| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22au Staverhul 22 Uddel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0200.tam0048-vas1 |
behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22au Staverhul 22 Uddel
Op het adres Staverhul 22 Uddel is een agrarisch bedrijf met minicamping gevestigd. De eigenaar van het bedrijf wenst het bedrijf te beeindigen op basis van de Landelijke Beeindigingsregeling Veehouderijlocaties. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning. Vanwege de bedrijfsbeeindiging worden de agrarische opstallen gesloopt. Na de sloop van de stallen worden er 5 nieuwe burgerwoningen gerealiseerd. De ontwikkeling past niet in het geldende planologisch kader. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in deze aanpassing.
Het besluitgebied betreft de gronden op het adres Staverhul 22 Uddel. Het besluitgebied ligt aan de noordkant van de Staverhul, ten noorden van de kern Uddel.
Afbeelding 1.1: ligging plangebied (rode kruis)
Het besluitgebied is kadastraal bekend als gemeente Apeldoorn, sectie A, nummers 5926 en 6287, zoals weergegeven op onderstaande situatietekening:
Afbeelding 1.2: besluitgebied Staverhul 22 Uddel (indicatief)
Het besluitgebied valt binnen het omgevingsplan 'Gemeente Apeldoorn'. De regels zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan 'Agrarische Enclave', vastgesteld op 25 juni 2014. Het besluitgebied heeft de bestemming 'agrarisch' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij verwevingsgebied'. Het besluitgebied heeft deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog''. Op een klein deel van het besluitgebied rust de gebiedsaanduiding 'bijzondere boom'. Ten slotte valt het besluitgebied aan de noordkant deels onder de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en aan de zuidkant deels onder de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.
Afbeelding 1.3: uitsnede bestemmingsplan 'Agrarische Enclave'
Verder geldt voor het besluitgebied ook het bestemmingsplan 'Parapluherziening begeleid wonen digitale plannen', vastgesteld 17 januari 2019. Dit bestemmingsplan schrapt de beperkende bepaling van de zogenaamde twee-woningenregeling, die verdergaande extramuralisering in de weg staat. De overige algemene plannen die over het algemeen het hele gemeentelijke grondgebied betreffen zijn in onderstaand schema weergegeven.
| Plannaam | Datum vaststelling |
| Parapluherziening parkeren | 21 maart 2019 |
| Standplaatsen voor woonwagens en kermisexploitanten (voorbereidingsbesluit) | 8 november 2022 |
| Omgevingsplan gemeente Apeldoorn | 1 januari 2024 |
| TAM-voorbereidingsbesluit voorbereidingsregels kamerverhuurpanden | 4 april 2024 |
| TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Kamerverhuur en woningsplitsing | 25 september 2025 |
De motivering van de wijziging van het omgevingsplan voor de Staverhul 22 Uddel is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie op de planlocatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante rijksbeleid, de rijksinstructieregels, provinciaal, regionaal en gemeentebeleid behandeld. Tevens wordt ingegaan op het relevante waterschapsbeleid. Hoofdstuk 4 behandelt de aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat het juridisch kader van dit TAM-omgevingsplan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan uiteengezet.
Het agrarisch bedrijf op het adres Staverhul 22 Uddel betreft een veehouderij. Onderstaand wordt ingegaan op de bestaande ruimtelijke situatie van het besluitgebied.
Afbeelding 2.1: Luchtfoto plangebied 2025
Het erf aan de Staverhul 22 bestaat uit een hoofdwoning met daarachter een aantal stallen. Tussen de stallen en de Staverhul zijn nog twee woningen, inclusief de woning van de initiatiefnemer gesitueerd. Achter het erf is een miniamping aanwezig, Camping Weijdehorst. De camping heeft 25 kampeerplekken, 2 stacaravans en 1 trekkershut. Direct te noorden van het plangebied ligt het Elspeterveld, een klein heideterrein tussen Uddel en Elspeet.
Afbeelding 2.2: Overzichtstekening huidige situatie
Het besluitgebied ligt in het broekontginningslandschap van Uddel. Dit halfopen cultuurlandschap van het jonge heideontginningslandschap heeft landschappelijke waarde. Aan de oostzijde van het besluitgebied ligt een bosgebied met het recreatieterrein Noord-Riezen. Binnen het besluitgebied is geen beeldbepalende groenstructuur aanwezig. Aan de zuidkant is een siertuin aanwezig van de bestaande bedrijfswoning. De noordkant kenmerkt zich door het bedrijfsmatig karakter.
Het erf wordt onsloten via de Staverhul. Deze weg mondt oostelijk uit op de Elspeterweg (N310), richting de kernen Uddel en Elspeet.
De eigenaar van het agrarisch bedrijf wil deelnemen aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV). Vanwege de bedrijfsbeeindiging worden de diverse agrarische opstallen gesloopt. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning. Na de sloop van de stallen worden er 5 nieuwe burgerwoningen gerealiseerd.
De toekomstige situatie is tevens opgenomen in het inrichtingsplan, als bijlage 1 aan dit TAM-omgevingsplan verbonden.
De nieuwe inrichting van het besluitgebied volgt de oorspronkelijke agrarische opzet. De bestaande boerderijwoning met bijgebouw blijft behouden en wordt omgezet naar een burgerwoning.
Ten noorden van de bedrijfswoningen wordt de agrarische bedrijfsbebouwing gesaneerd. Ter plaatse van de westelijke bedrijfsbebouwing wordt voorzien in een parkeeroplossing en hoogstam fruitboomgaard. Ter plaatse van de oostelijke bedrijfsbebouwing worden 5 burgerwoningen gerealiseerd. De omvang van dit woonblok volgt de footprint van de voormalige bedrijfsbebouwing. De voorgevels van het woonblok is naar het westen gericht. Aan de oostzijde van het woonblok komen de achtertuinen te liggen. Ook wordt hier voorzien in een achterpad.
De inrichting en bebouwing van de minicamping in het noordelijk deel van het besluitgebied komt te vervallen.
Afbeelding 2.3: Uitsnede inrichtingsplan Staverhul 22 Uddel
De landschappelijke inrichting aan de zuidkant van het besluitgebied wijzigt niet, de siertuin van de boerderijwoning blijft behouden. Ten noorden van de boerderijwoning wordt een hoogstam fruitboomgaard gerealiseerd. Aan de oostzijde van het plangebied wordt een houtwal gerealiseerd tussen de nieuw te realiseren woningen en bestaande burgerwoning met huisnummer 20. Hiermee wordt voorzien in een robuuste groene afscheiding.
Het woonerf wordt aan de noordkant begrensd middels een houtwal, die de oorspronkelijke grens van het agrarische erf volgt. Deze houtwal vormt een landschappelijke buffer tussen het woonerf, de achterliggende agrarische gronden en het bedrijfsmatig perceel ten westen van het beslutigebied. Ten slotte behouden de noordelijke weidegronden het agrarisch karakter; deze worden ingevuld als (hobbymatige) dierenweide en bloemenweide.
Middels deze ingrepen wordt een kwalitatieve bijdrage geleverd aan de ecologische- en landschapswaarde van de omgeving, dit is nader toegelicht in paragraaf 3.4.1 en 3.6.3.
Afbeelding 2.4: Landschappelijke inrichting
De ontsluiting van de boerderijwoning en nieuw te realiseren woningen geschiedt via de bestaande inrit naast de boerderijwoning. De boerderijwoning heeft reeds parkeermogelijkheid op eigen terrein. De 5 nieuw te realiseren woningen krijgen in totaal 11 openbare parkeerplaatsen.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:
Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:
Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er is ook aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
Binnen het waterdomein staat Nederland de komende jaren voor grote uitdagingen en opgaven. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en zorgen voor een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water is het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 ontwikkeld.
Beleids- en beheerdoelen
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:
Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende watergebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht in wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.
Wettelijke bijlagen bij het NWP
Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.
Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.
Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.
Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Betekenis voor dit plan
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is geen stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang. In hoofdstuk 4 bij deze motivering wordt ook nog ingegaan op de verschillende van toepassing zijnde rijksinstructieregels.
Betekenis voor dit plan
In voorliggende situatie raakt dit omgevingsplan geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels op dit punt is daarom niet vereist.
Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.
Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.
Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.
Afbeelding 3.1: Gelderse omgevingsvisie
Ambitie klimaatadaptie
Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
Ambitie biodiversiteit
Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.
Woon- en leefklimaat
Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.
Cultuurhistorie
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.
Archeologie
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
Betekenis voor dit plan
Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het beeindigen van een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij). Hiermee wordt bijgedragen aan de bescherming van flora en fauna en een gezond en schoon Gelderland. Middels de realisatie van 5 woningen in agrarische setting levert het plan ook een bijdrage aan een divers woon- en leefklimaat. Met het inrichtingsplan worden de vrijkomende gronden kwalitatief ingevuld, rekening houdend met de kernkwaliteiten van het landschap. Zie hiervoor paragraaf 3.4.
Het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie van de provincie Gelderland.
Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. De meest recente versie van de omgevingsverordening is op 3 maart 2025 van kracht gegaan. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Ammoniakbuffergebied
Het besluitgebied ligt deels in het ammoniakbuffergebied. De gemeente Apeldoorn is daarom gebonden aan paragraaf 5.7.5 van de Omgevingsverordening Gelderland. Een omgevingsplan binnen het ammoniakbuffergebied laat hervestiging van een niet-grondgebonden vehouderij en nieuwvestiging of hervestiging van een niet-grondgebonden veehouderij niet toe. Uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijtak wordt alleen toegelaten als die uitbreiding niet leidt tot een toename van de emissie van ammoniak.
Gelderse streek Veluwe
Het besluitgebied valt binnen de streek Veluwe. De gemeente Apeldoorn is daarom gebonden aan paragraaf 5.3 van de Omgevingsverordening Gelderland. De verordening bevat voorts de regel dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Veluwe, bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening wordt gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.
De begrenzing van de streken is op provinciale schaal bepaald. Daarbij zijn waar mogelijk herkenbare grenzen gehanteerd, zoals de loop van rivieren. Dit betekent dat het in de praktijk kan voorkomen dat een locatie op de grens van twee streken meer kenmerken en kwaliteiten heeft van de streek die naastgelegen is dan die van de streek waar de locatie bij is ingedeeld. In die gevallen moeten de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen die op die locatie het meest van toepassing zijn gehanteerd worden en kunnen bij aantasting van de kernkwaliteiten de bijdragen in de lijn liggen van de daarbij behorende aan de ontwikkeldoelen.
| Kernkwaliteiten | Ontwikkeldoelen |
| 1. Reliëfrijk stuwwallencomplex en veruit het grootste aaneengesloten groene en bosrijk gebied van Nederland. Inclusief het spectaculaire 'steile' reliëf op de zuidflank van de Veluwe, de zuidrand van de stuwwal. | Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening met en dragen zo mogelijk bij aan de kernkwaliteiten van de Veluwe. Handhaven en versterken van de Veluwe als groenblauwe long van Nederland. Meer nog dan voorheen natuurgebieden met elkaar verbinden, o.a. door onthekken, ecoducten en groene zoomen. Inclusief natuurrijke verbindingen met omliggende, lagergelegen gebieden in Gelderse Vallei, IJsselvallei en Randmeerkust. Behouden van aardkundige waarden en de zoetgrondwatervoorraad. Terughoudendheid ten aanzien van ontgronden. Vermindering van barrièrewerking van kruisende infrastructuur. |
| 2. Sterke afwisseling van bos- en natuurgebieden, heidevelden, zandverstuivingen, agrarische enclaves en landgoederen met landgoedstructuren en lanen. | Versterken van de variatie aan natuurdoeltypen. Accentueren van de overgangen tussen landschapseenheden. In de agrarische enclaves transitie inzetten naar duurzame landbouw met behoud van openheid. Introduceren van passende nieuwe grondgebruiksvormen zoals voedselbossen, beleefplekken en kleinschalige energieopwekking. Behouden en versterken van de kwaliteiten van landgoederen en buitenplaatsen. De landgoederenstructuur op de zuidoostflank onder de naam Gelders Arcadië meer herkenbaar en beleefbaar maken. |
| 3. Schaars oppervlaktewater: vennen, enkele beken en aan de rand sprengen en sprengenbeken. | Herstel van de loop en vorm van sprengenbeken in hun cultuurhistorische betekenis en haar zichtbaarheid vergroten. Natuurrijkdom van beken en vennen vergroten. |
| 4. Grote historische gelaagdheid met fenomenen en verhalen uit verschillende tijdlagen. Grootste aantallen en dichtheid aan grafheuvels en celtic fields van Nederland. IJzerwinning en heidepotstalsysteem. Aanwezigheid van hessenwegen en koningswegen. | De tijdlagen meer beleefbaar maken. Historische artefacten, structuren en ensembles behouden, restaureren en recreatief ontsluiten. |
| 5. Rijke variatie aan (cultuurhistorisch bepaalde) soorten bos met hoge ecologische waarden. Veel natuurgebieden hebben de Natura 2000 waarden. | Variatie behouden en versterken en zo nodig herstellen. Bevorderen van een gevarieerd loofbos en verminderen van naaldbos. Behouden van oude boskernen. Hoge bescherming van Natura 2000 waarden. Herstel kwaliteit van bodem en bevorderen ecologische beheer. In balans brengen met houtproductie. |
| 6. Aantrekkelijk en relatief goed ontsloten recreatielandschap, al vanouds een geliefde vakantiebestemming voor Nederland. | De recreatieve druk meer dan voorheen zoneren in drukke, luwe en stille gebieden, inclusief passende recreatieve ontsluiting. Met aandacht voor sluiten van wegen en parkeerplaatsen en uitbreiding onverharde paden. |
| 7. Bijzondere beleving van 'leegte' en 'eindeloosheid', stilte en donkerte, flora en fauna, beslotenheid, openheid door aanwezigheid van heidevelden, zandverstuivingen en oude bouwlanden in enclaves en op de flanken. | Zorgdragen dat Veluwe-beleving (in te onderscheiden belevingsgebieden) meer authentiek wordt door bestendigen van genoemde kwaliteiten. Inrichten van belevingsplekken overeenkomstig de zonering. Open plekken en enclaves, vooral oude essen, koesteren en behouden. Geldt ook voor landgoederen en buitenplaatsen. Stiltegebieden blijvend in achtnemen. Donkerte 'intensiveren' door belichting aan te passen of achterwege te laten. |
| 8. Contrast tussen de besloten randen van de Veluwe met de lager gelegen open en halfopen gebieden (flanken), gecombineerd met bijzondere zichtlijnen of panorama's op de omgeving. | Contrast handhaven en versterken door natuurbouw of natuurinclusieve landbouw. Zichtlijnen behoeden voor verstorende elementen en waar mogelijk panorama's toevoegen. |
| 9. Op het massief komt weinig maar wel specifieke bebouwing voor: o.a. instellingsterreinen, kazernes, vakantieparken, landgoederen. Zes steden liggen met hun 'rug' op de stuwwallen: Arnhem, Wageningen, Ede, Harderwijk, Hattem en Apeldoorn. Geldt ook voor de talrijke grotere en kleinere dorpen langs de Veluwe. | Grote terughoudendheid betrachten bij verdere ontwikkeling van gebouwen en bebouwde terreinen, zowel bij uitbreiding, nieuwvestiging en functieverandering. Zorgvuldig inpassen is noodzakelijk, rekening houdend met natuurwaarden. Bosrijke stads- en dorpsrandzones vragen om zorgvuldige afstemming van soms conflicterende ruimteclaims. |
Tabel: kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Gelderse streek Veluwe
Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied
In de verordening zijn ook regels ten aanzien van glastuinbouwbedrijven opgenomen. Er is opgenomen dat er eenmalig een uitbreiding van een glasopstand tot maximaal vijf hectare kan worden toegelaten bij een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Daarbij dient te worden aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf, verplaatsing naar een glastuinbouwontwikkelingsgebied bedrijfseconomisch niet haalbaar is en deze uitbreiding zich verdraagt met de ter plaatse relevante omgevingskwaliteiten.
Nationaal Landschap
Het besluitgebied ligt in het Nationaal Landschap van de provincie Gelderland. De gemeente Apeldoorn is daardoor gebonden aan paragraaf 5.3.3 van de Omgevingsverordening Gelderland.
Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de motivering op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat:
Verbodsgebied windturbines Veluwe
Het besluitgebied ligt in het Verbodsgebied windturbines Veluwe. De gemeente Apeldoorn is daardoor gebonden aan paragraaf 4.2.4, artikel 4.14a van de Omgevingsverordening Gelderland. Het is verboden een nieuwe windturbine op te richten en te exploiteren binnen het verbodsgebied.
Betekenis voor dit plan
Ammoniakbuffergebied
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in nieuwvestiging of hervestiging van een niet-grondegebonden veehouderij.
Gelderse streek Veluwe en Nationaal Landschap
Het besluitgebied ligt in het buitengebied ten noorden van de kern Uddel. De oorspronkelijke structuuur van het agrarisch erf wordt gevolgd. De nieuw te realiseren bebouwing volgt de footprint van de agrarische bedrijfsbebouwing en de oorspronkelijke erfgrenzen worden aangesterkt middels houtwallen. Daarmee blijft de historische structuur beleefbaar.
De genoemde kernkwaliteiten zijn specifiek op de locatie niet aanwezig. Het nieuwe woongebouw is tevens gesitueerd binnen de contouren van een voormalige stal op het erf. Daarnaast neemt het bebouwde oppervlak aanzienlijk af. Dit project doet daarmee geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van de Veluwe.
Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied
Er is in voorliggend plan geen sprake van glastuinbouw of de uitbreiding ervan. Derhalve hebben deze regels uit de verordening geen gevolgen voor dit plan.
Verbodsgebied windturbines Veluwe
Er is in voorligggend plan geen sprake van de realisatie van windturbines.
Werkgebied van de faunabeheereenheid Gelderland
Deze regels uit de verordening hebben geen gevolgen voor dit plan.
Klimaatadaptatie
Dit project voorziet in een klimaatadaptieve inrichting van de locatie. De aanplant van bomen en houtwallen creëert een koelend effect tegen hitte. Hemelwater wordt opgevangen en afgevoerd naar de omliggende gronden, waar het de bodem kan infiltreren. Daardoor wordt zowel wateroverlast als droogte tegengegaan. Ook draagt dat bij aan waterveiligheid. Bij hevige regen wordt het water opgevangen waardoor overstromingen worden voorkomen. Het water zakt langzaam in de bodem of blijft tijdelijk staan, wat de druk op sloten en beken vermindert.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:
Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën:
Betekenis voor dit plan
Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.
Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.
Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan. De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.
De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:
Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.
Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied
Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:
Wonen
Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in één grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).
Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).
Omgevingskwaliteit
Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.
Mobiliteit
De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes.
Economie en recreatie
Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies
De agrarische sector staat voor grote opgaves. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.
Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.
Energie en circulariteit
Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.
Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.
Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.
Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament
De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente. Dit is als volgt opgebouwd:
Natuur en landschap
De groene mal/ het groen- blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.
Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.
Klimaatadaptatie
Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.
In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.
Milieu en gezondheid
Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.
Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.
Inclusiviteit
Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).
Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:
Afbeelding 3.2 Uitsnede Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.
Uitvoering Omgevingsvisie
Gebiedsprofielen
De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.
Afwegingsmatrix
Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.
Onderzoeken
Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.
Betekenis voor dit plan
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in het beeindigen en wegbestemmen van een veehouderij. Dit draagt bij aan de versterking van landschap en natuurwaarden, zoals opgenomen in ambitie 3. De realisatie van 5 nieuwe woningen, alsmede het benutten van een bedrifjswoning als burgerwoning, draagt bij aan de woonopgave, zoals in ambitie 2 opgenomen.
Het wegingsmodel is een uitwerking van de op 24 februari 2022 vastgestelde omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'. In de omgevingsvisie is een nieuw instrument aangekondigd – destijds nog 'afwegingsmatrix' genoemd – om afwegingen te maken over nieuwe ruimtelijke initiatieven op basis van de inhoudelijke koers en doelen uit de omgevingsvisie. Dit is uitgewerkt tot het 'wegingsmodel ruimtelijke initiatieven stad, dorp en buitengebied'. Het Wegingsmodel is op 1 januari 2025 in werking getreden.
Doel
Met het wegingsmodel als een maatwerkinstrument hoe beleid ten opzichte van elkaar te wegen, krijgen initiatiefnemers flexibiliteit bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen, gericht op de doelen van de Omgevingsvisie. Dit geldt voor initiatieven in de stad, de dorpen en ook het buitengebied. Met de weging op basis van de thema's uit het wegingsmodel wordt voorkomen dat te veel stapeling van ambities plaatsvindt en tegelijkertijd wordt wel gestuurd op de realisatie van de doelen van de omgevingsvisie.
Inhoud
Het wegingsmodel is gebaseerd op de vier hoofddoelen uit de omgevingsvisie, namelijk Stad maken, Vitale dorpen en buitengebied, Fysiek fundament uitbouwen en Sociaal fundament versterken. Het wegingsmodel is gebiedsgericht en richt zich op de stad (onderverdeeld in de Binnenstad, Spoorzone en Kanaalzone en de woonwijken en bedrijventerreinen), dorpen en het buitengebied. Het omvat zes thema's van de leefomgeving waarvoor criteria zijn opgesteld: Programma, Duurzaamheid, Natuur en klimaat, Ruimtelijke inpassing, Samenleving/inclusie en Samenleving gezondheid. Deze thema's zijn vervolgens vertaald in verschillende criteria per gebied. De criteria zijn gebaseerd op diverse sectorale beleidskaders.
Werking
Een nieuw initiatief wordt gewogen (beoordeeld) aan de hand van de criteria. Als een initiatief voldoet aan een criterium worden punten verkregen. De basis dat elk initiatief een score van minimaal 120 punten behaalt. Daarnaast moet elk initiatief op minstens vier van de zes thema's de basiskwaliteit van het 'Apeldoorns Peil' halen. Ofwel een score van 20 punten per thema. Als op één of twee thema's het Apeldoorns Peil niet wordt behaald, moeten ter compensatie – om toch aan een score van minimaal 120 punten te komen – 'pluscriteria' uit de zes thema's worden behaald. Hierin is een initiatiefnemer vrij te kiezen. Het voldoen aan een pluscriterium levert 10 punten op. Het behalen van het Apeldoorns Peil van 20 punten voor het thema 'ruimtelijke inpassing' is verplicht. De redenen hiervoor zijn het Welstandsbeleid en het belang dat de gemeente toekent aan een goede ruimtelijke inpassing van een initiatief.
Afbeelding 3.3: Thema's voor inhoudelijke weging en 'Apeldoorns Peil' wegingsmodel
Betekenis voor dit plan
Thema PROGRAMMA wonen in het buitengebied
Initiatief waarbij wonen en kleinschalige voedselproductie (minimaal 200m2) samengaan (10PT)
Voor alle nieuw te realiseren woningen is een moestuin in het inrichtingsplan opgenomen.
Thema DUURZAAMHEID Wonen in het buitengebied
Het initiatief wekt net zoveel energie op als het verbruikt (20 PT)
Het initiatief wekt net zoveel energie op als het gebruikt. Als de nieuwbouw geen NOM is, maar wel voldoet aan BENG, staat dit voor 10 punten in plaats van 20 punten. De initiatiefnemer heeft verklaard dat de woningen zullen voldoen aan NOM.
Alle woningen hebben een grijswatercircuit (10 PT)
Alle woningen zullen een grijswatercircuit hebben.
Thema NATUUR & KLIMAAT Wonen en werken in het buitengebied
Verordening Groene Balans (20 PT)
De ontwikkeling met beoogde landschappelijke inpassing voldoet aan de gemeentelijke Verordening Groene Balans. Dit is in paragraaf 3.6.3 nader toegelicht.
Thema RUIMTELIJKE INPASSING
Inpassing bouwvolume (20 PT)
Het totale bouwvolume is ruimtelijk goed ingepast. De toe te voegen woningen vormen een agrarisch ensemble met de bestaande boerderijwoning. De ontwikkeling wordt adequaat ontsloten via de bestaande route. Het landschappelijk inpassingsplan met gebruik van streekeigen beplanting en de forse reductie in bebouwing/verharding leveren een bijdrage aan de gebiedskenmerken en landschapsstructuren.
Thema INCLUSIE Wonen in het buitengebied
Er is een (overdekte) ontmoetingsplek in de buitenruimte, niet zijnde een spel- of sportvoorziening. (10 PT)
Er is in een mogelijkheid tot ontmoeten voorzien naast de parkeervoorziening in de buitenruimte.
Thema GEZONDHEID wonen en werken in het buitengebied
De buitenruimte is veilig en toegankelijk voor alle doelgroepen, op het erf is de auto te gast (20 PT)
Het buitenterrein wordt groen ingericht. Op de gezamenlijke ontsluitingsroute zal in de nieuwe situatie stapvoets worden gereden. Deze ruimte wordt gezamenlijk gedeelt.
Door het initiatief wordt een aanzienlijke milieuwinst geboekt (10 PT)
Ten opzichte van de huidige situatie, veehouderij, is er sprake van een aanzienlijke milieuwinst. De stikstofdepositie in de beoogde situatie is nagenoeg nihil. Er is hooguit nog sprake van voertuigbewegingen van aankomende en vertrekkende gasten. In een stikstofberekening wordt dit effect inzichtelijk gemaakt.
Conclusie
Uit voorgaande analyse blijkt dat het plan 120 punten scoort op het Apeldoorns Peil. Verder wordt op vier thema's de basisvoorwaarden gerealiseerd. Met deze score past het binnen de kaders van het wegingsmodel ruimtelijke initiatieven buitengebied.
Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.
Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.
Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.
Afbeelding 3.4 Kaart Groene Mal
Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.
Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.
Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.
Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.
De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.
Betekenis voor dit plan
Het besluitgebied valt binnen de aangewezen gronden 'landschappelijk groen buiten de hoofdstructuur'. Middels het landschappelijk inrichtingsplan wordt bijgedragen aan de kwaliteit van het landschap. Dit is gemoviteerd in paragraaf 2.2.3.
In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.
De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:
Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.
De Verordening Groene Balans is per augustus 2024 gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad. Het besluitgebied ligt buiten de Groene Ontwikkelzone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland van de provincie Gelderland. Verevening buiten de Groene Ontwikkelingszone is uitsluitend van toepassing bij een ruimtelijke ontwikkeling in de vorm van functieverandering welke gekoppeld is aan het vrijkomen van (agrarische) bedrijfsbebouwing. Dit is alleen van toepassing wanneer ten minste 500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt. Aanvullend geldt dat de kernkwaliteiten van de omgeving versterkt moeten maar met een reductie van 50% op het aantal punten dat nodig is per m3 van de nieuwe woon- of werkfunctie. Als onderdeel van deze ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie hiervoor bijlage 1 en getoetst aan de Verordening Groene Balans.
Betekenis voor dit plan
De gemeentelijke verordening schrijft voor dat de kernkwaliteiten van de omgeving moeten worden versterkt. Deze versterking moet middel verevening worden gerealiseerd. Aan verevening ligt een puntensysteem ten grondslag. In de verordening is bepaald dat bij functieverandering 80 punten per 100 m³ nieuwbouw moeten worden gerealiseerd. Opgemerkt wordt dat hierbij een reductie van 50% op het totale puntenaantal van toepassing is.
In artikel 5.1 van de verordening is de 'hardheidsclausule' opgenomen. Op basis van de hardheidsclausule kunnen één of meer bepalingen buiten toepassing worden gelaten of worden afgeweken voor zover toepassing gelet op het belang van, in dit geval compensatie, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard..
De functieverandering voorziet in het toevoegen van 5 woningen met een inhoud van maximaal 350 m³ per woning. De gezamenlijke inhoud van de 5 nieuwe woningen bedraagt maximaal 1.750 m³. Op grond van de verordening dient voor elke 100 m³ te realiseren ruimtevraag, 80 punten te worden gerealiseerd. In eerste instantie dienen in totaal 1400 punten 1.750 m³ / 100m³ x 80 punten) te worden gerealiseerd, maar vanwege de reductie van 50% moeten 700 punten worden gerealiseerd.
Op de locatie van de functieverandering was sprake van veehouderij. Locaties met veehouderij kenmerken zich door (veel) agrarische bebouwing op een relatief klein perceel. Als gevolg hiervan is een groot deel van het plangebied niet beschikbaar voor realisering van het vereiste aantal punten. Om het vereiste aantal punten te kunnen behalen zou sprake moeten zijn van multifunctioneel gebruik van gronden. Hierdoor ontstaat een overvol en onrustig beeld op het perceel, waarbij de instandhouding van bestaande (cultuurhistorische) landschapselementen in het geding komt. Het realiseren van een te volle en dichte landschappelijke inpassing is niet in lijn met de kernkwaliteiten van de Provincie.
In overleg met initiatiefnemer is een inrichtingsplan op basis van maatwerk tot stand gekomen. Met dit inrichtingsplan wordt een hogere kwaliteit behaald dan het kwantitatief toevoegen van beplanting en/of landschapselementen. In totaal wordt er circa 2.500m2 aan nieuwe houtsingels gerealiseerd. Er wordt een hoogstam fruitboomgaard gerealiseerd en diverse nieuwe solitaire bomen aangeplant. Tevens worden bestaande bomen behouden. De nieuw te realiseren woningen krijgen ieder een moestuin. Ten noorden van het woonerf wordt de weide met zicht op achterliggend landschap behouden en aangesterkt met een mantel met diverse begroeiing, die een geleidelijke overgang naar het naastgelegen bosgebied vormt.
Burgemeester en wethouders hebben ingestemd met het inrichtingsplan op basis van maatwerk. Dit is mogelijk op basis van de hardheidsclausule, artikel 5.1, van de verordening.
Afbeelding 3.5: Landschappelijke inrichting
In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.
Betekenis voor dit plan
Per saldo wordt door herontwikkeling van het besluitgebied het aandeel groen en water binnen het besluitgebied uitbreid en wordt de kwaliteit van het landschap verhoogd.
Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.
Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.
Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.
Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.
Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.
De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:
In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren 2024. Met dit beleid wordt beoogt te sturen op leefbaarheid en bereikbaarheid. Het beleid is een sturingselement bij de ontwikkelingen die Apeldoorn de komende jaren te wachten staat. De insteek bij het parkeren is dat parkeeroverlast - zo veel mogelijk - te voorkomen. Uitgangspunt is dat de parkeervraag bij ontwikkelingen niet mag worden afgewenteld naar de openbare weg. Het onderwerp parkeren wordt daarnaast benut in de strategie om Apeldoorn duurzaam en autoluw te ontwikkelen.
De nieuw vastgestelde beleidsregels voor parkeren richten zich enerzijds op het geven van een uitleg over hoe de parkeerregeling in het omgevingsplan zal worden toegepast. In de parkeerregeling die is opgenomen in het omgevingsplan (van rechtswege) wordt naar de ‘Beleidsregel Parkeren’ verwezen. Anderzijds dient deze beleidsregel als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld.
De parkeernormen voor zowel fietsen als auto's zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren 2024. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. Daarnaast wordt in de beleidsregel ingegaan op deelmobiliteit en hoe deelmobiliteit een rol kan spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.
Betekenis voor dit plan
De ontsluiting van de boerderijwoning en nieuw te realiseren woningen geschiedt via de bestaande inrit naast de boerderijwoning. De boerderijwoning heeft reeds parkeermogelijkheid op eigen terrein. De 5 nieuw te realiseren woningen krijgen in totaal 11 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per woning (rijwoning, buitengebied).
Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en plannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.
Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.
Betekenis voor dit plan
Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.
Het gemeentelijke archeologisch beleid is vervat in de Archeologische Beleidskaart 2024. Het beleid kent 7 categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn.
De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. Daarbij gaat het om:
Categorie 0: Maatwerk
Dit is een nieuwe categorie op de Archeologische Beleidskaart. Het omvat alle gebieden binnen de gemeente waar archeologisch (voor-)onderzoek is uitgevoerd en officieel gemeld in het landelijke ARCHIS 3-systeem. Degenen die het onderzoek uitvoeren, tekenen deze gebieden digitaal in ARCHIS als onderdeel van hun melding voordat ze met het onderzoek beginnen. Deze onderzoeksgebieden, zoals ze op 30 november 2020 zijn vastgesteld, zijn op de beleidskaart opgenomen als zones met beleidscategorie 0.
Binnen deze gebieden is al archeologisch onderzoek uitgevoerd, en de gemeente beschikt over actuele archeologische en bodemkundige informatie die inzicht geeft in de archeologische (verwachtings-)waarden. Deze informatie is doorgaans relevanter dan de gegevens die de basis vormen voor andere beleidscategorieën, omdat er recentere en specifiekere gegevens beschikbaar zijn. Bij ontwikkelingen in gebieden met beleidscategorie 0 moet naast het selectiebesluit (zie kenniskaart) raadplegen altijd contact worden opgenomen met de Sectie Archeologie van de Gemeente Apeldoorn.
Categorie 1: In principe geen bodemingrepen mogelijk
Categorie 1 omvat de archeologische monumenten. Op het moment dat deze beleidskaart werd opgesteld, verwijst dit naar de beschermde archeologische Rijksmonumenten die zijn opgenomen in het landelijke monumentenregister, beheerd door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). De begrenzingen van deze gebieden zijn vastgesteld door de RCE. Gemeente Apeldoorn heeft geen gemeentelijke archeologische monumenten. Voor deze terreinen is het bijna zeker dat er schade aan archeologische vindplaatsen zal optreden bij grondwerkzaamheden. Daarom is hier geen vrijstelling van toepassing. Voor grondwerkzaamheden op deze terreinen is een monumentenvergunning vereist.
Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden
Archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 50 m2.
Categorie 3: Terrein met archeologische waarden
Archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 100 m2.
Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting
Archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 500 m2.
Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting
Vrijgeven onder voorwaarden bij bodemingrepen dieper dan 35 cm - mv over een oppervlakte groter dan 2500 m2.
Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting
Geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de omvang van de bodemingreep.
Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt
De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën wanneer de totale oppervlakte aan geplande bodemingrepen de betreffende oppervlaktemaat overschrijdt en bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld.
Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m² altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.
Betekenis voor dit plan
De archeologische verwachtingswaarde voor het besluitgebied is opgenomen in onderstaande uitsnede van de Archeologische Beleidskaart.
Afbeelding 3.5: uitsnede archeologische beleidskaart 2024
Het besluitgebied valt deels onder categorie 4 en deels onder categorie 5. Indien bodemingrepen dieper dan 35cm meer dan 500/2500m2 bedragen in resp. oranje/groen gekleurd gebied op de beleidskaart, dienen deze vooraf te worden gegaan door een archeologisch onderzoek.
In het kader van de ontwikkeling is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit is nader gemotiveerd in paragraaf 4.4.
De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.
Bij de hierboven genoemde nota hoort een cultuurhistorische beleidskaart (vastgesteld door de gemeenteraad op 16 februari 2006). Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:
Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;
Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Afhankelijk van de resultaten kan volledig onderzoek worden verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;
Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.
In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het plan een beschermende regeling krijgen.
Implementatienotitie modernisering monumentenzorg
In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het plan beschermd.
Betekenis voor dit plan
Het besluitgebied ligt een lage attentiewaarde. De wijziging van het omgevingsplan leidt tot een reductie van het bebouwd oppervlak en een versterking van het landschap. Er zijn geen cultuurhistorische bezwaren, derhalve is geen onderzoek uitgevoerd.
Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat een omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd.
Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat.
Onderzoeksresultaten
In het 'Verkennend bodem en asbestonderzoek', uitgevoerd door Baecx d.d. 11-06-2025 zijn de onderzoeksresultaten met betrekking tot het bodemaspect opgenomen. Deze rapportage is als bijlage 2 aan dit TAM-omgevingsplan verbonden. Ook is er een asbestinventarisatie uitgevoerd. Deze rapportage is als bijlage 3 aan dit TAM-omgevingsplan verbonden. Onderstaand worden kort de conclusies toegelicht:
Gehele terrein
De onderzoekslocatie is op kleinschalig niveau onverdacht voor bodemverontreiniging. De onderzoekshypothese wordt onverdacht gesteld. De onderzoeksstrategie is hierbij “onverdachte locatie (ONV)”. Er zijn geen verhogingen aangetoond aan analytisch onderzochte stoffen in de boven- en ondergrond.
Brandplek
Binnen onderzoekslocatie is verdacht voor bodemverontreiniging, namelijk PAK. De onderzoekshypothese wordt verdacht gesteld. De onderzoeksstrategie is hierbij “verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP)”. Er zijn geen verhogingen aangetoond aan analytisch onderzochte stoffen in de verdachte
grond.
Druppelzones
Ter plaatse van drie druppelzones wordt uitgegaan van een duidelijke verontreinigingskern. De onderzoekshypothese wordt verdacht gesteld. De onderzoeksstrategie is hierbij “verdachte locatie op asbest met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern, namelijk de toplaag (VEP)” (zie NEN 5707 paragraaf 6.4.4.) In MMA01 is een klein gehalte aan asbest aangetroffen. Dit gehalte overschrijdt de grens voor nader onderzoek niet. In de overige mengmonsters is geen asbest aangetroffen. Vanwege de resultaten dient de vooraf vastgestelde hypothese ter plaatse van druppelzone 1 formeel gezien te worden geaccepteerd. Ter plaatse van druppelzones 2 en 3 wordt de vooraf gestelde hypothese verworpen.
Asbestinventarisatie
Aan de hand van het vooronderzoek, de visuele inspectie en de analyseresultaten concludeert Baecx dat binnen de onderzoekslocatie asbesthoudend materiaal aanwezig is. Er zijn geen aanwijzingen dat er overig asbesthoudend materiaal in verborgen gebouwdelen aanwezig is. Een aanvullende asbestinventarisatie is niet noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd tijdens de sloopwerkzaamheden alert te zijn op de aanwezigheid van verborgen asbesthoudend materiaal.
Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit op de onderzochte locatiegeschikt is voor het beoogde gebruik (wonen). Op basis van het uitgevoerde voorafgaand bodemonderzoek zijn er voor de bodem geen milieuhygiënische bezwaren voor het verlenen van wijziging van het omgevingsplan op de locatie.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG.
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.
Onderzoeksresultaten
De onderzoeksresultaten voor het aspect milieuzonering zijn opgenomen in het rapport 'Onderzoek milieuzonering', uitgevoerd door SPA WNP ingenieurs, d.d. 10-06-2025. Het rapport is als bijlage 4 aan dit TAM-omgevingsplan verbonden. Onderstaand wordt de conclusie toegelicht.
Het plan betreft de realisatie van vijf woningen aan de Staverhul 22 in Uddel. Met deze invulling voorziet het plangebied in een milieugevoelige functie. Het plangebied ligt in een omgeving die gelet op het karakter is aan te merken als rustig buitengebied. De richtafstanden uit de VNG-bundel “Bedrijven en Milieuzonering “(2009) worden daardoor niet in een stap verlaagd. Uit de inwaartse milieuzonering blijkt dat de milieubelastende functies in de omgeving geen hinder geven aan de milieugevoelige functies binnen het plan en dat het initiatief geen beperkende invloed heeft op de omliggende bedrijfsvoering. Op basis van dit onderzoek blijkt dat binnen het plan en de omgeving sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) heeft in 2021 de geactualiseerde richtlijn Lichthinder uitgegeven. In deze richtlijn zijn grenswaarden opgenomen. De grenswaarden voor de verschillende parameters zijn afhankelijk van de soort verlichting. Grenswaarden zijn opgenomen voor de verticale verlichtingssterkte (Ev lux) en de richtingsafhankelijke lichtsterkte per armatuur (cd). Tevens wordt er een onderscheid gemaakt in de dag- (07.00 tot 19.00 uur), avond- (19.00 tot 23.00 uur) en nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur). De grenswaarden zijn afhankelijk van het omgevingstype. Op basis van de richtlijn kan de omgeving worden getypeerd als stedelijk gebied (E3).
Betekenis voor dit plan
Het aspect lichthinder is in voorliggende situatie niet aan de orde. Activiteiten die dergelijke effecten teweeg kunnen brengen zijn immers niet in of in de omgeving van het besluitgebied terug te vinden. Lichthinder vormt geen belemmering voor het plan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.
De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.
Betekenis voor dit plan
De onderzoeksresultaten voor het aspect geluid zijn opgenomen in het rapport 'Akoestisch onderzoek omgevingsplan geluid door gemeentewegen', uitgevoerd door SPA WNP ingenieurs, d.d. 04-06-2025. Het rapport is als bijlage 5 verbonden aan dit TAM-omgevingsplan. Onderstaand wordt de conclusie toegelicht.
Nabij het plangebied liggen enkele wegen. Voor de (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en is de situatie beoordeeld aan de hand van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Doel van dit onderzoek is het bepalen van het geluid binnen het plangebied voor zover deze wordt veroorzaakt door het relevante wegverkeer. Het plangebied ligt alleen binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen (o.a. Staverhul en Noord Riezenweg). De overige geluidbronnen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze geluidbronnen niet relevant zijn met betrekking tot het geluid.
Uit het onderzoek blijkt dat het geluid op de gevels van de vijf nieuwe woningen maximaal 33 dB-Lden bedraagt. Dit is ruim lager dan de standaardwaarde van 53 dB-Lden. Dit betekent dat alle gevels en de daaraan liggende buitenruimten, geluidluw zijn. Ter beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid is het gecumuleerde geluid bepaald. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 33 dB. Omdat alle gevels en de daaraan liggende buitenruimten, geluidluw zijn, wordt gesteld dat er bij het plan sprake is van een aanvaardbare geluidssituatie. Om een goed leefklimaat te realiseren, geldt er een minimum aan de karakteristieke geluidwering (GA;k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Hierbij moet worden uitgegaan van een gezamenlijk geluid van 33 dB. Normaliter wordt met moderne standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, geïsoleerd dak, normale ventilatie voorzieningen die voldoet aan een geluideis van Rq;a = 0 dB) voldaan aan de minimale karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie.
Destandaardwaarde van Bkl artikel 5.78t wordt niet overschreden. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit plan.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels vooropstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de beleidsregel 'Trillingshinder Spoor' en de handreiking 'Nieuwbouw en Spoortrillingen'. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Betekenis voor dit plan
Het besluitgebied ligt niet binnen de zone van een spoortraject. Er zijn geen klachten ten aanzien van trillingen bekend. Trilling vormt geen belemmering voor het plan.
De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen.
Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende omgevingswaarden het meest relevant:
Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.
In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk. Het betreffende plan valt onder de situaties die zijn vastgelegd in de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate bijdragen”.
Betekenis voor dit plan
De ontwikkeling valt onder de situatie die zijn vastgelegd in de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate bijdragen”. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering.
De gemeente moet in het Omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:
Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.
De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het Omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het Omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het Omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de afstanden genoemd in artikel 22.101 van het omgevingsplan Apeldoorn (Bruidsschat).
Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geurgevoelige objecten. De beoogde woningen binnen het besluitgebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen.
Betekenis voor dit plan
De onderzoeksresultaten voor het aspect geur zijn opgenomen in het rapport 'Onderzoek geurhinder veehouderijen', uitgevoerd door SPA WNP ingenieurs, d.d. 09-07-2025 Het rapport is als bijlage 6 verbonden aan dit TAM-omgevingsplan. Onderstaand wordt de conclusie toegelicht.
Wat betreft de voorgrondbelasting op het plangebied is de veehouderij aan de Staverhul 24 in Uddel, maatgevend. De geurconcentratie die veroorzaakt wordt door deze veehouderij voldoet niet aan de gemeentelijke norm. Op basis van aanvullende berekeningen volgt dat de grenswaarde bij bestaande geurgevoelige gebouwen reeds wordt overschreden. Om die reden is er sprake van een overbelaste situatie. Het woningbouwplan leidt om die reden niet tot een belemmering in de bedrijfsvoering van de veehouderij aan de Staverhul 24 in Uddel.
Uit de berekening van de achtergrondbelasting volgt dat er een maximale achtergrondbelasting is te verwachten van 13,51 ouE/m3. De bij het plangebied maximaal berekende achtergrondbelasting correspondeert met ongeveer 15% á 20% gehinderden. Dit percentage wordt op basis van de wettelijke waarden als aanvaardbaar beschouwd. Op grond van het gemeentelijk beleid wordt de berekende achtergrondbelasting beschouwd als een ‘Matig’ woon- en leefklimaat. Het hoogste van de twee geurhinderpercentages is maatgevend voor de toekomstige situatie, in dit geval de voorgrondbelasting. De vertaling in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is op basis van berekende voorgrondbelasting beschouwd als ‘slecht’. Een dergelijk woon- en leefklimaat komt vaker voor in het buitengebied en is daarmee nog niet zeer of extreem slecht. Daarnaast voldoet de geurconcentratie aan de gemeentelijke norm.
Het aspect agrarische geurhinder vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
Bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functies (in het kader van gewasbeschermingsmiddelen) in de nabijheid van bestemmingen/functies, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico's voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. In het kader van gewasbeschermingsmiddelen krijgt het begrip 'gevoelige functie' juridische invulling door jurisprudentie. Onder gevoelige functies in het kader van gewasbeschermingsmiddelen vallen plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Dit zijn in ieder geval woningen, tuinen en kantoren.
Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een gevoelige functie aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de grens van de gevoelige functie tot plek waar het spuiten met gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan. De 'spuitzone' is daarmee een zone tussen de twee functies, waar niet gespoten mag worden met gewasbeschermingsmiddelen. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand, waar deugdelijk gemotiveerd van kan worden afgeweken.
Betekenis voor dit plan
Op de verbeelding en in de planregels is een spuitzone opgenomen. Daarmee is geborgd dat binnen 50 van de woningen en tuinen het spuiten met gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan. Het aspect gewasbeschermingsmiddelen vormt geen belemmering.
De Omgevingswet zet in op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Daarmee heeft het thema gezondheid een centrale rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezondheid is een breed thema waarbij gedacht kan worden aan diverse thema's en aspecten die zich richten op de bescherming van de gezondheid van inwoners. Te denken valt aan aspecten als geluid, geur en luchtkwaliteit.
Betekenis voor dit plan
In voorliggende situatie geldt dat uit uitgevoerde onderzoeken volgt dat in en om het besluitgebied een dusdanig milieukwaliteitsniveau heeft dat de gezondheid van toekomstige bewoners niet in het geding komt.
Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines. In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 t/m 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Betekenis voor dit plan
Het besluitgebied ligt niet in een plaatsgebonden risicocontour, een aandachtsgebied of een voorschriften van een bedrijf, spoorweg, vaarweg, weg, buisleiding of windturbine. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.
In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen omtrent milieubelastende activiteiten. Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie bij een groter elektrisch vermogen dan 4kW is een dergelijke milieubelastende activiteit.
Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Mensen mogen niet worden blootgesteld aan elektromagnetische straling boven de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP).
De toelatingsregels van het omgevingsplan borgen dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Meestal blijkt uit de aanvraag voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden.
Betekenis voor dit plan
In en direct nabij het besluitgebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen en/of zendmasten. Dit betekent dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot dit aspect.
De wet- en regelgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Betekenis voor dit plan
Op basis van toetsing van de activiteiten is geen aanleiding te veronderstellen dat een MER, vormvrije mer of mer-beoordeling nodig is. Overigens is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, als bedoeld in het Omgevingsbesluit.
Het besluitgebied ligt in bestaand stedelijk gebied. Het besluitgebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en ligt niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven. Onderstaand wordt kort ingegaan op de wateraspecten.
Het afstromende hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering en vastgehouden in het plangebied en zoveel als mogelijk geïnfiltreerd naar de bodem waar het ten goede komt aan de grondwatervoorraad. De waterbergende voorzieningen moeten door de betreffende perceeleigenaren worden onderhouden.
Afbeelding 4.2: Beslisboom voor regenwater, gemeente Apeldoorn
Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:
Afbeelding 4.3: Waterladder gemeente Apeldoorn
Op deze locatie bevindt zich een mechanische riolering (vrijverval riool welke loost op een drukriool) waar alleen vuilwater op mag worden aangesloten. De toename van 2 woningen is zeer gering. Het bestaande riool heeft voldoende capaciteit om deze geringe toename te verwerken. Bij het ontwerp van de vuilwaterriolering dient rekening te worden gehouden met de hoogteligging van het bestaande riool.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De watertoets is het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De watertoets is als bijlage 7 toegevoegd aan deze motivering. In de watertoets wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling geen onevenredige gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het besluitgebied en geeft de minimale vereisten voor de benodigde waterberging en infiltratiecapaciteit.
De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van (een wijziging van) het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten.
Soortenbescherming
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
Houtopstanden
Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels heeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Er kan ook een meldingsplicht gelden. In paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is beschreven in welke gevallen een meldplicht geldt voor het vellen van een houtopstand en of er een herplantplicht van toepassing is.
Gemeenten dienen op grond van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving een bebouwingscontour houtkap op te nemen in het omgevingsplan. De algemene regels over het vellen van houtopstanden uit het Bal zijn alleen van toepassing buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’, zoals die is opgenomen in het omgevingsplan. Binnen de bebouwingscontour houtkap gelden uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen. Gemeenten bepalen zelf of zij binnen de bebouwingscontour houtkap regels stellen ten aanzien van houtkap.
Gebiedsbescherming
De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.
Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
Onderzoeksresultaten soortenbescherming
In het kader van de ontwikkeling is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het rapport, opgesteld door Ecofect, d.d. januari 2026, is als bijlage 8 aan dit TAM-omgevingsplan verbonden. De conclusies van het onderzoek zijn in onderstaande tabel kort weergegeven:
Afbeelding 4.4: onderzoeksresultaten soortenbescherming
Voor flora, grondgebonden zoogieren, amfibien en reptielen, vissen en ongewerfelden worden geen schandelijke handelingen in het kader van de Omgevingswet verwacht. Nader onderzoek is noodzakelijk voor de huismus, boerenzwaluw en vleermuizen. Dit rapport wordt in een later stadium toegevoegd.
Onderzoeksresultaten gebiedsbescherming
In het kader van de ontwikkeling is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het rapport, opgesteld door Ecofect, d.d. januari 2026, is als bijlage 8 aan dit TAM-omgevingsplan verbonden. De conclusies van het onderzoek zijn in onderstaande tabel kort weergegeven:
Afbeelding 4.5: onderzoeksresultaten gebiedsbescherming
De planlocatie is gelegen buiten de Groene ontwikkelingszone en het Gelders Natuurnetwerk Nederland of Natuurnetwerk Nederland. Aangezien het plangebied buiten het Natuurnetwerk valt wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing, in de vorm van ja, mits toets, aan de orde is. Beoogde ontwikkelingen vinden plaats binnen de grenzen van gebied dat is aangemerkt als Nationaal landschap. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de orde.
In het kader van de ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het rapport, opgesteld door Ecofect, d.d. 21-10-2025, is als bijlage 9 aan dit TAM-omgevingsplan verbonden. Onderstaand worden de conclusies toegelicht.
Uit de Aerius berekeningen van de aanlegfase blijkt dat er rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. De aanlegfase kent een tijdelijke depositie van 0.16 mol/ha/j.
Uit de Aerius berekeningen van de nieuwe gebruiksfase blijkt dat er rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op het omliggende Natura 2000-gebied. De nieuwe gebruiksfase kent een permanente depositie van 0.11 mol/ha/j.
Uit de Aerius berekeningen van de huidige gebruiksfase blijkt dat er rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op het omliggende Natura 2000-gebied. De huidige gebruiksfase kent een permanente depositie van 84.90 mol/ha/j in 2026 en 2027. Wanneer de huidige gebruiksfase wordt ingezet t.b.v. intern salderen dient er rekening gehouden te worden met een afroomfactor. In de berekeningen incl. intern salderen is rekening gehouden met 35%.
Uit de Aerius berekening met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een maximale depositie van 0,16 mol/ha/jr. Wanneer de emissie uit de referentiesituatie met intern salderen wordt ingezet, blijkt dat sprake is van een tijdelijke afname depositie van maximaal 46.26 mol/ha/jr (incl. afroming 35%).
Uit de Aerius berekening met betrekking tot de nieuwe gebruiksfase blijkt dat in de nieuwe gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een maximale depositie van 0,12 mol/ha/jr. Wanneer de emissie uit de referentiesituatie met intern salderen wordt ingezet, blijkt dat sprake is van een permanente afname van depositie van maximaal 47.37 mol/ha/jr (incl. afroming 35%). Geconcludeerd wordt dat er tijdens de aanlegfase en in de nieuwe gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr wordt overschreden. Er is met de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase geen sprake van een significante verslechtering wanneer de huidige bedrijfsvoering stopt. Een Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit zal wel noodzakelijk zijn.
In het kader van de ontwikkeling is tevens een voortoets gebiedsbescherming uitgevoerd door Ecofect. Dit rapport is als bijlage 10 toegevoegd aan dit TAM-omgevingsplan. Uit deze voortoets blijkt dat er geen Passende beoordeling en/of ADC-toets noodzakelijk is omdat er geen (significante) negatieve effecten zijn op de beschermde habitattypen en doelsoorten. Ook heeft de planontwikkeling geen effect op de beheerdoelstellingen die zijn toegewezen aan dit gebied.
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het besluitgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Onderzoeksresultaten
De onderzoeksresultaten met betrekking tot archeologie staan beschreven in de rapportage 'Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek Archeologie', opgesteld door Laagland advies d.d. oktober 2025. De rapportage is als bijlage 11 verbonden aan dit TAM-omgevingsplan. Naar aanleiding van de rapportage is een selectiebesluit opgesteld, welke nader als bijlage 12 wordt toegevoegd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek.
Het typerende bodemprofiel bestaat uit een verstoord pakket met een gemiddelde dikte van 55 cm. Deze ligt meestal scherp begrensd op een C-horizont (verspoeld dekzand). Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ook zijn er geen resten van bodemvorming of intacte veenresten aangetroffen. Door de grindigheid en matige sortering van de C-horizont wordt dit pakket als verspoeld dekzand geïnterpreteerd. Dit wijst op natte omstandigheden en bevestigd daardoor dat (de geboorde delen van) het plangebied bestaan uit (afgetopte) gooreerdgronden en in een droogdal gelegen is. Daarnaast kan op basis van de waargenomen diepte van de intacte C-horizont (gemiddeld op een diepte van 55 cm -mv) met enige zekerheid worden gesteld dat de aanwezige bebouwing in het plangebied de bodem dieper verstoord dan een potentieel intact sporenvlak. De poeren reiken namelijk tot minstens 90 cm -mv en verstoring tussen de poeren rijkt vaak minstens net zo diep als de verstoringen direct rondom de bebouwing. Het noordelijke deel ter hoogte van boring 7 was niet toegankelijk. Echter, kan op basis van het eerder uitgevoerde bureauonderzoek worden aangenomen dat voor dit deel van het landschap een overwegend lage archeologische verwachting geldt. Zo ligt dit deel van het plangebied op de gemeentelijke verwachtingskaart in een zone met een lage verwachting. Wij zien geen reden om deze verwachting naar boven bij te stellen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan daarom de archeologische verwachting voor alle archeologische perioden naar laag worden bijgesteld (en de lage verwachtingen kunnen worden gehandhaafd).
Selectiebesluit
In de zones waar boringen zijn uitgevoerd is voldoende aanleiding om de archeologische verwachting naar laag bij te stellen (verspoelde dekzanden i.c.m. gooreerdgronden). Ook bestaat er een gerede kans dat bij de aanleg van de stallen tenminste een deel van het archeologisch sporenniveau (c-horizont) is verstoord. Om deze redenen is geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk voor de geplande ontwikkeling.
Met het advies om geen archeologische dubbelbestemming voor het terrein op te nemen wordt niet ingestemd. Dit geldt zowel op het terreindeel waar geen boringen zijn uitgevoerd alsook de terreindelen waar verspreid boringen zijn uitgevoerd. Het onderzoek geeft geen aanleiding om af te zien van een archeologische verwachting in het plangebied in geheel (bijgesteld naar laag, niet naar ‘geen’).
Bovendien zijn er te weinig boringen uitgevoerd voor een gedegen uitspraak over de archeologische verwachting in het gehele plangebied (cf. de Handreiking Bureau- en Verkennend Booronderzoek van de gemeente Apeldoorn, dienen er tenminste 7 boringen per hectare uitgevoerd te worden. Het plangebied is ca. 1,7 ha groot. Dit betekent dat er tenminste (afgerond) 12 boringen uitgevoerd hadden moeten worden). In totaal zijn er 6 boringen gezet. Dit betekent dat in feite alleen de locaties van de geplande nieuwbouw voldoende onderzocht zijn. Derhalve dient de archeologische verwachting als dubbelbestemming opgenomen te worden in het TAM-omgevingsplan, weliswaar als het mogelijk is aangescherpt o.b.v. het verkennend booronderzoek.
De werkzaamheden in het plangebied kunnen zonder verdere (archeologische) onderzoekstappen uitgevoerd worden. Wel dient in het (TAM-) omgevingsplan een archeologische gebiedsaanduiding opgenomen te worden, die overeenkomt met categorie 5 van de archeologische beleidskaart 2024 (vrijstellingsgrenzen 2500 m2 en 35 cm -mv.). Dit is opgenomen in de plankaart van dit TAM-omgevingsplan.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het besluitgebied gelegen werelderfgoed.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
Monumenten
Monumenten zijn elementen met een hoge cultuurhistorische waarde die op grond van de Omgevingswet, of gedurende de overgangsfase (tot 2031) door gemeenten op basis van de erfgoedverordening, als monument zijn aangewezen. In het besluitgebied bevinden zich geen monumenten en kandidaat-monumenten.
Karakteristieke panden
Karakteristieke panden hebben geen monumentenstatus maar zijn door hun cultuurhistorische en ruimtelijke waarde van groot belang voor het karakteristieke beeld van hun omgeving. Die waarden komen onder andere tot uitdrukking in de gebiedseigen typologie, markante ligging, bijdrage aan het typische beeld en/of de bijzondere vorm en functie. In het besluitgebied bevinden zich geen karakterstieke panden.
Conclusie
Het besluitgebied ligt een lage attentiewaarde. De wijziging van het omgevingsplan leidt tot een reductie van het bebouwd oppervlak en een versterking van het landschap. Er zijn geen cultuurhistorische bezwaren, derhalve is geen onderzoek uitgevoerd.
In het Klimaatakkoord (2019) staat hoe Nederland deze overstap wil maken. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 ‘energieneutraal’ is. Dat betekent: dat we net zoveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. We werken daar op allerlei manieren aan. Als land, maar ook als provincie, regio en gemeente. We proberen alle plannen op elkaar te laten aansluiten. Want samen gaat het sneller. Net als heel Nederland wil Apeldoorn in 2050 evenveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. Om daar te komen, maken we eerst plannen tot 2030. Dit zijn de hoofdlijnen:
De Omgevingswet geeft ons de mogelijkheid om onze duurzaamheidswensen en -doelen goede juridische grond te geven. Dit geldt ook voor het onderwerp energie. De Omgevingswet geeft duidelijke richtlijnen en regels mee aan burgers en bedrijven, zodat zij goed weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast geeft de Omgevingswet ons de kans om de regels beter te handhaven. Dit helpt om onze doelen te behalen. De Omgevingswet gaat ons op de volgende manier helpenop het gebied van energie:
Voor nieuwbouw
Voor bestaande bouw
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.
In hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de planlocatie. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven.
Beleid
Voorliggend plan voorziet in het beeindigen en wegbestemmen van een veehouderij en realisatie van 5 burgerwoningen, alsmede het gebruik van de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning.
Omgevingskwaliteit
Het plan wordt aan de hand van het landschappelijk inrichtingsplan goed ingepast in de omgeving. De nieuwbouwopgave is kwalitatief landschappelijk ingepast.
Omgevingsaspecten
De effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving is positief en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.
Een TAM-omgevingsplan biedt een alternatieve mogelijkheid om via de IMRO2012-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen, wanneer gemeenten het omgevingsplan nog niet via de nieuwe standaarden kunnen bekendmaken en beschikbaar stellen. Dit moet voorkomen dat planvorming (en in het bijzonder gebiedsontwikkeling) onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.
Onderhavig TAM-omgevingsplan, Hoofdstuk 22au Staverhul 22 Uddel, vormt een wijziging van het omgevingsplan Apeldoorn.
Het bestemmingsplan ''Agrarische Enclave', onderdeel uitmakende van het omgevingsplan van rechtswege, maakt de exploitatie van een veehouderij mogelijk. Om deelt te nemen aan de LBV regeling moet deze mogelijkheid worden wegbestemd. Hiernaast geeft het TAM-omgevingsplan de mogelijkheid om 5 extra burgerwoningen te realiseren en de bestaande bedrijfswoning in gebruik te nemen als burgerwoning. Daarom moet het omgevingsplan gewijzigd worden.
Het TAM-omgevingsplan is juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de al geldende regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, de zogenaamde bruidsschat. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22au van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt als hoofdstuk 22au onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat in principe alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het besluitgebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). In artikel 3 (toepassingsbereik) wordt dit toegelicht. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor het besluitgebied van. Zo is er voor dit plan gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan niet wordt afgeweken van de bruidsschat.
Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten
Conform de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven binnen het besluitgebied. Beoogd is zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is. Hieronder is - indien noodzakelijk - een aanvullende toelichting per functie opgenomen.
Agrarisch
De weidegronden die landschappelijk worden ingericht behouden de agrarische functie.
Groen - Landschapselement
De gronden die in het landschappelijk inpassingsplan een groen landschapselement vormen worden als zodanig bestemd.
Wonen
De bestaande bebouwing die wordt omgezet naar wonen heeft de functie Wonen gekregen. Tevens zijn de kavels voor de 5 nieuwe woningen als Wonen bestemd. Voor de woningen is op de verbeelding een bouwvlak gegeven. De maximale inhoudsmaat per woning en goothoogte zijn opgenomen in de beoordelingsregels voor de hoofdgebouwen.
Bijbehorende bouwwerken mogen in principe enkel worden gesitueerd in het achtererfgebied. Er wordt aansluiting gezocht bij hoofdstuk 22 (Bruidsschat) uit het omgevingsplan voor de regeling voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken. In dit TAM-omgevingsplan worden alleen aanvullende regels voor bijbehorende bouwwerken opgenomen indien dit noodzakelijk is.
Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis
Bij recht is het gebruik van een deel van de gebouwen binnen de functies Wonen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld, waaronder aan de daarvoor te gebruiken oppervlakte, om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de 14 zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (uit 2009) als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.
Bevoegd gezag
Waar in de regels van dit hoofdstuk 22au de bevoegdheid in het leven is geroepen om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op dit TAM-omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.
Hoofdstuk 4: Algemene procedureregeling
In TAM-omgevingsplannen kan overgangsrecht worden opgenomen. In onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22au Staverhul 22 Uddel wordt een bestaande functie wegbestemd, waarvoor een andere functie in de plaats komt. Daarom is overgangsrecht opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.
Bijlagen
Bij dit hoofdstuk zijn in totaal 15 bijlagen opgenomen.
Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22au Staverhul 22 Uddel is opgesteld conform de technische eisen voor bekendmaken en beschikbaar stellen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het besluitgebied op de verbeelding als 'enkelbestemming', dan wel 'dubbelbestemming', zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn ook als zodanig op de verbeelding opgenomen.
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.
Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten op 22 juni 2025 waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het kostenverhaal voor dit plan verzekerd.
Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.
De initiatiefnemer heeft, in overleg met de gemeente, zelf participatie georganiseerd. Vanwege de beperkte invloed van de ontwikkeling is hiervoor maatwerk gehanteerd. Het participatieverslag is als bijlage 13 verbonden aan dit TAM-omgevingsplan.
Hiermee heeft de initiatiefnemer relevante burgers betrokken bij haar voornemen tot wijziging van het omgevingsplan.