| vastgesteld |
| NL.IMRO.0268.PB29W75-VG01 |
Het terrein van het klooster Mariënbosch is gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De in- en uitrit aan de Groesbeekseweg 351ligt voor een deel binnen de grenzen van de EHS. Voor dat deel gelden de regels uit de Ruimtelijke Verordening Gelderland.
In de Ruimtelijke Verordening Gelderland is vastgelegd dat binnen de EHS de “nee, tenzij”-benadering geldt. Dit houdt in dat bestemmingsplanwijziging niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang.
Een gedeelte van de in-/uitrit ligt binnen de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (met de functie “Natuur”).
De ruimtelijke bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur wordt primair geregeld door de “Ruimtelijke Verordening Gelderland”. Daarnaast is de EHS ook opgenomen in provinciale en nationale beleidsstukken (Streekplanuitwerking en Nota Ruimte).
Op grond van hoofdstuk 15, artikel 19.1 van de Ruimtelijke Verordening Gelderland (verder te noemen “verordening”) worden, in een bestemmingsplan, in een gebied gelegen binnen de EHS, geen bestemmingen toegestaan waardoor de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied, zoals aangegeven in de streekplanuitwerking “Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse ecologische hoofdstructuur” en het Waterplan Gelderland 2010 – 2015, welke zijn opgenomen als bijlage 4 en bijlage 10 bij deze verordening, significant worden aangetast.
Onder het begrip “bestemmingsplan” verstaat de verordening tevens een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de wabo-projectbesluitprocedure) van het bestemmingsplan wordt afgeweken ten behoeve van een project van lokaal ruimtelijk belang (zie artikel 1.2 van de verordening), zoals in casu.
Uit de streekplanuitwerking 'Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse ecologische hoofdstructuur' volgt (pagina 9, 10 en 35 t/m 37) dat het schaalniveau waarop de beoogde ontwikkeling plaatsvindt, zal moeten worden afgewogen tegen de gevolgen voor de kernkwaliteiten. Op basis daarvan zal beoordeeld moeten worden of een aantasting als significant te beschouwen is. Voor wat betreft het Rijk van Nijmegen is als kernkwaliteit aangegeven dat het een samenhangend geheel van bossen en natuurterreinen betreft met zeer gevarieerde overgangen naar de omringende rivierkleigronden met de bij deze overgangen behorende natuur met onder andere bronnen en bronbeekjes. Voorts is als kernkwaliteit aangegeven de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren. Het EHS beleid uit de Nota Ruimte is hiermee in lijn.
Naar onze mening is er geen sprake van een strijdigheid met artikel 19.1 van de verordening omdat de genoemde kernkwaliteiten met het realiseren van de beoogde in- en uitrit in het geheel niet worden aangetast, laat staan dat deze significant worden aangetast. Hierbij is tevens van belang dat de schaalgrootte van de onderhavige ontwikkeling zeer beperkt is.
Het EHS beleid is betrokken bij de afweging om van het bestemmingsplan af te wijken en geoordeeld is dat dit beleid, gelet op het bovenstaande, geen reden is om niet van het bestemmingsplan af te wijken.
Conclusie
Met het realiseren van de in- en uitrit wordt slechts opschot verwijderd, waardoor er geen sprake is van significante aantasting van de EHS.