| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Vosstraat 23-23a Hall |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0213.TAMBG7000-va01 |
Voorliggende wijziging op het omgevingsplan heeft betrekking op de gronden aan de Vosstraat 23 en 23a in Hall (hierna: plangebied). In het plangebied zijn twee woningen aanwezig en een chiropractiepraktijk voor paarden en honden. Initiatiefnemers willen de planologische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie en het omgevingsplan wijzigen.
Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen: gemeente Brummen, sectie N, nummers 184, 199, 364, 366, 379 en 380.
Afbeelding 1.1 laat de ligging van het plangebied zien. Het plangebied is links aangegeven met een rode ster en rechts met een rood kader. De exacte begrenzing van het plangebied staat op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan.
|
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: OpenStreetMap) |
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Ter plaatse bestaat het omgevingsplan van rechtswege uit de volgende documenten:
In dit geval kan het "Paraplubestemmingsplan bos-, natuur- en waterbestemmingen" buiten beschouwing worden gelaten, omdat binnen het plangebied deze bestemmingen niet voorkomen. Hierna wordt ingegaan op de regels van de geldende bestemmingsplannen. Omdat deze bestemmingsplannen zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'.
Voor de verbeelding van het geldend planologisch regime is met name bestemmingsplan "Buitengebied 2008" en "Paraplubestemmingsplan Archeologie" relevant. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van deze bestemmingsplannen opgenomen. Het plangebied is met de rode omlijning indicatief aangegeven.
|
| Afbeelding 1.2: Geldend planologisch regime (Bron: Omgevingsloket) |
Hieronder worden de ter plaatse geldende bestemmingen verder beschreven.
'Agrarisch met landschapswaarden'
De voor 'Agrarisch met landschapswaarden' aangewezen grond is met name bestemd voor agrarische doeleinden, agrarische bouwpercelen met bijbehorende erven alsmede het behoud, beheer en/of herstel van de landschappelijke, aardwetenschappelijke en ecologische waarden. Hieraan ondergeschikt zijn ook het uitoefenen van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf en het op hobbymatige basis houden van dieren toegestaan.
Gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het bestaand aantal dienstwoningen geldt als maximum. Maximaal 50 m² van de oppervlakte van bebouwing mag worden gebruikt voor een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf mits deze activiteiten geen aanzienlijke verkeersaantrekkende werking hebben.
Nieuwvestiging en hervestiging van een intensieve veehouderij(tak), omschakeling naar intensieve veehouderijen alsmede de uitbreiding hiervan binnen het extensiveringsgebied, is niet toegelaten ter plaatse van de aanduiding 'Extensiveringsgebied'. Ter plaatse van de aanduiding 'Beslotenheid/Houtopstanden' is vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen tengevolge kunnen hebben verboden zonder aanlegvergunning.
Overige toegelaten functies
In Bijlage M van bestemmingsplan "Buitengebied 2008" zijn lijsten opgenomen van toegelaten functies. Het voert te ver om alle functies hier te benoemen. De genoemde functies die zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'Agrarisch gebied - waardevol landschap' geldt als maximum. Ter plaatse van de aanduiding 'Landgoederenzone (EHS-natuur)' zijn minder functies toegestaan. Als voorbeeld is een dierenartspraktijk toegestaan als vervolgfunctie van een voormalig agrarisch bedrijf, met een maximumoppervlakte van 500 m2.
'Waarde - Archeologie laag'
De voor 'Waarde - Archeologie laag' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.
Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. Dit verbod geldt ook voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2.
'Waarde - Archeologie middelmatig'
De voor 'Waarde - Archeologie middelmatig' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.
Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. Dit verbod geldt ook voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2.
'Overige zone - landgoederenzone'
Bij het "Paraplubestemmingsplan landschapselementen buitengebied" is op het plangebied de aanduiding 'overige zone - landgoederenzone' van toepassing. Ter aanvulling op de regels die bij de agrarische bestemming gelden zijn diverse landschapselementen toegestaan. Voor de aanleg van deze landschapselementen is in afwijking van de regels uit bestemmingsplan "Buitengebied 2008" geen (omgevings)vergunning nodig.
In het plangebied zijn twee woningen aanwezig en een chiropractiepraktijk voor paarden en honden. Van een agrarisch bedrijf is geen sprake. De activiteiten zijn daarom niet in overeenstemming met de gebruiksregels van bestemmingsplan "Buitengebied 2008". Daarnaast is het gebruik van de weidegronden binnen het plangebied voor weiden van hobbymatig gehouden dieren als hoofdgebruik niet toegestaan. Het is daarom nodig de planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie door het omgevingsplan te wijzigen. Dit gebeurt door middel van een TAM-omgevingsplan. Dit staat hieronder verder beschreven.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in Hoofdstuk 13 nader op ingegaan.
Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In Hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in Hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'. Hoofdstuk 10 gaat in op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 bevatten de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie. Ten slotte wordt in Hoofdstuk 13 ingegaan op de juridische planverantwoording van het TAM-omgevingsplan.
Zoals eerder genoemd ligt het plangebied aan de Vosstraat 23 en 23a in Hall. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Brummen. In de omgeving van het plangebied komen meerdere (voormalig) agrarische erven voor. Deze erven bestaan uit één of meerdere (bedrijfs)woningen en meerdere bijgebouwen die relatief dicht bij elkaar staan. Het erf in het plangebied is daar ook een voorbeeld van. Het omliggende landschap bestaat uit agrarische cultuurgronden (weilanden), onderbroken door houtsingels. Daarnaast bestaat het landschap uit verschillende bospercelen, die onderdeel zijn van het natuurgebied 'Landgoederen Brummen'.
Initiatiefnemers hebben een document opgesteld waarin gedetailleerd de huidige situatie in het plangebied staat beschreven. Dit document is opgenomen in Bijlage 1. Hieronder staat een beknopte beschrijving van de inrichting van het plangebied.
Bij de Vosstraat 23 horen de volgende functies en gebouwen:
Bij de Vosstraat 23a horen de volgende functies en gebouwen:
Toelichting bedrijfsactiviteiten
De bedrijfsactiviteit in het plangebied is een chiropractiepraktijk voor paarden en honden. Een chiropractor gebruikt handmatige manipulatie en aanpassingen van de wervelkolom om de functies te verbeteren, pijn te verminderen en het natuurlijke vermogen tot genezing te bevorderen. Het is daarbij belangrijk om de juiste diagnose te kunnen stellen. Daarom moeten paarden buiten kunnen lopen. Dit gebeurt in de paardrijbak. Tussen de paardrijbak en gebouw B is een voormalige roundpen. De ondergrond is hier nog zand, maar van een tweede paardrijbak is geen sprake en is ook geen sprake geweest.
Naast het geven van enkele behandelingen en workshops gebeurt het merendeel van de bedrijfsactiviteiten niet in het plangebied. Bij zieke dieren gebeurt de behandeling vaak bij de klanten, zodat die het dier niet naar het plangebied hoeven te vervoeren. Gemiddeld is sprake van 10 verkeersbewegingen in een week.
Onderstaande afbeelding is een luchtfoto van het voormalig agrarisch erf in het plangebied (rood kader) met daarin de verschillende gebouwen aangegeven. De gebouwen bij de Vosstraat 23 hebben blauwe letters, de gebouwen bij de Vosstraat 23a hebben groene letters. In afbeelding 2.2 staat een luchtfoto van het hele plangebied.
|
| Afbeelding 2.1: Luchtfoto voormalig agrarisch erf (Bron: PDOK, bewerkt) |
|
| Afbeelding 2.2: Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK) |
Zoals al eerder is genoemd, zijn de bestaande activiteiten niet toegestaan op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied 2008". Initiatiefnemers willen dan ook de planologische situatie met de feitelijke situatie in overeenstemming brengen. Hiervoor worden geen bouwwerkzaamheden of andere grote veranderingen in de fysieke ruimte verricht. De chiropractiepraktijk voor paarden en honden is vergelijkbaar met de lichtste milieucategorie bedrijven (categorie 1). Deze wijziging van het omgevingsplan laat geen ruimte voor zwaardere bedrijvigheid (zie ook paragraaf 13.3). Tot slot voegt dit plan in planologische zin één woning toe. De woning aan de Vosstraat 23a is planologisch gezien nu een bedrijfswoning. Deze woning wordt met dit plan omgezet naar een reguliere burgerwoning.
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied.
Van het aanleggen of veranderen van openbare ruimte is geen sprake bij dit voornemen. Dit aspect wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Voor de berekening van de parkeerbehoefte moeten de normen uit het "Paraplubestemmingsplan parkeren" worden gebruikt. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering', publicatie 744 (augustus 2024) van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
Verkeersgeneratie
De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan.
Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het plan het volgende beeld:
| Functie | Verkeersgeneratie | Aantal wooneenheden | Totale verkeersgeneratie |
| Koop, huis, vrijstaand | 8,2 | 2 | 16,4 |
| Overige gebouwen | - | - | 2,86 |
| Totale verkeersgeneratie (naar boven afgerond) | 20 | ||
De totale verkeersgeneratie in de gebruiksfase komt neer op afgerond 20 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Gesteld wordt dat de Vosstraat deze geringe verkeersgeneratie veilig en vlot kan verwerken.
Parkeerbehoefte
Voor het berekenen van de parkeerbehoefte moeten de parkeernormen uit het "Paraplubestemmingsplan Parkeren" worden gebruikt. Het plangebied ligt in het buitengebied, daarom worden de normen uit artikel 5.5 van het bestemmingsplan aangehouden. Voor de overige gebouwen is geen overeenkomende functie uit artikel 5.5 beschikbaar. Omdat sprake is van het behandelen van dieren, is hier voor de parkeernorm aangesloten bij de functie 'huisartsenpraktijk (-centrum)'. De norm geldt per behandelkamer. Van behandelkamers zoals in een huisartsenpraktijk is geen sprake. In het bedrijfsgebouw is sprake van één behandelruimte (Bijlage 1). Daarom wordt aangesloten bij de norm voor één behandelkamer.
Op basis van de parkeernormen is sprake van de volgende parkeerbehoefte:
| Functie | Parkeernorm | Aantal wooneenheden/behandelkamers | Totale parkeerbehoefte |
| Koop, huis, vrijstaand | 2,4 per woning | 2 | 4,8 |
| Overige gebouwen | 3,25 per behandelkamer | 1 | 3,25 |
| Totale parkeerbehoefte (naar boven afgerond) | 8,05 (9) | ||
Voor de beide woningen geldt een totale parkeerbehoefte van 5 parkeerplaatsen. Voor de woningen geldt dat op eigen terrein (oprit) voldoende ruimte is voor de eigen parkeerbehoefte. Op het terrein is voldoende ruimte voor 10 parkeerplaatsen. Gezien de verwachtte verkeersgeneratie (10 auto's per week) en de parkeernorm uit het paraplubestemmingsplan wordt gesteld dat dit voldoende is voor de verwachte parkeerbehoefte.
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over:
De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het plangebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'.
Bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Op basis van onderstaande uitspraken blijkt dat er voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
Voor bedrijven is 'in beginsel' sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij de toevoeging van een gebouw van minimaal 500 m2 bruto vloeroppervlak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724).
De woning aan de Vosstraat 23a wordt omgezet van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. Planologisch gezien wordt er dus één woning toegevoegd. Hiermee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast voegt voorliggend plan een bedrijfsfunctie toe. Het gebouw bedoeld voor chiropractie heeft een BVO van circa 386 m2. Ook hier is, gelet op de drempelwaarde, geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
De gemeente Brummen heeft een biomorfologische kaart opgesteld van de gemeente. Op deze kaart is de gemeente verdeeld in 22 deelgebieden. Voor elk gebied zijn de landschapskenmerken en de waargenomen plant- en diersoorten beschreven. Het plangebied ligt in deelgebied 15: Landgoederen zone. Hieronder staan de landschapskenmerken van dit deelgebied.
Hoewel typische landschapselementen beduidend minder aanwezig zijn dan in de huidige landgoederenzone, zijn er toch diverse belangrijke elementen te vinden in het gebied. Oude houtwallen, bomenlanen en hier en daar een boomgaard kleden het verder vrij open gebied aan. Poelen liggen verspreid door het gebied en enkele beken stromen tussen de landbouwpercelen door richting de IJssel. Bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit boerderijen, waarbij de inrichting van de boerenerven varieert van volledig ingericht op een bedrijfsfunctie, met geen of weinig ruimte voor groen, tot groene parels tussen de open landbouwgronden.
Toetsing van het initiatief
Voorliggend plan ziet alleen toe op een planologische wijziging. Bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte vinden niet plaats. Op het erf zijn tientallen bomen aanwezig en de tuinen van de woningen zijn voor een deel begrenst met hagen. De landschappelijke waarden in het deelgebied en het groen op het erf blijft met voorliggend plan behouden.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het Europees, rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3.
In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.
Bij voorliggende ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in deze onderbouwing opgenomen ontwikkeling.
In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 is reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.
De omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat historisch en landschappelijk gezien heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat moet worden beschermd. Daarnaast geeft de provincie richting aan wat ze willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen.
In de visie staan de volgende begrippen centraal: gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met gezond en veilig worden een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Met schoon en welvarend worden een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
Op het plangebied zijn de volgende aanduidingen van toepassing: ‘Grote zonneparken onder voorwaarden mogelijk’, 'Windenergie mogelijk' en voor een deel van het plangebied 'Groene ontwikkelingszone'. Gelet op het voornemen zijn de onderwerpen wind- en zonne-energie niet relevant. Hieronder staat het beleid wat hoort bij de 'Groene ontwikkelingszone'.
De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. In de Groene ontwikkelingszone is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de Groene ontwikkelingszone, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen.
Zoals eerder beschreven vinden er als gevolg van dit plan geen bouwwerkzaamheden plaats of andere veranderingen in de fysieke ruimte. Het plan tast daarmee de waarden van de Groene ontwikkelingszone niet aan. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsvisie.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Gelderland.
De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.
Op het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen van toepassing: 'ammoniakbuffergebied', 'Gelderse streek IJsselvallei', 'glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied', 'nationale landschappen' en 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland'. Gelet op het voornemen zijn met name de regels voor 'ammoniakbuffergebied' en 'Gelderse streek IJsselvallei' relevant. Het gaat om artikel 5.38 en 5.82.
|
Artikel 5.38 - Beschermen landschap Gelderse streken: IJsselvallei Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek IJsselvallei. |
Voor de beschrijving van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap wordt verwezen naar de bijbehorende bijlage uit de Omgevingsverordening Gelderland.
|
Artikel 5.82 - Niet-grondgebonden veehouderij in ammoniakbuffergebied Een omgevingsplan laat binnen een ammoniakbuffergebied: a. hervestiging van een niet- grondgebonden veehouderijbedrijf en nieuwvestiging of hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderijtak niet toe; en b. uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijtak alleen toe als die uitbreiding niet leidt tot een toename van de emissie van ammoniak. |
Zoals eerder beschreven vinder er als gevolg van dit plan geen bouwwerkzaamheden plaats of andere veranderingen in de fysieke ruimte. Het plan tast daarmee de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Gelderse streek IJsselvallei niet aan. Een versterkingsplan is dan ook niet nodig (zie ook paragraaf 12.2). Met het vaststellen van dit plan verdwijnt een agrarisch bouwvlak en kan dus geen niet-grondgebonden veehouderij meer worden opgericht. Gesteld wordt dat het plan daarmee bijdraagt aan het ammoniakbuffergebied. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening.
Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
Het gemeente beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema's gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de 'Toekomstvisie Brummen 2030'.
De toekomstvisie maakt heldere keuzes voor de toekomst van Brummen en geeft daarmee een duidelijke koers aan richting 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. Het is een inspiratiekader, dat laat zien wat en wie Brummen wil zijn in 2030. Het is geen opsomming van beleidskeuzes voor de komende vijftien jaar. De richting is duidelijk. Hoe de gemeente daar komt, wordt de komende jaren ingekleurd door de gemeentelijke politiek, de gemeentelijke organisatie en de inwoners en ondernemers van Brummen
De prachtige natuur, het veelzijdige landschap en de landgoederen zijn kernwaarden van de identiteit van Brummen. Het buitengebied vormt daarmee een belangrijke pijler. De boer, de natuurbeheerder en de landgoedeigenaar zijn de belangrijkste beheerders van het buitengebied. Ingezet wordt op versterking van het buitengebied. Niet door stilstand, maar door vernieuwing met respect voor het oude. Het boerenbedrijf vormt het krachtige centrale punt in deze vernieuwing.
De agrarische sector bestaat in Brummen vooral uit veehouderij. De Brummense veehouderij is een krachtige economische sector die beeldbepalend is in het buitengebied. De agrarische sector krijgt in Brummen de ruimte om zich te ontwikkelen. Daarbij gaan ontwikkelruimte en vernieuwing hand in hand. De bescherming van cultuurhistorie (monumenten en archeologische vondsten), landgoederen, natuur en landschappen blijft verankerd in wet- en regelgeving.
De ontwikkelruimte voor bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied hangt af van de relatie die zij hebben met het buitengebied. Nieuwe grootschalige niet-agrarische bedrijven horen thuis op een bedrijventerrein. Kleinschalige bedrijven in bijvoorbeeld de zorg, dienstverlening of creatieve sector zijn wel inpasbaar in bestaande gebouwen in het buitengebied, bijvoorbeeld op een landgoed of boerderij.
Voorliggend plan kent een bedrijfsfunctie toe aan het erf van de Vosstraat 23. Daarmee is planologisch gezien sprake van het toevoegen van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied. De bedrijfsfunctie is bedoeld om de bestaande chiropractie voor dieren planologisch 'bij recht' toe te staan. De praktijk is geen grootschalig bedrijf. In de praktijk worden honden en paarden behandeld, de praktijk heeft daarmee dus een relatie met het buitengebied. Tot slot is relevant dat er geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden: het bedrijf is gevestigd in een bestaand gebouw op het erf (zie paragraaf 2.1). Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de 'Toekomstvisie Brummen 2030'.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Aan de hand van de kaart 'Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten' van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van bovengenoemde kaart met betrekking tot het plangebied (blauwe ster) en de directe omgeving weergegeven.
|
| Afbeelding 5.1: Uitsnede kaart veiligheidsinformatie (Bron: Atlas van de leefomgeving) |
Het plangebied ligt op circa 540 meter van een buisleiding. Hiermee valt het plangebied ruim buiten het brandaandachtsgebied en de personen-risicocontour. Een verantwoording van het personenrisico is niet nodig. De buisleiding heeft een diameter van 8 inch en een werkdruk van 40 bar. De 1%-letaliteitsgrens ligt daarmee op 100 meter vanaf het hart van de buisleiding. Het plangebied ligt op ongeveer 540 meter afstand van de buisleiding, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet nodig is.
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
Met de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) 2050 zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die het waterschap als leidende principes toepast in de BOVI 2050. De ruimtelijke ontwikkeling wordt gedomineerd door de grote vraag naar extra ruimte voor woningbouw, opwekking van duurzame energie en klimaatadaptatie. Het waterschap stelt dat een duurzaam watersysteem een belangrijke drager is van de ruimtelijk-economische ontwikkeling. Het grondwatersysteem is van essentieel belang voor de watervoorziening in het gebied van Vallei en Veluwe. Daarom zet het waterschap zoveel mogelijk in op het schoon- en vasthouden van water en het terugbrengen van water in de bodem. Tot slot wil het waterschap graag met een open en samenwerkingsgerichte houding in gesprek met maatschappelijke partners (publiek en privaat), om gezamenlijk positief bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving.
Het plangebied ligt in het deelgebied 'IJsselvallei en oostflank van de Veluwe'. Meer specifiek gelet op de ligging van het plangebied op de kaart behorend bij het deelgebied is het thema ‘Robuust beekdal' van belang. Het oppervlaktewatersysteem van de toekomst is gebaseerd op het vasthouden, bergen en accepteren van water, en tegelijkertijd op het schoonhouden, scheiden en zuiveren van water in ons gebied. Samen met het diepe grondwatersysteem verbinden de beken en watergangen gebieden met watertekort en wateroverschot in ruimte en tijd. Sponswerking van de bodem is hiervan een integraal onderdeel. Het water krijgt de ruimte, langs de grote rivieren, kanalen, beken en ook in de haarvaten. Het waterschap wil Infiltratiecapaciteit en sponswerking van de bodem vergroten, inzetten op water vasthouden en beken weer zichtbaar maken.
Waterschap Vallei en Veluwe heeft een Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 opgesteld waarin staat beschreven wat de doelen zijn, vertaald in gebiedsgerichte gebiedsprogramma’s. Het waterschap streeft naar veiligheid tegen overstromingen en naar een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Daarnaast wil het waterschap in stedelijk gebied zoveel mogelijk water lokaal vasthouden en infiltreren door vergroening en verblauwing. In het BOP heeft het waterschap ook twee veranderopgaven vastgelegd: in 2050 circulair en energieneutraal zijn.
Het plangebied ligt in het deelgebied ‘IJsselvallei’. Gelet op de ligging van het plangebied op de bijbehorende gebiedskaart, ligt de nadruk op het vasthouden van water in een robuust beekdallandschap en een combinatie van circulaire, natuurinclusieve landbouw en beter vasthouden en schoonhouden van water (klimaatmantels).
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).
Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.hetwateradvies.nl). De uitkomst hiervan is opgenomen in Bijlage 2. Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. Verder overleg met het waterschap is niet nodig. Het Waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies.
Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen:
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid' behandeld.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De woningen aan de Vosstraat 23 en 23a worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
In het gemeentelijk omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden vanuit het Bkl voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de woningen in het plangebied weer ten opzichte van de Vosstraat.
|
| Afbeelding 7.1: Ligging plangebied ten opzichte van de Vosstraat (Bron: Atlas van de leefomgeving) |
De woning aan de Vosstraat 23 ligt op ongeveer 83 meter afstand van de Vosstraat en de woning aan de Vosstraat 23a ligt op ongeveer 113 meter afstand.
In het Bkl worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw. Uitgangspunt is dat aan de standaardwaarde voor geluid moet worden voldaan (artikel 5.78t lid 1 Bkl). Voor gemeentelijke wegen is de standaardwaarde 53 dB. Zoals in afbeelding 7.1 te zien is heeft de Vosstraat een beperkte geluidsuitstraling. Voor de woningen geldt dan ook dat het geluid op de buitengevel naar verwachting minder is dan 45 dB. Gesteld wordt dat hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarden voor geluid uit het Bkl. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet nodig.
Het plangebied ligt op ongeveer 2,3 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Hiermee wordt ruim voldaan aan de afstandsnormen uit het Bkl. Onderzoek naar railverkeerslawaai is niet nodig.
Daarnaast ligt het plangebied niet in de nabijheid van een geluidgezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar industrielawaai is niet nodig.
Om geluidhinder van solitaire bedrijvigheid te bepalen kan worden aangesloten bij de systematiek uit de VNG handreiking 'Milieuzonering nieuwe stijl' (mei 2019). Deze handreiking gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De systematiek uit de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast.
In voorliggend geval wordt voor het plan de systematiek van de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aangehouden. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst.
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.
Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is.
Het plangebied ligt in het buitengebied en ligt niet nabij een drukke weg. Er wordt in dit geval dan ook uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden behorende bij zowel het omgevingstype rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven.
| Milieucategorie | Richtafstanden 'rustige woonwijk' | Richtafstanden 'gemengd gebied' |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
| 5.1 | 500 m | 300 m |
| 5.2 | 700 m | 500 m |
| 5.3 | 1.000 m | 700 m |
| 6 | 1.500 m | 1.000 m |
Situatie plangebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.
Hierbij spelen twee vragen een rol:
Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
De chiropractie voor dieren is niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Gelet op de activiteiten is sprake van lichte bedrijvigheid. Als referentie kan de milieucategorie worden aangehouden voor een reguliere artsenpraktijk of kliniek: milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De afstand tussen het gebouw waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden en de woning aan de Vosstraat 23a bedraagt ongeveer 20 meter. Andere reguliere woningen liggen op grotere afstand. Hiermee wordt dus voldaan aan de richtafstand. De woning aan de Vosstraat 23 blijft een bedrijfswoning. Onder de bruidsschat gelden de waarden voor geluid, trillingen, geur en slagschaduw niet voor de eigen bedrijfswoning (voor geluid geldt artikel 22.58). Hiermee kan geconcludeerd worden dat het bedrijf past in de omgeving.
Een paardrijbak geldt ook als milieubelastende functie en kent een richtafstand van 50 meter. De woning aan de Vosstraat 23 ligt op ongeveer 60 meter van de paardrijbak. De woning aan de Vosstraat 23a ligt op ongeveer 65 meter van de paardrijbak. Andere woningen liggen op grotere afstand. Hiermee wordt dus voldaan aan de richtafstand.
Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.
Onderstaande tabel geeft de omliggende milieubelastende functies weer met de daarbij behorende richtafstanden voor geluid. Voor de werkelijke afstand is telkens gemeten vanaf de milieubelastende inrichting tot het plangebied.
| Adres | Functie | Richtafstand | Werkelijke afstand |
| Vosstraat 23* | - | - | - |
| Vosstraat 27 | Fokken en houden van rundvee | 30 meter | 460 meter |
| Vosstraat 24 | Fokken en houden van rundvee, pluimvee, overige dieren | 50 meter | 550 meter |
* Zoals hierboven beschreven vormt het bedrijf aan de Vosstraat 23 geen belemmering voor de woningen aan de Vosstraat 23 en 23a.
Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat de omgeving de functie wonen toelaat.
Vanuit de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai, evenals geluidhinder van individuele bedrijven is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De milieubelastende functies (chiropractie voor manuele therapie voor dieren en paardrijbak) zorgen niet voor aantasting van het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied en omliggende milieugevoelige functies. Daarnaast leiden de woningen in het plangebied niet tot beperkingen voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies.
Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door het in onderlinge samenhang:
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Door De Klinker Milieu Adviesbureau is een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het rapport staat in Bijlage 3. Hieronder staan de conclusies uit het rapport.
Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek
Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:
Het terrein is naar het inzien van De Klinker Milieu Adviesbureau op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Om te beoordelen of het voornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. De NIBM-tool gaat uit van de toename in verkeersbewegingen als gevolg van een ontwikkeling. Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2. Voor het vrachtverkeer is daarnaast uitgegaan van een toename van 5% (worst-case).
Onderstaande afbeelding geeft de uitslag van de NIBM-tool weer.
|
| Afbeelding 7.2: Berekening bijdrage luchtkwaliteit (Bron: NIBM-tool) |
Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.
Veehouderijen
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:
Veehouderijen
Voor diersoorten waarvoor geen emisiefactor is vastgesteld geldt vanuit de bruidsschat een vaste afstandsnorm van 50 meter. In paragraaf 7.1.2.3 is een tabel opgenomen met de meest nabijgelegen milieubelastende functies. Hiervan zijn twee agrarische bedrijven die rundvee houden. De afstand tussen deze bedrijven en het plangebied is ruim meer dan 50 meter.
Bij het agrarisch bedrijf aan de Vosstraat 27 wordt rundvee gehouden. De afstand tussen het bedrijf en het plangebied is circa 460 meter. Hiermee wordt dus ruim voldaan aan de benodigde minimale afstand.
Voor het agrarisch bedrijf aan de Vosstraat 24 geldt dat deze ook diersoorten houdt die geen vastgestelde emissiefactor hebben. Dit plan voegt echter geen nieuwe geurgevoelige objecten toe: de woningen in het plangebied zijn ook onder het huidige planologisch regime geurgevoelige objecten. De vaststelling van dit plan levert dan ook geen extra beperkingen op voor het agrarisch bedrijf aan de Vosstraat 24. Daarnaast kan gelet op de afstand tot het plangebied (ca. 550 meter) gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Tot slot geldt voor het bedrijf op het erf van de Vosstraat 23 dat geen sprake is van het houden van dieren.
Mestopslag
Op het erf van de Vosstraat 23 zijn kuilvoerplaten aanwezig ten behoeve van het opslaan van mest van paarden. De capaciteit bedraagt meer dan 3 m3. Conform artikel 5.120 Bkl moet de opslag oop miniimaal 50 meter liggen van een geurgevoelig gebouw (buiten bebouwingscontour). De dichtstbijzijnde woning (Vosstraat 23a) ligt op 52 meter van de kuilvoerplaten, zie onderstaande afbeelding.
|
| Afbeelding 7.3: Afstand kuilvoerplaten en woning Vosstraat 23a (Bron: PDOK, bewerkt) |
In de regels is een bepaling opgenomen dat de mestopslag op minimaal 50 meter van woningen moet plaatsvinden (niet zijnde de dienstwoning Vosstraat 23). Ten aanzien van geur vormt dit dus geen belemmering voor vaststelling van voorliggende wijziging van het omgevingsplan.
In de regels is een bepaling opgenomen dat de mestopslag op minimaal 50 meter van woningen moet plaatsvinden (niet zijnde de dienstwoning Vosstraat 23). Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Het plangebied ligt op ongeveer 2,3 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Van trillingshinder is dan ook geen sprake.
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000).
De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek. Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.
Algemeen
In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Ook draagt het voornemen 'niet in betekenende mate' bij aan luchtverontreiniging.
De chiropractiepraktijk voor paarden en honden draagt bij aan de gezondheid van dieren. Hoewel gezondheid van dieren niet in de Omgevingswet is opgenomen wordt gesteld dat de beoogde situatie wenselijk is vanuit het oogpunt van gezondheid.
Spuitzonering
De agrarische gronden in het plangebied worden niet gebruikt voor het verbouwen van gewassen. In de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan is een aanduiding opgenomen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitsluit (zie ook paragraaf 13.3). Op perceel sectie N nummer 269 wordt gras verbouwd en op perceel sectie N nummer 367 wordt gras en maïs verbouwd. Bij het verbouwen van gras is sprake van weinig driftrisico, omdat laag bij de grond wordt gespoten. Dit geldt ook voor maïs, omdat alleen bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt in de periode (circa 8 weken) tussen zaaien en volledige grondbedekking. Hierbij is dus ook weinig driftrisico. Verder wordt opgemerkt dat ook niet-chemische bestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn en dat ook kan worden gewerkt met mechanische onkruidbestrijding. Voor zover relevant is geen sprake van uitbreiding van de (voormalig) agrarische bedrijfswoningen en bijbehorende tuinen.
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect duurzaamheid kent geen directe instructieregel uit het Bkl. De gemeente Brummen is op meerdere vlakken actief om duurzaamheid te bevorderen binnen de gemeente. Dit varieert van een regeling voor afkoppelen van regenwater, beleid over de aanleg van wind- en zonne-energie en de eerder beschreven biomorfologische kaart.
Zoals eerder beschreven zorgt het voornemen niet voor bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte. Het voornemen doet dan ook geen afbreuk aan het aspect duurzaamheid.
Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op circa 5 meter afstand van het Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen'. Gemeten vanaf het erf bedraagt deze afstand circa 70 meter. Tussen het erf en het Natura 2000-gebied ligt een weiland. Mogelijke directe effecten op het Natura 2000-gebied bestaan uit geluidhinder en lichthinder. Een indirect effect is de depositie van stikstof als gevolg van het voornemen.
De beoogde functies van het erf zijn wonen en bedrijf. Voor zover het wonen betreft kan worden gesteld dat er geen sprake is van directe effecten met significante negatieve impact op het Natura 2000-gebied. De chiropractie voor dieren zorgt voor enige verkeersbewegingen. De auto's staan geparkeerd op ongeveer 120 meter afstand tot het Natura 2000-gebied. Daarnaast is er een bomenrij/houtsingel aanwezig op het erf. Lichtuitstraling van koplampen op het Natura 2000-gebied wordt hierdoor beperkt en geluid van de motor en dichtslaan van portieren enigszins gedempt. Overigens vinden de bedrijfsactiviteiten alleen overdag plaats. 's Avonds en 's nachts leidt het bedrijf tot geen enkele directe effecten. Gesteld wordt dat de directe effecten overdag geen significante negatieve gevolgen hebben.
De paardrijbak kan ook directe invloed hebben op het Natura 2000-gebied. De paardrijbak wordt verlicht aan de oostzijde. De lichtstraal is op de bak gericht, dus van het natuurgebied af. Aan de westzijde van de paardrijbak zijn geen lampen. Voor zover relevant wordt de paardrijbak hoofdzakelijk overdag gebruikt en staan de lampen dus weinig aan. Het gebruik van de paardrijbak leidt niet tot significante negatieve gevolgen.
Naast de directe effecten is ook de mogelijke depositie van stikstof van belang. Hiervoor heeft BJZ.nu een AERIUS-berekening (stikstofberekening) uitgevoerd. Het rapport staat in Bijlage 4. Hieronder staat de conclusie opgenomen.
AERIUS-berekening
Bij het voornemen vinden geen bouwwerkzaamheden plaats, waardoor er geen sprake is van een aanlegfase. Daarom is alleen de gebruiksfase berekend.
Uit de berekening van de gebruiksfase van het voornemen volgt dat per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
GNN-gebieden
Het plangebied grenst aan de zuid- en oost-zijde aan GNN-gebied. Het voornemen zorgt niet voor areaalvermindering van het GNN-gebied en er worden ook geen groenstructuren doorsneden. Gelet op de hierboven beschreven beperkte directe effecten kan worden geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN.
Houtopstanden
Voor voorligged plan worden geen houtopstanden aangetast of bomen gekapt.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Zoals eerder beschreven zijn voor het voornemen geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte nodig. Zo is er ook geen sprake van het slopen van gebouwen of kappen/verwijderen van relevante groenstructuren. Om inzichr te krijgen in de gevolgen van een activiteit voor beschermde soorten kon gebruik worden gemaakt van de Effectenindicator. De Effectenindicator gaf generieke informatie over mogelijke effecten van een activiteit. Aanlegactiviteiten (bijv. kappen van bomen, graafwerkzaamheden) zijn niet van toepassing. Voor gebruiksactiviteiten zijn in de Effectenindicator alleen activiteiten opgenomen met een relatief grote effecten, zoals gaswinning, landbouw of visserij. Het voorliggend TAM-omgevingsplan maakt de planologische mogelijkheden om een agrarisch bedrijf uit te oefenen ongedaan. Gezien de aard en omvang van de gebruiksactiviteiten in het plangebied kan worden gesteld dat het voornemen geen negatieve invloed heeft op eventueel aanwezige beschermde dier- en plantsoorten. Door het uitsluiten van agrarische bedrijfsactiviteiten kunnen negatieve invloeden worden uitgesloten, waarmee het plan indirect een positieve bijdrage levert aan eventueel aanwezige beschermde dier- en plantsoorten.
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
Bij het voornemen worden geen bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. Daarmee is archeologisch onderzoek niet nodig.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
Het voornemen heeft zoals gezegd geen invloed op de fysieke ruimte (geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen). Daarnaast zijn er geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig in of nabij het plangebied. Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden kent.
Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
Zoals eerder beschreven zijn er voor het voornemen geen bouwwerkzaamheden of andere ingrepen in de fysieke ruimte nodig. Voorliggende wijziging op het omgevingsplan ziet uitsluitend toe op een functiewijziging. De chiropractie heeft een BVO van minder dan 500 m2. Gelet op de aard en omvang van het voornemen wordt de conclusie getrokken dat hier geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieugevolgen als gevolg van het voornemen zijn in voorgaande hoofdstukken beschreven.
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemers van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
In dit geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemers en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemers komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
Initiatiefnemers hebben per brief de omwonenden geïnformeerd over het voornemen en de geadresseerden uitgenodigd voor een bijeenkomst. Op 6 juni waren de omwonenden aanwezig in het plangebied en kregen zij een rondleiding. Ook was er een presentatie waarin het voornemen werd besproken en de procedure werd uitgelegd. Tijdens de avond was alle ruimte om vragen te stellen. Er werden enkele vragen gesteld over het uitgevoerde stikstofonderzoek en de verkeersgeneratie van de chiropractie. De vragen zijn naar tevredenheid beantwoord.
Provincie Gelderland: voor de ter inzage ligging van voorliggende wijziging op het omgevingsplan wordt het plan aan de Provincie Gelderland toegestuurd. De provincie heeft de volgende reactie uitgebracht:
"Het plan mag onderbouwd worden met een zinsnede en er zal geen volledig versterkingsplan nodig zijn. Dit komt omdat het plan in GO gaat van de bestemming agrarisch bouwvlak naar niet-agrarisch bedrijfsterrein. Als het nieuwe bedrijfsterrein binnen milieucategorie 1 of 2 valt, heeft dit dezelfde impactwaarde als een agrarisch bouwvlak. Aangezien er ook geen bestaande natuurwaarde verloren gaan, zal de versterkingsopgave nul zijn."
De chiropractie kan wordt aangemerkt als milieucategorie 1. Een versterkingsplan is dan ook niet nodig.
Waterschap Vallei en Veluwe: uit de digitale watertoets komt de 'geen belang' procedure. Het waterschap hoeft dan niet van tevoren ingelicht te worden over het plan en geeft op voorhand een positief advies.
De wijziging van het omgevingsplan heeft voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-Omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.
Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie [naam van de locatie van het plan] en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22a.’ gelezen worden.
Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt.
Artikel 3 (Toepassingsbereik)
1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Vosstraat 23-23a, Hall, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.TAMBG7000-va01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
NB: Het omgevingsplan bevat in hoofdstuk 23 de slotbepalingen, dus die worden niet in een TAM-omgevingsplan opgenomen.
Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Buitengebied 2008”. De regels uit de diverse paraplubestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.1) zijn inhoudelijk overgenomen. In sommige gevallen is gekozen om van deze regels af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe.
Agrarisch - Agrarisch met landschapswaarden (Artikel 4)
In het plangebied is binnen deze functie geen bouwvlak aanwezig. Daarmee is het uitoefenen van agrarische bedrijvigheid uitgesloten. In de regels is expliciet opgenomen dat het hobbymatig houden van dieren is toegestaan. Dit was als nevenactiviteit al toegestaan, maar is nu als primaire activiteit in de regels opgenomen. Door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten. Dit is noodzakelijk om de gezondheid van omwonenden te kunnen waarborgen.
Gelet op het initiatief is aan de regels toegevoegd dat gronden binnen deze functie mogen worden benut voor een chiropractiepraktijk voor dieren. In de huidige situatie is dit gericht op paarden en honden, maar hiermee wordt ruimte gelaten om ook andere dieren te verzorgen. Met deze specificatie is het niet toegestaan om andersoortige dan wel zwaardere bedrijvigheid uit te voeren. Daarnaast is voor de mestopslag een regel opgenomen dat meer dan 50 meter moet worden aangehouden tot woningen van derden, niet zijnde de dienstwoning.
De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime.
Waarde - Archeologie laag (Artikel 7), Waarde - Archeologie middelmatig (Artikel 8) en Overige zone - beslotenheid/houtopstanden (Artikel 9)
De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime.