| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22an Achterveldseweg 37 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0203.TAMOP0041-0002 |
Voor de locatie Achterveldseweg 37 in Achterveld is een verzoek ingediend om het omgevingsplan te wijzigen om daarmee het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf dat gespecialiseerd is in machinebesturing voor de land- en wegenbouw met toepassing van functieverandering mogelijk te maken. Het betreft een technologiebedrijf gespecialiseerd in het automatiseren van land- en wegenbouwprocessen met behulp van robotica, locatiebepaling en besturingssystemen.
Het agrarische bedrijf is inmiddels beëindigd en het agrarische bouwvlak komt te vervallen. De bestaande, voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is inmiddels gesloopt. In de nieuwe situatie wordt er nieuwe bedrijfsbebouwing gerealiseerd, waarbij de bestaande agrarische bedrijfswoning de bedrijfswoning voor het niet-agrarische bedrijf wordt.
De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: omgevingsplan). Met deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22an Achterveldseweg 37' opgesteld.
Afbeelding: planlocatie Achterveldseweg 37, globale ligging
Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Het plangebied ligt aan de Achterveldseweg 37 in Achterveld, in het buitengebied en ten westen van de kern Barneveld. Het ligt oostelijk ten opzichte van de kern Achterveld. Het plangebied wordt begrensd door agrarische gronden en natuur. Zo liggen aan de noord- en zuidzijde twee bosjes alsmede liggen rondom het voormalige agrarische bedrijf agrarische gronden. Aan noordzijde vormt de Achterveldseweg (de doorgaande weg tussen Barneveld en Achterveld) en het bosje de grens van het plangebied. De ontsluiting van het perceel vindt plaats op de Achterveldseweg. Aan de west-, zuid- en oostzijde liggen agrarische gronden. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.
Afbeelding: begrenzing plangebied
Het plangebied ligt in het "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat.
Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (inclusief de partiële herzieningen). Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functies 'Agrarisch' (met een 'bouwvlak', voorheen de bestemming 'Agrarisch') en 'Natuur' (voorheen de bestemming 'Natuur'). Verder geldt de functie 'Waterstaat - Waterhuishouding' (voorheen de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterhuishouding'). Daarnaast gelden de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied GV' en 'overige zone - ecologische hoofdstructuur'.
Ook geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan voor de locatie het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". De locatie heeft hierin de functie (voorheen bestemming) 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 3' en ''Waarde - Archeologie 4'. Hiermee zijn de dubbelbestemmingen inzake archeologie (met de daarbij behorende specifieke functieaanduidingen) uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" komen te vervallen.
Het bestemmingsplan 'Parapluherziening Cultuurhistorie - Cultuurlandschap' geldt ook voor deze locatie (binnen dit tijdelijke omgevingsplan). Hierin heeft de locatie Achterveldseweg 37 de functie 'Waarde - Cultuurlandschap'. Met de 'Parapluherziening Cultuurhistorie - Cultuurlandschap' zijn de voormalige bestemmingen 'Waarde- Beplanting en verkaveling' en 'Waarde - Openheid en reliëf' uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" komen te vervallen.
Het plan past niet binnen het omgevingsplan omdat de realisatie van een niet-agrarisch bedrijf binnen de functie 'Agrarisch' (voormalige bestemming 'Agrarisch') niet is toegestaan. Het is mogelijk een agrarisch bedrijf te vestigen, maar de functie 'Agrarisch' staat het gebruik als niet-agrarisch bedrijf als hoofdactiviteit niet toe. Om het beoogde plan planologisch mogelijk te maken moet een procedure onder de Omgevingswet worden gevoerd.
In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken door een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (OPA) of een buitenplanse OPA (BOPA)). Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig.
Daarnaast is er een nieuwe oprijlaan naar het bedrijf gelegen binnen de functie 'Natuur'. Het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakte verhardingen is zonder omgevingsvergunning niet toegestaan.
Er is een verzoek ingediend om een niet-agrarisch bedrijf (functieverandering) te vestigen aan Achterveldseweg 37 in Achterveld. Er vindt functieverandering plaats van 'Agrarisch' (met bouwvlak) naar een niet-agrarisch bedrijf. Het gaat om een niet-agrarisch bedrijf dat gespecialiseerd is in machinebesturing voor de land- en wegenbouw. Ook het land rondom het bedrijfsgebouw zal als testlocatie worden gebruikt voor door het bedrijf ontwikkelde robotica voor land- en wegenbouw.
Bedrijfsactiviteiten
Het bedrijf dat zich gaat vestigen is een innovatief Nederlands technologiebedrijf dat zich specialiseert in automatiseren van land- en wegenbouwprocessen met behulp van robotica, locatiebepaling en besturingssystemen. Er werken 13 mensen (9 FTE).
De bedrijfsactiviteiten zijn ontwikkeling, testen, assemblage, verkoop en after sales. De ontwikkeling betreft met name software en hardware ontwikkeling (elektronica). Het belangrijkste product van het bedrijf is momenteel de Robot Plotter: een kleine mobiele robot die streepjes op een verharding kan tekenen om aan te geven waar bijvoorbeeld wegbelijning moet worden aangebracht, maar de besturingstechnologie van het bedrijf is ook toepasbaar voor hele andere machines, zoals bijvoorbeeld voor robots die onkruid kunnen wieden. De systemen die het bedrijf ontwikkelt besturen machines op basis van digitale informatie (routes) en GNSS (GPS in de volksmond). Testen daarvan gebeurt buiten (op de oude locatie op een kavelpad van een proefboerderij van Wageningen Universiteit). Mechanische onderdelen worden ontwikkeld in samenwerking met andere partijen in de regio. Deze leveranciers produceren ook deze onderdelen en leveren die af bij het bedrijf. Assemblage betreft dan samenbouwen van mechanische onderdelen en de elektronica en de installatie van software. De producten worden internationaal verkocht en de verkoopactiviteiten op de bedrijfslocatie betreffen met name bureau werk. Demonstraties die ten behoeve van verkoop worden gegeven worden bijna altijd bij de klant gedaan omdat klanten willen zien dat het ook werkt op zijn locatie. De verkoop in landen verder weg wordt gedaan door dealers. After sales is ook met name bureauwerk. Alleen Nederlandse klanten komen wel eens langs voor fysieke reparaties aan machines. Via remote inloggen in machines vanaf kantoor kunnen oorzaken van problemen achterhaald worden. Bij hardware- of mechanische problemen worden onderdelen opgestuurd. Nieuwe software wordt remote geïnstalleerd.
Plan
Ten behoeve van dit bedrijf wenst initiatiefnemer in zijn totaliteit 655 m2 aan bedrijfsbebouwing op te richten, verdeeld over twee volumes. De bedrijfsbebouwing zal bestaan uit een gedeelte kantoorfunctie, werkplaats voor de assemblage van robotica onderdelen (deze worden niet op locatie gefabriceerd) en testruimte. Dit nieuw bedrijfspand heeft een oppervlakte van 585 m2 (bebouwde oppervlakte).
Daarnaast komt er een (werktuigen)berging. Deze bedrijfsbebouwing is ingetekend oostelijk van het hoofdbedrijfsgebouw. Van dit gebouw zal 70 m2 dienen als (werktuigen)berging ten behoeve van het niet-agrarische bedrijf. Deze ruimte dient als stallingsplaats voor de machines en voertuigen die tijdens testfases worden ingezet. In dit gebouw zit zowel een gedeelte voor het bedrijf (70 m2) als ook een bijgebouw van 80 m2 voor de bedrijfswoning.
Op de begane grond, de bebouwde oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, zal de oppervlakte 655 m2 (585 m2 + 70 m2) bedragen. Het is mogelijk om eventueel een verdieping te realiseren met een oppervlakte van 95 m2, waardoor de totale (vloer)oppervlakte van de bedrijfsgebouwen maximum 750 m2 kan gaan bedragen.
Op onderstaande afbeelding is de inrichtingstekening weergeven (deze tekening is ook als bijlage 4 bij de regels van deze wijziging van het omgevingsplan gevoegd). Hierbij is ook de verdeling van de bedrijfsruimte inzichtelijk gemaakt. Naast de inpandige testruimte zal er ook op het buitenterrein sprake zijn van testruimte.
Afbeelding: beoogd inrichtingsplan Achterveldseweg 37
De bedrijfswoning van het agrarische bedrijf wordt de bedrijfswoning van het landelijke niet-agrarische bedrijf. De deel van deze bedrijfswoning wordt betrokken als woninginhoud bij de bedrijfswoning. Hiervoor is nog wel een afzonderlijke omgevingsvergunning nodig (artikel 18.1.3 van de planregels van dit plan). Dat betekent dat er een bijgebouw van 80 m² naast de bedrijfswoning mag komen. Dit bijgebouw wordt gerealiseerd in het pand waar ook de (werktuigen)berging komt. Dit gebouw krijgt in totaal daarmee een oppervlakte van 150 m2, waarvan 70 m2 meetelt aan vloeroppervlakte van de bedrijfsbebouwing. Voor dit gebouw geldt een goothoogte van 3 meter en een bouwhoogte van 6 meter. Met een omgevingsvergunning kan de goot- en bouwhoogte verhoogd worden voor een bedrijfsgebouw. Deze hoogtematen zijn specifiek zo gesteld omdat we geen hoogteverschil willen in het gebouw.
Er komt een nieuwe schuine toegang naar het niet-agrarische bedrijf en er vindt landschappelijke inpassing plaats. Hiervoor is een landschapsplan aangeleverd. Zo wordt een singel hersteld, alsmede ook wordt een laan hersteld waar eiken worden aangeplant alsmede vindt er herstel plaats van een historisch pad (waar ook elzen worden geplant). Verder worden er nestkasten aangebracht en komt er een takkenril in het kader van biodiversiteit (/natuurinclusieve maatregelen). Parkeren vindt op eigen terrein plaats. Er worden 19 parkeerplaatsen gerealiseerd.
De voormalige agrarische bebouwing is al gesloopt. Er staat nog een gebouw naast de bestaande bedrijfswoning. Dit gebouw, ten oosten van de bedrijfswoning, wordt nog gesloopt.
De locatie ligt in het landschapstype het kampenlandschap. Hier is een compact erf het uitgangspunt. Het plan heeft een compacte erfopzet. Het perceel krijgt met het voorliggende plan een compact geheel en is stedenbouwkundig akkoord.
De bomenrij bij de toegangsweg tot de bedrijfslocatie wordt niet doorbroken door de aanleg van de nieuwe schuine inrit, omdat hiervoor geen bestaande bomen gekapt hoeven te worden om deze schuine inrit (op eigen terrein) aan te leggen.
Sloopmeters
Om het functieveranderingsverzoek mogelijk te maken moet een sloopcompensatie (sloopmeters) worden geleverd. Uit nameting van de bebouwing is gebleken dat naast de bedrijfswoning er een oppervlakte van 2.389 m2 aan bebouwing staat. Hiervan maakt 105 m² onderdeel uit van de voormalige deel van de bedrijfswoning. Omdat dit onlosmakelijk verbonden is met de woning, wordt deze oppervlakte als standaardrecht beschouwd in plaats van 80 m². Daarmee komt een oppervlakte van 2.284 m2 als sloopmeters in aanmerking.
Na aftrek van de deel van de boerderijwoning van 105 m2 en de afroming van 392 m2, zijn er 1.892 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig.
Doordat de deel een andere invulling krijgt, dan is het verschil tussen de oppervlakte van de deel met het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m2 (= 25 m2) voor de helft (= 13 m2) te gebruiken als inzetbare meters. Dit vanwege de afroming op het perceel. Dit betekent dat er 1.905 m2 (1.892 m2 en 13 m2) inzetbare meters zijn. Dit is geregistreerd in ons sloopmeterregistratiesysteem.
Het ingediende plan vraagt om in totaal 1.565 m2 aan sloopmeters (voor 655 m2 bebouwde oppervlakte). Voor het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf met vloeroppervlakte van 655 m2 is namelijk een 1.565 m2 (100 m2 bedrijfsrecht en 500 x 2 + 155 x 3 bedrijfsbebouwing) nodig. Op eigen perceel zijn voldoende inzetbare sloopmeters aanwezig om het plan te realiseren. Aan de sloopeis wordt voldaan.
Conclusie
Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Indien het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om medewerking te verlenen aan dit plan.
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het relevante beleidskader voor deze wijziging van het omgevingsplan en wordt het plan hieraan getoetst. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Doorwerking in plangebied
Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan.
Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:
De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, cultureel erfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt.
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.20).
In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op:
Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over;
Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.
Doorwerking in plangebied
In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.
Algemeen
De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening.
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.
Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan:
Doorwerking in plangebied
Het plangebied ligt binnen de volgende (thema)kaart vanuit de omgevingsvisie:
Kaart 1: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Kaart 2: Themakaart Ruimtelijk beleid ('Grote zonneparken niet mogelijk' (gedeeltelijk), 'Grote zonneparken onder voorwaarden mogelijk' (gedeeltelijk), 'Windenergie mogelijk' (gedeeltelijk), Windenergie niet kansrijk' (gedeeltelijk)
Kaart 5: Themakaart Natuur- en landschapsbeleid ('Gelders natuurnetwerk' (gedeeltelijk), 'Groene ontwikkelingszone' (gedeeltelijk) en 'Ecologische verbindingszone')
Voor wat betreft kaart 1 is er een aantal verwijzingen die relevant zijn voor dit plan, waaronder in de verwijzing naar paragraaf "Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam" en de paragraaf 'Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio!'. Dit plan draagt bij doordat er sprake is van de ontstening van het buitengebied en er vindt landschappelijke inpassing plaats. Met het plan is op de planlocatie bebouwing gesloopt.
Kaart 2 betreft verwijzingen naar dat grote zonneparken en windenergie al dan niet mogelijk zijn, maar is niet relevant voor de onderhavige planontwikkeling. Het plan voorziet niet in een zonnepark en ook niet in een voorziening voor windenergie.
Voor wat betreft kaart 5 over de ligging in Gelders natuurnetwerk, groene ontwikkelingszone en ecologische verbindingszone verwijzen we naar hetgeen in paragraaf 4.3.1.2 is weergegeven.
Conclusie
Dit plan is in lijn met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken.
De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij Omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen:
Natuur en landschap
Met ingang van 1 januari 2024 bevat de provinciale Omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden (afdeling 5.3 van de provinciale verordening). Voorheen golden alleen regels voor een beperkt aantal gebieden in Gelderland (afdeling 5.2 Bkl). Met deze regels moet een omgevingsplan die een activiteit of ontwikkeling toelaat in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop rekening gehouden wordt met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten en dan in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat:
a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen;
b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd.
Het plangebied is gelegen binnen de streek 'Gelderse Vallei'. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de vastgestelde landschappelijke kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van deze streek. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken. Voor de Gelderse Vallei zijn de volgende kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen opgesteld:
Afbeelding: deelgebieden provincie Gelderland: Gelderse Vallei
Kernkwaliteiten:
Ontwikkeldoelen:
De locatie aan de Achterveldseweg 37 ligt in een zacht glooiend dekzandlandschap (kernkwaliteit 2), waarbij de boerderij is gesitueerd op een dekzandrug met de achterzijde gericht naar de lagere, nattere gronden – een opbouw die kenmerkend is voor de historische inrichting van dit gebied. Deze dekzandrugstructuur blijft onaangetast en wordt hiermee gerespecteerd: de bebouwing blijft beperkt tot de hogere delen, terwijl de natte zones ongemoeid blijven. Daarmee wordt tevens voldaan aan kernkwaliteit 3: het behoud van microreliëf met dekzandruggen, natuurlijke beeklopen en oude bouwlanden. De landschappelijke inrichting sluit aan bij de oorspronkelijke verkavelingspatronen door het herstel van structuurelementen zoals houtwallen, houtsingels en boomgroepen. Hiermee wordt bijgedragen aan kernkwaliteit 4: het behoud en herstel van het kleinschalige mozaïeklandschap in het noordelijke deel van de vallei, zoals dat rond de Veldbeek en nabijgelegen landgoederen voorkomt (voor het kleinschalige landschap, zie ook luchtfoto in onderstaande afbeelding van het plangebied met al bestaande landschapselementen). Het geheel versterkt zo niet alleen de visuele samenhang, maar ook de ruimtelijke en ecologische kwaliteit van het oorspronkelijke landschap.
Afbeelding: luchtfoto met landschapselementen in de omgeving van de functie voor het niet-agrarische bedrijf
Ligging in Groene Ontwikkelingszone
Daarnaast ligt het plangebied in de provinciale Groene Ontwikkelingszone (GO), in het deelgebied 'Erica – het Paradijs' (nr. 83), zie onderstaande afbeelding. Regels met betrekking tot de GO zijn geregeld in artikel 5.20 van de Omgevingsverordening:
Artikel 5.20 Beschermen Groene Ontwikkelingszone
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de wijziging van een functie, te weten van de functie 'Agrarisch' (met bouwvlak) naar de functie 'Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven'. Dit is een ruimtelijke ontwikkeling. Daarom dient getoetst te worden aan dit artikel.
Afbeelding: uitsnede Gelders natuurnetwerk kernkwaliteiten
De provincie Gelderland heeft dit artikel concreet gemaakt middels het ontwikkelen van een rekenmodule welke de verliesfactor en impactfactor van een ruimtelijke ontwikkeling berekend. Hieruit volgt een versterkingsopgave. De versterkingsrekenmodule is echter alleen van toepassing als er sprake is van vergroting of toevoeging van een functie, bijvoorbeeld toevoeging van een woning of bedrijfserf. De impact factor wordt namelijk berekend op basis van toename in functie (in hectares) ten opzichte van de huidige situatie.
Toegepast op onderhavig projectgebied had het agrarische bouwvlak een oppervlakte van circa 1,2 hectare, er is dus reeds sprake van een bestaande functie. In de nieuwe situatie zal het functievlak voor het niet-agrarische bedrijf worden verkleind naar maximaal circa 0,9 hectare. De rekenmodule gaat uit van een vergroting als het gaat om de punten van de 'impactfactor'. In onderhavige situatie gaat het om een verkleining waardoor de impact negatief uitkomt. Dit betekent dus een verbetering. Daarom kan hier geen versterkingsopgave berekend worden. Wel zal kort worden gekeken naar de kernkwaliteiten van het betreffende gebied en hoe de landschappelijke inrichting ter plaatse rekening houdt met specifiek deze kwaliteiten.
Kernkwaliteiten van het gebied zijn:
Ontwikkelingsdoelen in het kader van de Groene Ontwikkelingszone zijn:
De inpassing is op verschillende punten zodanig ingericht dat het de kernkwaliteiten ter plaatste versterkt. Zo sluit het plan expliciet aan bij het kampenlandschap: het erf wordt omgeven door herstelde houtwallen, houtsingels en een kamerstructuur. De beslotenheid en kleinschaligheid worden hersteld, zoals oorspronkelijk in dit landschapstype aanwezig. Ook kan er worden aangesloten bij de cultuurhistorische waarden van oude ontginningen en boerderijen. Het ontwerp respecteert de historische verkaveling en oriënteert zich op oude lijnen van het kampenlandschap. Ook is er gekozen voor een boerenschuur-typologie in nieuwbouw en hergebruik van de bestaande boerderij, in lijn met het historisch karakter.
Als het gaat om de ontwikkelingsdoelen zorgt de aanleg van gemengde singels, houtsingels, struiken, en boomgroepen voor versterking van ecologische verbindingen, al is dit niet direct aan de beek zelf, het sluit goed aan bij het gewenste netwerk. Tot slot worden de randen van het perceel beplant met gemengde singels. Dit versterkt de overgang van bos naar open agrarische gebied.
Kortom kan worden gesteld dat het plan voldoende de kernkwaliteiten van de groene ontwikkelingszone in dit specifieke deelgebied versterkt. Aan deze voorwaarde uit de provinciale verordening kan dan ook worden voldaan.
Nu de locatie van de ontwikkeling ligt in de GO wordt, in het kader van de terinzagelegging van het ontwerpplan, het ontwerpplan voorgelegd aan de provincie (de regisseur ruimte van de provincie Gelderland) in het kader van advies en instemming. De provincie heeft richting de initiatiefnemer eerder al aangegeven dat ze per saldo uitkomen op een negatieve impactfactor. Er zijn geen aanvullende versterkingsmaatregelen nodig. Het is een kleine ontwikkeling waarvoor bovenstaande beschrijving van de effecten volstaat.
De uitwerking van deze kernkwaliteiten zijn verder verwerkt in de landschappelijke inpassing van het plan (zie bijlage 4 bij de regels van dit TAM-omgevingsplan).
In GNN komt er overigens een verhard pad tot het bedrijf te liggen. Hiervoor hoeven geen bomen gekapt te worden. In GNN komt een takkenril (in het kader van de biodiversiteit). Dit heeft er voor gezorgd dat de plangrens van het plan Achterveldseweg 37 enigszins is vergroot, zodat de regels van dit plan en de invulling hiervan ook daarvoor gaan gelden (voorwaardelijke verplichting voor de aanleg van de takkenril).
Natuurcompensatie
Doordat de aanleg van een verharde weg (weg ten behoeve van de ontsluiting van het bedrijf, op het perceel van de initiatiefnemer) in GNN negatieve gevolgen heeft op de oppervlakte van het Gelders Natuurnetwerk, zijn er extra maatregelen nodig in de vorm van compensatie van de verloren oppervlakte.
Initiatiefnemer heeft contact gehad met de provincie over de mogelijkheden om de grenzen van het GNN te verleggen. Op het perceel van de initiatiefnemer kan oppervlakte toegevoegd worden aan het GNN, waardoor het oppervlak dat verloren gaat aan het pad (de inrit voor het bedrijf) gecompenseerd kan worden.
Aan een herbegrenzing zijn strenge voorwaarden verbonden. Dit is alleen mogelijk wanneer er door de aanleg van de inrit geen verlies aan kwaliteit en samenhang van het GNN optreedt.
Het gaat hier om een minimale aanpassing van het GNN, waarbij compensatie nodig is. Over de herbegrenzing heeft initiatiefnemer contact gehad met de provincie. De provincie kan instemmen met het voorstel voor de locatie, omvang en inrichting van de compensatie van GNN. Het compensatievoorstel is als bijlage 1 aan de motivering toegevoegd.
De oppervlakte GNN die komt te vervallen betreft een smalle doorgang naar het achterliggende weiland, die feitelijk als pad wordt gebruikt. Op basis van terreinbezoek en beeldmateriaal is vastgesteld dat deze strook geen relevante natuurwaarden vertegenwoordigt. Er is geen sprake van ontwikkelde vegetatiestructuren, natte natuur, of functies binnen de ecologische verbindingen.
Afbeeldingen: gebruik gronden binnen het GNN
Hoewel er feitelijk geen natuurkwaliteit verloren gaat, wordt ingezet op versterking van het GNN binnen hetzelfde perceel. De compensatie vindt plaats langs het bestaande pad, op een aangrenzend perceelsdeel dat momenteel nog geen onderdeel uitmaakt van het GNN.
Op onderstaande afbeelding is weergegeven welk gedeelte wordt verwijderd en welk gedeelte er aan GNN wordt toegevoegd.
Afbeelding: te verwijderen gedeelte GNN en toe te voegen GNN
De door initiatiefnemer aangeleverde aanvullende toelichting inzake natuurcompensatie wordt ook als bijlage bij de motivering van het vast te stellen plan toegevoegd.
De daadwerkelijk herbegrenzing van GNN zal plaatsvinden nadat de wijziging van het omgevingsplan is vastgesteld en onherroepelijk is geworden.
De herbegrenzing heeft niet tot gevolg dat het plangebied "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22an Achterveldseweg 37" qua begrenzing aangepast moet worden. Dit omdat hier nu al de natuurfunctie geldt. De provincie zal het gedeelte opnemen in het GNN als het plan onherroepelijk is vastgesteld.
Klimaatadaptatie
In artikel 5.85 van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan. Het artikel bepaalt dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
Hittegolven, hoosbuien en perioden van droogte komen steeds vaker voor en brengen aanzienlijke risico's met zich mee voor economie, gezondheid en veiligheid. Om de impact van deze weersomstandigheden zoveel mogelijk te beperken, zijn aanpassingen in de leefomgeving van groot belang.
Maatregelen die kunnen bijdragen aan het beheersbaar houden van de effecten van extreem weer zijn onder meer:
Waterberging: Bij intensieve regenbuien neemt de kans op wateroverlast toe en wordt de riolering meer belast. Daarnaast wordt in de warmere periodes het thema verdroging steeds belangrijker.
Door extra bebouwing en toename van verharding wordt steeds meer oppervlak verhard waardoor regenwater versneld wordt afgevoerd en minder kan infiltreren in de bodem. Bij 4.000 m2 of meer verhard oppervlak is de eis om 60 mm waterberging te creëren. Onder de 4.000 verhard oppervlak is de eis minimaal 30 mm. Ook wordt er uitgegaan van een bergingsfactor van 0,6. In de gewenste situatie is er echter minder bebouwing aanwezig dan in de voormalige gebruiksfunctie (agrarisch). Voor de afvoer van hemelwater is dit een positieve ontwikkeling. Er ontstaat namelijk extra natuurlijke waterberging doordat het water op meer plekken kan infiltreren in de bodem. Toch is dit niet het uitgangspunt en wordt er met de totale oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie gerekend (3.200 m2).
Het hemelwater van dit erf is schoon (geen erfafspoeling). Daarom is bij de realisatie van dit plan en de verharding het plan om het hemelwater te infiltreren op eigen bodem en een stuw te plaatsen. De bestaande watergangen dragen bij aan een natuurlijkere waterhuishouding en zorgen
ervoor dat regenwater blijft waar het valt, ze helpen het grondwaterpeil hoger te houden en ontlasten de
riolering.
Waterafvoersysteem: In de gewenste situatie wordt het hemelwater los van het huishoudelijk water afgevoerd. Op deze wijze wordt overbelasting van het riool voorkomen.
Aanleg groen: Met de aanleg van groen kan vaak al veel schade en overlast door klimaatverandering worden tegengegaan. Als op de juiste manier groen wordt aangelegd, kan dit helpen tegen wateroverlast en hitte. Verder maakt groen een terrein niet alleen klimaatbestendiger, maar ook biodiverser en aantrekkelijker. Het is belangrijk om rekening te houden met schaduw en licht, maar ook met de bodem en ondergrond.
Het perceel is reeds voorzien van diverse beplantingsstructuren, in de vorm van houtsingel op de westelijke perceelgrens, een aantal bomen/bosschage langs de oprit. Vooral het bosschage langs de oprit zorgt ervoor dat op het perceel sprake is van schaduwwerking. Daarnaast nemen de bomen het water op uit de bodem. Er wordt zo min mogelijk verharding toegevoegd, waardoor een zo groot mogelijke oppervlakte aan gronden beschikbaar blijft voor groen en daarmee tevens de infiltratie van water. In de gewenste situatie wordt zuidelijk van het erf extra bomen aangeplant. Dit zorgt voor meer schaduwwerking. Ook op de oostelijke en westelijke perceelgrens worden extra bomen aangeplant. Deze uitbreiding groen heeft een positieve werking op extreme weersomstandigheden.
Nieuwbouw en verharding: Door de dakoppervlak en verharding kan het op het terrein en in de gebouwen erg heet worden. Hitte is slecht voor mens en dier. Hitte kan tegen worden gegaan door lichte kleuren te gebruiken voor daken, gevels, gebouwen en verhardingen.
Bij het ontwerpen van de gevels van het bedrijfsgebouw zal worden gestreefd naar het toepassen van materialen die de temperatuur binnen het bedrijfsgebouw lager kunnen houden, denk hierbij aan het toepassen van zonweringen, zonwerende beglazing, en de oriëntatie van de glas partijen.
Er wordt daarnaast gestreefd naar de toepassing van zo min mogelijk verharding rondom het bedrijfsgebouw. Ook dit zal de hittestress in en rondom het bedrijfsgebouw beperken.
Uit het voorgaande volgt dat er diverse maatregelen worden getroffen, onder meer dat er extra bomen worden aangeplant. Dat draagt bij aan klimaatadaptatie, met name aan hittebestendigheid vanwege de schaduw afkomstig van de bomen. Ook wordt gestreefd naar de toepassing van zo min mogelijk verharding rondom het bedrijfsgebouw. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie.
Gebiedsaanwijzingen
De volgende gebiedsaanwijzingen gelden:
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie binnen de 'Gelderse streek Gelderse Vallei' wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei. Het plan voldoet hier aan.
Wat betreft 'glastuinbouw'. Het plan voorziet niet in glastuinbouw.
Het plan ligt in 'groene ontwikkelingszone'. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen hierboven onder het kopje 'Ligging in Groene Ontwikkelingszone' is aangegeven (in deze paragraaf).
Voor zover het plangebied ligt in 'Gelders natuurnetwerk' (gedeeltelijk) geldt het volgende. Hier komt geen bebouwing. Hetgeen hierbinnen valt betreft de takkenril en de nieuwe toegang naar het bedrijfspand. Voor de realisatie van die nieuwe toegang is nog een afzonderlijke omgevingsvergunning benodigd.
Vervolgens wat betreft 'minder kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied'. Het plan voorziet niet in het aanleggen of exploiteren van een mijnbouwwerk of handelingen waardoor de beschermende werking van de bodemlaag wordt of kan worden aangetast. De kwaliteit van het grondwater vanwege de openbare drinkwatervoorziening is niet in het geding, omdat er geen verboden grondwaterbedreigende activiteiten in het plangebied uitgevoerd gaan worden.
Voor het 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland' geldt het volgende. Een faunabeheereenheid zet zich in voor een maatschappelijk verantwoorde, transparante en deskundige uitoefening van jacht, populatiebeheer en bestrijding van dieren die schade veroorzaken. Er geldt in zo'n werkgebied een faunabeheerplan. Bij bepaalde activiteiten is het verplicht om te handelen volgens dat faunabeheerplan. De activiteiten die met deze omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt, zien niet op activiteiten die in het faunabeheerplan staan opgenomen. Het werkgebied wordt niet belemmerd door uitvoering van dit plan.
Voor 'oude bosgroeiplaats' geldt binnen het plangebied het volgende. Er worden geen bestaande bomen gekapt. Van strijd met het provinciale belang inzake oude bosgroeiplaatsen is geen sprake. Wij verwijzen hiervoor naar hetgeen in paragraaf 5.5.3 (Houtopstanden) is aangegeven.
Doorwerking in plangebied
Het plan is in overeenstemming met de verordening. De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.
Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie.
In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld:
Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van:
Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland.
Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt.
Doorwerking in het plangebied
De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde.
Provinciale staten hebben op 16 april 2025 een voorbereidingsbesluit genomen voor de stroken (zones) van 500 meter rondom stikstofgevoelige natuur. Dit voorbereidingsbesluit heeft een rechtstreeks geldende werking. Met dit voorbereidingsbesluit zijn alle nieuwe activiteiten in deze stroken die stikstof uitstoten, voor de komende 1,5 jaar niet toegestaan. Het gaat om activiteiten waarvoor een natuurvergunning nodig is. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo mogen bestaande activiteiten doorgaan; uitbreiding ervan kan niet.
Conclusie
Het plan ligt niet binnen deze strook ('het beperkingsgebied stikstofemissie') en voor de verdere motivering wat betreft stikstof wordt verwezen naar paragraaf 5.5.1.
In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn:
Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden:
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.20.
Op 3 juli 2024 is het 'Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024, regio Foodvalley regio Amersfoort' vastgesteld. Hierin is vastgelegd hoe de deelnemende gemeenten om willen gaan met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Het beleid stelt agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze (gedeeltelijk) te beëindigen. Het wijzigen van de agrarische functie in een andere functie, zoals een woon- of werkfunctie, is de daadwerkelijke functieverandering. Dit leidt op verschillende manieren tot kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Door de sloopverplichting van overtollige bebouwing, landschappelijke inpassing bij hergebruik/nieuwbouw voor nieuwe woon- of werkfuncties, en natuurontwikkeling of landschapsverbetering in de wijdere omgeving.
Op de slooplocatie kent de overtollige agrarische bebouwing een waarde. Dit zijn sloopmeters. Nieuwe functies, zoals wonen, werken, het vergroten van de woninginhoud of oppervlakte aan bijgebouwen worden door de inzet van sloopmeters mogelijk gemaakt. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen wordt gewerkt met een omrekening van de sloopmeters. Dit betekent dat de vrijkomende sloopmeters niet één op één ingezet kunnen worden voor een nieuwe functie. Dit is de afroming. De sloopmeters zijn door de reikwijdte van het functieveranderingsbeleid tussen de deelnemende gemeenten uitwisselbaar.
Door op interregionale schaal afspraken te maken is er een kader waardoor op een gelijke wijze gewerkt wordt met sloopmeters, groencompensatie, voorwaarden voor herbestemming en kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Het is aan de gemeente om een ruimtelijke afweging te maken welke functies in welk gebied gewenst zijn. Hiervoor geeft het kader handvatten om tot een gemeentelijke uitwerking te komen.
Doorwerking in plangebied
Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters. Hiervoor passen we een afroming toe bij het omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing naar inzetbare sloopmeters. De afroming is afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Hiervoor hanteren we de volgende verdeling:
In voorliggend plan worden sloopmeters ingezet om een niet-agrarisch bedrijf te starten. Hiervoor geldt de volgende systematiek.
Om het functieveranderingsverzoek mogelijk te maken moet een sloopcompensatie (sloopmeters) worden geleverd. Uit nameting van de bebouwing is gebleken dat naast de bedrijfswoning er een oppervlakte van 2.389 m2 aan bebouwing staat. Hiervan maakt 105 m² onderdeel uit van de voormalige deel van de bedrijfswoning. Omdat dit onlosmakelijk verbonden is met de woning, wordt deze oppervlakte als standaardrecht beschouwd in plaats van 80 m². Daarmee komt een oppervlakte van 2.284 m2 als sloopmeters in aanmerking.
Na aftrek van de deel van de boerderijwoning van 105 m2 en de afroming van 392 m2, zijn er 1.892 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig. Doordat de deel een andere invulling krijgt, dan is het verschil tussen de oppervlakte van de deel met het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m2 (= 25 m2) voor de helft (= 13 m2) te gebruiken als inzetbare meters. Dit vanwege de afroming op het perceel. Dit betekent dat er 1.905 m2 (1.892 m2 en 13 m2) inzetbare meters zijn. Dit is geregistreerd in ons sloopmeterregistratiesysteem. Alle inzetbare sloopmeters kunnen direct worden benut voor de nieuwe ontwikkeling.
Benodigd voor de nieuwe ontwikkeling
Voor het bedrijfsrecht zijn 100 m2 nodig. Voor de realisatie van een bedrijfsgebouw van 585 m2 (bebouwde oppervlakte van de bedrijfsgebouwen) en een kapschuur waarin 70 m2 wordt gebruikt voor de bedrijfsfunctie (in totaal dus 655 m2 aan bedrijfsbebouwing) is in totaal (100 (bedrijfsrecht) + 500 x 2 + 155 x 3 =) 1.565 m2 sloopmeters nodig. Na het onherroepelijk worden van het plan zijn er nog sloopmeters te verkopen.
Het plan draagt bij aan een verbetering van de omgevingskwaliteit door de sloop van (vrijkomende) agrarische bedrijfsbebouwing. Er vindt landschappelijke inpassing plaats op het erf en de directe omgeving. Met dit plan komt er een nieuwe economische drager door de voormalige agrarische locatie te 'herbestemmen' voor werken. Hiermee wordt de economische en sociale vitaliteit van het landelijk gebied versterkt. Het plan is passend binnen het 'Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024, regio Foodvalley regio Amersfoort'.
Op 23 oktober 2024 is 'Functieveranderingsbeleid in Barneveld' vastgesteld. Deze lokale aanvulling vormt samen met het regionale functieveranderingsbeleid het functieveranderingsbeleid voor de gemeente Barneveld. Dit beleid is van toepassing op locaties in het landelijk gebied. De stedelijke gebieden vallen hierbuiten. In sommige gevallen is het onduidelijk wanneer dit beleid van toepassing is. Dit kan zowel geografisch (bijvoorbeeld de dorpsranden) zijn, als procedureel (grotere stedelijke ontwikkeling met grondexploitatie). Onderstaande schema geeft aan in welke gevallen het functieveranderingsbeleid van toepassing is.
Afbeelding: schema functieveranderingsbeleid
Deze lokale aanvulling gaat op hoofdlijnen in op de volgende onderdelen:
Doorwerking in plangebied
Het 'Functieveranderingsbeleid in Barneveld' bevat voor deze wijziging van het omgevingsplan verder geen aanvullingen wat betreft de verbrede toepassing van de sloopmetersystematiek, omdat het plan Achterveldseweg 37 functieverandering van agrarisch naar een niet-agrarisch bedrijf betreft. De verbrede toepassing van de sloopmetersystematiek geldt hier nu niet.
Er wordt bij Achterveldseweg 37 gebruik gemaakt van landschappelijke inpassing op de ontwikkel- en slooplocatie alsmede is het Ontwikkelingsfonds platteland hier aan de orde. Voor de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar paragraaf 5.14. Het plan past binnen het 'Functieveranderingsbeleid in Barneveld'.
Het Ontwikkelingsfonds Platteland is er voor projecten die bijdragen aan een duurzame omgevingskwaliteit in het landelijk gebied. Zo blijven het buitengebied en de kleine kernen aantrekkelijk voor boeren, bewoners en bezoekers.
Er geldt een aantal voorwaarden voor een bijdrage uit het fonds. De projecten moeten:
Het fonds een zogenaamd uitvoeringsprogramma. Elk jaar wordt er een voortgangsrapportage geschreven die inzicht geeft in de projecten en het bestede geld. Het fonds wordt gevuld door een jaarlijkse storting van de gemeente en bijdragen van initiatiefnemers. Dit zijn particulieren of bedrijven die op basis van een verevening bijdragen. Vanuit de bijbehorende regeling worden initiatieven in het buitengebied en de kleine kernen ondersteund. Denk hierbij aan de ontwikkeling van natuur en landschap, het bijdragen aan recreatieve routes of bijdragen aan waterberging.
Doorwerking in plangebied
Voormalige agrarische bebouwing is gesloopt, dit leidt tot ontstening en er vindt landschappelijke inpassing plaats. Dit kan aangemerkt worden als een verbetering van het buitengebied. Er komt een bedrijfsgebouw van 585 m2 en een kapschuur (waar een oppervlakte van 70 m2 ten behoeve van het bedrijf wordt gebruikt). Er is een bijdrage aan het fonds betaald.
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:
Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond.
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in § 5.20.
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.
Waterveiligheid
Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.
Watersysteem
Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.
Wonen en zuiveren
Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie
Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.
Energietransitie
Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in § 5.20.
De gemeenteraad heeft in 2021 het "Biodiversiteitsplan gemeente Barneveld" vastgesteld. Hierin is onder andere aangegeven dat het behouden/verbeteren van de biodiversiteit een integraal onderdeel moet zijn van ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast heeft de raad in 2022 een puntensysteem voor natuurinclusief bouwen vastgesteld.
Door voorzieningen aan/in gebouwen te verwerken en aandacht te hebben voor de inrichting van een groene omgeving kan op dat gebied veel bereikt worden voor de biodiversiteit en de leefbaarheid. Denk hierbij aan inbouwkasten voor gebouwbewonende diersoorten (zoals vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen), het realiseren van bloemrijke/kruidenrijke gebieden, het toepassen van verschillende gebiedseigen bomen en planten op het perceel of de aanleg van een poel.
Doorwerking in plangebied
Voor het plangebied is een ecologische analyse uitgevoerd, waaruit de aanwezigheid of juist afwezigheid van (beschermde) planten en dieren in het plangebied blijkt. Dit is gedaan door het uitvoeren van een quickscan flora en fauna (zie bijlage 2). In de quickscan staat beschreven welke diersoorten voorkomen in het gebied en of er voor deze soorten een goed habitat aanwezig is. Met de betrokken ecoloog is overlegd hoe het habitat voor een aantal soorten verbeterd kan worden. Hierdoor wordt de biodiversiteit aan diersoorten vergroot.
Met het plan wordt gestreefd naar het delen van de ruimte met vogels, zoogdieren, insecten e.d. Voor de flora is gekeken welke soorten aantrekkelijk zijn voor de diersoorten die reeds of juist nog niet in het gebied voorkomen. Daarnaast is ingezet op streekeigen beplanting en de toevoeging van veel verschillende soorten (onder andere door verscheidene beplantingsstructuren toe te voegen, denk hierbij aan bomenrijen).
Voor de biodiversiteitmaatregelen is gekeken naar de uitgevoerde quickscan. Uit de ecologische situatie blijkt dat het perceel voor veel soorten als functioneel leefgebied wordt beschouwd. In de gewenste situatie zal deze functie worden versterkt. Hierin zijn tevens soorten beschreven welke al dan niet zijn waargenomen tijdens het veldbezoek, waar onderhavig plangebied een functioneel leefgebied voor vormt. Dit is bijvoorbeeld de egel en de huismus.
Concreet wordt naar aanleiding hiervan natuurinclusief ingezet op "Natuur inclusief inrichten buitenruimte", door het aanplanten van bomen, een takkenril te plaatsen en nestkasten in bomen op te hangen.
De aan te planten bomen vormen een goede extra schuilplaats voor de voorkomende vogels en zoogdieren. Er is in de bomen en op de bodem ruimte voor verblijf en foerageren. Wellicht zullen ook nog andere nog niet voorkomende soorten door deze nieuwe groenstructuren worden aangetrokken naar het plangebied. De bomen betreffen streekeigen soorten, waardoor deze goed passend zijn in het gebied.
Als onderdeel van het natuurinclusief inrichten van de buitenruimte wordt een takkenril geplaatst. De takkenril krijgt een lengte van 4 meter en zal 0,75 meter hoog worden. Deze bestaat uit opgestapelde snoeihout en takken, en biedt schuilgelegenheid en nestelplaatsen voor allerlei dieren (zoals egels, vogels, insecten en amfibieën). Daarnaast draagt de takkenril bij aan natuurlijke kringlopen in de tuin door organisch materiaal op een ecologische manier te benutten. Het is een eenvoudig maar effectief landschapselement dat biodiversiteit zichtbaar en tastbaar versterkt.
Tot slot zullen er nestkasten worden opgehangen voor specifiek de steenuil, huismus en vleermuizen. Ook zal rekening gehouden worden met buitenverlichting. Op de inrichtingstekening (bijlage 4 van de regels van dit TAM-omgevingsplan) is aangegeven waar deze te treffen maatregelen worden getroffen. Voor de realisatie van de inrichting hiervan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen.
Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd.
Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG)
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
Warmtepompen
Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen).
Sinds 1 april 2021 worden geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren.
Materialen
In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden.
De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame (biobased) materialen - gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur. Voor de toekomst is het goed om te kijken naar de losmaakbaarheid van de onderdelen en het leveren van een materialenpaspoort. Zo kunnen materialen beter hergebruikt worden.
Laadpalen
Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen. Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van laadpalen voor elektrische voertuigen.
Duurzaamheid op eigen terrein
Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen.
Vanuit duurzaamheidsoogpunt is het van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden.
Klimaat
Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving paragraaf § 5.20.
Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden.
Doorwerking plangebied
De nieuwbouw van het bedrijfsgebouw van 585 m2 alsmede de kapschuur zullen duurzaam worden uitgevoerd. Qua materialisering wordt ingezet op duurzame (milieuvriendelijke) materialen. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen toegepast. Verder biedt het plan mogelijkheden voor duurzame energievormen. Deze bestaan onder andere uit het opnemen van een warmtepomp in het bedrijfsgebouw. Daarnaast geldt dat moet worden voldaan aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Bij de definitieve aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van het bedrijfsgebouw en de kapschuur zal hier nader vorm aan worden gegeven.
Daarnaast zal op het erf duurzaam worden omgegaan met water. Dit door het water op zoveel mogelijk plekken in de bodem te laten infiltreren. Dit is van belang voor het goed kunnen aanvullen van de grondwatervoorraden.
In de Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken.
De raad heeft de Omgevingsvisie op 16 juli 2025 vastgesteld en op 29 augustus 2025 is de Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd.
De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving van Barneveld zijn.
De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente.
1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld
Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld. De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen. Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige omgeving met aandacht voor klimaat en milieu.
2. Prettig leven in vitale dorpen
Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen. Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom.
3. Ruimte voor ondernemerschap
Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra.
4. Waardevol landelijk gebied
Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landschap. Dat geldt voor de natuur op de Veluwe. Maar het geldt ook voor de agrarische sector met aandacht voor natuurbehoud en minder uitstoot.
5. Bereikbaar nu en in de toekomst
Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit. Het wegennet wordt waar nodig aangepast. Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken).
Vijf gebieden en negen dorpen
De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente. Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040.
Het plangebied ligt in het deelgebied 'Westelijk buitengebied'.
Deelgebied Westelijk buitengebied
Het westelijk buitengebied in de Gelderse Vallei is het laagstgelegen deelgebied van de gemeente Barneveld. Het ligt grotendeels in het kampenlandschap, een landschapstype dat zich kenmerkt door kleinschaligheid, met een afwisseling van percelen, bosschages, houtsingels en erven. De noordzijde van het gebied is deel van een veenontginning. Dit kenmerkt zich door open landschap met een langgerekte strokenverkaveling en sloten. Landbouw is vooral grondgebonden in dit gebied.
Het westelijk buitengebied is kleinschalig en afwisselend, met een eigen identiteit en dynamiek in onze gemeente. De natuurlijke en landschappelijke elementen en kwaliteiten in dit gebied zien we als een goed fundament om de toeristische en recreatieve sector in dit gebied te verstevigen, ter ontlasting van de recreatieve druk in de Veluwe. De voorziene ontwikkelingen zijn kleinschalig en moeten bijdragen aan de plattelandsontwikkeling. Daarbij zien we er wel op toe dat de effecten die door de spreiding optreden niet tot nieuwe grote problemen leiden in dit gebied.
De ambitie richt zich op de doorontwikkeling van het agrarisch bedrijf, zowel grondgebonden als niet grondgebonden. Het hoofdaccent ligt hierbij wel op de ontwikkeling van natuurinclusieve en/of extensievere vormen van landbouw en/of multifunctionele landbouw, in het bijzonder in het Groene Valleilint en in de beekdalen. Door te ondernemen met aandacht voor de groenblauwe kenmerken van het gebied, behouden we het kleinschalige en diverse karakter en versterken we de natuurlijke en landschappelijke waarden.
Doorwerking in plangebied
Stoppende agrariërs wordt in dit gebied de mogelijkheid geboden met het functieveranderingsbeleid erven in te zetten voor niet-agrarische bedrijvigheid. Hierbij wordt gedacht aan kleinschalige bedrijvigheid voor startende en kleine ondernemers. Ondernemers die doorgroeien of meer ruimte nodig hebben zijn welkom op de bedrijventerreinen.
Nu het hier gaat om een bedrijf dat voldoende heeft aan een maximum vloeroppervlakte van 750 m2 aan bedrijfsbebouwing, kan gesteld worden dat deze wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Barneveld 2040.
Op 17 april 2024 is het Toetsingskader landelijk gebied vastgesteld. Dit toetsingskader ziet vooral toe op functieverandering van agrarische bedrijven en nieuwe niet-agrarische activiteiten in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het toetsingskader loopt vooruit op de vaststelling van de Omgevingsvisie Barneveld 2040. Het beleid ten aanzien van het landelijk gebied zal in deze Omgevingsvisie worden bepaald. Vanwege de druk op het landelijk gebied is dit toetsingskader voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsvisie vastgesteld en geldt voor alle nieuwe initiatieven vanaf 29 augustus 2023.
Het toetsingskader is gebaseerd op vier deelgebieden die logischerwijs voortkomen uit de natuurlijke en cultuurlandschappelijk opbouw van de gemeente. Ieder gebied heeft zijn eigen karakter en dat is bepalend voor wat er in welk gebied kan. De deelgebieden zijn gebaseerd op de gebiedsindeling uit de Structuurvisie Buitengebied 2011:
Naast specifieke uitgangspunten per deelgebied, gelden voor alle deelgebieden de volgende algemene uitgangspunten:
Doorwerking plangebied
De locatie Achterveldseweg 37 ligt in het deelgebied 'Agrarisch slagen- en kampenlandschap en landgoederen'. In dit deelgebied is de functie landbouw richtinggevend. We streven in dit deelgebied naar het versterken van dagrecreatie en houden rekening met passende schaalvergroting in de landbouw. Het gebied Kallenbroek met recreatief medegebruik (Het Paradijs, landgoed Erica) en landgoederen zien we als natuurkerngebied in het Groene Valleilint. In dit gebied is de landbouwfunctie niet richtinggevend. In dit kerngebied streven we naar duurzame landbouw, het versterken van de beken binnen de natuur- en klimaatdoelstellingen met ruimte voor natuur en landschapselementen en uitbreiding recreatief routenetwerk.
Voor niet-agrarische bedrijvigheid is specifiek aangegeven dat nieuwe niet-agrarische bedrijvigheid is toegestaan mits:
-gerealiseerd op een bedrijventerrein, in de kernrandzone of op een voormalige agrarische bedrijfslocatie;
-gericht is op kleinschaligheid en passend in het deelgebied (max. 750 m2 vloeroppervlak, max. 100 m2 buitenopslag en max. milieucategorie 2 of een hogere categorie met een milieuhinder gelijk aan categorie 2. In dit geval gaat het om een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De vloeroppervlakte van de bebouwing gaat niet meer bedragen dan 750 m2. Er komt geen buitenopslag en het bedrijf is aan te merken als een bedrijf van categorie 2.
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd:
Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.20.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. De planlocatie is namelijk een bodemgevoelige locatie, zoals is aangegeven in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl.
Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt onder andere plaats op basis van de 'Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018' en de bijbehorende 'Nota bodembeheer 2022'. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties.
In dit geval is er sprake van een mogelijk verdachte locatie.
De beoordeling is op basis van eerdere bodem- en asbestonderzoeken op deze locatie (2018 en 2021). Een bodemonderzoek kan echter nooit volledige zekerheid geven over de kwaliteit van de onderzochte bodem of het grondwater en is een momentopname. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft er zelfs plaatselijk een sanering plaatsgevonden.
Het meest recente onderzoek betreft een in mei 2021 uitgevoerd actualiserend bodem- en asbestonderzoek (in het kader van een ander initiatief). Uit de onderzoeksresultaten van dat betreffende onderzoek dient ter plaatse van het voormalige erf rekening te worden gehouden met de mogelijkheid tot het plaatselijk aantreffen van asbesthoudend (plaat)materiaal (te weten zwerfasbest) op en/of in de bodem. Dit is met name van belang bij de toekomstig grondroerende werkzaamheden die in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van het terrein zullen gaan plaatsvinden.
De gemeente is niet aansprakelijk voor een eventuele toekomstige bodemvervuiling op de locatie. Er moet rekening mee gehouden worden met de plaatselijke aanwezigheid van asbesthoudend plaatmateriaal in de bodem. Als tijdens de aanleg of bouw alsnog verdachte stoffen in de bodem (/bodemverontreiniging) worden aangetroffen, moet dit zo snel mogelijk worden gemeld bij de Omgevingsdienst de Vallei of de gemeente. Daarnaast dient de aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. van en naar de onderzoekslocatie te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten:
Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ontwikkelingen.
Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat binnen het plangebied grotendeels ligt binnen een historisch boerenerf. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 besloten dat voor de zone Historisch boerenerf archeologisch onderzoek nodig is in plangebieden groter dan 100 m² bij bodemingrepen dieper dan 30 cm. Ook geldt een hoge archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 250 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.
Voor zover de locatie ligt binnen een lage archeologische verwachting, is in deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Voor zover de locatie ligt binnen een middelhoge verwachting, is voor deze zone archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.
De archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Barneveld (zie onderstaande afbeelding) geeft binnen het plangebied (blauwe contour) het volgende aan:
Afbeelding: uitsnede archeologische beleidskaart, de blauwe contour geeft het plangebied voor het niet-agrarische bedrijf weer
De boerderij is aangegeven als historische boerderij. Op de kaart van Passavant uit het einde van de 17e eeuw staat de boerderij op deze locatie al aangegeven. Er staat ook een persoonsnaam bij vermeld: Brant Geerts. Op het kadastraal minuut uit de 1e helft van de 19e eeuw wordt de naam Kruisdijk vermeld.
Voor het plangebied geldt dus specifiek een hoge verwachting voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Bouwvlakken met historische boerderijen krijgen een vrijstellingsgrens voor de oppervlakte van 100 m2 en voor de diepte van 30 cm -Mv.
In het nieuwe plan is een vervallen schuur gesloopt en wordt vervangen door een nieuwe kapschuur. Ook wordt een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd. Deze bebouwing is grotendeels gepland op voorheen bebouwde grond, waardoor hier de bodem reeds verstoord is. Een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig. De dubbelfunctie (voorheen dubbelbestemming) kan hier worden verwijderd.
In maart 2018 is aan de westzijde van de bestaande bebouwing (zie onderstaande afbeelding) een archeologisch booronderzoek uitgevoerd ten behoeve van de bouw van een stal, waarbij het resultaat als volgt was:
"Samenvattend kan dan ook gesteld worden dat de bodem in het plangebied voor het grootste deel is vergraven tot in de C-horizont. Hierbij is ook het potentiële archeologische sporenniveau, de top van het dekzand, verstoord geraakt. In de ondergrond van het plangebied bevindt zich nog een vegetatiehorizont die mogelijk uit het Bølling- of Allerød-insterstadiaal dateert. In dit niveau kunnen nog archeologische waarden uit het Laat-Paleolithicum aanwezig zijn. Deze vegetatiehorizont zal echter, omdat de grondwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van een stal tot 70 cm –mv zullen reiken, niet verstoord worden."
Afbeelding: archeologisch onderzoeksgebied 2018
Voor het erf geldt volgens de archeologische verwachtingenkaart een grotendeels hoge archeologische verwachting. Daarbij horen de volgende vrijstellingsgrenzen: 100 m2, en 30 cm onder maaiveld. De nieuwe bebouwing is grotendeels gepland op voorheen bebouwde grond, waardoor hier de bodem reeds verstoord is. Een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig. De dubbelfunctie (voorheen dubbelbestemming) kan hier worden verwijderd.
Ter plaatse van het archeologisch onderzoeksgebied (zie bovenstaande afbeelding) kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar middelhoog. De genoemde vegetatiehorizont is waargenomen vanaf een diepte van 30 cm -mv (circa 4,6 m +NAP). Daarom wordt geadviseerd voor de wijziging van het omgevingsplan vrijstellingsgrenzen van 2.000 m2 en 30 cm -mv op te nemen. Daarnaast geldt altijd de meldingsplicht.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 19.8 Omgevingswet en artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij het college van burgemeester en wethouders verplicht.
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden.
Conclusie
De historische stedenbouwkundige waarden vormen geen belemmering voor dit plan.
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plan ligt volgens deze cultuurhistorische waardenkaart in een landschap van vochtige kampontginningen (waarde 5). Het betreft hoge cultuurhistorische waarden waarmee rekening moet te worden gehouden bij deze wijziging van het omgevingsplan. Het gaat om een zeer hoog gewaardeerde landschap, omdat de waarde 5 geldt. Deze waarden moeten worden gehandhaafd danwel versterkt.
Hiervan is sprake en wordt verwezen naar paragraaf 5.14.
Conclusie
Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan.
In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot behoud van cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan.
Op het perceel of in de omgeving zijn geen monumenten aanwezig.
Conclusie
Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.
Duurzaamheid
In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestres (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water).
In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde.
In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal.
Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.2.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.
De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”.
Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet).
Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen.
Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied (circa 8,2 km) zijn interne effecten op voorhand uit te sluiten. Externe effecten op Natura 2000-gebied (met uitzondering van vermesting en verzuring door stikstofdepositie) worden niet verwacht gelet op de ligging van het plangebied ten opzichte tot het Natura 2000-gebied. Er is voor het plan wel een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie hieronder).
Stikstof
Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie.
Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (zie bijlagen 3, 4, 5 en 6). Uit onderzoek is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Conclusie van het rapport en de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de aanvraag.
Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact.
In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).
Het plangebied ligt in de GO alsmede ook gedeeltelijk in het GNN.
Afbeelding: kaart 5 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Voor de GNN/GO geldt geen externe werking. Het plangebied ligt, wat betreft de vestiging van het niet-agrarische bedrijf, in de GO. In de GNN zal een toegangspad tot het bedrijf gerealiseerd gaan worden. Voor deze toerit in de GNN naar het bedrijf toe worden geen bomen gekapt. Daarnaast worden er voorzieningen getroffen in de GNN (er komt hier een takkenril met een lengte van 4 meter en 0,75 meter hoogte). Dit kan worden aangemerkt als een positieve toevoeging. Er komt verder landschappelijke inpassing/natuur bij, in de vorm van de aanplant van nieuwe bomen. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van deze wijziging van het omgevingsplan.
Er is voor het pad naar het bedrijf toe dat (gedeeltelijk) ligt in GNN een compensatieplan opgesteld. Hiervoor verwijzen we naar het kopje 'Natuurcompensatie' in paragraaf 4.3.1.2 van de motivering. Negatieve effecten op GNN/GO zijn er niet. Hiervoor verwijzen we verder ook naar paragraaf 4.3.1.2
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor:
1. vogels (Vogelrichtlijn);
2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn;
3. en andere (nationale) soorten / overige soorten.
De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos.
In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rust- en verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden.
Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan uitgevoerd.
Daartoe is de door Natuurbank Overijssel opgestelde rapportage "Quickscan natuurwaardenonderzoek Achterveldseweg 37 Achterveld" (d.d. 13 juni 2025, met projectnummer 7656, versie 1.1) aangeleverd. Het rapport is als bijlage 2 bij de motivering opgenomen. De aanleiding zijn de concrete plannen om een bedrijf voor machinebesturing/robotica in de land- en wegenbouw te realiseren op een voormalig agrarisch erf aan de Achterveldseweg 37 in Achterveld. Hierbij wordt een kapschuur en bedrijfspand gebouwd en wordt de huidige schuur gesaneerd. De buitenruimte wordt in de nieuwe situatie gebruikt als testlocatie voor diverse ontwikkelde robotica. Ook wordt een nieuwe toegangsweg aangelegd en wordt het erf landschappelijk ingepast met behulp van erfbeplanting. De bestaande woning zal gerenoveerd worden. Aangenomen wordt dat grondverzet plaatsvindt, verharding verwijderd en beplanting gerooid wordt. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden.
Het plangebied is op 11 juni 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, voortplantings- en rustlocaties.
In de quickscan wordt geconcludeerd dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats maken voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels en vleermuizen benutten het plangebied als functioneel leefgebied. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën bezetten ook een voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Potentieel aanwezige voortplantings- en rustplaatsen van wezel en bunzing worden niet nadelig beïnvloed. Vogels bezetten daarnaast ook een nest in het plangebied. Vleermuizen bezetten mogelijk een verblijfplaats in het plangebied.
Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen sloop-, rooi- en renoveerwerkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is, op de huismus na, uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden, omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen, vernielen of verstoren van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.
Nesten van huismus zijn in Gelderland jaarrond categorie 1 beschermd. Mogelijk zijn nesten van de soort huismus aanwezig onder de dakpannen. Om vast te stellen of nesten van de soort huismus aanwezig zijn dient nader onderzoek plaats te vinden. Als nesten van huismus aanwezig zijn, dient een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om deze nesten te mogen beschadigen/vernielen (bij het saneren en renoveren van bebouwing). Met het rooien van beplanting dient gewacht te worden totdat vastgesteld is of nesten van huismus aanwezig zijn. Deze beplanting maakt deel uit van het functioneel leefgebied van de huismus.
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt, op de steenmarter na, een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.
Voortplantings- en rustplaatsen van steenmarter zijn beschermd en mogen niet zonder omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit beschadigd/vernield worden. Er dient nader onderzoek naar de te saneren schuur plaats te vinden om vast te stellen of voortplantings- en rustplaatsen van steenmarter aanwezig zijn.
Als gevolg van het slopen en renoveren van de bebouwing worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen. Dit aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol 2021 en behelst vijf bezoeken om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te stellen.
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaats negatief beïnvloed wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes van vleermuizen.
De conclusie is dat nader onderzoek nodig is naar in elk geval de soortgroep vleermuizen en huismus. Ook is nader onderzoek nodig naar de steenmarter nodig. Dit nadere onderzoek naar vleermuizen, huismus en steenmarter moet zijn uitgevoerd voordat de werkzaamheden starten. Het onderzoek hoeft niet te worden uitgevoerd voor vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan.
Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan.
De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long.
Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland).
Oude bosgroeiplaatsen zijn zeldzaam in Nederland. Op deze plaatsen is sprake van een langdurige, ongestoorde ontwikkeling van de bosbodem. De bodem krijgt hierdoor specifieke kenmerken, die gunstig zijn voor soorten die alleen groeien in langdurig ongestoorde bossystemen. Om deze reden dienen deze bodems bescherming te krijgen en is het niet mogelijk om houtopstanden op deze bodems elders te compenseren. Er zijn verschillende manieren om te bepalen of het gaat om een oude bosbodem. Bijvoorbeeld via (oude) topografische kaarten, kadastrale kaarten en/of foto's.
Deze gegevens kunnen ondersteund worden met vegetatiegegevens of gegevens over het voorkomen van andere soorten, waaruit blijkt dat er sprake is van soorten die kenmerkend zijn voor oude bosbodems of oude, weinig verstoorde bossystemen.
Gedeputeerde Staten zullen in principe geen ontheffing verlenen voor herplanting van houtopstanden op andere grond als de gevelde of teniet gegane houtopstand een oude bosgroeiplaats betreft waarvan het landgebruik sinds 1832 zonder onderbrekingen uit bos heeft gestaan. Voor eventuele afwijkruimte dient een aanvraag te worden ingediend bij de afdeling Vergunningverlening binnen de provincie.
Op onderstaande afbeelding valt te zien dat de locatie deels valt binnen een oude bosgroeiplaats.
Afbeelding: uitsnede van oude bosgroeiplaats Achterveldseweg 37
Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Er worden dus ook geen bestaande bomen gekapt in oude bosgroeiplaatsen. Van strijd met het provinciale belang inzake oude bosgroeiplaatsen is dan ook geen sprake. Een meld- en herplantplicht is niet aan de orde.
Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet.
In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden).
Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht:
Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.
Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht:
Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.
Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht:
Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand.
Zorgplicht
Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen.
Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt.
Vleermuizen
Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouw- of bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt.
Voor vleermuizen, huismus en steenmarter moet in het kader van soortenbescherming nader onderzoek worden uitgevoerd. Dit nadere onderzoek naar vleermuizen, huismus en steenmarter moet zijn uitgevoerd voordat de werkzaamheden starten. De adviezen die daaruit volgen zullen worden overgenomen. Het onderzoek hoeft niet te worden uitgevoerd voor vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan.
Er treden geen negatieve gevolgen op in het kader van stikstof.
Voor de ligging van het plangebied in de GO (en GNN) is een onderzoek uitgevoerd en wordt verwezen naar paragraaf 4.3.1.2.
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Binnen het plan worden geen extra geluidgevoelige functies (woningen/appartementen) mogelijk gemaakt, waardoor een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet nodig is.
Een onderzoek naar geluid afkomstig van de toe te voegen bedrijfsactiviteiten op de locatie is niet nodig. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 5.13.
Conclusie
Binnen het plan worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Dus hier is geen nader onderzoek voor noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de bruidsschat en het Bkl zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen. De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Er worden minder gebouwen als geurgevoelig beschouwd wanneer de definitie uit het Bkl wordt gehanteerd, in plaats van de definitie uit de Wgv en de bruidsschat. De gemeente kan echter wel, met toepassing van het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl, aanvullende categorieën geurgevoelige gebouwen aanwijzen in een omgevingsplan.
Deze aanwijzing moet plaatsvinden in het uiteindelijke omgevingsplan van de gemeente. Op dit moment is dit nieuwe omgevingsplan er nog niet. Daarom is nog niet bepaald op welke geurgevoelige gebouwen aan de geurnormen getoetst moet worden. Het is niet wenselijk om enkel de definitie uit het Bkl aan te houden en minder gebouwen te beschermen dan voorheen, wanneer dergelijke gebouwen bij het vaststellen van het omgevingsplan mogelijk wel weer aan de geurnormen moeten voldoen. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv.
Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Beoordeling woon- en leefklimaat
Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen veehouderij) als de achtergrondbelasting (vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen) kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.
In dit geval is er geen veehouderij op korte afstand gelegen die met name bepalend is voor de geurbelasting; er liggen meerdere veehouderijen in de omgeving. De achtergrondbelasting is naar verwachting bepalend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse.
De achtergrondbelasting in deze omgeving ligt tussen de 6,0 en 10,0 ouE/m3. Daarbij is sprake van een 'redelijk goed' tot 'goed' woon-en leefklimaat. Het woon-en leefklimaat ter plaatse is aanvaardbaar. Er is dus in het plangebied sprake van een qua geur aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Beoordeling belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen
Vanuit regels in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan geldt een afstand van 50 meter tussen een veehouderij en omliggende geurgevoelige objecten. Ook geldt ter plaatse een norm voor de voorgrondbelasting van 14,0 OuE/m3.
De afstand tussen de dichtstbijzijnde veehouderij en het plangebied bedraagt meer dan 250 meter. Dit is gemeten vanaf de grens van het bouwvlak.
Alle veehouderijen in de omgeving liggen op een zodanig grote afstand van het plangebied dat geen berekening is gemaakt van de voorgrondbelasting. Er zal aan de vereiste norm voldaan kunnen worden. Doordat aan de vereiste afstand wordt voldaan, vormt dit plan geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen.
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt.
Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen.
De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer).
Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.
De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen.
Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen.
Conclusie
Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van een geitenhouderij aan de Kraaikamperweg 3 in Barneveld. De afstand bedraagt circa 1,3 kilometer. Er komt hier geen nieuwe woningen. De bedrijfswoning blijft de bedrijfswoning. Het plan voorziet niet in de toevoeging van een hindergevoelige functie.
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan. Hoewel het plangebied ligt in het gebied waarvoor een licht verhoogde risico op longontsteking geldt, is desondanks een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd in het plangebied.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan.
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Er is bij deze wijziging van het omgevingsplan geen sprake van een substantiële stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt uitsluitend voorzien in een beperkte functiewijziging en kleinschalige bebouwing, passend binnen het bestaande buitengebied.
Er is daarom geen laddertoets vereist.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
Conclusie
Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving.
Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over:
Beoordeling
Het plan betreft een dermate kleinschalige plan dat als NIBM project wordt beschouwd. De verkeersaantrekkende werking is beperkt en overschrijdt de NIBM norm niet. Ook de achtergrondconcentraties leiden er niet toe om hier op lokaal niveau overschrijdingen van normen te verwachten. Een voldoende woon- en leefklimaat is daarom geborgd.
Beoordeling fijnstof (PM10) vanuit de veehouderij
Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit plan ziet niet toe op uitbreiding van een veehouderij waar meer fijnstof emissie vrijkomt. Omliggende veehouderijen hebben geen relevante fijnstof emissie of liggen op voldoende afstand. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is, gezien de fijnstofbelasting vanuit veehouderijen, aanvaardbaar.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is:
Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling.
Ad 1 en 3: Bijlage V van het Omgevingsbesluit
Wettelijk kader
Voor de project-mer geldt dat als de activiteit voorkomt in kolom 1 en boven de drempelwaarden uitkomt in kolom 2, een mer-plicht geldt. Als de activiteit voorkomt in kolom 1 en betrekking heeft op een geval zoals omschreven in kolom 3, geldt een mer-beoordelingsplicht. In het geval van een beoordelingsplicht is de centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog een mer-plicht.
Toetsing
De activiteit wordt niet genoemd in Bijlage V van het Ob. Hierdoor is geen sprake van een project-mer-(beoordelings)-plicht. De omvang van het project en de milieueffecten zijn dermate gering dat geen sprake is van een plan-mer-plicht op basis van artikel 16.36 lid 4 van het Ob. Het plan voorziet in een wijziging van een agrarisch naar een niet-agrarisch bedrijf (met nieuwe bedrijfsbebouwing, waarbij voormalige agrarische bebouwing is gesloopt), waarbij het niet-agrarische bedrijf niet gebruik maakt van motorvoertuigen. Het vestigen van een technologiebedrijf gespecialiseerd in machinebesturing/robotica voor de land- en wegenbouw is niet opgenomen in Bijlage V van het Ob. Hierdoor is ook deze activiteit niet mer-beoordelingsplichtig, zodat een mer-beoordeling niet nodig is. De gevolgen voor bijvoorbeeld stikstofdepositie is bij toekomstige nieuwbouw onderzocht, waar in paragraaf 5.5 van deze motivering verder op wordt ingegaan.
Ad 2: Passende beoordeling
Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow).
Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig.
Conclusie
Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor dit plan.
Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat toekomstige gevoelige gebouwen, zoals woningen, niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door milieubelastende activiteiten.
Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing.
In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot gevoelige functies, onder andere wonen. In dit kader is voor dit plan het volgende aspect van belang:
- woning op Achterveldseweg 32.
- het agrarisch bedrijf op Achterveldseweg 35.
Het bedrijf dat zich wil vestigen op Achterveldseweg 37 staat alszodanig niet opgenomen. Het gaat om een technologiebedrijf gespecialiseerd in het automatiseren van land- en wegenbouwprocessen met behulp van robotica, locatiebepaling en besturingssystemen. Het beoogde technologiebedrijf zal deels bestaan uit een kantoorfunctie en werkplaats voor het assembleren van onderdelen. Er is geen bedrijvensoort welke naadloos aansluit bij de beschreven bedrijfsactiviteiten. Er zijn wel een combinatie van verschillende bedrijvensoorten welke gezamenlijk een accuraat beeld geven van de representatieve bedrijfssituatie. Hierbij is gekozen voor informatietechnologie in de zin dat op locatie software wordt ontwikkelt. Daarbij een gedeelte opslag. Ook is er gekozen voor 'Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie'. Belangrijk om te benoemen is dat op locatie geen apparatuur worden vervaardigd, maar enkel wordt geassembleerd. In feite bevatten de robots ook 'computers', daarom is reparatie van computers milieutechnisch goed te vergelijken met het werken aan robots. Tot slot zal er sprake zijn van functioneel verbonden kantoorfunctie.
Gelet hierop is het bedrijf aan te merken als een bedrijf met een milieucategorie 2. Daarvoor geldt een richtafstand van 30 meter (en moet voldaan worden aan 45 dB(A) etmaalwaarde).
De grootste afstand in het kader van geur en geluid is voor een dergelijk bedrijf derhalve maximaal 30 meter. De meest dichtbijgelegen gevoelige objecten van derden ten opzichte van onderhavige locatie liggen op een afstand van circa 180 meter (Achterveldseweg 35) en circa 200 meter (Achterveldseweg 32). Hiermee kan derhalve ruimschoots worden voldaan aan de minimale afstand van 30 meter. Er doen zich met uitvoering van onderhavig plan dan ook geen belemmeringen voor in het kader van milieuzonering. Het betreft activiteiten met een lage milieucategorie (1/2) en in de nabije omgeving zijn geen gevoelige objecten gesitueerd.
Het bedrijf zal dus op 30 m afstand kunnen voldoen aan 45 dB(A) etmaalwaarde (conform de richtlijnen uit de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering').
De afstand van het functievlak voor het niet-agrarische bedrijf tot aan een gevoelige functie (Achterveldseweg 32) bedraagt namelijk meer dan 100 m. De activiteiten die het bedrijf gaat ontplooien kunnen worden verricht binnen een gebruiksruimte geluid van 45 dB(A) op 30 m afstand. Nu de afstand meer dan 100 meter is, is milieuzonering geen belemmering.
Conclusie
Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
Op de locatie geldt de 'Waarde - Cultuurlandschap in het buitengebied'. De locatie is gelegen in een gebied dat zich kenmerkt door een authentiek kampenlandschap. Dit gebied wordt gekenmerkt door een besloten karakter. Open akkers omzoomd met landschapselementen. Op deze plek is de laanbeplanting en de beplanting van de kavelgrenzen herkenbaar.
De nieuwe bedrijfsbebouwing komt op de plek waar eerder al agrarische bebouwing aanwezig is geweest en sluit aan bij bestaande verharding. Gecombineerd met de erfbeplanting en de bestaande beplanting ontstaat er een samenhangend geheel waarbij geen landschappelijke waarden worden aangetast. Wanneer de beplanting volgens het landschapsontwerp wordt aangeplant, draagt het plan bij aan landschappelijke versterking omdat wordt ingezet op het versterken/herstellen van groenstructuren. De kenmerkende kamerstructuur wordt versterkt door de aanplant van bomen.
De zuidelijke bomenrij is een historische groenstructuur. Met de landschappelijke inpassing wordt die weer zichtbaar gemaakt in het landschap.
De landschappelijke inpassing is akkoord en past bij de cultuurlandschappelijke waarden. Als bijlage 4 van de regels van dit TAM-omgevingsplan is het landschappelijke inrichtingsplan toegevoegd.
Er komt voor het bedrijfspand een schuine inrit vanaf de bestaande inrit. Er is hier een ruimte van 11 meter beschikbaar voor de nieuwe inrit. Hier wordt halfverharding toegepast. Dit is genoeg ruimte en vanuit landschappelijk oogpunt akkoord.
Voor wat betreft de kernkwaliteiten wordt verwezen naar paragraaf 4.3.1.2).
Conclusie
Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe functie de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines.
Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal:
Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR)
Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit. Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid.
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG)
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.
Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.
Beleidsvisie externe veiligheid
In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.
Artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft een instructieregel aan het bevoegd gezag om in een omgevingsplan specifieke regels op te nemen.
In een omgevingsplan wordt voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c. de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio's.
Dit voorschrift verplicht de gemeenteraad om bij het vaststellen van een omgevingsplan het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis mee te nemen in de afweging. Dit betekent dat de gemeenteraad onder meer rekening houdt met een goede toegankelijkheid voor hulpdiensten bij (primaire) hulpverlening en de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland.
Er moeten (veiligheids-)maatregelen getroffen worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid", het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.
Er worden eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. I
Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de functie. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Toetsing planontwikkeling
In het kader van bluswatervoorziening zijn voorwaarden gesteld. Primair voor dit plan betekent het dat het brandweervoertuig de hoofdtoegang tot maximaal 40 meter moet kunnen naderen (opstelplaats). Vervolgens dient de brandweer binnen een afstand van maximaal 100 meter vanaf de opstelplaats over een primaire bluswatervoorziening (brandkraan) met een capaciteit van minimaal 60 m3 per uur te kunnen beschikken. In dit plan bevindt de dichtstbijzijnde primaire bluswatervoorziening, in de vorm van een ondergrondse brandkraan met een capaciteit van 60 m3 per uur, zich op een afstand 360 meter. De primaire bluswatervoorziening voldoet niet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid qua afstand. Gezien de situatie en ligging acht de Brandweer Gelderland-Midden het niet noodzakelijk om aanvullende voorwaarden te stellen. Brandweer Gelderland-Midden adviseert overigens wel aan initiatiefnemer om in overweging te nemen om een geboorde put op eigen terrein te laten aanleggen, waarbij de locatie en capaciteit in overleg met de brandweer bepaald wordt.
Wat betreft de bereikbaarheid geldt hier dat het brandweervoertuig de hoofdtoegang tot maximaal 40 meter moet kunnen naderen (opstelplaats). Voor wat betreft de bereikbaarheid wordt voldaan aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid". Er is geen aanleiding om hier aanvullende voorwaarden te stellen.
Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Bal (paragraaf 3.4.2 en 4.29) zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen staan beschreven in bijlage VI van het Bkl. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven.
Liander heeft op 23 december 2024 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit plan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden.
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog.
Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat binnen de planlocatie Achterveldseweg 37 drie grijze vierkantjes te zien zijn. Volgens de kaart zouden dit militaire onderkomens of tenten zijn geweest. Ten oosten van het plangebied is een rood vlak afgebakend vanwege een kraterinslag.
De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.
Afbeelding Uitsnede OO-belastingkaart
Op de luchtfoto hieronder van 8 april 1945 zijn de bouwwerken te zien. Op de topografische kaart van 1953 zijn de bouwwerken voor het eerst te zien. Tot in de jaren 70 zijn de bouwwerken ook nog te zien op topografische kaarten. Hierdoor mag aangenomen worden dat het veeschuren of kippenhokken zijn, daarvoor ook zijn bebouwd en dat het geen militaire objecten betreft. Na de oorlog zijn diverse stallen gebouwd op de locatie waarbij veel grondverzet heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn geen ontplofbare oorlogsresten aangetroffen of geruimd door de EODD.
Bij de buren aan de oostkant is de krater zichtbaar (rood omcirkeld) op de luchtfoto. De risicocirkel (zie kaartuitsnede hierboven) ligt op ruime afstand van de planlocatie.
Afbeelding: luchtfoto uit 1945
Op basis van bovenstaande beoordeling kan geconcludeerd worden dat de planlocatie niet in verdacht gebied ligt. Er is geen aanvullend onderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog nodig.
Conclusie
Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe ontwikkeling met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte, dan moet in het omgevingsplan rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking (artikel 5.162 Bkl).
In dit plan wordt hier op de volgende manier rekening mee gehouden.
Het plangebied sluit met een inrit aan op de Achterveldseweg, een gemeentelijke weg. De wijziging van het omgevingsplan heeft geen gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte. Aan de inrichting van de openbare ruimte wijzigt verder niets met dit plan.
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt.
Conclusie
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn.
Het parkeren moet op eigen terrein worden opgelost. Aan een bedrijfsfunctie zit een parkeereis verbonden. In het buitengebied hoort bij een bedrijf vallend onder de categorie bedrijf arbeidsintensief/ dus extensief (werkplaats) een parkeernorm van 2,4 per 100 m2 BVO bij. Bij een BVO van de bedrijfsbebouwing van 655 m2 betekent dat in principe een parkeereis van (afgerond) 16 nieuwe parkeerplaatsen. Bij de al bestaande woning hoort een parkeernorm van 2,5 (dus afgerond 3).
Er is een parkeerbalans aangeleverd (zie bijlage 7). Uit de uitgevoerde parkeerbalans blijkt dat de maatgevende parkeervraag (tijdens het drukstemoment) 17,0 parkeerplaatsen bedraagt. Het parkeeraanbod is 19 parkeerplaatsen. Daarmee heeft het plan een positieve parkeerbalans van 2,0 parkeerplaatsen. Deze parkeerbalans is akkoord.
Deze 19 parkeerplaatsen zijn op de erfinrichtings-/beplantingsplan aangegeven en er is aangetoond dat deze nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Er worden in totaal (16 + 2,5 = 18,5 dus afgerond) 19 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig.
Ook is rekening gehouden met de stalling van fietsen.
Verder blijft de bestaande uitritsituatie van het perceel (en daarmee de ontsluiting) op de gemeentelijke weg ongewijzigd.
Conclusie
Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. In Hoofdstuk 4 is in verschillende paragrafen ingegaan op het waterbeleid.
Bestaande situatie
In de bestaande situatie betreft de locatie een voormalig agrarisch bedrijfsperceel met een bedrijfswoning, een bijgebouw en inmiddels gesloopte agrarische bebouwing.
Nieuwe situatie
Hier betreft het enkel een functieverandering. Er is sprake van nieuwbouw. Wanneer er gebouwd gaat worden, moet worden voldaan aan het vigerende beleidskader van zowel de gemeente Barneveld als het Waterschap Vallei en Veluwe. Er geldt dan onder andere dat er dan minimale waterberging per vierkante meter verharding dan wel bebouwing moet worden gerealiseerd. Het beleid geldt ook voor aanpassingen aan watergangen en kunstwerken (duikers, stuwen etc.).
Initiatiefnemer heeft afstemming gezocht met het waterschap over het aspect water. In dit geval is het de bedoeling dat er een stuw wordt geplaatst. Als die wordt geplaatst, kan daarmee worden voldaan aan de waterbergingscapaciteit.
In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud. Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen.
De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.
Conclusie
De weging van het waterbelang vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Achterveldseweg 37 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel 1 en Artikel 2).
Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de Achterveldseweg 37, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0041 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Er komen veel stallen en andere bedrijfsgebouwen leeg te staan. De gemeente wil aan deze gebouwen een nieuwe passende functie kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan nieuwe woningen, diverse vormen van bedrijvigheid, recreatieve of maatschappelijke functies en verbredingsmogelijkheden voor wonen en werken.
Bij functieverandering naar werken is een onderscheid gemaakt voor 'gebiedspassende bedrijven' en 'gebiedsgebonden bedrijven'. Gebiedspassende bedrijven zijn kleinschalige bedrijven die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in de (delen van) het buitengebied. Gebiedsgebonden bedrijven zijn bedrijven die vanuit de aard van hun bedrijfsvoering in beginsel geplaatst kunnen worden in (bepaalde delen van) het buitengebied, dan wel die vanouds aan het buitengebied gerelateerd worden. Deze bedrijven hebben naar hun aard een zekere relatie met het buitengebied en/of vanuit de historie een plek gevonden in het buitengebied. Onder deze categorie schaart de regio ook agrarische verwante bedrijven (ook wel landelijke bedrijven genoemd).
Een belangrijk doel bij functieverandering is dat er nieuwe ruimtelijke kwaliteiten worden gerealiseerd, waardoor ruimtelijke en maatschappelijke winst ontstaat. Dit gebeurt door investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. Die investeringen lopen via het Ontwikkelingsfonds Platteland en hebben betrekking op landbouw, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, milieu en water, recreatie en sociaaleconomische revitalisering. De middelen uit dit fonds moeten aan meerdere doelen en thema’s worden besteed zodat een evenwichtig plattelandsontwikkelingsprogramma wordt opgebouwd en uitgevoerd.
In het voorliggende plan is voor de bedrijfswoning een omgevingsplanactiviteit opgenomen waarmee met een omgevingsvergunning een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. Dit is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in artikel 7.5.6, tweede lid van de planregels.
Binnen een bedrijfswoning is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante functie staan de voorwaarden beschreven.
De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. Bij een kleine woning geldt een maximum van 35 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied. Via een omgevingsvergunning (omgevingsplanactiviteit) mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf en bed & breakfast ook in een bijgebouw worden gerealiseerd.
Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt. Ook wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan.
Bij de woning is een paardrijbak (onoverdekte rijbak) voor privé- en hobbymatig gebruik door de bewoners toegestaan.
De afmeting van de paardrijbak bedraagt maximaal 20 bij 40 meter (800 m2). De paardrijbak is toegestaan binnen de locatie waaraan de functie is toebedeeld en/of functiegebieden waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. Een paardrijbak is onder voorwaarden ook toegestaan aansluitend aan het functiegebied waarin de woning zich bevindt. Een paardrijbak die aansluitend aan een functiegebied wordt gerealiseerd ligt in de functie 'Agrarisch - Onbebouwd'. De voorwaarden die gelden voor een paardrijbak in de functie 'Agrarisch - Onbebouwd' staan dan ook vermeld in de regels over het gebruik van grond als paardrijbak in het buitengebied.
De paardrijbak moet achter de voorgevelrooilijn worden aangelegd. Om hinder naar buren te voorkomen of te beperken is de minimale afstand tussen de paardrijbak en een woning van een derde minimaal 50 meter. Via een omgevingsvergunning (omgevingsplanactiviteit) is het mogelijk de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn te plaatsen. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels. Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden.
Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnepanelen op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnepanelen op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnepanelen op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak.
Het voorliggende plan biedt mogelijkheden om met voorwaarden bij recht zonnepanelen te realiseren. Daarnaast bevat het plan een mogelijkheden voor het bouwen van zonnepanelen op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een functievlak voor bijvoorbeeld de functie 'Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnepanelen als de landschappelijke inpassing van deze zonnepanelen. Wat betreft de bouwregels worden zonnepanelen beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Dit betekent onder andere dat zonnepanelen buiten een bouwvlak maximaal 3 meter hoog mogen zijn.
Niet alle dagrecreatieve activiteiten vinden plaats op een vaste locatie. Wandelen, fietsen, skeeleren en paardrijden kan in het gehele plangebied. In de functies 'Agrarisch - Onbebouwd' en 'Natuur - In het buitengebied') is het extensieve recreatieve medegebruik bij recht toegestaan. Deze activiteiten zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving. Activiteiten als boerengolf, paintball en gemotoriseerde sporten (zoals quads, crossmotoren en dergelijke) zijn niet toegestaan om zo de verstoring in de genoemde (natuur)gebieden beperkt te houden.
Voor werken en werkzaamheden die bij het normale onderhoud, gebruik en beheer behoren, is geen omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) nodig. Onder normaal beheer, onderhoud en gebruik wordt verstaan beheer, onderhoud en gebruik die gelet op de toegekende functie, regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer, een goed onderhoud en een goed gebruik van de gronden en van de gebouwen die tot de betreffende functies behoren.
Bij de functie 'Agrarisch - Onbebouwd' zijn dat bijvoorbeeld werkzaamheden die inherent zijn aan het voorbrengen van producten en/of het houden van dieren op basis van de huidige cultuur/productiewijze van het agrarische gebruik. Het betreffen werkzaamheden die met regelmaat (periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks) worden uitgevoerd.
Voor sommige werken of werkzaamheden geldt wel het vereiste van een omgevingsvergunning. Het gaat dan vooral om ingrepen die de archeologische waarden kunnen verstoren of die een grote landschappelijke impact kunnen hebben, zoals het aanleggen van aarden wallen. Het is wel van belang dat andere regelingen zich niet verzetten tegen een ingreep, zoals bijvoorbeeld een beheersovereenkomst. Ook moeten soms ontheffingen / omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit/Natura 2000-activiteit op basis van de regels met betrekking tot natuur en natuuractiviteiten (Bkl en Bal) worden verleend. Dit soort wettelijke verplichtingen zijn altijd van toepassing, onafhankelijk van de regeling in dit plan.
Algemeen
De functie 'Agrarisch' is toegekend aan het grootste deel van het buitengebied van de gemeente Barneveld. Dit zijn gebieden waar weinig (bijzondere) landschappelijke en natuurlijke waarden voorkomen en die goed zijn verkaveld en ingericht voor de agrarische sector. Binnen deze gebiedsfunctie zijn de agrarische belangen in principe leidend. In deze gebieden is het mogelijk om de bouwvlakken voor agrarische bedrijven te verruimen of voorzieningen buiten het bouwvlak (wel in directe aansluiting op het bouwvlak) te realiseren.
In deze wijziging van het omgevingsplan is aan de agrarische gronden binnen het plangebied de functie 'Agrarisch - Onbebouwd' toegekend. Binnen deze functie is agrarisch gebruik in de vorm van het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren toegestaan. Daarnaast is op de gronden met de functie 'Agrarisch - Onbebouwd' hobbymatig agrarisch gebruik ook toegestaan.
Algemeen
Aan legaal tot stand gekomen bedrijven wordt een functie voor een landelijke niet-agrarische bedrijven toegekend. Voor bedrijven die verwant zijn aan het landelijk gebied is de functie 'landelijke bedrijven' opgenomen. Een specifieke vorm van niet-agrarische bedrijven zijn de winkels en horecabedrijven. Locaties met deze functies hebben de functie 'detailhandelsbedrijven' of 'horecabedrijven' gekregen.
Toegestane soorten bedrijvigheid
Op percelen met de functie 'landelijke niet-agrarische bedrijven' zijn bedrijven uit de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan die zijn opgenomen in de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'. Het gaat dan om bedrijven die weinig tot geen milieuhinder veroorzaken. In een bijlage bij de planregels is een compleet overzicht van toegestane bedrijven opgenomen. Bij de functie 'landelijke bedrijven' zijn regels opgenomen voor specifieke bedrijvigheid.
Binnen de functie 'landelijke niet-agrarische bedrijven' kan voor de locaties met een specifieke aanduiding (dit zijn bedrijven in de milieucategorie 3 of hoger), via een omgevingsvergunning (omgevingsplanactiviteit) worden verleend voor het toestaan van een ander type bedrijvigheid uit de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'. Het nieuwe bedrijf moet qua aard en invloed op de omgeving gelijk zijn aan het al toegestane bedrijf.
Toegestane omvang van het bedrijf
In de planregels is aangegeven wat de maximaal toegestane oppervlakte bedrijfsbebouwing is.
In dit geval mag op de begane grond, de bebouwde oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, 655 m2 (585 m2 + 70 m2) bedragen. Het is mogelijk om eventueel een verdieping te realiseren met een oppervlakte van 95 m2, waardoor de totale (vloer)oppervlakte van de bedrijfsgebouwen maximum 750 m2 kan gaan bedragen. Bij bedrijfsbebouwing zijn onderbouwen toegestaan met een totale oppervlakte van maximaal 500 m2. Een onderbouw is een voor mensen toegankelijke ruimte, zoals een souterrain, gelegen onder de begane grondvloer en moet binnen de fundering van een gebouw worden gerealiseerd.
De maximale goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt 4 respectievelijk 10 meter, tenzij op de verbeelding een andere goot- en/of bouwhoogte is aangeduid. Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden een gebouw met een goothoogte van maximaal 6 meter of een bouwhoogte van maximaal 12 meter gerealiseerd worden. Voorwaarde is dat er een bedrijfseconomische noodzaak voor is en de belangen van landschap en beeldkwaliteit niet onevenredig worden aangetast.
Bedrijfswoning
Per functielocatie is één bedrijfswoning toegestaan. Op specifieke locaties is in de regels aangegeven dat er geen bedrijfswoning is toegestaan. Bij een eventuele vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning moet de woning op dezelfde plek terug worden gebouwd. Dit heeft te maken met de afstandsbepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Met een omgevingsvergunning (omgevingsplanactiviteit) is het mogelijk de bedrijfswoning op een andere plek in het functievlak te herbouwen.
De maximale goot- en bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt 3,5 respectievelijk 10 meter, tenzij op de verbeelding een andere goot- en/of bouwhoogte is aangeduid. De maximale inhoud van de bedrijfswoning bedraagt 750 m3, inclusief de onderbouw voor zover gelegen boven het maaiveld. Onder een bedrijfswoning is een onderbouw toegestaan, waarbij geldt dat bij vergunningsvrije aanbouwen en bijbehorende bouwwerken van woningen niet vergunningsvrij mogen worden voorzien van een onderbouw. Bij de bedrijfswoning is maximaal 80 m2 aan bijgebouwen toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogte van de bijgebouwen bedraagt 3 respectievelijk 6 meter.
Detailhandel
Detailhandel dient zoveel mogelijk plaats te vinden in de daarvoor bedoelde kernwinkelgebieden. Dat is het beleid in gemeente Barneveld. Met detailhandel buiten de winkelgebieden gaat de gemeente terughoudend om. Het uitgangspunt is dat detailhandel niet is toegestaan op bedrijventerreinen (en binnen bedrijven) (uitgezonderd ondergeschikte productiegebonden detailhandel). Bij de beoordeling van de ondergeschiktheid moeten de aard, indeling en inrichting van het pand in aanmerking worden genomen en voorts, hoe frequent het bedrijf door particulieren wordt bezocht en hoeveel detailhandeltransacties ter plaatse hebben plaatsgevonden. Het percentage van de omzet kan niet als onderscheidend criterium worden gehanteerd. Als richtlijn kan detailhandel als ondergeschikt worden aangemerkt als de omzet van handel met particulieren minder dan 10 % van de totale omzet bedraagt.
In de functie 'Natuur' komen alle natuur- en bosgebieden onder een functie samen. Hieronder vallen alle bos, heide, en overige natuurterreinen evenals vennetjes en stuifzanden. Houtproductie maakt ook onderdeel uit van deze functie. Houtproductie vormt namelijk een onderdeel van het beheer van bosgebieden. Voordeel van een dergelijke regeling is dat het flexibiliteit biedt voor de beheerder van het natuurgebied. Een eventuele herinrichting (bijvoorbeeld van bos naar heide) is hiermee mogelijk zonder een wijziging van het plan. Omdat in deze gebieden in de praktijk niet veel verandert, is deze regeling prima te gebruiken. Bovendien worden de natuurwaarden ook al beschermd door wet- en regelgeving voor natuur. Natuurgebiedsplannen geven een belangrijk kader voor de gewenste soorten natuur.
Ingezet wordt op behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur(wetenschappelijke)waarde en de landschappelijke waarde. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze functie zijn daarom minimaal.
Om werken of werkzaamheden in de natuurgebieden uit te kunnen voeren, kan een vergunning vereist zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om ingrepen als het vergraven van terreinen, het aanleggen van nieuwe paden en geluidswallen of ingrepen die leiden tot een wijziging in de waterhuishouding of waterstand. Normaal onderhoud van natuurterreinen valt niet onder de vergunningplicht. Vergunningen zullen in ieder geval worden getoetst aan de natuurwaarden omdat een groot deel van de natuurgebieden in het Natura 2000-gebied 'Veluwe' of de voormalige Ecologische Hoofdstructuur ligt. Een ecologisch onderzoek zal onderdeel uit moeten maken van de aanvraag om vergunning.
In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een functieaanduiding voor archeologie toegepast. Specifieke regels hiervoor zijn toegepast op specifieke locaties. Hieronder vallen voor het plangebied Achterveld 37 vier soorten regels;
Voor het beschermen van hoge cultuurlandschappelijke waarden is de functie cultuurlandschap in het buitengebied opgenomen. De regels die hierbij behoren koppelen een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan de locatie.
Daarnaast mogen op de gronden met deze functie geen bouwwerken worden gebouwd voor zover deze naar het oordeel van het bevoegd gezag een negatief effect op de aanwezige cultuurlandschappelijke waarden hebben.
De functie waterhuishouding in het buitengebied is opgenomen voor het beschermen van de waterhuishoudkundige functie van de betreffende gronden. Het gaat hierbij om gronden die niet de functie water in het buitengebied hebben. Aan deze functie is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden gekoppeld.
Op de gronden met deze functie mogen geen bouwwerken worden gebouwd. Uitzonderingen op het bouwverbod zijn alleen mogelijk na schriftelijke instemming van de waterbeheerder.
Onder de Omgevingswet zijn er voor het publiekrechtelijke kostenverhaal twee systemen: het kostenverhaal met en het kostenverhaal zonder tijdsvak. De plannen hebben een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum. Daardoor is goed mogelijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen.
Het systeem van het kostenverhaal zonder tijdsvak is bestemd voor organische gebiedsontwikkeling. Dus voor plannen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum. Het gaat om plannen met globale functieaanduidingen die op verschillende manieren worden uitgewerkt. Dat maakt het moeilijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen. Bij het vaststellen van het omgevingsplan is dan geen gedetailleerde raming van de kosten en opbrengsten vereist, maar een kostenplafond. Bij dit kostenverhaal worden de kosten en bijdragen pas bij de aanvraag geconcretiseerd.
De gemeente mag een kostenverhaal met tijdvak toepassen. Dit kan bij het vaststellen van een projectbesluit, een omgevingsplan of de afgifte van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het toepassen van het kostenverhaal zonder tijdvak kan alleen in het gemeentelijke omgevingsplan.
De initiatiefnemer zal voor eigen rekening en risico de activiteit ten uitvoer brengen. Het gaat in dit geval om een concreet plan met tijdvak. Binnen een redelijke termijn na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan (en het verkrijgen van de omgevingsvergunning) zal worden gestart met de werken en werkzaamheden.
Onder de Omgevingswet (Ow) is kostenverhaal in beginsel verplicht bij (bouw)activiteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeelde functie (artikel 13.11 Ow). Het is verboden een kostenverhaalsplichtige activiteit te verrichten voordat de te verhalen kosten zijn betaald (artikel 13.12 Ow), op straffe van bestuursrechtelijke handhaving. Er geldt tot die tijd dus een bouwverbod.
Onder de Ow geldt kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg, door een anterieure overeenkomst te sluiten met de initiatiefnemer, als uitgangspunt. Daarin kunnen ook afspraken worden opgenomen die zien op een betaalregeling. Als partijen er niet in slagen om afspraken te maken in een anterieure overeenkomst over het gemeentelijk kostenverhaal, zal de gemeente het kostenverhaal publiekrechtelijk moeten regelen. Dat doet zij door kostenverhaalregels toe te voegen aan een omgevingsplan of kostenverhaalvoorschriften op te nemen in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het verhalen van de kosten loopt dan via een kostenverhaalbeschikking. Zodra een initiatiefnemer aan de slag wil, vraagt deze bij de gemeente om die beschikking. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwactiviteiten uit te voeren. Dit geldt voor zowel het privaat- als publiekrechtelijke kostenverhaal.
Voor dit initiatief worden de kosten voor het opstellen van het plan gedekt door het heffen van leges. Voor de mogelijke kosten van een tegemoetkoming in schade, zoals bedoeld in artikel 15.1, lid 1 Ow (nadeelcompensatie), is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een overeenkomst in de zin van artikel 13.13, lid 3 Ow. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in het plan of een anterieure (kostenverhaals)overeenkomst opgenomen moeten worden. Het opnemen van kostenverhaalregels in de wijziging omgevingsplan is daarom niet nodig.
De procedures voor vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Overeenkomstig artikel 16.29 Omgevingswet is een kennisgeving gedaan van het voornemen het voorliggende TAM-omgevingsplan voor te bereiden. Conform artikel 10.2 Omgevingsbesluit heeft het college tegelijkertijd een kennisgeving gedaan van de manier waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. De kennisgeving is gedaan in de Barneveldse Krant en De Week op 27 november 2025 en langs elektronische weg op 20 november 2025. Aangegeven is verder dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het omgevingsplan opgestart (artikel 16.30 Ow).
Bij het opstellen van een (wijziging)omgevingsplan moet onder de Omgevingswet aangetoond worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan zijn betrokken (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit, zodat vroegtijdig de knelpunten, belangen en verbeterpunten worden gesignaleerd.
Participatie met bestuursorganen en ketenpartners
Bij de voorbereiding van het plan is het in het kader van participatie voorgelegd aan:
Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang.
Dit plan is gebaseerd op de Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten en voldoet daar ook aan.
Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 1.500 m2 en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen. Doordat er sprake is van het plaatsen van een stuw, heeft initiatiefnemer afstemming gezocht met waterschap. Het ontwerpplan is daarmee ook naar het waterschap gestuurd.
Er kan worden afgezien van overleg in door het Rijk aangegeven gevallen. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over de voorbereiding van een gemeentelijke ruimtelijke plannen. Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden.
Aangezien er sprake is van een provinciaal belang, is het ontwerpplan toegestuurd aan de provincie.
Participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties
De participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voor plannen binnen de gemeente Barneveld is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld en is in werking getreden.
Het beleid onderscheidt drie sporen:
In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder:
In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant en trede 1 (Meeweten I informeren) van de participatieladder. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat er overleg is geweest met de direct omwonenden.
Participatieverslag
Initiatiefnemer is voornemens de functie ter plaatse van de Achterveldseweg 37 te veranderen naar een bedrijfsfunctie. Het bedrijf is een innovatief Nederlands technologiebedrijf dat zich specialiseert in automatiseren van land- en wegenbouwprocessen met behulp van robotica, locatiebepaling en besturingssystemen. De voorlopige inrichtingsschets is gedeeld met direct omwonenden.
In het kader van participatie is initiatiefnemer in juli 2023 langs de bewoners van de Achterveldseweg 32 en 35 gegaan om deze voornemens toe te lichten. Initiatiefnemer heeft bij elk adres persoonlijk aangebeld om het project toe te lichten. Daarbij is ook het inrichtingsplan gezien, zoals dat er op dat moment uitzag. Tijdens deze gesprekken zijn de bewoners in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen en hun bezwaren te uiten. Hieruit zijn echter geen bezwaren naar voren gekomen. Expliciet is ook gevraagd of er nog aanvullende opmerkingen waren. Dat was niet het geval en de reacties waren positief.
Het TAM-omgevingsplan ligt van 19 december 2025 tot en met 29 januari 2026 ter inzage. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken is één reactie ingediend.
Deze zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van de regels of de verbeeling. Wel is de motivering aangepast. Zie bijlage 8 voor de Nota zienswijzen.