| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Groene opgave 2025 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0213.TAMBG7012-va01 |
Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het wijzigen van de functie van agrarisch gronden naar de functie natuur op 9 locaties binnen de gemeente Brummen (hierna: plangebied). Deze locaties liggen verspreid in het buitengebied van de gemeente.
De Groene Opgave – IJsselsprong is een project van de gemeente Brummen, samen met Provincie Gelderland en Stichting Landschapsbeheer Gelderland (SLG). Het richt zich op het vergroenen van het buitengebied tussen Eerbeek, Brummen en Zutphen, door een netwerk aan te leggen van natuurlijke landschapselementen.
De Provincie Gelderland heeft hiervoor middelen beschikbaar gesteld, waarmee de gemeente Brummen de regeling ‘Groene Opgave IJsselsprong’ kan uitvoeren. Binnen het gebied tussen Eerbeek, Brummen en Empe-Tonden kunnen agrariërs en particuliere grondeigenaren deelnemen aan deze regeling. Zij krijgen hiermee de mogelijkheid om beplantingsprojecten te realiseren die bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit. Agrarische gronden kunnen daarbij worden ingezet voor landschappelijke versterking, in combinatie met een functiewijziging van agrarisch naar natuur.
Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Het plangebied bestaat uit 9 locaties in het buitengebied van de gemeente Brummen. De ligging van de locaties zijn weergegeven in afbeelding 1.1. De locaties zijn genummerd van 1 t/m 10. Hieronder wordt per locatie het adres en de kadastrale aanduiding weergegeven.
I: Lendeweg 9, Hall
Kadastrale aanduiding: BMN01-L-259, Brummen
II: Pongeweg 8, Hall
Kadastrale aanduiding: BMN01-M-235, Brummen
III: Hogestraat 3, Hall
Kadastrale aanduiding: BMN01-Q-117, Brummen
IV: Vervallen
V: Rhienderensestraat 9, Brummen
Kadastrale aanduiding: BMN01-P-537, Brummen
VI: Rhienderensestraat 4, Brummen
Kadastrale aanduiding: BMN01-P-589, Brummen
VII: Cortenoeverseweg 94, Brummen
Kadastrale aanduiding: BMN01-I-1409, Brummen
VIII: Haarweg perceelnummer 366, Tonden
Kadastrale aanduiding: BMN01-N-17, Brummen
IX: Hoevesteegweg 23, Tonden
Kadastrale aanduiding: BMN01-N-395, Brummen
X: Langedijk 4, Tonden
Kadastrale aanduiding: BMN01-K-889, Brummen
De locaties bestaan uit woonpercelen met omliggende agrarische gronden. Op het perceel met nummer 366 aan de Haarweg in Tonden (VIII) is geen woonfunctie aanwezig.
De exacte begrenzing van het plangebied staat op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan.
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: openstreetmap.org) |
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Ter plaatse bestaat het omgevingsplan van rechtswege uit de volgende documenten:
Binnen het plangebied gelden de bestemmingen ‘Agrarisch’ en/of ‘Agrarisch met landschapswaarden’. Daarnaast gelden er nog een aantal gebiedsaanduidingen, waaronder ‘extensiveringsgebied’, ‘Landgoederenzone (EHS-verbinding)’, ‘hydrologische bufferzone’ en ‘beslotenheid/houtopstanden’.
De beoogde landschapsversterkingsmaatregelen, zoals het aanleggen van houtwallen, singels, struwelen, bosjes en poelen, passen niet binnen het geldende bestemmingsplan. De agrarische bestemming voorziet namelijk onder meer in de uitoefening van agrarische activiteiten en bestaande landschapselementen.
De gronden in het plangebied hebben in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan Buitengebied 2008, een agrarische functie. Om de beoogde ontwikkeling, namelijk het toevoegen van landschapsversterkende maatregelen, juridisch-planologisch te borgen is het noodzakelijk om de huidige agrarische functie om te zetten in een natuurfunctie. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kader.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.
Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In Hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in Hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'. Hoofdstuk 10 gaat in op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Ten slotte wordt in Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie.
Zoals benoemd wordt op 9 locaties in het buitengebied van de gemeente Brummen landschapsversterkende maatregelen genomen. De locaties betreffen grotendeels woonpercelen. De locatie Haarweg perceelnummer 366 betreft een agrarisch perceel zonder woonfunctie.
De gemeente Brummen kenmerkt zich door haar natuur- en landschapswaarden. In diverse beleidsstukken, waaronder de Toekomstvisie 2030 en het Landschapsbeleidsplan, wordt de ambitie uitgesproken om deze waarden te versterken. In het Landschapsbeleidsplan geeft de gemeente onder meer aan landschapsversterkende initiatieven op agrarische percelen te willen bevorderen. Hierdoor wordt de leefomgeving verbeterd, wordt bijgedragen aan het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering en worden de kernkwaliteiten van de natuur versterkt. Dit zorgt ervoor dat inwoners kunnen genieten van het landschap, agrariërs kunnen blijven ondernemen en de natuur kan bloeien.
Initiatiefnemers kunnen voor het realiseren van de landschapsversterkende maatregelen subsidie krijgen. Aanvullend is er een subsidiemogelijkheid indien initiatiefnemers ook voornemens zijn om de agrarische gronden een natuurfunctie te geven ten behoeve van de landschapsmaatregelen. Negen initiatiefnemers willen graag gebruik maken van deze subsidiemogelijkheid. Met voorliggend plan wordt deze wens juridisch-planologisch geborgd.
Voor alle 9 locaties zijn door Stichting Landschapsbeheer Gelderland inrichtingsplannen opgesteld, passend bij de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden. De toe te voegen landschapselementen zijn een struweelhaag, vogelbosje of geriefbosje, solitaire boom of bomengroep, houtwal of houtsingel en een poel. In afbeelding 2.1 en 2.2 zijn deze elementen weergegeven.
Afbeelding 2.1 Struweelhaag, vogelbosje of geriefbosje en solitaire boom of bomengroep (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Afbeelding 2.2 Poel en houtwal of houtsingel (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Hieronder wordt per locatie vermeldt welke landschapsversterkende maatregelen er worden genomen.
Hoevesteeg 23, Tonden
Aan de Hoevesteeg 23 wordt een brede struweelhaag aangelegd over een lengte van 160 meter. De struweelhaag kent een variatie aan bloeiende en besdragende soorten. Richtng de straatzijde is de haag breder, verder naar achteren op het perceel versmalt de haag. In onderstaande afbeelding is de ligging van de haag weergegeven.
Afbeelding 2.3 Inrichtingsplan Hoevesteeg 23 Tonden (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Lendeweg 9, Hall
Aan de Lendeweg 9 in Hall worden meerdere landschapselementen aangelegd, namelijk een struweelhaag, een bomengroep met struweel, een vogelbosje, een houtsingel en een poel. De struweelhaag is in onderstaande figuur weergegeven met nummer 1, 2 en 5. De haag met nr. 1 wordt aangeplant over een lengte van 125 meter, de haag met nr. 2 over een lengte van 60 meter en de haag met nr. 5 over een lengte van 50 meter. De struweelhaag bestaat uit een variatie aan bloeiende en besdragende soorten.
Met nummer 3 zijn een tweetal bomengroepen met struweel aangeplant. De bomen komen minimaal 6 meter uit elkaar en beslaan 100 m² per bomengroep en een totaal van 200 m² struiken.
Met nummer 4 is een vogelbosje weergegeven naast de poel. De poel is weergegeven met nummer 6.
Afbeelding 2.4 Inrichtingsplan Lendeweg 9 Hall (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Rhienderensestraat 4, Brummen
Op de locatie Rhienderensestraat 4 in Brummen wordt een vogelbosje aangeplant ten noorden van de woning. De oppervlakte van het vogelbosje beslaat 5.700 m2. De soorten die in het bosje aangeplant worden, zijn vooral besdragende struiken als meidoorn, Gelderse roos en lijsterbes om vogels aan te trekken of struiken met gevarieerde bloeitijden die aantrekkelijk zijn voor bijen. Een vogelbosje wordt gebruikt als broedplaats en schuilplaats door zowel vogels als klein zoogdieren. Daardoor voegt een vogelbosje veel toe aan de ecologische diversiteit op en rondom het erf.
Afbeelding 2.5 Inrichtingsplan Rhienderensestraat 4 Brummen (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Rhienderensestraat 9, Brummen
Aan de Rhienderensestraat 9 in Brummen is in 2024 een poel gegraven. Met voorliggend plan wordt de ondergrond omgezet naar een natuurfunctie. De oppervlakte bedraagt 1.300 m².
Afbeelding 2.6 Inrichtingsplan Rhienderensestraat 9 Brummen (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Haarweg perceelnummer 366, Tonden
Op dit perceel wordt een (vogel)bosje aangeplant. Het bosje bestaat uit bomen en struweel over een oppervlakte van 8.000 m2. In onderstaande afbeelding is met donkergroen het vogelbosje weergegeven en met lichtgroen struweel/mantel/zoom.
Afbeelding 2.7 Inrichtingsplan Haarweg perceelnr. 366 Tonden (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Pongeweg 8, Hall
Aan de Pongeweg 8 in Hall wordt een brede struweelhaag aangelegd over een lengte van circa 93 meter. De haag bestaat uit een variatie aan bloeiende en besdragende soorten.
Afbeelding 2.8 Inrichtingsplan Pongeweg 8 Hall (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Hogestraat 3, Hall
Op de locatie Hogestraat 3 in Hall wordt een struweelhaag aangeplant (nr. 1). De haag komt aan beide zijden van het bouwblok, parallel aan de straat. De haag bestaat uit een variatie aan bloeiende en besdragende soorten.
Met nummer 2 wordt weergegeven het verbreden van de bomenrij met een struweel/mantel/zoom vegetatie over een lengte van 100 meter. In het verlengde van de bomenrij wordt een houtsingel aangelegd (nr. 3). Aan de noordzijde wordt een vogelbosje aangelegd (nr. 4). Het bos krijgt een oppervlakte van 7.000 m2.
Afbeelding 2.9 Inrichtingsplan Hogestraat 3 Hall (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Langedijk 4, Tonden
Op de locatie Langedijk 4 wordt een poel aangelegd in het weiland naast het huis. De poel heeft een oppervlakte van 435m2. In het weiland staat al het een en ander aan aanplant, wat toekomstige dekking biedt aan amfibieën en reptielen.
Afbeelding 2.10 Inrichtingsplan Langedijk 4 Tonden (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Cortenoeverseweg 94, Brummen
Het perceel aan de Cortenoeverseweg 94 wordt ingericht met als primair doel natuurontwikkeling. De nadruk ligt op het versterken van de biodiversiteit, het creëren van gevarieerde vegetatiestructuren en het bevorderen van natuurlijke processen. Er wordt een vogelbosje aangeplant (nr. 1) met een oppervlakte van 1050 m2. Verder wordt op twee plekken een struweelhaag aangelegd met een variatie aan bloeiende en besdragende soorten (nr. 2 en 3).
Afbeelding 2.11 Inrichtingsplan Cortenoeverseweg 94 Brummen (Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland)
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behouden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Van het aanleggen of veranderen van openbare ruimte is geen sprake bij dit voornemen. Dit aspect wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Bij het aanleggen van de landschapsversterkende maatregelen vindt geen verandering plaats in de parkeerbehoefte of de verkeersgeneratie. Dit aspect wordt daarom buiten beschouwing gelaten.
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over:
De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het plangebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'.
Bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
Met dit voornemen worden op negen locaties in het buitengebied van de gemeente Brummen landschapsversterkende maatregelen aanlegd. Dit betreft geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
De gemeente Brummen heeft een biomorfologische kaart opgesteld van de gemeente. Op deze kaart is de gemeente verdeeld in 22 deelgebieden. Voor elk gebied zijn de landschapskenmerken en de waargenomen plant- en diersoorten beschreven.
Toetsing van het initiatief
Voor de negen locaties zijn inrichtingsplannen opgesteld aan de hand van de ligging in het specfieke deelgebied. Op deze manier worden de bestaande landschappelijke waarden versterkt en wordt de biodiversiteit vergroot.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
Voorliggend initiatief betreft geen nationale belangen zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen herziening van het omgevingsplan.
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).
Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Toetsing
In voorliggend plan wordt ingegaan op de bovengenoemde instructieregels in de volgende hoofdstukken/paragrafen:
Geconcludeerd kan worden dat in de volgende paragrafen van deze motivering aangesloten wordt bij de uitgangspunten van het Bkl.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van het Rijksbeleid. Vanuit relevante beleidsdocumenten en regelgeving werken geen randvoorwaarden of uitgangspunten rechtstreeks door op het voorgenomen plan.
De omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat historisch en landschappelijk gezien heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat moet worden beschermd. Daarnaast geeft de provincie richting aan wat ze willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen.
In de visie staan de volgende begrippen centraal: gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met gezond en veilig worden een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Met schoon en welvarend worden een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
Het toevoegen van natuur sluit naadloos aan bij de ambities van de omgevingsvisie omdat deze visie inzet op een toekomstbestendige leefomgeving waarin gezondheid, biodiversiteit, klimaatadaptatie en ruimtelijke kwaliteit centraal staan. Het versterken en uitbreiden van natuurfuncties draagt direct bij aan het vergroten van de biodiversiteit, een van de speerpunten van de visie. Door meer natuur te realiseren worden ecosystemen robuuster, kunnen soorten zich beter herstellen en ontstaat er een veerkrachtiger landschap dat kan omgaan met toenemende ecologische druk.
Daarnaast ondersteunt extra natuur de Gelderse ambities op het gebied van klimaatadaptatie. Groene gebieden helpen bij het vasthouden van water, het verminderen van hittestress en het tegengaan van droogte. Natuurinclusieve inrichting voorkomt bovendien verdere bodemdaling en bevordert een gezonde bodemstructuur. Tot slot draagt het toevoegen van natuur bij aan de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van Gelderland. De provincie kent een rijke variatie aan landschappen die worden gezien als dragers van cultuur, economie en toerisme. Door deze landschappen te versterken, blijft Gelderland aantrekkelijk als woon- en werkregio en blijft de “gave” kwaliteit van de provincie behouden en ontwikkeld.
Het voornemen vindt aansluiting bij de uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsvisie.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Gelderland.
De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Op het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen van toepassing:
Alle 9 locaties zijn gelegen in de 'Gelderse streek IJsselvallei', 'glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied' en 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland'.
Verder liggen de locaties Rhienderensestraat 9 Brummen, Hogestraat 3 Hall en Cortenoeverseweg 94 Brummen ook in de 'Groene ontwikkelzone'. Voor Hogestraat 3 Hall en Langedijk 4 Tonden geldt dat deze ook in de zone 'Beschermingszone natte landnatuur' liggen.
Gelet op het voornemen zijn met name de regels voor 'Gelderse streek IJsselvallei' en 'Groene ontwikkelzone' relevant. Het gaat om artikel 5.38 en 5.20.
|
Artikel 5.20 - Beschermen Groene ontwikkelingszone Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat: 1 a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en b. de samenhang niet verloren gaat. 2 De versterking wordt bepaald aan de hand van de bijlage Versterking Groene ontwikkelingszone. |
|
Artikel 5.38 - Beschermen landschap Gelderse streken: IJsselvallei
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek IJsselvallei. |
Voor de beschrijving van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap wordt verwezen naar de bijbehorende bijlage uit de Omgevingsverordening Gelderland.
Zoals eerder beschreven vindt er als gevolg van dit plan een substantiële bijdrage aan de landschappelijke waarden plaats. Er wordt een verdere bijdrage geleverd aan de natuurwaarden en het versterken van de biodiversiteit door de aanplant van diverse groenvoorzieningen en poelen. De inrichting van de negen locaties is afgestemd op de aanwezige kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.
Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening.
Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
De toekomstvisie maakt heldere keuzes voor de toekomst van Brummen en geeft daarmee een duidelijke koers aan richting 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. Het is een inspiratiekader, dat laat zien wat en wie Brummen wil zijn in 2030. Het is geen opsomming van beleidskeuzes voor de komende vijftien jaar. De richting is duidelijk. Hoe de gemeente daar komt, wordt de komende jaren ingekleurd door de gemeentelijke politiek, de gemeentelijke organisatie en de inwoners en ondernemers van Brummen.
De omgeving van Brummen bestaat uit een veelzijdig landschap dat voorzien van veel groen, natuur en landgoederen. Een voorbeeld zijn de Natura 2000-gebieden en ecologische verbindingszones. De gemeente hecht veel waarde aan deze kernkwaliteiten en wil deze dan ook behouden en versterken. Er wordt ruimte gegeven aan initiatieven die bijdragen aan de plattelandsstructuur, landschappelijke- en natuurwaarden.
De 'voetafdruk' van de gemeente Brummen is de afgelopen eeuwen toegenomen door onder meer het gebruik van grondstoffen en de uitstoot van CO2. Brummen stuurt aan op het verkleinen van deze voetafdruk. Een van de methoden is door alle verbruikte energie duurzaam op te wekken binnen de gemeentegrenzen. De gemeente zet onder meer in op nieuwe technieken van energieopwekking en energie neutraal bouwen. De tweede manier is door meer ruimte in te richten voor opvang en berging van hemelwater. Tuinen krijgen een groener karakter en regenwater wordt hierop afgekoppeld, zodat water kan infiltreren in de grond en niet afgevoerd wordt naar het riool. Als laatst stuurt de gemeente aan op een vergroting van de biodiversiteit, die in Nederland de afgelopen tientallen jaren flink is afgenomen. De gemeente handhaaft en onderhoud bestaand groen en stimuleert aanleg van inheemse (planten)soorten, zoals hagen, bloemrijke bermen en houtwallen. Daarbij is een natuurlijkere inrichting ook gewenst.
Het plangebied betreft negen locaties in het buitengebied van de gemeente Brummen. Bij de toekomstvisie is een integraal Uitvoeringsprogramma opgenomen. In dit uitvoeringsprogramma geeft de gemeente aan wat zij de komende jaren doet om de keuzes die in deze toekomstvisie gemaakt zijn in de praktijk te realiseren. Het Uitvoeringsprogramma is een flexibel programma, dat het beleid en de activiteiten op de korte termijn weergeeft. Het versterken van de landschappelijke kernwaarden maakt onderdeel uit van het uitvoeringsprogramma. Voorliggend plan sluit daarmee aan bij de ambities van de Toekomstvisie Brummen 2030.
De Nota Ruimtelijke Kwaliteit bevat handvatten voor verbouwingen en beschrijft hoe om te gaan met verbouwingen aan huizen, bedrijven, landgoederen en monumenten. Ook worden suggesties gegeven over duurzaamheid en worden oplossingsrichtingen gegeven voor de herindeling van boerenerven. Het beleidsdocument is een vervolg op de Welstandsnota.
Het plangebied behoort in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit tot het welstandsgebied 'Landelijk gebied'. De kenmerken van het landelijk gebied van Brummen bestaan uit een afwisselend landschap. De Veluwse stuwwal in het westen van de gemeente (met daarop bossen) loopt over in een dekzandlandschap (met bossen, hagen, houtwallen, akkers, weilanden en waterlopen) naar het rivierenlandschap aan de IJssel. In het deklandschap zijn de rechte lange wegen met daaraan verspreidde boerderijen en bebouwingsclusters typerend. Op de oeverwallen nabij de IJssel volgt het landschap de kronkelige contouren van de rivier. Hier is meer bebouwing aanwezig.
De boerenerven in de gemeente zijn divers opgebouwd. Historische erven bestaan voornamelijk uit een fors hoofdgebouw met woning en schuur in één pand. In samenhang met bijgebouwen en beplanting vormt dit een erf ensemble met een traditionele voor- en achtererf opbouw. De gemeente streeft het karakter van de erven te behouden. Centraal staat de samenhang en continuïteit tussen de bebouwing en het omliggende gebied.
Het plangebied ligt binnen het gebied ‘Landelijk gebied’. Voor deze gebieden streeft de gemeente naar het behoud van het karakter van het agrarische buitengebied. De belangrijkste karakteristieken zijn het afwisselende landschap met daarin verspreid staande, vaak authentieke bebouwing. De welstandscriteria die de gemeente voor het gebied stelt zijn voor een groot deel gericht op het behoud van de kwaliteiten van boerderijen en bijbehorende opstallen. Met voorliggend plan worden geen gebouwen gesloopt. Door het toevoegen van natuurfuncties wordt bijgedragen aan de uitstraling en kwaliteiten van het gebied.
De gemeente Brummen heeft in 2008 het Landschapsbeleidsplan Brummen 2008 vastgesteld. Het plan geeft sturing aan de ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Het toetst aan de wenselijkheid van de ontwikkeling, maar is geen juridisch bindend document. In het Landschapsbeleidsplan is uitgegaan van zes deelgebieden met ieders hun eigen kenmerken. Het plangebied is onderdeel van het deelgebied 'Landgoederen'. Initiatieven binnen dit deelgebied dragen bij aan de doelen. De doelen voor dit deelgebied zijn:
Het toevoegen van natuurfuncties past binnen de uitgangspunten van het Landschapsbeleidplan Brummen 2008, omdat dit beleid sterk gericht is op het behouden en versterken van de karakteristieke landschapsstructuren, de biodiversiteit en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. De nadruk ligt op het zorgvuldig beheren van het agrarisch cultuurlandschap, het versterken van bestaande natuurwaarden en het verder ontwikkelen van een robuust ecologisch netwerk.
Door natuur toe te voegen wordt bijgedragen aan het versterken van landschappelijke samenhang: nieuwe natuur sluit aan bij bestaande groenstructuren, verhoogt de landschappelijke diversiteit en ondersteunt de herkenbare identiteit van het Brummense landschap. Het realiseren van extra natuur biedt bovendien kansen om ecologische verbindingen te verbeteren, wat aansluit bij de algemene opgave die veel gemeenten in 2008 formuleerden rondom het versterken van de ecologische structuur.
Daarnaast draagt nieuwe natuur bij aan het vergroten van de belevingswaarde en toegankelijkheid van het landschap. Het Landschapsbeleidplan beoogt het landschap niet alleen te beschermen, maar ook te ontwikkelen als aantrekkelijk gebied voor recreatie en leefkwaliteit. Door natuurgebieden te vergroten of te introduceren ontstaat een aantrekkelijker, rustiger en groener landschap dat aansluit bij deze beleidsdoelen.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied.
Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Met dit plan is geen sprake van de toevoeging van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten dan wel risicobronnen in de zin van het aspect externe veiligheid. Bovendien zijn er geen stationaire en mobiele risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig die een belemmering kunnen vormen. Het uitvoeren van onderzoek naar omgevingsveiligheid is dan ook niet noodzakelijk.
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
Met de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) 2050 zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die het waterschap als leidende principes toepast in de BOVI 2050. De ruimtelijke ontwikkeling wordt gedomineerd door de grote vraag naar extra ruimte voor woningbouw, opwekking van duurzame energie en klimaatadaptatie. Het waterschap stelt dat een duurzaam watersysteem een belangrijke drager is van de ruimtelijk-economische ontwikkeling. Het grondwatersysteem is van essentieel belang voor de watervoorziening in het gebied van Vallei en Veluwe. Daarom zet het waterschap zoveel mogelijk in op het schoon- en vasthouden van water en het terugbrengen van water in de bodem. Tot slot wil het waterschap graag met een open en samenwerkingsgerichte houding in gesprek met maatschappelijke partners (publiek en privaat), om gezamenlijk positief bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving.
Het plangebied ligt in het deelgebied 'IJsselvallei en oostflank van de Veluwe'. Meer specifiek gelet op de ligging van het plangebied op de kaart behorend bij het deelgebied is het thema 'Robuust beekdal' van belang. Het oppervlaktewatersysteem van de toekomst is gebaseerd op het vasthouden, bergen en accepteren van water, en tegelijkertijd op het schoonhouden, scheiden en zuiveren van water in ons gebied. Samen met het diepe grondwatersysteem verbinden de beken en watergangen gebieden met watertekort en wateroverschot in ruimte en tijd. Sponswerking van de bodem is hiervan een integraal onderdeel. Het water krijgt de ruimte, langs de grote rivieren, kanalen, beken en ook in de haarvaten. Het waterschap wil Infiltratiecapaciteit en sponswerking van de bodem vergroten, inzetten op water vasthouden en beken weer zichtbaar maken.
Waterschap Vallei en Veluwe heeft een Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 opgesteld waarin staat beschreven wat de doelen zijn, vertaald in gebiedsgerichte gebiedsprogramma’s. Het waterschap streeft naar veiligheid tegen overstromingen en naar een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Daarnaast wil het waterschap in stedelijk gebied zoveel mogelijk water lokaal vasthouden en infiltreren door vergroening en verblauwing. In het BOP heeft het waterschap ook twee veranderopgaven vastgelegd: in 2050 circulair en energieneutraal zijn.
Het plangebied ligt in het deelgebied ‘IJsselvallei’. Gelet op de ligging van het plangebied op de bijbehorende gebiedskaart, ligt de nadruk op het vasthouden van water in een robuust beekdallandschap en een combinatie van circulaire, natuurinclusieve landbouw en beter vasthouden en schoonhouden van water (klimaatmantels).
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de weging van het waterbelang. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de weging van het waterbelang is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Voorliggend plan heeft betrekking op de realisatie van groen- en waterelementen. Er zal geen nieuwe verharding of bebouwing worden gerealiseerd.
Vanuit het aspect water is er sprake van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen:
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid en klimaatadaptatie' behandeld.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Bij voorliggend plan is er geen sprake van een toename van het verkeer. Er is daarom geen sprake van een toename van geluidshinder als gevolg van verkeer.
Ook voorziet de beoogde ontwikkeling niet in nieuwe geluidgevoelige functies. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door het in onderlinge samenhang:
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Omdat dit plan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt moet de kwaliteit van de bodem inzichtelijk zijn. Op basis van het historische bodembestand, het bedrijvenbestand (inclusief ondergrondse tanks) en het bodeminformatiesysteem zijn de locaties onverdacht voor het voorkomen van bodemverontreiniging. Ter plaatse van de nieuw te ontwikkelen locaties zijn geen bekende bodemonderzoeken uitgevoerd. Ook zijn er geen bedrijven gevestigd geweest of aanwezig met mogelijk bodembedreigende activiteiten.
Ten aanzien van onder- en bovengrondse tanks is geen informatie bekend dat deze aanwezig of aanwezig geweest zijn ter plaatse van de te ontwikkelen locaties. De bodem wordt geschikt geacht voor de toekomstige functie.
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Conform artikel 5.54 sub b van het Bkl valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van:
Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er in dit geval zonder meer sprake van een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.
Veehouderijen
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:
Dit plan biedt geen ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe geurveroorzakende of geurgevoelige functies. Daarom is het uitvoeren van een geuronderzoek niet noodzakelijk.
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Er wordt in voorliggend plan geen trillinggevoelig gebouw mogelijk gemaakt. Van trillingshinder is dan ook geen sprake.
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
Natuur heeft een aantoonbaar positieve invloed op de gezondheid, zowel lichamelijk als mentaal. Het verblijven in groene omgevingen verlaagt stressniveaus, doordat natuurlijke elementen zoals bomen, water en open landschappen het zenuwstelsel helpen ontspannen. Onderzoek laat zien dat mensen die regelmatig in de natuur wandelen of verblijven een lagere bloeddruk en hartslag hebben en zich energieker voelen. Daarnaast bevordert natuur beweging: een groene omgeving nodigt uit tot wandelen, fietsen of sporten, wat bijdraagt aan een betere conditie en een lager risico op chronische ziekten. Voorliggend plan heeft dan ook een positief effect op de gezondheid.
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
Het aspect duurzaamheid kent geen directe instructieregel uit het Bkl. De gemeente Brummen is op meerdere vlakken actief om duurzaamheid te bevorderen binnen de gemeente. Dit varieert van een regeling voor afkoppelen van regenwater, beleid over de aanleg van wind- en zonne-energie en de eerder beschreven biomorfologische kaart.
In voorliggend plan wordt er natuur toegevoegd. Natuur heeft een duidelijk positief effect op zowel de biodiversiteit als de kwaliteit van het landschap. Door het creëren of herstellen van natuurlijke gebieden ontstaat een groter aanbod aan leefgebieden voor planten, dieren en insecten. Variatie in bodem, water, beplanting en structuur zorgt ervoor dat meer soorten zich kunnen vestigen, waardoor ecosystemen sterker, veerkrachtiger en beter in balans raken.
Daarnaast draagt natuurontwikkeling bij aan een aantrekkelijker en robuuster landschap. Natuurlijke elementen zoals bloemrijke graslanden, houtwallen of struweelhagen versterken de landschappelijke identiteit en zorgen voor een gevarieerd en samenhangend ruimtelijk beeld. Het landschap wordt niet alleen ecologisch rijker, maar ook visueel diverser en natuurlijker, wat het geheel toekomstbestendiger maakt en het vermogen van het gebied om klimaatveranderingen op te vangen vergroot.
Vanuit het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking.
Natura 2000-gebieden
Met het plan wordt natuur- en landschapsontwikkeling mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied liggen Natura 2000-gebieden. Gelet op de aard en omvang van dit plan zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uit te sluiten.
GNN-gebieden
De locatie Cortenoeverseweg 94 ligt binnen het Gelders Natuurnetwerk. De locatie valt binnen het kernkwaliteit deelgebied: Landgoederen Brummen. Voor dit gebied zijn de volgende ontwikkelingsdoelen opgesteld ten aanzien van de GNN:
Binnen het plangebied zullen landschappelijke- en natuurversterkende elementen worden gerealiseerd in de vorm van een houtsingel. Dit heeft landschappelijke en ecologische kwaliteiten en sluit aan bij de doelen van het GNN.
Groene Ontwikkelingszone
De volgende locaties liggen binnen de Groene Ontwikkelingszone: Lendeweg 9 Hall, Hogestraat 3 Hall, Cortenoeverseweg 94 Brummen en Hoevesteeg 23 Tonden. De Groene Ontwikkelingszone combineert:
Met voorliggend project wordt actief ingezet op vergroting van natuurwaarden: door aanleg van streekeigen beplanting, hagen, bosjes, poelen, natuurvriendelijke oevers en andere landschapselementen. Dit draagt bij aan een rijker ecosysteem, meer biodiversiteit en een beter leefmilieu voor planten en dieren.
Beschermingszone natte landnatuur
In de beschermingszone natte landnatuur ligt de locatie Hogestraat 3 Hall, Hoevesteeg 23 Tonden en Langedijk 4 Tonden. De beschermingszone zorgt voor bescherming van gebieden die sterk afhankelijk zijn van grond- en oppervlaktewater: dat betekent dat de hydrologische situatie essentieel is voor het voortbestaan van de habitats en soorten.
Aan de Hogestraat 3 Hall en Hoevesteeg 23 Tonden worden bomen en struweel aangeplant. Aan de Langedijk 4 Tonden wordt een poel aangelegd. Dit leidt niet tot negatieve effecten op de beschermingszone natte landnatuur.
Nationaal landschap
Alle locaties, op Cortenoeverseweg 94 Brummen na, liggen binnen Nationaal Landschap De Veluwe – Zuidelijke IJsselvallei. Dit betekent een zeer gevarieerd landschap: open uiterwaarden, kleinschalig agrarisch gebied, bos, heide, lanen, houtwallen en landgoederen wisselen elkaar af. Deze variatie is essentieel voor de ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van het gebied. Voorliggend initiatief draagt bij aan de kernkwaliteiten van de Zuidelijke IJsselvallei door de aanleg van onder meer bomen, struweel en poelen.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
EcoTierra Ecologisch Adviesbureau heeft voor alle locaties een potentiecheck uitgevoerd. De resultaten van deze check zijn getoetst aan de Omgevingswet en aan eventuele andere relevante natuurwetgeving. In Bijlage 1 zijn de bevindingen opgenomen. Voor alle locaties wordt geconcludeerd dat het realiseren van de groen- en watervoorzieningen niet leidt tot overtreding van de Omgevingswet. De plannen hebben juist een hogere natuurwaarde/biodiversiteit tot gevolg.
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
In het plangebied gelden meerdere dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologie laag', 'Waarde - Archeologie hoog', 'Waarde - Archeologie middelmatig' en 'Waarde - Archeologie waardevol'. In voorliggend plan zijn de geldende archeologische bestemmingen overgenomen.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
Er zijn geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig in of nabij het plangebied. Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden kent.
Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, indien vervolgonderzoek uitgevoerd is en hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
Voorliggende wijziging op het omgevingsplan voorziet in de aanleg van groen- en watervoorzieningen. Deze landschapsversterkende maatregelen dragen bij aan de landschappelijke kwaliteit van de gemeente Brummen. In Bijlage 2 is hiervoor een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Er wordt geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van vaststelling van voorliggende wijziging op het omgevingsplan.
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemers van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
In voorliggend geval is er geen sprake van te verhalen kosten omdat er sprake is van een gemeentelijk plan.
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
De inrichtingsplannen zijn in overleg met de perceeleigenaren opgesteld en ter goedkeuring ondertekend.
De wijziging van het omgevingsplan is met de betrokken instanties afgestemd.
De wijziging van het omgevingsplan heeft vanaf 20 december 2025 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Er is één zienswijze ingediend. De zienswijze wordt behandeld in de 'Nota beantwoording zienswijze' in Bijlage 3.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-Omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.
Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.
Dit TAM-omgevingsplan beoogt de planologisch-juridische borging van het omzetten van een agrarische functie naar een natuurfunctie. Het plan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22t) van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22t van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22t' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22t’ gelezen worden.
Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 1 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt:
Artikel 1 (Toepassingsbereik)
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” en de overige gebiedsaanwijzingen uit het plaatselijk planologisch regime. De regels uit de diverse paraplubestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.1) zijn inhoudelijk overgenomen.
De functie Natuur is opgenomen voor de gronden waar landschapsversterkende maatregelen worden genomen. De begrenzing van deze functie is overeenkomstig zoals ingetekend in de landschapsplannen. Deze functie is bedoeld voor de bescherming, behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De regels sluiten aan bij de bestemming 'Natuur' uit het huidig planologisch regime in het buitengebied van de gemeente Brummen.
Voor de overige artikelen zijn de regels uit het geldende planologisch regime overgenomen.