 is de stad Zevenaar 'over het spoor' uitgebreid doordat de nieuwe woonwijk 'Ooijse Brink' werd gebouwd.

Op de volgende luchtfoto zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0001.png"

afb. globale ligging locatie ten zuiden van Oud Zevenaar

1.3 Het wettelijk kader

Het voorliggende bestemmingsplan is een wijzigingsplan ex artikel 3.6 Wro van het 'Bestemmingsplan buitengebied Zevenaar Noord 2018 dat op 16 juni 2020 is vastgesteld door de Raad. Het plangebied omvat de gronden met de enkelbestemming 'Detailhandel-Tuincentrum' en de dubbelbestemming 'Waarde- Archeologie hoge verwachting'.

Voor de gronden is ook 'specifieke vorm van detailhandel - 6' opgenomen. Dat betekent dat de maximale oppervlakte voor bedrijfsbebouwing, inclusief overkappingen (exclusief voormalige bedrijfswoning en bijbehorende bebouwing) 3.470 m2 mag bedragen.

Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied (het tuincentrum) aangegeven. afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0002.png"

afb. ligging plangebied

In artikel 14.5 van de planregels van dit bestemmingsplan is namelijk een wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro opgenomen die het College van Burgemeester en wethouders de mogelijkheid geeft om het tuincentrum te vervangen door woningen. Voorts zijn de algemene wijzigingsvoorwaarden van art. 48.1 van toepassing.

In art.14.5.2 Omschakeling van tuincentrum naar woonfunctie zijn de volgende specifieke voorwaarden opgenomen:

  • a. het tuincentrum wordt permanent beëindigd;
  • b. het bestaande bebouwingsoppervlak met minimaal 50% wordt gereduceerd, met dien verstande dat:
    • 1. alle kassen worden gesloopt;
    • 2. alle bebouwing die naar oordeel van het bevoegd gezag de landschappelijke waarden en/of beeldkwaliteit onevenredig aantasten wordt gesloopt;
  • c. voor het bepalen van het aantal woningen gelden in ieder geval de volgende overwegingen:
    • 1. maximaal aantal woningen (inclusief voormalige bedrijfswoning) naar rato van onderstaande tabel: 
oppervlakte te slopen kassen   aantal woningen
(inclusief voormalige bedrijfswoning)
   
500 m2 - 1.000 m2   1 woning  
1.000 m2 - 2.500 m2   2 woningen  
2.500 m2 - 8.000 m2   3 woningen  
meer dan 8.000 m2   4 woningen  

waarbij naast de voormalige bedrijfswoning maximaal 2 woongebouwen toegevoegd mogen worden

    • 1. de aanwezige natuurwaarden, landschappelijke waarden en/of cultuur-historische waarden worden niet onevenredig geschaad;
    • 2. de woningen zijn stedenbouwkundig inpasbaar;
    • 3. het aantal woningen past binnen het woningbouwprogramma;
  • d. de regels van artikel 27 ('Wonen') zijn van toepassing;
  • e. het bestemmingsvlak van een woning (inclusief tuin) is maximaal 1.200 m2;
  • f. en omgevingsvergunning voor de bouw van woningen en/of bijbehorende bebouwing wordt slechts verleend indien aan de sloop verplichting is voldaan.

De algemene wijzigingsvoorwaarden van art. 48.1 luiden als volgt:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, aanwezige natuur- en landschapswaarden en cultuur-historische waarden worden niet onevenredig geschaad;
  • b. er blijft sprake van een logische en compacte opzet van bebouwing;
  • c. in de omgeving treedt geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk op, waarbij tevens wordt voorzien in voldoende geschikte parkeerplaatsen op eigen terrein, waarbij in ieder geval wordt voldaan aan de gemiddelde parkeernormen zoals opgenomen in de CROW-publicatie nummer 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie';
  • d. de bebouwing en/of gebruik is verkeerstechnisch toelaatbaar;
  • e. er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, op basis van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd landschapsplan;
  • f. gronden en/of gebouwen mogen niet eerder overeenkomstig de wijziging worden gebruikt dan nadat landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand gehouden conform het beplantingsplan;
  • g. de belangen van eigenaren en/of gebruikers van omliggende gronden worden niet onevenredig geschaad;
  • h. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is gewaarborgd, waarbij tevens aangetoond moet worden dat:
    • 1. het plan milieutechnisch aanvaardbaar is;
    • 2. het plan stedenbouwkundig en landschappelijk inpasbaar is;
    • 3. in het plan de belangen van het watersysteem voldoende zijn geborgd (het plan is voorzien is van een watertoets);
    • 4. het plan past binnen de geldende beleidskaders;
    • 5. het plan economisch uitvoerbaar is;
  • i. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan moet gewaarborgd zijn, zowel planologisch als financieel;
  • j. door initiatiefnemer is een zekerheidstelling afgegeven met betrekking tot de landschappelijke inpassing en de (planschade)kosten.

Het wijzigingsplan heeft betrekking op het adequaat regelen van de toekomstige situatie. Bij het opstellen hiervan zijn diverse onderzoeken verricht die volledigheidshalve als bijlagen in dit plan zijn opgenomen. De resultaten van de onderzoeken worden in hoofdstuk 4 beschreven.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 is vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Ontstaansgeschiedenis

Het buurtschap Ooy maakt onderdeel uit van de middeleeuwse oeverwal langs de Oude Rijn, die van Babberich via Oud-Zevenaar, Ooy, Groessen en Loo richting Westervoort loopt. Bij hoog water op de Rijn liep het water over deze oeverwal heen en stroomde het komgebied van het Broek ten noorden van Duiven en Zevenaar vol.

Waar het water het eerst over de oeverwal heen liep, sleten zich geulen uit. De Aa in Zevenaar en de Ooijse Aa zijn twee van dergelijke geulen. Deze heten crevassegeulen of oeverwal-doorbraakgeulen. Beide zijn in de vroege middeleeuwen ontstaan, tussen de 7ee en 10e eeuw. Op de stroomrug langs de Ooijse Aa is de eerste bewoning in Ooy ontstaan. Vanaf de elfde eeuw is sprake is van bewoning in een strook langs de Slenterweg.

De voormalige geul is ook nu nog wel in het landschap herkenbaar. De eerste plek waar ze nog herkenbaar is, is bij boerderij De Toetenburg (Slenterweg). Het kolkje bij de boerderij is nog een restant van de oude geul. Van hieruit loopt een voormalige waterpompstation (hoek Rosandeweg /Slenterweg). Het bosje, enkele woonhuizen, het schuttersgebouw, het kermisterrein en het bosje op de hoek Slenterweg/Pannerdenseweg liggen allemaal (op de voormalige gemene gronden) in de dichtgeslibde geul, zo blijkt uit de bodemkartering. De hoogteverschillen zijn hier echter nagenoeg verdwenen.

Eeuwenlang beperkte de bewoning in Ooy zich tot de omgeving van de Slenterweg en wat huizen aan de Rosandeweg en de Pannerdenseweg. Door de nieuwbouw van ongeveer 200 woningen ten zuiden van de Ringbaan Zuid is Ooy behoorlijk uitgebreid. Een bezienswaardigheid nabij de buurtschap Ooy is het recreatieoord "De Panoven" waar een steenfabriek/museum gevestigd is. Dit rijksmonument met zijn unieke vormgeving is de laatste nog intact zijnde ronde zigzagoven van West-Europa.

Binnen de grenzen van het plangebied ligt een voormalige bedrijfswoning met bijbehorende opstallen waaronder kassen, schuur/berging en parkeervoorzieningen ten behoeve van het voormalige tuincentrum. Het gehele perceel was nagenoeg bebouwd en het voorerf was verhard om te parkeren voor onder andere bezoekers.

Achter dit plangebied ligt een woning Slenterweg 7, die ontsloten wordt via het klompenpad. In het verleden werd dit klompenpad ook gebruikt voor het laden en lossen bij de kassen. De huidige ontsluiting van het perceel Slenterweg 7 via het klompenpad blijft onveranderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0003.png"

afb. huidige situatie

2.2 Toekomstige situatie

De kassen met een gezamenlijke oppervlakte van 3700 m2 worden gesloopt. De bestaande voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning en de nabijgelegen schuur/berging zal in gebruik worden genomen ten behoeve van deze burgerwoning. Op het perceel mogen 2 extra woningen worden gebouwd.

Met de transformatie van het bedrijfsperceel naar een woonperceel met 3 woningen in combinatie met een landschappelijke inpassing wordt een substantiële bijdrage geleverd aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op perceelsniveau en in de omgeving.

Elk woonperceel heeft een oppervlakte van maximaal 1.200 m2. Het perceel bij de voormalige bedrijfswoning heeft een grotere oppervlakte (1.408 m2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0004.png"

afb. nieuwe situatie

Vorige afbeelding is ook opgenomen in de bijlage 'Landschappelijke inpassing Slenterweg 5 Zevenaar 16-01-2023' van de regels en geeft een beeld van de toekomstige situatie en inrichting.

De volgende afbeelding geeft een beeld van de toekomstige verkaveling. Een meer gedetailleerde afbeelding van deze verkaveling is opgenomen in de bijlagen bij de regels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0005.png"

afb. verkaveling (ged.)

Duurzaamheid

De daken van de woningen en/of bijbehorende bouwwerken zoals bijgebouwen en aanbouwen (zijn door de zuidelijke oriëntatie van een dakvlakken geschikt voor het plaatsen van zonnepanelen. De nieuwe woningen worden 'gasloos' gebouwd in combinatie met het gebruik van een warmtepomp.

Ter vermindering van hittestress blijven de erven bij de woningen zo groen mogelijk en zal een deel van de verharding van het voormalige parkeerterrein worden verwijderd. Het hemelwater van het dakoppervlak en van de verharding wordt afgekoppeld van het rioolstelsel en geïnfiltreerd op eigen terrein/erf. De woningen beschikken over een ruim perceel zodat er voldoende mogelijkheden zijn om het hemelwater op te vangen en te infiltreren door de aanleg van vijvers, wadi's of infiltratiekratten. De infiltratie van hemelwater komt ten goede aan het grondwaterpeil, het beperkt verdere verdroging en het voorkomt overbelasting van rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Bij de bouw zal gebruik worden gemaakt van duurzame (bouw)materialen.

2.3 Landschappelijke inpassing

Het initiatief moet een positieve bijdrage leveren aan het behoud en de ontwikkeling van een goed functionerend karakteristiek landschap. De locatie is gelegen op een oeverwal. De bestaande en nieuwe bebouwing met de aangrenzende gronden wordt op landschappelijk verantwoorde wijze ingepast binnen het plangebied en zijn omgeving. Hieronder wordt een aantal voorbeelden gegeven van uit te voeren maatregelen uit de landschappelijke inpassing:

  • De voormalige bedrijfswoning met de schuur is georiënteerd op de zuidelijk gelegen weide.
  • Een van de nieuw te bouwen woningen wordt ingepast in het lint van de Slenterweg. De andere nieuwbouwwoning is gericht op de toegangsweg naar Slenterweg 7.
  • De nieuwe woningen hebben een inhoud van maximaal 800 m3. De oppervlakte van het bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 150 m2 per nieuwe woning.
  • Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen bedraagt minimaal 7.
  • De aan te planten hoogstamfruitboomgaard met meidoornhaag zorgt voor de landschappelijke verbinding met nieuwe woonerven.
  • Het bestaande klompenpad met knip- en scheerheg blijft gehandhaafd.
  • De tuinen worden begrensd met een knip- en scheerheg, bestaande uit beuken, en solitaire bomen op de erfgrens.
  • De aanleg van een gemengde (mei)doornhaag langs de perceelsgrenzen zorgt voor een landschappelijke inpassing van de erven biedt zichttelaties met de omgeving.
  • Open weides en opgaande beplanting creëren doorzichten en zorgen voor een kleinschalig landschap.
  • De bestaande kerstbomenkwekerij ten oosten van het tuincentrum is verwijderd en omgevormd naar weide.

De gehele afbeelding van de nieuwe situatie is ook opgenomen in de bijlage 'Landschappelijke inpassing' van de regels.

2.4 Ontsluiting en parkeren

De bestaande in- en uitrit op de Slenterweg blijft de primaire ontsluiting voor de woningen. De voormalige bedrijfswoning heeft nog een secundaire ontsluiting op het klompenpad. Dit pad maakt onderdeel uit van de zuidelijk gelegen weide.

Binnen het plangebied worden minimaal 7 parkeerplaatsen aangelegd. Voorts is er nog voldoende ruimte op elk perceel om zo nodig een extra parkeerplaats aan te leggen.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

3.1 Inleiding

3.2 Beleid

3.2.1 Rijksbeleid
3.2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De NOVI (vastgesteld (11-09-2020) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen die zich aandienen.

De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.

Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
3.2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het kabinet heeft in de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR), welke onder meer de Nota Ruimte vervangt, voor een beperkt aantal onderwerpen van nationaal belang vastgesteld dat de rijksbevoegdheid om algemene regels te stellen moet worden ingezet.

In het Besluit algemene regels ruimtelijk ordening (Barro) van 20 augustus 2011 zijn de kaders aangegeven waaraan plannen c.q. initiatieven met betrekking tot de nationale belangen moeten voldoen.

Nationale belangen zijn hierbij niet in het geding. Op grond van het Barro bestaan er geen belemmering voor uitvoering van het plan en daartoe vaststelling van het bestemmingsplan.

3.2.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Sinds 1 oktober 2012 is het op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, Bro, verplicht om in de plantoelichting de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen.

Met betrekking tot de functiewijziging van gronden en gebouwen voor stedelijke functies is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' van belang die het Rijk in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft opgenomen. Bij de afweging van een besluit tot een functiewijziging moeten alle relevante belangen worden betrokken.

Toetsing aan het beleid

Het initiatief heeft betrekking op een functiewijziging op perceelsniveau in het buitengebied waarbij sprake is van de sloop van kassen, de bouw van 2 extra woningen en de beëindiging van alle bedrijfsactiviteiten. Op basis van de heersende jurisprudentie wordt de bouw van 2 extra woningen niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling.

De kwaliteit van de omgeving verbetert door de sloop van niet-karakteristieke bebouwing. Daarnaast worden de gebouwen en het erf op landschappelijk verantwoorde wijze ingepast. In de gemeente Zevenaar bestaat voorts behoefte aan landelijk wonen. Met de toevoeging van 2 extra woningen wordt in deze behoefte voorzien.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toekomstbestendig en duurzaam wooninitiatief in het landelijk gebied in combinatie met versterking van de landschappelijke waarden en natuurwaarden en past daarmee binnen ook binnen de prioriteiten van de NOVI

3.2.2 Provinciaal beleid
3.2.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Aanleiding voor deze Omgevingsvisie is de gedetailleerdheid van de bestaande visie (er moet duidelijker worden aangegeven wat echt van belang is voor de provincie) en tegelijkertijd is sprake van nieuwe ontwikkelingen met impact. De provincie heeft geconcludeerd dat een Omgevingsvisie en -verordening nodig is die hier de aandacht op vestigt, maar die ook ruimte biedt om snel en passend te reageren. Een Omgevingsvisie die focus aanbrengt op hetgeen waar het uiteindelijk om gaat, op wat voor de provincie van belang is en waar zij een doorslaggevende rol in heeft gezien haar taken en verantwoordelijkheden. De nieuwe Omgevingsvisie van Gelderland geeft de richtlijnen voor de ruimtelijke, fysieke en economische inrichting van de provincie. Gemeentelijke plannen en initiatieven van ondernemers, burgers en instellingen kunnen aan dit beleid getoetst worden. De nieuwe Omgevingsvisie Gaaf Gelderland kent een aantal nieuwe beleidsthema's (ambities) en een aantal aanpassingen van het beleid op bestaande thema's. Het beleid is meer strategisch van karakter.

In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' beschrijft de provincie het beeld op de toekomst. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Gelderland bevindt zich op een cruciaal punt in de tijd. De wereld verandert ingrijpend met nieuwe vraagstukken zoals het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering.

Bij de taakinvulling legt de provincie de focus op duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie als werkende bestanddelen voor een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wordt gedaan door het nastreven van zeven met elkaar samenhangende ambities:

  • 1. energietransitie;
  • 2. klimaatadaptie;
  • 3. circulaire economie;
  • 4. biodiversiteit;
  • 5. bereikbaarheid;
  • 6. vestigingsklimaat;
  • 7. woon- en leefomgeving.

Ad 1) Het streven is dat Gelderland in 2050 volledig energieneutraal is. Om te beginnen, zet de provincie in op energiebesparing en het terugdringen van het energieverbruik door isolatie en efficiëntere toepassingen: in huizen en gebouwen, bij verkeer en vervoer, in de industrie, in de landbouw. Daarnaast zet de provincie in op duurzame opwekking. Wind, zon, biomassa, waterstof, geo- en aquathermie en waterkracht. Ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologieën wordt gestimuleerd. Windturbines, zonneparken, warmtecentrales, (mest)vergisters, waterkrachtcentrales moeten een plek krijgen in het Gelderse landschap, wil de ambitie worden gehaald. In de bodem wordt gezocht naar mogelijkheden voor het benutten van aardwarmte (geothermie). Dit raakt de leefomgeving van alle Gelderlanders en kan botsen met sterke Gelderse kwaliteiten.

Ad 2) Het veranderend klimaat raakt alle facetten van de omgeving, zoals de Gelderse Natuur, maar ook de gezondheid en veiligheid. In 2050 moet Gelderland optimaal beschermd zijn tegen en kunnen meebewegen met het veranderende klimaat.

Ad 3) Minder afval en meer kringloop, recycling en hergebruik is nodig om Gelderland schoon en groen te houden. Zoveel mogelijk gebruik van duurzame materialen en hergebruik daarvan.

Ad 4) Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit. De provincie ziet de meeste kansen door veehouderij, land- en tuinbouw en natuur slimmer te verbinden. De provincie werkt met betrokken partijen aan een betere balans tussen de intensieve veehouderij, natuurwaarden, lucht- en bodemkwaliteit en het terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw en fruitteelt.

Ad 5) Bereikbaarheid is een kritische succesfactor voor een verbonden samenleving en een krachtige, duurzame Gelderse economie. Gestreefd wordt naar een efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag.

Ad 6) De provincie streeft naar een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat. In 2050 zijn alle werklocaties in Gelderland duurzaam ingericht qua energie, klimaatbestendigheid en logistieke en productiestromen. De provincie zorgt voor een gevarieerd aanbod aan goed ontsloten, kwalitatief hoogwaardige, duurzame werklocaties. Het concentreren van economische activiteiten heeft daarbij de voorkeur boven versnippering. Het ombouwen van bestaande en leegstaande bedrijvenlocaties heeft de voorkeur boven de aanleg van nieuwe terreinen.

Ad 7) Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. Het benutten van bestaande gebouwen heeft de voorkeur. Gestreefd wordt naar concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, is uitbreiding aan de randen van de steden of dorpen in beeld. Bij de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop. Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat weet te anticiperen op ontwikkelingen. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut. In 2050 zijn alle woningen klimaatneutraal.

Toetsing aan het beleid

Bij het bouwen van de toe te voegen woningen zal ingezet worden op het thema duurzaamheid (energie, gebruik grondstoffen, klimaatbestendig) en een goede landschappelijke inpassing. Een goede landschappelijk inpassing bevordert de biodiversiteit ter plaatse en levert een bijdrage aan de verbetering van de omgevingskwaliteit. Deze aspecten zijn in overeenstemming met de ambities en beleidsuitgangspunten op het gebied van energietransitie, biodiversiteit en woon- en leefomgeving.

3.2.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking van het beleid uit de Omgevingsvisie in regels. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. Eén en ander volgens door de gemeenten/regio's nader uit te werken beleidskaders.

Beschermde Natuurgebieden

Eén van de provinciale belangen is de bescherming en ontwikkeling van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), het Groene Ontwikkelingszone (GO) en het Natura 2000-gebied Rijntakken, deelgebied Gelderse Poort. De locatie ligt op voldoende afstand van deze beschermde gebieden. De afstand tot deze beschermde gebieden bedraagt 630 meter, zoals aangegeven op de volgende afbeeldingen.

Zie verder ook onder paragraaf 4.1.6 Ecologie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0006.png"

Ligging plangebied ten opzichte van het GO en GNN

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0007.png"

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied De Gelderse Poort

Toetsing aan beleid

Onderhavig plan is niet in strijd met de uitgangspunten van het provinciaal beleid van Gelderland.

3.2.3 Regionaal beleid
3.2.3.1 Notitie functieverandering buitengebied

Op 18 oktober 2007 heeft de Stadsregio Arnhem Nijmegen de 'Notitie functieverandering buitengebied' vastgesteld. Deze notitie bevat een beleidskader voor de functieverandering van vrijkomende agrarische bedrijven.

De regio heeft functieverandering vertaald naar specifiek beleid voor de regio. Een van de voorwaarden in dit beleid, gesteld aan functieverandering, is dat de bedrijfsmatige activiteiten volledig beëindigd moeten worden. Daarnaast moet minstens 50% van de bebouwing worden gesloopt en mogen er maximaal twee woongebouwen worden gerealiseerd. In onderhavig plangebied zijn de bedrijfsmatige activiteiten beëindigd en wordt 3.700 m2 aan bebouwing gesloopt. De voormalige bedrijfswoning wordt bestemd als burgerwoning. Er wordt voldaan aan de eis dat minstens 50% van de bebouwing wordt gesloopt. In dit geval mogen daarom maximaal twee wooneenheden worden gerealiseerd. In het plangebied wordt naast de bestaande woning twee vrijstaande woningen opgericht. Het plan past hiermee binnen de notitie voor functieverandering in het buitengebied.

Het regionaal beleid is overigens geïncorporeerd in het nieuwe bestemmingsplan buitengebied Zevenaar Noord.

3.2.4 Gemeentelijk beleid
3.2.4.1 Bestemmingsplan buitengebied Zevenaar Noord

Het bestaande beleid (uit 2009) met betrekking tot vrijkomende (agrarische) bebouwing is opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Het functieveranderingsbeleid dient ter ondersteuning van de transformatie van het landelijk gebied. Nieuwe functies kunnen in het landelijk gebied een plek krijgen mits het gebied zich daarvoor leent en de functieverandering leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit. Naast het agrarisch gebruik mogen andere belangrijke functies van het landelijk gebied daarbij niet onevenredig aangetast worden. Met het VAB-beleid wordt een goede wijze van (her)gebruik bevorderd voor gebouwen in het buitengebied die hun huidige functie verliezen of hebben verloren.

3.2.4.2 Woonvisie

In de Woonvisie Zevenaar is de koers ten aanzien van wonen tot 2025 bepaald. Naast het visiedeel is er een uitvoeringsprogramma waarin is vastgelegd hoe deze koers vormgegeven gaat worden in de komende vier jaar. Het uitvoeringsprogramma wordt iedere 4 jaar bekeken en indien nodig bijgesteld.

De gemeente blijft zich inzetten om een jonge populatie en hogere inkomensgroepen aan zich te binden. Dat is goed voor de lokale economie en noodzakelijk om voldoende draagvlak te behouden voor de voorzieningen. Deze voorzieningen zijn belangrijk voor een prettige woonomgeving en om de leefbaarheid op peil te houden.

In de Woonvisie wordt de focus onder andere gelegd op het verbeteren van de positie van doelgroepen met een kwetsbare positie, en het bewaken dat de woningbouw aansluit bij de behoefte: om de potentiële groei maximaal op te vangen én tegelijkertijd het voorkomen van overaanbod.

Bij de invulling van deze opgaven komt ook het beleid en ambitie rondom duurzaamheid, wonen en zorg, leefbaarheid en het ruimtelijk beleid aan bod. Zevenaar blijft de centrumgemeente in de Liemers en biedt met het woningbouwprogramma ruimte om te groeien. Naast voldoende woningaanbod is een transparante woningmarkt, een goede bereikbaarheid, een aantrekkelijk voorzieningenaanbod en voldoende werkgelegenheid cruciaal om deze ambitie waar te kunnen maken.

De verwachting is dat voorlopig een beperkte uitbreidingsbehoefte blijft bestaan voor woningen in het buitengebied. Om verstening te beperken en verpaupering van het buitengebied te voorkomen is nieuwvestiging van woning(en) slechts mogelijk door middel van functieverandering en woningsplitsing.

3.2.4.3 Structuurvisie gemeente Zevenaar 2010-2030

De nieuwe Structuurvisie doet uitspraken over de ontwikkeling van Zevenaar in de periode 2010-2030. In het algemeen richt de gemeente zich (vanuit regionaal perspectief) met de structuurvisie op het '(ruimtelijk) faciliteren van welvaart en welzijn in Zevenaar en het bevorderen van (ruimtelijke) kwaliteit als onderdeel van de leefkwaliteit van Zevenaar'. Tijdens het structuurvisieproces is onderzocht wat daarvoor wenselijk, noodzakelijk en ook daadwerkelijk mogelijk is. Het gaat hierbij om onderwerpen op allerlei terreinen, zoals wonen, zorg, welzijn, voorzieningen en werken, maar ook over recreatie, natuur, cultuurhistorie en infrastructuur.

In de kernen Oud Zevenaar en Ooy is geen ruimte voor grote bouwopgaven. Dit neemt niet weg dat er mogelijk op enkele plekken nog ruimte is voor kleinschalige ontwikkelingen, zoals de Tichel. Afhankelijk van de behoefte is een beperkt aanbod appartementen in Oud Zevenaar voor de doelgroep (alleenstaande) senioren en starters mogelijk.

Zowel Oud Zevenaar als Ooy zijn rustige woongebieden met een eigen identiteit. Voor Ooy geldt dat dit pas met de ontwikkeling als nieuwbouwlocatie vanaf 2002 echt tot bebouwingscluster van formaat is verworden. Nieuwe uitbreidingen zijn hier niet voorzien en een eigen voorzieningniveau is gelet op de omvang en de nabijheid van de stad zelf niet nodig.

De structuurvisie bevat geen essentiële beleidsuitgangspunten over een kleinschalige ontwikkeling op perceelsniveau. De functiewijziging levert een positieve bijdrage aan de leefkwaliteit aan de Slenterweg en omgeving en past hiermee binnen de algemene beleidsdoelstellingen van de structuurvisie.

3.2.4.4 Conclusie

Uit de toets aan het relevante gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat het planvoornemen hiermee in overeenstemming is.

3.3 Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De initiatiefnemer heeft zijn naaste buren op de hoogte gebracht van de plannen. De buren zijn positief over het plan omdat het een mooier straatbeeld oplevert en een beter uitzicht

Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

In artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening is opgenomen dat een exploitatieplan wordt vastgesteld voor de gronden waarop een bouwplan kan worden gerealiseerd. Volgens artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt hier in ieder geval de bouw van één of meerdere hoofdgebouwen onder verstaan. Hiervan is in dit geval sprake. In afwijking van artikel 6.12, lid 2 kan de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen in geval het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is.

De gemeente sluit een overeenkomst om het kostenverhaal ( waaronder ook eventuele planschadekosten) zeker te stellen. Het kostenverhaal van de gemeente is hierdoor voldoende geborgd zodat afgezien kan worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde gesteld, te weten water, ecologie, archeologische en cultuurhistorische waarden, bodem, geluid, luchtkwaliteit, milieuzonering, externe veiligheid alsmede de economische uitvoerbaarheid.

4.1.2 Bodem

Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor de beoogde functie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik

In november 2020 is een verkennend bodemonderzoek (projectcode K209081, 17 nov. 2020) uitgevoerd. In de nieuwe versie van het bodemonderzoek (projectcode K209081, versie 2.0, 4 nov. 2021) is een onderzoek naar mogelijke verontreinigingen met OCB's ter plaatse van het kassencomplex bijgevoegd, is peilbuis PB16 opnieuw bemonsterd (parameters pH, EC en Troebelheid) en is de bestrijdingsmiddelenopslag separaat bemonsterd op de aanwezigheid van OCB's.

De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet bekend. De bestrijdingsmiddelenopslag, het ketelhuis, kassencomplex en de ruimte waar de (ondergrondse) HBO tank ligt, worden als verdachte deellocaties onderzocht. Verder zijn er op de locatie geen aanwijzingen dat de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging en wordt de rest van de locatie onderzocht als onverdachte locatie.

De hypotheses en onderzoeksstrategieën zijn in de volgende tabel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0008.png"

De resultaten van het onderzoek zijn hieronder samengevat.

Bodem

De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, kwik, lood, zink, PCB en PAK. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.

Ter hoogte van de HBO-tank zijn in de grond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater bevat een licht verhoogd gehalte barium.

De grond is licht verontreinigd met kobalt en lood op de plek van de bestrijdingsmiddelenopslag. Het grondwater bevat een matig verhoogd gehalte aan arseen.

De grond is licht verontreinigd met minerale olie ter plaats van het ketelhuis. Het grondwater bevat een licht verhoogd gehalte barium

Asbest

Tijdens het veldonderzoek heeft een visuele beoordeling van asbest in de bodem plaatsgevonden. In de bodem is geen 'asbestverdacht' materiaal aangetroffen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er geen verkennend asbestonderzoek conform NEN-5707 “Monsterneming en analyse van asbest in bodem” of NEN-5897 “Monsterneming en analyse van asbest in bouw- en sloopafval en puingranulaat” heeft plaatsgevonden.

Conclusie

Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden voor de onderzochte deellocaties:

 

Ondergrondse HBO-tank

•  in de grond en het grondwater van deze deellocatie zijn geen verhoogde concentraties minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetroffen;

•  de hypothese wordt hiermee verworpen.

 

Bestrijdingsmiddelenopslag

•  de grond van deze deellocatie is licht verontreinigd met kobalt en lood;

•  het grondwater is matig verontreinigd met arseen;

•  De hypothese 'verdachte locatie' wordt hiermee aangenomen; 

 •  Gezien de slechts licht verhoogde gehalten is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

 

Ketelhuis

•  de grond van deze deellocatie is licht verontreinigd met minerale olie;

•  in het grondwater zijn geen verhoogde gehalten minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetroffen;

•  De hypothese 'verdachte locatie' wordt hiermee aangenomen;

•  Gezien de slechts licht verhoogde gehalten is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

•  Peilbuis16 (PB16) is opnieuw geanalyseerd, op de parameters pH, EC en troebelheid, op 11 oktober 2021. De eerder gemeten hoge pH waarde is thans niet meer gemeten (7,5 pH).

 

Overig terrein

•  de bovengrond is licht verontreinigd met Cadmium, kwik, lood, zink, PCB, PAK;

•  in de ondergrond van het overige terrein zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen;

•  het grondwater bevat licht verhoogde gehalten barium en plaatselijk een matig verhoogd

•  gehalte arseen;

•  De hypothese 'onverdachte locatie' wordt hiermee verworpen.

•  Gezien de slechts licht verhoogde gehalten is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk;

•  Het matig verhoogde gehalte arseen heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong en derhalve

•  is hiervoor eveneens geen aanvullend onderzoek noodzakelijk.

 

Bestrijdingsmiddelenopslag

•  In de bovengrond ter plaatse van de bestrijdingsmiddelenopslag is een licht verhoogd gehalte aan drins (som) aangetroffen boven de achtergrondwaarde. De overige geanalyseerde parameters (OCB's) zijn niet verhoogd aangetroffen.

•  In het grondwater ter plaatse van de bestrijdingsmiddelenopslag zijn geen verhoogde gehalten aan OCB's boven de streefwaarde aangetroffen.

•  Gezien de slechts licht verhoogde gehalten aan drins boven de achtergrondwaarde is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

 

Kassencomplex

•  In de bovengrond ter plaatse van het kassencomplex zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten aan drins (som), DDD (som) en DDE (som) aangetroffen boven de achtergrondwaarde.

•  Gezien de slechts licht verhoogde gehalten aan drins boven de achtergrondwaarde is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Conclusie

Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het beoogde gebruik. Een kopie van dit onderzoek is als bijlage bij het plan gevoegd.

4.1.3 Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.

Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer bepaalt dat bestuursorganen in hun besluitvorming rekening moeten houden met deze luchtkwaliteitseisen. Dit zijn normen voor de concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Deze stoffen zijn: zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) De bijbehorende concentratienormen, of grenswaarden, zijn opgenomen in bijlage 2 van de bovenvermelde wet. In de onderstaande tabel zijn deze weergegeven:

Stof   Grenswaarde  
SO2   350 ìg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  125 ìg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
NO2   200 ìg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  40 ìg/ m³ als jaargemiddelde concentratie  
PM10   40 ìg/ m³ als jaargemiddelde concentratie  
  50 ìg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
Lood   0,5 ìg/ m³ als jaargemiddelde concentratie  
CO   10.000 ìg/ m³ als 8 uursgemiddelde concentratie  
C6H6   5 ìg/ m³ als jaargemiddelde concentratie  

Het Besluit NIBM is van belang om te bepalen of een apart luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is. Dit besluit legt namelijk vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is voor het grootste gedeelte geregeld in de ´Regeling niet in betekende mate (luchtkwaliteitseisen)´.

Deze ministeriële regeling, verder aan de te duiden als ´Regeling NIBM´, geeft voor een aantal categorieën van projecten een -getalsmatige- invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de - getalsmatige - begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarde nodig en kan het project doorgaan zonder dat extra maatregelen behoeven te worden genomen.

Woningbouwprojecten tot een maximumaantal van 1500 woningen (netto) voorzien van minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen voorzien van minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling vallen binnen deze getalsmatige grens.

Het toevoegen van twee extra woningen betreft een kleinschalig initiatief op perceelsniveau en ligt qua aantal in verband met mogelijke milieubelasting ruim onder het hier voor vermelde criteria voor woningbouwontwikkelingen.

Dit maakt het aannemelijk dat deze ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen in de Wet luchtkwaliteit.

Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' levert geen beperkingen op voor de uitvoering van het wijzigingsplan.

4.1.4 Geluid

Om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen schrijft de Wet geluidhinder voor dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening dient te worden gehouden met het aspect wegverkeerslawaai. Volgens het gestelde in artikel 74, lid 1 sub. A2 van de Wet Geluidhinder dient de invloed van alle wegen in een buitenstedelijk gebied met een of twee rijstroken gelegen binnen 250 meter van de woningen in het plangebied op de betreffende gevels te worden onderzocht. De voorkeursgrenswaardeingen is 48 dB. Wordt aan die voorkeurswaarde voldaan, dan is er in de woning sprake van een goed woon- en leefklimaat. Ligt de geluidsbelasting hoger dan kan er een hogere waarde worden vastgesteld. Voor woningen in een buitenstedelijk gebied (buiten de bebouwde kom) is dit ten hoogste 53 dB (Wgh art. 83). In verband hiermee is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting.

Het akoestisch onderzoek

De twee nieuwe woningen zijn geleg en in de wettelijke geluidszone van de Slenterweg en de Pannerdenseweg buiten de bebouwde kom van Zevenaar. De woningen liggen buiten de geluidzone van het spoor. De berekeningen zijn uitgevoerd op basis van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.

Alle resultaten zijn inclusief een aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder weergegeven. De berekende geluidsbelastingen voor de Slenterweg en de Pannerdenseweg op de woningen zijn in navolgende tabellen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0010.png"

De volgende tabel geeft voor alle wegen samen een overzicht van de berekende invallende geluidbelasting Lden in 2031, zonder aftrek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0011.png"

De volledige berekeningsresultaten zijn in bijlage II opgenomen van het akoestisch rapport.

Slenterweg

De geluidbelasting ten gevolge van de Slenterweg bedraagt ten hoogste 43 dB na aftrek van 5 dB. De geluidbelasting ligt daarmee onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Pannerdenseweg

De geluidbelasting ten gevolge van de Pannerdenseweg bedraagt ten hoogste 34 dB na aftrek van 5 dB. De geluidbelasting ligt daarmee in alle rekenpunten beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee door wegverkeer op deze wegen niet overschreden. Er zijn voor de geluidbelasting door wegverkeer op deze wegen geen hogere waarden nodig.

Geluidbeleid gemeente Zevenaar ]

De geluidbelasting door de Slenterweg ligt nog juist binnen de klasse “rustig” en de geluidbelasting door de Pannerdenseweg in de klasse “zeer rustig”. Daarmee wordt voldaan aan het ambitieniveau voor het buitengebied uit het geluidbeleid van de gemeente Zevenaar.

Goede ruimtelijke ordening

Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en het gemeentelijk beleid. Aan dit toetsingskader kan worden voldaan zonder het treffen van maatregelen. Voor het aspect geluid zal sprake jn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen daarnaast wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Zie verder hieronder.

Geluidwering

De voorschriften van het Bouwbesluit hebben tot doel de geluidbelasting binnenshuis in de verblijfsgebieden van een woning te beperken tot 33 dB. Bij het bepalen van de benodigd

geluidwerende voorzieningen wordt conform het Bouwbesluit gekeken naar de geluidbelasting zonder aftrek. Voor gevels met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zijn geluidwerende voorzieningen nodig.

4.1.5 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype tot rustig buitengebied:

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0012.png"

De vraag is of de toe te voegen woningen de reeds bestaande ruimtelijke functies in de omgeving belemmeren. In de directe omgeving zijn voornamelijk woonfuncties aanwezig en enkele maatschappelijk functies en een nutsbedrijf.

In de omgeving zijn de volgende functies aanwezig met de voorgeschreven richtafstand:

  • 1. Vereniging Schutterij E.M.M, Slenterweg 2 Zevenaar (SBI-code 94991 buurt- clubhuizen) een richtafstand 30 m;
  • 2. Rioolgemaal nabij Slenterweg 8 Zevenaar (SBI-code 3700) een richtafstand 30 m;
  • 3. Muziekcentrum Slenterweg 8 Zevenaar (SBI-code 8552) een richtafstand 30 m.

De feitelijke afstand van de dichtstbijzijnde nieuwe woning tot de hiervoor vermelde functies bedraagt respectievelijk meer dan 50m, 100m en 120 m. Deze afstanden zijn voldoende om een goed woon- en leefmilieu zeker te stellen. Voorts is deze afstand voldoende om geen belemmeringen op te werpen voor de reeds aanwezige functies.

Conclusie

Het aspect 'milieuzonering en bedrijven' levert geen beperkingen op voor de nieuwe woonfuncties en de reeds bestaande bedrijven in de omgeving.

4.1.6 Ecologie

Een ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als duidelijk is dat de wettelijk beschermde dieren niet worden verontrust, dat de nesten, holen of andere verblijfplaatsen niet worden vernield, beschadigd of verstoord en dat de wettelijk beschermde planten niet worden verwijderd van hun groeiplaats en hun groeiplaats behouden blijft.

In verband hiermee is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het veldonderzoek vond plaats op 22 februari 2021.

Gebiedsbescherming

De locatie is niet gelegen in een beschermd natuurgebied. Het Natura 2000-gebied Rijntakken is gelegen op een afstand van circa 630 meter afstand ten noorden van het plangebied. De nieuwe ontwikkeling mag niet leiden tot een toename van de stikstofemissie.

In het kader van functieverandering waarbij voormalige bedrijfsbebouwing (glasopstanden) wordt gesloopt, mag ter compensatie twee extra woningen worden toegevoegd. Bij de bouw van de twee extra woningen zal de stikstof emissie tijdelijk toenemen. Met de sloop van de voormalige bebouwing (kassen) wordt agrarisch verleden van deze locatie definitief verlaten. De beëindiging van alle agrarische activiteiten (geen verwarming, geen verkeersbewegingen van agrarisch verkeer, ect.) leidt tot een significante afname van de stikstofemissie op deze locatie.

De stikstofemissie die op deze locatie overblijft is alleen de uitstoot van de c.v.-installatie van de nieuw te bouwen woningen aanwezig en de verkeersbewegingen van de nieuwe bewoners en zal daarom niet leiden tot een toename van emissie. Verder zijn er geen emissiebronnen.

De ammoniakdepositie op het Natura-2000 gebied de Rijntakken, die veroorzaakt wordt door de ammoniakemissie van het voormalige tuincentrum zal in zijn geheel verdwijnen. Met het computerprogramma Aerius Calculator is zowel voor de bouwfase als de gebruiksfase (gasloos) de depositie van stikstofdioxiden berekend op Natura 2000-gebieden. In zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn geen rekenresultaten berekend die hoger zijn dan 0,00 mol per hectare per jaar. De berekening is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

De Groene Ontwikkelingszone (lichtgroene kleur) ligt ook op een afstand van circa 630 meter van het plangebied. Zie volgende afbeelding voor de ligging van de locatie ten opzichte van dit beschermde gebied. De afstand tot het Gelders Natuurnetwerk (donkergroene kleur) is nog groter

De functieverandering op perceelsniveau heeft een neutraal effect op de beschermde gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0013.png"

Ligging plangebied ten opzichte van het GO en GNN

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0014.png"

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied De Gelderse Poort

Soortenbescherming

Mogelijk behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige diersoorten uit onderstaande soortgroepen:

  • vogels. Gelet op de aard van de gebouwen wordt de bebouwing als weinig geschikte nestplaats voor huismus en gierzwaluw beschouwd. Klimop aan de muur van een gebouw is potentiële nestplaats voor verschillende vogelsoorten.
  • vleermuizen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het plangebied duiden. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.
  • grondgebonden zoogdieren. Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis, steenmarter en egel. Achter de kassen ligt veel puin en afval dit kan dienen als geschikte rust- en/of voorplantingsplaats voor muizen. Een geschikte plek voor egel of steenmarter om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreekt in het plangebied.
  • amfibieën. Door het verwijderen van rommel, bladeren en strooisel en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten al kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd.
  • Overige soorten. Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0015.png"

Afb. samenvatting van de wettelijke consequenties

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0016.png"

Afb. Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep

Conclusie

Het plangebied ligt buiten de beschermde gebieden zoals het Natura 2000-gebied Rijntakken en buiten het GO en GNN. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, zoals de toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te kunnen stellen dient een stikstofberekening uitgevoerd. De uitkomst van stikstofberekening luidde dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Rijntakken.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, en tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren.

De quickscan natuurwaardenonderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

4.1.7 Leidingen

In of bij het plangebied liggen geen onder- bovengrondse leidingen, die van invloed zouden kunnen zijn op de planontwikkeling.

4.1.8 Externe veiligheid

In de omgeving kunnen de volgende externe veiligheidsrisicobronnen relevant zijn

Risicobron    
Hogedruk aardgasleidingen (Bevb1)   N.v.t., het invloedsgebied van de nabijgelegen aardgastransportleiding ligt niet over het plangebied.  
Inrichtingen (Bevi2)   N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied.  
Transport gevaarlijke stoffen over de weg (Bevt3)   N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied.  
Transport gevaarlijke stoffen over het water (Bevt)   N.v.t., op ongeveer 4500 meter ten zuidwesten ligt de Rijn. Het invloedsgebied (1070 meter) ligt niet over het plangebied.  
Transport gevaarlijke stoffen over het spoor (Bevt)   Op ongeveer 600 meter ten noorden van het plan ligt de Betuweroute. Hierover worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied ligt over het plangebied.  

Er vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het spoor op 600 m van het plangebied.

De beoordeling van externe veiligheid wordt uitgevoerd voor twee risiconormen, namelijk het plaatsgebonden risico en groepsrisico vanwege de aanwezigheid van de Betuweroute.

Plaatsgebondenrisico

Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een Bevi inrichting, transportroute en hogedruk aardgastransportleiding. Dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Groepsrisico

Het plangebied ligt in het invloedsgebied de Betuweroute. Daarmee hebben wijzigingen in het plangebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Doordat de afstand tussen het plan en de Betuweroute groter is dan 200 meter heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden verricht worden:

  • Conform de motivatie onderdelen van Bevt artikel 7 en 9 moet het groepsrisico beperkt verantwoord worden voor de Betuweroute;
  • Er moet advies worden aangevraagd bij de 'Veiligheid Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM)'.

Beperkte verantwoording groepsrisico

Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van de Betuweroute, de snelweg A12 en de nog aan te leggen snelweg A15. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze transportassen. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) op 19 augustus 2021 (kenmerk: 2021-005112) niet de noodzaak gezien aanvullend te adviseren. Onderstaand een beschouwing van deze aspecten.

Bestrijdbaarheid

Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid

Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een plaatgebsnden risicocontour 10-6 van een risicobron. Daarmee wordt geen grens of richtwaarde overschreden is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor realisatie van het plan.

In het kader van het groepsrisico is een beperkte verantwoording groepsrisico noodzakelijk voor de de Betuweroute. Deze verantwoording is een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag waarin zij het restrisico accepteert.

4.1.9 Water

Het is wettelijk verplicht om in het kader van bestemmingsplannen en afwijkingen op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (WRO) een watertoets uit te voeren. De watertoets omvat het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in voormelde plannen en ontheffingen.

Voor het oppervlaktewaterkwantiteit- en kwaliteitsbeheer van het onderhavige plangebied is het Waterschap Rijn en IJssel verantwoordelijk.

Bestaande situatie

Er vindt binnen het plangebied geen uitbreiding plaats van de bebouwing en/of verharding. De voorgestane functieverandering is van beperkte invloed op het waterbeheer binnen het plangebied of direct daar buiten. De voormalige bedrijfswoning is aangesloten op de riolering. De toekomstige extra woningen zullen ook worden aangesloten op de riolering voor de vuilwaterafvoer.

Het hemelwater wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd in op het eigen woonperceel.

Grondwaterkwaliteit

De functiewijziging leidt niet tot een toename in de hoeveelheid hemelwater die geïnfiltreerd wordt.

Wateroverlast

Er vindt geen toename van afvoer naar het (oppervlakte)watersysteem plaats.

Grondwateroverlast

De grondwaterstand wordt in de toekomstige situatie beperkt beïnvloedt. De grondwaterstand bevond zich tussen 2,57m en 2,70m -maaiveld.

Oppervlaktewaterkwaliteit

In de huidige situatie is er sprake van een volledige infiltratie. Al het hemelwater wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem. Er wordt geen water afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Waterhuishoudkundige aspecten

In de 'Handreiking Watertoets 2' zijn inhoudelijke criteria aangereikt voor de watertoets, die basis vormen voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In onderstaande watertoetstabel zijn de voor het bestemmingsplan van belang zijnde waterhuishoudkundige criteria opgenomen.

Watertoetstabel

Thema   Toetsvraag   Relevant   Inten- siteit  
Veiligheid   1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
2.Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee


Nee  
2


2  
Riolering en
Afvalwaterke- ten  
1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ
3.Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee

Nee
Nee  
2

1
1  
Wateroverlast- (oppervlakte-
water)  
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak ?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes  
Nee

Nee

Ja

Nee  
2

1

1

1  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
 
Nee   1  
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
1

1
1  
Grondwater- kwaliteit
 
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking ?   Nee   1  
Inrichting en
beheer  
Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
 
Ja

Nee  
1

2  
Volksgezond- heid   1.In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2.Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
1

1  
Natte Natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee

Nee
Nee

Nee  
2

2
1

1  
Verdroging   Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee   1  
Recreatie   Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee   2  
Cultuurhisto- rie   Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee   1  

Wateroverlast- (oppervlaktewater)

De oppervlakte van de bebouwing neemt af. Er wordt 3.700 m2 bebouwing gesloopt en de verharding wordt grotendeels verwijderd. Er worden twee extra woningen bijgebouwd.

Het hemelwater van dakoppervlak en verharding wordt afgekoppeld van het rioolstelsel en opgevangen/geïnfiltreerd in zakgreppels, vijvers en/of infiltratiekratten op eigen terrein. Dit komt ten goede aan het grondwater, beperkt verdroging en voorkomt het overstorten van rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Ter vermindering van hittestress blijven de erven zo groen mogelijk en zal de hoeveelheid verharding bij voorkeur zo beperkt mogelijk zijn.

Inrichting en beheer

In of nabij het plangebied bevinden zich wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap. Het plan heeft niet de herinrichting van watergangen tot doel. De feitelijke situatie met betrekking tot het gebruik van de gronden (erf/tuin bij de woningen) nabij de watergang verandert niet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0017.png"

afb. uitsnede legger met de globale ligging van het plangebied

4.1.10 Archeologie en cultuurhistorie
4.1.10.1 Archeologie

Met de ondertekening van het verdrag van Malta en de parlementaire goedkeuring daarvan heeft de Nederlandse overheid zich verplicht erop toe te zien dat bij ruimtelijke plannen rekening gehouden wordt met het bekende en het nog niet bekende archeologische “bodemarchief”. De Erfgoedwet biedt de wettelijke basis voor de bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed.

Op de archeologische waardenkaart van de gemeente Zevenaar ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting en daarvoor geldt een onderzoeksverplichting bij een verstoringsoppervlak van meer dan 200 m2 en dieper dan 0,5m. Zie volgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0018.png"

Op basis van de overschrijding van de vrijstellingsgrens is door Hamaland Advies een bureauonderzoek conform de BRL SIKB 4002 en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase) conform de BRL SIKB 4003 uitgevoerd.

Het bureauonderzoek

De eerste bebouwing binnen het plan- en onderzoeksgebied is vanaf 1931 aanwezig. Op de kaart van 1962 zijn meer gebouwen zichtbaar en er is een eerste aanzet tot tuinbouw.

Door de natuurlijke relatief hoge ligging op een Crevasserug is het onderzoeksgebied geschikt geweest voor zowel jagers/verzamelaars in de prehistorie als voor landbouwende samenlevingen vanaf de Late Steentijd. Dat zelfde geldt voor de rest van het plangebied dat op een stroomrugglooiing ligt. Historische kaarten geven aan dat het plan- en onderzoeksgebied pas in de jaren '30 van de twintigste eeuw is bebouwd. Daarom is de verwachting vanaf de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd laag, aangezien bewoning zich vanaf dat moment zich vooral in dorps- en stadskernen centreerde. Wel ligt het plan- en onderzoeksgebied langs een historische weg, dus langs deze weg is wel kans op sporen en vondsten gerelateerd aan deze weg.

De bodem van het plan- en onderzoeksgebied zal niet volledig ongeroerd zijn. De landbouwwerkzaam- heden die hebben plaatsgevonden binnen het gebied kan de bodem tot 0,50 m-mv hebben verstoord. Daarnaast heeft er in het verleden bebouwing plaatsgevonden, de funderingen van deze gebouwen kunnen nog aangetroffen worden in het onderzoeksgebied. Tot slot kan de bouw van het kassencomplex de bodem tot onbekende diepte hebben verstoord. Een verkennend booronderzoek zal uitwijzen of en tot welke diepte de bodem daadwerkelijk is verstoord.

Booronderzoek

Uit de resultaten van het erkennende booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied sprake is van een moderne bouwvoor waarin o.a. resten landbouwplastic aangetroffen zijn. Deze bouwvoor heeft een dikte variërend van 40 cm bij boring 1 tot 70 cm bij boring 6. Daaronder is een subrecente

akkerlaag aanwezig van lichtbruin gevlekt matig fijn siltig zand met kleibrokjes en fragmenten van terracotta bloempotten die te relateren zijn aan het gebruik als kweekgrond van de tuinderij. De akkerlaag is aangetroffen tot een diepte variërend van 75 cm-mv in boring 3 tot 105 cm-mv bij boring 5. Onder de akkerlaag bevinden zich in boring 1 tot en met 5 geulafzettingen bestaande uit grof zand met grind. Deze gaan op een diepte 140 cm-mv over in matig gerijpte en ongerijpte komafzettingen met fijn schelpgruis. In boring 6 zijn onder de akkerlaag op een diepte van 70 cm-mv kalkrijke matig gerijpte oeverafzettingen aangetroffen. Deze gaan op een diepte van 130 cm-mv over in matig gerijpte en ongerijpte kalkrijke komafzettingen. Alle aangetroffen natuurlijke sedimenten behoren tot de Formatie van Echteld.

Binnen het plangebied is een anti-tankgracht aanwezig. Deze kan echter gezien de inrichtingsplannen (hier is weide voorzien) voor het grootste deel in situ behouden blijven. Op de volgende afbeelding is de ligging van deze anti-tankgracht aangegeven met zwarte lijn met witte driehoekjes.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.WP00SLENTERWG5-VA01_0019.png"

Selectie-advies

Op grond van de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat de verwachtte crevasseafzettingen niet aangetroffen zijn in het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied zijn overwegend grofzandige geulafzettingen op kalkrijke komafzettingen aanwezig. De verwachtte stroomrugglooiing is aangetroffen bij boring 6, waar sprake is van (afgetopte) oeverafzettingen. De oeverafzettingen zijn echter te slecht ontwikkeld (matig gerijpt en kalkrijk) en mogelijk afgetopt door het gebruik als kweekgrond, waardoor deze niet zeer kansrijk zijn voor bewoningssporen uit het verleden.

Het advies voor vrijgave door het onderzoeksbureau wordt ten aanzien van het onderzochte deel van het plangebied onderschreven. Vervolgonderzoek is in het kader van de beoogde ontwikkeling niet noodzakelijk. Het overige, niet onderzochte deel van het plangebied, dient de dubbelbestemming archeologie te behouden. Indien hier ter plaatse van de anti-tankgracht ontgravingen moeten worden uitgevoerd dienen deze voorafgegaan te worden door proefsleuvenonderzoek. Een proefsleuvenonderzoek dient plaats te vinden op basis van een door de gemeente Zevenaar goedgekeurd PvE.

De resultaten van dit onderzoek zijn beoordeeld op 30-08-2021 door de regioarcheoloog Arnhem. De rapportage betreffende het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek zijn na verwerking van de opmerking van de regioarcheoloog definitief gemaakt en als bijlage bij de toelichting gevoegd.

4.1.10.2 Cultuurhistorie

Op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Zevenaar ligt het plangebied in een attentiegebied met een intacte historische (infra)structuur. De weg en de watergang maken geen onderdeel uit van de planprocedure en blijven intact.

Naast een verantwoorde landschappelijke inpassing (groen) is het beeld van de nieuw te bouwen woningen van invloed op sfeer aan het lint. De bestaande bebouwing in de directe omgeving van het plangebied heeft zijn eigen karakteristiek. Bij de geplande nieuwbouw dient bij voorkeur aangesloten te worden bij de karakteristiek van deze bebouwing, qua materiaal gebruik, kleur, nokrichting, ed.

De te handhaven bebouwing heeft geen monumentale status

Conclusie

De archeologische en cultuurhistorische waarde zijn bij de uitvoering van het wijzigingsplan niet in het geding.

4.1.11 Verkeer en parkeren

Een ruimtelijke ontwikkeling mag niet leiden tot problemen bij de verkeersafwikkeling of tot parkeeroverlast. In het paraplubestemmingsplan 'parkeren' van de gemeente Zevenaar wordt het plangebied aangemerkt als 'overige zone - parkeernormen buitengebied'. Voor elke vrijstaande woning moet 2,4 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit betekent dat er binnen het plangebied minimaal 7 parkeerplaatsen (afgerond) moeten worden aangelegd voor de 3 woningen op de locatie Slenterweg 5.

Het is aannemelijk dat de functiewijziging niet leidt tot extra verkeersbewegingen in de omgeving ten opzichte van het bestemmingsverkeer van het voormalige tuincentrum. Deze verkeersbewegingen kunnen eenvoudig worden opgevangen binnen de huidige verkeersstroom.

De bestaande ontsluiting aan de Slenterweg blijft gehandhaafd.

Conclusie

Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om in de parkeerbehoefte te voorzien voor de nieuwe woningen. De verkeersafwikkeling levert geen belemmeringen op voor de omgeving. De geringe toename van verkeersbewegingen voegt zich eenvoudig binnen de bestaande verkeersstromen.

Hoofdstuk 5 Bestemmingsplanregeling

5.1 Algemeen

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

5.2 Juridische vormgeving

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten op het bestemmingsplan Buitengebied Zevenaar Noord 2018. Ondanks dat dit plan ten tijde van het opstellen van deze herziening nog niet vastgesteld is, geldt het ontwerpbestemmingsplan wel als de basis voor deze herziening.

Hieronder wordt de opbouw van het plan kort toegelicht.

5.2.1 Inleidende regels

Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.

5.2.2 Bestemmingsregels

In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving.

Artikel 3 Agrarisch

De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn onder andere bedoeld voor agrarisch grondgebruik, extensief recreatief medegebruik en behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden. Voor de gronden is een beperkte bebouwingsregeling zonder bouwvlak opgenomen.

Niet-agrarische activiteiten ten behoeve van een aanliggende bestemming zoals een paardenbak of mini-camping zijn toegestaan als de betreffende regels van het bestemmingsplan dit toelaat.

De landschappelijke inpassing van het erf een de aangrenzende gronden wordt geborgd met een voorwaardelijke verplichting voor uitvoering en instandhouding van deze landschappelijk inpassing.

Artikel 4 Verkeer

Deze gronden bestemd voor de toegangswegen/in- en uitrit van het woonerf. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan en is een beperkte bebouwingsregeling opgenomen voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, 2 m.

Artikel 5 Wonen -1

Deze bestemming betreft de burgerwoningen binnen het plangebied, niet zijnde (agrarische) woningen. Het betreft hier het hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken (incl. overkappingen). Hiervoor zijn bepalingen opgenomen wat betreft omvang en afmeting van de bebouwing.

Binnen de bestemming 'Wonen -1' is eveneens het hobbymatig houden van dieren toegestaan, waarbij het gaat om een beperkt aantal dieren en er eveneens sprake dient te zijn van het houden van dieren die in eigendom zijn van de bewoner van het perceel.

Binnen de bestemming is (tijdelijke) kamerverhuur niet toegestaan.

Binnen de bestemming is middels een omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan eveneens kleinschalig kamperen toegestaan. Om deze functie te kunnen uitoefenen, dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan.

De landschappelijke inpassing van het erf wordt geborgd met een voorwaardelijke verplichting voor uitvoering en instandhouding van deze landschappelijk inpassing. Tevens is er een voorwaardelijke verplichting tot sloop opgenomen in de regels.

Artikel 6 Waarde - Archeologie hoge verwachting

Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Binnen deze bestemming moeten de archeologische waarden worden beschermd als de bodemingrepen groter dan 200 m2 en dieper dan 0,5 zijn.

5.2.3 Algemene regels

Bij de bestemming aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels en afwijkingsregels.

5.2.4 Overgangsrecht en slotregels

In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Bij de uitvoering van een voornemen kan onderscheid worden gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Bij het tweede gaat het erom hoe de uitvoering van het plan door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

In artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening is opgenomen dat een exploitatieplan wordt vastgesteld voor de gronden waarop een bouwplan kan worden gerealiseerd. Volgens artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt hier in ieder geval de bouw van één of meerdere hoofdgebouwen onder verstaan. Hiervan is in dit geval sprake. In afwijking van artikel 6.12, lid 2 kan de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen in geval het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is.

Het plan wordt gefinancierd door de initiatiefnemer, de gemeentelijke kosten aan het plan zijn gedekt middels de te heffen leges. De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan zijn voor de initiatiefnemer. Er wordt vanuit gegaan dat de initiatiefnemer het plan kan financieren en dat het daarom economisch uitvoerbaar is.

De gemeente sluit een overeenkomst om het kostenverhaal (waaronder ook eventuele planschadekosten) zeker te stellen. Het kostenverhaal van de gemeente is hierdoor voldoende geborgd zodat afgezien kan worden van het vaststellen van een exploitatieplan. De gemeenteraad besluit dan ook bij vaststelling van dit bestemmingsplan om geen exploitatieplan vast te stellen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgeving

Het planvoornemen is bekend gemaakt aan de omwonenden. Uit deze informatieronde is gebleken dat het plan in beginsel positief is ontvangen door omwonenden. Met betrekking tot het gebruik van het klompenpad wordt opgemerkt dat de nieuwe woning waarvan de tuin grenst aan het klompenpad niet ontsloten wordt aan dit pad.

De bewoners in de directe omgeving van het plangebied hebben ook een nieuwsbrief ontvangen over de nieuwe ontwikkeling op het perceel Slenterweg 5.

Een bewoner maakte zich zorgen over de verwijdering van de glasopstanden. Er is verzocht om dit zorgvuldig uit te voeren zodat er geen glas op nabij gelegen percelen komt te liggen.

Voorts is gevraagd naar de situering van de nieuwe woning aan de Slenterweg ten opzichte van het perceel met woning Slenterweg 3. De initiatiefnemer zal dit met de betrokken bewoner(s) persoonlijk bespreken en toelichten.

Deze nieuwsbrief is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd.

gedurende zes weken door iedereen worden ingezien op grond van artikel 3.1 Wro. Gedurende deze termijn is iedereen mondeling of schriftelijk de mogelijkheid geboden een zienswijze in te dienen.

Binnen deze termijn is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is beoordeeld en beantwoord in een zienswijzennota. De zienswijze leidt niet tot aanpassingen van het wijzigingsplan. Deze zienswijzennota is als bijlage 7 aan de toelichting toegevoegd.

Ambtshalve zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • Op het landschappelijk inpassingsplan is het perceel omlijnd met een rode lijn, waarmee het invloedsgebied afgebakend is. Dit voorkomt de situatie dat ook het opgenomen groen in de omgeving onderdeel uitmaakt van het landschappelijke inpassingsplan.
  • Binnen de bestemming 'Wonen -1' is de volgende bouwregel opgenomen: c. in afwijking van het vermelde onder sub b geldt dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' uitsluitend bijgebouwen toegestaan zijn. Dit mag aangepast worden aangezien dit enkel het bouwen binnen de aanduiding 'bijgebouwen'  beperkt. Dit mag vervangen worden door: c. in afwijking van het vermelde onder sub b geldt dat uitsluitend ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - vrijstaande bijgebouwen', vrijstaande bijgebouwen toegestaan zijn.
  • De voorwaardelijke verplichting tot de landschappelijke inpassing is in art. 3.4.1 en 5.3.1 aangepast.
  • In artikel 4 is de bestemming ´Verkeer´ toegevoegd om een passende ontsluiting en-of in-/uitrit te waarborgen.

De artikelen 3.4.1 en 5.3.1 luiden nu als volgt.

3.4.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

De gronden en bouwwerken binnen de bestemming 'Agrarisch' mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de in artikel 3.1 bedoelde functies, indien binnen 2 jaar na het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen de landschappelijke inpassing ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing' is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.

5.3.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

De gronden en bouwwerken binnen de bestemming 'Wonen - 1' mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de in artikel 5.1 bedoelde functies, indien binnen 2 jaar na het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen de landschappelijke inpassing ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing' is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.