direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

Sportpark Hamerden te Westervoort maakt plaats voor woningbouw en zal verplaatst worden naar de locatie tussen het Horsterpark in Duiven en bedrijventerrein Het Ambacht in Westervoort.

Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Duiven, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Horsterstraat en maakt onderdeel uit van het buitengebied van Duiven. Het betreft de percelen DVN00-H-1800, -1801, -1805 en -1806. Het gebied heeft een oppervlakte van circa 17 hectare. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: Pdok)

1.3 Leeswijzer

Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 geeft de beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 gaat in het relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 en 5 wordt getoetst aan aspecten m.b.t. de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving.

Alléén relevante onderwerpen

Deze motivering gaat in lijn met de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet, paragraaf 2.2 en 4.16.4, in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het project, het effect van het project op de omgeving. Onderwerpen die niet relevant zijn worden dientengevolge niet behandeld. Deze zijn daarmee niet vergeten noch onbelangrijk, maar slechts niet relevant voor het besluit.

Besluit breder dan alleen voorliggende motivering

Elk besluit dat op basis van de Omgevingswet genomen wordt is breder dan alleen de motivering dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Enkele aspecten komen altijd voor en daar wordt in hoofdstuk 8 'Overige aspecten' op in gegaan.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de westzijde van Duiven en wordt ontsloten via de Horsterstraat.

Aan de westzijde van het plangebied ligt een bedrijventerrein. Aan de noordzijde grenst het aan agrarische gronden met daarachter de Rijksweg. Ten oosten ligt een sportpark en daarachter de kern Duiven. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een spoorlijn en aan de overzijde van de spoorlijn ligt een park en ten wensen daarvan een woonwijk van Westervoort. Het plangebied is momenteel in gebruik als akkerland.

Op de navolgende luchtfoto is de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: Pdok)

2.2 Toekomstige situatie

Het plan behelst het verplaatsen van sportpark Hamerden. Dit sportpark ligt in Westervoort Noord en zal plaats maken voor een woonwijk. Het nieuwe sportpark biedt ruimte voor onder meer voetbal, korfbal, tennis en padel. Daarnaast wordt een clubhuis met kantines, een BSO en fysiotherapiepraktijk gerealiseerd. Het plangebied wordt ontsloten via de De Smidse, aan de westzijde van het park. Hier wordt ook het parkeerterrein en fietsenstallingen aangelegd.

In het Koersdocument dat voor deze ontwikkeling is opgesteld geeft de gemeente invulling aan de wens/gedachte om het gebied groen te houden, verstedelijking tegen te gaan en de bewoners meer recreatieve ruimte te bieden. Tijdens gesprekken met sportverenigingen is afgesproken dat het nieuwe sportpark een clubhuis nodig heeft, zes voetbalvelden, een kortbalveld, vier tennisbanen en padel. Hierbij wordt gekeken naar slimme multifunctionele oplossingen en rekening gehouden met eventuele toekomstige sport- en recreatiebehoeften. Op basis van de richtlijnen van NOC-NSF omvat dit 5,5 hectare grond voor de sportvelden en 5,5 ha functionele ruimtes (paden, gebouwen, parkeren). Een vergelijking met groene sportparken in Nederland, inclusief Sportpark Duiven, levert een verhouding van 1/3de deel sportvelden, 1/3de deel functionele ruimtes (parkeren, clubhuis, paden) en minimaal 1/3de deel groen (bomen, struiken, biodiverse weides, natuurlijke oevers) op. Deze verhouding is aangehouden voor het nieuwe sportpark.

Het gehele tussengebied met het sportpark daarin als deelgebied moet groen blijven, en mogelijk nog gróener worden ervaren, minder fraaie uitzichten als bedrijventerreinen worden aan het zicht onttrokken door bosstroken en laanboomstructuren, zo natuurlijk mogelijk, dus mét mantel en zoom. De rand mag gebruikt worden er zal aandacht zijn voor recreatieve functies. Waar juist zicht belangrijk is ontstaan insectenrijke bloemenweides. De centrale wetering wordt een waardevolle recreatieve verbinding waarbij waterretentie en -afvoer de basis zullen vormen voor het ecologisch functioneren en de recreatieve beleving. Het sportpark moet daar op natuurlijke wijze onderdeel van zijn. Waar veel sportparken zich vaak gesloten, afgeschermde terreinen presenteren, verwachten we hier ook de gewenste openheid (deels) te kunnen voorzien, zonder dat de visuele kwaliteit negatief zal worden beïnvloed. Vanuit de omgeving moet het sportpark vooral groen zijn. In dat kader is een ongeveer 30 meter brede bossingel om de sportvoorzieningen een eis, niet-groene functies worden zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken.

Uitgangspunten zijn:

  • Het maken van de 15m brede groene rand langs de westkant van het sportpark, waarin parkeren met bijv. grasbetonstenen wordt opgenomen.
  • Daaromheen (richting het Ambacht) het aanleggen van een dichte struweelhaag, en in het zuiden het maken van een dichte bosstrook met onderbegroeiing met mantel-kern-zoomvegetaties
  • Het maken van een 30m brede groene bomenweide als groene buffer tussen het sportpark en de rest van het gebied aan de noordoostkant, met een wandelverbinding daar omheen. De bomenweide hoeft niet uniform te zijn, maar mag variatie kennen in dichtere en opener stukken. Aanbeveling is om richting bebouwing met dichtere beplanting te werken.
  • Het maken van een interne dikke groenstructuur met boomsingels van 15m breed (precieze locatie nader te bepalen).
  • Het maken van een openbaar toegankelijke (fiets)verbinding tussen het sportpark Duiven en het nieuwe sportpark.

Naast het Koersdocument biedt het Landschapsontwikkelingsplan Gemeente Duiven bouwstenen voor de inrichting. Het hoofddoel van de opstelling van het LOP is om in overleg met alle betrokkenen tot een uitvoeringsgericht plan te komen voor behoud en verbetering van de natuur en landschapskwaliteiten in het buitengebied. Het gebied is in het Landschapsontwikkelingsplan beschreven als open kommenlandschap met bos- en natuurpercelen, heeft voornamelijk een groen karakter en vormt een belangrijk landschappelijk recreatiegebied voor bewoners van Duiven en Westervoort. Belangrijk is de landschapsvisie voor het kommengebied:

Doel is het ontwikkelen van een raamwerk van landschappelijke beplantingen langs weteringen en wegen (ook aan weerszijden A12), natuurvriendelijke oevers langs weteringen waar zich kans voordoet, inpassing bedrijventerrein, waterberging, behoud kwaliteiten voor ganzen en weidevogels, aandacht voor beeldkwaliteit erven en van behoud vergezichten op Veluwemassief

Sportparken zijn niet meer enkel functionele terreinen voor sport en spel. Ze vormen wezenlijke, grote groenobjecten in een vaak landschappelijke setting. Het park moet voor bezoekers (toeschouwers) én passanten ruimtelijke kwaliteit hebben. Wezenlijk van belang is de beleving van het park vanuit de openbare ruimte, maar ook de functie die het kan hebben voor de natuur.

Het sportpark is compact ontworpen waarbij de belangrijkste landschappelijke richting wordt gevolgd. Verschillende milieucontouren leiden tot beperkingen. Ook de ligging t.o.v. de zon is bepalend voor de situering van velden. Het plan wordt voor autoverkeer aan de noordwestzijde ontsloten waar ook de parkeervoorzieningen zijn gesitueerd, fietsers komen aan de zuidoostzijde op het park. De ontsluiting vraagt nog nadere studie. Bij binnenkomst ervaren bezoekers vooral natuur, rijdend door een gebied afgewisseld met waterpartijen en een beperkt golvend terrein. Dit gebied is openbaar toegankelijk en kan ook door passanten worden benut. Het gezamenlijke clubgebouw heeft een centrale plaats in het gebied. Het is direct gekoppeld aan het hoofdvoetbalveld, maar juist de andere sporten hebben een aansprekende plaats op het park gekregen zodat er ook voor deze sporten ruim aandacht is en de beleefbaarheid optimaal. Natuur, klimaat en biodiversiteit hebben bovengemiddeld veel aandacht gekregen. De zware, groene rand met alle bosstadia (kern-mantel-zoom), het natuurlijke voorterrein, maar ook het groene parkeren, de wadi's voor berging van water en buffering en de groene invulling (bloemrijk gras, inheemse streekeigen beplanting, gevarieerde houtwallen etc.) maken dit terrein als sportterrein bijzonder.

Navolgende afbeelding geeft een beeld van de toekomstige situatie. De volledige versie met legenda is opgenomen in Bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01_0004.png"

Schetsontwerp (bron: Buro Stad en Land)

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie

De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 5.5 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Voorliggend plan betreft het ontwikkelen van een sportpark. Dit past binnen de ambitie Gelderland zoals omschreven in de omgevingsvisie, namelijk een gezond en welvarend woonklimaat. Een omgeving waarin 1) de mogelijkheid is om te bewegen en 2) waar geld is om te sporten, kan aangemerkt worden als een gezonde en welvarende omgeving.

Verder worden er in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening geen specifieke eisen aan voorliggende locatie gesteld.

De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Duiven

De Omgevingsvisie Duiven is op 15 februari 2022 door de raad van de gemeente Duiven vastgesteld. De gemeente Duiven streeft naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Voor nu én voor de toekomst. Om dit te bereiken heeft de gemeente de omgevingsvisie opgesteld als stip op de horizon voor de fysieke leefomgeving van Duiven, Groessen en Loo in 2040. Dit heeft de gemeente niet alleen gedaan. De visie is tot stand gekomen in samenwerking met diverse gebruikers van de leefomgeving, waaronder inwoners, maatschappelijke instellingen, bedrijven en verenigingen.

De omgevingsvisie sluit aan bij nationaal, regionaal en lokaal beleid. De inhoudelijke basis voor de omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen:

  • Historie: de gemeente Duiven heeft een rijke geschiedenis waar de gemeente op voortbouwt.
  • Richtinggevende waarden: belangrijk zijn onder andere de vitale, sterk onderling verbonden inclusieve gemeenschap, de aantrekkelijke leefomgeving en de uitstekende voorzieningen van de gemeente Duiven.
  • Ruimtelijke kwaliteiten: de kenmerken van het landschap, het erfgoed en de manier van wonen in Duiven, Groessen en Loo dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente.
  • Ontwikkelingen & toekomstperspectief: leidraad voor de toekomst is dat we ruimte willen bieden aan ontwikkelingen, recht doen aan ruimtelijke kwaliteiten, maatwerk leveren
    op basis van de leefomgevingskwaliteiten en zorg dragen voor natuur en milieu. Dit doet
    de gemeente samen met alle gebruikers van de leefomgeving.

Planspecifiek

In de omgevingsvisie is vitaliteit een van de richtinggevende waarden. De gemeente blijft inzetten op een actief verenigingsleven, cultuurvoorzieningen en sport- en jongerenvoorzieningen om bewegen en ontmoeten te stimuleren. Het verplaatsen van het sportpark zorgt ervoor dat het sporten ook in de toekomst mogelijk blijft. Het plangebied is op de visiekaart aangewezen voor natuurontwikkeling en ligt nabij een gebied dat is aangewezen voor (vrijetijds)economie en natuurontwikkeling. Het sportpark wordt landschappelijk ingepast, waarmee het een natuurlijk aanzien krijgt. De sportfunctie sluit aan bij de ambitite om vrijetijdseconomie aan deze zijde van Duiven te realiseren. Het initiatief past binnen de Omgevingsvisie Duiven.

3.3.2 Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan 'Buitengebied 2013' heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Lage archeologische verwachting' en 'Waarde - Middelmatige archeologische verwachting'. Verder ligt er een dubbelbestemming 'Leiding - Gas' in het plangebied. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01_0005.png"

Uitsnede tijdelijke deel van het omgevingsplan (bron: Omgevingsloket.nl)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het initiatief is in strijd met regels voor gebruik en bouwen (activiteit gebruik en bouwen).

3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Planspecifiek

Binnen het plangebied zijn geen beschermde waterkeringen/watergangen aanwezig. Het gebied grenst aan de oost- en westzijde aan een watergang, waarvan de beschermingszones zich in het plangebied bevinden. Binnen deze beschermingszones wordt niet gebouwd.

Voor onderhavig initiatief is een quickscan water uitgevoerd, deze is als bijlage 2 opgenomen bij deze motivering. In deze quickscan wordt uitgebreid ingegaan op alle waterhuishoudkundige aspecten in en om het plangebied en wordt het planvoornemen getoetst. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak (circa 81.200 m²) en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal ca. 6.500 m3. Wanneer er gekozen wordt voor het aanbrengen van waterpasserende verharding neemt het totale verharde oppervlakte af, wat resulteert in het verminderen van de bergingsopgave met ca. 40 m3. Uit het onderzoek blijkt dat locatie vanuit waterhuishoudkundig opzicht geschikt is voor de beoogde functie. Er is in de groene stroken in het plangebied rondom de sportvelden veel ruimte om water te bergen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering uit 2009.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in het ontwikkelen van een sportpark. Het plan bevat geen milieugevoelige functies. Voor de milieubelastende functies die onderdeel zijn van het plan is een quickscan milieuzonering opgesteld, welke is opgenomen in bijlage 3. Hieruit blijkt dat aan de richtafstanden, op basis van de VNG-richtlijn 2009, voor een rustige woonwijk wordt voldaan. Voor de padelbanen wordt geconcludeerd dat deze in een rustige woonwijk een invloedsgebied van 200 meter hebben. In dit plan wordt geregeld dat padelbanen alleen op een afstand van meer dan 200 meter van gevoelige functies mogelijk zijn. In het kader van zorgvuldigheid is ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting op omliggende gevoelige functies te bepalen. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 9. Hieruit volgt dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dag- en nachtperiode wordt voldaan aan de standaardwaarde. In de avondperiode treedt een overschrijding van 2 dB op voor de woning aan Het Hazeland 27 en 3 dB voor de woning aan Het Hazeland 29. Om te voldoen aan het binnenniveau is een standaard gevelwering van 20 dB voldoende. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is hiermee gewaarborgd. Het maximale geluidniveau voldoet in alle beoordelingsperioden aan de standaardwaarden uit het Bkl. Bij toetsing aan het omgevingsplan gemeente Duiven, waarbij stemgeluid van sport- en recreatieactiviteiten buiten beschouwing blijft, wordt in alle beoordelingsperioden voldaan aan de geldende geluidwaarden. Op basis hiervan is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en vormt het aspect geluid geen belemmering voor de ontwikkeling van het sportpark.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Voor de voorliggende ontwikkeling zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken zijn bijgevoegd als Bijlage 4 (percelen 1800 en 1801) en Bijlage 5 (percelen 1805 en 1806). Uit deze onderzoeken komt naar voren dat er geen grootse verontreiningen te verwachten zijn. Bij de verdere ontwikkeling van het plan zullen verdere, gedetailleerdere, onderzoeken uitgevoerd worden. Voor voorliggende ontwikkelfase, de ontwikkeling van een omgevingsplan, is er zo voldoende inzicht op basis waarvan dit aspect meegewogen kan worden in hoofdstuk 6.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is het instrument voor het berekenen en monitoren van de luchtkwaliteit in Nederland.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig.

Planspecifiek

Voor dit plan is een memo opgesteld ten aanzien van de luchtkwaliteit, welke is opgenomen in bijlage 6. Hierin is beoordeeld dat er met het gebruik van het nieuwe sportpark geen sprake is van een in betekenende mate bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. Daarnaast toont het onderzoek aan dat, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.5 Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermings-middelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater (artikel 4.723d lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving), in Nederland geen wettelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstanden tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de ruimtelijke ordening word daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide indicatieve vuistregel. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits dit gemotiveerd kan worden. Deze praktijk wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De volgende aandachtspunten zijn van belang:

  • 1. wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en wat zijn de geldende bestemming(en);
  • 2. wat is het huidige gebruik van de gronden / welke teelten vinden plaats;
  • 3. welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en welke spuitmethode wordt gebruikt;
  • 4. wat zijn de effecten van drift reducerende middelen (vaak hagen en bomenrijen);
  • 5. wat is de overheersende windrichting.


Met name bij boomgaarden en boomkwekerijen hebben gewasbeschermingsmiddelen invloed op het woon- en leefklimaat. Bij overige gewassen is het risico op aantasting van het woon- en leefklimaat beperkt.


Planspecifiek

Het sportpark ligt binnen 50 meter van gronden waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan. Om de effecten daarvan te beoordelen is een onderzoek uitgevoerd, waarvan het rapport is opgenomen in Bijlage 7. Hierin is geconcludeerd dat binnen 50 meter van de agrarische gronden een gedeelte van diverse sportvelden gerealiseerd wordt. Aangezien het verblijf op sportvelden van beperkte duur is en sportactiviteiten veelal plaatsvinden buiten de reguliere spuitmomenten, is de kans op directe blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen zeer gering. Ter verdere afscherming van het sportpark wordt aan de noordzijde een bosplantsoen met een breedte van circa 30 meter gerealiseerd. Deze beplantingsstrook, bestaande uit een gelaagde structuur van bomen en struiken, fungeert als een effectieve fysieke barrière tegen spuitdrift. Door de combinatie van de ruime breedte en opbouw van het bosplantsoen, wordt de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in voldoende mate gemitigeerd. Hierdoor kan wat betreft het aspect gewasbeschermingsmiddelen worden voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten een bebouwingscontour en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen een bebouwingscontour. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten een bebouwingscontour en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen een bebouwingscontour (gevel-gevel afstand).

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in het ontwikkelen van een sportpark. Het plan bevat geen geurgevoelige functies. Omdat in het algemeen tijdens het sporten en bij een bso wel hinder ondervonden kan worden van agrarische geurhinder is een geuronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 8. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de gestelde geurnormen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
  • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl);
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);
  • 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl);
  • 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl);
  • 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in het ontwikkelen van een sportpark. Het plan bevat geen geluidgevoelige functies.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

De BSO is een zeer kwetsbaar object. Daarom is een memo omgevingsveiligheid opgesteld, zie bijlage 10. Hieruit blijkt dat het projectgebied binnen meerdere aandachtsgebieden en risicocontouren ligt en dat er nader onderzoek nodig is. Bij dit plan is ook advies verkregen van de Odra als ook de Veiligheids- en Gezondheidsregio: zie bijlage 18 en 19. Deze wijziging van het omgevingsplan voldoet aan deze adviezen. Bij de verdere uitwerking van gebouwen en de inrichting worden deze adviezen verder betrokken. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening onderzocht. De veiligheidsregio heeft hierover geadviseerd.

Omdat het toekomstige gebouw waar de BSO mogelijk gemaakt wordt, binnen brandaandachtsgebieden van de ondergrondse hogedruk aardgasleidingen A-663, A-507 en A-505 ligt, is het aanwijzen van een voorschriftengebied verplicht. Op de verbeelding is het brandaandachtsgebied aangewezen als brandvoorschriftengebied en in de regels is bepaald dat daarbinnen aan de bijbehorende regels uit paragraaf 4.2.14 van het Bbl voldaan moet worden. Dit zorgt ervoor dat er aanvullende eisen gelden voor de bouw van het gebouw, die bedoeld zijn om mensen die in het gebouw aanwezig zijn beter te beschermen tegen de gevolgen van brand.

De gemeente Duiven acht de externe veiligheidsrisico's verbonden aan het initiatief voldoende laag en aanvaardbaar. Het restrisico wordt geaccepteerd.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9 Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl.

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in het ontwikkelen van een sportpark. Het plan bevat geen gevoelige functies. Trillingen spelen daarom geen rol.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.10 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek

Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van een sportpark. Dit valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom nodig. Deze is opgenomen in bijlage 11. Hierin is geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het plan is niet mer-plichtig.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in het verplaatsen van een bestaand sportpark. Er is een actuele behoefte om de huidige functies te behouden. Op de locatie van het huidige sportpark worden woningen gebouwd, dat is in bestaand stedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied is geen geschikte nieuwe locatie voor het sportpark. Daarom wordt aansluitend aan stedelijk gebied en aan een bestaand sportpark het nieuwe sportpark gerealiseerd.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig.

Archeologie

In het tijdelijke deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - middelmatige archeologie verwachting' en 'Waarde - Lage archeologie verwachting'. Archeologisch onderzoek is nodig als nieuwe ontwikkelingen grondwerkzaamheden mogelijk maken groter dan 5.000 m², resp. 10.000 m² en dieper dan 0,5 m onder maaiveld.

Omdat deze grenswaarde met dit plan wordt overschreden is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 12. Hieruit volgt dat het nodig is een verkennnend booronderzoek uit te voeren. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan is een beschermingsregeling opgenomen, deze blijft van toepassing. Op het moment dat de omgevingsvergunning aangevraagd wordt zal daaraan getoetst worden.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 13. Vervolgens is in een oplegnotitie opgesteld waarin is beoordeeld of voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zie bijlage 14. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.

Soortenbescherming

Er is onderzoek uitgevoerd naar aanwezige soorten in het gebied. Op basis hiervan wordt vermoed dat enkele beschermde soorten aanwezig kunnen zijn in het gebied. Hiertoe is dan nader onderzoek nodig. Als dit vermoeden bevestigd wordt -de soort(en) is/zijn inderdaad aanwezig- zijn daar vergunningstrajecten bij nodig welke alsdan doorlopen zullen worden. Waar compenserende maatregelen dan nodig zijn worden die toegepast. Deels zal dat ín het plangebied kunnen, bijvoorbeeld door het behouden van bomen met bepaalde nesten, en deels zal dat (als dat nodig is) er buiten moeten. Zo kan de boom waarin een steenuilenkast aanwezig is eenvoudig behouden blijven. Er is geen reden aan te nemen dat e.e.a. geen doorgang zou kunnen vinden.

Wat betreft het beperken van lichthinder, er wordt daarmee rekening gehouden in de aanleg- en gebruiksfase. Uitstraling van licht naar bomen en water moet voorkomen worden. Om de verstoring voor in de directe omgeving foeragerende vleermuizen tot een minimum te beperken in de gebruiksfase worden maatregelen genomen.

Ook dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kan worden voorkomen door de locatie buiten het broedseizoen bouwrijp te maken.

Gebiedsbescherming/Natura 2000

Zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn wettelijk beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken (minder stikstofgevoelig) ligt in dit geval op minder dan 1 kilometer en het Natura 2000-gebied De Veluwe (stikstofgevoelig) op circa 3 kilometer. In het kader van een goede ruimtelijke ordening / ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) wordt bij een wijziging van het omgevingsplan nagegaan of voldoende aannemelijk is dat geen sprake is van significante effecten op Natura 2000-gebieden.

Voor andere aspecten dan stikstof (zoals ruimtebeslag, verstoring door geluid, verdroging of andere effecten) geldt dat, gelet op de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de ontwikkeling, negatieve effecten in ieder geval op voorhand zijn uit te sluiten.

Voor het aspect stikstof geldt het volgende. Omdat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling sprake is van een tijdelijke stikstofemissies (vanwege bouwwerkzaamheden) en permanente stikstofemissies vanwege het verkeer, kan de beoogde ontwikkeling mogelijk extra stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstofgevoelige natuur in beschermde gebieden. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 15) voor de totale woningbouwontwikkeling van Westervoort Noord en de nieuwe locatie van de sportvelden. Daaruit blijkt het volgende. In de bestaande situatie is ook sprake van stikstofemissies, met name vanwege de aanwending van mest (dierlijke mest en kunstmest) op agrarische gronden. Deze emissies vervallen met de beoogde

ontwikkeling. De stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden (de Rijntakken, de Veluwe en de verder weg gelegen gebieden) is in de bestaande situatie groter dan in de nieuwe situatie. De beoogde ontwikkeling leidt per saldo (met interne saldering) tot een afname van de stikstofdepositie. Dit geldt zowel voor het totaal van de ontwikkeling Westervoort Noord (deelgebieden A, B, C, D en E), als voor de deelgebieden ABCE en voor het deelgebied D afzonderlijk. Zie de tabel hierna.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01_0006.png"

Voor het voorliggend plan zijn er dus geen belemmeringen vanuit stikstof. Daarmee is er geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebied.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4 Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan.

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

Er is een quickscan uitgevoerd, kijkend naar de verkeerskundige aspecten van de ontwikkeling. Zie hiervoor bijlage 16. Hieruit blijkt dat de verkeersaantrekkende werking door voorliggend plan (planologisch) toeneemt met 555 tot 825 verkeersbewegingen per dag. De piek hiervan zal voornamelijk in het weekend op wedstrijddagen liggen. Het plangebied wordt ontsloten via De Smidse. Deze heeft voldoende capaciteit voor de extra verkeersbewegingen, mede doordat de piekbelasting niet tijdens werktijden op werkdagen verwacht wordt, waarop er meer verkeer is op deze straat, maar juist buiten die drukke perioden.

Als gevolg van het initiatief ontstaat er een vraag naar parkeervoorzieningen in het plangebied. Er is een parkeerbehoefte van 134 parkeerplaatsen, gebaseerd op de parkeernormen behorende bij de functies op het sportpark. Zie hiervoor navolgende tabel en ook Bijlage 16. Hierbij is in eerste instantie geen rekening gehouden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen. In het ontwerp is voldoende ruimte ingetekend voor het invullen van deze parkeerbehoefte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01_0007.png"

Uitgangspunten parkeerbehoefte (bron: Roelofs)

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit de klimaateffectatlas blijkt dat het plangebied met haar huidige inrichting niet zeer gevoelig is voor wateroverlast. Eventuele wateroverlast wordt voorkomen door aan de randen van het park groen te plaatsen, met aan 3 zijden ruimte voor waterberging.

Droogte

De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat in heel Nederland een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte neemt op veel plaatsen toe. Ter hoogte van het plangebied is dat een lage kans. De kans op een natuurbrand bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie.

Hitte

In zijn algemeenheid neemt het aantal tropische dagen in Nederland toe en zullen er langere periodes van hitte optreden. Door de beperkte hoeveelheid bebouwing in het plangebied is er veel minder kans op hittestress dan in stedelijke gebieden, die juist veel bebouwing hebben.

Overstroming

Het plangebied ligt op redelijke afstand van de Neder-Rijn en de IJssel. De kans op overstroming is middelgroot; 1/30-1/300 per jaar.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 6 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 4. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 5. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4.

Planspecifiek

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er vrijwel geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Hoewel enkele gedeelten van een aantal sportvelden binnen de 50 meter-zone van gewasbeschermingsmiddelen vallen, is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, daar de kans op blootstelling gering is, aangezien de velden niet doorlopend gebruikt worden, de activiteiten plaatsvinden buiten de reguliere spuitmomenten en er een beplantingsstrook van 40 meter breed tussen de sportvelden en de agrarische functie ligt. Er wordt dus voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22<letter>] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22<letter>] van het omgevingsplan Duiven. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Voorrangsregel (artikel 1a)

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. In dit geval vervalt de bestemming Agrarisch en wordt deze vervangen door bestemmingen Groen, Sport, Tuin en Wonen – 1 met bijbehorende gebruik- en bouwregels.

Overige regels en daarbij behorende aanduidingen en dubbelbestemmingen blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen. Zo blijven bijvoorbeeld de regels over archeologie uit het Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Duiven gelden, evenals regels behorende bij de dubbelbestemming Leiding – Gas uit het bestemmingsplan Buitengebied 2013.

7.4 Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:

  • Groen, voor de oostelijke strook met groenvoorzieningen en water.
  • Sport, ten behoeve van het nieuwe sportpark. Hierbinnen is ook het parkeerterrein en de groene inrichting toegestaan. In het bouwvlak geldt een voorschriftengebied. Padelbanen zijn alleen toegestaan ter plaatse van een aanduiding.
  • Tuin, voor een kleine zone naast het woonperceel Horsterstraat 2
  • Wonen - 1, voor een kleine zone naast het woonperceel Horsterstraat 2.

Hoofdstuk 8 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie, kostenverhaal en vooroverleg. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Planspecifiek

Voor dit plan heeft een participatietraject plaatsgevonden. In bijlage 17 is daarvan het verslag te vinden.

8.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek

Voor dit plan en de woningbouwontwikkeling op de huidige locatie van de sportvelden heeft de gemeenteraad een grondexploitatie vastgesteld waarbinnen de gehele ontwikkeling financieel mogelijk wordt gemaakt.

8.3 Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de relevante belanghebbende instanties. De provincie is bekend met het plan. Ook het Waterschap is op de hoogte van het plan.