| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0209.TAMLeegstraat18-vadf |
Initiatiefnemer wenst, op het perceel tussen Leegstraat 18 en 20 te Winssen, 5 woningen in drie volumes te realiseren. De locatie is in het Woningbouwprogramma en in het structuurmodel Winssen opgenomen als potentiële locatie voor een erfontwikkeling. Het plangebied bestaat momenteel uit agrarische gronden zonder bebouwing.
Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan. Derhalve is gekozen om via een TAM-omgevingsplan het plan te realiseren. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft het College van B&W d.d. 4 juli 2023 principemedewerking toegezegd voor de bouw van de 5 woningen. Dit besluit vormt de aanleiding voor het opstellen van dit TAM-omgevingsplan.
In de huidige situatie maakt het plangebied deel uit van een aantal kadastrale percelen gelegen tussen Leegstraat nummer 18 en 20. De kadastrale percelen gemeente Ewijk, sectie G, nummer 811 en gedeeltelijk de nummers: 875, 876, 877, en 878. De woningen worden in een woonerf ontwikkeld waardoor er samenhang tussen de 5 woningen, in drie volumes, ontstaat.
Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Globale ligging plangebied (blauwe cirkel).
Globale begrenzing plangebied.
De gronden van het beoogde woonperceel zijn op dit moment voor een deel in gebruik als agrarisch gras-/weiland (waaronder voor paarden) en voor een deel voor fruitteelt. Het perceel is momenteel onbebouwd en heeft een totaaloppervlakte van 8.992m². Aan de zuidzijde bevindt zich een toegangsweg die doorloopt tot het einde van het perceel.
De locatie maakt onderdeel uit van het structuurmodel Winssen met de titel 'Wonen in Winssen 2040' en is hierin aangewezen als ontwikkellocatie. In het Panorama: kleinschalige verdichting van de linten is de ontwikkellocatie genoemd als mogelijke erfontwikkeling. Onder het thema ruimtelijke kwaliteit zijn uitgangspunten geformuleerd voor de ontwikkeling van het erfensemble met meer dan één woning in het lint. Uit deze randvoorwaarden is uiteindelijk een ruimtelijk plan gekomen waar de voorkeur is gekomen uit het woonerf type: "Diep, smal erf".
Verbeelding uitsnede uit structuurmodel Winssen met de aangeduide locatie.
Op basis van het structuurmodel is een impressie opgesteld op basis waarvan de gemeente een principeakkoord heeft gegeven. Dit geeft een beeld van de ontwikkeling: onder andere de situering, afmetingen, en grove indeling van de landschappelijke inpassing. Een verdere uitwerking is in dit omgevingsplan toegevoegd en wordt nader toegelicht in paragraaf 2.2.
Impressie ontwerp van de nieuw te bouwen woningen (situatie ontwerp 18 september 2023).
Voor de gronden in het plangebied geldt het tijdelijk omgevingsplan gemeente Beuningen, in werking getreden op 1 januari 2024. Dit tijdelijke omgevingsplan omvat het voormalig bestemmingsplan 'Buitengebied', zoals de gemeenteraad van de gemeente Beuningen dat heeft vastgesteld op 14 juni 2011. Daarnaast is er ter plaatse van het plangebied het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren' van toepassing, vastgesteld op 29 mei 2018. Tenslotte omvat het eveneens het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie', zoals de gemeenteraad van de gemeente Beuningen dat heeft vastgesteld op 11 juli 2023.
Ter plaatse van het plangebied geldt de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Daarnaast vigeren de functies 'Waarde - Archeologie 2' aan de zijde van de Leegstraat, en voor de noordwestelijk gelegen percelen de 'Waarde - Archeologie 4', en 'Waarde - Archeologie 6'.
Uitsnede tijdelijk omgevingsplan met omliggende functies (met locatieaanduiding).
Omdat de beoogde woningen niet passen binnen de geldende functie, zal het (tijdelijke) omgevingsplan gewijzigd moeten worden om de bouw van de beoogde woningen mogelijk te maken. Vandaar dat in de onderhavige ruimtelijke motivering wordt onderbouwd dat, ondanks dat het bouwplan op onderdelen niet passend is binnen de regeling van het tijdelijke omgevingsplan, sprake is van een ruimtelijk en stedenbouwkundig aanvaardbare situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal).
Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planwijziging beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied, waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen.
Toets omgevingsplan
In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht.
Verantwoording
Hoofdstukken 4, 5 en 6 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieu- en omgevingsaspecten uiteengezet en wordt het geplande programma beschreven.
Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 7) gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de resultaten van de omgevingstafel, het vooroverleg en het participatietraject.
Het plangebied is gelegen ter plaatse van de Leegstraat tussen nummer 18 en 20, aan de zuidkant van de kern Winssen. De Leegstraat vormt een belangrijke ontsluitingsweg richting het buitengebied van de gemeente Beuningen en richting Bergharen in de gemeente Wijchen.
Impressie bestaande situatie plangebied met aan de rechterkant Leegstraat nummer 18.
Vanaf het plangebied vormt de Leegstraat de verbinding tussen de Van Heemstraweg en de Koningstraat. De aan deze weg gelegen bebouwing bestaat overwegend uit één bouwlaag met een kap en laat zich kenmerken door een grote diversiteit aan agrarische percelen, woningen, en bedrijfsactiviteiten. De Leegstraat vormt daarmee een lint met verschillende soorten bebouwing. Opvallend is de luchtige korrel, de bebouwing staat op enige afstand van elkaar.
De percelen liggen tussen de twee woningen van Leegstraat 18 en 20 in. Ten westen van het plangebied zijn alleen agrarische percelen aanwezig. Ten noorden van de Leegstraat 18 bevindt zich een tegelbedrijf. Ten zuidoosten - aan de overkant van de Leegstraat - bevinden zich tevens diverse woningen, agrarische percelen, en aan de Koningstraat een (buiten)manege. De straat wordt dan ook gekenmerkt door gevarieerde (half)vrijstaande bebouwing.
Gezien bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een lint ten zuiden van de kern Winssen die gekenmerkt wordt door gedifferentieerde, individueel vormgegeven bebouwing met een losse korrel.
Voor de inrichting van het erf is een beeldkwaliteitsplan met landschappelijke inpassing opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan geeft in woord en beeld de uitgangspunten voor de bebouwing en de erfinrichting aan de hand van het Structuurmodel Winssen. Het volledige beeldkwaliteitsplan is als bijlage 1 bij de motivering van dit ruimtelijk plan toegevoegd. Het onderdeel landschappelijke inpassingsplan is ook juridisch-planologisch verankerd in de regels.
Stedenbouwkundige opzet
Met de beoogde ontwikkeling wordt het lint aangevuld met 5 woningen die het type "Diep, smal erf" volgen. De woningen liggen dan ook aan een gezamenlijke uitrit en zijn geclusterd in drie volumes. De beoogde woningen worden gebouwd in landelijke stijl, met een eigen karakter maar aansluitend op het bestaande lint.
Op het voorste perceel wordt één zelfstandige vrijstaande woning gerealiseerd die zal refereren aan een T-boerderij met een bijgebouw. De woning wordt levensloopbestendig uitgevoerd met de meeste voorzieningen op de begane grond, of de mogelijkheid om deze op de begane grond te creëren. Door de realisatie van de woning aan de voorzijde zal een ontwikkeling plaatsvinden die passend is in het straatbeeld. Passend bij de omgevingskenmerken van de aanwezige lintstructuur is de exacte situering en vormgeving van de woning nog enigszins vrij, maar zal deze zich moeten verhouden tot de omliggende percelen.
De overige vier woningen worden in twee bouwvolumes uitgevoerd en refereren aan schuurwoningen met daarin twee woningen. Deze twee-onder-één-kapwoningen bevatten daarbij een berg-/garagefunctie die bij voorkeur in dat hoofdvolume is meegenomen. Ook deze woningen worden levensloopbestendig gebouwd, zodat de mogelijkheid bestaat hier een levensloopgeschikte woning van te maken.
Voor de verdere uitwerking van de bebouwing (T-boerderij), schuurwoningen (overige woongebouwen), en bijgebouwen, en de erfruimte wordt verwezen naar de uitwerking in het beeldkwaliteitsplan.
Ontsluiting
Voor de ontsluiting van de beoogde woningen worden de bestaande inritten gebruikt. Eén voor de vrijstaande woning aan de oostkant van het plan, en één gemeenschappelijke halfverharde inrit voor de overige vier woningen. Aansluitend op de inrit is voldoende ruimte voor het aanleggen van drie parkeerplaatsen per woning. Tevens is er naast de weg ruimte gereserveerd voor de waterberging die voor de ontwikkeling nodig is. Parkeren en waterhuishouding worden respectievelijk verder behandeld in de paragrafen 6.3 en 6.9.
Landschappelijke inpassing
Onderdeel van het beeldkwaliteitsplan is de landschappelijke inpassing. Deze is ook als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan opgenomen. De landschappelijke inpassing bestaat uit zes onderdelen die in het plan worden gerealiseerd. In de regels van dit plan is de landschappelijke inpassing als voorwaardelijke verplichting opgenomen, om te borgen dat deze wordt gerealiseerd. De landschappelijke inpassing is op bijgaande afbeelding in een verbeelding opgenomen:
Landschappelijke inpassing Leegstraat tussen 18 en 20.
Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht.
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan gemeente Beuningen. Woningbouw op deze locatie past niet in het van het tijdelijk omgevingsplan onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.
Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het Omgevingsplan gemeente Beuningen wordt het als hoofdstuk 22e toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Beuningen gelezen te worden.
In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.
In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 5 hoofdstukken.
Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Beuningen. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling.
Hoofdstuk 2: Specifieke regels over functies
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Beuningen. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.
Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.
Hoofdstuk 4: Regels ter bescherming van waarden en objecten
In dit hoofdstuk zijn de regels opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van waarden en objecten. In dit geval liggen ter plaatse drie archeologische waarden ('Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 6').
Hoofdstuk 5: Overgangsregels
In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht.
Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige omgevingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing.
Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.
Op de verbeelding is de grens van het plangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende functies (bestemmingen) met verschillende kleuren weergegeven. Voorts zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen.
Verkeer
De gronden binnen 'Verkeer' zijn toegewezen voor de ontsluiting aan de zuidzijde van het plangebied. De functie 'Verkeer' bevat verder regels over gebruik en bouwen.
Agrarisch met waarden
De gronden binnen 'Agrarisch met waarden' zijn toegewezen voor de agrarische gronden die rondom de ontwikkeling plaatsvinden. Deze is opgenomen om de spuitzone (vrijwaringszone - gewasbeschermingsmiddelen) op te kunnen nemen in het plan. De functie 'Agrarisch met waarden' bevat verder regels over gebruik, bouwen, en omgevingsplanactiviteiten voor gebruik, bouwen en voor werken en werkzaamheden.
Wonen
De gronden binnen 'Wonen' zijn toegewezen voor de als zodanig aangeduide aantal woningen binnen de bouwvlakken en binnen het plangebied. Hiervoor geldt in dit plan dan een aanduiding 'vrijstaand' of 'twee-aan-een'. Voor de situering en maatvoering van de woningen zijn er bepalingen opgenomen met betrekking tot:
Bouwwijze
Op de verbeelding is aangeduid welk type woning binnen de bouwvlakken zijn toegestaan, in dit geval één bouwvlak voor de woning aan de Leegstraat, en twee bouwvlakken voor de twee-onder-één-kapwoningen op het erf.
Goot- en bouwhoogte
De maximale goot- en bouwhoogte voor woningen is aangegeven in het bouwvlak door middel van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'.
Situering gebouwen
Teneinde de toekomstige situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing “gezoneerd”. Voor de woning is op de verbeelding en in de regels onderscheid gemaakt in een bouwvlak, en een onbenoemd deel, meestal de voor- en zijtuinen. Deze zonering biedt de belangrijkste vorm van rechtszekerheid tussen de eigenaren van bouwpercelen onderling. Het hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding “bouwvlak”.
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als uitgangspunt gehanteerd dat deze op het gehele locatievlak zijn toegestaan. De maatvoering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is gerelateerd aan de ligging. Voor erf- en perceelafscheidingen zijn specifieke regels opgesteld.
Aan huis verbonden beroep/ bedrijf
Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten, die qua functie ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. In het verleden werd hiervoor het onderscheid gemaakt tussen aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven.
De systematiek conform het buitengebied om een relevant onderscheid te hanteren tussen activiteiten die wel gewenst zijn in een woonomgeving en activiteiten die onder omstandigheden gewenst kunnen zijn in een woonomgeving is in dit plan opgenomen. De 'niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit' is rechtstreeks mogelijk, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De 'publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis' is mogelijk indien hiervoor een omgevingsvergunning is verleend.
Het onderscheid richt zich zoals vermeld op het al dan niet publieksaantrekkend zijn van de activiteit. Hierbij is ervan uitgegaan dat een niet-publieksaantrekkende activiteit (geen verkeersaantrekkende werking/ geen parkeerdruk) doorgaans zonder problemen in een woning zal kunnen plaatsvinden. Het betreft activiteiten met een introvert karakter, die inherent zijn aan de woonfunctie, zoals kantoorfuncties en ateliers.
Om de beperkte omvang van het aan huis verbonden beroep/ bedrijf te waarborgen is deze gemaximeerd tot een maximum van 80 m². Tevens is in de regels opgenomen dat de bewoner het beroep of bedrijf aan huis zelf dient uit te oefenen. De aan huis verbonden functies zijn toegestaan in de woning en de bijbehorende bouwwerken.
Uitgangspunt is dat geen milieuvergunningplichtige bedrijven worden toegestaan. Dit is van belang om te voorkomen dat activiteiten kunnen plaatsvinden, die weliswaar geen publieksaantrekkend karakter hebben, maar die in verband met milieuaspecten niet bij de woonfunctie passen. Daarbij zijn buitenopslag, en stalling, detailhandel (anders dan een vorm van ondergeschikte beperkte verkoop, en handelsactiviteiten via het internet), horeca, en autogerelateerde bedrijven niet toegestaan.
In dit hoofdstuk wordt het actuele algemene ruimtelijke beleidskader behandeld met conclusies over de betekenis van het beleidskader voor het plangebied. Het specifieke sectorale beleid gericht op bepaalde thema's komt in Hoofdstuk 6 Onderzoek aan bod.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.
De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. De instructieregels gaan over:
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op voor dit plangebied van toepassing zijnde instructieregels.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten van Gelderland de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid.
De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Er zal in onderling overleg gezocht moeten worden naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden voor deze vraagstukken. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.
Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen worden uitgebreid.
De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken.
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de ambitie om de stedelijke en landelijke woonkwaliteiten in Gelderland te versterken. Door het aanvullen van het bebouwingslint aan de Leegstraat, wat is geformuleerd en aansluit bij het structuurmodel Winssen, ontstaat er een passende invulling voor nieuwe, levensloopbestendige woningen in een straat die de mogelijkheid daartoe biedt. Door de stedenbouwkundige opzet blijft het gebied open, en groen, en door de type woningen is het passend binnen de omgeving. De ontwikkeling biedt voor het landelijk gebied een mooie aanvulling op de uitbreiding van Winssen-Zuid die binnen het stedelijke gebied plaatsvindt.
Bovendien betreft het levensloopbestendige woningen, die zo zijn ontworpen dat er een levensloopgeschikte woning van gemaakt kan worden. Hierdoor is het geschikt voor ouderen om langer zelfstandig te wonen en tevens voor een gezin. Hiermee wordt bijgedragen aan de provinciale ambitie om voor een ieder een passende woning te hebben. De woningen worden daarnaast duurzaam- en bijna energieneutraal (BENG) gebouwd, waarbij er aandacht is voor onder andere klimaatadaptief bouwen. Het dak van de woningen wordt afgekoppeld van het riool en al het hemelwater kan op eigen terrein infiltreren. Uiteraard wordt de woning gasloos uitgevoerd en zal er daarnaast sprake zijn van goede isolatie, lagetemperatuurverwarming, een warmtepomp en worden zonnepanelen op het dak geplaatst om de nodige energie op te wekken. In het kader van de klimaatadaptiviteit worden lage (fruit)bomen geplant bij de entree van het plangebied en wordt de ontwikkeling landschappelijk ingepast met inheemse soorten.
De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt dan ook geen belemmering voor de nieuw te bouwen woningen.
Op 27 december 2023 is de Omgevingsverordening provincie Gelderland gepubliceerd. Deze is in werking getreden op 2 januari 2024.
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.
Uitgangspunt voor de gestelde regels en de toepassing daarvan vormen de ambities van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, de vertaling van die ambities in de Kadernota Gaan voor Gaaf en de maatschappelijke doelen, genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet.
Wonen
Op grond van artikel 5.63 dienen de gemeentebesturen per regio samen met Gedeputeerde Staten een regionale woonagenda op te stellen. De woonagenda dient afspraken te bevatten over:
Ten aanzien van 'wonen' is in artikel 5.64 opgenomen dat in een omgevingsplan alleen nieuwe woningen worden toegelaten wanneer deze ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda.
Planspecifiek
Aangezien het toevoegen van vijf woningen passend is binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma dat is opgesteld in het structuurmodel Winssen (dat op zijn beurt past binnen de subregionale woonagenda, zie subparagraaf 4.2.3) is de voorgenomen ontwikkeling passend binnen de Omgevingsverordening. Ten behoeve van de Ladder Voor Duurzame Verstedelijking (hierna: Ladder) is het initiatief in paragraaf 6.2 getoetst. Hieruit blijkt dat er in het kader van de Ladder geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Op basis van de omgevingsverordening is het plangebied gelegen binnen de 'Gelderse streek Land van Maas en Waal'. Op basis van artikel 5.39 van de omgevingsverordening dient bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. De woningen worden ingepast in de omgeving landelijk gebied door deze in het bestaande lint en de bestaande diversiteit van de straat op te laten gaan. Dit wordt gedaan door rekening te houden met bestaande rooilijnen, zichtbaarheid vanaf de weg en plaatsing van de woningen. De nieuwe woningen zijn daarbij qua maat, schaal en vorm aangepast aan de bestaande volumes aan dit lint. Daarnaast zijn de woningen geclusterd in bouwvolumes en wordt er voldaan aan het structuurmodel door de woningen achter elkaar te situeren. Hierdoor past de ontwikkeling enerzijds in het lint aan de Leegstraat, en wordt anderzijds het doorzicht tussen de woningen door behouden.
Aansluitend bij de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen wordt het plangebied ingepast doormiddel van het aanplanten van groene elementen. Hiervoor wordt het bestaande groen versterkt en fruitbomen toegevoegd zoals momenteel aanwezig bij aangrenzende percelen. De zuidkant vormt met de watergang een natuurlijke overgang van het groen met het water en de ontsluitingsweg.
Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere specifieke doelstellingen geformuleerd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening vormt daarmee geen belemmering voor de nieuw te bouwen woningen.
Het TAM-Omgevingsplan is daarmee tevens passend in de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie.
Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2030
Voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen is sinds 15 december 2020 de nieuwe gezamenlijk regionale 'Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2030' van kracht. Op basis van een analyse van de regionale behoefte, kunnen in de regio gedurende de looptijd van de agenda circa 20.500 woningen worden gebouwd. Het aantal woningen is per gemeente gedifferentieerd en verder gespecificeerd in de woondeals. Daarin is niet alleen rekening gehouden met vraag en aanbod, maar ook met de planologische plancapaciteit en planning.
Woondeal 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen
In 2020 sloten het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeenten binnen de Groene Metropoolregio hun eerste Woondeal. Met deze Woondeal is er een samenwerking die gericht is op het bouwen van meer woningen in de regio. De Woondeal Arnhem – Nijmegen uit 2020 is nu geactualiseerd naar een Woondeal 2.0. Hierin staan, naast afspraken over voldoende woningen, afspraken over betaalbare woningen en duurzaam en circulair gebouwde woningen.
De gemeente hanteert sinds begin 2023 de Woondeal 2.0 regio Arnhem-Nijmegen als uitgangspunt bij de herijking van lokaal ruimtelijk en volkshuisvestelijk beleid met daarin de volgende inzet:
Op basis van een analyse van de woningbehoefte, heeft Beuningen de opgave om 1.240 woningen te bouwen, waarbij er planologische capaciteit voor 1.610 woningen mag worden gecreëerd (= circa 130 % in verband met planuitval). Van deze opgave wordt 70 %, in het kader van de versnellingsopgave, gerealiseerd in de periode tot 2025: 70 % van 1.610 woningen komt neer op circa 1.127 woningen waarvoor tot 2025 planologische capaciteit mag worden gecreëerd.
De Woondeal 2.0 wijkt af van het in 2020 vastgestelde onderdeel prijsklassen uit het 10 puntenplan Wonen. Het aandeel betaalbare huur- en koopwoningen moet minimaal twee derde zijn waarvan minimaal 30% sociale huur. In het 10 puntenplan was dit nog minimaal 50% betaalbare huur en koop. De Woondeal 2.0 is het vastgestelde kader. Het blijft wel recht doen aan het principe achter het 10 puntenplan: voldoende betaalbare huur- en koopwoningen.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling van vijf extra woningen past kwantitatief gezien binnen de aantallen uit de Woondeal 2.0. De ontwikkeling streeft ernaar om te voorzien in marktconforme koopwoningen. In de planvorming worden duurzaamheid- en klimaatadaptieve maatregelen getroffen. Het plan bevat geen aandeel betaalbare huur- en koopwoningen. Om toch te voldoen zal er voor dit project een bijdrage worden gedaan in het sociaal vereveningsfonds van de gemeente. Voor projecten waar niet kan worden voldaan aan bovengestelde prijsklassen en voorwaarden wordt een bijdrage in het fonds vereist, zodat er elders binnen de gemeente de mogelijkheid bestaat deze woningen wel te realiseren.
De gemeentebrede Omgevingsvisie is op 21 december 2021 vastgesteld. De Omgevingsvisie is een integrale en lange termijn visie tot 2040 over de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de gemeente Beuningen. Het motto van de Omgevingsvisie bestaat uit de kernwaarden van de gemeente: verbinding, betrokkenheid en mooi plekje.
De Omgevingsvisie richt zich op 5 ambities. Deze ambities zijn gebaseerd op de analyse van de trends en ontwikkelingen en de beleidsanalyse, zoals die zijn opgenomen in de Notitie van Uitgangspunten Omgevingsvisie Beuningen. De ambities laten zien welke onderwerpen de gemeente belangrijk vindt en waaraan de gemeente de komende jaren, in gezamenlijkheid met inwoners, organisaties, de regio en overige partners, wil werken. Bij het werken aan de toekomst van Beuningen worden de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden beschermd. Deze waarden zijn het uitgangspunt bij ontwikkelingen, samen met de kernwaarden uit het motto.
De vijf ambities voor de fysieke leefomgeving in de komende jaren zijn:
Voldoende woningen
Beuningen is een echte woongemeente. Er is een uiteenlopend aanbod van woonmilieus, van landelijk tot dorpscentrum. Dat is een aanvulling op de meer grootstedelijke milieus in de regio. De gemeente wil dit aanbod blijven bieden, versterken en uitbouwen. Hierbij wordt rekening gehouden met de demografische ontwikkeling en dynamiek op de regionale woningmarkt. Bij de groei staat het behoud van de woonkwaliteiten (groen, blauw, rust en ruimte) voorop. Daarvoor moeten een andere aanpak worden gekozen dan ongebreideld uitbreiden. In samenhang met thema's als duurzaamheid en klimaatverandering is een uitgekiende ontwikkeling nodig. Dit resulteert in de volgende opgaven:
Planspecifiek
Conform de omgevingsvisie is hier sprake van een kleinschalige ontwikkeling en heeft het een dorps en landschappelijk karakter. De omgevingsvisie is doorvertaald in programma's waarbinnen het programma structuurmodel Winssen is ontwikkeld. Hierin zijn linten en erfontwikkelingen buiten het stedelijk gebied aangewezen waar ontwikkelingen mogelijk zijn. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de invulling van één van deze ontwikkellocaties in het buitengebied. Het betreft daarbij de verdichting van een bestaand bebouwingslint. Er worden die gemakkelijk levensloopgeschikt gemaakt kunnen worden, waardoor de woningen voor diverse doelgroepen aan de woningmarkt worden toegevoegd. Daarnaast past de ontwikkeling in de duurzame, en klimaatbestendige ambities door de maatregelen die genomen worden voor de realisatie van de woningen, en de landschappelijke inpassing in de omgeving.
Woningbouw is één van de onderdelen die in de omgevingsvisie is opgenomen, met als belangrijke taak om meer woningen te bouwen voor nu en de toekomst. Het Omgevingsprogramma Woningbouw geeft antwoord op de vraag hoe de gemeente dat wil doen.
Panorama 2040
In het Omgevingsprogramma woningbouw is op kaart weergegeven hoe Beuningen tot 2040 wil groeien. Dit wordt het Panorama 2040 genoemd. Het Panorama wordt per kern uitgewerkt in een structuurmodel. In het concept Panorama 2040, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 5 juli 2021, is gekeken waar tot 2040 woningbouw in gemeente Beuningen mogelijk is.
Structuurmodel Winssen
In het Structuurmodel Winssen zijn de ontwikkellocaties uit het Panorama verder uitgewerkt. In het structuurmodel wordt de locatie op de Leegstraat als erfontwikkeling aangemerkt. Voor de ontwikkeling moet er sprake zijn van een prettige en gezonde leefomgeving. In het kader van het onderhavige TAM-omgevingsplan zijn hiertoe de wettelijk benodigde onderzoeken uitgevoerd.
Planspecifiek
Het plangebied voor het beoogde woningbouwprogramma is in het Structuurmodel Winssen aangeduid. Aansluitend op het panorama krijgt de Leegstraat zo een verdere invulling van het bebouwingslint, en worden aangewezen erven ingevuld met (nieuwbouw)woningen. Uiteraard zijn de ontwerpprincipes uit het structuurmodel opgenomen in de programmering van onderhavig plan. Daarnaast is de invulling landschappelijk ingepast, zodat het erf past binnen de omgeving en het bebouwingslint aan de Leegstraat.
In regionaal verband zijn afspraken gemaakt omtrent woningbouw (Woondeal 2.0 Regio Arnhem-Nijmegen ). Om inzichtelijk te maken wat dit inhoudt op gemeentelijk niveau, is het 'Kwaliteitskader woningbouw Beuningen 2023' opgesteld. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningbouwplannen aansluiten op de vraag, geeft de gemeente voorwaarden mee voor het kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwprogramma. Deze zijn vastgelegd in het 'Kwaliteitskader woningbouw Beuningen 2023'.
Programma
In het programma is een (kwantitatieve) verdeling opgenomen van de verschillende woningtypen in huur/koop en prijscategorie. Deze verdeling volgt uit de Woondeal 2.0 en sluit aan op de woningbehoeften in Beuningen.
Prijs en kwaliteit van de woningen
Dit zijn randvoorwaarden waarbij een relatie gelegd is tussen het aantal vierkante meters gebruiksoppervlakte en de huur- of koopprijs.
Kenmerken woningen
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen grondgebonden (eengezins)woningen en gestapelde bouw (appartementen) en wat in welke prijscategorie beoogd wordt.
Woningtypen in relatie tot doelgroepen
Bij de betaalbare woningen zijn doelgroepen gedefinieerd naar inkomensklasse. Dit om ervoor te zorgen dat betaalbare huur- en koopwoningen ook terecht komen bij de mensen voor wie deze bedoeld zijn.
Planspecifiek
De voorgenomen bouw van vijf woningen past kwantitatief zowel binnen de Woondeal 2.0 alsmede binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma van 1.240 woningen (en daarmee binnen de subregionale woonagenda). Kwalitatief sluit de bouw van de woningen aan bij de behoefte om op aangewezen erfontwikkelingen woningen te kunnen bouwen die passen binnen de linten, binnen de bestaande bebouwing en passen in het buitengebied. Om te voldoen aan de kwalitatieve verdeling van huur/koop wordt er voor dit project een bijdrage gedaan in het sociaal vereveningsfonds van de gemeente. Voor projecten waar niet kan worden voldaan aan de gestelde prijsklassen en voorwaarden wordt een bijdrage in het fonds vereist, zodat er elders binnen de gemeente de mogelijkheid bestaat deze woningen wel te realiseren.
Op 17 november 2020 heeft de gemeenteraad de motie '10 punten plan wonen' aangenomen. Oorspronkelijk bedoeld om het college kaders mee te geven bij de ontwikkeling van het woningbouwprogramma (Panorama 2040 en de daaruit volgende structuurmodellen), maar inmiddels wordt ook per individueel plan gevraagd om in te gaan op de gestelde 10 punten.
Planspecifiek
Uitgangspunt is minimaal 30% betaalbare woningbouw met daarnaast ook de (duurdere) woningen waar behoefte aan is. Dit is een bandbreedte die gemeentebreed geldt, maar niet elke locatie kan kwantitatief en/of kwalitatief exact hierin voorzien. Gezien het woningtekort zijn de beoogde woningen een gewenste aanvulling. Om toch te voldoen aan de voorwaarden wordt een bijdrage gedaan in het sociaal vereveningsfonds van de gemeente, zodat er elders in de gemeente in de prijsklasse voor betaalbare woningbouw kan worden voorzien.
Dit plan betreft de realisatie van één vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen.
De woningen worden levensloopbestendig gerealiseerd. Ze zijn daarmee gemakkelijk levensloopgeschikt te maken.
De raad gaat in de motie uit van circa 30 woningen per hectare. Aangezien dit plan vijf woningen bevat op een zeer ruim opgezet perceel in het buitengebied, blijft de woningdichtheid op het perceel en in relatie tot de omgeving significant lager.
Per kern is een verdeling van de opgave weergegeven. Aangezien met dit plan maximaal vijf woningen worden toegevoegd, heeft dit geen effect op deze verdeling.
Met dit plan worden maximaal vijf woningen gerealiseerd met aanleg van een landschappelijke inpassing. Ten opzichte van de bestaande situatie wordt hiermee een bebouwingslint aangevuld die daarvoor aan is gewezen, met woningen die passen binnen het landelijke karakter van de straat en de omgeving.
In de bestaande stedenbouwkundige structuur worden vijf woningen toegevoegd. Het toekomstige woonerf wordt middels een landschappelijke inpassing groen ingekaderd door zowel het handhaven van bestaande groenelementen, als het toevoegen van nieuwe. Hierbij wordt rekening gehouden met de veiligheid en passendheid bij de (ontsluiting op de) Leegstraat.
Naast de bouw van de woningen wordt voorzien in een landschappelijke inpassing, waardoor ook de biodiversiteit wordt versterkt. Het gebied wordt klimaatadaptief en natuurinclusief ingericht. De woningen worden duurzaam gebouwd.
Het plan voorziet in een landschappelijke inpassing met gebiedseigen beplanting. De locatie en de hoogte van de hagen, fruitbomen, waterhuishouding worden ingepast in de omgeving. Uitgaande van 100 m2 groen per woning is 500 m2 groen gewenst. De oprit is circa 150 m lang. Met de hierlangs gelegen groenstructuur wordt reeds ruimschootsvoorzien in de beoogde 500 m2 groen. De realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is geborgd in de regels.
De woningen worden via de bestaande inrit ontsloten op de weg waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande ontsluiting op de Leegstraat. Parkeren vindt op eigen terrein plaats.
Op 2 juli 2024 heeft de gemeenteraad de visie Inclusief Wonen in Beuningen 2024-2028 vastgesteld als richtinggevend kader voor woningbouw- en woonzorgontwikkelingen. Deze heeft de woonvisie Beuningen 2018-2023 vervangen. De visie is een uitwerking van de in het coalitieakkoord 2022-2026 vastgestelde koers om perspectief te bieden aan onze inwoners waaronder jonge starters, senioren en bijzondere doelgroepen. De visie sluit aan op de doelstellingen van de eerste drie punten uit het 10 puntenplan Wonen en actualiseert en verfijnt de uitwerking van deze punten. De visie sluit tevens aan op de uitgangspunten van regie nemen door de gemeente en samenwerking met partijen.
In de visie Inclusief Wonen is de behoefte aan levensloopgeschikte woningen geraamd. In aanvulling zijn minimum percentages opgenomen voor nultredenwoningen. Deze verschillen per woningtype: (eengezins)woningen en/of appartementen. Daarnaast zijn er aanvullende regels gesteld ten behoeve van zelfbewoning, de bestemmingsreserve sociale huur, de toewijzing van sociale huurwoningen, en specifieke doelgroepen (inclusief wonen).
Planspecifiek
Het initiatief betreft levensloopbestendige woningen die gemakkelijk levensloopgeschikt gemaakt kunnen worden. Met het ontwerp is dus rekening gehouden met dat alle primaire ruimten op één bouwlaag gesitueerd kunnen worden. Conform de visie inclusief wonen is hier bovendien sprake van een kleinschalige ontwikkeling en heeft het een dorps en landschappelijk karakter op een aangewezen ontwikkellocatie. Er worden levensloopbestendige woningen gerealiseerd ter bevordering van de doorstroming. De nieuwe woningen worden zoveel mogelijk zelfvoorzienend gerealiseerd.
In de uitwerking van de visie Inclusief Wonen Beuningen 2024-2028 is de beleidsregel levensloopgeschikt en dementievriendelijk wonen Beuningen 2024 vastgesteld. Om meer duidelijkheid te verschaffen wat dit inhoudt zijn de opgaven aan levensloopgeschikt, zorggeschikt en geclusterd wonen specifiek vastgesteld. De beleidsregels geven duidelijkheid over de eisen waaraan woningen en woongebouwen moeten voldoen om geschikt te zijn voor bewoning door mensen met een fysieke beperking en/of verminderde mobiliteit.
Planspecifiek
Het initiatief betreft levensloopbestendige woningen waarbij alle primaire ruimten op één bouwlaag gerealiseerd kunnen worden. Dit betekent dat woonkamer, keuken, toilet, hoofdslaapkamer en badkamer op de begane grond hun plek kunnen vinden. De specifieke inrichting van de woningen wordt in latere planvorming nog ingevuld. Zo wordt er rekening gehouden met bewegingsruimte, hoogteverschillen, en veiligheid. De levensloopbestendige woningen zijn dus levensloopgeschikt te maken en voldoen zodoende aan het beleid.
De gemeente Beuningen heeft beleid opgesteld voor dubbelbewoning binnen de gemeente. Hiermee probeert de gemeente te stimuleren dat mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. De maatschappelijke waarde van dubbelbewoning is groot. Het wonen in de nabijheid van het eigen sociale netwerk is van belang voor de zelfredzaamheid van inwoners. Daarnaast zijn er diverse redenen waardoor mensen in elkaars nabijheid willen wonen, zoals mantelzorg voor familie en het tegengaan van eenzaamheid. Bovendien draagt het toevoegen van een wooneenheid in het kader van dubbelbewoning voor een deel bij aan de oplossing van het woningtekort.
De gemeente Beuningen biedt in het beleid en onder enkele voorwaarden de mogelijkheid voor het zogenaamde 'dubbelbewoning'. In het beleid staat dat een tijdelijke verplaatsbare extra wooneenheid is toegestaan wanneer de oppervlakte van de woning niet meer bedraagt dan 80 m2. De ontheffing wordt verleend aan de eigenaar van het perceel en geldt voor een periode van maximaal 15 jaar.
Planspecifiek
In de regels is een bepaling opgenomen om dubbelbewoning onder dezelfde voorwaarden als het beleid mogelijk te maken.
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
Het beleid van de verschillende overheidslagen heeft geen specifieke consequenties voor het plangebied. De ontwikkeling past binnen het beleid, waardoor er geen belangen in het geding zijn.
De beoogde ontwikkeling kent drie functies:
Agrarisch met waarden
Deze gronden zijn aangewezen voor agrarisch met waarden, de uitoefening van een agrarisch bedrijf, nevenactiviteiten, behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische, landschappelijke en aardkundige waarden, water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen, extensief recreatief medegebruik, erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages, landschapstuinen, en de opwekking van duurzame energie in de vorm van windenergie en zonne-energie alsmede warmte-koude opslag;
Wonen
Het plangebied krijgt de functie 'wonen' ten behoeve van de woningen. Binnen deze functie worden drie bouwvlakken opgenomen waarbinnen één vrijstaande woning en twee twee-onder-één-kapwoningen mogen worden opgericht. Voor de situering en maatvoering zijn regels opgenomen waarbij middels de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' de maximale goot- en bouwhoogte zijn aangegeven in het bouwvlak.
Verkeer
De zuidzijde van het plan bevat een verkeersfunctie waarmee de vier woningen op het achtergelegen terrein worden ontsloten. De overige woning aan de Leegstraat wordt via een eigen (bestaande) inrit ontsloten.
Het realiseren van de levensloopbestendige woningen past binnen het beleid zoals dat reeds in Hoofdstuk 4 is toegelicht.
Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van technische onderzoeken met conclusies. Alleen de voor het plangebied relevante milieuaspecten worden beschreven. Aan het eind van elke paragraaf volgt een conclusie met betrekking tot het aspect.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de strategische milieubeoordeling (SMB-richtlijn), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.
Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten:
Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen:
Het onderhavige TAM-omgevingsplan is kaderstellend voor een project uit bijlage V Omgevingsbesluit, te weten J11: een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betreft ook een woningbouwontwikkeling. In de derde kolom staat dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject een mer-beoordelingsplicht geldt op basis van artikel 16.43, lid 1, aanhef en onder b van de Ow. Het onderhavige plan betreft een kleine wijziging van het omgevingsplan gemeente Beuningen en gaat over een klein gebied op gemeentelijk niveau. De gemeenteraad is voor onderhavig TAM-omgevingsplan het bevoegd gezag.
Op grond van het gestelde in Hoofdstuk 6 van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit TAM-omgevingsplan te kunnen nemen.
Het aspect 'm.e.r.-beoordeling' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen en leegstand van vastgoed te voorkomen is de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) onder de Omgevingswet gecontinueerd en als instructieregel opgenomen in artikel 5.129g Bkl. Deze regel bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. De behoefte aan die nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarmee worden aangetoond. Alleen wanneer het gaat om een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling moet de Laddertoets worden uitgevoerd.
Voor stedelijke ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan komen. In artikel 5.129g Bkl staat dat het stedelijk gebied ook het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied bevat. Door deze formulering is dat stedelijk gebied hetzelfde gebied als onder het Besluit ruimtelijke ordening.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is.
Onderhavig initiatief betreft het realiseren van maximaal vijf burgerwoningen. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Desondanks kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda, zie daarvoor subparagraaf 4.3.3 en 4.3.5.
Het aspect 'ladder voor duurzame verstedelijking' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief moet hieraan getoetst worden.
Om inzicht te bieden in de extra voertuigbewegingen als gevolg van de ontwikkeling, die met dit ruimtelijke plan mogelijk wordt gemaakt, moet de voertuigaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’. Voor het berekenen van de voertuiggeneratie wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag.
Om de voertuigaantrekkende werking van de nieuwe woningen te bepalen is gekeken naar de ligging van het plangebied. De gemeente Beuningen is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als een 'weinig stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'buitengebied', waardoor de voertuiggeneratie (uitgaande van het gemiddelde van de aangegeven bandbreedtes) uitkomt op:
In de toekomstige situatie neemt het aantal woningen in het plangebied met vijf woningen (één vrijstaand en 2 twee-onder-één-kap) toe. Dit betekent dat het aantal voertuigbewegingen slechts beperkt toeneemt met 39.4 (extra) voertuigbewegingen per weekdag. De vijf beoogde woningen worden middels twee bestaande inritten ontsloten op de Leegstraat. Deze inritten voldoen ruimschoots voor het ontsluiten van de vijf woningen. De capaciteit van de Leegstraat is ruim voldoende om de toename van het aantal voertuigbewegingen op te vangen.
Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze ruimtelijke ontwikkeling.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is conform het 'Parapluplan Parkeren' gebruik gemaakt van CROW-kencijfers uit de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’. De parkeerkencijfers uit de publicaties van CROW worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente Beuningen gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van de gemiddelde parkeernorm. Voor onderhavige ontwikkeling, in het 'buitengebied', bedraagt de gemiddelde parkeernorm:
Uitgaande van de toevoeging van één vrijstaande woning en 2 twee-onder-één-kap woningen, betekent dit dat er 11,2 (= afgerond 12) parkeerplaatsen nodig zijn om te voldoen aan de parkeernorm.
Het uitgangspunt is dat de parkeervraag voor een nieuwe ontwikkeling op eigen terrein wordt opgelost. Ter plaatse van het plangebied is voldoende ruimte om op eigen erf in het benodigde aantal parkeerplaatsen te voorzien. Deze parkeerplaatsen zijn inzichtelijk gemaakt op de inpassingsschets. Het daadwerkelijk voldoen aan de parkeernormen is bovendien geborgd in de algemene regels van dit ruimtelijk plan.
Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat bodem onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van de bodem (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). Daarnaast gelden er instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die gemeenten in het omgevingsplan moeten verwerken. Het Bkl bepaalt voor bodem dat in het omgevingsplan:
Bodemgevoelige gebouwen
Een bodemgevoelig gebouw wordt in het Bkl omschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een gebouw wordt verstaan een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bodemgevoelige locaties
Een bodemgevoelige locatie is op basis van het Bkl in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
De gemeente kan in het omgevingsplan aanvullende locaties aanwijzen als bodemgevoelige locatie, zoals kinderspeelplaatsen of moestuinen. In de gemeente Beuningen zijn dergelijke locaties vooralsnog niet aangewezen.
Omgevingsplan
Een omgevingsplan bevat dus waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die per gebied of per gebruiksfunctie kunnen verschillen. Het uitgangspunt voor deze waardes zijn de interventiewaardes bodemkwaliteit, uit bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze waardes zijn wetenschappelijk onderbouwd en behoeven geen verdere motivering. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde bevatten dan de interventiewaardes, mits gemotiveerd en de waarden niet hoger zijn dan het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR humaan, bijlage Vb Bkl). Ook mag niet leiden tot overschrijding van de toelaatbare concentraties in lucht (TCL) en geurdrempels (bijlage XIIIb Bkl).
Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Om te kunnen beoordelen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het omgevingsplan is overschreden, is voorafgaand onderzoek naar de gesteldheid van de bodem nodig. Ingeval van een overschrijding van de waarden, is in het omgevingsplan opgenomen welke sanerende of beschermende maatregelen nodig zijn.
Om vast te stellen of de bodem geschikt is voor de voorgenomen ontwikkeling is er d.d. 6 maart 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 2 aan dit ruimtelijke plan toegevoegd.
Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat voor de algemene bodemkwaliteit de boven- en ondergrond voldoet aan de klasse ‘Landbouw/natuur’. Het aangetroffen licht verhoogde gehalte voor barium in het grondwater wordt toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie en geeft derhalve ook geen aanleiding tot vervolg.
Daarnaast zijn tijdens het onderzoek geen asbestverdachte materialen en/of puinbijmengingen aangetroffen, waardoor ons inziens de onverdachte hypothese ten aanzien van het voorkomen van asbest in de bodem gehandhaafd kan blijven. Derhalve is een onderzoek naar asbest niet noodzakelijk in het kader van de voorgenomen herontwikkeling.
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor:
Geluidgevoelige gebouwen
Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties.
Geluidaandachtsgebieden
In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel:
| Geluidbronsoort |
Standaardwaarde (dB) (tabel 3.34 Bkl) |
Grenswaarde (dB) (tabel 3.35 Bkl) |
|
|
Provinciale wegen Rijkswegen |
50 Lden | 65 Lden | |
|
Gemeentewegen Waterschapswegen |
53 Lden | 70 Lden | |
| Hoofdspoorwegen | 55 Lden | 70 Lden | |
| Industrieterreinen | 50 Lden | 60 Lden | |
| 40 Lnight | 50 Lnight | ||
De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.
Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven.
Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:
| Aantal rijstroken | Maximum snelheid weg (km/u) | Breedte zone (m) |
| 1 of 2 | 30 of minder | 100 |
| 1 of 2 | meer dan 30 | 200 |
| 3 of meer | 350 |
Geluid door activiteiten
Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn.
Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt.
Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:
| Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw | 07.00 - 19.00 uur | 19.00 - 23.00 uur | 23.00 - 7.00 uur | ||
| Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen | - | 70 dB(A) | 70 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden | - | 65 dB(A) | 65 dB(A) | ||
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.
Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:
| Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen | 07.00 - 19.00 uur | 19.00 - 23.00 uur | 23.00 - 7.00 uur | ||
| Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen | - | 55 dB(A) | 55 dB(A) | ||
| Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden | - | 45 dB(A) | 45 dB(A) | ||
Wegverkeerslawaai
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit is bijgevoegd als bijlage 3. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen aan de Leegstraat in Winssen berekend.
Toetsing woning 1
Het geluid bedraagt op zijn hoogst 56 dB ter plaatse van de voorgevel van woning 1 (vrijstaande woning) op de 2e etage. De standaardwaarde van 53 dB wordt op de gehele voorgevel van woning 1 overschreden. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden.
De standaardwaarde wordt ten opzichte van de gemeentelijke wegen overschreden voor woning 1, waarbij de Leegstraat de maatgevende weg is. Er zijn maatregelen onderzocht voor een geluidsreductie tot maximaal de standaardwaarde. Hierin zijn bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen als niet doelmatig of ongewenst beoordeeld.
Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 56 dB ter plaatse van de voorgevel van woning 1 (2e etage). De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 56 – 33 = 23 dB. Een dergelijke geluidwering wordt in het kader van nieuwbouw vrijwel altijd wel behaald. De initiatiefnemer zal bij het bouwkundig ontwerp rekening houden met de vereiste gevelwering.
Toetsing woningen 2/3 en 4/5
Het geluid bedraagt op zijn hoogst 50 dB ter plaatse van de noordgevel van woning 2 (2e etage). De standaardwaarde van 53 dB wordt nergens overschreden. Er hoeven geen maatregelen voor woningen 2/3 en 4/5 onderzocht te worden vanwege het geluid van gemeentelijke wegen.
Woon- en leefklimaat
De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als 'matig' tot 'zeer goed'. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woning wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
Railverkeerslawaai
De woningen in het plangebied zijn niet gelegen nabij een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd.
Industrielawaai (geluid door activiteiten)
De woningen in het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd.
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.
In 2024 is de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' uit gekomen. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten. Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is geïmplementeerd in het beleid van de gemeente, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt.
Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'
Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Wanneer niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen met een hindercontour die een overlap kent met het plangebied. De bedrijfsfuncties die in de omgeving zijn gelegen hebben een maximale categorie van 3.1. Uitgaande van het omgevingstype gemengd gebied, gezien de bedrijvigheid en verschillende woonfuncties aan de Leegstraat is er geen sprake van een rustig buitengebied. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan namelijk als gemengd gebied worden beschouwd. Volgens deze kolom geldt een afstandsrichtlijn van 30m. Aan deze afstandseis wordt voor alle omliggende bedrijfsfuncties voldaan. Aan de zuidzijde van het plangebied is tevens een buitenmanege (specifieke vorm van sport-buitenmanege) toegestaan. Voor een (buiten)manege geldt tevens een afstandsrichtlijn van 30 meter (voor het aspect geur) voor omgevingstype gemengd gebied. De buitenste rand van het plangebied ligt op ongeveer 30 meter van de buitenmanege. Gezien het feit er voor het zuidelijke deel van het plangebied een verkeersfunctie opgenomen wordt, is de afstand tot het woonperceel bovendien meer dan 50 meter.
Afbeelding met bedrijfsfuncties in de omgeving met categorie-verwijzingen.
Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.
Spuitzonering
Spuitzonering in het planologische spoor heeft betrekking op de afstand die gehanteerd moet worden tussen agrarische bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen, bij het bespuiten van gewassen met bestrijdingsmiddelen. Uit vaste rechtspraak volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijven waar bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, in de regel niet onredelijk wordt geacht. Onderhavig TAM-omgevingsplan speelt een rol bij het vastleggen van deze spuitzone en het voorkomen van conflicten tussen agrarische activiteiten en andere functies.
Aangezien het plangebied woningen mogelijk maakt, die vallen onder gevoelige functies, en er omliggend agrarische percelen gesitueerd zijn, is het noodzakelijk uit te sluiten dat er gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden binnen een kleinere afstand dan 50 meter buiten de woonlocaties. Om juridisch te borgen dat er geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt mogen worden op de omliggende agrarische percelen (behalve de percelen die initiatiefnemer zelf in bezit heeft) is dit met een aanduiding in het plangebied, en tevens in de regels middels een verbodsbepaling juridisch geborgd. Hiermee vormen de omliggende agrarische percelen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in:
De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties zijn aangewezen in bijlage VI Bkl.
Plaatsgebonden risico
Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6-contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling (dus vergunning) mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico: aandachtsgebieden
Het Bkl introduceert zogenaamde 'aandachtsgebieden' rond risicobronnen. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Deze aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk en zijn zichtbaar in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen de aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).
Een (deel van een) aandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen een dergelijk gebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullende bouwvoorschriften (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl voor het verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht (artikel 5.14 Bkl) tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten.
Op navolgende afbeeldingen is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop zijn de PR contouren en de aandachtsgebieden weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes over weg, water en spoor en buisleidingen.
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe cirkel) (bron: www.atlasleefomgeving.nl).
Kwetsbaarheid
De beoogde woningen betreffen kwetsbare gebouwen.
Plaatsgebonden risico
Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 contour.
Aandachtsgebied
Het plan is niet gelegen binnen een brandaandachtsgebied.
Groepsrisico
De woningen zijn als kwetsbare gebouwen niet gelegen binnen het brandaandachtsgebied van een buisleiding. Er zijn derhalve geen maatregelen benodigd om het groepsrisico op deze plek te verkleinen of verzachten. Op het gebied van omgevingsveiligheid zijn er geen beperkingen voor de betreffende ontwikkeling.
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).
De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.
Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.
De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over:
Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van vijf woningen mogelijk en draagt zodoende niet in betekenende mate bij aan de verhoging van de luchtverontreiniging.
Bestaande luchtkwaliteit
Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2021 (monitoringsronde 2023) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 51468751_15561172 op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de Maas en Waalweg niet worden overschreden.
De waardes bedragen 25,5 µg/m3 voor NO2, 15,98 µg/m3 voor PM10 en 8,82 µg/m3 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Algemeen
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:
Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen.
Uitgangspunten Waterschap Rivierenland
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:
Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:
Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.
Uitgangspunten gemeente
De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027' in november 2022 vastgesteld. In dit plan legt de gemeente haar ambities en doelen voor het watersysteem vast en wordt nadere invulling gegeven aan de gemeentelijke watertaken en zorgplichten.
Bij elke ingreep in de leefomgeving wil de gemeente afwegen hoe het water zo hoog mogelijk in de voorkeursvolgorde kan worden verwerkt. Hoe meer water wordt vastgehouden of geborgd hoe minder last is er van droogte, hoe minder is de inzet van pompen en gemalen nodig en des te hoger is het rendement van de RWZI's. Het afvoeren van regenwater is de laatste stap en de minst gewenste oplossing.
Het uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is.
Om vast te stellen of de waterhuishouding geschikt is voor de voorgenomen ontwikkeling is er d.d. 17 april 2025 een watertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage 4 aan dit ruimtelijke plan toegevoegd.
Bestaande situatie
In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als agrarisch perceel. De GHG is bepaald op 6,5 m +NAP. Het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van 4.325 m². Door het aanbrengen van verharding en bebouwing is watercompensatie vereist.
Watergang
Aan de oostzijde wordt de planlocatie begrensd door een secundaire watergang (code: 421863). De watergang heeft een beschermingszone vanaf de insteek van 1 meter. Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden.
Waterkeringen
In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig.
Watercompensatie
Vooralsnog voorziet het plan in de mogelijkheid op het terrein tussen de kavels en de toekomstige ontsluiting, een alternatieve voorziening aan te leggen in de vorm van een wadi. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een dergelijke (potentiële) voorziening hoort, is navolgend een voorziening indicatief uitgewerkt. Er is vooralsnog gekozen voor de aanleg van een wadi omdat een wadi controleerbaar en gemakkelijk beheerbaar is. Met de aanleg van een wadi wordt daarnaast voorkomen dat een doodlopende watergang wordt aangelegd. Ook zijn met een wadi geen aanvullende waterbergende maatregelen op de woonpercelen nodig.
Wanneer een wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,4 meter en een talud van 1 op 3 aan de zijde van de kavels en een talud van 1:2 aan de zijde van de ontsluitingsweg kan, met inachtneming van een waking van 5 cm (waterhoogte 0,35 m), de volledige wateropgave worden geborgd. Met een grotere diepte kan de wadi logischerwijs ook smaller worden. In het kader van de vergunningverlening zal een definitieve invulling van de waterberging worden ingevuld. Voor de planologische uitwerking is nu helder wat de opgave is, en dat deze (ruimtelijk) inpasbaar is. Bijgaand de potentiële voorziening zoals passend zou zijn:
Situering wadi's ten behoeve van de waterberging voor de ontwikkeling van vijf woningen.
Grondwater
Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen het functioneren van het grondwatersysteem niet beïnvloeden.
Riolering en hemelwaterafvoer
Voor de afvoer van het afvalwater is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de rioolaansluitingen. Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, maar wordt op het eigen perceel verwerkt. Het plangebied biedt voldoende ruimte om het hemelwater te verwerken. In de regels is een voorwaardelijke verplichting waterberging opgenomen, opdat met realisatie van de woningen tevens wordt voorzien in voldoende waterberging.
Waterkwaliteit
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Beheer en onderhoud
Om de werking van het hemelwatersysteem te borgen en hinder te voorkomen is goed onderhoud van belang. Onderhoud aan een wadi zal jaarrond plaats moeten vinden en zal worden vastgelegd in een beheer- en onderhoudsplan. Hierin zullen onder andere de volgende 3 aspecten worden opgenomen:
Uit het wateradvies van het Waterschap blijkt dat de gangbare watertoetsprocedure geldt. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken, informeren en adviseren over de waterhuishoudkundige aspecten van het plan. Het Waterschap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is. Het wateradvies is toegevoegd als bijlage 5 bij dit plan.
Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow).
Zorgplicht
De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn. Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten.
Soortenbescherming
Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.
De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gebiedsbescherming
Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:
Stikstofdepositie
Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
Soortenbescherming
Ten behoeve van het aspect ecologie is er d.d. 6 maart 2025 een quickscan Natuur uitgevoerd. Deze is als bijlage 6 aan dit ruimtelijke plan toegevoegd. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, rugstreeppad en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De maatregelen zijn onder de specifieke zorgplicht in het rapport opgenomen.
Conclusie van het onderzoek is dat in de beoogde realisatie van vijf woningen aan de Leegstraat te Winssen er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone liggen ook op circa 1,3 km van het plangebied.
Afstand tot Natura 2000-gebied Rijntakken (bron: quickscan natuur Blom Ecologie).
Stikstofdepositie
Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase. Dit onderzoek is als bijlage 8 bij de motivering gevoegd.
Er is geen significant negatief effect van stikstof op de meest nabijgelegen Natura-2000 gebieden. De berekende toename is 0,0 mol/ha/j volgens de aeriusberekening met de in het rapport aangegeven uitgangspunten. Dit is zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase. Er is dan voor het plan dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk, en de Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering en exploitatie van het plan.
Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit.
BoomEffectAnalyse (BEA)
Om er zeker van te zijn dat de bomen langs de Leegstraat, aan weerszijden van de inritten, in stand gehouden kunnen blijven, is een BoomEffectAanlyse (BEA) uitgevoerd, zie bijlage 7. De gemeente wenst namelijk de bomenrij langs de Leegstraat duurzaam te behouden. Het doel van de BEA is om te bepalen in het perspectief van de voorgenomen plannen of realisatie van de twee inritten tussen de 4 gemeentelijke bomen (Quercus robur) mogelijk is. Uitgangspunt daarbij is dat de bomen in de huidige verschijningsvorm en op dezelfde standplaats duurzaam behouden kunnen blijven. In deze BEA wordt geadviseerd welke randvoorwaarden en maatregelen er genomen dienen te worden om de de bomen (Quercus robur) duurzaam te behouden als blijkt uit het onderzoek dat realisatie van de inritten tussen de bomen mogelijk is. Naar aanleiding van de voorstudie, het veldonderzoek en de analyse van de verkregen gegevens blijkt dat het haalbaar is om de vier gemeentelijke bomen (Quercus robur) duurzaam te behouden. Om de bomen ook daadwerkelijk duurzaam te behouden is het wel noodzakelijk dat er (bij de uitvoering) aan bepaalde randvoorwaarden wordt voldaan en er specifieke maatregelen worden getroffen.
De aspecten 'natuur' en 'ecologie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het onderdeel cultureel erfgoed gaat over zowel archeologie als cultuurhistorie.
Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).
De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen.
Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is het 'Parapluplan Archeologie' waarin het geactualiseerde archeologische beleid van 24 januari 2022 is geborgd. Deze archeologische waarden zijn doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen.
Archeologie
Op onderstaande uitsnede is een fragment te zien van de archeologische beleidskaart.
Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (blauwe omkadering)
Op de inpassingstekening is weergegeven waar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' (rode contour) is gelegen binnen het plangebied (zwarte omkadering). De rest van het plangebied heeft de bestemming 'Waarde - Archeologie 4' (lichtrode contour). Uit de kaart volgt dat ter plaatse van het plangebied voor de helft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' geldt en voor de overige helft 'Waarde - Archeologie 2' is vastgesteld. Binnen 'Waarde - Archeologie 4' is een gebouw toegestaan met een oppervlakte van ten hoogste 250 m2. Binnen 'Waarde - Archeologie 2' is het toegestaan om een gebouw op te richten met een oppervlakte van ten hoogste 100 m2. Archeologisch onderzoek is dus benodigd.
Op basis van het archeologisch bureau- en veldonderzoek bijgevoegd in bijlage 9 is vastgesteld dat er in het plangebied een drietal archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. In het kader van de voorgenomen nieuwbouw in het plangebied is daarom vervolgonderzoek benodigd. Dit vervolgonderzoek wordt geconcentreerd op de locaties waar bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv uitgevoerd worden. Voor de zones waarin geen bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv plaatsvinden is een vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Hier blijft echter wel een wettelijke meldingsplicht, conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11 gelden. Deze houdt in dat als er onverhoopt toch archeologische resten aangetroffen worden, deze bij de bevoegde overheid (gemeente Beuningen) gemeld dienen te worden.
In het kader van de haalbaarheid van het TAM-omgevingsplan is aangetoond dat archeologie geen belemmering hoeft te zijn voor de nieuwbouwontwikkeling. Door de aanwezigheid van drie archeologisch relevante niveaus is in het TAM-omgevingsplan conform de regels de dubbelbestemming voor Waarde - Archeologie gehandhaafd. Hierdoor is verzekerd dat archeologische waarden worden beschermd. Het vervolgonderzoek zal in later stadium plaatsvinden en voor vergunningverlening worden uitgevoerd.
De dubbelbestemmingen zijn in onderhavig TAM-omgevingsplan, conform de regels uit het 'Parapluplan Archeologie', geborgd op de verbeelding en in de regels.
Cultuurhistorie
Op basis van de gemeentelijke cultuurhistorische kenmerkenkaart is het plangebied gelegen binnen 'oud cultuurland, Den Hogen Kamp (Volle Middeleeuwen). Daarnaast is er sprake van een arcering van een 'oude woongrond'. Bovendien zijn de naastgelegen locaties aan de Leegstraat 18 en 20 historische huislocaties, en is Leegstraat 18 een bouwhistorisch monument. Deze bevindingen hebben geen invloed op de woningbouwontwikkeling zoals deze is beoogd.
Uitsnede gemeentelijke cultuurhistorische kenmerkenkaart
Langs de Leegstraat is de aanduiding 'wegbeplanting' opgenomen en is een restgeul aangeduid. Deze aanduidingen zijn verder niet van invloed op de beoogde ontwikkeling in het plangebied. De inrit wordt aangesloten op de Leegstraat, maar de inritten zijn bestaand en hiervoor hoeft geen wegbeplanting verwijderd te worden.
Het aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Energiebesparing is een eerste vereiste om de energievraag te minimaliseren. Het gaat daarbij om het minimaliseren van zowel de energievraag van gebouwen als die van bedrijfsprocessen. De energie die dan nog gebruikt wordt, wordt zoveel mogelijk duurzaam opgewekt. Uitgangspunt is dat bij nieuwbouw daken geschikt moeten zijn voor zonnepanelen. Nieuwbouw moet voldoen aan de BENG.
In het kader van natuurinclusief bouwen wordt er bewust ruimte gemaakt voor biodiversiteit op, aan of in een gebouw of de omgeving, zodat er meer verschillende planten- en diersoorten kunnen leven, bijvoorbeeld in de vorm van nestkasten.
Door in het ontwerp van de openbare ruimte rekening te houden met de mogelijke gevolgen van klimaatverandering wordt de leefbaarheid van de nieuwe woningen in de toekomst gegarandeerd. Deze verwachte gevolgen zullen het meest merkbaar zijn in een toenemende regenintensiteit enerzijds en een toenemende droogte en hitte anderzijds. Aspecten die gaan over water en biodiversiteit worden beschreven in paragraaf 6.9 en 6.10.
Gemeente Beuningen heeft op basis van de Woondeal 2.0 ambities opgenomen op het gebied van duurzaamheid. Deze zijn verder uitgewerkt in eigen beleid op het gebied van biodiversiteit en klimaatadaptatie. Hierin wordt gestuurd op duurzame en circulaire bouw en bescherming van de biodiversiteit en wordt onder andere gestreefd naar 25% industriële bouw en 25% minder gebruik van primaire grondstoffen. Daarnaast is er oog voor verschillende doelgroepen en bouwt men levensloopbestendige woningen die geschikt te maken zijn voor bijzondere woonvormen, of bijvoorbeeld bewoners met fysieke woningbeperking en/of verminderde mobiliteit.
Het plan bevat de realisatie van een vijftal woningen die niet valt onder milieubelastende activiteiten. Voor het realiseren van de woningen wordt er gestreefd naar een energiezuinig plan waarin energiebesparende maatregelen worden genomen. Denk aan het gebruik van zonnepanelen en natuurinclusief bouwen door een goede inpassing in de omgeving. De woningen in het plangebied worden duurzaam, levensloopbestendig en energiezuinig gebouwd, waarbij er aandacht is voor onder andere klimaatadaptief bouwen. Het dak van de woningen wordt afgekoppeld en al het hemelwater kan op eigen terrein infiltreren ter plaatse van de naastgelegen watergang. Uiteraard worden de woningen gasloos uitgevoerd en er zal daarnaast sprake zijn van goede isolatie en duurzame vorm van verwarming.
Het aspect 'duurzaamheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van de economische haalbaarheid van de nieuwe ontwikkelingen en de uitkomsten van overleg en inspraak.
Alle kosten die gemaakt moeten worden met het opstellen van een ruimtelijk plan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade c.q nadeelcompensatie is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.
Onderdeel van het zorgvuldig opstellen van een TAM-omgevingsplan is participatie. Bij participatie worden burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voorafgaand aan de besluitvorming actief betrokken. De omgeving en betrokken instanties vroeg bij een project betrekken vergroot het draagvlak en voorkomt vaak bezwaren in een later stadium.
Participatie
In het kader van de beoogde ontwikkeling is door de initiatiefnemers met de omwonenden gesproken. De participatie is opgenomen in het participatieverslag. Opmerkingen van omwonenden zijn waar mogelijk meegenomen in de verdere uitwerking van het plan.
Zienswijzen
Te zijner tijd zal het ontwerp TAM-omgevingsplan gedurende zes weken ter visie worden gelegd. De zienswijzen zullen hier of in een separate nota zienswijzen van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan het Waterschap Rivierenland en de provincie Gelderland. Zij hebben geen aanleiding gezien een reactie in te dienen.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan “Hoofdstuk 22e [Leegstraat achter 18-20]” heeft ingevolge het bepaalde in artikel 16.40 Omgevingswet (Ow) en afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 16 december 2025 tot en met 27 januari 2026 als ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon eenieder - zowel mondeling als schriftelijk - zienswijzen indienen tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan. Er is één zienswijze ontvangen. De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend. In de zienswijzennota wordt de zienswijze samengevat weergegeven en van een reactie voorzien, zie bijlage 10. Ook is aangegeven of, en zo ja, op welk punt, de betreffende zienswijze leidt tot wijziging van het TAM-omgevingsplan.