direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22b]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Duiven. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22b] van het omgevingsplan van de gemeente Duiven. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22b.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22b]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' en 'Reparatieplan Buitengebied 2013', artikel 3 'Agrarisch' met de daarbij horende begrippen, en wijze van meten, gelden voor de locatie als bedoeld in het derde lid de regels zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Sportpark Horsterstraat waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen:

2.1 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.2 Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.3 Aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in een (gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend uitsluitend door de gebruik(st)er, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.4 Aan huis verbonden bedrijf

een bedrijf dat in een (gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, uitsluitend door de gebruik(st)er van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingplichtig is;

2.5 Afhankelijke woonruimte

een onzelfstandige, permanent vanuit de woning toegankelijke, woonruimte in een deel van een woning, waarin een gedeelte van de huishouding is gehuisvest uit een oogpunt van mantelzorg, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.6 Bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.7 Bedrijf

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

2.8 Bedrijfsvloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

2.9 Bestaand

bij bouwwerken: een legaal bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;

bij gebruik: het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime;

2.10 Functiegrens

de grens van een functievlak;

2.11 Functievlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie;

2.12 Bijbehorende bouwwerken

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

2.13 Bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

2.14 Bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

2.15 Bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder, met dien verstande dat volieresystemen niet als meerdere bouwlagen worden beschouwd;

2.16 Bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.17 Bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

2.18 Bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

2.19 Bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.20 Buitenschoolse opvang

professionele kinderopvang voor schoolgaande kinderen buiten schooltijden, waarbij geen bedgebied aanwezig is.

2.21 Dagrecreatie

activiteiten gericht op ontspanning in de vrije tijd zoals sport en spel, natuurbeleving, amusement en uitstapjes, die uitsluitend plaatsvinden binnen een tijdsbestek van een dag, zonder overnachting en waartoe tevens kleinschalige horeca-activiteiten worden gerekend;

2.22 Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, dit met uitzondering van internetverkoop;

2.23 Dienstverlening

het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten welke bestaan uit het verlenen van diensten aan derden, met of zonder rechtstreeks contact met het publiek;

2.24 Eerste bouwlaag

de bouwlaag op de begane grond;

2.25 Gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.26 Gebruiken

gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven;

2.27 Gebruiksoppervlak

de oppervlakte die mag worden gebruikt ten behoeve van (een) nader in de regels omschreven functie(s); indien binnen een gebouw meerdere bouwlagen worden gebruikt ten behoeve van die functie(s), dan wordt deze oppervlakte berekend door de oppervlaktes van de verschillende bouwlagen op te tellen;

2.28 Hoofdactiviteit

Een functie waarvoor het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt;

2.29 Hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die door het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

2.30 Horeca

een bedrijf waar hoofdzakelijk dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

2.31 Internetverkoop

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, zonder enige fysieke vorm van uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, zonder dat deze goederen op locatie bezichtigd of afgehaald kunnen worden;

2.32 Kampeermiddel

tenten, tentwagens, kampeerauto's of toercaravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

2.33 Kas

een gebouw waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander licht doorlatend materiaal ten behoeve van het kweken van vruchten, bloemen en/of planten;

2.34 Kleinschalig kampeerterrein

het houden van een kampeerterrein voor een beperkt aantal, met dien verstande dat buiten de periode van 15 maart tot en met 31 oktober geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn;

2.35 Lichte horeca

activiteiten waar overdag kleine etenswaren en niet of licht alcoholische dranken worden verstrekt, zoals theehuisjes, ijssalons, croissanterieën en naar de aard daarmee gelijk te stellen activiteiten;

2.36 Maatschappelijke voorzieningen

culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en lichte horeca ten dienste van deze voorzieningen;

2.37 Mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

2.38 Nevenactiviteiten

één of meerderde activiteiten ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel (gezamenlijke) omvang (oppervlakte) als de effecten op het woon- en leefklimaat;

2.39 Onderbouw

een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven het peil is gelegen;

2.40 Overig bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

2.41 Paardenbak

een in de open lucht gelegen al dan niet omheind terrein, eventueel voorzien van lichtmasten, dat is ingericht of kennelijk is ingericht voor het uitsluitend of in hoofdzaak gebruiken ten behoeve van het berijden van paarden;

2.42 Pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

2.43 Peil
  • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het (afgewerkte) terrein ter hoogte van die hoofdtoegang;
  • indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabij gelegen punt waar het water grenst aan het vaste land;

2.44 Permanente bewoning

bewoning door een persoon of door groepen van personen van een voor recreatieve bewoning bedoelde ruimte/gebouw als hoofdverblijf c.q. vaste woon- of verblijfplaats;

2.45 Stacaravan

een kampeermiddel in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede gelet op de afmetingen, kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen;

2.46 Uitvoeren

uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven;

2.47 Verblijfsobject

de kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woondoeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is. Eén verblijfsobject is gelijk aan één woning;

2.48 Voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw; gebouwen welke met meer dan één zijde naar de weg gekeerd zijn hebben meerdere voorgevels;

2.49 Vrijstaand

een woning in een afzonderlijk gebouw, niet verbonden aan andere woningen. In een woning met de aanduiding 'vrijstaand' is maximaal 1 verblijfsobject met woonfunctie toegestaan;

2.50 Woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Een woning is gelijk aan een verblijfsobject;

2.51 Zeer kwetsbaar gebouw

gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage VI, onder E;

2.52 Zolder

ruimte(n) in een gebouw die geheel is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht deel uitmaakt van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

3.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.4 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.5 de horizontale diepte van een gebouw

de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd;

3.6 ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Functieregels

Artikel 4 Groen

4.1 Functieomschrijving

Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  • b. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • c. extensief recreatief medegebruik;
  • d. kunstuitingen;
  • e. wandel-, fiets-, en voetpaden, recreatie-, speel- en nutsvoorzieningen;

met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen, waterberging en waterlopen.

4.1.1 Voorwaardelijke verplichting groene bufferzone
  • f. Het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het plangebied is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - bufferzone' een groene bufferzone is aangelegd overeenkomstig het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 1.
  • g. De aangelegde beplanting dient duurzaam in stand te worden gehouden.

4.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
4.2.1 Gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 3 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.

Artikel 5 Sport

5.1 Functieomschrijving

Een als 'Sport' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. sportterreinen, sportieve en recreatieve doeleinden en daarbij behorende voorzieningen, waaronder mede begrepen ondergeschikte lichte horeca (kantines) en ondergeschikte detailhandel, met dien verstande dat:
    • 1. padelbanen enkel zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - padel'
    • 2. maximaal 5 padelbanen zijn toegestaan;
  • b. ondergeschikte buitenschoolse opvang uitsluitend in het bouwvlak;
  • c. maatschappelijke voorzieningen;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en (fiets-)paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

5.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
5.2.1 Gebouwen
  • a. Voor het bouwen van gebouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende regels:
    • 1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 meter.
  • b. Voor het bouwen van gebouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende regels:
    • 1. dug-outs zijn toegestaan met dien verstande dat:
      • het maximale oppervlakte per gebouwtje niet meer bedraagt dan 5 m2;
      • de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 m;
      • het gebouwtje maximaal uit 3 wanden bestaat.
    • 2. naast dug-outs zijn maximaal vijf gebouwen toegestaan buiten het bouwvlak met dien verstande dat:
      • het maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m2;
      • de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 m;
      • de afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
      • zeer kwetsbare gebouwen niet zijn toegestaan.

5.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten en ballenvangers bedraagt maximaal 15,5 m;
  • b. de bouwhoogte van speelvoorzienigen bedraagt maximaal 5 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 6 m.

5.2.3 Voorschriftengebied

Bij het bouwen van zeer kwetsbare gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - brandvoorschriftengebied buisleidingen' dient te worden voldaan aan de regels conform artikel 4.91 t/m 4.95 Besluit bouwwerken leefomgeving, vanwege de ligging in brandaandachtsgebied van de ondergrondse hogedruk aardgasleidingen A-663, A-507 en A-505.

5.3 Specifieke functieregels

Het is in ieder geval verboden gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van sporten die veel omgevingslawaai tot gevolg hebben, zoals (model)vliegsport en motorcross.

5.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit padelbanen
5.4.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat meer dan het maximumaantal van 5 padelbanen worden gerealiseerd.

5.4.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 5.4.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de padelbanen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - padel' worden gerealiseerd;
  • b. is aangetoond dat de padelbanen niet zorgen voor dermate hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten dat een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat.

Artikel 6 Tuin

6.1 Functieomschrijving

Een als 'Tuin' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
6.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. Uitsluitend uitbouwen in de vorm van erkers bij de hoofdgebouwen van de op de aangrenzende gronden gelegen woningen mogen worden gebouwd, mits:
    • 1. de horizontale diepte maximaal 1,5 m bedraagt;
    • 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt;
    • 3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen een gevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt;
    • 4. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m.

6.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximal 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 2 m;
  • c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 3 meter;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 meter.
6.3 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit bijbehorende bouwwerken
6.3.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat

bijbehorende bouwwerken behorend bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen worden gebouwd.

6.3.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 6.3.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. het bepaalde in artikel 7.2.2 onder b met betrekking tot de oppervlakte is van toepassing;
  • b. de goothoogte bedraagt maximaal 3 meter dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter;
  • c. de bouwhoogte bedraagt maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 1 meter, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 m mag bedragen en maximaal 6 meter.
  • d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad;
  • e. het straat- en bebouwingsbeeld worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 7 Wonen - 1

7.1 Functieomschrijving

Een als 'Wonen - 1' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. het bestaande aantal woningen ter plaatse van de aanduidingen:
  • b. aan huis verbonden beroepen;
  • c. mantelzorg;
  • d. de bestaande paardenbakken;
  • e. lichtmasten rond een legaal bestaande paardenbak zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de afstand van de lichtmasten tot gronden met de bestemming Natuur minimaal 100 meter bedraagt;
    • 2. per paardenbak maximaal 4 lichtmasten zijn toegestaan
  • f. het houden van een kleinschalig kampeerterrein, met dien verstande dat:
    • 1. maximaal 10 kampeermiddelen met bijbehorende sanitaire voorzieningen per hoofdgebouw zijn toegestaan;
    • 2. alleen binnen de periode van 15 maart tot 31 oktober kampeermiddelen op het terrein aanwezig mogen zijn;
    • 3. stacaravans niet zijn toegestaan.
    • 4. een kleinschalig kampeerterrein uitsluitend wordt toegestaan indien de bestemming Wonen -1 niet grenst aan de bestemming Natuur;
  • g. bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven.
7.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
7.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. goothoogte is maximaal 6 meter;
  • b. bouwhoogte is maximaal 9 meter;
  • c. oppervlakte is maximaal 175 m2 voor vrijstaande woningen dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt dan 175 m2.

7.2.2 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. gebouwd vanaf 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande, dat bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits:
    • 1. de horizontale diepte maximaal 1,5 meter bedraagt;
    • 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 meter bedraagt;
    • 3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt;
    • 4. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter;
  • b. gezamenlijke oppervlakte per hoofdgebouw maximaal:
    • 1. 75 m2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt dan 75 m2;
    • 2. als de bouwmogelijkheden voor het hoofdgebouw o.g.v. artikel 7.2.1, sub c niet volledig zijn benut, mogen deze worden gebruikt voor de realisatie van bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de onder artikel 7.2.2, sub b, onder 1 genoemde oppervlaktenorm;
  • c. goothoogte maximaal 3 meter dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter;
  • d. bouwhoogte maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw verminderd met 1 meter, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 meter mag bedragen en maximaal 6 meter.

7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 1 meter;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 2 meter;
  • c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 3 meter;
  • d. de bouwhoogte van terreinafscheidingen rond een legaal bestaande paardenbak bedraagt maximaal 1,75 meter;
  • e. de bouwhoogte van lichtmasten bij legaal bestaande paardenbakken bedraagt maximaal 6 meter;
  • f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 meter.

7.2.4 Kleinschalig kampeerterrein

Voor het bouwen van sanitaire voorzieningen ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein gelden de volgende regels:

  • a. het gezamenlijke oppervlak is per kampeerterrein maximaal 50 m2;
  • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 meter.
7.3 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit kleinschalige terrasvoorziening
7.3.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat

een kleinschalige terrasvoorziening met lichte horeca wordt toegestaan.

7.3.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 7.3.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. opgericht binnen en direct nabij de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing;
  • b. de oppervlakte maximaal 50% van het bebouwde oppervlak met een absoluut maximum van 100 m2 mag bedragen;
  • c. maximaal 50 m2 aan buitenruimte mag worden gerealiseerd;
  • d. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • e. er wordt voorzien in een gebiedseigen landschappelijke inpassing;
  • f. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • g. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
7.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit nevenactiviteiten
7.4.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat een aan de woonfunctie ondergeschikte nevenactiviteit wordt uitgeoefend.

7.4.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 7.4.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. uitsluitend de volgende nevenactiviteiten kunnen worden toegelaten:
    • 1. stalling van caravans, kampeerauto's en daarmee gelijk te stellen recreatieve vervoermiddelen;
    • 2. langdurige opslag van goederen met uitzondering van opslag van gevaarlijke stoffen, ontplofbare stoffen, bestrijdingsmiddelen, afvalstoffen en stoffen die geurhinder kunnen veroorzaken;
    • 3. kleinschalige recreatieve/toeristische activiteiten die gericht zijn op de stalling en verhuur van vervoersmiddelen ten behoeve van recreatie medegebruik gericht op de beleving van agrarische activiteiten of natuur- en landschapswaarden, zoals een paardenstalling of fiets-, kano-, paarden- en huifkarrenverhuur;
    • 4. kleinschalige extensieve dagrecreatieve activiteiten gericht op de beleving van agrarische activiteiten, natuur- en landschapswaarden, kunst en cultuur, zoals cursusruimte voor ambachten, galerie/ potterie, binnenspeeltuin of museum voor oude werktuigen;
    • 5. kleinschalige binnenactiviteiten die gericht zijn op de uitoefening van persoonlijke/dierlijke verzorging, zoals een kapper, pedicure, schoonheidsspecialist of hondentrimmer;
    • 6. dagopvang voor ouderen/kinderen/gehandicapten van maximaal 15 personen waarbij ook buitenactiviteiten zijn toegestaan gericht op de beleving van agrarische bezigheden;
    • 7. recreatief verblijf in de vorm van een beperkte groeps- of pensionaccommodatie (maximaal 15 personen), zoals boerenkamers of een trekkershut;
  • b. tenzij in sub a anders is aangegeven kunnen de nevenactiviteiten uitsluitend worden toegestaan in aanwezige gebouwen, uitgezonderd kassen, waarbij (vervangende) nieuwbouw niet is toegestaan;
  • c. voorts mag de bedrijfsvloeroppervlakte van de nevenactiviteiten maximaal 350 m2 bedragen;
  • d. in afwijking van het bepaalde in sub c geldt een maximale maat van 60 m2 indien het nevenactiviteiten betreft in de vorm van kleinschalige binnenactiviteiten die gericht zijn op de uitoefening van persoonlijke/dierlijke verzorging;
  • e. de belangen van in de omgeving gelegen functies worden niet onevenredig geschaad;
  • f. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het (leef)milieu en het landschap in de omgeving;
  • g. er treedt geen onevenredige verkeersaantrekkende werking op;
  • h. parkeren wordt op eigen terrein gerealiseerd;
  • i. buitenopslag is niet toegestaan;
  • j. detailhandel, met uitzondering van ter plaatse vervaardigde producten, is niet toegestaan;
  • k. er dient te worden voorzien in een gebiedseigen landschappelijke inpassing.
7.5 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit paardenbakken
7.5.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat gronden worden ingericht en gebruikt voor een paardenbak.

7.5.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 7.5.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de oppervlakte bedraagt maximaal 800m²;
  • b. per woning mag maximaal één paardenbak worden gerealiseerd;
  • c. de paardenbak wordt niet gesitueerd op gronden voorzien van de bestemming Waarde-Landschap;
  • d. rondom de paardenbak mogen maximaal 4 lichtmasten worden gerealiseerd, met dien verstande dat:
    • 1. de afstand van de lichtmasten tot gronden met de bestemming Natuur minimaal 100 meter bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte maximaal 6 meter bedraagt;
    • 3. de bouwhoogte van terreinafscheidingen rondom de paardenbak maximaal 1,75 meter bedraagt;
  • e. de belangen van gebruikers dan wel eigenaren van aangrenzende gronden worden niet onevenredig geschaad.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 10 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 11 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken grenzen

11.1 Algemeen

Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat wordt afgeweken van functiegrenzen, de bouw(perceels)grenzen en/of aanduidingsgrenzen tot maximaal 2,5 m.

11.2 Beoordelingsregels

De vergunning van artikel 11.1 kan alleen worden verleend als er verschillen blijken te zijn tussen perceels- en/ of kadastrale grenzen en de situatie in het veld, al dan niet na inmeting.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
12.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

12.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 12.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 12.1.1 met maximaal 10 %.

12.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan.

12.2 Overgangsrecht gebruik
12.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

12.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 12.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

12.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 12.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

12.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.