1.1 Aanleiding en ambitie
De initiatiefnemer is voornemens op de onbebouwde gronden aan de zuidzijde van het dorp Rijswijk een nieuwe woonbuurt bestaande uit 26 woningen te realiseren. Het grootste deel van het beoogde woningaanbod zal uitgevoerd worden als starterswoning, waaraan een sterke behoefte bestaat in Rijswijk.
In het bestemmingsplan ‘Kernen Buren’, dat onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Buren, heeft het plangebied grotendeels de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied’. Binnen deze bestemming is wonen niet toegestaan. Bovendien ontbreekt ter plaatse een bouwvlak. Daarom is het initiatief in strijd is met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken kan een TAM-omgevingsplan worden opgesteld. Met het TAM-omgevingsplan wordt de mogelijkheid geboden een omgevingsplan op basis van de techniek van de Wet ruimtelijke ordening (SVBP 2012) te maken en te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl.
1.2 Aanduiding plangebied
Het plangebied is gelegen in het zuiden van het dorp Rijswijk, een kern van de gemeente Buren. Ten zuidwesten van het dorp ligt het Amsterdam-Rijnkanaal en ten noorden stroomt de Nederrijn. Aan de overzijde van deze rivier ligt de vestingstad en gelijknamige gemeente Wijk bij Duurstede. Ten noordwesten en ten oosten van Rijswijk bevindt zich agrarisch gebied. Rijswijk is ontstaan als een dijkdorp aan de Rijnbandijk, met zowel binnen- als buitendijks enige oude bebouwing rond de oude dorpskern. De bebouwing concentreert zich op en aan de Rijnbandijk en langs enkele loodrecht daarop gelegen straten, zoals de Kerkstraat en de Prinses Irenestraat. Binnen de begrenzing van de kern Rijswijk liggen woningen, een kerk, het dorpshuis aan de Kortebosstraat en twee agrarische gebieden.
Het plangebied heeft een oppervlakte van 6.010 m² en bestaat uit het kadastrale perceel Maurik, sectie I, perceelnummer 1216. Het perceel ligt tussen Hoekenburgplein 3 en 4 en ten zuiden van Hoekenburgplein 1 t/m 4. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het perceel.

Globale ligging plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth)
Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: Pdokviewer)
1.3 Toetsing aan het omgevingsplan
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Buren. Voor het grootste deel van de planlocatie gold het bestemmingsplan 'Kernen Buren'. Tevens geldt het 'Paraplubestemmingsplan archeologie Gemeente Buren 2023'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het bestemmingsplan 'Kernen Buren'.
Uitsnede bestemmingsplan 'Kernen Buren', plangebied rood omkaderd (bron: Omgevingsloket - Regels op de kaart)
In het bestemmingsplan 'Kernen Buren' heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied'. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor grondgebonden agrarische productie, het weiden van dieren, extensief dagrecreatief medegebruik en instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan een agrarisch oeverwalgebied.
Een strook in het noordelijke deel van het plangebied is voorzien van de bestemming 'Wonen'. Tevens is hier de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' van toepassing. Verder is het plangebied in het 'Paraplubestemmingsplan archeologie Gemeente Buren 2023' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2'. Dit komt aan bod in
paragraaf 5.6.
De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied voorziet in het realiseren van woningen, groen, water en bijbehorende infrastructuur. Deze functies passen niet binnen de mogelijkheden van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied'. Derhalve is de voorgenomen ontwikkeling strijdig met het tijdelijke deel van het omgevingsplan en dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Hierbij wordt gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 de resultaten van de participatie, het bestuurlijk overleg en de terinzagelegging beschreven. De huidige en toekomstige situatie komen in hoofdstuk 3 aan bod. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de hand van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid aan bod. Tot slot bevat hoofdstuk 8 de conclusie.
2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie.
Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.1 Participatie
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De initiatiefnemer is in veel gevallen verplicht om te participeren met de betrokkenen. Bij een wijziging van het omgevingsplan hoort een beschrijving van de wijze waarop de participatie plaats heeft gevonden en wat daarvan het resultaat is. De gemeente Buren hanteert voor participatie de Burense kaders voor participatie 2025. Hierin maakt de gemeente onderscheid tussen de participatiecategorieën klein, middel en groot. Bij onderhavig initiatief is geparticipeerd conform de kaders onder de categorie 'groot'.
Tijdens de initiatiefase en het opstellen van het omgevingskwaliteitsdocument (LAP Landscape & Urban Design, d.d. oktober 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 1) is participatie uitgevoerd. De volgende groepen waren daarbij betrokken:
- Gemeente Buren
- Dorpsplatform Rijswijk
- Woningcorporatie Thius
- Direct omwonenden en inwoners Rijswijk
De participatie bestaat tot nu toe uit individuele gesprekken, inloopavonden en themabijeenkomsten. De initiatiefnemers blijven daarnaast in gesprek met de direct aanwonenden om specifieke individuele zaken met hun af te spreken.
2.2 Zienswijzen
Het ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan heeft van 25 november 2025 tot en met 5 januari 2026 ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.
3.1 Huidige situatie
Rijswijk is gelegen in de gemeente Buren, tussen de Nederrijn en het Amsterdam-Rijnkanaal. Het is ontstaan als een dijkdorp aan de Rijnbandijk, met zowel binnen- als buitendijks enige oude bebouwing rond de oude dorpskern. Het dorp bestaat voornamelijk uit woningen en maatschappelijke voorzieningen. Voor stedelijke voorzieningen zoals een supermarkt zijn de bewoners aangewezen op Maurik. Verder heeft Rijswijk een groen karakter door de vele (historische) groenstructuren en het omliggende agrarische landschap.
Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van het dorp en ligt langs de hoger gelegen Prinses Irenestraat. In de huidige situatie wordt het stuk grond gebruikt voor het weiden van schapen. Het is te bereiken via een pad aan de noordzijde en een hek aan oostkant. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de woningen Hoekenburgplein 1 t/m 4. Langs de west en zuidzijde liggen watergangen. Het plangebied wordt visueel afgeschermd van De Heuvel middels een bosschage.
De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de bestaande situatie.
Impressie noordelijk deel plangebied, gezien van de Pr. Irenestraat (bron: Google Streetview)
Impressie zuidelijk deel plangebied, gezien van de Pr. Irenestraat (bron: Google Streetview)
Impressie pad noordzijde naast Hoekenburgplein 3 (bron: Google Streetview)
3.2 Toekomstige situatie
De initiatiefnemer beoogt 26 nieuwe woningen, verspreid over in totaal 5 bouwblokken. De beoogde opzet bestaat uit twee deelgebieden. Dit is ingegeven vanuit de topografie van het plangebied en de bestaande infrastructuur. Het gebied strekt zich uit langs de Prinses Irenestraat, die van noord naar zuid oploopt richting De Heuvel (N229). Aan de noordzijde is het plangebied smaller en meer lineair van karakter; richting het zuiden opent het zich tot een breder, landschappelijk omsloten gebied, gelegen in de oksel van het dijklichaam en de verhoogde Prinses Irenestraat. Deze ruimtelijke verschillen zorgen voor twee duidelijk herkenbare deelgebieden met elk een eigen sfeer. De beoogde situatie staat weergegeven op de navolgende afbeeldingen.
Beoogde situatie (bron: LAP Landscape & Urban Design)
Vogelvluchtimpressie vanaf zuidoostzijde (bron: LAP Landscape & Urban Design)
Stedenbouwkundige structuur
In het noordelijke deel van het plangebied sluit de nieuwe bebouwing aan op het bestaande lint langs de Prinses Irenestraat. De woningen worden hier op enige afstand van de straat gepositioneerd, met een voortuin als overgangszone tussen de openbare ruimte en het private domein. De woningen oriënteren zich duidelijk op de straat, waarmee ze bijdragen aan de voortzetting van het bestaande lint en de versterking van de straatwand. De Prinses Irenestraat krijgt zo een duidelijke gevelstructuur, levendigheid en herkenbare richting naar de opgang van De Heuvel.
Het zuidelijke deel van het plangebied ligt lager dan de omliggende wegen. Hier vormt een talud, samen met bestaande bomen en een watergang, een natuurlijke overgang tussen het hof en de openbare ruimte. In dit deel wordt een collectief hof ontwikkeld, waarin de woningen zich met hun voorzijde naar het groene binnengebied richten. De achterzijden van de woningen grenzen aan de openbare ruimte, maar door het hoogteverschil ontstaat hier vanzelf een buffer die de privacy van de tuinen versterkt. Door de woningen rondom het hof te positioneren, ontstaat een ruimtelijke structuur die ontmoeting stimuleert, sociale cohesie bevordert en past bij het kleinschalige, dorpse karakter van Rijswijk.
ProgrammaIn het dorp speelt de behoefte aan woningen in het goedkopere segment, zowel huur als koop. Jongeren uit het dorp kunnen dan in Rijswijk blijven wonen en het dorp wordt aantrekkelijker voor jongeren van buitenaf. Ook zou de doorstroom gestimuleerd kunnen worden door het realiseren van woningen die geschikt zijn voor senioren. Om hieraan tegemoet te komen bestaat het programma grotendeels uit woningen die geschikt zijn voor starers en wordt een deel van de woningen levensloopbestendig. Het programma van 26 woningen is als volgt verdeeld:
- 7 grondgebonden aaneengebouwde woningen (koop)
- 5 starterswoningen (gereguleerde koop)
- 4 starterswoningen (verhuur sociale woningcorporatie)
- 10 sociale huurwoningen (bebo)
Groen en voorzieningen
Het collectieve hof vormt het groene hart van het plan: een informele ontmoetingsplek met een natuurlijke, open uitstraling die verwijst naar de boomgaarden van De Betuwe. Het binnengebied wordt gekarakteriseerd door een bloemrijke, biodivers ingerichte ruimte waar bewoners gezamenlijk wonen aan een groen, maar ook kleurrijk hof. Hier staan ontmoeting, ecologie en klimaatadaptatie centraal.
Naast het collectieve hof ligt er een openbaar pad langs de westzijde van de aaneengebouwde woningen in het noordelijke deel van het plangebied. Ook wordt krijgen groen en water een plaats. Daarnaast komt hier een wandelpad dat uitkomt op het Hoekenburgplein.
Verkeer en parkeren
Het parkeren vindt centraal in het plangebied, langs de rijbaan, plaats. Het aanbod aan parkeerplaatsen zal voldoen aan de gemeentelijke eisen, zoals blijkt uit
subparagraaf 5.1.2. De rijbaan, die aangesloten wordt op de Prinses Irenestraat, is 6 meter breed, maar wordt visueel versmald door open verharding aan beide zijden. Alleen het midden van de rijstrook wordt voorzien van klinkers, waardoor automobilisten subtiel gestuurd worden en hun snelheid op natuurlijke wijze aanpassen. Deze inrichting draagt bij aan een verkeersveilige en aangename woonomgeving.
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
- ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
- duurzaam economisch groeipotentieel;
- sterke en gezonde steden en regio's;
- toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek
Gezien de aard en omvang van het plan is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het bijdragen aan sterke en gezonde steden en regio's met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen.
4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:
- de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
- als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling worden 26 woningen gerealiseerd. Derhalve dienen de ‘treden van de ladder’ doorlopen te worden.
Behoefte
Zoals blijkt uit
subparagraaf 4.3.1 en
paragraaf 4.3.2 is er in de regio en gemeente een sterke behoefte aan nieuwbouw. Door de gemeente wordt in het Woningprogramma 2020-2030 aangegeven dat er een grote mismatch bestaat tussen het huidige en gewenste woningtype. De insteek is daarom dat een groot deel van de nieuwbouwproductie gericht is op het bevorderen van doorstroming. Onderhavig plan voorziet in deze behoefte, onder andere door het realiseren van starterswoningen.
Bestaand stedelijk gebied
In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bestaand stedelijk gebied als volgt omschreven: ‘op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.’ De planlocatie is gelegen aan de rand van de kern en heeft in de huidige situatie een agrarisch karakter. Het maakt in de huidige situatie geen onderdeel uit van het stedelijk gebied. Wel bevindt het zich ter hoogte van enkele stedelijke voorzieningen aan de andere kant van de Prinses Irenestraat (wonen en sport). Het plangebied kan dan ook aangemerkt worden als zijnde stedelijk groen aan de rand van het stedelijke gebied. Daarbij is relevant dat er binnen het bestaand stedelijk gebied van Rijswijk weinig ruimte meer is voor stedelijke ontwikkeling. Daarmee is het plan in lijn met lid b van artikel 5.129g van het Bkl.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
4.1.3 Besluit kwaliteit leefomgeving
Het plangebied ligt binnen twee vanuit het Bkl aangewezen gebieden: gebieden waar windturbines het militaire radarbeeld kunnen verstoren en uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra. De bijbehorende bepalingen zijn niet relevant voor onderhavige planvorming.
4.2.1 Omgevingsvisie Gelderland
De Omgevingsvisie Gaaf Nederland is vastgesteld op 19 december 2018. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De provincie Gelderland legt bij de uitoefening van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – wordt daaraan richting gegeven.
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. De schetsen zijn een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen. De ambities die hieruit volgen zijn:
- Energietransitie: van fossiel naar duurzaam.
- Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer.
- Circulaire economie: sluiten van kringlopen.
- Biodiversiteit: werken met de natuur.
- Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.
- Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio!
- Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.
Planspecifiek
Voor de beoogde ontwikkeling is met name de ambitie voor de woon- en leefomgeving van toepassing. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Daarbij zijn de volgende ambities opgesteld:
- Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. We benutten de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen.
- Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas.
- Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal.
Met de beoogde ontwikkeling wordt hier invulling aangegeven door duurzame woningbouw toe te passen. De beoogde woningen worden goed geïsoleerd en aardgasloos aangelegd. Daarnaast krijgen de woningen een maat, schaal en uitstraling die passen in de omgeving. De beoogde ontwikkeling is daarmee passend binnen de ambities van de provincie wat betreft woningbouw
.
Een van de ambities van de provincie is dat er bij ontwikkelingen aandacht geschonken wordt aan klimaatadaptatie. Bij voorliggend plan wordt er voorzien in een grote mate aan water en groen, onder andere om te voorzien in de benodigde waterberging. Dit heeft een positieve invloed op de waterhuishouding en de hitte in het plangebied. In
paragraaf 5.10 komt een nadere beschrijving van klimaatadaptatie aan bod.
Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan in lijn is met de Omgevingsvisie Gelderland.
4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland
Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. De provincie Gelderland heeft op 24 september 2014 de Omgevingsverordening vastgesteld, die vervolgens op 18 oktober 2014 in werking is getreden. Deze Omgevingsverordening is partieel gewijzigd. Voor de beoordeling van het onderhavige TAM-omgevingsplan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland januari 2024. De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is er een van. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
Planspecifiek
Aan de hand van de bij de Omgevingsverordening behorende kaart zijn de voor de planontwikkeling relevante bepalingen geïdentificeerd. Een groot deel van deze provinciale regels is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkelingen. Navolgend komen de relevante bepalingen aan bod.
Ganzenrustgebied (artikel 5.27)
Het plangebied is onderdeel van het ganzenrustgebied. Een nieuwe ontwikkeling is in dit gebied alleen toegestaan als het omgevingsplan een beschrijving van de onderzoeksresultaten bevat waaruit blijkt dat de activiteit of ontwikkeling wordt verricht op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt. Er is onderzoek gedaan naar de functie van het plangebied voor het ganzenrustgebied in de quickscan natuur (Blom Ecologie, 2025-0427, d.d. 6 juni 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 2). Navolgend zijn de resultaten hiervan beschreven.
De planlocatie betreft een relatief klein grasland en is omgeven door bebouwing, bomen en het talud van de Pr. Irenestraat. Hierdoor heeft de planlocatie een besloten ligging, zonder de overzichtelijkheid van het landschap waar ganzen doorgaans overwinteren (weidse agrarische graslanden en uiterwaarden). Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen ganzen of sporen van ganzen (uitwerpselen) aangetroffen op het terrein, hoewel het veldbezoek aan het einde van de overwinteringsperiode is uitgevoerd. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling wordt verricht op een locatie waar nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor ganzen zeer beperkt zijn.
Het ganzenrustgebied waar de planlocatie deel van uit maakt, beslaat een groot gebied langs de Neder-Rijn. Het gebied begint ten westen van Rijswijk en eindigt ten oosten van Maurik. De oppervlakte van het gebied heeft een orde van grootte van circa 1.000 hectare. Met de beoogde ontwikkeling wordt minder dan 1 hectare hiervan weggenomen. Hiermee wordt ruimschoots aan de voorwaarde voldaan dat na een ontwikkeling nog minimaal 500 hectare als rustgebied voor ganzen dient te blijven bestaan.
Blijkens bovenstaande beoordeling is de beoogde ontwikkeling in Ganzenrustgebied toegestaan volgens de provinciale omgevingsverordening. Ten aanzien van de bescherming van het Ganzenrustgebied zijn geen vervolgstappen vereist.
Doorwerking regionale woonagenda (artikel 5.64)
In artikel 5.64 is bepaald dat een ontwikkeling van nieuwe woningen alleen toegelaten wordt indien de ontwikkeling in lijn is met de regionale woonagenda. Uit toetsing van de Regionale Woonagenda Rivierenland in
subparagraaf 4.3.1 blijkt dat de ontwikkeling hiermee in lijn is.
Beschermen landschap Gelderse streken: Betuwe en Tielerwaard (artikel 5.35)
Het plangebied bevindt zich in het gebied dat is aangewezen als de Betuwe en Tielerwaard. Bij een nieuwe ontwikkeling in dit gebied dient rekening gehouden te worden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen. Het accent van deze kernkwaliteiten ligt op het buitengebied. Omdat het plan zich aan de rand van het stedelijk gebied bevindt zijn ter plaatse nog maar beperkt de kwaliteiten van het landschap van de Betuwe en Tielerwaard te ervaren. Het plan doet hieraan dus ook geen afbreuk.
Nationaal landschap (artikel 5.33)
Het plangebied maakt deel uit van het Nationaal landschap (Rivierenland). Een nieuwe activiteit of ontwikkeling binnen een nationaal landschap is enkel mogelijk indien deze de kernkwaliteiten van het landschap niet aantasten. Deze kernkwaliteiten zijn beschreven in de bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen. Voor het gebied rondom Maurik, Kesteren, Ochten zijn de volgende kernkwaliteiten beschreven:
- Weinig pregnante structuur van uiterwaarden, oeverwal en kom.
- Vrij uitzicht vanaf de dijk met cultuurhistorisch waardevolle dijkhuizen, en over de rivier met uiterwaarden.
- Afwisseling van kleinschalige fijnmazige structuur en grootschalige dynamische structuur.
- Relatief veel boomteelt.
- Bijzondere verkavelingsstructuur bij Hemmen.
De beschreven kernkwaliteiten zijn in het plangebied niet herkenbaar, waardoor het plan niet leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten.
Klimaatadaptatie (artikel 5.85)
Verder is artikel 5.85 relevant voor het initiatief. In dit artikel is opgenomen dat nieuwe ontwikkelingen rekening moeten houden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van:
- waterveiligheid;
- wateroverlast;
- droogte; en
- hitte.
Deze risico’s worden hieronder beschouwd.
- Waterveiligheid
De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Bij raadpleging van de klimaateffectatlas blijkt dat het plangebied een middelgrote kans heeft om te overstromen indien het waterpeil in de Neder-Rijn stijgt. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden niet nodig geacht.
- Wateroverlast
Om wateroverlast in het plangebied te voorkomen worden diverse maatregelen getroffen. Dit komt aan bod in
paragraaf 5.10.
- Droogte
Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. In het plangebied is geen sprake van droogte. In de toekomstige situatie is er in en rondom het plangebied voldoende water en groen aanwezig om verdroging van de bodem tegen te gaan.
- Hitte
In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. Uit de klimaateffectatlas blijkt dat het stedelijk hitte eiland effect in het plangebied geen rol speelt. Door het groen inrichten van de beoogde situatie wordt er gezorgd voor voldoende schaduw en koele plekken, waardoor hittestress beperkt wordt.
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat het voorliggende initiatief in lijn is met de omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
4.3.1 Regionale Woonagenda Rivierenland
De provincie Gelderland geeft in de Omgevingsverordening aan dat van de regio's wordt verwacht dat zij hun beleid op het gebied van wonen afstemmen met (externe) partners in een 'Regionale Woonagenda'. Hierin zijn de belangrijkste thema's omschreven waaraan de betreffende regio gaat werken. Het is feitelijk een regionaal actieprogramma. De Regionale Woonagenda Rivierenland 2020–2030 is een gezamenlijk product van de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel. In de regionale woonagenda zijn de volgende thema's opgenomen:
- Regionaal woningbouwprogramma;
- Bestaande woningvoorraad;
- Wonen en zorg;
- Doorstroming;
- Arbeidsmigranten;
- Verblijfsgerechtigden;
- Woonlasten en betaalbaarheid;
- Flexibele tijdelijke woonvormen.
Het Regionaal Woningbouwprogramma heeft direct invloed op woningbouwplannen. De Omgevingsverordening bepaalt namelijk in artikel 2.2.1.1 dat in een bestemmingsplan nieuwe woningbouwlocaties, en de daar te bouwen woningen, slechts worden toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woningbouwprogramma en de vastgestelde Kwantitatieve Opgave Wonen voor de betreffende regio. De overige thema's worden op regionaal of lokaal niveau uitgewerkt in beleid of in uitvoeringsacties.
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt onder andere de bouw van woningen mogelijk. In de regionale woonagenda wordt aangegeven dat er in de provincie de afgelopen jaren niet genoeg nieuwe woningen zijn afgeleverd en dat er sprake is van een woningtekort. In het Actieplan Wonen 2020–2025 van de provincie Gelderland wordt gepleit voor een inhaalslag in de vorm van een versnelling van de nieuwbouwproductie. Ook wordt in de Regionale Woonagenda gesproken over een gebrek aan doorstroming in de kleinere kernen. In veel van de kleinere kernen in de regio zijn de effecten van de vergrijzing en ontgroening steeds zichtbaarder. De leefbaarheid komt steeds meer onder druk te staan, onder andere doordat het draagvlak voor voorzieningen dreigt weg te vallen. Het vasthouden en aantrekken van jonge gezinnen kan hier tegenwicht aan bieden. Onderhavig initiatief levert hieraan een positieve bijdrage.
Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Regionale Woonagenda Rivierenland.
4.4.1 Omgevingsvisie Buren
Op 14 juni 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Buren de omgevingsvisie vastgesteld. De omgevingsvisie van de gemeente Buren is de integrale strategische visie voor de lange termijn. In de visie heeft de gemeente telkens gewogen tussen de belangen en wensen uit de gemeente en ontwikkelingen van buitenaf, zodat in de toekomst nog steeds een typerend rivierenlandschap bestaat waar het prettig leven en goed ondernemen is. Om dit te bereiken heeft de gemeente 6 speerpunten uitgewerkt voor het beleid op de fysieke leefomgeving:
- Evenwichtige groei: de gemeente kiest voor een evenwichtige groei van de kernen. De komende jaren ligt er een flinke bouwopgave om de woningbehoefte vanuit de gemeente en (enige) woningdruk van buitenaf op te kunnen vangen. Tegelijk kent de gemeente een verandering van de bevolkingssamenstelling met meer ouderen en minder gezinnen. De gemeente zoekt bij uitbreidingen daarom naar variatie in woningtypen en bouwstijlen.
- Gezonde en veilige leefomgeving: de gemeente zet in op een gezonde leefomgeving om (sociale en fysieke) gezondheidsklachten te verminderen, de gezondheidszorg binnen de gemeente goed te houden, de groeiende groep ouderen langer in een goede gezondheid te laten leven en in te spelen op veranderingen in het klimaat.
- Sterke voorzieningen: de gemeente zet in op een sterk aanbod aan voorzieningen voor de lange termijn, om zo de leefkwaliteit te versterken. Met sterke voorzieningen kiezen we voor voorzieningen, die laagdrempelig zijn en bijdragen aan de sociale cohesie enerzijds en voor hoogwaardige voorzieningen met een groot bereik anderzijds.
- Werken aan kwaliteit: de gemeente kiest voor het bewaren van het typische rivierenlandschap in al haar verscheidenheid. De tijd moet niet stil worden gezet en er wordt ruimte gegeven aan (economische) dynamiek, maar deze dynamiek moet passen bij de kenmerken van het landschap en hier waar mogelijk aan bijdragen.
- Naar een multifunctioneel buitengebied: de gemeente kiest voor een multifunctioneel buitengebied, waar functies en opgaven met elkaar worden verweven. De fruitteelt, laanboomteelt, melkveehouderij, natuur, recreatie en bedrijven hebben in het verleden hun eigen afgebakende gebieden gekregen. Het doel is deze functies meer met elkaar te verweven en het landschap, de soortenrijkdom en klimaatadaptatie als uitgangspunt te nemen voor de activiteiten.
- Een duurzame toekomst: de gemeente zet in in op een duurzame toekomst, om zo de impact op het milieu te verkleinen en onze leefomgeving schoner en gezonder te maken. Met een duurzame toekomst wordt er gekozen voor een mix aan middelen, zodat de ambities uit de regionale energie strategie gehaald kunnen worden en tegelijk het landschap beschermd kan worden tegen grote veranderingen.
Evenwichtige groei Rijswijk
De gemeente beschrijft dat Rijswijk kan groeien in woningbouw. Als er transformatielocaties in beeld komen legt de gemeente het accent op ouderen, jongeren en kwetsbare groepen. Zoekgebieden voor uitbreiding liggen met name aan de zuidkant en de oostkant van de kern. Voorwaarden daarbij zijn het instandhouden van de karakteristiek en doorzichten van de historische bebouwingslinten. De historische linten moeten herkenbaar blijven. Ook wil de gemeente een groene dooradering van het buitengebied tot in het centrumgebied behouden. Op de navolgende afbeelding is de visiekaart voor Rijswijk uit de omgevingsvisie weergegeven.
Visiekaart Rijswijk (bron: gemeente Buren)
Planspecifiek
De gemeente Buren kiest voor evenwichtige groei van de kernen. Omdat Rijswijk kan groeien in woningbouw acht de gemeente het passend dat hier uitbreiding van het aantal woningen plaatsvindt. Zoals te zien is op de visiekaart wijst de gemeente hier enkele locaties voor aan. Onderhavig plangebied is één van de aangewezen mogelijke uitbreidingslocaties.
Het plangebied is op de kaart met landschapstypen in de gemeente aangewezen als onderdeel van het komgebied. De kommen zijn weids en kenmerken zich door de landschappelijke openheid met een grootschalig karakter. De gebiedskwaliteiten bestaan uit de openheid en vergezichten, lijnelementen, zoals de bomenrijen en sloten en weidevogelgebieden. Deze kwaliteiten zijn in het plangebied in mindere mate herkenbaar. Zo is het plangebied in de huidige situatie onbebouwd maar is het door omliggende bebouwing en groen structuren kleinschalig en besloten. Met het plan zullen de bestaande lijnelementen behouden blijven. Tevens worden er een lijnelement toegevoegd in de vorm van een wadistrook en worden een deel van de bestaande watergangen verbreed. Het plan doet gelet op het voorgaande geen afbreuk aan de gebiedskwaliteiten.
Het woningprogramma bestaat uit een mix aan woningtypen, waarvan ongeveer 38% in de sociale sector wordt uitgegeven. Een deel van de koopwoningen is goed geschikt voor starters en senioren. Een deel is explicitet levensloopbestendig. De woningen in het duurdere segment bevorderen de doorstroming in het dorp. De gemeente stelt als voorwaarde dat bij uitbreidingen de historische linten herkenbaar moeten blijven. Onderhavige ontwikkeling doet geen afbreuk aan de herkenbaarheid van de historische linten.
Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities uit de omgevingsvisie.
4.4.2 Woningprogramma 2020-2030
Met het woningprogramma voor de komende tien jaar wil de gemeente bijdragen aan waar Buren voor staat. Dat is aan een hechte samenleving waar mensen naar elkaar omkijken omdat ze dat willen; niet omdat dat moet. Waar de inwoners op basis van zeggenschap als vanzelfsprekend participeren en waar ook via de gebouwde omgeving zaken als eenzaamheid worden aangepakt. Waar de leefbaarheid van elke kern centraal staat met een passend voorzieningenniveau, verenigingsleven en ondernemerschap. En waar dorps en landelijk wonen dragers zijn van een bijzondere kwaliteit die naadloos aansluit bij de leefstijl van de inwoners en tegelijkertijd een onderscheidende en aanvullende kwaliteit biedt in de regio Rivierenland. Het woningprogramma 2020-2030 kent vier strategische pijlers:
- Meer diversiteit in de voorraad met behoud van de ‘dorpse’ kwaliteiten.
- Bouwen voor de jonge doelgroep.
- Bouwen voor de oudere doelgroep.
- Aandacht voor betaalbaarheid en vernieuwing van de sociale voorraad.
Vanuit de regionale afspraken is er voor Buren ruimte voor de realisatie van 800 tot 1.400 woningen tot 2030. We zetten in op een woningprogramma dat uitgaat van maximaal 1.400 nieuwe woningen voor de periode 2020-2030. In dit programma zijn 840 woningen noodzakelijk voor de autonome groei. De overige 560 woningen zijn bedoeld voor mensen van buiten de gemeente, waaronder terugkeerders, mensen die eerder in Buren woonden en om redenen van studie of werk de gemeente hebben verlaten en nu weer terug willen komen.
Het nieuwbouwprogramma gaat uit van het minimaal gelijk houden van het aandeel sociale huur in de voorraad en streeft naar een aandeel sociale huur in de nieuwbouwproductie. Hier is rekening mee gehouden.
Planspecifiek
Het voornemen 26 woningen mogelijk te maken past in de nog in te vullen ruimte. Zoals reeds omschreven in
paragraaf 3.2 kent het bouwplan de volgende woningtypen:
- 7 koopwoningen
- 9 starterswoningen (mix gereguleerde koop en sociale- of middenhuur)
- 10 sociale huurwoningen, waarvan 5 levensloopbestendig
Een deel van de ontwikkeling (50%) wordt uitgegeven als koopwoning, gericht op doorstroming van dorpsbewoners. De helft van de sociale huurwoningen is levensloopbestendig en is daarmee gericht op senioren. Uit de interviews met starters blijkt ook al dat een groot deel op zoek is naar een koopwoning en hier de voorkeur aan geeft. Het aanbod is daarmee in lijn met de ambitie voldoende bereikbare koop te realiseren.
Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in lijn is met de uitgangspunten van het Woningprogramma.
5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
5.1.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 26 woningen, wat gepaard gaat met een toename van het aantal verkeersbewegingen. In dit kader is een verkeersonderzoek uitgevoerd (Goudappel, 021165.20250615.N1.03, d.d. 8 oktober 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 3). In het verkeersonderzoek is gekeken naar de effecten van de beoogde ontwikkeling op de verkeersafwikkeling.
In
paragraaf 3.2 is de beoogde verkeersopzet reeds weergegeven. Er is één hoofdontsluiting beoogd, aan de oostzijde van het plangebied. Daarnaast is aan de noordzijde een ontsluiting voor voetgangers opgenomen. In navolgende tabel is de verkeersgeneratie ten gevolge van het beoogde programma berekend.
Berekening verkeersgeneratie (bron: Goudappel)
Zoals af te lezen in de tabel resulteert de beoogde situatie in een totale verkeersgeneratie van circa 141 motorvoertuigen per etmaal voor een gemiddelde werkdag. Deze intensiteit is uitgesplitst naar spitsuren, waarbij de ochtendspits 10 uitgaande bewegingen en de avondspits 10 inkomende bewegingen genereert. Een kruispuntberekening toont aan dat de verkeersintensiteiten tijdens spitsuren ruimschoots binnen de beschikbare capaciteit blijven. De gemiddelde wachttijden zijn laag en de restcapaciteit is hoog, wat wijst op een goede verkeersdoorstroming.
De Prinses Irenestraat zal in de toekomst binnen de 30 km/h zone komen te liggen. De verwachte intensiteit in 2035 bedraagt 1.511 motorvoertuigen per werkdagetmaal, wat ruim onder de verkeersveilige wegcapaciteit van 2.000 voertuigbewegingen ligt. De huidige weginrichting zonder fietspaden of voetpaden is vanuit Duurzaam Veilig beoordeeld. Er zijn geen veiligheidsknelpunten geïdentificeerd, mits de herinrichting aansluit op de functie als erftoegangsweg.
Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het initiatief.
5.1.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Parkeerbeleid 2024-2032 gemeente Buren
In 2022 is het gemeentelijk verkeer- en vervoerplan (GVVP) opgesteld voor de periode 2022-2032. Een van de vier pijlers is parkeren in de gemeente. In het uitvoeringsplan staat: “Om het parkeren op eigen terrein te stimuleren en voldoende parkeerplaatsen te voorzien bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen stellen we een parkeernota op. Daarin leggen we onder andere vast hoeveel parkeerplaatsen per functie nodig zijn in de gemeente Buren en dat parkeren zoveel mogelijk op eigen terrein moet worden opgelost.” Naar aanleiding hiervan heeft de gemeente het parkeerbeleid opgesteld (en op 17 december 2024 vastgesteld). In dit parkeerbeleid beschrijft de gemeente hoe ze de parkeerbehoefte van de doelgroepen faciliteert: in welke mate, op welk moment, op welke locatie. Denk bij doelgroepen onder andere aan bewoners, werknemers en bezoekers.
Basis voor de parkeernormering is de publicatie van het CROW ‘Toekomstbestendig parkeren van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381, december 2018). In deze publicatie zijn parkeercijfers opgenomen voor wonen, werken, winkelen, sport, cultuur en ontspanning, horeca en recreatie, gezondheidszorg, sociale voorzieningen en onderwijs. Deze CROW-richtlijn wordt landelijk gezien breed gedragen door gemeenten en projectontwikkelaars. Ook in de rechtspraak wordt deze publicatie vaak gebruikt. Daarnaast is door de gemeente gekozen voor de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in de stedelijke zone 'rest bebouwde kom'.
Planspecifiek
Er is onderzoek naar parkeren gedaan in de mobiliteitsstudie (Goudappel, 021165.20250615.N1.03, d.d. 8 oktober 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 3). In de navolgende tabel is de ongewogen parkeerbehoefte berekend.
Berekening ongewogen parkeerbehoefte (Goudappel)
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat er op het maatgevende moment (de werkdagavond) 36 parkeerplaatsen zijn vereist. Op eigen terrein zijn 33 parkeerplaatsen voorzien. Dit betekent dat er 3 parkeerplaatsen in de omgeving moeten worden opgelost. Uit een parkeerdrukmeting blijkt dat de parkeerbezetting na planrealisatie onder de 85% blijft.
Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een acceptabele parkeersituatie.
5.2 Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.
De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
Geitenhouderijen
Veehouderijen in de buurt van het plangebied kunnen van invloed zijn op de volksgezondheid en daarmee op een acceptabel woon- en leefklimaat. De GGD adviseert, op basis van de landelijke GGD/RIVM-richtlijn Veehouderij en Gezondheid (2020), om uit voorzorg tenminste 2 km afstand aan te houden tussen gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen, kinderopvang) en geitenhouderijen. In onderzoek bij omwonenden van geitenhouderijen is een verhoogd risico op longontsteking gevonden binnen deze afstand. Het risico is kleiner naarmate de afstand groter is. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van de dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Daardoor ontbreekt op het moment van schrijven een toetsingskader voor geitenhouderijen. Pas als de oorzaak wetenschappelijk is aangetoond kunnen er namelijk ook pas gerichte maatregelen volgen.
Planspecifiek
De beoogde woningen worden gasloos en op zijn minst volgens de duurzaamheidseisen uit het Bbl gebouwd (BENG). Er worden nieuwe bomen geplant, die tevens dienen om koelspots te creëeren. Het plan wordt ontworpen op basis van de 3-30-300-regel: vanuit elke woning zicht op minstens drie bomen, minimaal 30% kroonbedekking in de wijk, en op maximaal 300 m afstand tot kwalitatief groen. Tevens gaat water een belangrijke rol in het openbare deel van plangebied spelen, wat aan bod komt in
paragraaf 5.10. Op particulier niveau wordt het hergebruik van regenwater gestimuleerd door het plaatsen van regentonnen, zodat hemelwater kan worden benut voor het bewateren van planten en tuinen.
Het groen heeft een belangrijke rol in de openbare ruimte van deze buurt en zal beeldbepalend zijn. Dit draagt bij aan het terugdringen van hittestress, heeft een positief effect op de mentale gezondheid van bewoners en nodigt uit tot bewegen en 'buiten zijn'. Er komen voedselhagen en fruitbomen. Bewegen wordt gestimuleerd met goede wandel- en fietsverbindingen. De groene omgeving, nieuwe spelaanduiding en de ontmoetingsplek aanwezig in het plan zullen resulteren in algemene en gezonde, mentale welvaart.
Geitenhouderijen
Als een planlocatie op een afstand korter dan 2 km tot een geitenhouderij staat kan gezondheidsschade optreden. In Buren bevinden zich enkele geitenhouderijen. Op de navolgende afbeelding zijn de geitenhouderijen in relatie tot het plangebied weergegeven.
Zones rondom geitenhouderijen blauw omcirkeld, Rijswijk zwart omcirkeld
Uit voorgaande kaart valt op te maken dat het plangebied buiten de zones bij geitenhouderijen ligt. Er zijn hiervan dan ook geen gezondheidseffecten te verwachten.
Spuitzones
Ook de ligging in spuitzones kan negatieve gezondheidseffecten met zich meebrengen. Zoals aan bod komt in
paragraaf 5.4 ligt het plangebied buiten spuitzones en kunnen effecten hiervan uitgesloten worden.
Conclusies
Door de aandacht voor klimaat, duurzaamheid en groen en de ligging ver van functies die een gezondheidseffect kunnen hebben zijn de aspecten duurzaamheid en gezondheid voldoende in het plan geborgd.
5.3 Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
- woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
- onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
- gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
- gebouw voor kinderopvang met bedden;
- bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige gebouwen gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Planspecifiek
Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen zoals bedoeld in het Bkl. Er zal daarom beschouwd moeten worden wat de gevolgen zijn van de geluidproductie van omliggende geluidbronnen uit het Bkl.
Wegverkeerslawaai
Het plangebied is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van provinciale en gemeentelijke wegen. In dit kader is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (Alcedo, 25-11587.R03.V01, d.d. 17 juni 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit de rekenresultaten blijkt dat het geluid vanwege de gemeentewegen ten hoogste 54 dB bedraagt. Hiermee wordt niet aan de standaardwaarde maar wel aan de grenswaarde voldaan. De hoogste gemeten waarde ligt 1 dB hoger dan de standaardwaarde.
Aangezien sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde, moet de gemeente Buren afwegen in hoeverre dit aanvaardbaar is. Van belang daarbij zijn de volgende aspecten:
- De overschrijding is klein. Het betreft maximaal 1 dB.
- Het is naar verwachting stedenbouwkundig niet aanvaardbaar om langs de bepalende weg (N229 De Heuvel) een afscherming in de vorm van bijvoorbeeld een geluidscherm te plaatsen.
- Vervanging van het wegdek van De Heuvel (de maatgevende weg) door een stiller wegdektype is kostbaar in verhouding tot het kleine aantal woningen met overschrijdingen, en bovendien heeft de initiatiefnemer geen zeggenschap over de weg.
- Elke woning met een overschrijding heeft een geluidluwe zijde.
- De geluidwering van de gevels moet voldoen aan de criteria van het Bbl. Met een nader onderzoek zal moeten worden bepaald of en zo ja welke aanvullende gevelmaatregelen noodzakelijk zijn. Daarmee is een aanvaardbare geluidsituatie in de woningen gewaarborgd.
Aan de hand van deze argumenten kan de gemeente Buren afwegen dat de geluidsituatie aanvaardbaar is en dat geen verdere geluidmaatregelen nodig zijn. Om te borgen dat bij de kwaliteitsborging rekening wordt gehouden met voldoende geluidwering is het gezamenlijk geluid vastgelegd in de regels van voorliggend omgevingsplan. De gevelweringsmaatregelen zullen in het kader van de kwaliteitsborging nader uitgewerkt worden.
Railverkeerslawaai
In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Deze geluidsbron is dan ook niet relevant.
Geluidgezoneerde industrieterreinen
In en rondom Rijswijk bevinden zich geen geluidgezoneerde industrieterreinen. Wel is geluid van bedrijven relevant in het kader van 'activiteiten en milieuzonering'. Dit komt in
paragraaf 5.4 aan bod.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is in lijn met de geluidbepalingen van het Bkl. Wel zal bij de bouwtechnische uitwerking voor de geconstateerde overschrijdingen van de standaardwaarde een gevelweringsonderzoek uitgevoerd moeten worden om te bepalen welke maatregelen nodig zijn om een binnenniveau van 33 dB te garanderen.
5.4 Activiteiten en milieuzonering
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.
Zones, waarden en afstanden
Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.
Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.
Gebiedstypen
In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan.
Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. Hierdoor zijn er geen aanvullende planregels nodig die inwaartse zonering vormgeven, zoals die volgens deze handreiking wel gelden op een bedrijventerrein en andere werkterreinen. Het uitgangspunt in een gemengd gebied met wonen is dat hier alleen milieuhinderlijke activiteiten gevestigd worden, die naar aard en impact op de omgeving passend zijn. In de basis mag het gebruik niet leiden tot milieuhinder buiten de grens van de bedrijfslocatie, dan wel verder reiken dan de overzijde van de openbare weg waaraan de activiteit ligt. De standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan (en in eerste instantie de Bruidsschat) bieden de basis om activiteiten wat betreft hun milieugebruiksruimte evenwichtig aan locaties toe te kunnen delen.
Andere milieuthema’s dan geur en geluid
Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
- Luchtverontreiniging.
- Externe veiligheid en gevaar.
- Trillinghinder.
- Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
- Lichthinder.
- Spuitzones.
- De hinder door verkeer aantrekkende werking.
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling worden woningen gerealiseerd. Daarmee wordt voorzien in milieugevoelige functies. Er dient in beeld te worden gebracht of omliggende bedrijven als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsuitvoering en ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve worden navolgend de relevante omliggende bedrijfsactiviteiten beschouwd.
De planlocatie bevindt zich op afstand van enkele bedrijfsactiviteiten. Het gaat om de volgende bedrijfsactiviteiten en afstanden:
- Instituut voor durf en daadkracht. Voor persoonlijke dienstverlening geldt voor zowel geluid als geur 'functiemenging'. De planlocatie ligt op 150 m afstand van dit bedrijf. Nadere beschouwing is niet noodzakelijk.
- Kapsalon Annie. Voor kappersbedrijven en schoonheisinstituten geldt voor zowel geluid als geur 'functiemenging'. De planlocatie ligt op 130 m afstand van deze kapsalon. Nadere beschouwing is niet noodzakelijk.
- Martinuskerk. Voor kerkgebouwen geldt voor geluid positie 1, voor geur 'functiemenging'. De planlocatie ligt op 170 m afstand van de kerk. Nadere beschouwing is niet noodzakelijk.
- Kees & Ko Ltd. Voor detailhandel geldt voor zowel geluid als geur 'functiemenging'. De planlocatie ligt op 140 m afstand van deze antiekhandel. Nadere beschouwing is niet noodzakelijk.
- Kim van Os Fotografie. Voor persoonlijke dienstverlening geldt voor zowel geluid als geur 'functiemenging'. De planlocatie ligt op 190 m afstand van dit bedrijf. Nadere beschouwing is niet noodzakelijk.
- Stichting Verenigingsgsgebouw de Hoekenburg. Voor buurt- en clubhuizen geldt voor geluid positie 1, voor geur 'functiemenging'. De planlocatie ligt op 190 m afstand van dit gebouw. Nadere beschouwing is niet noodzakelijk.
- Voetbalvereniging SCR. Voor veldsportcomplexen geldt voor geluid positie 1, voor geur 'functiemenging'. Het plangebied valt deels binnen de geluid- en geurruimte van deze milieuhinderlijke activiteit. Dit dient beschouwd te worden.
Voetbalvereniging SCR
Het plangebied bevindt zich binnen de geluidruimte van de voetbalvereniging (50 dB op 50 m). Daarom is akoestisch onderzoek naar deze inrichting uitgevoerd (Alcedo, 25-11587.R01.V01, d.d. 23 juni 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 5). Uit het onderzoek blijkt dat tijdens de trainingsdagen, het onderhoud en de reguliere wedstrijddagen de grenswaarden volgens het Omgevingsplan en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden gerespecteerd.
Zeer incidenteel (hooguit 1 of 2 keer per jaar) is sprake van een wedstrijd in de avondperiode. Tijdens deze situatie leidt het gebruik van de scheidsrechtersfluit tot een overschrijding van de grenswaarde voor het maximale geluidniveau volgens het Bkl. De grenswaarde uit het omgevingsplan wordt niet overschreden omdat het omgevingsplan de beoordeling van dit type sportgeluiden uitsluit.
Aangezien een dergelijke situatie zeer incidenteel optreedt (hooguit 1 of 2 keer per jaar) is van structurele en regelmatig terugkerende hinder geen sprake. Daarmee is alsnog sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarom kan de gemeente Buren voor deze specifieke incidentele situatie worden verzocht om op grond van artikel 5.70 van het Bkl geen waarden te hanteren voor het maximale geluidniveau van de scheidsrechtersfluit.
Naast geluidsoverlast kan een veldsportcomplex ook lichthinder veroorzaken. Het plangebied ligt op minder dan 50 m van de lichtmasten bij het noordelijke veld van voetbalvereniging SCR. Gelet op deze beperkte afstand is lichthinder niet uit te sluiten. In dit kader is een onderzoek naar lichthinder uitgevoerd (Alcedo, 25-11587.R02.V01, d.d. 22 mei 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 6). Uit het onderzoek blijkt dat tijdens een trainingsavond sprake is van geringe overschrijdingen van de richtwaarden op twee meetpunten. Van belang is dat de overschrijding slechts op één avond in de week, gedurende 1,5 uur optreedt en alleen wanneer het daglicht onvoldoende is. De overschrijding is bovendien relatief gering. Het bevoegd gezag, gemeente Buren, kan overwegen dat deze situatie alsnog aanvaardbaar is. Indien dat niet het geval is, ligt het voor de hand om de (verouderde) armaturen langs de oost- en zuidzijde van het trainingsveld te vervangen door moderne en beter te richten led-armaturen.
Bij gelijktijdig gebruik van de lichtmasten langs het trainingsveld en het wedstrijdveld is sprake van forse overschrijdingen van de richtwaarden. De overschrijdingen worden vrijwel geheel veroorzaakt door de lichtmasten langs het wedstrijdveld. Van belang is dat de overschrijding slechts incidenteel (1 of 2 avonden per jaar gedurende enkele uren) optreedt en alleen wanneer het daglicht onvoldoende is. Vanwege dit incidentele karakter kan de gemeente Buren overwegen dat deze situatie aanvaardbaar is.
Perceel Middelweg 1 - spuitzone
Naast geluid en geur kunnen bedrijfsactiviteiten ook andere milieuthema's met zich meebrengen. Bij agrarische activiteiten, hoofdzakelijk bij fruitteelt, speelt het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen (bestrijdingsmiddelen) een belangrijke rol. De uit jurisprudentie gegroeide vuistregel is dat schade aan de gezondheid binnen 50 m van de dichtstbijzijnde bomenrij, de zogenaamde spuitzone, niet uit te sluiten is. Woningen zijn binnen deze spuitzone dan ook niet toegestaan. Het perceel ten westen van het plangebied, met het adres Middelweg 1, heeft gedeeltelijk de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied'. Dat betekent dat hier gewassen geteeld mogen worden en hierbij gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Omdat het plangebied zich binnen de (theoretische) spuitzone van dit perceel bevindt is hiervoor naar een oplossing gezocht. Om te borgen dat er op het perceel geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast is dit in dit deel van het omgevingsplan uitgesloten middels een aanduiding, zoals te zien is op navolgende uitsnede van de verbeelding.

Uitsnede verbeelding TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Rijswijk, Rijswijk Zuid
Conclusie
Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de milieubelastende activiteiten in de omgeving van de beoogde ontwikkeling geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vormen. Daarnaast worden de activiteiten niet beperkt in hun mogelijkheden.
5.5 Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
- Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
- Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek
De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee zijn er in het kader van het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van receptor wegverkeer 30279669_16059240 ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2022 van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5) en (PM10) in het plangebied bedragen respectievelijk gemiddeld 10,2 μg/m³, 8,3 μg/m³ en 14,9 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal).
Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek
Archeologie
Op 30 januari 2024 heeft de gemeenteraad van de gemeente Buren het Paraplubestemmingsplan archeologie Gemeente Buren 2023 vastgesteld. In dit parapluplan zijn de archeologische verwachtingen voor de gehele gemeente vastgelegd. Het plangebied heeft in dit parapluplan de waarde 'Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2'. Omdat de vrijstellingsgrenzen van deze bepaling (bodemingrepen tot een diepte van 30 cm -Mv over een oppervlakte van 100 m²) overschreden worden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bureau voor Archeologie, 2214-6687, d.d. 13 juni 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 7). Uit dit onderzoek bleek in eerste instantie dat de archeologische verwachting in het plangebied laag is. Echter is door de Omgevingsdienst Rivierenland aangegeven dat een crevasse-complex zich lastig laat onderzoeken door middel van booronderzoek. Voor een grondig onderzoek op een dergelijke locatie met een hoog dynamisch milieu zijn in het Rivierengebied veel meer grondboringen nodig om een gefundeerd beeld te krijgen van de aan- of aanweizgheid van archeologische resten. In overleg met ODR is bepaald dat er een archeologisch proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd. Tot de resultaten van dit onderzoek beschikbaar zijn blijft de dubbelbestemming het paraplubestemmingsplan archeologie gehandhaafd.
Cultuurhistorie
Rijswijk is ontstaan als een langgerekt dijkdorp aan de Rijnbandijk, met zowel binnen- als buitendijks enige oude bebouwing, zoals de rijksmonumenten Martinuskerk (binnendijks) en windkorenmolen De Hoop (buitendijks). De protestantse kerk vormt de eigenlijke kern van het dorp en staat aan een zone haaks op de dijk, waarlangs zich ook diverse monumentale woningen en boerderijen bevinden. Rondom het plangebied bevindt zich enkel bebouwing uit een latere periode. In het plangebied bevindt zich geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Daarnaast zijn er ook geen waardevolle landschapsstructuren herkenbaar.
Geconcludeerd kan worden dat het plan geen afbreuk doet aan cultuurhistorische waarden.
5.7 Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
- Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
- Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
Planspecifiek
Het beoogde woongebruik heeft een strenger beschermingsregime dan het voormalige agrarische gebruik. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (SGS Search Ingenieursbureau, 2.25.00100, d.d. 30 april 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 8). Uit de resultaten van dit onderzoek is gebleken dat de boven- en ondergrond over het algemeen kunnen worden gekwalificeerd als klasse Landbouw/natuur. Signaleringsparameters worden niet overschreden. Er kan geconcludeerd worden dat er geen milieuhygiënische belemmeringen worden verwacht door de voorgenomen ontwikkeling ten behoeve van woningbouw. Verdere maatregelen met betrekking tot de bodemkwaliteit worden dan ook niet noodzakelijk geacht.
5.8 Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties.
Kwetsbare gebouwen en locaties
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage VI van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties.
Risicobronnen
Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden.
Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeeldingen tonen een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving)
Aandachtsgebieden in relatie tot het plan
Het plangebied ligt in het gifwolkaandachtsgebied en deels in het explosieaandachtsgebied van watervervoer over het Amsterdam-Rijnkanaal, gelegen op minimaal 100 m afstand. Dit wordt navolgend beschouwd.
Gifwolk
Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten uit meerdere richtingen. Daarnaast is het plangebied in verschillende richtingen te ontvluchten, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.
Ontvluchtingsmogelijkheden plangebied
Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in het gebouw te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. In dat geval kan de mechanische ventilatie uitgeschakeld worden. Conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is het kunnen uitschakelen van een mechanisch ventilatiesysteem verplicht. Daarmee kan de instroom van toxische gassen voorkomen worden en kan er veilig in de woning worden geschuild ten tijde van een gifwolkscenario.
Bij een ongeval met toxische gassen of vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk en eventuele brand neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn.
Explosie
Het plangebied ligt aan de rand van het explosieaandachtsgebied van het Amsterdam-Rijnkanaal. Zoals te zien op de eerder weergegeven uitsnede van de aandachtsgebieden liggen de bebo's en de helft van een blokje grondgebonden woningen binnen het aandachtsgebied. Een andere situering van de blokken is verkend, maar vanuit de aspecten stedenbouw, landschap en verkeer was de gekozen planopzet het meest optimaal. Ondanks dat het plan aan de rand van het aandachtsgebied ligt zijn effecten niet uit te sluiten, ook al is de kans op een incident klein. Conform artikel 5.15 van het Bkl dient, indien er (beperkt) kwetsbare groepen binnen het aandachtsgebied gerealiseerd worden, gewaarborgd te zijn dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen. Zoals eerder in deze paragraaf aan bod is gekomen is het plangebied in twee richtingen, van de bron af, te ontvluchten. De blokken die binnen het aandachtsgebied vallen worden verhuurd door een sociale woningcorporatie. Een goede risicocommunicatie is dan ook goed te organiseren.
Verder dient meegewogen te worden dat tussen de risicobron (het kanaal) en het plangebied een dichte bosschage aanwezig is, wat een bufferende werking heeft. Bovendien ligt het plangebied lager dan het kanaal en de tussenliggende dijk, waardoor een drukgolf deels over de woning heen gaat. Op de navolgende afbeeldingen is het voorgaande weergegeven.
Buffer van bomen
Lagere ligging plangebied
Conclusie
Ondanks de ligging in aandachtsgebieden is middels maatregelen de veiligheid van toekomstige bewoners voldoende gewaarborgd.
5.9 Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.
In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
- aanwezige dier- en plantensoorten;
- typen natuurlijke habitats;
- leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.
Soortenbescherming
Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
- strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
- andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Houtopstanden
Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek
Het plangebied is een weide met gevarieerde begroeiing, enkele greppels en watergangen. De beoogde ingrepen hebben mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Er is ecologisch onderzoek verricht om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van ruimtelijke ingreep daarop in beeld te brengen (Blom Ecologie, 2025-0427, d.d. 6 juni 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 2). Navolgend worden de conclusies beschouwd.
Soortenbescherming
Met de quickscan natuur kon de aanwezigheid van beschermde soorten, behoudens kleine marterachtigen, uitgesloten worden. Er is daarom nog aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen uitgevoerd (Buro Biotoop, 25045-001, d.d. 26 september 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 9). Bij dit onderzoek zijn geen kleine marterachtigen geconstateerd, waarmee negatieve effecten op deze soorten uitgesloten kunnen worden.
Verder dienen er enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Deze maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 4.4 van de quickscan natuur.
Gebiedsbescherming
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit per Omgevingswet en provinciale omgevingsverordening aangewezen beschermde gebieden. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Daarnaast maakt het geen onderdeel uit van Weidevogelgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Het ganzenrustgebied is aan bod gekomen in
paragraaf 4.2.2. Op een afstand van circa 315 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 390 m ligt het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Voor het Natura 2000-gebied kan van een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring, etc) gesteld worden dat de afstand voldoende is om deze effecten uit te sluiten. Een toename van de stikstofdepositie is echter niet uit te sluiten. Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient daarom rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. In dat kader is een stikstofberekening met de AERIUS Calculator uitgevoerd (Hedgehog Company, 2025.029, d.d. 9 oktober 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 10). Uit de berekening volgt dat er voor de aanleg- en gebruikfase geen sprake van resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de omliggende Natura 2000-gebieden zijn. Met het oog op de bepalingen omtrent Natura 2000-gebieden uit de Omgevingswet en AMvB’s is dan ook geen vergunning benodigd.
Houtopstanden
Uit het ecologisch onderzoek is gebleken dat de beoogde ruimtelijke ingreep niet leidt tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent houtopstanden.
Conclusie
Het plan is in het kader van de natuurregelgeving uitvoerbaar; er is geen vergunning voor een flora en fauna- en/of Natura 2000-activiteit vereist.
5.10 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Beleid
De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
Nationaal Waterprogramma
Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland
De Waterschapsverordening van waterschap Rivierenland regelt het beheer van water en waterhuishouding in het beheergebied van Waterschap Rivierenland. De verordening bevat bepalingen over waterkwaliteit, waterkwantiteit, en de bescherming van de waterhuishouding. Belangrijke onderwerpen zijn onder andere:
- Waterbeheer: Richtlijnen voor het beheer van oppervlaktewater en grondwater, inclusief maatregelen om wateroverlast en droogte te voorkomen.
- Waterkwaliteit: Normen en eisen voor de kwaliteit van het water, met aandacht voor vervuiling en ecologische gezondheid van waterlichamen.
- Vergunningen: Procedures voor het aanvragen van vergunningen voor activiteiten die invloed hebben op water, zoals bouwprojecten en lozingen.
- Beheer van watergangen: Regels voor het onderhoud en de inrichting van sloten, kanalen en andere watergangen.
- Samenwerking: Afspraken over samenwerking met andere overheden en belanghebbenden in het waterbeheer.
De verordening is bedoeld om een duurzaam en veilig watersysteem te waarborgen, rekening houdend met de belangen van zowel de natuur als de inwoners van het gebied.
Planspecifiek
Bij onderhavig initiatief is sprake van de herontwikkeling van gronden. Dit kan gevolgen hebben voor het watersysteem. De weging van de waterbelangen heeft plaatsgevonden (BOOT, P25-0293, d.d. 8 oktober 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 11). Navolgend worden de conclusies beschouwd.
Wateropgave
Vanuit het waterschap Rivierenland geldt dat over de toename van verhard oppervlak berging gerealiseerd dient te worden. Vanuit de gemeente Buren worden geen eisen gesteld. Op basis van de benodigde berging dient afhankelijk van het type waterberging 158,1 m³ tot 240,8 m³ berging binnen het plangebied gerealiseerd te worden.
De waterberging wordt gerealiseerd door het graven van een centrale wadi, wadi strook aan de oostzijde van het plangebied en het verbreden van het oppervlaktewater. In totaal leidt dit tot een compensatie van 3.637 m². Hiermee wordt het toenemend verharde oppervlak voldoende gecompenseerd.
Overige wateraspecten
Vanuit de overige wateraspecten, namelijk wijze van afwatering, beheer en onderhoud, meekoppelkansen, waterkwaliteit, grondwater en peilen, vuilwater, oppervlaktewater en waterveiligheid komen diverse uitgangspunten en randvoorwaarden voor het ontwerp voort. Deze uitgangspunten worden meegenomen in de verdere uitwerking van het initiatief en verder afgestemd met waterschap Rivierenland.
Conclusie
Voor een goede werking van het watersysteem zijn diverse maatregelen vereist die in het plan opgenomen dienen te worden.
5.11 Ontplofbare Oorlogsresten
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks Ontplofbare Oorlogsresten (hierna: OO) gevonden. Onder OO wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden OO ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen.
Planspecifiek
Er is een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd (Expload, P09117, d.d. 11 juli 2025, zie
bijlagen bij toelichting bijlage 12). Uit het oriënterend onderzoek blijkt dat er geen indicaties zijn van oorlogshandelingen binnen of in directe omgeving van het onderzoeksgebied. Expload adviseert dan ook om geen nader onderzoek te doen. Ondanks het ontbreken van indicaties zijn toevalsvondsten niet uit te sluiten. Bij het aantreffen van een toevalsvondst, moet het werk direct worden stilgelegd en moeten de volgende acties worden ondernomen:
- Raak het explosief niet aan;
- Staak de werkzaamheden onmiddellijk;
- Houd omstanders uit de omgeving van het explosief;
- Stel de plaatselijke politie van de vondst op de hoogte;
- Volg instructies van aanwezige deskundigen strikt op;
- Neem indien nodig en op aanwijzing van aanwezige deskundigen extra beschermende maatregelen.
5.12 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
- Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
- Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.
Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:
- de kenmerken van het project
- de plaats van het project
- de kenmerken van de potentiële effecten
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van 26 woningen. Daarmee is onderhavig plan aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt:
Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen:
- die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
- waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. In het plangebied vinden diverse ingrepen plaats in het kader van de ontwikkeling. Allereerst wordt een watergang gedempt en worden de gronden bouwrijp gemaakt. Vervolgens kan de nieuwbouw gerealiseerd worden. Dit wordt navolgend nader in beeld gebracht.
Kenmerken van het project
In het plangebied worden 26 woningen gerealiseerd met bijbehorende voorzieningen. De woningen gaan voldoen aan de hedendaagse standaarden op het geibed van techniek en duurzaamheid. De ontsluiting van de beoogde woningen bevindt zich centraal in het plangebied en wordt aangesloten op de Prinses Irenestraat. In de huidige situatie is het terrein vrijwel volledig onverhard. In de toekomstige situatie neemt de oppervlakte aan verhard oppervlak dan ook significant toe. Om een goede werking van het watersysteem te borgen, wordt een wadi gerealiseerd, wordt het oppervlaktewater verbreed en zullen de woningen het hemelwater afvoeren op de waterbergende voorzieningen en het oppervlaktewater. Voor de afvoer van afvalwater worden de woningen aangesloten op het bestaande rioolsysteem.
Plaats van het project
Het plangebied betreft een onbebouwd gebied aan de rand van Rijswijk. Het plangebied bevindt zich niet in beschermd natuurgebied, maar wel in de nabijheid van natuurgebieden. De werkzaamheden hebben geen gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater. Ook zijn er in het plangebied geen bijzondere natuurlijke hulpbronnen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling. Het plangebied bevindt zich niet in beschermde natuurgebieden of in een gebied waar milieunormen worden overschreden. Verder bevindt het zich niet in een gebied van historische en culturele waarde.
Kenmerken van de potentiële effecten
De effecten van het project zijn lokaal van aard. In het kader van de onderhavige wijziging van het omgevingsplan zijn verschillende milieuaspecten onderzocht. Navolgend worden ook de milieueffecten van het project, onder andere aan de hand van de onderzoeken die in het kader van de planologische procedure zijn uitgevoerd, voor de betreffende aspecten beschouwd:
- Afval. Als gevolg van de ingebruikname van de nieuwe woningen zal er een toename van de productie van afvalstoffen ontstaan. Deze afvalstoffen bestaan uit regulier huisvuil. Dit afval zal op de in de gemeente gebruikelijke manier worden aangeboden en opgehaald.
- Bodem. Regulier woongebruik brengt geen risico op bodemverontreiniging met zich mee. Bij de aanlegfase wordt niet gewerkt met stoffen die kunnen leiden tot bodemverontreiniging. Bij de graafwerkzaamheden wordt voor het aanleggen van de beoogde situatie gegraven. De uitkomende grond wordt hergebruikt op het terrein. Er zijn voor het aspect bodem geen milieueffecten te verwachten.
- Geluid. Woningen zijn geen geluidbronnen als bedoeld in het Bkl. Daarnaast leidt regulier woongebruik niet tot structurele geluidoverlast voor omwonenden. Wel kunnen omwonenden hinder ondervinden door de geluidsproductie tijdens de aanlegfase. De geluidproductie zal tijdens de gehele aanlegfase variëren in intensiteit en veelal doordeweeks tijdens werktijden plaatsvinden. Doordat de werkzaamheden niet 's nachts plaatsvinden zijn gevolgen voor de gezondheid (door verstoring van slaap) uit te sluiten. Bovendien zijn de werkzaamheden van tijdelijke aard. Er zijn vanuit het aspect geluid geen ernstige milieueffecten te verwachten.
- Verkeer. Een belangrijk gevolg van de ingebruikname van de nieuwe woningen is de bijkomende verkeersgeneratie. Uit de mobiliteitsstudie van Goudappel blijkt dat de toename van het verkeer niet leidt tot knelpunten of een onveilige verkeerssituatie.
- Luchtkwaliteit. Het verkeer dat op gang komt door de realisatie van de woningen draagt niet in betekende mate bij aan een eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit. Door het gebruik van modern materieel zijn ook de effecten voor de luchtkwaliteit tijdens de aanlegfase beperkt. Er kan geconcludeerd worden dat er voor het aspect luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige milieueffecten zijn.
- Stikstof. Om het effect van de bij het project vrijkomende stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden in beeld te brengen is een berekening uitgevoerd met de AERIUS Calculator. In deze berekening zijn zowel de aanleg- als gebruiksfase gemodelleerd. Hieruit zijn geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j gebleken. Daarmee heeft het plan geen significant effect op stikstofgevoelige habitattypen.
- Externe veiligheid. De stoffen en technologieën die toegepast worden bij de aanlegwerkzaamheden brengen geen verhoogd risico op ongevallen, anders dan de gebruikelijke risico’s bij bouwwerkzaamheden, met zich mee. Het project heeft geen betrekking op het mogelijk maken van een risicovolle inrichting. In het plangebied zijn geen gevaarlijke inrichtingen, transportroutes of buisleidingen voorzien.
- Water. Om een goede werking van het watersysteem te borgen worden diverse maatregelen ten aanzien van afvoer van hemel- en vuilwater getroffen. Het gescheiden afvoeren van hemelwater zorgt voor een minder grote belasting van de riolering en draagt bij aan een duurzaam waterbeheer. Verder worden geen ingrepen uitgevoerd die een negatief effect op waterkeringen kunnen sorteren.
- Ecologie. Om de effecten op beschermde soorten en gebieden in beeld te brengen is een quickscan natuur uitgevoerd. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten, behoudens kleine marterachtigen. Voor deze soortgroep wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd.
- Archeologie. Uit een archeologisch bureau- en booronderzoek blijkt dat het plangebied beschikt een lage archeologische verwachting heeft. Schade aan archeologische waarden kan dan ook uitgesloten worden.
- Cultuurhistorie. Het plan doet geen afbreuk aan cultuurhistorie elementen.
Conclusie
Omdat uit de beschouwing van de kenmerken van de effecten blijkt dat de mogelijke milieueffecten beperkt zijn wordt geconcludeerd dat er geen m.e.r. behoeft te worden opgesteld en volstaan kan worden met een project-mer-beoordeling die wordt ingevuld middels de voorliggende paragraaf. Dit geeft in voldoende mate inzicht in de milieueffecten om deze volwaardig mee te kunnen wegen in het nog te nemen besluit.
6.1 Algemeen
Voor onderhavig plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.
Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
6.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
6.3 Planregels
Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.
In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende werkingsgebieden op alfabetische volgorde. Dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
- toepassingsbereik;
- functieomschrijving;
- beoordelingsregels bouwactiviteiten;
- beoordelingsregels gebruiksactiviteiten;
- omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
6.4 Toelichting op functies en locaties
De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Buren. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden.
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. De begrippen die reeds opgenomen zijn in Bijlage I van het omgevingsplan van de gemeente Buren en in de Omgevingswet en AMvB's zijn hierin niet meegenomen.
Artikel 2 Toepassingsbereik
Dit artikel regelt het toepassingsbereik van onderhavig TAM-omgevingsplan.
Artikel 3 Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de gebruikelijke meetbepalingen in de gemeente Buren. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Artikel 4 Aanvraagvereisten
In dit artikel wordt beschreven welke aanvraagvereisten van toepassing zijn bij een aanvraag omgevingsvergunning.
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
Met dit artikel wordt al het gebruik anders dan wat onderhavig TAM-omgevingsplan mogelijk maakt uitgesloten.
Hoofdstuk 2: Functies en activiteiten
Artikel 6 Agrarisch
Om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (bestrijdingsmiddelen) uit te kunnen sluiten zijn de ten westen van de projectlocatie gelegen gronden meegenomen in onderhavige wijziging omgevingsplan. De mogelijkheden uit het bestemmingsplan Kernen Buren zijn 1-op-1 overgenomen.
Artikel 7 Groen
De functie 'Groen' is toegekend aan de groenvoorzieningen in het plangebied. Een belangrijk deel hiervan zijn de taluds rondom de watergangen. Tevens is de functie 'Groen' toegekend aan de waterbergingsvoorzieningen, in dit geval wadi's, die in het plan zijn opgenomen. Naast groen en waterberging zijn speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en voet- en fietspaden mogelijk. Binnen de functie 'Groen' mogen geen gebouwen worden gebouwd, maar wel bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
Artikel 8 Verkeer
De functie 'Verkeer' is toegekend aan de beoogde wegen, parkeervoorzieningen en enkele overige delen van het openbaar gebied. In de functie ‘Verkeer’ mogen uitsluitend nutsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd.
Artikel 9 Water
De watergang langs de west- en zuidzijde van het plangebied is voorzien van de functie 'Water'. Naast watervoorzieningen zijn binnen deze functie bruggen en/of waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk te maken. Verder zijn binnen deze functie groenvoorzieningen (taluds), oevers en oeverbeschoeiing toegestaan.
Artikel 10 Wonen
De beoogde woningen in het plangebied zijn voorzien van de functie ‘Wonen’. Om de locatie van de woningen vast te leggen is een bouwvlak opgenomen. In de bouwvlakken is aangegeven hoeveel woningen er zijn toegestaan en van welk type deze mogen zijn. Per woningtype zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van bouw- en goothoogte.
Verder is de functie 'Wonen' toegekend aan enkele gronden aan de noordzijde van het plangebied die overgedragen worden aan de woonpercelen die hierop aansluiten.
Een bescheiden bedrijf of beroep aan huis, dat minder dan 40% van de woning in beslag neemt, is toegestaan. Hierbij wordt gedacht aan een kleine schoonheidssalon, een fysiotherapeut, een eenmansadviesbureau e.d. Daarnaast is het mogelijk binnen de functie Wonen een webwinkel uit te oefenen.
Verder is in de regels de maximaal toelaatbare omvang van de bijgebouwen vastgelegd op 75 m². De mogelijkheid tot het realiseren van bijgebouwen op kleine percelen is dientengevolge beperkt. Voor percelen met een groot bouwvlak biedt de regeling vrijheid om de bijgebouwen binnen het bouwvlak te plaatsen. Verder is voor de beoogde bijgebouwen centraal in het 'hofje' een aanduiding opgenomen.
Artikel 11 Leiding - Riool
Ter bescherming van de ten noorden van het plangebied gelegen riolering is deze functie opgenomen. Hiermee worden werkzaamheden en bouwwerken in deze zone vergunningsplichtig gemaakt.
Artikel 12 Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2
Ten behoeve van het plan is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Echter kon dit onderzoek onvoldoende uitsluitsel geven over de aan- of afwezigheid van archeologische resten. Daarom is de functie 'Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2' uit het 'Paraplubestemmingsplan archeologie Gemeente Buren 2023' gehandhaafd.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Artikel 13 Antidubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Artikel 14 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen
In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze bepalingen hebben betrekking op het realiseren van voldoende parkeerplaatsen, overschrijden van bouwgrenzen en het realiseren van nutsvoorzieningen.
Artikel 15 Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn algemene aanduidingen opgenomen. In dit plan is de algemene aanduiding voor de buitenbeschermingszone van de waterkering opgenomen en is, om toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op de ten westen gelegen gronden uit te sluiten, de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' opgenomen. Het telen van gewassen blijft hier overigens toegestaan.
Hoofdstuk 4: Overgangsregels
Artikel 16 Overgangsrecht
In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik.
7 Financiële haalbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De bevoegde overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal, een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek
De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
8 Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 26 woningen. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met het beleid. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen belemmeringen voort. Wel dient nader onderzoek naar beschermde soorten (kleine marterachtigen). Daarnaast wordt de ontwikkeling stedenbouwkundig en (geo)hydrologisch zorgvuldig ingepast. Alle aspecten afwegende kan de toedeling van de beoogde functies aan de locatie als evenwichtig worden beoordeeld.