direct naar inhoud van MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ak Broeklanderweg 16 Beemte Broekland
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.tam0038-vas1

MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT

behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ak Broeklanderweg 16 Beemte Broekland

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het adres Broeklanderweg 16 te Beemte Broekland is een agrarisch bedrijf gevestigd. Het agrarisch bedrijf bestaat uit een intensieve veehouderijtak en een akkerbouwtak. Tevens wordt als nevenfunctie een caravanstalling geexploiteerd. De eigenaar wil de veehouderijtak onder de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties (LBV) beëindigen. De akkerbouwtak en caravanstalling worden voortgezet. De veestallen (circa 3.862 m²) worden gesaneerd. De overige agrarische opstallen worden ingezet voor de akkerbouwtak en de caravanstalling die worden voortgezet.

Om deel te nemen aan de LBV-regeling moet de mogelijkheid van het exploiteren van een veehouderij en de productiecapaciteit uit het omgevingsplan worden verwijderd. Daarom moet het omgevingsplan worden aangepast. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in deze aanpassing.

1.2 Ligging en begrenzing

Het besluitgebied betreft de gronden aan de Broeklanderweg 16 te Beemte Broekland, begrensd door het bestaande bouwvlak. Het perceel ligt in het buitengebied, aan de noordzijde van Apeldoorn. Het perceel grenst aan de noordzijde aan de Broeklanderweg en aan de oostzijde aan de Kluinweg. Het besluitgebied is in onderstaande afbeeldingen rood omkaderd weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0001.png"

Afbeelding 1.1: Ligging besluitgebied (rood omcirkeld)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0002.png"

Afbeelding 1.2: Luchtfoto besluitgebied Broeklanderweg 16 Beemte Broekland (indicatief)

1.3 Geldend omgevingsplan

Het besluitgebied valt binnen het omgevingsplan 'Gemeente Apeldoorn'. De regels zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord-Oost', vastgesteld op 9 april 2014. Het plangebied heeft de bestemming 'agrarisch' met de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. Het plangebied heeft de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen: 2' en de gebiedsaanduidinge 'geluidszone - vliegveld' en 'open landschap'. Het plangebied heeft deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog'. In de noordoostelijke hoek is een functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' opgenomen. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0003.png"

Afbeelding 1.3: uitsnede bestemmingsplan 'Ugchelen', besluitgebied rood omlijnd (indicatief)

Verder geldt voor het plangebied ook het bestemmingsplan 'Parapluherziening begeleid wonen digitale plannen', vastgesteld 17 januari 2019. Dit bestemmingsplan schrapt de beperkende bepaling van de zogenaamde twee-woningenregeling, die verdergaande extramuralisering in de weg staat.

De overige algemene plannen die over het algemeen het hele gemeentelijke grondgebied betreffen zijn in onderstaand schema weergegeven.

Plannaam   Datum vaststelling  
Parapluherziening parkeren   21 maart 2019  
Standplaatsen voor woonwagens en kermisexploitanten (voorbereidingsbesluit)   8 november 2022  
Omgevingsplan gemeente Apeldoorn   1 januari 2024  
TAM-voorbereidingsbesluit voorbereidingsregels kamerverhuurpanden   4 april 2024  

1.4 Werkwijze en opzet van de motivering

De motivering van de wijziging van het omgevingsplan voor de Broeklanderweg 16 Beemte Broekland is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie op de planlocatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante rijksbeleid, de rijksinstructieregels, provinciaal, regionaal en gemeentebeleid behandeld. Tevens wordt ingegaan op het relevante waterschapsbeleid. Hoofdstuk 4 behandelt de aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat het juridisch kader van dit TAM-omgevingsplan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan uiteengezet.

2 Huidige en toekomstige situatie

2.1 Bestaande situatie

Het agrarisch bedrijf aan de Broeklanderweg 16 te Beemte Broekland heeft een veehouderijtak en een akkerbouwtak. De veehouderijtak van het bedrijf bestaat uit het houden van varkens, jongvee en geiten. De akkerbouwtak bestaat uit het telen van gras, mais en graan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0004.png"

Afbeelding 2.1: Luchtfoto plangebied 2025

2.1.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Aan de noordwestzijde van het plangebied liggen twee geitenstallen. Aan de zuidkant van het plangebied liggen twee varkensstallen. Verder zijn er twee jongveestallen, een werktuigberging, een bedrijfswoning en een plattelandswoning aanwezig. De bebouwing is in onderstaande luchtfoto aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0005.png"

Afbeelding 2.2: Luchtfoto met kenmerken bebouwing

2.1.2 Groenstructuur

Binnen het plangebied is geen kenmerkende groenstructuur aanwezig. Het plangebied wordt begrensd door enkele houtwallen en hagen.

Het plangebied ligt in het buitengebied van Beemte Broekland. Dit is een oud agrarisch gebied in een 18de-eeuwse ontginning met stokenverkaveling in het laaggelegen broekland. De ontginningsblokken zijn opgebouwd uit stroken- en blokverkavelingen en zijn haaks op de weteringen georiënteerd. De bebouwing is oorspronkelijk agrarische van aard, met op een dekzandrug (kampenlandschap) concentratie van woonbebouwing en aanvullende functies in de kern van 'De Beemte.' Het plangebied heeft binnen het bestemmingsplan de aanduiding 'open landschap'. De gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding van de openheid van het landschap. De Broeklanderweg heeft hoge cultuurhistorische waarde als oude wegstructuur en ontginningsbasis.

2.1.3 Verkeer en vervoer

Het perceel heeft meerdere ontsluitingen op de Broeklanderweg en de Kluinweg. Parkeren vindt plaats op eigen terrein.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Algemeen

De eigenaar van het agrarisch bedrijf wil meedoen aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (LBV). De eigenaar stopt met de veehouderijtak en de akkerbouwtak wordt voortgezet.

De varkenstallen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 3.862 m² worden gesaneerd. De jongveestallen worden ingericht als berging en werkplaats voor de akkerbouwtak. De geitenstallen zijn ingericht als caravanstalling. De werktuigberging, bedrijfswoning en plattelandswoning blijven onveranderd.

2.2.2 Ruimtelijke en functionele structuur

De ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied wijzigt niet ingrijpend. De varkensstallen aan de zuidzijde van het perceel worden gesaneerd. De bebouwing en verharding op de noordelijke helft van het perceel blijft intact. De caravanstalling wordt gebruikt als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf. De oppervlakte van de caravanstalling bedraagt ongeveer 1.170 m2. Op de locatie van varkensstal nummer 1 wordt beoogd een nieuwe werktuigenberging voor groot materiaal voor de akkerbouwtak te realiseren. Voor dit onderdeel is een separate ruimtelijke procedure doorlopen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0006.png"

Afbeelding 2.3: Luchtfoto beoogde situatie met kenmerken bebouwing

2.2.3 Landschappelijke inrichting

Met het saneren van de varkenstallen ontstaat meer openheid en worden de gronden aan de zuidkant van het plangebied heringericht. Er is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, welke als bijlage 1 aan deze motivering is verbonden. Onderstaand is een uitsnede van het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen.

Op de locatie van varkensstal nummer 1 wordt beoogd een nieuwe werktuigenberging voor groot materiaal voor de akkerbouwtak te realiseren. De overige gronden die vrijkomen door de sanering van de varkensstallen worden ingericht als dierenweide (hobbymatig) en kruidenrijk grasland, met onder andere een poel en een vogelbosje. De erfgrenzen worden versterkt door middel van het aanplanten van knotwilgen in meidoornhaag. Aan de westzijde wordt een struweel geplant. Tevens worden er diverse solitaire bomen geplant.

Het plangebied ligt binnen het Nationaal Landschap en de Gelderse Streek IJsselvallei, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. In paragraaf 3.4 wordt gemotiveerd hoe wordt voldaan aan de provinciale instructieregels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0007.png"

Afbeelding 2.4: uitsnede landschappelijke inrichting Broeklanderweg 16 Beemte Broekland

2.2.4 Verkeer en parkeren

Het besluitgebied blijft ontsloten via de Broeklanderweg en de Kluinweg. De zuidelijke bedrijfsmatige ontsluiting komt te vervallen. Hiervoor wordt in de plaats een karrespoor met halfverharding gerealiseerd. De parkeersituatie wijzigt niet.

3 Toetsing aan het beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.

De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:

  • 1. De NOVI heeft de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is en een duurzame energievoorziening kent. Daartoe moeten per direct functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Verder vraagt dit op lange termijn om ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Daarbij zijn aanpassingen aan de energie-infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie nodig;
  • 2. De ambitie voor de lange termijn van de NOVI op het vlak van de 2e prioriteit is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. De uitdaging is om deze lange termijn-ambitie te bereiken, terwijl we op korte termijn proberen de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de economie zoveel als mogelijk te beperken;
  • 3. Voor wat betreft prioriteit 3 zet de NOVI in op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. De woningbouwontwikkeling moet plaatsvinden in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd;
  • 4. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van natuur, landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn neemt de NOVI zich daarom geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied voor, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.

3.1.2 Nationaal Water Programma 2022-2027

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er is ook aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Binnen het waterdomein staat Nederland de komende jaren voor grote uitdagingen en opgaven. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en zorgen voor een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water is het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 ontwikkeld.

Beleids- en beheerdoelen

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:

  • klimaatadaptatie;
  • waterveiligheid;
  • zoetwater en waterverdeling;
  • waterkwaliteit en natuur;
  • scheepvaart, en;
  • de functies van de rijkswateren.

Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende watergebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht in wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.

Wettelijke bijlagen bij het NWP

Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.

Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.

Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.

Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.

3.2 Rijksinstructieregels

3.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Betekenis voor dit plan

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is geen stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing.

3.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang. In hoofdstuk 4 bij deze motivering wordt ook nog ingegaan op de verschillende van toepassing zijnde rijksinstructieregels.

Betekenis voor dit plan

In voorliggende situatie raakt dit omgevingsplan geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels op dit punt is daarom niet vereist.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0008.png"

Afbeelding 3.1: Gelderse omgevingsvisie

Ambitie klimaatadaptie

Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.

Ambitie biodiversiteit

Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.

Woon- en leefklimaat

Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.

Cultuurhistorie

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

Archeologie

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Betekenis voor dit plan

Voorliggend plan voorziet in het beeindigen en wegbestemmen van de exploitatiemogelijkheid en productiecapaciteit van een intensieve veehouderij. Hiermee wordt bijgedragen aan de bescherming van flora en fauna en een gezond en schoon Gelderland.

Met het landschappelijk inrichtingsplan worden de vrijkomende gronden kwalitatief ingevuld, rekening houdend met de kernkwaliteiten van het landschap. Zie hiervoor paragraaf 3.4.

Het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie van de provincie Gelderland.

3.4 Provinciale instructieregels

3.4.1 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. De meest recente versie van de omgevingsverordening is op 3 maart 2025 van kracht gegaan. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe

Het besluitgebied ligt binnen het aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe. De gemeente Apeldoorn is daardoor gebonden aan paragraaf 7.2.7 van de Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat de beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning: windturbine binnen het aandachtsgebied rondom de Veluwe. Het bevoegd gezag neemt bij een aanvraag voor een windturbine binnen het aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe het daarvoor geldende provinciale windbeleid in acht.

Gelderse streek IJsselvallei

Het besluitgebied valt binnen de streek IJsselvallei. De gemeente Apeldoorn is daarom gebonden aan paragraaf 5.3 van de Omgevingsverordening Gelderland. De verordening bevat voorts de regel dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei, bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening wordt gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap.

De begrenzing van de streken is op provinciale schaal bepaald. Daarbij zijn waar mogelijk herkenbare grenzen gehanteerd, zoals de loop van rivieren. Dit betekent dat het in de praktijk kan voorkomen dat een locatie op de grens van twee streken meer kenmerken en kwaliteiten heeft van de streek die naastgelegen is dan die van de streek waar de locatie bij is ingedeeld. In die gevallen moeten de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen die op die locatie het meest van toepassing zijn gehanteerd worden en kunnen bij aantasting van de kernkwaliteiten de bijdragen in de lijn liggen van de daarbij behorende aan de ontwikkeldoelen.

Kernkwaliteiten   Ontwikkeldoelen  
1. De rivier de IJssel, als Rijntak sterk meanderend, met een doorgaand karakter en stromend naar het noorden. Met rijkgeschakeerde open en natuurrijke uiterwaarden (Natura 2000), rivierduinen, richels en geulen, als ecologische verbindingszone tussen Rijn en de Randmeren. Variatie aan dijken met weidse vergezichten. In de uiterwaarden karakteristieke beplantingen: stelsel van hagen, houtsingels en knotwilgen.
Relicten van steenfabricage met oude ovens, hoogwatervrije terreinen, droogvelden, kades en smalspoorrelicten.  
Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening met en dragen zo mogelijk bij aan de kernkwaliteiten van de IJsselvallei. Het doorgaande en landschappelijke en parkachtige karakter van de IJssel behouden en versterken. Zorgvuldige versterking van de IJsseldijken, met respect voor en versterking van de ruimtelijke diversiteit en betekenis van de dijk als scenic route. Behouden en ontwikkelen van cultuurhistorische waarden.  
2. Sterke landschappelijke contrasten daar waar de IJssel het stuwwalmassief van de Veluwe nadert, nabij Hattem in het noorden en langs Arnhem-Dieren in het zuiden. Bijzondere zichtlijnen. Inclusief stedelijke waterfronten van Hanzesteden Doesburg en Zutphen.   Bij ruimtelijke ontwikkelingen de landschappelijke contrasten zichtbaar en beleefbaar houden. De historische stadsgezichten zoveel mogelijk intact laten door geen storende elementen te plaatsen. Blijvende aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling van de stedelijke waterfronten en de relaties met de uiterwaarden.  
3. Rivierenlandschap van uiterwaarden, oeverwallen en lagergelegen broekgebieden gecombineerd met het gradiëntrijk flankenlandschap vanaf de Veluwe aan de westkant. Aan de oostkant is de overgang naar het dekzand-landschap van Achterhoek subtiel.   Zoveel mogelijk de landschappelijke gradiënt respecteren, zichtbaar en beleefbaar maken. Streven naar een duurzame en natuurinclusieve vorm van landbouw. Bij inplaatsing van nieuwe functies het kleinschalig landschap versterken.  
4. In de zuidelijke IJsselvallei afwatering via sprengen en beken direct op de rivier. Kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap met talrijke landgoederen, weide en akkerland.   De regionale waterhuishouding als basis voor ruimtelijke ontwikkeling. Herstel van de loop en vorm van sprengenbeken in hun cultuur-historische betekenis en haar zichtbaarheid vergroten.Kleinschaligheid van landschap behouden en versterken door aanleg van groene landschapselementen, passende grondgebruiksvormen, zorgvuldige inpassing van energietransitie en verbetering van recreatieve toegankelijkheid.  
5. In de noordelijke IJsselvallei afwatering eerst via sprengen en beken, opgevangen via een stelsel van zuid-noord gerichte weteringen.   De regionale waterhuishouding als basis voor ruimtelijke ontwikkeling. Herstel van de loop en vorm van sprengenbeken in hun cultuur-historische betekenis en haar zichtbaarheid vergroten. Geldt ook voor stelsel van weteringen.  
6. In de noordelijke IJsselvallei zijn grote open gebieden met noord-zuid gerichte weteringen en fijnmazige, rechthoekige verkaveling. Contrast met de oeverwal aan de oostzijde en de oplopende Veluwe aan de westzijde.   Zoveel mogelijk de karakteristieke verkaveling respecteren. Behoud van de open weidsheid door terughoudendheid te betrachten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Blijvend benutten voor grondgebonden en duurzame veehouderij en mogelijk voor klimaatadaptatie.  
7. Polder Nijbroek: markante veertiende-eeuwse verkavelings- en slotenpatroon (slagenverkaveling).   Zorgvuldig omgaan met deze historische verkaveling. Het vergroten van de historische afleesbaarheid.  
8. Verstedelijking langs de dorpenweg op de oostflank van de Veluwe en in mindere mate op de oeverwallen.
Dorpen (met dorpsfronten) aan de rivier, sterke relatie tussen dorpen en de IJssel.  
De dorpenweg op de flank van de Veluwe is en blijft de ontwikkelings-as, waarbij de versterking van de kruisende groene ruimten (oost-west) van cruciaal belang is voor de landschapskwaliteit. Het koppelen van recreatieve toegankelijkheid aan deze groene wiggen.  
9. Langs de rand van de Veluwe een fraai kleinschalig mozaïeklandschap: afwisseling van beken, smeltwater-ruggen, oude bouwlanden (essen), weiden, uitlopers van bossen, bosschages, landgoederen, buurtschappen en verspreide bebouwing. Inclusief Apeldoorns Kanaal als structurerend element met cultuurhistorische ensembles van sluizen, bruggen en bebouwing.   Het parkachtig mozaïeklandschap met haar fijnmazige variatie behouden en versterken door alleen passende ontwikkelingen toe te laten en terughoudend te zijn ten aanzien van te grote ingrepen. Verbeteren van de recreatieve toegankelijkheid. Apeldoorns Kanaal als cultuur-historisch lijnelement in het landschap beter bewaren en benutten. De landgoederenstructuur op de zuidoostflank onder de naam Gelders Arcadië meer herkenbaar en beleefbaar maken.  
10. In het midden van de IJsselvallei – het groene hart van de stedendriehoek (Apeldoorn, Zutphen en Deventer (OV) – een parkachtig landschap: afwisseling van landgoederen, waterlopen, recreatiegebieden, natuurterreinen, landbouwgebieden, kleine dorpen en infrastructuur.   Voorkomen dat dit middengebied door mogelijk conflicterende, ruimtelijke ontwikkelingen verrommeld door te sturen op ruimtelijke kwaliteit en in te zetten op aantrekkelijke landschaps-bouw. Zorgvuldige ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit van ontwikkelingen langs Rijksinfrastructuur en opheffen barrièrewerking.  
11. Ecologische waarden met name in de Natura 2000 gebieden. Langs de IJssel Natura 2000 gebied Rijntakken met als bijzondere gebieden Hattemerpoort, Wilpse Klei, Ravenswaarden, Cortenoever en Rivierklimaatpark IJsselpoort. En de Natura 2000 gebieden Veluwe met onder andere het Wisselse Veen, en Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen met de Empese en Tondense heide en de landgoederen zone. Verder komen ecologische waarden voor in het Soerens beekdal en in andere beken, sprengen en andere watergangen, in landgoederen en in weidevogelgebieden.   Intensief inzetten op het verder aanleggen van ecologische verbindingszones (o.a. vanaf de Veluwe naar de Achterhoek) en behoud en ontwikkeling van weidevogelgebieden. Beschermen van Natura 2000 waarden. Waar mogelijk combineren met klimaatadaptie en recreatieve toegankelijkheid.  
12. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren 50 van de 20e eeuw.   De IJssellinie behouden en markante onderdelen herstellen en recreatief toegankelijk maken en mogelijk benutten van de voormalige inundatievelden voor klimaatadaptatie.  
13. Markante IJsselhoeven: beeldbepalende boerderijen in de vallei.   Karakteristieke streekarchitectuur behouden, restaureren en ontwikkelen o.a. door nieuwe functies, passend bij de omgeving.  

Tabel: kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen Gelderse streek IJsselvallei

Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

In de verordening zijn ook regels ten aanzien van glastuinbouwbedrijven opgenomen. Er is opgenomen dat er eenmalig een uitbreiding van een glasopstand tot maximaal vijf hectare kan worden toegelaten bij een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Daarbij dient te worden aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf, verplaatsing naar een glastuinbouwontwikkelingsgebied bedrijfseconomisch niet haalbaar is en deze uitbreiding zich verdraagt met de ter plaatse relevante omgevingskwaliteiten.

Kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied

Het besluitgebied ligt binnen het Kwetsbaar drinkwaterreguleringsgebied van de provincie Gelderland. De gemeente Apeldoorn is daardoor gebonden aan paragraaf 4.3.7 van de Omgevingsverordening Gelderland. In het kwetsbaar drinkwaterreguleringsgebied zijn bepaalde grondwaterbedreigende activiteiten verboden, vergunningsplichtig of meldingsplichtig. Dit is opgenomen in artikel 4.36 tot en met 4.44 van de omgevingsverordening.

Nationaal Landschap

Het plangebied ligt in het Nationaal Landschap van de provincie Gelderland. De gemeente Apeldoorn is daardoor gebonden aan paragraaf 5.3.3 van de Omgevingsverordening Gelderland.

Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de motivering op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat:

  • a. per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en
  • b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd.

De kernkwaliteiten zijn vastgelegd in het document Kernkwaliteiten Gelderse Nationale Landschappen, vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderlandop 9 juli 2024. Het plangebied ligt in nationaal landschap De Veluwe, deelgebied 'Gradiënt Oost-Veluwe'. Dit deelgebied wordt beschreven als een fraaie en beleefbare gradiënt van Veluwe naar IJssel: van besloten boslandschap in het westen via kleinschalig met houtwallen (ten westen van het Apeldoorns kanaal) naar grootschalige openheid in het oosten. Hieraan zijn de volgende kernkwaliteiten toegeschreven:

  • Dorpen op de Veluweflank, op loopafstand (één uur gaans) van elkaar (o.a. Epe, Heerde)
  • Landgoederen langs de westrand, grondgebonden landbouw
  • Sterk microreliëf door oost-west gerichte ruggen
  • Cultuurhistorisch erfgoed zoals de sprengen, watermolens, Apeldoorns kanaal
  • Open essen en broekgebieden

Werkgebied van de faunabeheereenheid Gelderland

Het besluitgebied ligt binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid Gelderland. De gemeente Apeldoornis daarom gebonden aan artikel 2.1 tot en met 2.3 van de omgevingsverordening Gelderland. Het werkgebied van Faunabeheereenheid Gelderland omvat het hele grondgebied van de provincie Gelderland, met uitzondering van Kroondomein Het Loo. De faunabeheereenheid heeft tot taak:

  • a. het coördineren van de uitvoering van het faunabeheerplan; en
  • b. het adviseren van Gedeputeerde Staten over faunabeleid.

Klimaatadaptatie

Tot slot geldt dat in de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken.

Betekenis voor dit plan

Aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in de realisatie van een windturbine.

Gelderse streek IJsselvallei

Het besluitgebied ligt in het buitengebied ten noorden van Apeldoorn. De sanering van agrarische opstallen en landschappelijke herinrichting van het zuidelijk deel van het besluitgebied, volgt de kernkwaliteiten van de Omgevingsverordening Gelderland. Het inrichtingsplan respecteert de landschappelijke gradiënt door de erfgrenzen en watergangen aan te zetten met knotwilgen in meidoornhaag en struweel.

Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

Er is in voorliggend plan geen sprake van glastuinbouw of de uitbreiding ervan. Derhalve hebben deze regels uit de verordening geen gevolgen voor dit plan.

Nationaal Landschap

Het landschappelijk inrichtingsplan volgt de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. De verkaveling van het broekgebied wordt gerespecteerd. Het saneren van de agrarische opstallen leidt tot een verbetering van het open landschap.

Kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in nieuwe activiteiten in strijd met de voorschriften van het kwestbaar drinkwaterreserveringsgebied.

Werkgebied van de faunabeheereenheid Gelderland

Deze regels uit de verordening hebben geen gevolgen voor dit plan.

Klimaatadaptatie

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in het beeindigen en wegbestemmen van de exploitatiemogelijkheid en productiecapaciteit van een intensieve veehouderij. Met het inrichtingsplan wordt o.a. een poel aangelegd, die een bijdrage levert aan klimaatadaptatie.

3.5 Regionaal beleid

3.5.1 Waterschapsbeleid

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:

  • 1. Waardevolle leefomgeving
  • 2. Klimaatverandering
  • 3. Energietransitie
  • 4. Circulaire economie
  • 5. Biodiversiteit

Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën:

  • 1. Watersysteem,
  • 2. Waterveiligheid
  • 3. Wonen en zuiveren

Betekenis voor dit plan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

3.6 Gemeentelijk beleid

3.6.1 Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn

Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.

Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan. De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.

De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:

  • 1. 'Stad maken' (het toevoegen van nieuwe woon- en werkmilieus in en aan de stad);
  • 2. 'Vitale dorpen en buitengebied' (ruimte voor wonen en economische vernieuwing waaronder recreatie, grootschalige energieopwekking en transitie van de landbouw);
  • 3. 'Fysiek fundament uitbouwen' (versterking van landschap en natuurwaarden, het groenblauwe casco en belevingswaarden zoals erfgoed), en;
  • 4. 'Sociaal fundament versterken' (gemengde woongebieden met gedifferentieerde en betaalbare woningbouw, aantrekkelijke buitenruimte en nabijheid van voorzieningen in wijken en dorpen).

Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.

Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied

Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:

Wonen

Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in één grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).

Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).

Omgevingskwaliteit

Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.

Mobiliteit

De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes.

Economie en recreatie

Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies

De agrarische sector staat voor grote opgaves. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.

Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.

Energie en circulariteit

Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.

Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.

Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.

Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament

De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente. Dit is als volgt opgebouwd:

Natuur en landschap

De groene mal/ het groen- blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.

Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.

Klimaatadaptatie

Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.

In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.

Milieu en gezondheid

Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.

Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.

Inclusiviteit

Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).

Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0009.png"

Afbeelding 3.2 Uitsnede Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.

Uitvoering Omgevingsvisie

Gebiedsprofielen

De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.

Afwegingsmatrix

Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.

Onderzoeken

Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.

Betekenis voor dit plan

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in het beeindigen en wegbestemmen van de exploitatiemogelijkheid en productiecapaciteit van een intensieve veehouderij. Dit draagt bij aan de versterking van landschap en natuurwaarden, zoals opgenomen in ambitie 3.

3.6.2 Gebiedsvisie Beemte Broekland 2024

Deze gebiedsvisie verkent de opgaven en kansen in Beemte Broekland en dient als basis voor een uitwerking en een later op te stellen bestemming- of omgevingsplan. In deze gebiedsvisie staat welke keuzes er gemaakt zijn over woningbouw, natuur, landschap en water, recreatie en verkeer, duurzame energieopwekking en landbouw. De gebiedsvisie is geen concrete invulling, stelt geen voorwaarden en is geen afwegingskader, maar geeft kaders voor de invulling op hoofdlijnen. De detailinvulling binnen de kaders wordt gedaan met co-creatie. Zo kan gezamenlijk invulling ontstaan voor nieuwe initiatieven in Beemte Broekland, wordt de gewenste kwaliteit en samenhang geborgd en versnippering voorkomen.

Centraal in de gebiedsvisie staat co-creatie. De gebiedsvisie geeft kaders voor de invulling op hoofdlijnen, maar de detailinvulling binnen de kaders wordt gedaan met co-creatie. Wanneer een initiatief zich aandient, stelt de gemeente een comité op. Dit comité bestaat uit in ieder geval specialisten vanuit overheden, de initiatiefnemer, de omwonenden en de Buurt en Belangenvereniging. Waarbij de gezamenlijke aanbevelingen van het comité leidend zijn. Het doel hiervan is dat de gemeente en het gebied zelf regie houden en meerwaarde kunnen creëren voor het totale gebied. Zo kan gezamenlijk invulling ontstaan voor nieuwe initiatieven in Beemte Broekland, wordt de gewenste kwaliteit en samenhang geborgd en versnippering voorkomen. Over de daadwerkelijke invulling van participatie, lokaal eigendom of tegenprestaties aan het gebied kunnen nader afspraken gemaakt worden. Deze manier van co-creatie is de basis voor het behalen van de doelen van de gebiedsvisie. Door de inspanningsverplichting en het overleg nader af te kaderen, zorgen we ervoor dat landbouwgrond, maar ook bijvoorbeeld natuur, biodiversiteit en duurzaamheid bij nieuwe initiatieven op de agenda staan. Naast co-creatie zijn er een aantal inhoudelijke uitgangspunten die randvoorwaardelijk zijn:

  • Agrarisch karakter
  • Leefbaarheid
  • Kleinschaligheid
  • Functiecombinaties
  • Grens overstijgend

Landbouw

De Apeldoornse agrarische sector is veelzijdig met relatief veel kleine agrarische bedrijven en per gebied verschillen de ligging, het landschap en het type bedrijven. Beemte Broekland is een landelijk, agrarisch gebied en de ontwikkelingen in de landbouw raken de agrarische ondernemers in dit gebied. Zij oriënteren zich op de toekomst van hun bedrijf. Een aantal agrariërs in het gebied heeft zich verbonden aan een ontwikkelaar voor zonnevelden, andere boeren willen graag hun bedrijfsvoering voortzetten en hebben hiervoor gronden nodig. Vanuit de startnotitie “Toekomst van de Apeldoornse veehouderij – op weg naar natuurinclusieve kringlooplandbouw” is het uitgangspunt voor de landbouw dat deze duurzamer moet, voor mens, dier en milieu. Gemeente Apeldoorn wil samen met de boer die transitie inzetten. De boeren die de beweging willen maken naar natuur-inclusieve kringlooplandbouw worden ondersteund, voor de boeren die willen stoppen denkt de gemeente na over toekomstperspectief. Er liggen veel kansen in een gebiedsgerichte aanpak, waarbij de opgaven van de landbouw gekoppeld worden aan die van onder andere natuur, klimaat, economie en wonen. Daarbij probeert de gemeente waardevolle agrarische gronden zoveel mogelijk te ontzien. Gelet op de verwevenheid met Natura 2000 gebieden is er momenteel een grote opgave de belasting op de natuur te verkleinen. De grote aandachtspunten zijn: toekomstperspectief voor de agrarische sector, meer biodiversiteit, minder stikstof- en fijnstofuitstoot, meer kringloopproductie, aandacht voor dierenwelzijn en een goede landschappelijke inpassing. De Kadernota Landbouw geeft kaders mee voor de ontwikkelingen in de landbouw in Apeldoorn.

Landbouw hangt nauw samen met het landschap. De mooie groene omgeving met rust, openheid en ruim uitzicht dat veelvuldig gewaardeerd wordt, komt voort uit het agrarische karakter van het landschap. Het gebied is van oorsprong agrarisch met koeien in de wei. Bewoners willen dit graag zo houden en zijn zuinig op hun leefomgeving. De agrariërs in het gebied hebben voornamelijk behoefte aan duidelijkheid over de toekomst van de landbouw. Helaas valt dit buiten de invloedssfeer van de gebiedsvisie. Veel regelgeving wordt buiten de gemeente gemaakt. De visie kan wel een aantal uitgangspunten vastleggen voor landbouw. Zoals dat landbouwgrond primair bedoeld is voor landbouw en dat bestaande agrarische bedrijven ruimte moeten krijgen om zich te ontwikkelen richting toekomstbestendige bedrijfsvoering. Daarnaast wordt er een nadrukkelijke rol gezien voor agrariërs bij natuurbeheer, landschapsherstel en het bevorderen van de biodiversiteit.

Natuur en Landschap

Met de realisatie van de omgevingsvisie bouwt Apeldoorn aan een natuurinclusieve en klimaatneutrale gemeente. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat ze bijdragen aan meer biodiversiteit. In de omgevingsvisie is Beemte Broekland zowel aangewezen als gebied voor versterking van de ecologische structuur en biodiversiteit, als ook als waterretentiegebied. Om dat voor elkaar te krijgen, kan men denken aan meer ruimte voor beken, beekdalen en weteringen, inclusief natuurontwikkeling en een aantrekkelijker (recreatief) landschap. Om verdroging tegen te gaan wil de gemeente een bufferzone / waterreservoir ten oosten van de A50 realiseren. Binnen dit proces liggen er kansen voor een combinatie met het programma Veluwe.et landschap van Beemte Broekland wordt gewaardeerd vanwege de rust, openheid met ruim uitzicht, de mooie groene omgeving en variatie in het landschap. Het is daarom belangrijk dat de variatie in het landschap, de rust en de ruimte behouden worden, en dat er ingezet wordt op herstel van het landschap. Dit versterken en herstel kan plaatsvinden langs de groenblauwe lijnen in het gebied, zoals watergangen en bomenrijen (de groenblauwe dooradering). Daarbij is het belangrijk om de huidige groenstructuren te behouden en aansluiting te zoeken bij de historische kenmerken van het gebied. Daarnaast is het van belang om aan te geven dat de drinkwatervoorziening onder andere door bevolkingsgroei en klimaatverandering onder druk staat. Een extra drinkwatervoorziening is nodig om de groei van de drinkwatervraag rond Apeldoorn op te vangen. Een groot gedeelte van Beemte Broekland valt binnen een drinkwaterreserveringsgebied, dat is vastgelegd in januari 2023 in de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0010.png"

Afbeelding 3.3: uitsnede indicatieve kaart gebiedsvisie Beemte Broekland

Betekenis voor dit plan

Met het beeindigen van de veehouderijtak en het doorzetten van de akkerbouw en caravanstalling, blijft het agrarisch bedrijf met nevenfunctie intact. Hiermee kan het agrarische bedrijf toekomstigbestendig wordt voortgezet. De landbouwgrond blijft primair bestemd voor agrarische doeleinden, maar wordt in het zuidelijk deel van het plangebied mede ingezet voor landschapsherstel en een verbetering van de biodiversiteit, zoals toegelicht in paragraaf 2.2.3. Het plangebied ligt binnen het drinkwaterreserveringsgebied. In paragraaf 3.4.1 is gemotiveerd dat het voorliggende wijziging van het omgevingsplan niet voorziet in nieuwe activiteiten in strijd met de voorschriften van het kwestbaar drinkwaterreserveringsgebied. Het aspect co-creatie geldt voor grote gebiedsontwikkelingen, bijvoorbeeld zonneparken of nieuwe woongebieden. Voorliggende wijziging is een kleinschalig initiatief. Het initiatief is vormgegeven in afstemming tussen de initiatiefnemer, de specialisten van de gemeente Apeldoorn, provincie Gelderland en het Waterschap Vallei en Veluwe en, middels participatie, de omwonenden. Daarmee wordt de geest en de uitgangspunten van de gebiedsvisie gevolgd.

3.6.3 Groenbeleid

Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.

3.6.3.1 De Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0011.png"

Afbeelding 3.4 Kaart Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

Betekenis voor dit plan

Het besluitgebied valt binnen de aangewezen gronden 'landschappelijk groen buiten de hoofdstructuur'. Middels het landschappelijk inrichtingsplan wordt bijgedragen aan de kwaliteit van het landschap. Dit is gemoviteerd in paragraaf 2.2.3.

3.6.3.2 Groenstructuurkaart

In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.

De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:

  • Groenstructuur: Groene Mal;
  • Groenstructuur: Beken & sprengen, weteringen en kanaal;
  • Groenstructuur: doorgaande wegen buitengebied;
  • Groenstructuur: snelwegcorridors en spoorwegen;
  • Wijkgroenstructuur;
  • Boomrijke gebieden.

Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.

3.6.3.3 Groenplan

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.

Betekenis voor dit plan

Per saldo wordt door herontwikkeling van het besluitgebied het aandeel groen en water binnen het besluitgebied uitbreid en wordt de kwaliteit van het landschap verhoogd.

3.6.4 Verkeer en parkeren
3.6.4.1 Verkeersvisie 2016-2030

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.

Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.

Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.

Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.

Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.

De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:

  • 1. Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.
  • 2. Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.
  • 3. Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.

In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.

3.6.4.2 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren 2024 (vastgesteld op 13 juni 2024). Met dit beleid wordt beoogt te sturen op leefbaarheid en bereikbaarheid. Het beleid is een sturingselement bij de ontwikkelingen die Apeldoorn de komende jaren te wachten staat. De insteek bij het parkeren is dat parkeeroverlast - zo veel mogelijk - te voorkomen. Uitgangspunt is dat de parkeervraag bij ontwikkelingen niet mag worden afgewenteld naar de openbare weg. Het onderwerp parkeren wordt daarnaast benut in de strategie om Apeldoorn duurzaam en autoluw te ontwikkelen.

De nieuw vastgestelde beleidsregels voor parkeren richten zich enerzijds op het geven van een uitleg over hoe de parkeerregeling in het omgevingsplan zal worden toegepast. In de parkeerregeling die is opgenomen in het omgevingsplan (van rechtswege) wordt naar de ‘Beleidsregel Parkeren’ verwezen. Anderzijds dient deze beleidsregel als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld.

De parkeernormen voor zowel fietsen als auto's zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren 2024. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. Daarnaast wordt in de beleidsregel ingegaan op deelmobiliteit en hoe deelmobiliteit een rol kan spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.

Betekenis voor dit plan

Het besluitgebied blijft ontsloten via de Broeklanderweg en de Kluinweg. De zuidelijke bedrijfsmatige ontsluiting komt te vervallen. Hiervoor wordt in de plaats een karrespoor met halfverharding gerealiseerd. De parkeersituatie wijzigt niet.

3.6.5 Water

Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en plannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Betekenis voor dit plan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

3.6.6 Archeologie

Het gemeentelijke archeologisch beleid is vervat in de Archeologische Beleidskaart 2023 Het beleid kent 7 categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. Daarbij gaat het om:

Categorie 0: Maatwerk

Dit is een nieuwe categorie op de Archeologische Beleidskaart. Het omvat alle gebieden binnen de gemeente waar archeologisch (voor-)onderzoek is uitgevoerd en officieel gemeld in het landelijke ARCHIS 3-systeem. Degenen die het onderzoek uitvoeren, tekenen deze gebieden digitaal in ARCHIS als onderdeel van hun melding voordat ze met het onderzoek beginnen. Deze onderzoeksgebieden, zoals ze op 30 november 2020 zijn vastgesteld, zijn op de beleidskaart opgenomen als zones met beleidscategorie 0.

Binnen deze gebieden is al archeologisch onderzoek uitgevoerd, en de gemeente beschikt over actuele archeologische en bodemkundige informatie die inzicht geeft in de archeologische (verwachtings-)waarden. Deze informatie is doorgaans relevanter dan de gegevens die de basis vormen voor andere beleidscategorieën, omdat er recentere en specifiekere gegevens beschikbaar zijn. Bij ontwikkelingen in gebieden met beleidscategorie 0 moet naast het selectiebesluit (zie kenniskaart) raadplegen altijd contact worden opgenomen met de Sectie Archeologie van de Gemeente Apeldoorn.

Categorie 1: In principe geen bodemingrepen mogelijk

Categorie 1 omvat de archeologische monumenten. Op het moment dat deze beleidskaart werd opgesteld, verwijst dit naar de beschermde archeologische Rijksmonumenten die zijn opgenomen in het landelijke monumentenregister, beheerd door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). De begrenzingen van deze gebieden zijn vastgesteld door de RCE. Gemeente Apeldoorn heeft geen gemeentelijke archeologische monumenten. Voor deze terreinen is het bijna zeker dat er schade aan archeologische vindplaatsen zal optreden bij grondwerkzaamheden. Daarom is hier geen vrijstelling van toepassing. Voor grondwerkzaamheden op deze terreinen is een monumentenvergunning vereist.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 50 m2.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 100 m2.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

Archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 500 m2.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

Vrijgeven onder voorwaarden bij bodemingrepen dieper dan 35 cm - mv over een oppervlakte groter dan 2500 m2.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

Geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de omvang van de bodemingreep.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën wanneer de totale oppervlakte aan geplande bodemingrepen de betreffende oppervlaktemaat overschrijdt en bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld.

Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m² altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

Betekenis voor dit plan

De archeologische verwachtingswaarde voor het besluitgebied is opgenomen in onderstaande uitsnede van de Archeologische Beleidskaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0012.png"

Afbeelding 3.5: uitsnede archeologische beleidskaart 2023

Het besluitgebied valt deels onder categorie 0, deels onder categorie 4, deels onder categorie 5. Indien bodemingrepen dieper dan 35cm meer dan 500/2500m2 bedragen in resp. oranje/groen gekleurd gebied op de beleidskaart, dienen deze vooraf te worden gegaan door een archeologisch onderzoek. Bij bodemingrepen die in meerdere kleurgebieden (categorieën) liggen, geldt de laagste grenswaarde. In dit gevalg geldt daarvoor categorie 0, waarvoor in overleg met de sectie Archeologie van de gemeente Apeldoorn maatwerk wordt toegepast.

In het kader van de ontwikkeling en eerder onderzoek is de archeologische verwachtingswaarde op onderdelen aangepast. Dit is nader gemotiveerd in paragraaf 4.4.

3.6.7 Cultuurhistorie

De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

Bij de hierboven genoemde nota hoort een cultuurhistorische beleidskaart (vastgesteld door de gemeenteraad op 16 februari 2006). Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;

Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Afhankelijk van de resultaten kan volledig onderzoek worden verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;

Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het plan een beschermende regeling krijgen.

Implementatienotitie modernisering monumentenzorg

In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het plan beschermd.

Betekenis voor dit plan

Het besluitgebied ligt een gemiddelde attentiewaarde. De wijziging van het omgevingsplan leidt tot een reductie van het bebouwd oppervlak en een versterking van het landschap. Er worden geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt. Er zijn geen cultuurhistorische bezwaren, derhalve is geen onderzoek uitgevoerd.

4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat een omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd.

4.1.2 Bodem

Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in een nieuwe functie; het agrarische bedrijf wordt in aanpaste vorm doorgezet onder de bestaande agrarische functie. Een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.1.3 Milieuzonering

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG.

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.

Er worden geen nieuwe gevoelige activiteiten mogelijk gemaakt. Het aspect milieuzonering vormt derhalve geen belemmering.

4.1.4 Lichthinder

De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) heeft in 2021 de geactualiseerde richtlijn Lichthinder uitgegeven. In deze richtlijn zijn grenswaarden opgenomen. De grenswaarden voor de verschillende parameters zijn afhankelijk van de soort verlichting. Grenswaarden zijn opgenomen voor de verticale verlichtingssterkte (Ev lux) en de richtingsafhankelijke lichtsterkte per armatuur (cd). Tevens wordt er een onderscheid gemaakt in de dag- (07.00 tot 19.00 uur), avond- (19.00 tot 23.00 uur) en nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur). De grenswaarden zijn afhankelijk van het omgevingstype. Op basis van de richtlijn kan de omgeving worden getypeerd als stedelijk gebied (E3).

Het aspect lichthinder is in voorliggende situatie niet aan de orde. Activiteiten die dergelijke effecten teweeg kunnen brengen zijn immers niet in of in de omgeving van het besluitgebied terug te vinden. Lichthinder vormt geen belemmering voor het plan.

4.1.5 Geluid

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.

De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.

Deze ontwikkeling maakt geen nieuwe geluidsgevoelige functies (in de zone van een weg) mogelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit plan.

4.1.6 Trilling

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels vooropstellen.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de beleidsregel 'Trillingshinder Spoor' en de handreiking 'Nieuwbouw en Spoortrillingen'. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

Het besluitgebied ligt op niet binnen de zone van een spoortraject. Er zijn geen klachten ten aanzien van trillingen bekend. Trilling vormt geen belemmering voor het plan.

4.1.7 Luchtkwaliteit

De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen.

Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende omgevingswaarden het meest relevant:

  • PM10 (fijnstof);
      • a. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg PM10/m³ mag niet worden overschreden;
      • b. de 24 uursgemiddelde concentratie van 50 µg PM10/m³ mag niet vaker dan 35 keer per jaar worden overschreden;
  • NO2 (stikstofdioxide);
      • a. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg NO2/m³ mag niet worden overschreden;
      • b. de uurgemiddelde concentratie van 200 µg NO2/m³ mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden.

Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.

In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk. Het betreffende plan valt onder de situaties die zijn vastgelegd in de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate bijdragen”.

De ontwikkeling valt onder de situatie die zijn vastgelegd in de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate bijdragen”. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering.

4.1.8 Gezondheid

De Omgevingswet zet in op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Daarmee heeft het thema gezondheid een centrale rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezondheid is een breed thema waarbij gedacht kan worden aan diverse thema's en aspecten die zich richten op de bescherming van de gezondheid van inwoners. Te denken valt aan aspecten als geluid, geur en luchtkwaliteit.

Voorliggende ontwikkeling leidt niet tot het toevoegen van gevoelige functies. Middels de wijziging van het omgevingsplan wordt een intensieve veehouderij wegbestemd. Er zijn geen negatieve gevolgen voor het thema gezondheid te verwachten.

4.1.9 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines. In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 t/m 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Overige bepalingen

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: paragraaf 5.1.2.5 Bkl;
  • Veiligheid rond luchthavens: paragraaf 5.1.2.6 Bkl.

Betekenis voor dit plan

Met de wijziging van het omgevingsplan worden geen nieuwe gevoelige functies gerealiseerd. Het aspect omgevingsveiligheid hoeft niet te worden onderzocht.

4.1.10 Elektromagnetische velden

In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen omtrent milieubelastende activiteiten. Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie bij een groter elektrisch vermogen dan 4kW is een dergelijke milieubelastende activiteit.

Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Mensen mogen niet worden blootgesteld aan elektromagnetische straling boven de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP).

De toelatingsregels van het omgevingsplan borgen dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Meestal blijkt uit de aanvraag voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden.

Onderzoeksresultaten

In en direct nabij het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen en/of zendmasten. Dit betekent dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot dit aspect.  

4.1.11 Milieueffectrapportage

De wet- en regelgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.

Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.

De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

Op basis van toetsing van de activiteiten is geen aanleiding te veronderstellen dat een MER, vormvrije mer of mer-beoordeling nodig is. Overigens is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, als bedoeld in het Omgevingsbesluit.

4.2 Waterhuishouding

Het besluitgebied ligt in bestaand stedelijk gebied. Het besluitgebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en ligt niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven. Onderstaand wordt kort ingegaan op de wateraspecten.

4.2.1 Afvoer van regenwater

Het afstromende hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering en vastgehouden in het plangebied en zoveel als mogelijk geïnfiltreerd naar de bodem waar het ten goede komt aan de grondwatervoorraad. De waterbergende voorzieningen moeten door de betreffende perceeleigenaren worden onderhouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0013.png"

Afbeelding 4.4: Beslisboom voor regenwater, gemeente Apeldoorn

Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0014.png"

Afbeelding 4.5: Waterladder gemeente Apeldoorn

4.2.2 Afvoer van vuilwater

Nieuwe bebouwing dient te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Besluit Bouwwerken en Leefomgeving verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke vuilwaterstelsel (drukriool).

4.2.3 Weging van het waterbelang

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

De watertoets is het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets.

De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van (een wijziging van) het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten.

4.3 Flora en Fauna

Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • er soorten aanwezig zijn;
  • welke soorten dat zijn.

Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.

Houtopstanden

Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels heeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Er kan ook een meldingsplicht gelden. In paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is beschreven in welke gevallen een meldplicht geldt voor het vellen van een houtopstand en of er een herplantplicht van toepassing is.

Gemeenten dienen op grond van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving een bebouwingscontour houtkap op te nemen in het omgevingsplan. De algemene regels over het vellen van houtopstanden uit het Bal zijn alleen van toepassing buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’, zoals die is opgenomen in het omgevingsplan. Binnen de bebouwingscontour houtkap gelden uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen. Gemeenten bepalen zelf of zij binnen de bebouwingscontour houtkap regels stellen ten aanzien van houtkap.

Gebiedsbescherming

De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.

Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.

Onderzoeksresultaten

De onderzoeksresultaten betreffende Flora en Fauna zijn als bijlage 2 aan dit TAM-omgevingsplan verbonden. Tevens is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd in het kader van gebiedsbescherming. Dit onderzoek is als bijlage 3 aan het TAM-omgevingsplan verbonden. Onderstaand worden kort de conclusies weergegeven.

Soortenbescherming

Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het GNN (geen externe werking).

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een rust- en/of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied.

Door het rooien van bomen tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- envoortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de amfibieën op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Gebiedsbescherming

Uit de berekening van de realisatiefase volgt dat in die fase geen significante depositie-effecten en daarmee geen significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Het aspect Natura 2000 vormt daarmee geen belemmering om de stallen te slopen en de nieuwe werktuigenberging te realiseren.

In de beoogde situatie blijft sprake van significante depositie-effecten (> 0,00 mol/ha/jaar) op Natura 2000-gebieden. Een nieuwe natuurtoestemming voor het bedrijf is daarom benodigd, gelet op de Rendac-uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923). Intern salderen mag worden ingezet als mitigerende maatregel.

Uit bijgevoegde AERIUS verschilberekeningen blijkt dat er in de beoogde situatie geen toename van depositie is ten opzichte van de referentiesituatie. Er is geen sprake van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. De vergunningaanvraag voldoet aan het gestelde in de Omgevingswet, ten aanzien van de Natura 2000-activiteit.

De resterende stikstofemissie in de beoogde situatie betreft minder dan 15% van de vigerende vergunde stikstofemissie, waardoor ten aanzien van dit aspect voldaan wordt aan het gestelde in artikel 5, eerste lid, sub f., van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting. Overigens is die voorwaarde enkel in de Lbv-regeling vastgelegd en betreft dit geen voorwaarde vanuit bijvoorbeeld een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (EFTAL).

4.4 Archeologie

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het besluitgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Onderzoeksresultaten

Het betreft een omgevingsplan dat niet voorziet in nieuwbouw en ook geen nieuwe/extra bodemingrepen mogelijk maakt. Bij consoliderende omgevingsplanwijzigingen kan doorgaans gebruik gemaakt worden van het vigerende archeologie beleid (2024). Conform dit uitgangspunt zijn de zones met beleidscategorieën 4 en 5 van de archeologische beleidskaart (2024), met bijhorende regels, overgenomen in het omgevingsplan.

Binnen het plangebied is ook sprake van twee zones met categorie 0. De zone met categorie 0 in het noordwesten van het gebied is gebaseerd op een archeologisch onderzoek dat in werkelijkheid niet op die plek heeft plaatsgevonden, maar buiten het plangebied. Omdat er geen sprake is van een onderzoek in dit gebied, kan uitgegaan worden van de archeologische beleidscategorie die zou gelden zonder onderzoek: categorie 5. In de zone met categorie 0 in het zuidoosten is op basis van archeologisch onderzoek vastgesteld dat sprake is van grootschalige verstoring. Middels een selectiebesluit is reeds vastgesteld dat de archeologische verwachting, na de bouw van de vleeskalverenstal ter plaatse, bijgesteld kon worden naar ‘geen’. Dit komt overeen met categorie 6 van de archeologische beleidskaart van 2024. Hiervoor hoeven geen regels opgenomen te worden in het omgevingsplan. In onderstaande figuur is opgenomen welke terreindelen beleidscategorieën 4, 5 in het omgevingsplan alsook waar de zone met categorie 6 ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0038-vas1_0015.png"

Afbeelding 4.6: bijgestelde archeologische verwachtingswaarden

Indien in de toekomst bodemingrepen worden uitgevoerd kan getoetst worden aan de regels uit het omgevingsplan, gebaseerd op de beleidskaart 2024 en de conclusie uit dit adviesdocument. Bij bodemingrepen in de zone met categorie 4 is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de bodemingrepen dieper reiken dan 35 cm -mv., over een oppervlak van 500 m2. Bij bodemingrepen in de zone met categorie 5 is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de bodemingrepen dieper reiken dan 35 cm -mv., over een oppervlak van 2500 m2. Indien bodemingrepen in twee of meerdere beleidscategorieën plaatsvinden, wordt -cf. het archeologiebeleid- aan de laagste ofwel strengste beleidscategorie getoetst.

4.5 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het besluitgebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Monumenten

Monumenten zijn elementen met een hoge cultuurhistorische waarde die op grond van de Omgevingswet, of gedurende de overgangsfase (tot 2031) door gemeenten op basis van de erfgoedverordening, als monument zijn aangewezen. In het besluitgebied bevinden zich geen monumenten en kandidaat-monumenten.

Karakteristieke panden

Karakteristieke panden hebben geen monumentenstatus maar zijn door hun cultuurhistorische en ruimtelijke waarde van groot belang voor het karakteristieke beeld van hun omgeving. Die waarden komen onder andere tot uitdrukking in de gebiedseigen typologie, markante ligging, bijdrage aan het typische beeld en/of de bijzondere vorm en functie. In het besluitgebied bevinden zich geen karakterstieke panden.

Conclusie

Het besluitgebied ligt een gemiddelde attentiewaarde. De wijziging van het omgevingsplan leidt tot een reductie van het bebouwd oppervlak en een versterking van het landschap. Er worden geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt. Er zijn geen cultuurhistorische bezwaren, derhalve is geen onderzoek uitgevoerd.

4.6 Duurzaamheid

4.6.1 Programma Energietransitie 2023-2030

In het Klimaatakkoord (2019) staat hoe Nederland deze overstap wil maken. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 ‘energieneutraal’ is. Dat betekent: dat we net zoveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. We werken daar op allerlei manieren aan. Als land, maar ook als provincie, regio en gemeente. We proberen alle plannen op elkaar te laten aansluiten. Want samen gaat het sneller. Net als heel Nederland wil Apeldoorn in 2050 evenveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. Om daar te komen, maken we eerst plannen tot 2030. Dit zijn de hoofdlijnen:

  • 1. Besparen, besparen, besparen; hoe minder energie je hoeft op te wekken, hoe beter.
  • 2. Zonnepanelen op gebouwen; we kunnen nog veel elektriciteit opwekken met zonnepanelen. Het liefst in de gebouwde omgeving.
  • 3. Opwekken op allerlei plekken; we proberen elke geschikte plek te gebruiken voor het opwekken van energie. Niet alleen daken, maar ook gevels, carports en geluidsschermen.
  • 4. Duurzame stroom dicht bij huis; het is handig om elektriciteit zo dicht mogelijk bij de gebruiker op te wekken, dan kunnen we vraag en aanbod makkelijk aan elkaar koppelen.
  • 5. Duurzame warmte uit de buurt; op plekken waar warmte wordt gevraagd winnen we deze ook zoveel mogelijk. Dat betekent liever geen omweg via elektriciteit of gas gebruiken om warmte mee te maken.
  • 6. Eén energiesysteem; we werken toe naar een energiesysteem waar vraag en aanbod bijeen worden gebracht en elketriciteit ook kan worden opgeslagen.

De Omgevingswet geeft ons de mogelijkheid om onze duurzaamheidswensen en -doelen goede juridische grond te geven. Dit geldt ook voor het onderwerp energie. De Omgevingswet geeft duidelijke richtlijnen en regels mee aan burgers en bedrijven, zodat zij goed weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast geeft de Omgevingswet ons de kans om de regels beter te handhaven. Dit helpt om onze doelen te behalen. De Omgevingswet gaat ons op de volgende manier helpenop het gebied van energie:

Voor nieuwbouw

  • In het omgevingsplan nemen we op dat gebouwen met een industriefunctie verplicht zijn hun dak te benutten voor het opwekken van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
  • In het omgevingsplan leggen we de nul-op-de-meter-eis vast voor nieuwbouw.
  • In het omgevingsplan sturen we op besparing of opwek van energie via de bebouwingsregels en de positionering van het bouwvlak.

Voor bestaande bouw

  • In omgevingsvergunningen nemen we maatwerkvoorschriften op waarbij we eisen dat gebouwen hun daken moeten gebruiken voor de opwek van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
  • De hybride warmtepomp is vanaf 2026 standaard voor het verwarmen van woningen. Huiseigenaren zijn verplicht om vanaf 2026 bij vervanging van de cv-ketel over te stappen op een hybride warmtepomp. Of op een ander duurzaam alternatief, zoals aansluiting op het warmtenet.

4.7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.

In hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de planlocatie. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven.

Beleid

Voorliggend plan voorziet in het beeindigen en wegbestemmen van de exploitatiemogelijkheid en productiecapaciteit van een intensieve veehouderij.

Omgevingskwaliteit

Het plan wordt aan de hand van het landschappelijk inrichtingsplan goed ingepast in de omgeving. Het saneren van de agrarische bebouwing draagt bij aan de openheid van het landschap.

Omgevingsaspecten

De effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving is positief en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.

5 Juridisch kader TAM-omgevingsplan

Een TAM-omgevingsplan biedt een alternatieve mogelijkheid om via de IMRO2012-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen, wanneer gemeenten het omgevingsplan nog niet via de nieuwe standaarden kunnen bekendmaken en beschikbaar stellen. Dit moet voorkomen dat planvorming (en in het bijzonder gebiedsontwikkeling) onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

Onderhavig TAM-omgevingsplan, Hoofdstuk 22ak Broeklanderweg 16 Beemte Broekland, vormt een wijziging van het omgevingsplan Apeldoorn. Het bestemmingsplan 'Buitengebied Noord-Oost', onderdeel uitmakende van het omgevingsplan van rechtswege, maakt de exploitatie van een intensieve veehouderij mogelijk. Om deelt te nemen aan de LBV regeling moet deze mogelijkheid worden wegbestemd. Daarom moet het omgevingsplan gewijzigd worden.

Het TAM-omgevingsplan is juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de al geldende regels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan, de zogenaamde bruidsschat. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22ak van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt als hoofdstuk 22ak onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat in principe alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het besluitgebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). In artikel 3 (toepassingsbereik) wordt dit toegelicht. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor het besluitgebied van. Zo is er voor dit plan gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan niet wordt afgeweken van de bruidsschat.

Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten

Conform de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven binnen het besluitgebied. Beoogd is zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is. Hieronder is - indien noodzakelijk - een aanvullende toelichting per functie opgenomen.

Agrarisch

Het agrarische bedrijf en de daarbij behorende agrarische gronden hebben de bestemming 'Agrarisch'. Binnen de agrarische bestemming is de uitoefening van het agrarisch bedrijf toegestaan, met uitzondering van een "grondgebonden veehouderij": een agrarisch bedrijf dat overwegend gericht is op het houden van dieren en voor de bedrijfsvoering afhankelijk van het producerend vermogen van de grond welk tot dat bedrijf behoort'. Voor de bedrijfsbebouwing van het agrarisch bedrijf is een bouwvlak opgenomen.

Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis

Bij recht is het gebruik van een deel van de gebouwen binnen de functies Wonen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld, waaronder aan de daarvoor te gebruiken oppervlakte, om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (uit 2009) als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.

Nevenactiviteiten

Met een niet-agrarische nevenactiviteit bij agrarische bedrijf, kan dat bedrijf een aanvullende inkomstenbron aanboren en zo zijn levensvatbaarheid vergroten. De landbouw kan zich zo verbreden. Levensvatbare bedrijven zijn van groot belang voor het beheer van het plangebied en dragen ook wezenlijk bij aan de leefbaarheid en het karakter van het gebied. In het bestemmingsplan zal dan ook ruimte worden geboden aan nevenactiviteiten bij de agrarische bedrijven.

Voor de mogelijke nevenactiviteiten zal het met name gaan om kleinschalige, recreatieve functies, zoals een Bed&Breakfast. Daarnaast is ook, andere niet-agrarische bedrijvigheid als nevenactiviteit mogelijk, bijvoorbeeld een hoveniersbedrijf, daghoreca, een klein lasbedrijf, een minicamping of enkele recreatieverblijven. Detailhandel dient beperkt te blijven tot detailhandel van ter plaatse of in de omgeving geproduceerde producten (streekproducten). Tenzij de impact van nevenactiviteiten zo beperkt is dat bij voorbaat duidelijk is dat die de omgevingskwaliteit niet zullen schaden, is een goede, landschappelijke inpassing een voorwaarde voor nieuwe nevenactiviteiten.

Voor nevenactiviteiten mag 25% van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen (binnen een agrarisch bouwperceel) worden gebruikt, met een absoluut maximum van 500 m². Daarnaast kunnen ook op onbebouwde gronden nevenactiviteiten mogelijk worden gemaakt, al dan niet in combinatie met het gebruik van bebouwde grond. Het ruimtebeslag zal in het geval van onbebouwde grond per geval afgewogen moeten worden. Voor niet-recreatieve nevenfuncties geldt daarvoor het uitgangspunt dat het binnen het agrarische bouwperceel een plek dient te krijgen, tenzij daar de mogelijkheden ontoereikend zijn en buitenopslag dient tot een minimum beperkt te blijven. Onbebouwde, recreatieve nevenfuncties kunnen ook een plek krijgen buiten het bouwvlak als het om recreatief medegebruik gaat, eventueel gecombineerd met specifieke voorzieningen.

Beoordelingsregels bouwen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken zijn in artikel 4 beoordelingsregels opgenomen. Uitgangspunt is dat een hoofdgebouw uitsluitend is toegestaan binnen een bouwvlak, zoals aangegeven op de plankaart. Dit geldt niet voor de specifieke regelingen die zijn opgenomen voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerk, geen gebouw zijnde. Bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn buiten het bouwvlak, respectievelijk een aanduiding toegestaan. Verder zijn er maatvoeringen opgenomen in de bouwvlakken, indien noodzakelijk. Het gaat dan bijvoorbeeld om de goot- en bouwhoogten en de maximaal te bebouwen oppervlakten met hoofdgebouwen. Ten aanzien van de bijbehorende bouwwerken zijn de toegestane goot- en bouwhoogte in de regels opgenomen, alsmede de maximale oppervlakte, daar waar nodig.

Bevoegd gezag

Waar in de regels van dit hoofdstuk 22ak de bevoegdheid in het leven is geroepen om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op dit TAM-omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.


Hoofdstuk 4: Algemene procedureregeling

In TAM-omgevingsplannen kan overgangsrecht worden opgenomen. In onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ak Broeklanderweg 16 Beemte Broekland wordt een bestaande functie wegbestemd, waarvoor een andere functie in de plaats komt. Daarom is overgangsrecht opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.


Bijlagen bij de regels

Bij dit hoofdstuk zijn in totaal 8 bijlagen opgenomen.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ak Broeklanderweg 16 Beemte Broekland is opgesteld conform de technische eisen voor bekendmaken en beschikbaar stellen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het besluitgebied op de verbeelding als 'enkelbestemming', dan wel 'dubbelbestemming', zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn ook als zodanig op de verbeelding opgenomen.

6 Haalbaarheid

6.1 Financiele haalbaarheid

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.

Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten op 18 december 2024 waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het kostenverhaal voor dit plan verzekerd.

6.2 Maatschappelijke haalbaarheid

Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.

  • De initiatiefnemer heeft, in overleg met de gemeente, zelf participatie georganiseerd. Vanwege de beperkte invloed van de ontwikkeling is hiervoor maatwerk gehanteerd en zijn de directe omwonenden, in totaal 15 adressen, gehoord/geinformeerd over de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. Het participatieverslag is als bijlage 4 verbonden aan deze motivering.

Hiermee heeft de initiatiefnemer relevante burgers betrokken bij haar voornemen tot het wijziging van het omgevingsplan aan de Broeklanderweg 16 te Beemte Broekland.