Regels
Dit TAM-omgevingsplan Rijswijk Zuid is als een nieuw hoofdstuk 22i opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Buren. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening
www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
In de artikelkop van de in dit hoofdstuk 22i weergegeven artikelen moet na het woord 'artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22i.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22i.’ gelezen worden.
Artikel 1 Begripsbepalingen
Voor dit omgevingsplan gelden ook de begripsbepalingen uit bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Omgevingsbesluit en bijlage I van de Omgevingsregeling. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit deel de volgende begripsbepalingen:
1.1 plan:
het omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Rijswijk, Rijswijk Zuid' met identificatienummer NL.IMRO.0214.RIJRijswijkZD-OVA1 van de Gemeente Buren met de daarbij behorende geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.
1.2 aan huis verbonden bedrijf:
een bedrijf, gericht op het verlenen van diensten en/of het uitoefenen van (ambachtelijke) bedrijvigheid, met ondergeschikte detailhandel ten dienste van het aan huis verbonden bedrijf, dat uitsluitend door de bewoner(s) van de woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.3 aan huis verbonden beroep:
een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerptechnisch, kunstzinnig, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, als ook ondergeschikte detailhandel ten dienste van het dienstverlenend beroep, dat uitsluitend door de bewoner(s) van de woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
1.4 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee locaties zijn aangeduid, waar volgens de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze locaties.
1.5 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.6 aaneengebouwde woning:
een hoofdgebouw onderdeel uitmakend van een bouwmassa, die bestaat uit drie of meer aaneengebouwde hoofdgebouwen.
1.7 agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
1.8 ambachtelijk bedrijf:
een bedrijf, gericht op het uitoefenen van een ambacht, zijnde het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen en het installeren van goederen.
1.9 archeologisch deskundige:
de regioarcheoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.
1.10 archeologisch onderzoek:
onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg verricht door een BRL SIKB 4000 Archeologie gecertificeerde dienst, bedrijf of instelling en minimaal werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
1.11 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de studie naar in de bodem voorkomende sporen en relicten uit het verleden.
1.12 bebouwd oppervlak:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen.
1.13 bebouwingspercentage:
het percentage van de oppervlakte van een bouwperceel, binnen de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, dat mag worden bebouwd.
1.14 bed en breakfast:
een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor logies met ontbijt bedoeld voor kortstondig, wisselend recreatief of zakelijk verblijf.
1.15 bestaand:
- bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan legaal aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden volgens een omgevingsvergunning;
- bij gebruik: het legale gebruik van grond en bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan, dan wel toegestaan volgens een omgevingsvergunning.
1.16 bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.
1.17 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
1.18 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd.
1.19 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien twee bouwpercelen met de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel.
1.20 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel.
1.21 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee locaties zijn aangeduid, waar volgens de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.22 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
Een internetwinkel of webwinkel wordt alleen als detailhandel aangemerkt als de mogelijkheid bestaat ter plaatse producten te bekijken en/of af te halen.
1.23 eerste bouwlaag:
de bouwlaag op de begane grond.
1.24 erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het omgevingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbiedt.
1.25 extensief dagrecreatief medegebruik:
een aan de bestemming ondergeschikt gebruik voor dagrecreatie gericht op het rustig beleven en gebruikmaken van aanwezige specifieke omgevingskwaliteiten in de vorm van wandelen, fietsen, varen, vissen e.d.
1.26 gestapelde woning:
een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat, waarbij iedere woning, al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau, zelfstandig toegankelijk is.
1.27 grondgebonden agrarische productie:
de agrarische productie, waarbij het voortbrengen van producten afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop de productie plaatsvindt en waarbij het voortbrengen van producten in hoofdzaak plaatsvindt in de volle grond en de openlucht.
1.28 halfvrijstaande woning:
een twee-onder-één-kap-woning.
1.29 hoofdverblijf:
de verblijfplaats die feitelijk het centrum vormt van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene. Van een hoofdverblijf is in ieder geval sprake indien een persoon gedurende een aaneengesloten periode van een half jaar tenminste 2/3 van die tijd daar verblijft.
1.30 huishouden:
elke bewoning van één of meer personen waarbij, voor zover het gaat om meer personen, de intentie bestaat de samenstelling continu te laten zijn en er sprake is van onderlinge verbondenheid.
1.31 huisvesting in verband met mantelzorg:
huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.
1.32 kampeermiddel:
niet als een bouwwerk aan te merken tent, vouwwagen, kampeerauto, caravan of hiermee gelijk te stellen onderkomen, dat bestemd is voor recreatief verblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.
1.33 nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.34 onderzoeksrapport:
een in rapportvorm vervat schriftelijk verslag van een volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen verricht archeologisch onderzoek op basis waarvan een conclusie kan worden getrokken over de aan- of afwezigheid van archeologische waarden.
1.35 peil:
- voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
- in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld.
1.36 perceel:
een aaneengesloten stuk grond met een bepaald doel of eigendom.
1.37 perceelsgrens:
de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door éénzelfde gebruiker worden benut.
1.38 permanente bewoning:
het gebruiken van een onderkomen als hoofdverblijf.
1.39 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden en waaronder in elk geval wordt verstaan een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.40 streekproducten:
producten die zijn voortgebracht op (agrarische) bedrijven gelegen in de gemeente Buren of in direct aangrenzende gemeenten.
1.41 voorgevel:
de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.
1.42 voorgevelrooilijn:
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen en het verlengde daarvan.
1.43 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie, en waterkwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, et cetera.
1.44 webwinkel:
het hobbymatig of bedrijfsmatig verkopen van goederen of aanbieden van diensten via internet, waarbij deze elders worden bezorgd of geleverd.
1.45 woning:
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
Artikel 2 Toepassingsbereik
2.1
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie als bedoeld in het derde lid.
2.2
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk.
2.3
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Rijswijk, Rijswijk Zuid, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0214.RIJRijswijkZD-OVA1.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit deel in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.9.
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten.
3.1 afstand:
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot (bouw)perceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.
3.2 bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
3.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk:
afstand tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of het de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.
3.4 goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
3.5 inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
3.6 oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
3.7 oppervlakte van een overkapping:
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
3.8 peil:
voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst:
- de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
in andere gevallen:
- de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld.
3.9 ondergeschikte bouwdelen:
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- of functiegrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
Artikel 4 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden om locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.
2 Functies en activiteiten
Artikel 6 Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied
6.1 Functieomschrijving
- grondgebonden agrarische productie;
- het weiden van dieren;
- instandhouding, herstel en ontwikkeling van landschappelijke- en natuurwaarden;
- extensief dagrecreatief medegebruik;
met de daarbij behorende:
- wegen en paden;
- parkeervoorzieningen;
- watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- (erf)beplanting;
- nutsvoorzieningen.
6.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 meter, waarbij:
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 1 meter mag bedragen;
- de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen niet meer dan 6 meter mag bedragen;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer dan 2,5 meter bedragen, waarbij de oppervlakte per bouwwerk niet meer dan 10 m² mag bedragen.
6.3 Specifieke gebruiksregels
- een gebruik als volkstuin;
- een gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie;
- de opslag van mest en kuilvoer;
- de opslag van goederen en materieel in de openlucht;
- een gebruik voor de verwerking van agrarische producten;
- een gebruik voor detailhandel in streekproducten;
- de plaatsing van kampeermiddelen.
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
- storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen;
- het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, voor zover het een werk met een grotere oppervlakte dan 100 m² betreft;
- het dempen, graven, verbreden, verdiepen van waterpartijen, sloten en watergangen;
- het vellen of rooien van houtgewas, met uitzondering van het vellen of rooien van fruitbomen;
- het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voor zover het niet betreft wegen en paden ten behoeve van het normale agrarische gebruik;
Het verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden die:
- het normale onderhoud betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de functie;
Een omgevingsvergunning wordt pas verleend als door de beoogde werken of werkzaamheden de landschappelijke waarden en de natuurwaarden of de mogelijkheden tot herstel of ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.
7.1 Functieomschrijving
De als '
Groen' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
- groenvoorzieningen;
met daarbij behorende:
- in- en uitritten;
- nutsvoorzieningen;
- speelvoorzieningen;
- voet- en fietspaden;
- watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.2.1 Gebouwen
- Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 meter;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 4 meter.
8.1 Functieomschrijving
De als '
Verkeer' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
- wegen, voet- en fietspaden, met bermen;
- straatmeubilair;
- parkeervoorzieningen;
- groenvoorzieningen;
- water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- kunstwerken;
- nutsvoorzieningen;
- objecten van beeldende kunst;
- standplaatsen;
- terrassen;
- evenementen.
8.2.1 Gebouwen
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 meter.
9.1 Functieomschrijving
De als '
Water' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
- waterpartijen, watergangen;
- waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen;
- groenvoorzieningen;
- bruggen;
- waterberging;
- oevers en oeverbeschoeiing;
- extensief dagrecreatief medegebruik;
- instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke en de natuurwaarden die eigen zijn aan waterpartijen, watergangen en bijbehorende oeverzones.
9.2.1 Gebouwen
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte vmag niet meer bedragen dan 12 m.
10.1 Functieomschrijving
De als '
Wonen' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
- wonen in woningen;
- aan huis verbonden beroep en bedrijf;
met de daarbij behorende:
- groen- en speelvoorzieningen;
- nutsvoorzieningen;
- parkeervoorzieningen;
- tuinen, erven en paden;
- watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
10.2 Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
10.2.1 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
- hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
- ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de goothoogte niet meer bedragen dan is aangeven;
- ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan is aangeven;
- ter plaatse van de aanduiding ‘aaneengebouwd’ mogen uitsluitend aaneengebouwde woningen worden gebouwd;
- ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ mogen uitsluitend gestapelde woningen worden gebouwd;
- ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ mag het aantal woningen niet meer bedragen dan is aangegeven.
10.2.2 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
- de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan:
Totale bouwperceelgrootte | Maximum oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken |
tot 500 m² | 75 m² |
vanaf 500 m² tot 1.500 m² | 100 m² |
| vanaf 1.500 m² | 150 m² |
- het bebouwingspercentage van de gronden gelegen buiten de aanduiding 'bouwvlak' mag niet meer dan 50% bedragen;
- bijbehorende bouwwerken dienen tenminste 1 m achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
- in afwijking van het bepaalde onder a,b en c mogen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' bijgebouwen met een bouwhoogte van 3 m worden gerealiseerd.
- de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
- de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
- indien het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan een hoofdgebouw betreft is het gestelde in sub e niet van toepassing en mag de goothoogte niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw plus 0,30 m.
10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 1 m, met uitzondering van toegangspoorten, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 m;
- de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn mag niet meer bedragen dan 2 m;
- de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 10 m;
- de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
10.3 Specifieke gebruiksregels
10.3.1 Aantal woningen
Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ zijn woningen toegestaan en mag het aantal niet meer bedragen dan is aangegeven.
10.3.2 Strijdig gebruik
In aanvulling op artikel 5 wordt tot een gebruik strijdig met de functie '
Wonen' in ieder geval gerekend:
- het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning, met uitzondering van een gebruik voor mantelzorg;
- een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel bij een aan huis verbonden beroep en/of bedrijf.
10.3.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning woningen met bijbehorende bouwwerken in te richten en te gebruiken voor bed & breakfast.
10.3.3.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 10 lid 3.3.1 wordt slechts verleend indien de aanvraag voldoet aan de volgende voorwaarden:
- het een woning betreft, die tevens bewoond blijft;
- de woonfunctie op het perceel als hoofdfunctie in stand blijft;
- maximaal vier bed & breakfast appartementen voor in totaal acht personen worden gerealiseerd;
- de bed & breakfast voorziening niet functioneert als een zelfstandige woning;
- het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige parkeerdruk veroorzaakt;
- het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast;
- het gebruik niet leidt tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven en functies;
10.3.4 Gezamenlijk geluid
Het gezamenlijk geluid als bedoeld in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedraagt ten hoogste 54 dB en is bij maximaal zes woningen hoger dan 53 dB, zoals weergegeven in
bijlagen bij de regels bijlage 1 (zie ook Alcedo, Onderzoek naar geluid van wegen, d.d. 17 juni 2025,
bijlagen bij toelichting bijlage 4). Voor deze woningen dient middels een geluidweringsonderzoek inzichtelijk gemaakt te worden dat de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie niet kleiner is dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB.
Artikel 11 Leiding - Riool
11.1 Functieomschrijving
De voor '
Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor het transport van afvalwater door een rioolwaterpersleiding.
11.2 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
11.2.1 Gebouwen
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
- er mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de functie worden gebouwd;
- de bouwhoogte van de bouwwerken genoemd onder a mag niet meer bedragen dan 3 m.
11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.3.1 Uitvoeren van werkzaamheden
Het is verboden binnen de functie '
Leiding - Riool', zonder een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
- de werken en werkzaamheden waarvoor ingevolge de bepalingen van de overigens voor de desbetreffende gronden geldende functie een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is vereist;
- het aanbrengen van gesloten verhardingen;
- het wijzigen van het peil van het maaiveld door ophoging of afgraving;
- het verrichten van graafwerkzaamheden;
- diepploegen;
- het aanbrengen van hoogopgaand en/of diepwortelende beplanting, waaronder rietbeplanting;
- het indrijven van voorwerpen in de grond;
- het permanent opslaan van goederen, waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
- buis- en kabelleidingen voor riolering, nutsbedrijven en overeenkomstige doeleinden.
11.3.2 Uitzonderingen
- werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, beheer of herstel van de functies, die het plan aan locaties toekent;
- werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
- werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten te beperken;
- werken en werkzaamheden ten aanzien waarvan door Burgemeester en wethouders is medegedeeld dat deze, wat aard en omvang betreft, van zodanige ondergeschikte betekenis zijn, dat voor de uitvoering daarvan geen omgevingsvergunning wordt vereist.
11.3.3 Onderzoek
Een omgevingsvergunning, als bedoeld in
artikel 11.3.1, wordt alleen verleend indien, gehoord de betrokken leidingbeheerder, is gebleken dat hierdoor de belangen van de bescherming van de desbetreffende leidingen, of de veiligheid van mensen, dieren en goederen, niet blijvend onevenredig worden geschaad.
Artikel 12 Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2
12.1 Functieomschrijving
De voor '
Waarde - Archeologisch Waardevol Gebied 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de op en/of in deze gronden voorkomende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden.
12.2.1 Bouwwerken
Binnen deze functie is voor bouwwerken een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders nodig, tenzij:
- het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
- het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld;
- het nieuw te bouwen oppervlak niet groter is dan 100 vierkante meter;
- op basis van een archeologisch onderzoeksrapport is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
- deze voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
12.2.2 Aanvraagvereisten
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in
artikel 12 lid 1 genoemde functie:
- een of meerdere funderingstekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en
- een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen heipalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden; en
- een archeologisch onderzoeksrapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar schriftelijk advies van een archeologisch deskundige, in voldoende mate zijn vastgesteld.
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologische informatie; of
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de bouwwerkzaamheden.
12.2.3 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder
artikel 12 lid 1 genoemde functie wordt alleen verleend als:
- uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
- uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden; of
- de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
12.2.4 Vergunningvoorschriften
Het college van burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.3.1 Werken en werkzaamheden
Binnen deze functie is voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders nodig:
- het afgraven, saneren, ontgronden, onderzuigen, verlagen, afplaggen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
- het aanleggen, verbreden en verwijderen van verhardingen;
- het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
- het graven of vergraven, verruimen, verdiepen of dempen van watergangen en waterpartijen;
- het frezen en scheuren van grasland;
- het aanbrengen van diepwortelende beplantingen waaronder begrepen bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij en windsingel;
- het rooien van diepwortelende beplantingen zoals vermeld onder f. waarbij de stobben worden verwijderd;
- het aanleggen van drainage;
- het aanleggen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
- het uitvoeren van heiwerkzaamheden, het aanbrengen van verticale grondkeringen, of het op een of andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
- het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
- het verwijderen van bestaande ondergrondse fundamenten, verticale grondkeringen, en het verwijderen en/of uittrekken van funderingspalen;
- het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek.
12.3.2 Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 12.3.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden indien deze:
- worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 12.2.1 van toepassing is;
- tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld gaan;
- geen grotere oppervlakte dan 100 m² betreft;
- reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan;
- worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
- worden uitgevoerd in het kader van het normale agrarische gebruik;
- mogen worden uitgevoerd volgens een verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning;
- voor archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
- betrekking hebben op gronden waarvan op basis van namens het college van burgemeester en wethouders getoetst en geaccepteerd archeologisch onderzoeksrapport is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden.
12.3.3 Aanvraagvereisten
Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in
artikel 12 lid 1 genoemde functie:
- een of meerdere funderingstekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en
- een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen heipalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden; en
- een archeologisch onderzoeksrapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar schriftelijk advies van een archeologisch deskundige, in voldoende mate zijn vastgesteld.
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologische informatie; of
- uit een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de bouwwerkzaamheden.
12.3.4 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor uitvoeren van werken en werkzaamheden in of op de onder
artikel 12 lid 1 genoemde functie wordt alleen verleend als:
- uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
- uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundige blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden; of
- de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
12.3.5 Vergunningvoorschriften
Het college van burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden:
- de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
- de verplichting tot het doen van opgravingen;
- de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 13 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 14 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen
14.1.1 Algemeen
Ten aanzien van parkeren geldt dat:
- bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen er voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen aanwezig is of wordt gerealiseerd binnen het plangebied van dit plan;
- deze parkeergelegenheid dient in stand gehouden te worden;
- voldoende parkeergelegenheid betekent dat voldaan wordt aan het Parkeerbeleid 2024-2032 gemeente Buren zoals vastgesteld door de raad op 2 juli 2024.
14.1.2 Hoofdgebouwen
- Een omgevingsvergunning voor hoofdgebouwen wordt slechts verleend, indien sprake is van voldoende parkeergelegenheid, uitgaande van het Parkeerbeleid 2024-2032 gemeente Buren.
- Indien het onder a bedoelde beleid worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
14.1.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning parkeertekort
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor hoofdgebouwen indien niet wordt voldaan de normen uit het Parkeerbeleid 2024-2032 als:
- het voldoen aan het Parkeerbeleid 2024-2032 gemeente Buren leidt tot de aanleg en instandhouding van een onevenredig aantal parkeerplaatsen, gerelateerd aan het bestaande én het nieuwe gebruik;
- aangetoond wordt dat met het voorgenomen aantal parkeerplaatsen voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte, of;
- aangetoond wordt dat op andere wijze in de parkeerbehoefte kan worden voorzien.
14.2 Grenzen en aanduidingen
14.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:
- af te wijken van functiegrenzen in het horizontale vlak, als de afwijking noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein, er geen dringende redenen zijn die zich tegen de afwijking verzetten en de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer bedraagt dan 2 m;
- af te wijken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, niet zijnde functiegrenzen, als de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond en de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer bedraagt dan 0,5 m;
- af te wijken van de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m.
14.2.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in
artikel 13.2.1 wordt slechts verleend indien de aanvraag voldoet aan de volgende voorwaarden:
- er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Artikel 15 Algemene aanduidingsregels
15.1 Overige zone - middelen vrije zone
15.1.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning binnen de locatie 'overige zone - middelen vrije zone' gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen te gebruiken.
15.1.2 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder
artikel 15.1.1 worden de resultaten van een locatie specifiek onderzoek naar de gezondheidsrisico's ter plaatse van gevoelige functies verstrekt.
15.1.3 Beoordeling aanvraag omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder
artikel 15.1.1 wordt alleen verleend als uit een locatie specifiek onderzoek blijkt dat geen gezondheidsrisico's te verwachten zijn ter plaatse van gevoelige functies als gevolg van het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen.
15.2 Vrijwaringszone - dijk - 2
Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 2' zijn de gronden naast de voor die gronden aangewezen functies, aangeduid als buitenbeschermingszone van de waterkering.
Artikel 16 Overgangsrecht
16.1 Overgangsrecht voor bouwwerken
16.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
- gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
- na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
16.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van
artikel 16.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in
artikel 16.1.1 met maximaal 10%.
16.1.3 Uitzondering
Het bepaalde in
artikel 16.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2 Overgangsrecht voor gebruik
16.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
16.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in
artikel 16.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
16.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in
artikel 16.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
16.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in
artikel 16.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.