direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Soof aan de Rijn
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0214.ECKRijnbandijk10c-OVA1

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

Op 19 september 2023 is het bestemmingsplan 'Eck en Wiel, Rijnbandijk 6a, 10a, 10b en Schans 3' vastgesteld. Via het bestemmingsplan uit 2023 is de herontwikkeling van het voormalige park 'Verkrema' naar het nieuwe park 'Soof aan de Rijn' mogelijk gemaakt. Bij de realisatie van Soof aan de Rijn loopt de initiatiefnemer aan tegen netcongestie. Niet alle beoogde recreatiewoningen (door het park 'lodges' genoemd)

kunnen via het net van stroom worden voorzien. Initiatiefnemer heeft een oplossing gevonden door een deel van de recreatiewoningen te voorzien van accu's en boiler, die binnen kleine bijgebouwen bij de lodges worden geplaatst. Om dit mogelijk te maken is een beperkte verandering van bouwrecht nodig door een deel van de recreatiewoningen weg te bestemmen en het bouwrecht dat vrijkomt in te zetten voor de bergingen. Per saldo verandert er niets aan het bebouwd oppervlak.

Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Buren, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Verblijfsrecreatiepark Soof aan de Rijn is gevestigd aan de Rijnbandijk 10a nabij Eck en Wiel. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0214.ECKRijnbandijk10c-OVA1_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Leeswijzer

Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 geeft de beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 gaat in het relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 en 5 wordt getoetst aan aspecten m.b.t. de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving.

Alléén relevante onderwerpen

Deze motivering gaat in lijn met de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet, paragraaf 2.2 en 4.16.4, in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het project, het effect van het project op de omgeving. Onderwerpen die niet relevant zijn worden dientengevolge niet behandeld. Deze zijn daarmee niet vergeten noch onbelangrijk, maar slechts niet relevant voor het besluit.

Besluit breder dan alleen voorliggende motivering

Elk besluit dat op basis van de Omgevingswet genomen wordt is breder dan alleen de motivering dat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Enkele aspecten komen altijd voor en daar wordt in hoofdstuk 8 'Overige aspecten' op in gegaan.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Verblijfsrecreatiepark Soof aan de Rijn ligt aan de zuidzijde van de Rijn, in het winterbed van de rivier. Het verblijfsrecreatieterrein biedt ruimte voor verschillende type accommodaties en voorzieningen. Direct aan de rivier bevindt zich de kampeerzone van het terrein met vrije standplaatsen. De kampeerzone gaat over in het deels verhoogde deel van het park waar recreatiewoningen en recreatievoorzieningen aanwezig zijn.

Het plangebied van voorliggend TAM-omgevingsplan is op navolgende luchtfoto aangegeven met de rode doorbroken lijnen. Binnen dit gebied zijn op basis van het vigerende tijdelijk deel van het Omgevinsplan van de gemeente Buren (waarin de mogelijkheden uit bestemmingsplan 'Eck en Wiel, Rijnbandijk 6a, 10a, 10b en Schans 3' zijn verwerkt) onder andere de volgende bouw- en gebruiksmogelijkheden opgenomen:

  • maximaal 63 recreatiewoningen van maximaal 50 m² per recreatiewoning;
  • maximaal 43 recreatiewoningen van maximaal 75 m² per recreatiewoning;
  • bergingen bij de recreatiewoningen zijn niet toegestaan.

De beschikbare netcapaciteit voor het recreatieterrein is beperkt: aansluiting van grotere recreatiewoningen op het stroomnet is in de huidige situatie niet mogelijk.

Hieruit vloeit de behoefte naar het mogelijk maken van bergingen, waarin accu en boiler voor energieopslag worden geplaatst, om in de energiebehoefte te voorzien voort. Navolgende afbeelding geeft het plangebied weer van het huidige plangebied weer (rode doorbroken lijnen) én het grotere plangebied van het bestemmingsplan uit 2023:

afbeelding "i_NL.IMRO.0214.ECKRijnbandijk10c-OVA1_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

2.2 Toekomstige situatie

Problemen rondom netcongestie zorgen ervoor dat niet alle recreatiewoningen binnen Soof aan de Rijn van stroom kunnen worden voorzien. Voor de kleine recreatiewoningen zijn er geen problemen, deze worden gevoed door centrale accu's op het park. Maar de capaciteit van deze centrale accu's is beperkt en kunnen niet óók voorzien in de behoefte van de grotere recreatiewoningen. Een aansluiting op het net is voorlopig ook niet mogelijk, naar verwachting lukt dit niet eerder dan in 2029 / 2030. Om deze problemen te verhelpen en de grote recreatiewoningen van 75 m2 toch van stroom te kunnen voorzien, wil initiatiefnemer de recreatiewoningen voeden en verwarmen door kleinere accu's en boilers bij de recreatiewoningen te plaatsen. Om deze accu's en boilers veilig te kunnen plaatsen en aan het zicht te onttrekken worden deze geplaatst in bergingen. De benodigde bergingen krijgen een oppervlak van maximaal 6,5 m2 en een hoogte van 2,6 m. Dit past qua schaal en omvang binnen de inrichting van het terrein. Elke recreatiewoning van 75 m2 wordt voorzien van een vrijstaande berging.

Uitgangspunt van voorliggend initiatief is dat de benodigde bergingen niet zorgen voor een toename van bebouwd oppervlak. Om de bergingen te compenseren wordt een deel van de bestaande bouwmogelijkheden van recreatiewoningen wegbestemd:

  • In plaats van maximaal 63 recreatiewoningen van maximaal 50 m² per recreatiewoning worden 62 recreatiewoningen van maximaal 42 m² per recreatiewoning toegestaan;
  • In plaats van maximaal 43 recreatiewoningen worden 41 recreatiewoningen van maximaal 75 m² per recreatiewoning toegestaan;
  • Daarnaast worden maximaal 41 bergingen van maximaal 6,5 m² en 2,6 m hoogte bij de 41 recreatiewoningen van 75 m² toegestaan.

Per saldo zorgt voorliggend initiatief voor een afname aan bebouwingsmogelijkheden.

Toegestaan op basis van vigerende planologische situatie:

  • 63 recreatiewoningen van 50 m² = 3.150 m²
  • 43 recreatiewoningen van 75 m² = 3.225 m²
  • TOTAAL: 6.375 m²

Toegestaan op basis van voorliggend initiatief:

  • 62 recreatiewoningen van 42 m² = 2.604 m²
  • 41 recreatiewoningen van 75 m² = 3.075 m²
  • 41 bergingen van 6,5 m² = 266,50 m²
  • TOTAAL: 5.945,50 m²

Voorgaande herverdeling van bouwrecht zorgt per saldo voor een afname aan bebouwd oppervlak, in totaal gaat het om een afname van: 429,50 m² (6.375 m² - 5.945,50 m²).

Voorliggend initiatief bestaat alleen uit het wijzigen van de bouwmogelijkheden zodat de bergingen kunnen worden gerealiseerd. Verder voorziet voorliggend plan niet in aanpassingen ten opzichte van het bestemmingsplan uit 2023.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt binnen het rivierbed en het stroomvoerend deel van het rivierbed van rivier de Rijn. Met Rijkswaterstaat is afstemming geweest over het plan in het kader van het destijds vastgestelde bestemmingsplan 'Eck en Wiel, Rijnbandijk 6a, 10a, 10b en Schans 3'. Daarbij is getoetst aan de geldende voorwaarden ten aanzien van ligging in deze gebieden. Met onderhavig initiatief wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van dit plan. Enkel vindt een verschuiving van bouwrecht van de recreatiewoningen naar de bergingen plaats. Dit leidt tot een afname van bebouwd oppervlak. Gelet hierop wordt uitgesloten dat het plan effect heeft ten aanzien van het rivierbed of het stroomvoerend deel ervan.

Aangezien met het plan enkel sprake is van een verschuiving van de bouwmogelijkheden van de recreatiewoningen naar de bergingen, is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daarmee niet verder doorlopen te worden.

Conclusie

Het initiatief past binnen het rijksbeleid.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie

De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de motivering een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Aangezien met dit plan enkel bouwmogelijkheden worden verschoven naar bergingen bij de recreatiewoningen, is het aspect klimaatadaptatie verder niet relevant voor het plan.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Navolgend worden de relevante thema's uit het provinciale beleid toegelicht:

Landschap

Het plangebied ligt binnen het nationale landschap 'Rivierenland', deelgebied 'Uiterwaarden Nederrijn'. In het kader van het bestemmingsplan 'Eck en Wiel, Rijnbandijk 6a, 10a, 10b en Schans 3' uit 2023, dat de herontwikkeling van Soof aan de Rijn mogelijk maakt, is een landschappelijke inpassing van het gehele park uitgewerkt. De landschappelijke inpassing is afgestemd op onder andere de (kern)kwaliteiten van het gebied. Voorliggend initiatief is geheel passend binnen de landschappelijke inpassing en inrichting van het verblijfsrecreatiepark. Mede door de afname aan bebouwing zijn negatieve effecten ten aanzien van het landschap uitgesloten.

Intrekgebied

Het plangebied ligt in een intrekgebied. In de Omgevingsverordening Gelderland zijn regels opgenomen ter bescherming van de kwaliteit van het drinkwater. Nieuwe ontwikkelingen binnen intrekgebieden mogen geen functies bevatten die de winning van fossiele energie mogelijk maken. Voorliggend initiatief maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk.

Verder worden er in de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening geen specifieke aanvullende eisen gesteld aan deze locatie.

De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Ten behoeve van de recreatiewoningen zijn de volgende functieaanduidingen opgenomen:

  • Specifieke vorm van recreatie - 75 m2: hierbinnen zijn maximaal 43 recreatiewoningen van maximaal 75 m2 toegestaan;
  • Specifieke vorm van recreatie - 50 m2: hierbinnen zijn maximaal 63 recreatiewoningen van maximaal 50 m2 toegestaan;
  • 'kampeerterrein': 18 kampeerplaatsen.

De toegestane voorzieningen zijn specifiek voor de daartoe opgenomen functieaanduidingen op de verbeelding toegestaan. Het gaat om de functieaanduidingen: 'parkeerterrein', 'specifieke vorm van recreatie - voorzieningen', 'zwembad'.

Verder gelden de volgende dubbelbestemmingen:

  • Waarde - Archeologisch waardevol gebied;
  • Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 2;
  • Waterstaat - Waterstaatkundige functie;
  • Waterstaat - Primaire waterkering;
  • Waterstaat - Regionale waterkering

En de volgende gebiedsaanduiding:

  • Vrijwaringszone - beschermingszone.

afbeelding "i_NL.IMRO.0214.ECKRijnbandijk10c-OVA1_0004.png"

Uitsnede vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Binnen de vigerende planologische situatie is het niet mogelijk om bergingen bij de recreatiewoningen te realiseren. Hierom is het plan strijdig. Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt de ontwikkeling mogelijk gemaakt.

3.3.2 Overig gemeentelijk beleid

Het plan blijft beleidsmatig binnen de kaders van het eerder vastgestelde bestemmingsplan, waarin getoetst is aan de Omgevingsvisie Buren en het Landschapsontwikkelingsplan 2012. De interne verschuiving van bouwrecht leidt niet tot een intensivering van het gebruik en heeft geen negatieve invloed op de landschappelijke kwaliteit of op de beleving van het gebied. Er is dan ook geen sprake van beleidsmatige bijzonderheden of strijdigheden met de gemeentelijke uitgangspunten.

3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor deze motivering is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Algemeen

De beoogde ontwikkeling betreft een verschuiving van planologisch bouwrecht: een deel van het bouwvolume dat was toegekend aan recreatielodges wordt benut voor het toestaan van bergingen. Er vinden geen nieuwe functies plaats en het totale bouwvolume binnen het recreatiepark neemt niet toe. Aangezien het gaat om een verschuiving binnen een reeds planologisch toegestaan recreatief gebruik en de fysieke impact op de omgeving beperkt blijft, de bergingen verplaatsbaar zijn en de bergingen op het maaiveld komen te rusten (geen bodemverstoring) kunnen voor alle aspecten die relevant zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid) en een goede omgevingskwaliteit (archeologie, cultuurhistorie, landschap, ecologie) negatieve gevolgen op voorhand worden uitgesloten. In de navolgende paragrafen wordt aanvullend ingegaan op de situatie met betrekking tot verkeer en water.

4.2 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Planspecifiek

Vanwege de ligging van het plangebied binnen het rivierbed en het stroomvoerend deel van het rivierbed van de Nederrijn (zie ook paragraaf 3.1) en de eerdere afstemming daarover met waterschap Rivierenland en Rijkswaterstaat, is in de regels van voorliggend initiatief opgenomen dat de bergingen verplaatsbaar dienen te zijn. Verder zorgt voorliggend initiatief niet voor noemenswaardige veranderingen ten opzichte van het bestemmingsplan uit 2023. Voorliggend initiatief voorziet in een afname aan bebouwing / verhard oppervlak.

Conclusie

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

4.3 Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan.

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

Als een gevolg van de ontwikkeling neemt het aantal toegestane recreatiewoningen af, met in totaal 3 recreatiewoningen. Het aantal benodigde parkeerplaatsen en het aantal verkeersbewegingen van en naar het park neemt ook af. Het initiatief komt daarmee tegemoet aan de algehele verkeerssituatie ter plaatse.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

Hoofdstuk 5 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4.

Planspecifiek

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dat dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

6.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

6.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22o] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22o] van het omgevingsplan Buren. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat onderdelen van het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.

6.4 Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief maakt enkel de functie 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' mogelijk:

Recreatie - Verblijfsrecreatie

In de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de regels opgenomen, in afwijking of aanvulling op de bestaande regels uit bestemmingsplan Eck en Wiel, Rijnbandijk 6a, 10a, 10b en Schans 3 met identificatienummer NL.IMRO.0214.ECKRijnbandijk10a-BVA1. Het gaat om de onderdelen waar voorliggend initiatief in voorziet: het aantal toegestane recreatiewoningen is bijgesteld en voor de bergingen is specifiek een bouwregeling toegevoegd. Voor alle overige regels geldt dat de regels uit het bestaande bestemmingsplan blijven gelden, op grond van 'Artikel 1 Toepassingsbereik'.

Overig

Aangezien voorliggend plan opgesteld is met een voorrangsbepaling, blijven onderliggende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen gelden op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Buren.

Hoofdstuk 7 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

7.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Planspecifiek

In het kader van het reeds vastgestelde bestemmingsplan 'Eck en Wiel, Rijnbandijk 6a, 10a, 10b en Schans 3' uit september 2023 is een uitvoerig participatieproces doorlopen. Directe buren en andere omwonenden zijn destijds via een informatieavond op de hoogte gebracht van de herontwikkeling van voormalig verblijfreactiepark Verkrema. Na de toelichting van de plannen was er gelegenheid voor het stellen van vragen. Het plan is tijdens de over het algemeen positief doorlopen bijeenkomst goed ontvangen. Er zijn door aanwezigen wel zorgen geuit over de omvang van het horecagebouw. Deze zorgen zijn meegenomen en hebben geleid tot aanpassingen in het vastgestelde bestemmingsplan. Verder hebben aanwezigen aangegeven geen behoefte te hebben aan een vervolgbijeenkomst. Een volledig verslag van het eerder doorlopen participatieproces is te raadplegen via Bijlage 1 van voorliggende motivering.

Ten aanzien van voorliggend initiatief heeft initiatiefnemer omwonenden per brief geïnformeerd over voorliggend plan. De veranderingen die via voorliggend plan mogelijk worden gemaakt zijn beperkt van omvang en zorgen door de afname van bebouwd oppervlak voor minder impact op de omgeving. Omwonenden zijn gewezen op de mogelijkheid het plan nader te bekijken tijdens de inzagetermijn en in de gelegenheid gesteld om bij vragen contact op te nemen met initiatiefnemer.

Zienswijzeperiode

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen op het plan ingediend.

7.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

7.3 Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de belanghebbende instanties.