direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22an Achterveldseweg 37
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0203.TAMOP0041-0002

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het vestigen van een niet-agrarisch bedrijf met toepassing van functieverandering van de functie 'Agrarisch' naar de functies 'Bedrijf - Landelijk niet-agrarische bedrijven', 'Agrarisch - Onbebouwd' en 'Natuur' op de locatie Achterveldseweg 37 in Achterveld en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22an) van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (https://www.ruimtelijkeplannen.nl). Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22an van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22an.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22an. gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22an, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

Aanvullend gelden voor de toepassing van hoofdstuk 22an de volgende begripsbepalingen:

1.1 plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22an Achterveldseweg 37 met identificatienummer NL.IMRO.0203.TAMOP0041-0002 van de gemeente Barneveld.

1.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Barneveld.

1.3 aan huis verbonden beroep of bedrijf

beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;

1.4 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren (inclusief het uitbroeden van eieren en het kweken van insecten);

1.5 agrarische nevenactiviteit

een kleinschalige bedrijfsmatige agrarische activiteit gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, welke niet is aan te merken als een volwaardig agrarisch bedrijf en daarmee ondergeschikt is aan de hoofdfunctie. Hieronder is eveneens begrepen een kleinschalige gebruiksgerichte paardenhouderij;

1.6 akkerbouwbedrijf

een agrarisch bedrijf dat is gericht op het bedrijfsmatig telen van gewassen en afhankelijk is van de grond als productiefactor, waarbij het bedrijfsmatig houden van dieren niet is toegestaan;

1.7 archeologisch deskundige

een regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg;

1.8 bebouwingspercentage

het in procenten uitgedrukte deel van een bouwwerkperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd;

1.9 bed & breakfast

het bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.10 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.11 beeldkwaliteit

aspecten die van invloed zijn op de beleving van de ruimtelijke omgeving en objecten in de omgeving zoals structuur, identiteit en belevingswaarde;

1.12 bestaande

bestaand en legaal aanwezig of legaal realiseerbare bebouwing of gebruik op de dag van inwerkingtreding van dit plan;

1.13 bijgebouw

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een niet voor bewoning bestemd vrijstaand of aangebouwd gebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan de bij omschrijving van de hoofdfunctie opgesomde functies, zoals een garage, huishoudelijke bergruimte of hobbyruimte. Onder een bijgebouw, behorende bij een woning, wordt ook verstaan de ruimte voor de in de vorige volzin bedoelde functies die integraal onderdeel uitmaken van het hoofdgebouw van de woning en daarom dan ook niet gezien kan worden als bijbehorend bouwwerk;

1.14 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op (ongeveer) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.15 buitenopslag

het in de open lucht opslaan van goederen en materialen alsmede het stallen van machines, voertuigen, werktuigen en het plaatsen van showmodellen ten behoeve van de bedrijfsvoering op het perceel, inclusief handelsvoorraden;

1.16 camperterrein / -plaats

een camperterrein / -plaats is een speciaal voor campers ingerichte parkeerplaats, niet op een verblijfsrecreatieterrein gelegen;

1.17 cultuurlandschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde op basis van (historische) landschapskenmerken, zoals ontginningsgeschiedenis, bebouwing, ecologie en landschapselementen, die in het natuurlandschap zijn gevormd door menselijk handelen en die een specifieke kwaliteit aan de belevingswaarde van een landschap toevoegen.

1.18 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw die zich tussen de dakvoet en de daknok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de daknok is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;

1.19 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop het verkopen en of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.20 erf

een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct ligt bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw voor zover het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt;

1.21 extensief recreatief medegebruik

een vorm van recreatief medegebruik dat in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbelevingen dat slechts beperkt beslag op de ruimte legt. Voor het extensieve recreatief medegebruik is geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk, maar kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes;

1.22 faunahotel

een bouwwerk dat geschikt is als verblijfsruimte voor diersoorten die beschermd zijn in de Omgevingswet;

1.23 gebruiken

het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven;

1.24 gebruiksgerichte paardenhouderij

een bedrijf dat is gericht op het africhten en trainen van paarden, het bieden van stalruimte voor paarden, het geven van instructie aan derden, het trainen van paarden en uitbrengen in de sport, verhuur van diensten met behulp van paarden en/of de in- en verkoop van paarden;

1.25 grondgebonden

de in een veehouderijbedrijf of veehouderijtak gehouden landbouwhuisdieren worden voor meer dan de helft voorzien van voer dat is geteeld op gronden die in de nabijheid van het dierenverblijf zijn gelegen en waarop de veehouder rechten heeft;

1.26 huishouden

persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;

1.27 inzetbare sloopmeters

een oppervlakte aan sloopmeters die door de gemeente Barneveld en/of een andere gemeente die het 'Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024' heeft vastgesteld, is bepaald conform de regeling voor het omzetten van sloopmeters naar inzetbare sloopmeters zoals genoemd in hoofdstuk 3 van dit beleid, dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 3 juli 2024, met inbegrip van nadien vastgestelde wijzigingen daarvan. Gebouwen die niet daadwerkelijk worden gesloopt, maar die in het kader van dit beleid worden hergebruikt, tellen mee bij het bepalen van de oppervlakte aan inzetbare sloopmeters;

1.28 kamerverhuur

onzelfstandige woonruimte als bedoeld in artikel 1, sub d van de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur Gemeente Barneveld, zoals deze geldt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.29 kernrandzone

een zone rondom bestaande woonkernen, bedrijventerreinen en rondom zoekgebieden voor uitbreiding daarvan;

1.30 kleinschalig bedrijf

bedrijf zoals opgenomen in Bijlage 1 bij hfst. 22an Lijst Kleinschalige bedrijfsactiviteiten van dit plan;

1.31 natuur(wetenschappe)lijke waarde

aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en/of biologische elementen, voorkomend in dat gebied;

1.32 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak;

1.33 paardrijbak

een onoverdekte voorziening, uitsluitend bestaande uit een omheining, bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden;

1.34 paddock

een onoverdekte voorziening, uitsluitend bestaande uit een omheining, bedoeld om paarden naar eigen inzicht vrij te laten bewegen;

1.35 particuliere vakantie-verhuur

Het tijdelijk verhuren van een ruimte in een woning dan wel de volledige woning als logiesaccommodatie;

1.36 SBI-Code

Standaard Bedrijf Indelingscode van het Centraal Bureau voor Statistiek;

1.37 uitvoeren

het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven;

1.38 (vloer)oppervlakte

een situatie van bouwen en/of gebruik waarbij voor de begane grond moet worden gerekend met de oppervlakte van een bouwwerk en voor de eventuele verdiepingen met het vloeroppervlak;

1.39 volwaardig agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van ten minste één volledige arbeidskracht, en waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd;

1.40 werk

een constructie, geen bouwwerk zijnde;

1.41 wonen

activiteit inhoudende de bewoning van een woonruimte;

1.42 woning

een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.43 zonnepaneel

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de opvang van zonne-energie en het omzetten daarvan in elektriciteit.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op respectievelijk in afwijking van artikel 22.24 van het omgevingsplan gelden de volgende meetbepalingen:

2.1 Dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 Goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 Inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de bovenzijde van daken en dakkapellen;

2.4 De bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, luchtbehandelingskasten en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.5 Oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.6 Hoogte van een windturbine

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine;

2.7 Oppervlakte van een overkapping

de loodrechte projectie van de overkapping op het maaiveld;

2.8 Vloeroppervlakte

boven de vloeren, tussen de binnenwerkse gevelvlakken en/of scheidingsmuren, waarbij de oppervlakte van delen van vloeren waarboven de netto-hoogte kleiner is dan 1,5 m en de oppervlakte van vloeren van onderbouwen buiten beschouwing blijft;

2.9 Maten

buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven;

2.10 Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders weergegeven:

  • a. voor lengten in meters (m);
  • b. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  • c. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  • d. voor verhoudingen in procenten (%);
2.11 Netto-hoogte

de loodrechte afstand tussen de bovenkant van een afgewerkte vloer of het aansluitende terrein en de onderkant van een daarboven aanwezig plafond, vloer of dak, waarbij incidentele constructiedelen buiten beschouwing blijven;

Artikel 3 Toepassingsbereik

3.1 Verhouding met ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijke deel

De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, h, i, j, of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in artikel 3.3, zijn niet van toepassing.

3.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)

De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 3.3, voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk.

3.3 Geometrische afbakening TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22an Achterveldseweg 37

De regels in dit hoofdstuk (Hoofdstuk 22an) zijn van toepassing op de locatie Achterveldseweg 37, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0041-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Regels over functies en activiteiten

Artikel 6 Agrarisch - Onbebouwd

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch - Onbebouwd'.

6.2 Functieomschrijving

Op de als 'Agrarisch - Onbebouwd' aangewezen locatie zijn de volgende functies en activiteiten toegestaan:

  • a. agrarisch gebruik in de vorm van het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;
  • b. hobbymatig agrarisch gebruik;


met daaraan ondergeschikt:

  • c. extensief recreatief medegebruik;
  • d. erfontsluitingswegen ook ten behoeve van andere functies;
  • e. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. openbare nutsvoorzieningen;
  • h. infrastructurele voorzieningen;

met daarbij behorende:

  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • j. werken, geen bouwwerken zijnde;
  • k. parkeervoorzieningen;
  • l. groenvoorzieningen en landschapselementen;
  • m. paden.

6.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
6.3.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Op de als 'Agrarisch - Onbebouwd' aangewezen locatie mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

6.3.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 2 m mag bedragen.

6.4 Omgevingsplanactiviteiten met afwegingsruimte bouwregels
6.4.1 Omgevingsplanactiviteit zonnepanelen
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning zonnepanelen op te richten hoger dan 2 meter.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarden dat:
    • a. de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt;
    • b. de zonnepanelen dienen aansluitend aan het bouwvlak te worden gerealiseerd;
    • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit;
    • d. de noodzaak voor het bouwen van zonnepanelen met een bouwhoogte van meer dan 2 m dient te zijn aangetoond;
    • e. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad.

6.5 Specifieke functieregels
6.5.1 Verboden gebruik

Op de als 'Agrarisch - Onbebouwd' aangewezen locatie is het volgende gebruik niet toegestaan:

  • a. het verharden van onverharde paden;
  • b. het gebruik van gronden voor buitenopslag;
  • c. het houden van dieren voor productiedoeleinden.

6.6 Omgevingsplanactiviteit met afwegingsruimte functieregels
6.6.1 Omgevingsplanactiviteit plaatsen van zonnepanelen op grond
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning grond te gebruiken voor het plaatsen van zonnepanelen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarden dat:
    • a. de zonnepanelen staan ten dienste van een woning binnen het bouwvlak of functievlak met een andere functie dan de functie 'Agrarisch - Onbebouwd';
    • b. de grond waarop de zonnepanelen geplaatst worden grenst direct aan het bouwvlak of functievlak waartoe de zonnepanelen behoren;
    • c. de totale oppervlakte die gebruikt wordt voor het plaatsen van zonnepanelen bedraagt maximaal 150 m2;
    • d. de aanwezige daken van woning(en) en (bedrijfs)gebouwen zijn onvoldoende geschikt door vorm, monumentale waarde, afmeting of oriëntatie om de zonnepanelen op te bevestigen;
    • e. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad;
    • f. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie;
    • g. geen significante aantasting plaatsvindt van ecologische waarden;
    • h. het terrein waarop de zonnepanelen staan wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing;
    • i. de zonnepanelen niet mogen worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische hoofdstructuur'.

Artikel 7 Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven'.

7.2 Functieomschrijving

Op de als 'Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven' aangewezen locatie zijn de volgende functies en activiteiten toegestaan:

  • a. het voeren van een bedrijf vallend onder de bedrijven die zijn genoemd in Bijlage 2 bij hfst. 22an Staat van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2;
  • b. ter plaatse van de aanduiding vermeld in onderstaande tabel ook voor het specifieke, met die aanduiding corresponderende bedrijf:

aanduiding   bedrijf   Maximum milieucategorie  
sb-145   specifieke vorm van bedrijf - technologiebedrijf gespecialiseerd in machinebesturing voor de land- en wegenbouw   2  

  • c. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' ook voor buitenopslag;

met de daarbij behorende:

  • d. gebouwen;
  • e. bedrijfswoning(en) met bijbehorende bijgebouwen;
  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • g. werken, geen bouwwerken zijnde;
  • h. tuinen en erven;
  • i. parkeervoorzieningen;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. paden;
  • l. waterhuishoudkundige voorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • m. een bed & breakfast.

7.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
7.3.1 bouwen van gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen geldt de volgende regel:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, uitgezonderd bijgebouwen bij de bedrijfswoning.

7.3.2 bouwen van bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de goothoogte van een bedrijfsgebouw mag niet meer bedragen dan 4 m, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)', want daar geldt de maximum goothoogte zoals op de verbeelding is weergegeven;
  • b. de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw mag niet meer bedragen dan 10 m, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)', want daar geldt de maximum goothoogte zoals op de verbeelding is weergegeven;
  • c. de totale (vloer)oppervlakte van de bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 750 m2;
  • d. de totale bebouwde oppervlakte van de bedrijfsgebouwen mag per functievlak niet meer bedragen dan 655 m2;
  • e. onder bedrijfsgebouwen zijn onderbouwen toegestaan met een totale oppervlakte van niet meer dan 500 m2, mits de onderzijde van de begane grondvloer niet hoger ligt dan het maaiveld.

7.3.3 bouwen van bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. binnen de functiegrens mag niet meer dan één bedrijfswoning worden gebouwd;
  • b. bij vervangende nieuwbouw dient een bedrijfswoning te worden gebouwd ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning;
  • c. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • d. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • e. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  • f. onder een bedrijfswoning is een onderbouw toegestaan, waarbij geldt dat de ruimte tussen de onderzijde van de begane grondvloer en maaiveld meetelt voor de inhoud van de bedrijfswoning.

7.3.4 bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • c. de totale oppervlakte aan bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 80 m²;
  • d. onder bijgebouwen zijn onderbouwen toegestaan met een totale oppervlakte van niet meer dan 80 m2, mits de onderzijde van de begane grondvloer niet hoger ligt dan het maaiveld.

7.3.5 bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • d. de oppervlakte van overkappingen telt mee bij de berekening van de totale bebouwde oppervlakte als bedoeld in artikel 7.3.2.

7.4 Maatwerkvoorschriften

Voor een als 'Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven' aangewezen locatie kunnen burgemeester en wethouders maatwerkvoorschriften stellen voor de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. een goede milieusituatie;
  • d. de bereikbaarheid voor hulpdiensten;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden;
  • f. de landschappelijke inpassing van de bebouwing;
  • g. architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  • h. een ongestoorde ligging van kabels en leidingen.

7.5 Omgevingsplanactiviteiten met afwegingsruimte bouwregels
7.5.1 Omgevingsplanactiviteit andere maximale goothoogte bedrijfsgebouw
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de maximum goothoogte van een bedrijfsgebouw als bedoeld in artikel 7.3.2 te verhogen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de goothoogte niet meer bedraagt dan 6 m;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit;
    • c. de verhoging bedrijfstechnisch noodzakelijk is.

7.5.2 Omgevingsplanactiviteit andere maximale bouwhoogte bedrijfsgebouw
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de maximum bouwhoogte van een bedrijfsgebouw als bedoeld in artikel 7.3.2 te verhogen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de bouwhoogte niet meer dan 12 m bedraagt;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit;
    • c. de verhoging bedrijfstechnisch noodzakelijk is.

7.5.3 Omgevingsplanactiviteit andere plaats vervangende nieuwbouw bedrijfswoning
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning als bedoeld in artikel 7.3.1 en 7.3.3 op een andere plaats binnen het functievlak te realiseren.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit;
    • b. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • c. geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt.

7.5.4 Omgevingsplanactiviteit andere maximale goothoogte bedrijfswoning
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de maximum goothoogte van een bedrijfswoning als bedoeld in artikel 7.3.3 te verhogen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de goothoogte niet meer dan 6 m bedraagt;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit.

7.5.5 Omgevingsplanactiviteit andere maximale inhoud bedrijfswoning
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de maximum inhoud van een bedrijfswoning als bedoeld in artikel 7.3.3 te vergroten.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de inhoud van een bedrijfswoning niet meer bedraagt dan 1.000 m3;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit;
    • c. de architectonische en/of cultuurhistorische waarden van de bebouwing niet in onevenredige mate worden geschaad;
    • d. er sprake is van sloop van gebouwen, met dien verstande dat:
      • per 1 m3 vergroting van de woninginhoud 1,5 m2 inzetbare sloopmeters nodig zijn;
      • indien de sloopmogelijkheden op het betreffende perceel volledig zijn benut, mag ook de sloopoppervlakte van meerdere locaties worden meegerekend om aan de vereiste sloopoppervlakte te komen;
      • de inzetbare sloopmeters afkomstig moeten zijn uit het buitengebied van de gemeente Barneveld, dan wel uit het buitengebied van een andere gemeente die het Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 regio Foodvalley, regio Amersfoort hebben vastgesteld;
      • verzekerd is dat herbouw van de gesloopte gebouwen niet mogelijk is.

7.5.6 Omgevingsplanactiviteit tweede zelfstandige wooneenheid in het kader van mantelzorg in een bedrijfswoning
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een tweede zelfstandige wooneenheid in het kader van mantelzorg binnen de inhoud van een bedrijfswoning als bedoeld in artikel 7.3.3 te realiseren.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de tweede wooneenheid rechtstreeks ten dienste staat van een situatie waarin mantelzorg verleend wordt binnen de bedrijfswoning dan wel dat er sprake is van een zodanige relatie tussen de bewoners van de beide wooneenheden en van zodanige omstandigheden, dat in redelijkheid aannemelijk is dat men om reden van het mogelijk in de toekomst kunnen verlenen van mantelzorg in dezelfde bedrijfswoning wil wonen;
    • b. er schriftelijke verklaringen worden overgelegd van de (hoofd)bewoners van beide wooneenheden waaruit blijkt dat er sprake is, of zo nodig zal zijn, van mantelzorg;
    • c. maximaal 35% van de totale (vloer)oppervlakte van de bedrijfswoning, tot ten hoogste 65 m2, wordt benut voor de tweede wooneenheid;
    • d. de bedrijfswoning waarin de tweede wooneenheid wordt gerealiseerd in visueel opzicht de uitstraling van één woning behoudt;
    • e. de bedrijfswoning waarin de tweede wooneenheid wordt gerealiseerd een toegelaten inhoud van meer dan 350 m3 heeft;
    • f. er sprake is van sloop van gebouwen, met dien verstande dat:
      • indien de bestaande bedrijfswoning langer dan 10 jaar aanwezig is, de sloopcompensatie 80 m2 is;
      • indien de bestaande bedrijfswoning korter dan 10 jaar aanwezig is, de sloopcompensatie 380 m2 is;
      • indien de sloopmogelijkheden op het betreffende perceel volledig zijn benut, mag ook de sloopoppervlakte van meerdere locaties worden meegerekend om aan de vereiste sloopoppervlakte te komen;
      • de inzetbare sloopmeters afkomstig moeten zijn uit het buitengebied van de gemeente Barneveld, dan wel uit het buitengebied van een andere gemeente die het Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 regio Foodvalley, regio Amersfoort heeft vastgesteld;
      • verzekerd is dat herbouw van de gesloopte gebouwen niet mogelijk is.

7.5.7 Omgevingsplanactiviteit andere maximale bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde als bedoeld in artikel 7.3.5 te verhogen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 m;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit;
    • c. de verhoging bedrijfstechnisch noodzakelijk is.

7.5.8 Omgevingsplanactiviteit andere maximale bouwhoogte windturbine
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde als bedoeld in artikel 7.3.5 ten behoeve van de bouw van een windturbine binnen een bouwvlak te verhogen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de ashoogte niet meer bedraagt dan 35 m;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit;
    • c. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • d. geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt;
    • e. als er vanwege aanwezige bebouwing en/of landschappelijke elementen geen ruimte binnen het bouwvlak is, wordt in overleg met het bevoegd gezag een passende plaats binnen het functievlak bepaald.

7.6 Specifieke functieregels
7.6.1 Gebruik overeenkomstig de functie

Op de als 'Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven'' aangewezen locatie is het volgende gebruik rechtstreeks toegestaan:

  • 1. het gebruik van ruimten binnen de bedrijfswoning ten behoeve van de uitoefening van één of meer aan-huis-verbonden beroep (als bedoeld in artikel 1.3) en/of kleinschalig bedrijf (als bedoeld in artikel 1.30), mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • a. het gebruik als aangegeven in de aanhef van dit artikel blijft ondergeschikt aan de woonfunctie;
    • b. maximaal 35% van de (vloer)oppervlakte van de bedrijfswoning, tot ten hoogste 60 m2 van de bedrijfswoning mag worden gebruikt voor het gebruik als aangegeven in de aanhef van dit artikel;
    • c. degene die de in dit lid genoemde activiteiten in de bedrijfswoning uitvoert, dient tevens de bewoner hiervan te zijn;
    • d. vergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet toegestaan.

  • 2. een bed & breakfast, waarvoor geldt dat niet meer dan twee kamers in de bedrijfswoning mogen worden gebruikt met maximaal twee bedden per kamer en dat het parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

  • 3. het gebruik van de grond voor het plaatsen van zonnepanelen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • a. de zonnepanelen worden geplaatst achter de voorgevelrooilijn;
    • b. de totale oppervlakte die gebruikt wordt voor het plaatsen van de zonnepanelen bedraagt niet meer dan 150 m2;
    • c. de aanwezige daken van woning(en) en (bedrijfs)gebouwen onvoldoende geschikt zijn door draagconstructie, vorm, monumentale waarde, afmeting of oriëntatie om de zonnepanelen op te bevestigen;
    • d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit.

7.6.2 Verboden gebruik

Op de als 'Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven' aangewezen locatie is het volgende gebruik niet toegestaan:

  • 1. het gebruik van gronden en bouwwerken voor buitenopslag, tenzij op de verbeelding de aanduiding 'opslag' is aangegeven;
  • 2. het gebruik van gronden en bouwwerken voor milieubelastende activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

7.7 Omgevingsplanactiviteit met afwegingsruimte functieregels
7.7.1 Omgevingsplanactiviteit vestigen andere milieubelastende activiteiten
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning andere soorten milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 7.2 uit te voeren;
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de milieubelastende activiteiten zijn naar de aard en de invloed op de omgeving lager dan wel gelijk te stellen met de in artikel 7.2 onder a genoemde activiteiten;
    • b. de belangen van eigenaren/gebruikers van de nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad;
    • c. geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt;
    • d. de uit te oefenen milieubelastende activiteiten geen activiteiten zijn die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving en geen activiteiten zijn zoals bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    • e. geen afbreuk wordt gedaan aan de ecologische en landschappelijke waarden;
    • f. aangetoond wordt dat geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werkingen;
    • g. parkeren op de locatie plaatsvindt binnen de gronden met de functie 'Bedrijf - Landelijke niet-agrarische bedrijven'.

7.7.2 Omgevingsplanactiviteit stalling caravans, campers en boten van derden
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning bestaande gebouwen te gebruiken voor de stalling van caravans, campers en boten van derden.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat de stalling plaatsvindt in bestaande gebouwen.

7.7.3 Omgevingsplanactiviteit aan-huis-verbonden beroep en/of kleinschalig bedrijf in bijgebouw
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aan-huis-verbonden beroep en/of kleinschalig bedrijf, in afwijking van artikel 7.6.1, in een bijgebouw bij een bedrijfswoning uit te oefenen;
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. maximaal 25% van de totale (vloer)oppervlakte van de bedrijfswoning en de bijgebouwen wordt gebruikt voor het aan-huis-verbonden beroep en/of kleinschalig bedrijf;
    • b. de totale gezamenlijke (vloer)oppervlakte die wordt aangewend voor het aan-huis-verbonden beroep en/of kleinschalig bedrijf niet meer bedraagt dan 60 m2 bij een bedrijfswoning;
    • c. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • d. er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt.

7.7.4 Omgevingsplanactiviteit bed & breakfast in bijgebouw
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijgebouw bij een bedrijfswoning ten behoeve van een bed & breakfast te gebruiken;
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. dit niet meer dan twee kamers betreft met maximaal twee bedden per kamer;
    • b. in die bijgebouwen geen keuken aanwezig is;
    • c. de oppervlakte van de ruimte in gebruik voor bed & breakfast niet meer bedraagt dan 60 m2;
    • d. het parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

Artikel 8 Natuur - In het buitengebied

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Natuur - In het buitengebied'.

8.2 Functieomschrijving

Op de als 'Natuur - In het buitengebied' aangewezen locatie zijn de volgende functies en activiteiten toegestaan:

  • a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur(wetenschappe)lijke waarde en de landschappelijke waarde;
  • b. houtproductie als gevolg van bos- en/of natuurbeheer;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. extensief recreatief medegebruik en educatief medegebruik;
  • d. bestaande infrastructurele voorzieningen;
  • e. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. parkeervoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • h. bouwwerken geen gebouwen zijnde;
  • i. werken, geen bouwwerken zijnde;
  • j. paden.

8.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
8.3.1 Bouwen van gebouwen en andere bouwwerken

Voor het bouwen van gebouwen en andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

8.4 Maatwerkvoorschriften

Voor een als 'Natuur - In het buitengebied' aangewezen locatie kunnen burgemeester en wethouders maatwerkvoorschriften stellen voor de plaats en de afmetingen van de bouwwerken, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. een goede milieusituatie;
  • d. de bereikbaarheid voor hulpdiensten;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden;
  • f. de landschappelijke inpassing van de bebouwing;
  • g. architectonische en/of cultuurhistorische waarde van andere bebouwing;
  • h. een ongestoorde ligging van kabels en leidingen.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
    • a. het vergraven, egaliseren en ophogen van gronden;
    • b. het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters;
    • c. het kappen en/of rooien van bomen en houtgewas;
    • d. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakte verhardingen;
    • e. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
    • f. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief en/of educatief medegebruik;
    • g. werken en werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tengevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten;
    • h. diepploegen, zijnde het extra diep - circa 0,4 m of meer - omploegen, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd.
  • 2. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, zijn in strijd met het plan indien door de uitvoering daarvan, dan wel door de direct of indirect te verwachten gevolgen, onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelen van de functie en hieraan door het stellen van voorwaarden onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
  • 3. Het verbod in eerste lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
    • a. het normale onderhoud betreffen;
    • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    • c. de uitvoering van het verplichte inrichtingsplan betreffen.

Artikel 9 Waarde - Cultuurlandschap in het buitengebied

9.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Cultuurlandschap in het buitengebied.

9.2 Functieomschrijving

Op de als 'Waarde - Cultuurlandschap' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming, het behoud en versterking van cultuurlandschappelijke waarden.

9.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen

Op de als 'Waarde - Cultuurlandschap' aangewezen locatie mogen geen bouwwerken worden gebouwd voor zover deze naar het oordeel van het bevoegd gezag een negatief effect op de aanwezige cultuurlandschappelijke waarden hebben.

9.4 Specifieke functieregels
9.4.1 Verboden gebruik

Op de als 'Waarde - Cultuurlandschap' aangewezen locatie is het telen van houtachtige gewassen en/of het beplanten met fruitbomen voor bedrijfsmatige doeleinden niet toegestaan.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten voeren:
    • a. het aanbrengen, kappen en/of rooien van bomen en houtopstanden;
    • b. het vergraven, egaliseren en ophogen van gronden alsmede de aanleg van wallen;
    • c. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeervoorzieningen en het aanleggen van andere oppervlakte verhardingen;
    • d. het graven, vergraven of dempen van waterlopen;
    • e. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
    • f. het aanleggen van een paardrijbak en/of paddock.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde zoals bedoeld in artikel 9.2;
  • 3. Het verbod gegeven in het eerste lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
    • a. behoren bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
    • b. die reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    • c. de cultuurlandschappelijke waarde niet onevenredig aantasten, hetgeen kan blijken uit advies van de gemeentelijke deskundigen op het gebied van archeologie en cultuurlandschap.

Artikel 10 Waterstaat - Waterhuishouding

10.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat - Waterhuishouding'.

10.2 Functieomschrijving

De als 'Waterstaat - Waterhuishouding' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de waterhuishoudkundige functie van de gronden.

10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
a. het draineren van grond;
b. het vergraven, verruimen, uitdiepen of dempen van waterlopen en oppervlaktewater;
c. andere werkzaamheden die een wijziging van de waterhuishouding tot gevolg kunnen hebben.
2. Het verbod gegeven in het eerste lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
a. behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer;
b. die reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.

3. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, zijn in strijd met het plan, indien door de uitvoering daarvan, dan wel door de direct of indirect te verwachten gevolgen, onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde, bedoeld in artikel 10.2, en hieraan door het stellen van voorwaarden onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

Artikel 11 Waarde - Archeologie 1

11.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 1'.

11.2 Functieomschrijving

De als 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden.

11.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
  • 1. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 10.000 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt.

  • 2. Als artikel 11.3, eerste lid van toepassing is, dan mag desondanks worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s) - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - indien de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld met een archeologisch onderzoeksrapport en/of advies van een archeologisch deskundige. In dat geval kan aan de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen de voorwaarde worden verbonden dat technische maatregelen worden getroffen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.

  • 3. Indien uit het in het tweede lid bedoelde archeologisch onderzoeksrapport en/of advies blijkt dat de archeologische waarden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag toch een omgevingsvergunning verlenen op voorwaarde dat:
  • opgravingen worden verricht en daarvan binnen twee jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor het bouwen rapportage wordt gedaan; en/of
  • een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, begeleidt.

11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van meer dan 10.000 m2:
    • a. grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
    • b. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;
    • c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld.

  • 2. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden, hetgeen kan blijken uit een archeologische rapportage en/of advies van een archeologisch deskundige.

  • 3. Het verbod gegeven in het eerste lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
    • a. behoren bij het normale onderhoud, gebruik en beheer, dan wel archeologisch onderzoek betreffen;
    • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende (omgevings)vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    • c. ten dienste van archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 12 Waarde - Archeologie 2

12.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'.

12.2 Functieomschrijving

De als 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden.

12.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
  • 1. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 2.000 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt.

  • 2. Als artikel 12.3, eerste lid van toepassing is, dan mag desondanks worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s) - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - indien de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld met een archeologisch onderzoeksrapport en/of advies van een archeologisch deskundige. In dat geval kan aan de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen de voorwaarde worden verbonden dat technische maatregelen worden getroffen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.

  • 3. Indien uit het in het tweede lid bedoelde archeologisch onderzoeksrapport en/of advies blijkt dat de archeologische waarden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag toch een omgevingsvergunning verlenen op voorwaarde dat:
  • opgravingen worden verricht en daarvan binnen twee jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor het bouwen rapportage wordt gedaan; en/of
  • een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, begeleidt.

12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van meer dan 2.000 m2:
    • a. grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
    • b. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;
    • c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld.

  • 2. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden, hetgeen kan blijken uit een archeologische rapportage en/of advies van een archeologisch deskundige.

  • 3. Het verbod gegeven in het eerste lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
    • a. behoren bij het normale onderhoud, gebruik en beheer, dan wel archeologisch onderzoek betreffen;
    • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende (omgevings)vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    • c. ten dienste van archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 13 Waarde - Archeologie 3

13.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'.

13.2 Functieomschrijving

De als 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden.

13.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
  • 1. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 250 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt.

  • 2. Als artikel 13.3, eerste lid van toepassing is, dan mag desondanks worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s) - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - indien de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld met een archeologisch onderzoeksrapport en/of advies van een archeologisch deskundige. In dat geval kan aan de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen de voorwaarde worden verbonden dat technische maatregelen worden getroffen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.

  • 3. Indien uit het in het tweede lid bedoelde archeologisch onderzoeksrapport en/of advies blijkt dat de archeologische waarden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag toch een omgevingsvergunning verlenen op voorwaarde dat:
  • opgravingen worden verricht en daarvan binnen twee jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor het bouwen rapportage wordt gedaan; en/of
  • een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, begeleidt.

13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van meer dan 250 m2:
    • a. grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
    • b. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;
    • c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld.

  • 2. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden, hetgeen kan blijken uit een archeologische rapportage en/of advies van een archeologisch deskundige.

  • 3. Het verbod gegeven in het eerste lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
    • a. behoren bij het normale onderhoud, gebruik en beheer, dan wel archeologisch onderzoek betreffen;
    • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende (omgevings)vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    • c. ten dienste van archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.

 

Artikel 14 Waarde - Archeologie 4

14.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 1'.

14.2 Functieomschrijving

De als 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden.

14.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
  • 1. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 100 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt.

  • 2. Als artikel 14.3, eerste lid van toepassing is, dan mag desondanks worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s) - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - indien de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld met een archeologisch onderzoeksrapport en/of advies van een archeologisch deskundige. In dat geval kan aan de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen de voorwaarde worden verbonden dat technische maatregelen worden getroffen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.

  • 3. Indien uit het in het tweede lid bedoelde archeologisch onderzoeksrapport en/of advies blijkt dat de archeologische waarden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag toch een omgevingsvergunning verlenen op voorwaarde dat:
  • opgravingen worden verricht en daarvan binnen twee jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor het bouwen rapportage wordt gedaan; en/of
  • een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, begeleidt.

14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van meer dan 100 m2:
    • a. grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
    • b. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;
    • c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld.

  • 2. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden, hetgeen kan blijken uit een archeologische rapportage en/of advies van een archeologisch deskundige.

  • 3. Het verbod gegeven in het eerste lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
    • a. behoren bij het normale onderhoud, gebruik en beheer, dan wel archeologisch onderzoek betreffen;
    • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende (omgevings)vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    • c. ten dienste van archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 15 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 16 Algemene beoordelingsregels

16.1 Omgevingsplanactiviteit ondergronds bouwen buitengebied
  • 1. Voor het ondergronds bouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
    • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van een onderbouw, danwel een onoverdekte toegangsconstructie voor een onderbouw, tenzij het een mestbassin of daarmee samenhangend of vergelijkbaar bouwwerk betreft;
    • b. het bouwen van een onderbouw en onoverdekte toegangsconstructie is uitsluitend toegestaan indien en voor zover dit in de regels uitdrukkelijk is bepaald;
    • c. indien de onderzijde van de begane grondvloer niet gelijk is aan het maaiveld, telt de ruimte tussen de onderzijde van de begane grondvloer en het maaiveld mee voor de inhoud van het gebouw;
    • d. de bouwdiepte van een onderbouw mag niet meer bedragen dan 3,5 m.
  • 2. In afwijking van artikel 16.1, eerste lid en de functieregels (onder meer omtrent de oppervlakte van een bouwwerk) mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - ondergronds bouwwerk' een ondergronds bouwwerk worden gebouwd.

 

16.2 Omgevingsplanactiviteit inpandige bijgebouwen

Indien een bijgebouw wordt gerealiseerd overeenkomstig het bepaalde in de tweede volzin van artikel 1.13:

a. telt dit bijgebouw (de deel van de (voormalige) bedrijfswoning) niet mee voor de bepaling van de inhoud van de woning;
b. telt de (vloer)oppervlakte van dit gebouw niet mee als oppervlakte aan bijgebouwen.

16.3 Voorwaardelijke verplichting
16.3.1 overige zone - voorwaardelijke verplichting 3

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 3' geldt dat de bebouwing welke als 'te slopen bebouwing' is aangemerkt op de situatietekening "Sloop bebouwing Achterveldseweg 37", gedateerd 25 november 2025, zoals opgenomen in Bijlage 5 van de regels, dient te worden gesloopt alvorens het bevoegde gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw kan afgeven.

Artikel 17 Algemene gebruiksregels

17.1 voorwaardelijke verplichting
17.1.1 overige zone - voorwaardelijke verplichting 1

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1' geldt - in afwijking van de daar geldende functie(s) - dat het gebruik volgens de functie(s) alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen twee jaar na het inwerkingtreden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw, zoals bedoeld in artikel 7.3.2, de gronden binnen deze functie zijn ingericht en vervolgens ingericht blijven overeenkomstig het inrichtingsplan en beheersplan, zoals opgenomen in Bijlage 4; Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan is het als zodanig gebruiken van de gronden waarvoor een verplichte inrichting is voorgeschreven in strijd met deze functie.

17.2 gebruik overeenkomstig de functie

Het volgende gebruik is rechtstreeks toegestaan:

  • 1. het gebruiken van een woning voor particuliere vakantie-verhuur met dien verstande dat:
    • a. dit niet meer dan 60 nachten per kalenderjaar is;
    • b. geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt;
    • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig wordt aangetast; en
    • d. parkeren op eigen terrein plaatsvindt.
  • 2. het gebruik van grond als paardrijbak, mits:
    • a. de paardrijbak wordt gebruikt ten dienste van bewoners van de woning die ligt in het bouwvlak dan wel de functiegrens waartoe de paardrijbak behoort;
    • b. de paardrijbak binnen een bouwvlak dan wel aansluitend aan het bouwvlak dan wel de functiegrens ligt waartoe de paardrijbak behoort;
    • c. de paardrijbak achter de voorgevelrooilijn ligt;
    • d. de oppervlakte van de paardrijbak niet meer dan 800 m2 bedraagt; en
    • e. de afstand tot een woning van een derde niet minder dan 50 m bedraagt;

 

17.3 verboden gebruik

Het volgende gebruik is niet toestaan:

  • a. het (laten) gebruiken van de gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, uitgezonderd het gebruik dat in Hoofdstuk 2 uitdrukkelijk is toegestaan;
  • b. het (laten) gebruiken van gronden voor sport- en wedstrijdterreinen, uitgezonderd het gebruik dat in Hoofdstuk 2 uitdrukkelijk is toegestaan;
  • c. het (laten) gebruiken van gronden voor motor- en modelvliegtuigsport;
  • d. het (laten) gebruiken van gronden voor militair oefenterrein met motorvoertuigen, uitgezonderd het gebruik dat in Hoofdstuk 2 uitdrukkelijk is toegestaan;
  • e. het (laten) gebruiken van gronden voor een seksinrichting dan wel coffeeshop;
  • f. het (laten) gebruiken van gronden voor een landingsplaats voor vliegtuigen, helikopters en/of ultralighthelikopters, niet zijnde traumahelikopters;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorend bouwwerk uitgesloten' is geen bijbehorend bouwwerk toegestaan. Bovendien zijn de gronden niet aan te merken als achtererfgebied, zoals bedoeld in artikel 22.27, onder a van afdeling 22.2.

Artikel 18 Algemene afwijkingsregels

18.1 Omgevingsplanactiviteiten met afwegingsruimte functieregels
18.1.1 Omgevingsplanactiviteit aanpassen grenzen
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de grens of de richting van wegen, parkeerstroken, paden, bermen en sloten en ligging van bebouwingsgrenzen aan te passen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. bij de uitmeting blijkt dat de aanpassing noodzakelijk is gelet op de werkelijke toestand van het terrein;
    • b. die afwijkingen ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is weergegeven niet meer bedragen dan 10 m;
    • c. geen sprake is van een onevenredige aantasting van:
      • het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
      • de brandveiligheid;
      • de externe veiligheid;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

18.1.2 Omgevingsplanactiviteit afmetingen bebouwing
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning om te bouwen in afwijking van de bepalingen ten aanzien van de afmetingen van de bebouwing.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan weergegeven maten;
    • b. de afwijkingen geen betrekking hebben op de in het plan weergegeven afmetingen van oppervlakte en inhoudsmaten;
    • c. geen sprake is van een onevenredige aantasting van:
      • het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
      • de brandveiligheid;
      • de externe veiligheid;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

18.1.3 Omgevingsplanactiviteit grotere inhoud inpandige bedrijfswoning
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning om de inhoud van de (voormalige) bedrijfswoning in een (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw te vergroten.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat de bestaande architectonische en/of cultuurhistorische waarde van het (voormalige) agrarische bedrijfsgebouw gehandhaafd blijft dan wel versterkt.

18.1.4 Omgevingsplanactiviteit afwijken voorwaardelijke verplichting inrichtings- en beheersplan
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden op een andere gelijkwaardige wijze in te richten en in stand te houden in afwijking van het bepaalde in artikel 17.1.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit;
    • c. de gemeentelijke landschapsadviseur akkoord gaat met de voorgestelde andere gelijkwaardige wijze van inrichting.

18.1.5 Omgevingsplanactiviteit buitengevelisolatie
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de maximum goot- en bouwhoogte, de grenzen van een bouwvlak, en/of de maximum inhoud te overschrijden ten behoeve van het realiseren van buitengevelisolatie (met nieuwe gevelbekleding) aan een bestaand gebouw of bouwwerk.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de overschrijding beperkt blijft tot een afstand van 0,5 m;
    • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld;
    • c. de daartoe aangewezen adviescommissie positief adviseert voor zover sprake is van een rijks- of gemeentelijk monument.

18.1.6 Omgevingsplanactiviteit plaatsen van zonnepanelen
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning zonnepanelen te plaatsen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de zonnepanelen ten dienste staan van een woning, bedrijfswoning, woongebouw of bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak of functiegrens;
    • b. de grond waarop de zonnepanelen geplaatst worden direct grenst aan de functiegrens of het bouwvlak waartoe de zonnepanelen behoren of, als dat om landschappelijke reden en/of aanwezig groen onwenselijk is, zo aansluitend mogelijk aan de functiegrens of het bouwvlak;
    • c. het aantal zonnepanelen evenredig is aan het (te verwachten) zelfvoorzienend particuliere gebruik van elektriciteit voor de maanden februari tot en met november;
    • d. de aanwezige daken van woning(en) en (bedrijfs)gebouwen onvoldoende geschikt zijn door draagconstructie, vorm, monumentale waarde, afmeting of oriëntatie om de panelen op te bevestigen;
    • e. de zonnepanelen buiten het bouwvlak een maximale hoogte hebben van 1,5 meter;
    • f. de totale oppervlakte die gebruikt wordt voor het plaatsen van zonnepanelen maximaal 250 m² bedraagt;
    • g. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • h. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie;
    • i. geen significante aantasting plaatsvindt van ecologische waarden;
    • j. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap, omgeving en beeldkwaliteit;
    • k. het plaatsen gebeurt aan de hand van een inpassingsplan dat de zichtbaarheid van de panelen vanuit de openbare ruimte tot een minimum beperkt;
    • l. de zonnepanelen niet mogen worden gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische hoofdstructuur'.

18.1.7 Omgevingsplanactiviteit camperterrein / -plaats
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een camperterrein / - plaats te realiseren;
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. er ruimte mag worden geboden aan maximaal 8 camperplaatsen per terrein voor camperplaatsen;
    • b. maximaal 5 nieuwe camperterreinen buiten reguliere terreinen binnen de gemeente Barneveld zijn toegestaan;
    • c. een camperterrein niet binnen 500 meter van een verblijfsrecreatieterrein (inclusief kleinschalig kampeerterrein) mag worden gerealiseerd;
    • d. het camperterrein alleen wordt voorzien van een water- en/of elektra-aansluiting;
    • e. de camperplaatsen alleen mogen worden gebruikt voor wisselend en kortdurend verblijf (maximaal 2 nachten);
    • f. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de woonsituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

18.1.8 Omgevingsplanactiviteit gebruik paardrijbak
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden voor de voorgevelrooilijn te gebruiken als paardrijbak;
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de verleend onder voorwaarden dat:
    • a. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de milieusituatie;
    • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschapswaarden, tenzij hieraan door het nemen van maatregelen voldoende tegemoet kan worden gekomen.

18.1.9 Omgevingsplanactiviteit gebruik paddock
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken als paddock;
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de paddock wordt hobbymatig gebruikt ten dienste van bewoners van de woning of een woongebouw;
    • b. de paddock ligt binnen het bouwvlak of aansluitend aan het bouwvlak;
    • c. de paddock ligt achter de voorgevelrooilijn;
    • d. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 360 m2;
    • e. de afstand tot een woning van een derde niet minder dan 30 m bedraagt;
    • f. niet gelegen in gronden met de aanduiding 'overig - kernrandzone';
    • g. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit.

Artikel 19 Overige regels

19.1 Parkeren
19.1.1 Parkeernorm

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (zoals nieuwbouw- of verbouwplannen) waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, geldt dat voldoende parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn (en te blijven) conform de Nota Parkeernormen 2020 (zie Bijlage 3 bij hfst. 22an Nota Parkeernormen (2020). Indien de nota wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met die wijziging.

19.1.2 Uitzondering

Het in bepaalde in 19.1.1 is niet van toepassing op het vergroten van een woning.

19.2 overige zone - ecologische hoofdstructuur

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische hoofdstructuur' zijn specifieke regels van toepassing die zijn opgenomen bij de functie 'Agrarisch - Onbebouwd'.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 20 Overgangsrecht bouwwerken

  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan mag, mits;
    • a. deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het vorige lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het vorige lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar niet zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 21 Overgangsrecht gebruik

  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in het vorige lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.