| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Kanaalstraat Noord |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0200.tam0015-vas1 |
behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Kanaalstraat Noord
Het gemeentebestuur van Apeldoorn is verzocht om medewerking te verlenen aan de wijziging van het omgevingsplan ter plaatse van een braakliggend terrein aan het noordelijk deel van de Kanaalstraat in Apeldoorn. De voormalige bebouwing is enkele jaren geleden reeds gesloopt en het perceel is daarmee al enige tijd in onbruik. De locatie maakt onderdeel uit van het centrumgebied van Apeldoorn en bevindt zich in het overgangsgebied tussen de binnenstad en de omliggende woongebieden. In lijn met de kenmerken van de omgeving is een nieuwe toekomstbestendige invulling gevonden van een woningbouwontwikkeling in de vorm van een appartementengebouw met (half)verdiepte parkeervoorziening direct aan de Kanaalstraat. In totaal wordt ruimte geboden voor maximaal 162 woningen. Het achterliggende gebied wordt groen ingericht en zal dienst doen als een openbaar park. Tevens wordt de bestaande parkeervoorziening heringericht.
In deze wijziging van het omgevingsplan wordt het plan nader toegelicht en ruimtelijk verantwoord vanuit een evenwichtige toedeling van functies.
Aan het begin van de negentiende eeuw was Apeldoorn het grootste en tevens meest geïsoleerde dorp van de oostelijke Veluwe. Geomorfologisch lag het dorp op de overgang van het Veluwemassief en het stroomgebied van de IJssel. De dorpsbebouwing concentreerde zich bij de kruising van de Deventerstraat en de Dorpsstraat, de tegenwoordige Hoofdstraat. Aan de dorpsrand lagen landgoederen zoals de Pasch, de Vlijt en de Marialust in het noorden en landgoed Welgelegen in het zuiden. Het gebied buiten het dorp kenmerkte zich door verspreide boerderijen en onverharde wegen te midden van heidegronden en broeklanden. Van het Veluwemassief naar de IJssel stroomden natuurlijke beken. Vanaf de zestiende eeuw werden sprengenkoppen uitgegraven die een stelsel van gekanaliseerde beken en sprengen voedden. Het water van deze beken en sprengen werd gebruikt voor de drinkwatervoorziening en voor de langs het water gevestigde watermolens. Deze molens gebruikten het stromende water als krachtbron voor de papierindustrie en later de wasserijen. De Kaysersbeek en de Grift zijn hiervan voorbeelden.
Het gebied Kanaaloevers Haven, waar voorliggend besluitgebied onderdeel van uitmaakt, was hoofdzakelijk in gebruik als landbouwgrond. In 1858 werd begonnen met het graven van het zuidelijk deel van het Apeldoorns Kanaal, van de Deventerbrug tot aan Dieren. Aan het eind van de negentiende eeuw werd de Stationsstraat aangelegd. Deze straat vormde de verbinding tussen het nieuwe station van Apeldoorn en de villawijk De Parken. Hiermee werd het gebied Kanaaloevers Haven interessant voor ontwikkeling. Zo werden er langs de Stationsstraat representatieve villa's gebouwd. Langs het Kanaal en de Grift ontstond er bedrijvigheid en werd er langs de oude routes kleinschalige woningbouw gerealiseerd.
In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam de industrialisatie in Apeldoorn op gang. Rondom het kanaal bevonden zich enkele grote industriële complexen zoals Talensfabriek, Nettenfabriek en de gasfabriek. In de loop van de twintigste eeuw is door een schaalvergroting in de scheepvaart het kanaal minder geschikt geworden voor de beroepsvaart. Hierdoor verloor de bedrijvigheid haar relatie met het water. In 1974 is het kanaal afgesloten voor de scheepvaart.
Tot begin jaren negentig was de zone met haar bedrijvigheid rondom het kanaal een grote barrière tussen het stadscentrum van Apeldoorn en de oostelijke wijken. Het kanaal werd ook als een hinderlijke barrière ervaren. In de loop van de jaren negentig veranderde het denken over het kanaal echter en kwam er een hernieuwde waardering voor het kanaal. Het kanaal met zijn omgeving zouden de beleving en identiteit van Apeldoorn kunnen versterken. Er kwamen plannen om de kanaaloevers te ontwikkelen voor woningbouw en om via de herontwikkeling van Welgelegen aan de oostzijde van het kanaal een betere verbinding te maken tussen de binnenstad en het oostelijke deel van Apeldoorn. Binnen de vernieuwingen vormde het kanaal het centrale element in het ontwerp. Veel aandacht ging uit naar het maken van routes voor fietsers en voetgangers lange de groene oevers van het kanaal. De nieuwe gebouwen werden als decorstukken ingezet om de ruimte om het kanaal en de nieuwe ontsluitingsweg te begrenzen en te begeleiden. Belangrijk aspect in dit geheel was ook de realisatie van de fietsbrug over het kanaal waardoor er een goede fietsverbinding tussen beide delen ontstond. Door de aanleg van de Quaries van Uffordlaan is het gebied rondom het kanaal in de luwte komen te liggen.
Het besluitgebied maakt onderdeel uit van de kern Apeldoorn in de gelijknamige gemeente. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging in Apeldoorn en de globale begrenzing van het besluitgebied zelf weergegeven.
Ligging besluitgebied (rode cirkel) in relatie tot Apeldoorn (Bron: PDOK viewer).
Het besluitgebied bij benadering globaal rood omlijnd (Bron: PDOK viewer).
Het besluitgebied maakt onderdeel uit van het centrumgebied van Apeldoorn en ligt in een overgangsgebied tussen de binnenstad en de omliggende woonomgeving. Dit komt ook tot uiting in de heersende functie rondom het besluitgebied. Er is hier sprake van een gebied met een diversiteit aan functies ten westen van het besluitgebied, terwijl ten oosten van het besluitgebied meer sprake is van een woonomgeving.
Het Apeldoorns kanaal ligt op zeer korte afstand van het besluitgebied. Het besluitgebied is te bereiken via de eenrichtingswegen Kanaalstraat en Kanaal-Noord, welke parallel liggen aan het kanaal en ter hoogte van het besluitgebied samenkomen. Het verkeer rijdt in dit geval van de Deventerstraat richting de Stationsstraat. Aan de westzijde wordt het besluitgebied begrensd door de achterzijde van de bebouwing langs de Stationsstraat. Aan de noord- en oostzijde wordt het besluitgebied begrensd door de achtertuinen van grondgebonden woningen langs de Beurtvaartstraat en de Wiepkingstraat. De Kanaalstraat, Deventerstraat en Stationsstraat maken alle onderdeel uit van het netwerk van "fietsdoorstroom-assen". De Stationsstraat vormt een belangrijke schakel tussen Markt en Station. De Deventerstraat is onderdeel van de hoofdwegenstructuur (50 km/h). Hierop wordt het doorgaande verkeer op stadsniveau gebundeld en afgewikkeld. Doorstroming van het verkeer en verkeersveiligheid zijn belangrijke uitgangspunten op deze wegen. Ten slotte staat aan de overzijde van de Kanaalstraat het appartementencomplex Koningshaven, ook wel 'het potlood' genoemd en Woondroom. Qua bebouwingsstructuur ligt het besluitgebied daarmee zowel in een meer dorpse als stedelijke setting.
Het besluitgebied zelf kenmerkte zich in het verleden door een grote diversiteit aan bouwwerken en functies uit verschillende periodes. In de omgeving langs het kanaal was veel industrie en bedrijvigheid gevestigd, zoals de voormalige gasfabriek, maar deze zijn in de huidige tijd vrijwel allemaal vertrokken uit het centrum van Apeldoorn. Dat geldt ook voor voorliggend besluitgebied, waar de bedrijvigheid is beëindigd en de bebouwing gesloopt. Het besluitgebied is daarmee al een tijd in onbruik geraakt.
In het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege zijn de geldende bestemmingsplannen van de gemeente Apeldoorn opgenomen. Voor voorliggend besluitgebied geldt het bestemmingsplan 'Kanaaloevers Haven' en kent het besluitgebied de bestemmingen 'Bedrijf', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Wonen'.
Bedrijf
In het besluitgebied waren in het verleden een tweetal bedrijfspercelen waarvan de gronden zijn bestemd als 'Bedrijf'. Hier zijn bedrijfsactiviteiten in categorie 1 toegestaan. Door de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel en reparatie in auto's en motorfietsen' is op het noordelijke bedrijfsperceel tevens een dergelijk bedrijf toegestaan. Bedrijfsgebouwen moeten in het bouwvlak worden gerealiseerd en voldoen aan de geldende maximum goot- en bouwhoogte.
Verkeer - Verblijfsgebied
Een deel van het besluitgebied is bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied' waarmee ter plaatse voornamelijk wordt voorzien in een verblijfsgebied: een gebied bedoeld voor verblijf, waartoe in ieder geval (ontsluitings)wegen, fiets- en voetpaden, water, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen en hondenuitlaatplaatsen worden gerekend. Er magen hier alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.
Wonen
Een groot deel van het besluitgebied heeft een woonbestemming met een aantal bouwvlakken met de aanduiding 'twee-aaneen'. Daarmee zijn ter plaatse uitsluitend twee-onder-één-kap- en vrijstaande woningen toegestaan, die alleen binnen het bouwvlak gebouwd mogen worden en moeten voldoen aan de geldende maximum goot- en bouwhoogte.
Uitsnede vigerende bestemmingsplannen met daarop het besluitgebied globaal rood omlijnd (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl).
De bouw van woningen binnen het besluitgebied is niet toegestaan op basis van de opgenomen regels in het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. In het bestemmingsplan 'Kanaaloevers Haven' zijn ter plaatse namelijk enkel bedrijf-, verkeer- en woonactiviteiten toegestaan ter plaatse van de desbetreffende bestemmingen. De woonactiviteit is niet overal toegestaan. Daarbij komt dat de voorgenomen ontwikkeling niet past binnen de huidige bouwvlakken en bijbehorende maximale goot- en bouwhoogtes.
De geldende juridisch-planologische situatie staat de beoogde ontwikkeling niet toe, waardoor een wijziging van het (tijdelijke) omgevingsplan benodigd is. Voorliggend document voorziet hierin.
Het voornemen bestaat om het braakliggende terrein aan de westzijde van de Kanaalstraat te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw in combinatie met het realiseren van een groen binnenhof en de herinrichting van een bestaande parkeerplaats.
In het huidige bestemmingsplan 'Kanaaloevers Haven' wordt de locatie reeds als ontwikkellocatie aangewezen. Hierbij wordt een aantal eisen en doelen gesteld waaraan de ontwikkeling zal moeten voldoen. Zo dient de herontwikkeling gericht te zijn op het afmaken van het bouwblok Kanaalstraat-Stationsstraat-Beurtvaartstraat-Wiepkingstraat en moet het invulling geven aan het binnen het bouwblok gelegen binnenterrein. Het binnenterrein heeft een royale maat en dient een kwalitatief goede invulling te krijgen, waarmee een eigen milieu wordt gecreëerd en tegelijkertijd wordt aangesloten op de aangrenzende bebouwingsstructuren.
Met voorliggend project wordt voorzien in een appartementengebouw aan de Kanaalstraat. De bebouwing sluit qua rooilijn aan op de omgeving en volgt de loop van de Kanaalstraat. Ook qua bouwhoogte wordt rekening gehouden met het realiseren van een goede aansluiting op de omgeving. Aan de zuidzijde wordt daarom voorzien van een maximum bouwhoogte van 17 meter, aansluitend op de bouwhoogte direct grenzend aan het besluitgebied. Aan de noordzijde wordt ingezet op een bouwhoogte van maximaal 11 meter, wat goed aansluit op de naastgelegen grondgebonden woningen. In het midden van het besluitgebied is sprake van een maximum bouwhoogte van 27 meter. De maximale bouwhoogtes liggen in de diepterichting, haaks op de Kanaalstraat, terug ten opzichte van de rooilijn van het fundament en worden in de lengterichting, parallel aan de Kanaalstraat, getrapt opgebouwd waardoor een logische overgang met de omgeving ontstaat.
Het appartementengebouw krijgt een corridoropzet zodat het gebouw straks een alzijdig karakter heeft en ook een relatie krijgt met de achterliggende groene ruimte die wordt gerealiseerd. De groene ruimte wordt ingericht als een stadstuin waar ruimte is voor functies als groen, biodiversiteit, waterberging, ontmoeten en een fietsenstalling voor de toekomstige bewoners. Middels deze stadstuin wordt een zorgvuldige overgang tussen de bestaande woningen aan de Wiepkingstraat/Beurtvaartstraat en de nieuwbouw gerealiseerd. Ten slotte worden ook de parkeerplaatsen aan de westzijde van de gronden efficiënter ingericht, zodat een prettigere openbare ruimte ontstaat.
In totaal wordt in dit plan ruimte geboden voor maximaal 162 woningen. Kwalitatief wordt aangesloten bij de segmentering uit het gemeentelijk woningbouwprogramma voor de binnenstad. 35% van de nieuwe woningen zal bedoeld zijn voor sociale huur/goedkope koop, 35% voor middeldure koop of huur en 30% voor dure koop. Dit maakt dat de woningen voor een groot deel zijn beoogd voor de kleinere huishoudensgroepen. Verder krijgen de woningen een levensloopbestendig karakter, onder andere door de aanwezigheid van liften.
De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen. Onder de Omgevingswet wordt met participatie bedoeld: 'het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit'. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. In de Omgevingswet en in het Omgevingsbesluit zijn daarom regels over participatie opgenomen bij de toepassing van de gemeentelijke kerninstrumenten. Daarnaast zijn gemeenten verplicht gesteld participatiebeleid op te stellen waarin wordt vastgelegd hoe participatie wordt vormgegeven en welke eisen daarbij gelden.
De gemeenteraad van Apeldoorn heeft op 23 november 2023 de 'Notitie Participatie en participatieregels onder de Omgevingswet' vastgesteld. In deze notitie zijn voorwaarden gesteld aan de participatie bij wijzigingen van het omgevingsplan.
Participatie bij wijziging Omgevingsplan
Vanuit de gemeente wordt verwacht dat de ontwikkelende partij investeert in draagvlak door in gesprek te gaan met omwonenden. Zo kan in een vroegtijdig stadium nog bijsturing plaatsvinden. Aan de hand van de regels kan worden beoordeeld of de participatie voldoet en of de initiatiefnemer hiermee aan zijn verplichting tot participatie heeft voldaan. De kring van belanghebbenden/omwonenden en aanpak is onder meer afhankelijk van de grootte, complexiteit en ligging van het initiatief, plan of project. In de regels is opgenomen dat met belanghebbenden/omwonenden in het stedelijk gebied en een dorpskern in ieder geval binnen een straal van 150 meter dient te worden geparticipeerd. Voor het buitengebied geldt een straal van 500 meter. Voor initiatieven/projecten met een meer beperkte of grotere impact op de omgeving en op de kring van belanghebbenden/omwonenden wordt in overleg met de gemeente het participatiegebied bepaald. Eventuele criteria zijn dan bijvoorbeeld zicht hebben op of geluid.
Als een gemeente een omgevingsplan gaat maken dan moet daarvan een kennisgeving worden gedaan. Op grond van het Omgevingsbesluit moet in die kennisgeving ook staan hoe de participatie is vormgegeven. Daaraan voorafgaand dient initiatiefnemer hiervoor een participatieplan bij de gemeente aan te leveren. Na doorlopen van het participatieproces en het aanbieden van een participatieverslag aan de gemeente is er een eerste indruk van de draagkracht. De uitkomsten van de participatie worden betrokken bij de besluitvorming al dan niet een anterieure overeenkomst aan te bieden voor het opstellen van een ontwerp (wijziging) van een omgevingsplan of om een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met adviesrecht aan de gemeenteraad voor te leggen. Daarmee is participatie onderdeel van de weging bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Resultaten participatie
In juli 2024 is een inloopbijeenkomst georganiseerd voor de buurt en andere geïnteresseerden, een verslag van deze bijeenkomst is bijgevoegd als bijlage. Tijdens deze bijeenkomst is onder meer het stedenbouwkundig plan gepresenteerd. Ook was er gelegenheid voor het stellen van vragen en het geven van feedback. Deze reacties zijn meegenomen in de verdere verfijning en uitwerking van het stedenbouwkundig plan.
Op 13 januari 2026 heeft een informerende inloopbijeenkomst plaatsgevonden. Tijdens die bijeenkomst is het laatste ontwerp gepresenteerd en zijn vragen over het ontwerp van het TAM-omgevingsplan beantwoord.
Voor zover van belang voor het initiatief wordt het relevante beleid hieronder in hoofdzaak weergegeven en afgesloten met een conclusie.
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet, welke op 1 januari 2024 in werking is getreden. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:
Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:
Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.
Motivering
Een braakliggend terrein in een centrumgebied wordt herontwikkeld naar een toekomstbestendig woongebied dat geschikt is voor verschillende doelgroepen. Daarbij is ruimte voor het realiseren van nieuw groen en wordt aansluiting gezocht met de kenmerken en karakteristieken van de omgeving. Gelet op het feit dat er met voorliggend project wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige invulling van een centrumgebied is dit project in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de beleidsambities en -doelstellingen en de ter plaatse geldende regels vanuit de Rijksoverheid.
Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.
Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.
Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.
Afbeelding 1: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
ambitie klimaatadaptie
Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
ambitie biodiversiteit
Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.]
woon- en leefklimaat
Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.
Motivering
Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie Gelderland heeft uitgewezen dat het besluitgebied is aangewezen als 'grondwaterfluctuatiezone' en 'intrekgebied'.
De provincie heeft een zone, rondom het Veluwemassief, aangewezen als grondwaterfluctuatiezone. Deze gebieden zijn extra gevoelig voor grondwateroverlast. Het is van belang om hiermee bij de inrichting of herinrichting van stedelijk gebied rekening te houden en zo nodig maatregelen te nemen. Verder streeft de provincie ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Voor een effectieve en duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening maakt de provincie daardoor onder andere gebruik van regelgeving en vergunningverlening. De provincie wil niet dat fossiele energie (aardgas, aardolie, schaliegas of steenkoolgas) gewonnen wordt in de intrekgebieden voor de drinkwatervoorziening. In de verdere uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met mogelijke grondwateroverlast. De beoogde woonfunctie zal geen invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater en daarmee dus ook niet op het intrekgebied.
In meer algemene zin geldt wel dat voorliggend project een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van de woon- en leefomgeving. Met de voorgenomen woningbouwontwikkeling wordt immers zowel kwantitatief als kwalitatief gezien voorzien in een behoefte én een niet-toekomstbestendige locatie binnen het centrum van Apeldoorn voorzien van een nieuwe toekomstbestendige invulling. Deze ambities sluiten aan bij hetgeen gesteld in de Omgevingsvisie.
Provinciale staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening (op grond van artikel 4.1 Wro), milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.
De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn regels opgenomen die nodig zijn om de provinciale ambities waar te maken, provinciale belangen veilig te stellen of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem opgenomen.
De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Motivering
Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsverordening Gelderland heeft uitgewezen dat het besluitgebied in een intrekgebied ligt. De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Voor een effectieve en duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening maakt de provincie daardoor onder andere gebruik van regelgeving en vergunningverlening. De provincie wil niet dat fossiele energie (aardgas, aardolie, schaliegas of steenkoolgas) gewonnen wordt in de intrekgebieden voor de drinkwatervoorziening. De Omgevingsverordening regelt dan ook dat een omgevingsplan ter plaatse van een intrekgebied niet mag voorzien in een functie die de winning van fossiele energie mogelijk maakt. Aangezien voorliggend initiatief enkel de ontwikkeling van een binnenstedelijke locatie ten behoeve van wonen mogelijk maakt, is er geen sprake van de winning van fossiele energie en vormt dit verder geen problemen ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Ook vormen dergelijke functies geen bedreiging voor de kwaliteit van de drinkwatervoorzieningen in Gelderland.
De provincie wil de landschappelijke waarden binnen de provincie behouden, beschermen en in stand houden. Daarom moet volgens artikel 5.33 bij iedere ontwikkeling rekening worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. In voorliggende situatie maakt het besluitgebied onderdeel uit van de Gelderse streek IJsselvallei. Gelet op de stedelijke setting van het besluitgebied zijn veel van de landschappelijke kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen niet direct te herleiden en van toepassing op deze situatie. Met voorliggende ontwikkeling wordt namelijk een binnenstedelijke locatie opnieuw ingericht, waardoor geen aanspraak hoeft te worden gemaakt op gronden waar de landschappelijke kwaliteiten en waarden nog sterk vertegenwoordigd zijn. Op die manier wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de kenmerkende kwaliteiten die de locatie heeft binnen de streek.
In artikel 5.64 van de Omgevingsverordening Gelderland is vastgelegd dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als deze passen binnen de regionale woonagenda. In het kader van de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is reeds toegelicht dat de ontwikkeling zowel in een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte voorziet en dat de ontwikkeling aansluit op de ambities uit de regionale woonagenda. Op deze manier past de ontwikkeling binnen de gestelde regels met betrekking tot wonen.
Daarnaast geldt dat in artikel 5.85 van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat in de motivering bij het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In voorliggende situatie wordt de nieuwbouw aardgasloos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Verder wordt ingezet op het verstevigen van het groene karakter van de locatie. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie.
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de provinciale beleidsambities en -doelstellingen en ter plaatse geldende regels.
De 'Woonagenda Cleantech Regio 2018' van de Regio Stedendriehoek (vastgesteld door GS op 11 december 2018) is een uitwerking van de provinciale koers "Ruimte voor goed wonen", waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's "sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland". Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op wonen en zorg.
De Regio zet in op het behouden en versterken van de woonkwaliteit door toevoeging van de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:
Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat, mede door de hoge instroom, de druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.
Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.
De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de "Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024" en het "Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024" van de Regio Stedendriehoek. De regionale woonagenda. Na de vaststelling wordt een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.
Motivering
Voorliggend initiatief sluit goed aan bij een aantal van de principes uit de regionale woonagenda. Zo wordt met voorliggend project duurzaam omgegaan met de ruimte door een in onbruik geraakt perceel te ontwikkelen tot woningbouw, waarbij oog is voor aspecten als leefbaarheid, duurzaamheid en bereikbaarheid. Tegelijkertijd wordt aandacht besteed aan de verbinding met de omgeving en de groene kwaliteit binnen het besluitgebied. Zo sluit de bebouwing qua aard en schaal aan op de omgeving en zal nieuw openbaar groen worden gerealiseerd binnen het besluitgebied. Verder wordt voorzien in een mix aan appartementen in verschillende prijsklassen, welke geschikt zijn voor verschillende doelgroepen, waaronder starters en ouderen. De appartementen zijn bereikbaar met een lift en zijn levensloopbestendig ingericht. Zo draagt dit initiatief bij aan het realiseren van meerdere regionale woonambities uit de regionale woonagenda, zowel vanuit kwantitatief als kwalitatief oogpunt.
In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:
Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën: Watersysteem, Waterveiligheid en Wonen en zuiveren.
Motivering
Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing. Voor voorliggend project is een waterparagraaf opgesteld in paragraaf 7.3 waaruit volgt hoe binnen de ontwikkeling rekening is gehouden met alle onderdelen van de waterhuishouding.
Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest en aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.
Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan (de opvolger van de bestemmingsplannen). De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.
De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:
Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.
Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied
Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:
Wonen
Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in één grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).
Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).
Omgevingskwaliteit
Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.
Mobiliteit
De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes.
Economie en recreatie
Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies.
De agrarische sector staat voor grote opgaves. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.
Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.
Energie en circulariteit
Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.
Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.
Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.
Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament
De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente.
Dit is als volgt opgebouwd:
Natuur en landschap
De groene mal/ het groen-blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.
Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.
Klimaatadaptatie
Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.
In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.
Milieu en gezondheid
Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.
Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.
Inclusiviteit
Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).
Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:
Uitvoering Omgevingsvisie
Gebiedsprofielen
De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.
Afwegingsmatrix
Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.
Onderzoeken
Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.
Wijziging Omgevingsvisie
Op 27 november 2025 is een partiële wijziging van de Omgevingsvisie vastgesteld. Deze wijziging vloeit voort uit het 'vertalen' van de Omgevingsvisie in diverse projecten in stad, dorp en buitengebied. Door de partiële herziening van de Omgevingsvisie is de Omgevingsvisie weer in lijn gebracht met actuele inzichten vanuit deze projecten en het actuele beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving.
De partiële herziening van de Omgevingsvisie heeft betrekking op de volgende onderdelen:
Motivering
Apeldoorn wil een gevarieerd aanbod aan woningen aan kunnen bieden. Hierbij worden stedelijke woonmilieus gerealiseerd in de binnenstad, spoorzone en kanaalzone. En meer ontspannen woonmilieus in de dorpen en aan de randen van de stad. Dit manifesteert zich in ruim opgezette woonwijken met weinig verkeer en veel (openbaar) groen. Voorliggend project voorziet in de realisatie van een stedelijk woonmilieu op een inbreidingslocatie in de kanaalzone. In de totale kanaalzone wordt ruimte geboden voor 1.325 tot 2.300 woningen, waarbij verstedelijking gepaard gaat met het realiseren van nieuwe landschappelijke verbindingen tussen bestaande groene en blauwe structuren. In voorliggend project wordt mede invulling gegeven aan de kwantitatieve woningbouwopgave die in de kanaalzone is. Daarbij gaat de verstedelijking gepaard met het realiseren van nieuw openbaar groen achter de beoogde nieuwbouw, waarmee invulling wordt gegeven aan de ambitie voor de binnenstad van het realiseren van een dwaalmilieu van groene binnenwerelden als aanvullend netwerk in de stad. De bouwhoogte in de rooilijn sluit aan bij de Apeldoornse laag. De bebouwing daarboven ligt terug en is ondergeschikt aan het fundament. Zodoende sluit het straatbeeld aan bij de Apeldoornse laag en het ondergeschikte teruggelegen deel dat een hogere bouwhoogte heeft sluit aan bij andere hoogbouw binnen het centrum van Apeldoorn. Op deze manier sluit de ontwikkeling aan op de ambities uit de omgevingsvisie.
De gemeente Apeldoorn wil in het zogenaamde BSK-gebied (Binnenstad, Spoorzone en Kanaalzone) verdichten en vergroenen. Op grond hiervan zullen meer woningen aan deze gebieden worden toegevoegd. Daarnaast wil de gemeente ook ruimte vrijhouden voor groen, pleinen en leefkwaliteit. Om voorgaande mogelijk te maken in het gebied is hoogbouw nodig. Vanuit de gemeente worden hoge eisen gesteld aan de plek en kwaliteiten van de hoogbouw. Op grond hiervan is een nieuwe Hoogbouwnota 2025 opgesteld. In de nieuwe Hoogbouwnota vormt een aanscherping van de Hoogbouwvisie uit 2008, die met name opgesteld is voor de Kanaalzone en Spoorzone. De stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn op basis van de eigentijdse inzichten in de nieuwe nota verdiept en aangevuld.
De hoogbouwnota is van toepassing op gebouwen met meer dan 5 bouwlagen. Deze dienen te worden getoetst aan de criteria uit de gemeentelijke Hoogbouwnota 2025. De gemeente Apeldoorn hanteert daarbij een getrapte toetsing in vier stappen:
Stap 1: ligt het hoogbouwinitiatief in de 'lange lijn', dat wil zeggen de zone waarin hoogbouw tot de mogelijkheden behoort;
Stap 2: een stedenbouwkundige toets ten aanzien van positionering en inpassing;
Stap 3: toetsing of het project voldoet aan de 8 vuistregels uit de Hoogbouwnota;
Stap 4: Toetsing van effecten van het gebouw op belangen van luchtvaart, defensie, zij directe omgeving en de kwaliteit van het gebouw zelf, in een Hoogbouweffectrappportage (HER), welke is verplicht bij gebouwen hoger dan 25 meter.
In maart 2026 is een HER opgesteld door bureau Peutz (Woningbouw Kanaalstraat Noord te Apeldoorn). Deze is als Bijlage 2 toegevoegd aan deze toelichting. In het HER wordt verwezen naar de resultaten van een windhinderanalyse (Actiflow, 10 juli 2025) en een zonnestudie (Mix Architectuur, 20 maart 2026) . Deze zijn eveneens, als separate bijlagen, toegevoegd aan deze toelichting. Zie daarvoor Bijlage 3 en Bijlage 4.
Motivering
In het HER heeft een brede toets plaatsgevonden waarin alle vier de stappen zijn beoordeeld, met de volgende conclusies:
Stap 1: Het plan voldoet. Het plangebied ligt in de rode sub-zone, waar gebouwen tot 20 lagen en met een piek tot 25 lagen zijn toegestaan.
Stap 2: Het plan voldoet. Het gebouw wordt stedenbouwkundig goed ingepast, zowel op wijk- en buurtniveau als ook op het schaalniveau van de stad.
Stap 3: Het plan voldoet. In het HER is een toets aan de 8 vuistregels opgenomen en de bevindingen zijn positief voor het plan.
Stap 4: Het plan voldoet. In stap 4 wordt ingegaan op randvoorwaarden voor het gebouw zelf en de relatie met de omgevimg. Hierin komen aspecten aan bod zoals architectonische kwaliteit, windhinder, schaduwwerking, verkeersproblematiek, de ruimtelijke en functionele relatie met het maaiveld en hoogtebeperkingen. Een aantal van deze aspecten is ook al in de voorgaande stappen aan de orde geweest. In het opgestelde HER is ook ten aanzien van stap 4 sprake van een positieve eindconclusie voor het plan.
Bij het HER zijn ook de opgestelde windhinderanalyse en de opgestelde zonnestudie betrokken. Gebleken is dat de ontwikkeling ook op deze onderdelen voldoet aan de kwaliteitsniveaus die de hoogbouwnota voor ogen heeft.
Resumerend past de ontwikkeling binnen de beleidskaders voor hoogbouw en geeft deze een positieve impuls aan zowel de ruimtelijke structuur als ook aan de leefkwaliteit van de omgeving.
In de Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn en in de Kadernota Maatschappelijke ontwikkeling staat wat de gemeente belangrijk vindt ten aanzien van wonen en de combinatie wonen en zorg. Dit is verder uitgewerkt in een volkshuisvestingskader.
Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2030, 'Ruim en ontspannen wonen in de hoofdstad van de Veluwe', door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Dit Volkshuisvestingskader omschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities op bovenstaande onderwerpen voor de langere termijn. Het is een kader voor woonprojecten en projecten voor wonen met zorg.
Belangrijke trends en ontwikkelingen zijn:
Het Volkshuisvestingskader gaat in op vier onderwerpen:
Motivering
Met het voorliggend initiatief wordt voorzien in een mix aan appartementen in verschillende prijsklassen, welke geschikt zijn voor verschillende doelgroepen, waaronder starters en ouderen. De appartementen zijn bereikbaar met een lift en zijn levensloopbestendig ingericht, waardoor ze zeer geschikt zijn voor senioren. Daarnaast wordt ingespeeld op de duurzaamheidsambities van de gemeente door de woningen gasloos te ontwikkelen. Daarnaast zullen de woningen voldoen aan de nieuwste BENG-normen en is er binnen het besluitgebied ruimte vrijgehouden voor openbaar groen. Zo draagt dit initiatief bij aan het realiseren van meerdere gemeentelijke woonambities uit het volkshuisvestingskader.
Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart, de Verordening Groene Balans en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.
Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.
Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.
Kaartbeeld de Groene Mal
Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.
Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.
Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.
Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.
De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.
GROENSTRUCTUURKAART
In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.
De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:
Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.
GROENPLAN
In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.
Motivering
In voorliggende situatie wordt een in onbruik geraakt stukje stad herontwikkeld ten behoeve van woningbouw, waarbij aan de achterzijde van het beoogde appartementengebouw ruimte wordt geboden voor het realiseren van nieuw openbaar groen. Op deze manier wordt extra groen aan de stad toegevoegd, hetgeen aansluit op de ambities vanuit de Groene Mal. Met het extra groen kan mede invulling worden gegeven uit het gemeentelijk groenplan door de gevolgen van de klimaatverandering te beperken, de biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Op deze manier wordt aangesloten op het gemeentelijk groenbeleid.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.
Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.
Motivering
Voor voorliggend project is een waterparagraaf opgesteld in paragraaf 7.3 waaruit volgt hoe binnen de ontwikkeling rekening is gehouden met alle onderdelen van de waterhuishouding.
In 2024 is de beleidsregel parkeren 2024 vastgesteld. De beleidsregel Parkeren 2024 vervangt de Beleidsregel Parkeren 2019 en de daarin opgenomen parkeernormen. De beleidsregel is van toepassing op de actualisering van wijk- of gebiedsomgevingsplannen en op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (bouwen en gebruik) in afwijking van het omgevingsplan dan wel een verzoek om wijziging van het omgevingsplan nodig is.
Met deze Beleidsregel Parkeren beoogt Apeldoorn te sturen op de leefbaarheid en bereikbaarheid van Apeldoorn. In de Omgevingsvisie 'Woest Aantrekkelijk Apeldoorn' zijn doelstellingen verwoord voor de ontwikkeling van de stad en haar omgeving als het gaat om het realiseren van nieuwe woningen bedrijven en andere functies. Het onderwerp parkeren is hierbij een belangrijk sturingselement. Nieuwe ontwikkelingen (nieuwbouw, functieverandering of uitbouw) kunnen gepaard gaan met een parkeerbehoefte, een parkeervraag en een toenemende parkeerdruk in de openbare ruimte. Een te hoge parkeerdruk leidt tot ongewenst zoekverkeer en bereikbaarheids- en leefbaarheidsprobleem. De gemeente Apeldoorn wil zich ontwikkelen tot een duurzame en groene gemeente, met speciale aandacht voor de Binnenstad, Kanaalzone en de Spoorzone. Hier wordt ingezet op het ontwikkelen van gebieden met een hoge kwaliteit in de openbare ruimte met veel ruimte voor duurzame vormen van mobiliteit.
Motivering
Voor voorliggend project zijn een verkeers- en parkeeronderzoek verricht en is een mobiliteitsplan opgesteld. Beide onderzoeken worden in paragraaf 7.14 nader toegelicht.
De nota 'Fundament Voor Buitengewoon Talent, Apeldoornse Cultuur- en Erfgoednota 2025-2030' is door de gemeenteraad vastgesteld en ingegaan op 1 januari 2025. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Voor gebiedsontwikkelingen wordt gesteld: “We gaan vormgeven aan nieuwe gebiedsontwikkelingen. Die moeten niet kleurloos zijn, maar een karaktervolle Apeldoornse invulling krijgen. We bouwen voort op de al bestaande kwaliteiten. De geschiedenis van Apeldoorn is uitgangspunt en inspiratiebron bij deze ruimtelijke ontwikkelingen.”
Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.
Op 29 december 2023 is de Erfgoedverordening gemeente Apeldoorn 2023 vastgesteld. Met inwerkingtreding van deze Erfgoedverordening worden geen nieuwe karakteristieke panden meer aangewezen en zijn bestaande karakteristieke panden vanaf 1 januari 2024 niet meer via het bestemmingsplan maar via het (tijdelijke) omgevingsplan beschermd. Vanaf inwerkingtreding van de nieuwe Erfgoedverordening worden alleen nog beeldbepalende panden aangewezen. Bij de overgang naar het definitieve omgevingsplan voor Apeldoorn worden de beeldbepalende en karakteristieken panden geïntegreerd.
Artikel 12a van de Woningwet verplicht iedere gemeente om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing. Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juni 2017 de Welstandsnota 2017-2020 'Aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. In december 2020 heeft de gemeenteraad besloten de gelding van deze nota te verlengen tot het moment dat voor het hele grondgebied van de gemeente Apeldoorn een omgevingsplan op grond van de Omgevingswet in werking is. De welstandsnota is het kader waaraan de onafhankelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit toetst of aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen voldoen aan redelijke eisen van welstand. Doel van de welstandsnota is het zorgen voor een goede balans tussen het borgen van de basiskwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving en het bieden van ruimte aan initiatiefnemers. Bij de welstandsnota hoort een website die het welstandsbeleid voor iedereen toegankelijk maakt.
De gemeente Apeldoorn vindt het belangrijk dat er overal in de gemeente een goede omgevingskwaliteit is. Zo moet het veilig en leefbaar zijn. Sommige gebieden vindt de gemeente extra belangrijk. In deze gebieden streeft de gemeente naar een nog hogere omgevingskwaliteit.
Er zijn daarbij drie soorten gebieden te onderscheiden:
De exacte locaties van deze gebieden staan op de website van de gemeente Apeldoorn, bij het onderwerp 'welstandsbeleid' onder het kopje 'prominente gebieden of gebouwen'.
De nota werkt vanuit een piramide:
Afbeelding 2.4: piramide welstand
In verband met de ontwikkeling van het plan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan is opgenomen in 1 van de BIJLAGEN BIJ MOTIVERING.
Motivering
Het initiatief zal in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit worden getoetst aan het welstandsbeleid. In algemene zin geldt dat de gekozen stedenbouwkundige opzet aansluit bij de kenmerken en kwaliteiten vanuit de omgeving, waarbij de bebouwing op een zorgvuldige manier ingepast wordt in het bestaande stedelijk weefsel.
NIKA staat voor 'Natuur Inclusief en Klimaat Adaptief ontwikkelen en bouwen'. Het zijn voorwaarden waar projecten en plannen aan moeten voldoen bij het ontwikkelen en bouwen.
Bij iedere ontwikkeling wordt rekening gehouden met de natuur en het veranderende klimaat. De NIKA methode bepaalt hoe deze maatregelen er minimaal uitzien. Deze NIKA-waarden bestaan uit twee onderdelen.
Het eerste onderdeel bestaat uit vijf vaste waarden:
Het tweede deel bestaat uit variabele waarden in drie categorieën:
waarbij gewerkt wordt met een puntensysteem. Aan verschillende maatregelen zijn punten gekoppeld. In totaal moeten er minimaal 5 punten worden behaald. Binnen dit kader kunnen maatregelen vrij worden gekozen.
Motivering
In voorliggende situatie wordt een braakliggend terrein in de kern van Apeldoorn herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Navolgend wordt onderbouwd hoe aan de gestelde waarden wordt voldaan.
Vaste waarden
Waterberging
Vanwege de toename in verharding bestaat er een bergingsopgave van hemelwater binnen het plangebied van circa 211 m3. Deze bergingsopgave wordt binnen het plangebied opgevangen en zal bestaan uit een combinatie van infiltratiekratten en een wadi.
Voorzieningen voor gebouw bewonende soorten
Met onderhavige ontwikkeling worden er geen gebouwen gesloopt waarin beschermde soorten aanwezig zijn. Daarvoor hoeven geen maatregelen conform het Soortenmanagementplan (SMP) genomen te worden. Wel is er in het verleden, door een niet aan initiatiefnemer gelieerde rechtsvoorganger bebouwing gesloopt in het besluitgebied waarin waarschijnlijk huismusnesten aanwezig waren, in verband waarmee extra nestkasten voor huismussen aangebracht zullen worden.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient het SMP toegepast te worden conform Bijlage 2 Soortenmanagementplan van het NIKA-beleid. Op deze manier wordt er voor gezorgd dat in de nieuwe bouwomgeving ook voldoende plekken komen voor deze soorten. In combinatie met het groen, wat nodig is voor hun leefgebied, zorgen ze voor een levende stad.
Conform deze bijlage zullen verblijfsvoorzieningen voor gebouw bewonende soorten aangebracht worden.
Groen op maaiveld
De gemeente Apeldoorn wil graag nieuwe groene en leefbare wijken en buurten. Het uitgangspunt van de vergroeningsopgave luidt als volgt: 40% van de oppervlakte van de bouw ontwikkeling bestaat uit een groen maaiveld. Het groen bestaat voor minimaal de helft uit biodivers groen en is minimaal voor de helft publiek toegankelijk.
In de binnenstad kan het voor ruimtelijke ontwikkelingen lastig zijn om bijvoorbeeld de '40% groen op maaiveld' en/of 'minimaal één boom per 200 m2 bouwvlak' te realiseren, omdat de dichtheid van gebouwen al hoog is. Bij sommige ontwikkelingen is het behalen van deze normen niet mogelijk. Dit geldt ook voor onderhavige binnenstedelijke ontwikkeling, die gesitueerd is op zo'n 50 m van de arbitraire oostgrens van de Binnenstad (Stationsstraat), in verband waarmee de gebiedsgerichte benadering Binnenstad ook hier toegepast wordt.
Als alternatief geldt dat minimaal 30% groen op maaiveld moet worden aangelegd. Ieder procent beneden de 40 komt terug als dak- en/of gevelgroen. Dus bij 30% groen op maaiveld, wordt de andere 10% als dak- en/of gevelgroen gerealiseerd.
In onderhavige plan wordt ruim 30% groen op maaiveld behaald. Ieder procent beneden de 40% komt terug als dak- en/of gevelgroen.
Bomen
Bomen hebben een grote meerwaarde. Vooral in de stad omdat die door haar stenige karakter snel opwarmt en lang warmte vast houdt. Bomen zorgen voor schaduw en verdamping en daardoor voor meer koelte gedurende een langere periode. Ze hebben veel pluspunten. Ze zorgen voor voedsel en voor verblijf- en rustplekken voor dieren. En ze vangen regenwater en CO2 af. In grote groene ruimtes hebben grote bomen de voorkeur. In kleine ruimtes is het logisch om soorten te planten die klein blijven. Het is belangrijk dat de bomen een goede groeiplaats hebben. Zodat ze goed kunnen groeien en lang gezond blijven. Voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt per 200 m2 'bouwvlak' 1 boom toegevoegd in het plangebied.
In de binnenstad is het moeilijk door de beperkte ruimte, zeker samen met de andere waarden om aan de norm te voldoen. Daarom geldt voor de binnenstad 1 boom per 500 m2 bouwvlak van de bebouwing.
Met onderhavige ontwikkeling wordt een bouwvlak van 3.355 m2 mogelijk gemaakt. Hiervoor zullen dus minimaal (3.355 / 500) 6,7 bomen, afgerond 7 bomen worden aangeplant.
Windhinder
Met de te verwachten veranderende klimaatomstandigheden zullen met name buien frequenter en intensiever worden. De daarmee gepaarde windbelasting zal in de stad toenemen. De stroming van de wind wordt daardoor belangrijker in stedelijk gebied. Windstromingen veranderden bij obstakels immers van richting. Daardoor vertraagt de wind op de ene plek er ontstaan luwteplekken, maar versnelt in vernauwde ruimtes waar de wind als het ware wordt samengeperst. Hier treedt versnelling van de windstroom op. Bij deze richtingsveranderingen ontstaan er soms vlagen op die steeds vaker zullen voorkomen. Bij sterkere wind, zoals bij buien en grotere obstakels zoals hoogbouw, verhoogt dus de vlagenintensiteit. Dit kan voor straten en verblijfsgebieden ongewenste situaties opleveren voor fietsers en voetgangers en daarmee bijdragen aan een ongewenst verblijfsklimaat in de stad. Om windhinder te voorkomen willen de gemeente in de stad sturen op de windbelasting op maaiveld. Daarnaast wil Apeldoorn een prettige stad zijn waar het met name goed vertoeven is in de buitenruime om zo het gebruik van de buitenruimte voor ontmoeting sport en spel te stimuleren. Ook hier hoort een minimale windbelasting bij voor de publieke ruimte.
Bij gebouwen met een hoogte tussen 15 meter en 30 meter dient de windhinder beperkt te worden zodat op het maaiveld voldaan wordt aan:
Het plan voldoet aan deze criteria, zoals blijkt uit de 'Windhinderanalyse Kanaalstraat te Apeldoorn' d.d. 10 juli 2025 van Actiflow, waarin geconcludeerd wordt dat de invloed van de geplande nieuwbouw aan de Kanaalstraat door de relatief lage bouwhoogte en de gunstige oriëntatie ten opzichte van de overheersende windrichtingen beperkt zal zijn.
Variabele waarden
Binnen de kaders van het puntensysteem zal het minimum aantal van 5 punten behaald worden, via maatregelen zoals een wadi, dak- en gevelgroen en/of het realiseren van nestvoorzieningen en/of biotopen.
Borging
Het NIKA-beleid is als dynamische verwijzing opgenomen in het omgevingsplan. De vaste waarden zijn geborgd door middel van een gebodsbepaling in het omgevingsplan. De variabele waarden zijn als voorwaarde opgenomen in het omgevingsplan en gelden daarmee als toetsingskader bij de aanvraag van een omgevingsvergunning eventueel in combinatie met een vergunningvoorschrift.
Huidige situatie
Het besluitgebied bestaat in de huidige situatie uit een braakliggend terrein. In het verleden waren hier enkele bedrijfjes en een woning aanwezig, welke inmiddels zijn gesloopt.
Nieuwe situatie
Bij de stedenbouwkundige opzet van de beoogde woningbouw is rekening gehouden met de karakteristieken en structuur van de omgeving waartoe het besluitgebied behoort. Qua kleurstelling en uitstraling past de beoogde bebouwing binnen het straatbeeld. Ook qua aard en schaal is rekening gehouden met de naastgelegen bebouwing. Zo sluit de maximale bouwhoogte van 11 meter aan de noordoostzijde aan bij de naastgelegen woningen. De maximale bouwhoogte van 17 meter aan de zuidwestzijde is in lijn met de daarnaast gelegen bebouwing. De bebouwing daarboven, tot maximaal 27 meter in het midden van het gebouw, ligt terug en zorgt voor meer evenwicht met 'het potlood' aan de overzijde. De rooilijn van het fundament sluit aan op de naastliggende bebouwing aan de Kanaalstraat. Bebouwing ligt parallel aan de straat, op een zelfde afstand als overige bebouwing in de straat. Het openbaar groen aan de westzijde dient mede als een buffer voor de grondgebonden woningen aan de Beurtvaartstraat. Het parkeren wordt zo veel mogelijk uit het zicht gefaciliteerd. In algemene zin geldt dat door de herontwikkeling een braakliggend terrein een nieuwe invulling krijgt, waardoor verloedering en verpaupering van het terrein wordt voorkomen en daarmee de verblijfskwaliteit rondom de locatie ook verbeterd wordt. Op die manier draagt voorliggend project op een positieve manier bij aan de omgevingskwaliteit ter plaatse. De ontwikkeling sluit ook aan bij de trend om woningbouw te realiseren langs het Apeldoorns kanaal
Impressie van de beoogde situatie (MIX architectuur, BoschSlabbers).
Ontstaan
Aan het begin van de negentiende eeuw was Apeldoorn het grootste en tevens meest geïsoleerde dorp van de oostelijke Veluwe. Geomorfologisch lag het dorp op de overgang van het Veluwemassief en het stroomgebied van de IJssel. In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam de industrialisatie in Apeldoorn op gang. Rondom het kanaal bevonden zich enkele grote industriële complexen zoals Talensfabriek, Nettenfabriek en de gasfabriek. In de loop van de twintigste eeuw is door een schaalvergroting in de scheepvaart het kanaal minder geschikt geworden voor de beroepsvaart. Hierdoor verloor de bedrijvigheid haar relatie met het water. In 1974 is het kanaal afgesloten voor de scheepvaart. Binnen Apeldoorn zijn vervolgens verschillende stadsvergroeningsprojecten opgepakt. Er zijn verder geen specifieke landschappelijke waarden aanwezig binnen het besluitgebied.
Nieuwe situatie
Het besluitgebied is niet gelegen binnen een gebied met specifieke landschappelijke waarden. De ontwikkeling van het braakliggend terrein ten behoeve van een appartementencomplex sluit aan bij de trend en ambitie om woningbouw te ontwikkelen langs het kanaal. Daarnaast is ruimte gereserveerd om een stadstuin te realiseren aan de westzijde van de besluitgebied. De ontwikkeling sluit aan bij het stedelijk gebied dat de boventoon voert in het centrum van Apeldoorn.
De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.
Motivering
Onderhavig project betreft de ontwikkeling van een appartementengebouw met maximaal 162 woningen aan de Kanaalstraat in Apeldoorn. Het project kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen als genoemd in onderdeel J11 van de bijlage van het Omgevingsbesluit. Voor dit type project gelden geen drempelwaarden voor een m.e.r.-plicht, maar geldt wel dat bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk project sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Daarom is voor de ontwikkeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Deze is als bijlage bijgevoegd bij voorliggende motivering. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Voor wat betreft natuur is nader onderzoek gedaan. Ten aanzien van gebiedsbescherming wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarde van 0,00 mol stikstof/ha/j.
Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen resultaten zijn voor de projectberekening en situatieberekening onder de OwN2000- registratieset. Uit de uitgevoerde berekeningen voor de gebruiksfase, vanaf de ingebruikname in 2029 (90%) en in 2030 (100%) blijkt dat er geen sprake is van een toename op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe of andere stikstofgevoelige habitattypen op Natura 2000-gebieden. Nergens wordt een toename berekend van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er zijn geen belemmeringen voor het aspect stikstof.
In het besluitgebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van vleermuizen, huismus en teunisbloempijlstaart. Er zijn geen essentiële elementen van de teunisbloempijlstaart aanwezig in het besluitgebied. Tevens blijkt dat het besluitgebied geen essentiële functie heeft als leefgebied voor huismus en als foerageergebied voor vleermuizen.
Met de geplande werkzaamheden gaat geen essentieel leefgebied van de huismus en van de gewone dwergvleermuis verloren. Hierdoor is geen sprake van een schadelijke handeling die leidt tot een vergunningplichtig geval. Om de werkzaamheden uit te kunnen voeren is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit benodigd. Wel is belangrijk om verstoring van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis rondom het besluitgebied te voorkomen door geen kunstmatig (bouw)licht direct op deze verblijfplaatsen te richten en dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht.
De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren. Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling hiervoor te verkrijgen in het kader van de Omgevingswet. De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen een aanvang te hebben ten einde vernielen van nesten te voorkomen. Als dit niet kan, dient er kort tevoren een broedvogelcheck uitgevoerd te worden.
Ten aanzien van de overige aspecten worden geen significant negatieve effecten verwacht. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-procedure is daarom niet nodig.
Conclusie
Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Een nieuwe of gewijzigde functie wordt in het omgevingsplan opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt te maken is voor de nieuwe of aangepaste functie. Er moet dus onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.
Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van de geconsolideerde versie van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.
Motivering
Voor de gronden van het besluitgebied is een vooronderzoek naar de bodem uitgevoerd. Het vooronderzoek is als bijlage bijgevoegd bij voorliggende motivering. Uit de inventarisatie van de historische gegevens blijkt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, met uitzondering van de parkeerplaats achter Stationsstraat 124 (voormalige gashouder), voldoende recente onderzoeksresultaten bekend zijn. Indien ter plaatse van de parkeerplaats achter Stationsstraat 124 (voormalig gashouder) herontwikkeling plaatsvindt is een bodemonderzoek noodzakelijk. Verder is in de grond op de locatie Kanaalstraat 33 een verontreiniging met lood en barium aanwezig (5 m³). Bij ontwikkeling ter plaatse van deze locatie is het noodzakelijk deze verontreiniging te verwijderen. De overige, in het verleden aangetroffen verontreinigingen, zijn gesaneerd of niet meer aangetroffen.
Conclusie
Met inachtneming van voorgaande voldoet het besluit aan de kaders voor het aspect bodem.
Het besluitgebied ligt binnen stedelijk gebied. Het besluitgebied is circa 7.000 m2 groot. Het projectgebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.
Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsverordening Gelderland heeft uitgewezen dat het besluitgebied in een intrekgebied ligt. De Omgevingsverordening regelt dat een omgevingsplan ter plaatse van een intrekgebied niet mag voorzien in een functie die de winning van fossiele energie mogelijk maakt. Aangezien voorliggend initiatief enkel de ontwikkeling van een binnenstedelijke locatie ten behoeve van wonen mogelijk maakt, is er geen sprake van de winning van fossiele energie en vormt dit verder geen problemen ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Ook vormen dergelijke functies geen bedreiging voor de kwaliteit van de drinkwatervoorzieningen in Gelderland.
In het besluitgebied is in de huidige situatie geen oppervlaktewater aanwezig. Door dit project ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal ook niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Het project heeft geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.
Verder komt in en om het besluitgebied geen waterafhankelijke natuur voor. Het project heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.
In het besluitgebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij de maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.
Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.
Bij ontwikkeling van gebieden die voorheen onbebouwd of onverhard waren, dient de infiltratievoorziening een berging van minimaal 36 mm ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak te hebben. Bij herontwikkeling van bestaand verhard en/of bebouwd gebied is dit 20 mm. Bij extreme situaties moet voorkomen worden dat afstromend water binnen of buiten het plangebied schade veroorzaakt.
Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.
Bij het bepalen van de manier waarop het regenwater wordt afgevoerd, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater.
Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:
De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.
In dit besluitgebied wordt het regenwater opgevangen en geïnfiltreerd in de groene ruimte achter het appartementengebouw. Door toepassing van niet-uitlogende maatregelen wordt voorkomen dat het te infiltreren regenwater het grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt.
De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het besluitgebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw
De projectlocatie is niet gelegen in een gebied met oppervlaktewateren en er zijn ook geen primaire en regionale waterkeringen aanwezig. Toen het besluitgebied nog bebouwd was, was sprake van een vrijwel volledig verharde inrichting van het besluitgebied. In de toekomstige situatie is dit niet het geval doordat aan de westzijde van het appartementengebouw een groene invulling in de vorm van een stadstuin is voorzien. Hier is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in bergingscapaciteit van 60 mm zodat eventuele wateroverlast kan worden voorkomen. Hiermee wordt de waterkwaliteit en kwantiteit geborgd
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.
Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.
Geluid door activiteiten
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van:
Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66). Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk:
Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'. Op dit moment heeft de gemeente Apeldoorn nog geen gemeente breed omgevingsplan vastgesteld. Er zijn dus nog geen hindercontouren bekend en er kan nog niet worden getoetst aan etfal. Zodoende wordt terug gegrepen naar de VNG-publicatie. Daarnaast is bij de regels van het geldende bestemmingsplan een Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen, waarin tevens nog gebruik wordt gemaakt van de oude VNG-publicatie. Omdat de bestemmingsplannen onderdeel uitmaken van het omgevingsplan van rechtswege, mag hier naar worden terug gegrepen. In de VNG-publicatie is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt ervan uit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Motivering
Geluid door (spoor)wegen
Met voorliggend project is sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen de onderzoekszone van verschillende wegen. Daarom is een akoestisch onderzoek geluid weg- en spoorverkeer verricht. Het akoestisch onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij voorliggende motivering. In dit onderzoek zijn de 30 km/uur wegen Wiepkinstraat, Beekstraat, Stationsstraat, Kanaalstraat, Kanaal Noord en Baron Sloetkade meegenomen. Ook is gekeken naar de spoorlijn Amersfoort-Deventer. Uit het onderzoek volgt dat de standaardwaarde van 55 dB Lden als gevolg van de spoorweg niet wordt overschreden. Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Wat betreft de omliggende gemeentewegen tezamen geldt dat de standaardwaarde van 53 dB Lden in zijn geheel niet wordt overschreden. De hoogste geluidbelasting bedraagt 53 dB Lden op de zuidoostgevel. In werkelijkheid zal de geluidbelasting lager liggen aangezien in voorliggend onderzoek uit is gegaan van een conservatieve verkeersgeneratie ten gevolge van de ontwikkeling. Zo is de worst-case situatie berekend. Er wordt voldaan aan de waarden uit het Bkl.
Geluid door activiteiten
Het besluitgebied maakt onderdeel uit van een gebied dat bestaat uit diverse functies. Daarom is een quick scan milieubelastende activiteiten uitgevoerd. De quick scan milieubelastende activiteiten is bijgevoegd als bijlage bij voorliggende motivering. Daaruit volgt dat de beoogde ontwikkeling in de meeste gevallen geen hinder vanuit de omgeving hoeft te verwachten. Enkel de gronden met de bestemming 'Gemengd' aan de westzijde van het beoogde appartementencomplex vormen een mogelijke belemmering. Als feitelijk wordt gekeken naar de situatie van de gevestigde bedrijven in de noordwestelijk gelegen bebouwing, blijkt dat het feitelijke in gebruik is als kantoor, voor verschillende adviesbureaus. Dit gebruik valt onder de functie 'Overige zakelijke dienstverlening: kantoren' en heeft daarmee een maximale richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Verder is het feitelijke gebruik van het zuidwestelijke gebied op de verdiepingen wonen en op de begane grond als woonwinkel. Dit gebruik valt onder de functie 'Detailhandel voor zover n.e.g.', categorie 'Winkels in overige huishoudelijke artikelen'. Deze functie heeft een maximale richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. Op basis van de quick scan wordt geconcludeerd dat omliggende gronden met bijbehorende functies niet onevenredig worden geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en dat ter plaatse van het besluitgebied een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, voor wat betreft het aspect geluid is gewaarborgd. Een nader onderzoek naar de mogelijke geluideffecten van deze activiteiten is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geluid.
Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn.
In de bruidsschat – die onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan - zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten met een trillingsemissie. De regels bieden trillinggevoelige gebouwen bescherming tegen trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt door een activiteit op een locatie. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen (artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat).
Motivering
In voorliggende situatie worden geen nieuwe functies en activiteiten mogelijk gemaakt die trillingen veroorzaken. Verder zijn er in de omgeving geen activiteiten aanwezig die mogelijk trillingen veroorzaken. Om die reden is een nadere beschouwing van dit aspect niet aan de orde.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect trillingen.
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal regels rondom lucht veranderd. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moet getoetst worden aan de rijksomgevingswaarden. Toetsing aan de rijksomgevingswaarde is niet nodig als een project geen of weinig luchtverontreiniging veroorzaakt. Het project draagt dan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtvervuiling.
Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Motivering
Dit omgevingsplan maakt de bouw van maximaal 162 woningen mogelijk. De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is = 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen project zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Aanvaardbare geurhinder
De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
Motivering
In de direct omgeving van het besluitgebied bevinden zich geen geurveroorzakende activiteiten. Ook voorziet de ontwikkeling niet in nieuwe geurveroorzakende activiteiten. Een nadere beschouwing van dit aspect is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect geur.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Motivering
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel worden er met dit project nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Raadpleging van de digitale risicokaart van Atlas Leefomgeving laat zien dat in de directe omgeving van het besluitgebied enkel risicovolle activiteiten plaatsvinden in de vorm van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorweg. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart met daarop het besluitgebied weergegeven door middel van een rode cirkel. Daaruit volgt dat het besluitgebied niet een plaatsgebonden risico-contour van PR 10-6 of een aandachtsgebied ligt. Een nadere beschouwing van het aspect omgevingsveiligheid is daardoor niet noodzakelijk.
Uitsnede risicokaart met daarop het besluitgebied globaal rood omlijnd (bron: AtlasLeefomgeving.nl).
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.
Het aspect veiligheid wordt onder de Omgevingswet hoog aangeslagen. Veiligheid maakt deel uit van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet (artikel 1.3). Veiligheid is een belangrijk thema omdat het bijdraagt aan de volksgezondheid. Het aspect veiligheid valt uiteen in omgevingsveiligheid, hoogwaterveiligheid, brandveiligheid en constructieve veiligheid. Regels over de verschillende veiligheidsaspecten zijn/worden opgenomen in het omgevingsplan. Gemeenten zijn verplicht de risico's van rampen, crises en branden te adresseren door normen ervoor op te nemen in het omgevingsplan. Er is een zorgplicht voor zowel overheden als initiatiefnemers. De aspecten hoogwaterveiligheid, brandveiligheid en constructieve veiligheid worden daarom in deze paragraaf belicht.
Motivering
Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen op een onbebouwd perceel. Bij de realisatie van de woningen worden de benodigde (bouwkundige) eisen rondom brandveiligheid en constructieve veiligheid in acht genomen en nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Verder worden er met deze ontwikkeling geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt en is er geen sprake van (noemenswaardige) risico's op het gebied van hoogwaterveiligheid. Met dit project krijgt een onbebouwd perceel een nieuwe invulling. Dit zal een positief effect hebben op het (sociale) veiligheidsgevoel rondom het projectgebied, mede doordat het aantal 'ogen op de straat' ter plaatse toe zal nemen.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect veiligheid.
Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.
Motivering
In voorgaande paragrafen met betrekking tot de diverse milieuaspecten is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving voor wat betreft gezondheidsbescherming. Ook wordt een openbare groene ruimte gerealiseerd waar ruimte is voor recreëren en ontmoeten. Op deze manier wordt bewegen en het leggen van sociale contacten voor zowel bewoners als de verdere omgeving gestimuleerd en wordt ook een bijdrage geleverd aan gezondheidsbevordering.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.
Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma's: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS).
Rijksbeleid - Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS)
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is de overkoepelende Nederlandse strategie op het gebied van klimaatadaptatie. Deze strategie uit 2016 beschrijft de belangrijkste klimaatrisico's voor Nederland en zet de koers uit om deze risico's aan te pakken. Het programmateam NAS heeft deze koers vertaald naar plannen en acties in het uitvoeringsprogramma 2018 - 2019. Dit programma richt zich op sectoren, ketens, thema's en klimaatrisico's die niet in het Deltaprogramma en het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie voorkomen en vult een aantal thema's hieruit aan. Met het rapport 'Nationaal perspectief klimaatadaptatie' uit 2020 blikt het team terug op wat er tot dan toe bereikt is en biedt het perspectief voor de toekomst.
Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma
In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema's:
Alle drie de programma's bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten.
Kamerbrief 'Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm'
Op 23 maart 2023 is kamerbrief 'Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm' aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema's hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema's bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief 'Water en Bodem Sturend' randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid.
Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd. Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd.
Provinciaal beleid – Omgevingsvisie- en verordening Gaaf Gelderland
Het veranderend klimaat gaat aan niemand voorbij en raakt alle facetten van de omgeving. Zoals de Gelderse natuur – met haar vele grote en kleinere rivieren en rijkdom aan dier- en plantsoorten. Maar ook onze eigen gezondheid en veiligheid. De provincie wil hierop voorbereid zijn, daarom zetten ze vooral en eerst in op het tegengaan van de risico's en gevaren van de klimaatverandering. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de Provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico's om te gaan.
Ambities
In artikel 2.65b van de Omgevingsverordening Gelderland is het volgende artikel opgenomen:
Artikel 2.65b (klimaatadaptatie)
Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.
Beleid voor Natuur Inclusief- en Klimaat Adaptief ontwikkelen en bouwen
De gemeente Apeldoorn heeft dit beleid vastgelegd in NIKA (natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen). Zie hierover paragraaf 5.4.9.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect klimaatadaptatie.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het projectgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Soortenbescherming
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
Gebiedsbescherming
Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied Veluwe circa 2,4 kilometer van het besluitgebied ligt. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn directe verstoringen echter op voorhand uitgesloten. Van de ontwikkeling is geen sterke toename van stikstofemissie te verwachten. Toch kan sprake zijn van een kleine toename in stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige habitattypen. Derhalve is een AERIUS-berekening uitgevoerd.
Natura 2000
Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
Motivering
Op basis van een quick scan natuur is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de destijds geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied zijn. De quick scan natuur is bijgevoegd als bijlage bij voorliggende motivering. Naast beschermde natuurwaarden in het besluitgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet.
Gebiedsbescherming
Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied Veluwe circa 2,4 kilometer van het besluitgebied ligt. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen, behalve een toename van verzuring en vermesting van het Natura 2000-gebied, op voorhand uitgesloten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd, die als bijlage bij deze motivering is gevoegd. Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen resultaten zijn voor de projectberekening en situatieberekening onder de OwN2000-registratieset. Dit betekent dat nergens een depositie wordt berekend van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar.
Uit de uitgevoerde berekeningen voor de gebruiksfase, vanaf de ingebruikname in 2029 (90%) en in 2030 (100%) blijkt dat er geen sprake is van een toename op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe of andere stikstofgevoelige habitattypen op Natura 2000-gebieden. Nergens wordt een toename berekend van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Significante gevolgen op Natura 2000-gebieden gedurende de bouw- en aanlegfase zijn uitgesloten. Er zijn geen belemmeringen voor het aspect stikstof.
Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het besluitgebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het project dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
Soortenbescherming
In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.
In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Omgevingswet, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.
Mogelijk zijn ook nestplaatsen en essentieel leefgebied aanwezig van huismus. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van vleermuizen en leefgebied van de teunisbloempijlstaart aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van essentiële elementen van deze soorten is nader soortgericht onderzoek uitgevoerd.
In het besluitgebied is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van essentiële elementen van vleermuizen, huismus en teunisbloempijlstaart, de rapportage is bijgevoegd in de bijlage. Er zijn geen essentiële elementen van de teunisbloempijlstaart aanwezig in het besluitgebied. Tevens blijkt dat het besluitgebied wel een belangrijke functie maar geen essentiële functie heeft als leefgebied voor huismus en als foerageergebied voor vleermuizen.
Met de geplande werkzaamheden gaat geen essentieel leefgebied van de huismus en van de gewone dwergvleermuis verloren. Hierdoor is geen sprake van een schadelijke handeling die leidt tot een vergunningsplichtig geval. Om de werkzaamheden uit te kunnen voeren is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit benodigd. Wel is belangrijk om verstoring van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis rondom het besluitgebied te voorkomen door geen kunstmatig (bouw)licht direct op deze verblijfplaatsen te richten en dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht.
Doordat bij de woningbouwontwikkeling een deel van het gebied een groene inrichting krijgt, wordt opnieuw leefgebied voor huismus en gewone dwergvleermuis ontwikkeld. In het besluitgebied kunnen de volgende maatregelen genomen ter versterking van het leefgebied van huismus, vleermuizen en andere diersoorten:
Broedperiode en specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht van de Omgevingswet is altijd van toepassing. Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te verrichten buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen). Ook kan er gefaseerd worden gewerkt om dieren de kans te geven om te vluchten.
Broedende vogels, vanaf het bouwen van het nest tot het uitvliegen van de jongen, zijn strikt beschermd. De broedende vogels en hun jongen mogen niet verstoord, verwond en gedood worden. Daarnaast mogen in gebruik zijnde nesten ook niet beschadigd en vernield worden. Zonder maatregelen kan dit bij ruimtelijke ingrepen wel gebeuren. Er is echter voor ruimtelijke ontwikkelingen geen vrijstelling hiervoor te verkrijgen in het kader van de Omgevingswet. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten, zodat er vanwege de dan aanwezige verstoring geen vogels in de buurt gaan broeden. De werkzaamheden kunnen dan vervolgens wel in de broedperiode doorlopen.
Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.
Houtopstanden
Binnen het plangebied is geen houtopstand aanwezig. In het plangebied zijn wel bomen en struiken aanwezig. Maar deze bomen en struiken zijn geen onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter en zijn ook geen onderdeel van een rijbeplanting die groter is dan 20 bomen. De aanwezige bomen en struiken kwalificeren zich zodoende niet als een houtopstand.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect natuur.
De nota 'Fundament Voor Buitengewoon Talent, Apeldoornse Cultuur- en Erfgoednota 2025-2030' is door de gemeenteraad vastgesteld en ingegaan op 1 januari 2025. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Voor gebiedsontwikkelingen wordt gesteld: “We gaan vormgeven aan nieuwe gebiedsontwikkelingen. Die moeten niet kleurloos zijn, maar een karaktervolle Apeldoornse invulling krijgen. We bouwen voort op de al bestaande kwaliteiten. De geschiedenis van Apeldoorn is uitgangspunt en inspiratiebron bij deze ruimtelijke ontwikkelingen.”
Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.
Op 29 december 2023 is de Erfgoedverordening gemeente Apeldoorn 2023 vastgesteld. Met inwerkingtreding van deze Erfgoedverordening worden geen nieuwe karakteristieke panden meer aangewezen en zijn bestaande karakteristieke panden vanaf 1 januari 2024 niet meer via het bestemmingsplan maar via het (tijdelijke) omgevingsplan beschermd. Vanaf inwerkingtreding van de nieuwe Erfgoedverordening worden alleen nog beeldbepalende panden aangewezen. Bij de overgang naar het definitieve omgevingsplan voor Apeldoorn worden de beeldbepalende en karakteristieken panden geïntegreerd.
Archeologische beleidskaart
De archeologische beleidskaart (vastgesteld door de gemeenteraad op 18 juni 2015) kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met archeologische verwachtingen. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht. De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. Daarbij gaat het om:
Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden.
Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.
Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden
Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.
Categorie 3: Terrein met archeologische waarden
Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.
Categorie 4: Zone met (middel-)hoge archeologische verwachting
In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting
In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.
Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting
In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.
Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt
De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën wanneer de totale oppervlakte aan geplande bodemingrepen de betreffende oppervlaktemaat overschrijdt en bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.
Per 1 januari 2025 wordt deze nota opgevolgd door 'Fundament Voor Buitengewoon Talent Cultuur en Erfgoednota 2025-2030'. Hierin wordt gesteld: “We gaan vormgeven aan nieuwe gebiedsontwikkelingen. Die moeten niet kleurloos zijn, maar een karaktervolle Apeldoornse invulling krijgen. We bouwen voort op de al bestaande kwaliteiten. De geschiedenis van Apeldoorn is uitgangspunt en inspiratiebron bij deze ruimtelijke ontwikkelingen.”
Motivering
Het besluitgebied ligt op basis van de Archeologische Beleidskaart 2015 in Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting. Als gevolg van voorliggende ontwikkeling worden de grenswaarden die bij deze categorie horen overschreden. Daarom is een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage bij voorliggende motivering.
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het besluitgebied ter hoogte van een sneeuwsmeltwaterwaaier ligt. De ondergrond bestaat uit fluvioperiglaciale afzettingen, eventueel bedekt met dekzand. Mogelijk is sprake van (oorspronkelijk) ondiepe grondwaterstanden en hebben zich goor- en/of beekeerdgronden gevormd. Delen van het besluitgebied zijn afgegraven, met de diepste afgraving in het noorden van het besluitgebied.
Het pleistocene landschap kan bewoond zijn geweest vanaf het Laat-Paleolithicum. In de 18e eeuw is het plangebied waarschijnlijk onbebouwd. In het begin van de 19e eeuw bevinden zich in het noorden en zuiden van het besluitgebied een huis en erf. Het overgrote deel van het besluitgebied is in deze periode in gebruik als bouwland. In de 19e een 20e eeuw wordt het besluitgebied bebouwd, onder andere met een gashouder van de Apeldoornse gasfabriek. Alle bebouwing is nu gesloopt. Het terrein is gesaneerd en daarvoor deels ontgraven.
Tijdens het booronderzoek zijn zes boringen gezet met einddieptes tussen 100 en 200 cm -mv. De boringen bevestigen dat de ondergrond uit fluvioperiglaciale afzettingen bestaat. De bodemopbouw bestaat voor een groot deel uit een omgewerkt of opgebracht pakket dat direct op de C-horizont ligt. In één boring in het midden van het besluitgebied is de bodem nog (deels) intact. Hier bestaat de bodem uit een A- op B- op C-horizont. In het noorden van het besluitgebied is de bodem tot diep in de C-horizont afgegraven.
De top van de B-horizont ter hoogte van boorpunt 4 en de top van de C-horizont zijn een potentieel archeologisch niveau. Echter, gezien de historische ontwikkeling (bebouwing, afgravingen en saneringen) is de verwachting dat het potentiële archeologische niveau slechts fragmentarisch intact is. De kans wordt daarom als klein ingeschat dat bij de voorgenomen ingrepen behoudenswaardige archeologische resten vergraven zullen worden. Derhalve wordt geadviseerd om het besluitgebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Conclusie
Op 18 november 2024 is door het bevoegd gezag een selectiebesluit genomen. In dit besluit is bepaald dat gelet op de wisselende verstoringsdiepte die uit de boringen is gebleken en de archeologische verwachting die uit het bureauonderzoek blijkt, een proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd. Dit proefsleuvenonderzoek moet voorafgaand aan realisering van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.
Voorafgaand aan het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek moet door of namens initiatiefnemer een Programma van Eisen worden opgesteld. Dit Programma van Eisen moet door de Sectie Archeologie gemeente Apeldoorn (SAGA) worden geaccordeerd. Todat middels een selectiebesluit vrijgave is verleend mogen er, met uitzondering van archeologisch onderzoek, geen bodemingrepen binnen het besluitgebied plaatsvinden.
De nota 'Fundament Voor Buitengewoon Talent, Apeldoornse Cultuur- en Erfgoednota 2025-2030' is door de gemeenteraad vastgesteld en ingegaan op 1 januari 2025. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Voor gebiedsontwikkelingen wordt gesteld: “We gaan vormgeven aan nieuwe gebiedsontwikkelingen. Die moeten niet kleurloos zijn, maar een karaktervolle Apeldoornse invulling krijgen. We bouwen voort op de al bestaande kwaliteiten. De geschiedenis van Apeldoorn is uitgangspunt en inspiratiebron bij deze ruimtelijke ontwikkelingen.”
Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.
Op 29 december 2023 is de Erfgoedverordening gemeente Apeldoorn 2023 vastgesteld. Met inwerkingtreding van deze Erfgoedverordening worden geen nieuwe karakteristieke panden meer aangewezen en zijn bestaande karakteristieke panden vanaf 1 januari 2024 niet meer via het bestemmingsplan maar via het (tijdelijke) omgevingsplan beschermd. Vanaf inwerkingtreding van de nieuwe Erfgoedverordening worden alleen nog beeldbepalende panden aangewezen. Bij de overgang naar het definitieve omgevingsplan voor Apeldoorn worden de beeldbepalende en karakteristieken panden geïntegreerd.
Motivering
Het plangebied bestond tot in de jaren '90 uit woningen langs de Kanaalstraat en bedrijfsgebouwen van de voormalige gasfabriek op het achterterrein. De gasfabriek was gesticht in 1862, en groeide daarna geleidelijk uit tot een groot complex, dat in de 1960er jaren weer buiten werking werd gesteld. De voormalige gasfabriek aan de Beurvaarstraat 10 is beschermd als gemeentelijk monument. Naast de gasfabriek, aan de Stationsstraat 122, staat een voormalige villa uit omstreeks 1875-1880, dat is aangewezen als 'karakteristiek pand'. Langs de Kanaalstraat stonden al sinds de vroege 19de eeuw woningen. Rond 1865 werd het kanaal ten zuiden van de Deventerbrug verlengd. Dit kanaal heeft hoge cultuurhistorische waarde. Bij de stedenbouwkundige opzet van de beoogde woningbouw is rekening gehouden met de karakteristieken en structuur van de omgeving waartoe het besluitgebied behoort. Daarmee wordt gesteld dat de ontwikkeling niet zorgt voor eventuele aantasting van de directe omgeving van aanwezige monumenten en overige aanwezige cultuurhistorische waarden.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect cultuurhistorie.
Verkeersvisie 2016-2030
Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 - 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.
Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.
Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.
Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.
Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.
De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:
In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.
Motivering
Het beoogde appartementencomplex zal worden ontsloten op de Kanaalstraat en Kanaal Noord. In de huidige situatie is dit een eenrichtingsweg richting de Stationsstraat. In de binnenstad van Apeldoorn worden uitgebreide ontwikkelingen beoogd in de verkeersstructuur, waaronder een herziening van de kruispunten aan de Stationsstraat en het omdraaien van het éénrichtingsverkeer op de Stationsstraat/Kanaalstraat. Dit soort ontwikkelingen hebben grote impact op het bredere wegennet, waar een uitgebreidere studie naar zal (moeten) worden gedaan.
In een verkeersonderzoek is de verkeerskundige impact van de beoogde ontwikkeling onderzocht. Het verkeersonderzoek is bijgevoegd als bijlage bij voorliggende motivering. De ontwikkeling genereert 668 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Dit komt neer op omgerekend 55 pae (personenauto-equivalent: hiermee kunnen verkeersintensiteiten worden uitgedrukt in het aantal personenauto's aan ruimte dat het verkeer inneemt. Als voorbeeld; een vrachtwagen met oplegger neemt de ruimte in van 2,3 personenauto's. In de telling wordt het dus gerekend als 1 motorvoertuig, maar ook als 2,3 pae) tijdens het drukste ochtendspitsuur, en 62 pae tijdens het drukste avondspitsuur. Op de Kanaalstraat, Kanaal Noord en de Stationsstraat leidt dit niet tot bezwaren ten aanzien van verkeersveiligheid en -leefbaarheid. De verkeersintensiteiten vallen in de toekomstige situatie binnen de kaders die door het CROW worden gesteld. De kruispunten kunnen we met de beschikbare informatie en de mate van onderzoek die bij een ontwikkeling zoals deze past onvoldoende beoordelen. We adviseren de hoeveelheid verkeer als gevolg van de ontwikkeling als gegeven mee te nemen in de bredere bovenplanse studie die nodig is voor de aanpassingen in de verkeerscirculatie die gaan plaatsvinden in het centrum van Apeldoorn. Hierin kunnen dan bijvoorbeeld ook specifieke instellingen van VRI's worden meegenomen en kan rekening worden gehouden met kenmerken zoals de busbaan. Het aspect 'verkeer' staat de ontwikkeling dus ook niet in de weg.
Op 13 juni 2024 is de beleidsregel parkeren 2024 vastgesteld. De beleidsregel Parkeren 2024 vervangt de Beleidsregel Parkeren 2019 en de daarin opgenomen parkeernormen. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's. De beleidsregel is van toepassing op de actualisering van wijk- of gebiedsomgevingsplannen en op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (bouwen en gebruik) in afwijking van het omgevingsplan dan wel een verzoek om wijziging van het omgevingsplan nodig is.
Met deze Beleidsregel Parkeren beoogt Apeldoorn te sturen op de leefbaarheid en bereikbaarheid van Apeldoorn. In de Omgevingsvisie 'Woest Aantrekkelijk Apeldoorn' zijn doelstellingen verwoord voor de ontwikkeling van de stad en haar omgeving als het gaat om het realiseren van nieuwe woningen bedrijven en andere functies. Het onderwerp parkeren is hierbij een belangrijk sturingselement. Deze nieuwe ontwikkelingen (nieuwbouw, functieverandering of uitbouw) kunnen gepaard gaan met een parkeerbehoefte, een parkeervraag en een toenemend parkeerdruk in de openbare ruimte. Een te hoge parkeerdruk leidt tot ongewenst zoekverkeer en bereikbaarheids- en leefbaarheidsprobleem. De gemeente Apeldoorn wil zich ontwikkelen tot een duurzame en groene gemeente, met speciale aandacht voor de Binnenstad, Kanaalzone en de Spoorzone. Hier wordt ingezet op het ontwikkelen van gebieden met een hoge kwaliteit in de openbare ruimte met veel ruimte voor duurzame vormen van mobiliteit.
Motivering
In een parkeeronderzoek, dat is bijgevoegd als bijlage bij deze motivering, is de parkeeropgave berekend voor onderhavige ontwikkeling. De parkeeropgave conform de parkeernormen van de gemeente Apeldoorn bedraagt 74,5, afgerond 75 parkeerplaatsen, zie navolgende tabel.
Berekening parkeervraag
In het parkeeronderzoek is in kaart gebracht hoe de parkeeropgave bijgesteld kan worden. De gemeente biedt in eerste instantie de mogelijkheid om deze door het aanbieden van deelauto's met maximaal 20% te reduceren, waarbij 1 deelauto 5 privéauto's vervangt. Vanuit literatuur en referenties is de maximale reductie van 20% te onderbouwen. Voor de vervangingswaarde is een vervangingswaarde van 1 deelauto per 4 privéauto's realistischer. Dit leidt tot het overzicht in navolgende tabel.
Effect van toepassing van deelauto's op de bewonersparkeeropgave.
De gemeente geeft in het Beleidsplan Parkeren aan dat moet worden geborgd dat het toepassen van deelmobiliteit realistisch is en niet leidt tot overlast, maar biedt hiervoor geen concrete uitgangspunten. In de nadere uitwerking dient dit dan ook samen met de gemeente te worden vormgegeven. Hierbij kunnen we vanuit de literatuur- en referentiestudie een aantal aanknopingspunten bieden:
Fietsparkeren
Voor het fietsparkeren baseert de gemeente zich op de CROW-richtlijnen 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Voor de invulling van de parkeeropgave bestaan twee opties:
Artikel 4.172 (aanwezigheid, bereikbaarheid en afmetingen) van het 'Besluit Bouwwerken Leefomgeving' stelt het volgende:
Invulling fietsparkeervraag
Het plan bestaat uit 162 woningen, waarvan 73 met een gebruiksoppervlak van meer dan 50 m2 en 89 met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2. Het plan voorziet in 73 tot 933 individuele bergingen die voldoen aan de hiervoor bij Bbl artikel 4.172 1. en 3. en artikel 4.173 genoemde criteria. Voor de woningen groter dan 50 m2 wordt dus in de fietsparkeeropgave voorzien doormiddel van individuele bergingen.
Daarnaast is in het plan een gemeenschappelijke bergruimte/fietsenstalling van circa 230 m2 geprojecteerd, deze voldoet aan de hiervoor bij Bbl art. 4.172 2. en 3. en artikel 4.173 genoemde criteria. Voor woningen kleiner dan 50 m2 moet worden voorzien in 2 fietsparkeerplekken per woning, beiden in een laag rek. Er is voldoende ruimte om deze fietsparkeerplaatsen in te passen. Voor het fietsparkeren wordt dus voldaan aan de Beleidsregels Parkeren 2024 van de gemeente Apeldoorn.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect mobiliteit en parkeren.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g Bkl) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de Ladder is vereist.
Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied wordt voorzien.
Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.' Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.
Motivering
Het voornemen bestaat om maximaal 162 nieuwe wooneenheden te realiseren. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bkl. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het project, in vergelijking met het voorgaande project, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte de ontwikkeling maakt in vergelijking met het voorgaande project.
Gelet op het voorgaande is voorliggende ontwikkeling binnen het besluitgebied aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze is als bijlage bijgevoegd bij voorliggende motivering. In deze toets is aangetoond dat deze ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor het verzorgingsgebied. Deze behoefte wordt gerealiseerd binnen stedelijk gebied. Daarbij komt dat het besluitgebied in het gemeentelijk ruimtelijk beleid reeds jaren is aangewezen als wenselijke locatie voor woningbouw. Daarmee wordt geconcludeerd dat het project de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect Ladder voor duurzame verstedelijking.
Bij nieuwe ontwikkelingen weegt de gemeente het belang mee van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Dit volgt uit artikel 5.162 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij een ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met mensen met een functiebeperking.
Motivering
Voorliggende ontwikkeling voorziet primair in de herontwikkeling van gronden die buiten de openbare buitenruimte liggen. Wel wordt met de ontwikkeling openbaar groen toegevoegd. Deze openbare ruimte is bereikbaar via een opening in het beoogde appartementengebouw en via de Beurtvaartstraat. Langs de Kanaalstraat bevinden zich reeds een stoep en een fietspad. De toekomstige bewoners kunnen hier zonder problemen gebruik van maken.
Conclusie
Het besluit voldoet aan de kaders voor het aspect toegankelijkheid openbare buitenruimte.
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn:
Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.
De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een private partij. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit project is hiermee voldoende aangetoond.
Na afronding van het participatieproces is de formele procedure gestart. De wijziging van het omgevingsplan is digitaal gepubliceerd via de IMRO-standaard en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen.
Het ontwerp-omgevingsplan (wijzigingsbesluit) en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken voor iedereen ter inzage gelegd (artikel 3:11 Awb). Binnen deze termijn heeft iedereen de mogelijkheid gekregen een zienswijze in te brengen. Er zijn 15 zienswijzen ingediend. Deze hebben op enkele punten geleid tot een aanvulling van de bijlagen bij de planmotivering. De zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie in de Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen.
Daarnaast heeft ook afstemming plaatsgevonden met de relevante bestuursorganen c.q. instanties, zoals bedoeld in artikel 2.2 Omgevingswet. In dit geval is het ontwerpplan toegezonden aan de provincie Gelderland, aan het waterschap Vallei en Veluwe en aan GGD Noord- en Oost Gelderland.
Provincie en waterschap hebben geen opmerkingen ter verwerking doorgegeven.
Van de kant van de GGD is - samengevat - het volgende aangegeven.
Advies GGD
Het aspect gezondheid in het omgevingsplan Kanaalstraat Noord moet verder worden uitgewerkt. Belangrijke gezondheidsthema's als hittestress, sociale cohesie, toegang tot groen, beweegvriendelijkheid en psychisch welbevinden zijn niet concreet uitgewerkt.
De GGD is erg laat betrokken, waardoor er een gemiste kans wordt gezien om gezondheidsbeleid effectief te verankeren in planvorming.
De GGD adviseert om gezondheid centraal te stellen, beleid en planvorming beter te verbinden (o.a. via de 12 kernwaarden Gezonde Leefomgeving), en het plan klimaatadaptief, groen en sociaal in te richten. Daarnaast worden concrete uitvoeringsadviezen gegeven voor vergroening, waterberging, langzaam verkeer, parkeeroplossingen en emissiearme bouw.
Reactie gemeente
Wij erkennen dat gezondheid een thema is dat aandacht behoeft bij de ontwikkelingen nu en in de toekomst. Echter, ook bij het voorliggende plan is rekening gehouden met de genoemde thema's en zijn deze in de opzet van het plan geïntegreerd. Dit onder meer overeenkomstig het NIKA-beleid van de gemeente Apeldoorn. Voor de verdere uitvoering danken wij voor de adviezen en geldt dat wij deze daarbij zullen betrekken. Verder hebben wij notie genomen van de uitdrukkelijke wens om eerder betrokken te worden. Dit is een begrijpelijke wens en wij zullen ons inspannen om hieraan beter tegemoet te komen om zo de integratie van het aspect gezondheid te bevorderen.
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.
In Hoofdstuk 5 Relevant beleid van Rijk, Provincie en Gemeente en de Hoofdstukken 6 en 7 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in en rondom het besluitgebied.
Met deze ontwikkeling wordt woonkwaliteit toegevoegd aan de binnenstad van Apeldoorn en wordt er een passende en duurzame invulling gegeven aan een braakliggend terrein dat reeds jaren in beeld is voor woningbouw. Uit de uitgevoerde onderzoeken volgt dat voldaan kan worden aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Al met al wordt zowel vanuit beleidsmatig perspectief, maar ook vanuit een integrale afweging en beoordeling van alle aspecten behorende bij de fysieke leefomgeving, aangesloten bij het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.