direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Nieuwe Voorweg 23 Lieren
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.bp1395-vas1

TOELICHTING

behorende bij het bestemmingsplan Nieuwe Voorweg 23 Lieren

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Op de locatie is een bestaand agrarisch bedrijf gevestigd. Het betreft thans een grondgebonden veehouderijbedrijf met kalfkoeien. Dit agrarische bedrijf (toen een melkveehouderij) is destijds niet als zodanig ingepast in het geldende bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid. De agrarische activiteiten zijn tot op heden voortgezet. Geconcludeerd kan worden dat bebouwing en gebruik hiermee onder het overgangsrecht vallen.

De gemeente Apeldoorn is voornemens om mee te werken aan de reparatie van de bestemming op het perceel Nieuwe Voorweg 23 te Lieren en verplaatsing van de veestal naar de noordkant van de beek. Hiertoe is in het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied Beekbergen en Loenen' een bestemming opgenomen die overeenkomt met het al die jaren aanwezige gebruik.

1.2 Ligging en begrenzing

Het perceel Nieuwe Voorweg 23 Lieren (kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie M, nummers 605, 420 en 2385) ligt aan de noordoostzijde van het dorp Lieren en de toekomstige woningbouwlocatie Beekvallei en wordt in tweeën gedeeld door de Oude Beek.

1.3 Geldend bestemmingsplan

De locatie maakt deel uit van bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid (onherroepelijk 11 juni 2003). Op grond van geldende bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid heeft het perceel Nieuwe Voorweg 23 de bestemming 'Woondoeleinden' ten zuiden van de beek en 'Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden' met de aanduidingen 'natuurontwikkelingsgebied' en 'natte verspreide natuurwaarden' ten noorden van de beek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0001.png"

Bestemmingsplan Stuwalrand Parkzone Zuid

De locatie maakt tevens onderdeel uit van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan 'Buitenbgebied Beekbergen en Loenen', dat als ontwerp vanaf 17 mei 2018 ter inzage heeft gelegen. De reparatie van de bestemming op deze locatie is onderdeel van dat bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0002.png"

Ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Beekbergen en Loenen

Op 14 juni 2019 is vooruitlopend op het bestemmingsplan 'Buitengebied Beekbergen en Loenen' een omgevingsvergunning aangevraagd namens de eigenaar van het perceel voor het realiseren van een potstal op het adres Nieuwe Voorweg 23 Lieren op het gedeelte ten noorden van de beek. Met deze aanvraag wordt onder andere gevraagd af te wijken van het bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid.

1.4 Werkwijze en opzet van de toelichting

Het bestemmingsplan bestaat uit een plankaart en planregels en gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting begint met een beschrijving van het relevante beleidskader. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de historische, bestaande en toekomstige ruimtelijke situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 vindt afstemming met het relevante beleidskader plaats en wordt aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt de juridische planopzet nader toegelicht. Afsluitend zijn de resultaten van inspraak en overleg opgenomen.

2 BELEIDSKADER

2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In deze structuurvisie geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Om dat te bereiken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...') en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk werkt aan eenvoudiger regelgeving en verwacht dat medeoverheden zich ook inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving.

In de structuurvisie formuleert het kabinet zijn ambities voor 2040.

Concurrentiekracht: in 2040 behoort Nederland tot de top 10 van meest concurrerende economieën van de wereld met een kwalitatief hoogwaardig vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers door een goede ruimtelijk-economische structuur.

Bereikbaarheid: in 2040 beschikken gebruikers over optimale ketenmobiliteit door een goede verbinding van de verschillende mobiliteitsnetwerken via multimodale knooppunten (voor personen en goederen) en door een goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.

Leefbaarheid en veiligheid: in 2040 sluiten de woon- en werklocaties in steden en dorpen aan op de (kwalitatieve) vraag en locaties voor tranformatie en herstructurering worden zoveel mogelijk benut. In 2040 biedt Nederland zijn burgers een veilige en gezonde leefomgeving, met een goede milieukwaliteit, zowel in stedelijk als in landelijk gebied. Nederland is blijvend beschermd tegen extreme weersomstandigheden, mogelijke overstromingen als gevolg van de zeespiegelstijging en er is voldoende zoetwater in droge perioden; Nederland is een bepalende speler in de internationale transitie naar duurzame mobiliteit en Nederland heeft nog steeds de bestaande (inter)nationale unieke cultuurhistorische waarden en een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt. Nederland kent in 2040 een robuust internationaal energienetwerk en de transitie naar duurzame energiebronnen is ver gevorderd.

2.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0003.png"

2.3 Omgevingsverordening Gelderland

Op grond van artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omtrent de daarbij behorende toelichting. De provinciale verordening

Provinciale staten van Gelderland hebben van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vast te stellen. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening (op grond van artikel 4.1 Wro), milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn regels opgenomen die nodig zijn om de provinciale ambities waar te maken, provinciale belangen veilig te stellen of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem opgenomen.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De regels van de Omgevingsverordening Gelderland die voor dit plangebied van toepassing zijn, worden per planologisch aspect besproken in hoofdstuk 4.

2.4 Structuurvisie Apeldoorn biedt ruimte

Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor zowel stad als land.

De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie kiest de gemeente er voor om daarop niet te reageren met een dichtgetimmerd plan maar door zoveel mogelijk (beleids)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.

De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. De gemeente wil het fundament van Apeldoorn koesteren en versterken. Want alleen daardoor blijft de leefkwaliteit op peil en blijft Apeldoorn aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie. De gemeente stelt hoge kwaliteitseisen aan het fundament en wil er zelf in blijven investeren.

Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is: Apeldoorn is een comfortabele gezinsstad met een toeristisch toplandschap; heeft een veelzijdige economie en kent lokale duurzaamheid.. Aan deze ambities wil Apeldoorn samen met andere partijen bouwen.

De structuurvisie is een uitnodiging aan de samenleving om Apeldoorn mooier te maken. 'Apeldoorn biedt ruimte' staat voor ruimte bieden aan ideeën en initiatieven die passen bij de Buitenstad. De gemeente zal daarbij faciliteren en ondersteunen. Buiten het fundament van de Buitenstad biedt de gemeente hiervoor veel handelingsvrijheid, bijvoorbeeld door flexibel te bestemmen.

Niet alles gaat vanzelf. In sommige delen van Apeldoorn spelen ingewikkelde vernieuwingsopgaven. Opgaven die belangrijk zijn voor Apeldoorn als geheel, waarbij vaak hard gewerkt moet worden om iets van de grond te krijgen. In de structuurvisie worden die opgaven 'dynamo's' genoemd, elementen die eerst in beweging moeten komen voordat ze energie gaan opleveren. Het centrumgebied van Apeldoorn, de centrale delen van de Kanaalzone en kleinschalige herstructurering van wijken, buurten en dorpen zijn voorbeelden. De gemeente neemt in de dynamo's de regierol op zich. In de dynamo's ligt ook programmatisch de hoogste prioriteit. De verdere invulling ervan bepaalt de gemeente samen met initiatiefnemers.

De fundamenten uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' die relevant zijn voor dit plangebied en waarmee rekening is gehouden bij de planvorming zijn:

  • overgangszone IJsselvallei

Tegenover de kwaliteiten van de Veluwe aan de westkant van Apeldoorn liggen aan de oostkant de veel weidsere landschappelijke kwaliteiten van de IJsselvallei. In de overgangszone tussen de twee landschappen ligt een aantrekkelijk kleinschalig landschap met beekdalen en enken, dat op een prachtige manier is verweven met de dorpen Wiesel, Wenum, Beekbergen, Lieren, Loenen en Zilven. Het behouden van de kwaliteiten van dit gebied richt zich op het handhaven van de kenmerkende openheid en de afwisseling met landschappelijke coulissen, het reliëf en de cultuurhistorische en ecologische waarden.

  • Apeldoorns kanaal, beken & sprengen

Het Apeldoornse watersysteem is uniek en vormt een zeer karakteristieke kernkwaliteit van de Buitenstad. Vooral in de dorpen en woongebieden op en rond de Veluwerand zijn water, groen en woonkwaliteiten van oudsher nauw met elkaar verweven. Dit zijn overigens wel kwaliteiten die de afgelopen decennia behoorlijk onder druk zijn komen te staan. Sinds het begin van de jaren zeventig is het Apeldoorns Kanaal afgesloten voor de scheepvaart en onder invloed van het groeiende autoverkeer zijn vele beken en sprengen uit het straatbeeld verdwenen. Al een aantal jaren zetten we daarom in op het (recreatief) herbenutten van het Apeldoorns Kanaal en op herstel van de beken en sprengen in stad en buitengebied. Daarbij speelt ook de functie van de beken en sprengen op het gebied van waterberging, natuur en cultuurhistorie een rol.

2.5 Welstandsbeleid

Artikel 12a van de Woningwet verplicht iedere gemeente om een welstandsnota vast te stellen. Die welstandsnota moet, in de vorm van beleidsregels, criteria bevatten voor de welstandstoetsing. Om te voldoen aan deze verplichting heeft de gemeenteraad in juni 2017 de Welstandsnota 2017-2020 'Aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De welstandsnota is het kader waaraan de onafhankelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit toetst of aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Doel van de welstandsnota is het zorgen voor een goede balans tussen het borgen van de basiskwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving en het bieden van ruimte aan initiatiefnemers. Bij de welstandsnota hoort een website die het welstandsbeleid voor iedereen toegankelijk maakt.

De nota gaat uit van één welstandsniveau voor álle gebieden van de hele gemeente Apeldoorn en werkt vanuit een piramide:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0004.png"

  • Vergunningvrije bouwwerken: geen welstandstoetsing
    Onder deze categorie valt het grootste deel van de bouwwerken;
  • Veelvoorkomende bouwwerken:  eenduidige criteria die voor de hele gemeente gelijk zijn.
    Het grootste deel van de vergunningplichtige bouwwerken, zoals erkers en dakkapellen, valt onder deze categorie. In deze categorie is ook het reclamebeleid ondergebracht;
  • Specifieke bouwwerken: welstandstoetsing op basis van gebiedsgerichte doelstellingen
    Onder deze categorie vallen de grotere bouwplannen. De gebiedsgerichte doelstellingen zijn per dorp, wijk, gebied of gebiedstype geformuleerd. Het werken met doelstellingen die de kernkwaliteiten van het gebied beschrijven in plaats van te werken met stringente criteria waaraan het bouwwerk moet voldoen, maakt verschillende ontwerpoplossingen mogelijk en biedt daarmee ruimte voor de initiatiefnemer.

3 BESTAANDE EN NIEUWE SITUATIE PLANGEBIED EN OMGEVING

3.1 Historie

Het plangebied is gelegen aan weerszijden van de Beekbergense of Oude Beek ten noorden van het dorp Lieren. De omgeving wordt gekenmerkt door een eeuwenoud agrarisch landschap. De beek is hier in de late middeleeuwen gelegd ten behoeve van het aandrijven van de verder oostelijk gelegen watermolen (de Gasthuismolen).

Vanouds lagen de akkers op de enk ten zuiden van de Nieuwe Voorweg (dus ook ten zuiden van de beek), en lagen langs de beek de graslanden of beemden. Verder naar het noorden lagen de onontgonnen natte heidegronden van het Beekbergse Broek. Tussen ongeveer halverwege de 19de eeuw en de vroege 20ste eeuw zijn deze ontgonnen tot grasland. Langs de beek waren de graslanden in meerderheid verkaveld in langwerpige min of meer rechthoekige percelen, haaks op de beek. Langs de beek stond (en staat nog steeds) opgaande boombeplanting (met name langs de zuidkant). Langs de perceelsranden haaks op de beek stonden vaak elzen, die in de 20ste eeuw veelal zijn gekapt.

De boerderijen stonden bijna allemaal op de overgang tussen enk en beemden. Dat geldt ook hier. De boerderij is waarschijnlijk rond het midden van de 19de eeuw gebouwd en sindsdien zijn er langzamerhand meer bijgebouwen omheen gebouwd. In de 19de eeuw lag er op dit perceel aan beide zijden van en evenwijdig aan de beek een onverharde weg en ook de Veldbrugweg bestond reeds. De noordelijke weg langs de beek is bij de ruilverkaveling van 1954 opgeheven, en de zuidelijke weg werd toen verplaatst van tussen beek en boerderijen naar de zuidkant van de boerderijen. Vandaar de naam Nieuwe Voorweg.

3.2 Bestaande situatie

Op de locatie Nieuwe Voorweg 23 Lieren is een bestaand agrarisch bedrijf gevestigd. Het betreft een grondgebonden veehouderijbedrijf met kalfkoeien: 28 stuks overig rundvee ouder dan 2 jaar en 3 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar.

Op het perceel ten zuiden van de Oude beek bevinden zich de karakteristieke boerderij, bestaande uit een woongedeelte en een deel waar het vee wordt gehouden, een werktuigenberging en diverse schuren. Op dit perceel vindt in de beekzone ook de opslag van ruwvoer plaats en is een mestplaat aanwezig. Langs de beek staat (met name aan de zuidkant) opgaande boombeplanting.

Op het perceel ten noorden van de Oude beek staan een paar oude kippenschuren, die in slechte staat verkeren. Het agrarisch cultuurland rondom de schuren bestaat uit grasland met soortenarme vegetatie van raaigras en wordt intensief beheerd. De van oudsher aanwezige verkaveling met langwerpige min of meer rechthoekige percelen, haaks op de beek is ter plaatse van het plangebied nauwelijks nog zichtbaar.

Het agrarisch bedrijf beschikt over circa 15 hectare aan landbouwgronden, waarvan de meeste gronden in de directe omgeving van het bedrijf zijn gelegen. Naast de gronden waarop de bouwing staat, worden deze gebruikt voor beweiding, bemesting en de productie van ruwvoer.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0005.png" e

Luchtfoto 2019

Het agrarische bedrijf aan de Nieuwe Voorweg 23 te Lieren is destijds niet als zodanig ingepast in het geldende bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid. De agrarische activiteiten zijn echter tot op heden voortgezet. Geconcludeerd kan worden dat bebouwing en gebruik hiermee onder het overgangsrecht van dit bestemmingsplan vallen.

Op grond van bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone Zuid hebben kleine agrarische bedrijven met een bedrijfsomvang tussen 20 en 55 NGE een denkbeeldig bouwvlak van 130 x 130 meter, waarbinnen maximaal 2.500 m2 aan bedrijfsbebouwing mag worden opgericht.

Aangetoond is dat het bedrijf ten tijde van de vaststelling een klein agrarisch bedrijf was in de zin van genoemd bestemmingsplan (bedrijfsomvang van 29,9 NGE op basis van 1 september 1994 geaccepteerde melding ex artikel 8.19 Wmb en 51 NGE op basis van de stallijst uit 2001). Ook is aangetoond dat het bedrijf thans een klein agrarisch bedrijf is (bedrijfsomvang met een SVC van € 1.610,-- uit te groeien naar ruim € 30.000,--). Tevens staat vast dat alle bestaande bebouwing (circa 900 m2) is gelegen binnen het denkbeeldige bouwvlak en niet meer bedraagt dan 2.500 m2.

3.3 Nieuwe situatie

Reparatie bestemmingsplan

Gezien het vorenstaande is het voornemen van de gemeente om het bestemmingsplan te repareren door alsnog een Agrarische bestemming met bouwvlak toe te kennen. De reparatie is ook al onderdeel van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Beekbergen en Loenen. De procedure tot vaststelling van dit bestemmingsplan is voorlopig stilgelegd, vandaar dat voor dit perceel een aparte bestemmingsplanprocedure wordt doorlopen.

Verplaatsen veestal

De eigenaar heeft al langer de wens om het vee te verplaatsen en een nieuwe veestal op te richten op het perceel ten noorden van de Oude Beek. Deze wens was mede ingegeven door de woningbouwontwikkeling aan de Veldbrugweg - Nieuwe Voorweg Lieren en de vereiste afstand van 100 meter op grond van het Activiteitenbesluit tussen woningen (geurgevoelig object) en een veestal. Er blijft sprake van één agrarisch bedrijf.

De dierverblijven bevinden zich thans samen met de bedrijfswoning in de boerderij op het perceel aan de zuidzijde van de beek. Deze stalruimte is verouderd, gezien de huidige eisen die aan dierverblijven worden gesteld. Ook de combinatie van wonen en het houden van vee in hetzelfde gebouw komt het woonklimaat in het woongedeelte niet ten goede. De nieuw te bouwen potstal voor het rundvee is ruim opgezet en voldoet aan alle moderne eisen. Hiermee vindt een verbetering van het dierenwelzijn plaats. Doordat er geen dieren meer in de deel van de boerderij worden gehouden zullen ook de woonomstandigheden in de bedrijfswoning verbeteren. Ook zorgt de nieuwe veestal voor verbeterde arbeidsomstandigheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0006.png"

tekening nieuwe veestal behorende bij de aangevraagde omgevingsvergunning

Voor de nieuwe veestal is reeds een omgevingsvergunning aangevraagd. De nieuwe stal heeft een oppervlakte van 618 m² en inclusief mestplaat een oppervlakte van 673 m². Daarnaast zal totaal 367 m² aan verouderde bebouwing worden gesloopt. De karakteristieke boerderij blijft behouden en de bestaande veestal (340 m²) onderdeel van de boerderij zal niet meer worden gebruikt als veestal. De werktuigenberging blijft behouden. De oppervlakte aan bebouwing zal minimaal toenemen (met circa 251 m² tot 1.151 m²).

Verstrerking landschap

Naast de sloop van verouderde bebouwing en het verplaatsen van het vee direct grenzend aan de beek naar een nieuwe potstal op meer afstand van de beek, bestaat de versterking van het landschap uit het beschermen en verbeteren van de beekzone. Langs deze beek zal een brede natuurzone worden gerealiseerd. Deze zone wordt vrij gemaakt van opslag, bebebouwing en verharding. De beekzone aan de noordzijde zal als bloemrijk grasland worden beheerd; extensief hooilandbeheer waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Ook wordt de mogelijkheid opgenomen voor een wandelpad langs de (noordzijde van de) beek.

Tot slot wordt de historische landschapsstructuur, met het contrast tussen openheid van de enk, de beekzone en perceelsrandbeplanting in de beemden en het broekland versterkt en zichtbaar gemaakt door herstel van de vroeger voorkomende kamerachtige structuur van elzensingels die (dwars op de beek) veelvuldig voorkwamen. Hiertoe zullen grenzend aan de Veldbrugweg en op de oostelijke perceelgrens twee singels worden gepland van respectieveleijk 3 en 5 m breed. Hierdoor wordt de historische verkavelingsstructuur aangezet en meer zichtbaar gemaakt.

Met het herstel van de kamerachtige structuur is de nieuwe potstal voldoende landschappelijk ingepast. Ook qua vormgeving en natuurlijk materiaalgebruik past de stal in het landschap.

De verbeelding van de hier beschreven inrichting is te vinden in bijlage 4 van Bijlagen bij de.

4 PLANOLOGISCHE ASPECTEN

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.2 Bodem

Een nieuwe of gewijzigde bestemming mag alleen in het bestemmingsplan worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Er moet dus onderzocht worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.

Onderzoeksresultaten bodem

In de rapportage d.d. 8 juli 2020 met kenmerk K204991 , opgesteld door De Klinker en opgenomen in bijlage 1 van de Bijlagen bij de toelichting, zijn de resultaten van het verkennende bodem- en asbestonderzoek weergegeven. Hieruit blijkt dat

• tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek ter plaatse van de onderzochte locatie delen geen asbest verdachte materialen zijn aangetroffen op of in de bodem.

• ter plaatse van de voormalige tank in de bodem (grond en grondwater) geen verhoogde gehalten zijn aangetroffen van de geanalyseerde stoffen,

• ter plaatse van de druppelzones (onder astbestdaken zonde dakgoot) gehalten met asbest zijn gemeten van respectievelijk 100, 76, en 9,5 mg/kg.ds, waarbij op twee plaatsen de waarde voor nader asbestonderzoek (50 mg/kg.ds) wordt overschreden en net niet de interventiewaarde voor asbest (100 mg/kg.ds),

• ter plaatse van de nieuwbouw de boven- en ondergrond niet zijn verontreinigd met onderzochte stoffen,

• het grondwater licht verontreinigd is met barium, kobalt, nikkel en zink.

Vanwege deze bodemverontreinging met asbest (monsterpunten G01 t/m G04) op het perceelsgedeelte aan de zuidkant van de beek is nader asbestbodemonderzoek nodig. Indien uit dit nadere onderzoek blijkt dat de saneringsnorm voor asbest wordt overschreden dient de bodem te worden gesaneerd. De initiatiefnemer heeft ervoor gekozen geen nader asbestbodemonderzoek te laten uitvoeren, maar om deze bodemverontreiniging met asbest te saneren. Op basis van de aangeleverde kostenraming voor sanering die voor rekening komt van de initiatiefnemer is voldoende aannemelijk gemaakt dat het bestemmingsplan op dit punt financieel uitvoerbaar is.

Uit het onderzoek en de kostenraming blijkt dat de bodem geschikt is te maken voor voor de beoogde bestemming.

4.1.3 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.

Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.

De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucategorie   richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.

Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.

Onderzoeksresultaten milieuzonering

Het bestemmingsplan voorziet in reparatie van de bestemming voor een bestaand agrarisch bedrijf en de verplaatsing van een veestal. Voor de verplaatsing van de veestal ter vervanging van de de oude stalruiimte is op 20 september 2019 een melding op grond van het Activiteitenbesluit ontvangen. In de melding is vermeld dat de oude melding voor de bestaande situatie van kracht blijft, zolang de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen niet is verleend. De melding is volledig en voldoet aan de eisen van het Acitiviteitenbesluit. Ook is bij besluit van 2 juni 2014 een vergunning op grond van de de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor de gewenste situatie.

Het plangebied is gelegen in rustig buitengebied. Er is daarom sprake van uitwaartse zonering. Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie, met als doel milieugevoelige functies in de omgeving te weren. De geldende afstanden volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 voor de gewenste activiteit zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Milieu-categorie   SBI-code 1993   SBI-code 2008   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Veiligheid  
3.2   0121   0141,
0142  
Fokken en houden van rundvee   50/
100*  
30   30   0  
*100 meter voor de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom  

De woningen in de omgeving bevinden zich geheel buiten de milieuzones van dit agrarisch bedrijf.

Op dit bedrijf is ook het Activiteitenbesluit van toepassing. Op basis van de afstanden uit het Activiteitenbesluit gelden voor het houden van rundvee vaste afstanden. De aan te houden afstand tot woningen van derden (zijnde een geurgevoelig object) bedraagt op basis van het Activiteitenbesluit 100 meter voor binnen de bebouwde kom en 50 meter voor buiten de bebouwde kom. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom, daarom dient een afstand van 50 meter in acht te worden genomen van de nieuwe veestal tot omliggende woningen respectievelijk 100 meter tot de woningen die door middel van bestemmingsplan Nieuwe Voorweg - Veldbrugweg mogelijk zijn gemaakt. Deze laatste zijn gelegen in de bebouwde kom. Hieraan wordt voldaan door in het bestemmingsplan (regels en plankaart) op te nemen dat alleen op het noordelijke (gekoppelde) bouwblok vee mag worden gehouden. De bestaande werktuigenberging vormt geen belemmering voor deze woningen, aangezien er redelijkerwijs kan worden voldaan aan de geluidsvoorschriften.

Uit het bovenstaande blijkt dat vanuit het aspect milieuzonering geen sprake is van belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.1.4 Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Daarnaast moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook inzicht te worden gegeven in de akoestische indirecte gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventuele verkeersaantrekkende werking.

Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai

Er wordt geen nieuwe geluidgevoelige bestemming geprojecteerd. De Wet geluidhinder is daarom in casu niet relevant en er hoeft geen toetsing in dat kader plaats te vinden. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan. Doordat sprake is van het bestendigen van een bestaande situatie zal geen verkeerstoename plaatsvinden en is er geen sprake van indirecte akoestische gevolgen.

4.1.5 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.

Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:

  • a. het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of
  • b. de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of
  • c. het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of
  • d. de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:

  • woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;
  • woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;
  • kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.

Toepasbaarheidsbeginsel

Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").

Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.

Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit

Het plan valt niet onder de Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate bijdragen”. Doordat echter sprake is van het bestendigen van een bestaande situatie waarbij geen verkeerstoename zal plaatsvinden is er ook geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.

Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

  • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour);
  • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, die het uitvloeisel zijn van het zogheten Basisnet en de bijbhorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot buisleidingen voor zowel het transport van brandbare vloeistoffen als hogedrukaardgasleidingen wettelijk vastgelegd.

Nota milieu-veiligheid Apeldoorn

In november 2011 is de Nota milieu-veiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.

Onderzoeksresultaten 

Bevi

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt aldus geen belemmering.

Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen water-, spoor- en verkeerswegen waarover significant transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen.

4.1.7 Elektromagnetische velden

De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).

De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.

Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.

Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.

Onderzoeksresultaten

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen of zendmasten.

4.1.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).

Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.

Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.

Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Onderzoeksresultaten

Het bestemmingsplan maakt een activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., te weten “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren” (D14), maar de drempelwaarde wordt niet overschreden. Daarom moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden opgesteld en wordt het bevoegd gezag gevraagd hierop te besluiten.

Op 6 februari 2020 is door initiatiefnemer een aanmeldnotitie ingediend. In het collegebesluit van 3 maart 2020 kenmerk 2020-066756 is op basis van deze notitie geoordeeld dat ten gevolgen van de voorgenomen activiteiten geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu waarvoor een milieueffectrapport gemaakt moet worden. De aanmeldnotitie en het collegebesluit zijn opgenomen in bijlage 2 van de Bijlagen bij de toelichting.

4.2 Natuurwaarden

4.2.1 Wettelijk kader en beleid
4.2.1.1 Europese regelgeving

De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.

4.2.1.2 Rijksbeleid en wetgeving

Wet natuurbescherming

Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten.

De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.

De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.

Gebiedsbescherming

De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.

Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:

  • a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
  • b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, en
  • c. er worden de nodige compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:

  • 1. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of
  • 2. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.

Soortenbescherming

De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:

  • a. een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten;
    Op grond van dit regime is het verboden om opzettelijk in het wild levende vogels te doden of te vangen, om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen en om vogels opzettelijk te storen.
  • b. een beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn en van de Verdragen van Bern en Bonn;
    Dit regime bevat de verboden om in het wild levende dieren van de bedoelde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, hun eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en om bedoelde plantensoorten opzettelijk te plukken en te vernielen.
  • c. een beschermingsregime voor andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten
    Op grond van dit regime is het verboden om de soorten die zijn opgenomen in de bijlage bij de wet van de bijlagen opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in de bijlage genoemde dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en om bepaalde vaatplanten opzettelijk te plukken en te vernielen.

Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:

  • a. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk;
  • b. de handeling is nodig vanwege een van de in de wet genoemde en per beschermingsregime verschillende belangen, zoals de volksgezondheid, de openbare veiligheid of (bij het beschermingsregime voor nationaal beschermde soorten) in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het daarop volgende gebruik van het betreffende gebied;
  • c. de ingreep doet geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de betreffende soort.

Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.

Houtopstanden

Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland.

4.2.1.3 Provinciaal beleid en regelgeving

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland

Gelders Natuurnetwerk

Conform de bepaling uit de Wet natuurbescherming heeft de provincie Gelderland gebieden aangewezen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', in Gelderland 'Gelders Natuurnetwerk' (verder: GNN) genaamd.

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is het beleid voor het GNN als volgt beschreven. Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit GNN bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied nieuwe natuur. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden.

Het GNN en de Groene Ontwikkelingszone vervullen daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities, zoals stilte. Voor bestaande functies zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, namelijk voor gevallen waarbij er geen reële alternatieven zijn voor verplaatsing van de functie naar een plek buiten het GNN.

In de Omgevingsverordening Gelderland zijn regels voor het GNN gesteld (artikel 2.39 e.v.). Bepaald is dat een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen het GNN in principe geen nieuwe functies mogelijk maakt. Uitbreiding van bestaande functies kan alleen worden mogelijk gemaakt als de kernkwaliteiten van het gebied per saldo worden versterkt en deze versterking planologisch is verankerd in het bestemmingsplan.

Groene Ontwikkelingszone

Naast het Gelders Natuurnetwerk heeft de provincie ook gebieden aangewezen als Groene Ontwikkelingszone (GO). In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is het beleid voor de GO geformuleerd. De GO bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het GNN. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO. De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De provincie nodigt uit om in de GO initiatieven te ontwikkelen die bijdragen aan de realisatie van die dubbele doelstelling. Er is ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en uitbreiding van bestaande functies.

In de Omgevingsverordening Gelderland zijn regels voor het GO gesteld (artikel 2.52 e.v.). Bepaald is dat een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen GO in principe geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk maakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied. Uitbreiding van bestaande functies kan alleen moglijk worden gemaakt als de kernkkwaliteiten 'per saldo' niet signicant worden aantast (bij een beperkte uitbreiding en bij een uitbreiding van bestaande grondgebonden landbouwbedrijven en extensieve openluchtrecreatie) dan wel de kernkwaliteiten substantieel worden versterkt (bij een grote uitbreiding). De inpassing dan wel versterking van de kernkwaliteiten moeten worden verankerd in hetzelfde dan wel een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

De kernkwaliteiten die gelden binnen het Gelders natuurnetwerk zijn neergelegd in de atlas Kernkwaliteiten GNN en GO, of in bijlage 5 Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone bij deze verordening. Hierbij gaat het niet alleen om de aanwezige natuurwaarden, maar ook om de nagestreefde natuurwaarden en de bijbehorende milieucondities.

4.2.1.4 Gemeentelijk beleid en regelgeving

Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0007.png"

Kaart Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

Groenstructuurkaart

In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.

De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:

  • Groenstructuur: Groene Mal;
  • Groenstructuur: Beken & sprengen, weteringen en kanaal;
  • Groenstructuur: doorgaande wegen buitengebied;
  • Groenstructuur: snelwegcorridors en spoorwegen;
  • Wijkgroenstructuur;
  • Boomrijke gebieden.

Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.

Verordening Groene Balans

In maart 2018 heeft de gemeenteraad de verordening 'Groene Balans: compensatie en verevening van groene waarden' vastgesteld. De verordening is met name van toepassing op een ruimtelijke ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone als vastgesteld in de Omgevingsverordening Gelderland, waarbij geldt dat deze alleen is toegestaan mits tevens een bijdrage aan het landschap wordt geleverd waarbij de kernkwaliteit van het betreffende gebied (substantieel) wordt versterkt.
De gemeente verleent alleen medewerking aan zo'n ruimtelijke ontwikkeling, die leidt tot ruimtebeslag dat weliswaar vanuit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening inpasbaar is maar ten koste gaat van de groene buitenruimte, indien:

  • er naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende landschappelijke inpassing ter plaatse plaatsvindt; én
  • er naar het oordeel van burgemeester en wethouders sprake is van een goede stedenbouwkundige c.q. landschapsarchitectonische kwaliteit van de ruimtelijke ingreep;
    én
  • een bijdrage wordt geleverd aan de (substantiële) versterking van de kernkwaliteit van het landelijke gebied. De versterking van de kernkwaliteit vindt plaats ter plekke dan wel elders binnen de Groene Ontwikkelingszone.

Groenplan

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.

4.2.2 Onderzoeksresultaten en afstemming met beleid

Onderzocht is of er op grond van het hiervoor beschreven beleid en regelgeving beschermde natuurwaarden aanwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. In de rapportage d.d. 14 april 2020, opgesteld door Natuurbank Overijssel worden de resultaten van de uitgevoerde quickscan natuurwaarden beschreven. De rapportage is opgenomen in bijlage 3 van de Bijlagen bij de toelichting.

Op basis van de quick-scan, bestaande uit literatuuronderzoek en de bevindingen tijdens het veldbezoek kan het volgende geconcludeerd worden.

Gebiedsbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Veluwe en ligt op 1,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Natura 2000-gebied Landgoederen Brummen ligt op 6,9 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0008.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0009.png"

Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden Omgevingsverordening Gelderland

aanlegfase

Voor de aanlegfase is voor het aspect stikstof een aeriusberekening opgesteld, d.d. 14 januari 2020. Hieruit blijkt dat in de aanlegfase geen stikstofdepositie te verwachten is. Ook overige negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura-2000 gebieden zijn in de aanlegfase niet te verwachten, gelet op de aard en omvang van de activiteiten en de afstand tussen het plangebied.

gebruiksfase

Bij besluit van 2 juni 2014 is een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (thans Wnb) verleend aan het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf in verband met een wijziging van de veebezetting en de huisvesting. Deze vergunning is opgenomen in bijlage 3 van de Bijlagen bij de regels. Deze vergunning is uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en wordt één op één ingepast door het opnemen van een specifieke gebruiksbepaling die is opgenomen in artikel 3.5.3. Ook is het bouwvlak voor de nieuwe veestal afgestemd op deze vergunning.

Soortbescherming

Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgbied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën en grondgebonden zoogdiersoorten. Deze soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied.

Het plangebied buiten de beekzone bestaat grotendeels uit bebouwing en grasland met een soortenarme vegetatie van raaigras. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer vormt het plangebied een weinig geschikt functioneel leeftgebied voor zeldzame- en kritische diersoorten en een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Het leefgebied voor de steenuil wordt niet verstoord, die als cultuurvolger ook profijt kan hebben van de agrarische activiteiten rondom de potstal. De ruimtelijke ontwikkeling vindt buiten de beekzone plaats. Het vrijwaren van agrarische activiteiten in de beekzone, het versterken van de beekzone door het aanvullend realiseren van een brede natuurzone langs de beek met een extensief hooilandbeheer biedt mogelijkheden voor muizen, zodat de biotoop van de steenuil nog verbeteren zal. Ook biedt het potentie voor insecten (bijvoorbeeld weidebeekjuffers e.a.) en reptielen (bijvoorbeeld ringslang).

Grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten

Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'vangen' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties'. Beschermde dieren mogen in de provincie Gelderland niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen acitiviteiten.

Vogels

Van alle van nature in Nederland in het wild levende vogels mag het nest tijdens het broeden (van start van nestbouw tot en met het uitvliegen van de jongen) niet worden beschadigd of vernield. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd.

Uit voorliggend onderzoek blijkt dat in en direct rond het plangebied vogels kunnen gaan broeden. Om te voorkomen dat bezette volgenesten beschadigd of verstoord worden, dient de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. In deze periode is de kans kleiner dat er in gebruik zijnde nesten worden beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is.

Kort voor de start van de werkzaamheden is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Er dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.

Mits er geen beschermde dieren verwond of gedood worden en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties iin het kader van de soortbescherming. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren verwond of gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden.

Zorgplicht

Iedereen neemt voldoende zorg in acht voor alle natuur en in het wild levende dieren, planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden.

Houtopstanden

Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld. Het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing.

GNN en GO

De Oude Beek onderdeel van het plangebied maakt als HEN-water (Hoogste Ecologische Niveau-water) onderdeel uit van het GNN (zie hiervoor ook paragraaf 4.3.2). Het plangebied is voor het overige gelegen in de GO, deelgebied Beekbergen. Onderdeel van de GO is de ecologische verbindingszone ter plaatse van de beekzone.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0011.png"

uitsnede kaart GNN en GO Omgevingsverordening Gelderland

Voor het deelgebied Beekbergen gelden op grond van bijlage 5 bij de Omgevingsverordening de volgende kernkwaliteiten:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0012.png"

Zoals beschreven in hoofdstuk 3 is sprake van een bestendiging van een jarenlange bestaande situatie, die destijds niet op de juiste wijze is vastgelegd in het bestemmingsplan. Bij een juiste inpassing had het agrarisch bedrijf over een agrarische bestemming met een verbaal bouwblok beschikt, waarbinnen de gewenste veestal had kunnen worden gerealiseerd en was er geen sprake geweest van een uitbreiding van een bestaande functie. Omdat hiervan in planologische zin geen sprake is, is voor de onderbouwing van dit plan aangesloten bij artikel 2.53 van de Omgevingsverordening Gelderland, waarin uitbreiding van bestaande functies, waaronder begrepen bestaande grondgebonden landbouwbedrijven alleen moglijk worden gemaakt als de kernkkwaliteiten 'per saldo' niet signicant worden aantast en de inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde of in een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

De toelichting op dit artikel geeft aan dat voor grondgebonden landbouw ontwikkelingsruimte wordt geboden, voor zover de kernkwaliteiten per saldo niet significant worden aangetast. De bijzondere toegevoegde waarde van de functiecombinatie die bijdraagt aan de versterking van de kernkwaliteiten, maakt dat de ontwikkeling past in de Groene ontwikkelingszone. De functie grondgebonden landbouw verdient een bijzondere behandeling, omdat beheer en onderhoud van het landschap deel uitmaken van hun bedrijfsvoering. Deze functies dragen direct bij aan de instandhouding van het landschap en daarmee ook aan de kernkwaliteiten. Daarom is voldoende wanneer bij uitbreiding de kernkwaliteiten per saldo niet worden aangetast.

De relevante kernkwaliteiten voor dit plangebied zijn: de overgang Veluwe/IJsselvallei; het vanuit ecologisch opzicht samenhangend geheel van beken; Oude beek; leefgebied steenuil; andere beschermde soorten; cultuurhistorische waarden o.a. in de vorm enken, verkavelingspatronen en boerderijen.

In dit plan gaat het om de bestaande functie van grondgebonden landbouw. Deze functie draagt direct bij aan de instandhouding van het landschap en daarmee de kernkwaliteiten, omdat beheer en onderhoud van het landschap deel uitmaakt van de bedrijfsvoering.

Daarnaast is de ontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 3.3 er gelijktijdig op gericht om de kwaliteit van het gebied te verhogen, waardoor er per saldo geen significante aantasting van de kernkwaliteiten zijn.

Met het vrijwaren van de beek, het aanvullend realiseren van een brede natuurzone langs de beek, het aanplanten van perceelbeplanting worden deze waarden versterkt. De mogelijkheid voor een wandelzone langs de beek wordt bovendien opgenomen.

De kernkwaliteit cultuurhistorische waarden wordt met dit plan niet aangetast en wat betreft het historische verkavelingspatroon, dat ter plaatse van het plangebied nauwelijk nog zichtbaar is, zelfs versterkt. Zie hiervoor ook paragraaf 4.5.2.

Beschermde soorten zijn niet in het geding. Het leefgebied voor de steenuil wordt niet verstoord, die als cultuurvolger ook profijt kan hebben van de agrarische activiteiten rondom de potstal. De zone langs de beek. waarvoor een extensief hooilandbeheer zal gelden, biedt mogelijkheden voor muizen, zodat de biotoop van de steenuil nog verbeteren zal. Ook biedt het potentie voor insecten (bijvoorbeeld weidebeekjuffers e.a.) en reptielen (bijvoorbeeld ringslang) dat laatste conform de ontwikkelingsdoelen van het GO. Het vormt daarmee een stapsteen in de . ecologische verbinding Beekbergse Beek, onderdeel van de ecologische verbindingszone Veluwe-IJsselvallei.

De inrichting te vinden in bijlage 4 van Bijlagen bij de regels. wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in dit plan. Hiermee wordt voldaan aan de Omgevingsverordening.

4.3 Water

4.3.1 Wettelijk kader en beleid

Nationaal beleid

Klimaatverandering heeft grote gevolgen in onze kwetsbare delta: hogere stormvloeden op zee, meer water door de rivieren, vaker stortbuien, hitte en droogte. In het Nationaal Waterplan 2016-2020 heeft het Rijk voor de komende 6 jaar vastgelegd hoe Nederland zich verdedigt tegen het water, hoe ons water schoner wordt en hoe we Nederland klimaatbestendig en waterrobuust gaan inrichten. In het plan staan 5 ambities centraal:

  • 1. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
  • 2. Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics).
  • 3. Een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting
  • 4. Nederland is en blijft het gidsland voor watermanagement en -innovaties.
  • 5. Stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven.

Ambitie 3 heeft directe samenhang met de ruimtelijke inrichting van Nederland. Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten zal daarom uiterlijk in 2020 onderdeel zijn van beleid en handelen.

Het Rijk zorgt ervoor dat de watertoets behouden blijft als wettelijk procesinstrument, om klimaatbestendig en waterrobuust inrichten vroeg in het ruimtelijk proces mee te laten wegen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Watertoets

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt toegepast bij locatiekeuzen en bij inrichtingsplannen. De uitkomst van de watertoets is een advies van de waterbeheerder, dat door de initiatiefnemer wordt meegewogen met andere belangen en wordt vertaald in een waterparagraaf. Het Bro verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van ruimtelijke plannen.

Provinciaal beleid

Het provinciale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. Daarin is onder andere vastgelegd hoe het grondwater(winning) beschermd moet worden tegen negatieve effecten (kwaliteit en kwantiteit) en hoe moet worden gehandeld wanneer er toch een (dreigende) verontreiniging van het grondwater optreedt. Ook zijn verschillende zaken vastgelegd over het omgaan met natte landnatuur en oppervlaktewater. Op de kaarten zijn beschermingszones voor verschillende onderwerpen vastgelegd.

De provincie streeft voor de wateren die zijn aangewezen in het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en oppervlaktewateren met een bijzondere ecologische kwaliteit naar herstel en behoud van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Tot deze laatste categorie behoren de HEN- en SED-wateren (wateren van het Hoogste Ecologische Niveau respectievelijk wateren met een Specifiek Ecologische Doelstelling).

Uitgangspunt bestemmingsplan

Klimaatbestendig en waterrobuust inrichten is onderdeel van ruimtelijke plannen. Verandering van (gebruik van) een gebied mag geen negatief effect op het (grond)water of de waterafhankelijke natuur hebben.

Waterschapsbeleid

In 2015 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld. Hierin beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. Op basis van nieuwe opgaven als klimaatverandering, zuivering van complexe stoffen en maatschappelijk ontwikkelingen zoals het streven naar een duurzaamheid en circulaire economie zijn zes ambities geformuleerd:

  • 1. Beschermen tegen overstromingen;
  • 2. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water;
  • 3. Zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit;
  • 4. Schoon en vuil water worden zoveel mogelijk gescheiden;
  • 5. Afwalwaterketen en watersysteem samen met de partners als één geheel beheren.

De ambities zijn voor de programma's waterveiligheid, watersysteem (voldoende en schoon) en waterketen vertaald in doelen en maatregelen voor 2021.

Uitgangspunt bestemmingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

Gemeentelijk beleid

Om te anticiperen op (beleids)ontwikkelingen en om de leefkwaliteit van de stad te vergroten heeft Apeldoorn gezamenlijk met het waterschap Veluwe en Vitens in 2005 een gemeentelijk waterplan opgesteld. Het Waterplan Apeldoorn is door de gemeenteraad vastgesteld en gekozen is voor het ambitieniveau Actief Duurzamer. De belangrijkste opgaven met ruimtelijk consequenties zijn het afkoppelen en bergen van regenwater en het creëren van waterberging in beekzones.

Bij herontwikkeling, herinrichting en herstructurering zal het verhard oppervlak in het stedelijk gebied zoveel mogelijk afgekoppeld worden om het watersysteem op orde te krijgen. Ten westen van het Apeldoorns Kanaal wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd of zoveel mogelijk vastgehouden in een groenzones, bijvoorbeeld naast beken en sprengen. Ten oosten van het kanaal wordt het regenwater in de vijvers geborgen.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016 – 2020 (GRP) is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. In het GRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het GRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het GRP is het anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners zal ook gevraagd worden zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Uitgangspunten bestemmingsplan

Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid:

  • Afkoppelen regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen;
  • Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etc.);
  • Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones;
  • Grondwaterneutraal bouwen.
4.3.2 Afstemming met beleid

Het plangebied ligt in agrarisch gebied en is circa 1,8 hectare groot. Het plangebied bevindt zich binnen een Keurzone (Oude Beek) en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die door de provincie Gelderland in de Omgevingsvisie is vastgelegd. In de direct omgeving zijn géén peilbuizen geïnstalleerd. Op basis van de Ishophyspsenkaart van de provincie Gelderland is de gemiddelde Voorjaarsgrondwaterstand gelegen tussen de NAP+16,50m en +16,00m. Er is in en om het plangebied geen grondwateroverlast bekend.

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het plangebied rekening gehouden te worden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

Oppervlaktewater en waterafhankelijke natuur

Door het plangebied stroomt de Oude Beek, een A-watergang en HEN-water. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het plan heeft géén nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

In en om het plangebied komt wel waterafhankelijke natuur voor. In het plan is een zone langs de beek als 'natuur' bestemd. In hoofdstuk 3.3 en 4.2.2 is al beschreven hoe het herstel en behoud van de kwaliteit van de beek wordt bepaald via een natuurzone langs de beek. Op deze zone is een beheer van toepassing dat bestaat uit een extensief hooilandbeheer, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Door de nieuwbouw van de stal is er een toename van verhard oppervlak. Voorkomen moet worden dat de waterkwaliteit negatief wordt beïnvloed/aangetast. Dit kan bijvoorbeeld door het voorkomen van afstromen van hemel- en spoelwater naar de beek en zorgen voor wateropvang en infiltratie van water in de bodem. Als hiermee rekening wordt gehouden heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

Afvoer van hemelwater

In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij een maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij ontwikkeling van gebieden die voorheen onbebouwd of onverhard dient de infiltratievoorziening een berging van minimaal 36 mm ten opzichte van het aangesloten verhard oppervlak te hebben. Bij herontwikkeling van bestaand verhard en/of bebouwd gebied is dit 20 mm. Bij extreme situaties moet voorkomen worden dat afstromend water binnen of buiten het plangebied schade veroorzaakt.

Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het plangebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.

De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.

In dit plangebied wordt voorkomen dat regenwater van verharding kan afstromen op de Oude Beek en wordt het regenwater vastgehouden op eigen terrein en geïnfiltreerd in de bodem.

Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het plangebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.

Watertoets

De watertoets is ingesteld om het aspect water in een vroeg stadium mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is wettelijk verplicht en heeft als doel om gezamenlijk met de waterbeheerders de waterhuishoudkundige doelstellingen in een zo vroeg mogelijk stadium in ruimtelijke ontwikkelingen op te nemen. De gemaakte afspraken worden in de waterparagraaf van het bestemmingsplan opgenomen.

Het plan omvat minder dan <10 woningen/1.500 m² extra verhard oppervlak. Er zal niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater.

Het plangebied ligt wel in een Keurzone, namelijk van de A-watergang Oude Beek, maar niet in een zoekgebied voor waterberging. Daarbij betreft de Oude Beek een HEN-water (inclusief beschermingszone).

Het ontwerp van dit plan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan het Waterschap Vallei en Veluwe. De reactie van het waterschap is samengevat en van antwoord voorzien in paragraaf 6.2 

4.4 Archeologie

4.4.1 Beleid
4.4.1.1 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland bevatten voor dit plangebied geen relevante visie of regels over erfgoed.

4.4.1.2 Gemeentelijk beleid

De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. De kwaliteiten van de woonwijken, de binnenstad, de dorpen en het afwisselende buitengebied gelden als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Hiervoor wordt een cultuurhistorische analyse van een gebied gemaakt. Daarmee ontstaat inzicht in de aanwezige (boven- en ondergrondse) cultuurhistorische waarden. Naast het vastleggen van kennis over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur geeft de analyse aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen. Bij de nota horen een archeologische en een cultuurhistorische beleidskaart. Deze archeologische beleidskaart wordt in de volgende paragraaf beschreven en de cultuurhistorische beleidskaart in paragraaf 4.5.1.

Als vervolg op de nota I-cultuur heeft de gemeenteraad op 18 juni 2015 de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.

De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld.

Categorie 1: Terrein met monumentale archeologische waarden

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening.

Categorie 2: Terrein met vastgestelde archeologische waarden

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij verstoringen van de bodem groter dan 50 m2 is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.

Categorie 3: Terrein met archeologische waarden

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden moet bij verstoringen van de bodem groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.

Categorie 4: Zone met (middel)hoge archeologische verwachting

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Daarom hoeft bij verstoringen van de bodem kleiner dan 500 m2 geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Categorie 5: Zone met lage archeologische verwachting

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Daarom hoeft er in deze gebieden alleen archeologisch onderzoek te worden gedaan als er meer dan 2.500 m2 van de bodem verstoord gaat worden.

Categorie 6: Zone met geen archeologische verwachting

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt

De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.

4.4.2 Onderzoeksresultaten

Econsultancy heeft archeologisch onderzoek naar het plangebied verricht, dat is vastgelegd in Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek plangebied de Beekvallei te Lieren. Deze rapportage, gedateerd 2 juni 2013, is opgenomen in bijlage 4 van de Bijlagen bij. Het onderzochte gebied is groter dan het huidige plangebied; het plangebied maakt onderdeel uit van het toenmalige onderzoeksgebied, dat op basis van de onderzoeksresultaten opgedeeld is in drie delen:

    • a. Het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied (ten zuiden van de Nieuwe Voorweg en gelegen buiten het huidige plangebied) heeft een hoge verwachting en het bodemprofiel is grotendeels intact;
    • b. In het centrale deel inclusief de beekloop is de verwachting hoog. Het bodemprofiel is echter grotendeels zodanig verstoord dat geen in situ archeologie meer te verwachten is. Wel is plaatselijk mogelijk sprake van een oude loop van de beek;
    • c. Het deel ten noorden van de beek heeft een lage verwachting. In het zuiden van dit deel is het zodanig bodemprofiel verstoord dat geen in situ archeologie meer te verwachten is. In het noordelijk deel is een intacte beekeerdgrond aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0013.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0014.png"

Het huidige plangebied beslaat het hierboven beschreven centrale deel (incl. beekloop) en het ten noorden van de beek gelegen deel van het onderzoeksgebied.

Op grond van het uitgevoerde bureau- en booronderzoek is op 15 juli 2013 het volgende selectiebesluit opgesteld door het bevoegd gezag:

In het deel ten zuiden van de Nieuwe Voorweg moet een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. Als in dit proefsleuvenonderzoek een vindplaats wordt aangetroffen kan mogelijke archeologie in de beekzone en het noordelijke deel met beekeerdgrond van grote waarde zijn in relatie tot deze vindplaats. Daarom is er in geval van een vindplaats ook onderzoek nodig bij ontwikkelingen binnen twee attentiezones binnen deze gebieden. Dit betreft een zone aan weerszijden van de huidige beek, evenals het deelgebied te noorden van de beek waar intacte beekeerdgronden zijn aangetroffen.

In 2017 is in de zone ten zuiden van de Nieuwe Voorweg (het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied van het bureau- en booronderzoek, gelegen buiten het huidige plangebied) een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, waarbij vindplaatsen uit de prehistorie (waarschijnlijk daterend uit de IJzertijd, mogelijk al vanaf de Bronstijd) en de Late Middeleeuwen zijn aangetroffen. In het najaar van 2019 is deze archeologische vindplaats opgegraven

Deze vindplaats strekt zich uit aan alle zijden buiten de contour van de opgravingslocatie. Op basis van de aard en omvang van deze vindplaats, valt te verwachten dat in het onderzoeksgebied Beekvalllei, waartoe ook dit plangebied behoort (zie afbeelding 1) sporen van antropogene activiteit te verwachten zijn. Op de hoger gelegen gronden gaat het daarbij met name om nederzettingssporen. In het lager gelegen noordelijke deel van het plangebied worden met name beekdalgerelateerde sporen, off-site resten en sporen van infrastructuur verwacht. Hoewel op basis van het booronderzoek zones zijn aangegeven waar het bodemprofiel diep is verstoord, is tijdens het proefsleuvenonderzoek en de opgraving gebleken dat ook in deze gebieden nog sprake kan zijn van (deels) intacte vindplaatsen. In het gehele plangebied zijn dan ook nog archeologische resten te verwachten die te relateren zijn aan de opgegraven vindplaats, met uitzondering van de opgravingslocatie, hier zijn de archeologische resten tijdens de opgraving ‘verwijderd’. Gezien het archeologisch belang van de aangetroffen vindplaats dient het gehele onderzoeksgebied Beekvallei met uitzondering van het opgegraven gebied (zie afbeelding 2), beschouwd te worden als een ‘Terrein met archeologische waarden’.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.bp1395-vas1_0015.png"

Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv, en een verstoringsoppervlakte groter dan 100 m 2, archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In dit bestemmingsplan wordt daarom de gebiedsaanduiding ‘overige zone - archeologische waarden’ met de daarbij behorende regels opgenomen.

4.5 Cultuurhistorie

4.5.1 Wettelijk kader en beleid
4.5.1.1 Rijksbeleid en wetgeving

Op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aanwijzen als rijksmonument.

In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving moet worden gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

4.5.1.2 Provinciaal beleid

De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland bevatten voor dit plangebied geen relevante visie of regels over erfgoed.

4.5.1.3 Gemeentelijk beleid

Op de cultuurhistorische beleidskaart die hoort bij de gemeentelijke nota I-cultuur zoals beschreven in paragraaf 4.4.1.2 , staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:

  • Hoge attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch onderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;
  • Gemiddelde attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorisch bureauonderzoek verplicht. Gestreefd wordt naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden;
  • Lage attentiewaarde: bij ruimtelijke ontwikkelingen is een cultuurhistorische quick-scan naar objecten verplicht. Aanbevolen wordt om cultuurhistorische waarden te behouden, herstellen en te versterken.

In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.

In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.

4.5.2 Onderzoeksresultaten

Het plangebied ligt in een zone met hoge cultuurhistorische attentiewaarde (de beek en ten zuiden ervan) en lage attentiewaarde (ten noorden van de beek). Voor het hele gebied van Beekbergen en Lieren en omgeving zijn twee cultuurhistorische analyses gemaakt. In de CHA van bestemmingsplangebied Beekbergen en Lieren uit 2010 wordt het beekdal waar het plangebied in ligt hoog gewaardeerd, net als de beek zelf. In de CHA van het bestemmingsplangebied Buitengebied Beekbergen Loenen uit 2010 wordt de beek hoog gewaardeerd en de Veldbrugweg krijgt een middelhoge waardering. Als relevante aanbevelingen worden gegeven:

  • de beek meer zichtbaar maken in de dorpsrand;
  • handhaaf de continuïteit van de bomenrijen langs de beek;
  • erfbeplanting behouden;
  • de ruimte tussen de beek en de boerderijen gelaagd en transparant houden;
  • binnen dit stelsel de bijzondere bebouwingstypologie in stand houden.

De voorziene wijziging van de bestemming wonen naar agrarisch is cultuurhistorisch zeer verantwoord, omdat het immers vanouds een agrarisch bedrijf op agrarische grond betreft. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang is dat de waardevolle oude boerderij met aangebouwde stal behouden blijft. Van de op grond van bijlage 5 bij de Omgevingsverordening voor deelgebied Beekbergen genoemde kernkwaliteiten binnen GO zijn hier qua erfgoed relevant de aspecten historische verkavelingspatronen of verkaveling en boerderijen (en iets verderop, buiten het plangebied de enk). Deze worden niet aangetast en wat betreft verkavelingspatroon zelfs versterkt.

Door de nieuwe ontwikkeling verandert de bestaande verkaveling niet. Door de nieuw aan te planten perceelsrandbeplanting met elzen, ten noorden van de beek en min of meer haaks erop, wordt de historische verkavelingsstructuur aangezet. Weliswaar is een nadeel dat de beek en de beekbegeleidende beplanting minder sterk beleefd kunnen worden vanuit het noorden. De historische landschapsstructuur, met het contrast tussen openheid van de enk en perceelsrandbeplanting in de beemden en het broekland wordt er echter wel mee versterkt. De nieuw te bouwen stal komt gedeeltelijk in de plaats van drie kippenschuren die al sinds halverwege de 20ste eeuw ten noorden van de beek stonden. De grotere schaal van de stal, zal in het landschapsbeeld worden verzacht door de nieuw aan te brengen beplanting die is vastgelegd in het inrichtingsplan.  

4.6 Financieel-economische uitvoerbaarheid

Met de initiatiefnemer is op 12 februari 2013 een anterieure overeenkomst over grondexploitatie gesloten, als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. Hierin is geregeld dat de initiatiefnemer de kosten, die de gemeente maakt ter uitvoering van het initiatief, voor zijn rekening neemt. Alle met deze planwijziging samenhangende kosten komen dus ten laste van de initiatiefnemer. Deze wijziging heeft derhalve voor de gemeente geen financiële gevolgen. Er hoeft daarom geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

5 JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Inleiding

In hoofdstuk 3.2 is de bestaande situatie in het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op de planologische aspecten en hoofdstuk 3.3 geeft de gemeentelijke visie op het gebied weer. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die dit vastlegt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf 5.2 wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf 5.3 beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf 5.4 tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.

5.2 Karakter bestemmingsplan

Bestemmingsplan Nieuwe Voorweg 23 Lieren is een beheersplan, waarin de bestaande situatie en het geldende recht uitgangspunt zijn voor de wijze van bestemmen. Daarmee wordt bedoeld dat de bestaande situatie is vastgelegd en is voorzien van een actuele regeling. Met dien verstande dat tevens de verplaatsing van een veestal als nieuwe ontwikkeling is opgenomen.

Voor de regels en de plankaart is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard voor het buitengebied, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.

5.3 Bestemmingen

De bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de plankaart. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemmingen worden hierna besproken.

Agrarisch (artikel 3)

Het bestaande agrarische bedrijf (een grondgebonden veehouderij) en de daarbij behorende agrarische gronden hebben de bestemming 'Agrarisch' gekregen. Binnen de agrarische bestemming is de uitoefening van het agrarisch bedrijf toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - houden van vee in bedrijfsgebouwen is het houden van vee in bedrijfsgebouwen uitgesloten. Reden hiervoor is ruimtelijke mileuzonering/mileuregelgeving.

Gebruik in strijd met de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (besluit van 2 juni 2014, met zaaknummer 2014-000117), waaronder het houden van meer dieren of het houden van dieren van een andere diercategorie, is niet toegestaan en in strijd met dit bestemmingsplan.

In dit plan wordt onderscheid gemaakt tussen grondgebonden veehouderijen en niet-grondgebonden veehouderijen. Niet grondgebonden veehouderijen zijn niet toegestaan.

Het onderscheid zit in de mate waarin het bedrijf beschikt over agrarische cultuurgrond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen om 50% van de benodigde diervoeding zelf te kunnen produceren. Bij minder dan 50% wordt het gezien als een niet-grondgebonden veehouderij.

Meer algemeen is een grondgebonden agrarisch bedrijf, een bedrijf dat overwegend afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende gronden als agrarisch productiemiddel en waar (nagenoeg) geheel gebruik wordt gemaakt van open grond. Kwekerijen (met kweekgoed in de open lucht) worden gezien als grondgebonden agrarisch bedrijf.

Daarnaast zijn een aantal agrarische bedrijven niet toegestaan. Deze staan opgesomd in artikel 3.5.2.

Bouwmogelijkheden

Voor de bedrijfsbebouwing van dit (kleine) agrarische bedrijf zijn twee bouwvlakken opgenomen die door middel van een aanduiding 'relatie' verbonden zijn. Door middel van deze aanduiding wordt agrarische bedrijven aangemerkt als één agrarisch bedrijf.

Voor de bebouwing ten behoeve van de uitoefening van het agrarisch bedrijf geldt dat bouwwerken uitsluitend gebouwd mogen worden binnen het bouwvlak, dus ook kuilvoeropslagen, sleufsilo's e.d.. Slechts voor terrein- en erfafscheidingen en teeltondersteunende voorzieningen geldt dat deze onder voorwaarden ook buiten het bouwvlak mogen worden opgericht.

Voor de maatvoering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is een bebouwingsschema opgenomen. In dit bebouwingsschema staan de maatvoeringsaspecten die voor deze bestemming gelden. Vaak wordt verwezen naar de maatvoeringsaanduidingen op de plankaart. In art 3.4 is een bevoegdheid opgenomen om af te wijken van nader aangegeven bouwregels.

Per agrarisch bouwvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan. Voor bedrijfswoningen geldt een maximale inhoud van 700 m3. De deel, inpandige garages en bergingen worden hierin meegeteld.

In het plan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor splitsing van de bedrijfswoning in twee zelfstandige wooneenheden. Deze is te vinden bij de algemene afwijkingsregels. Daarin staan ook de voorwaarden waaronder woningsplitsing mogelijk is.


Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis

Bij recht is het gebruik van een deel van (bedrijfs)woningen en bijgebouwen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.

Recreatief medegebruik

Binnen de bestemming is recreatief medegebruik in de vorm van paardrijden, hobbymatig weiden van vee, wandelen en fietsen met bijbehorende paden toegestaan. Nieuwe wegen zijn niet toegestaan, tenzij een 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' is verkregen.

Nevenactiviteiten

Met een niet-agrarische nevenactiviteit bij agrarische bedrijf, kan dat bedrijf een aanvullende inkomstenbron aanboren en zo zijn levensvatbaarheid vergroten. De landbouw kan zich zo verbreden. Levensvatbare bedrijven zijn van groot belang voor het beheer van het plangebied en dragen ook wezenlijk bij aan de leefbaarheid en het karakter van het gebied. In het bestemmingsplan zal dan ook ruimte worden geboden aan nevenactiviteiten bij de agrarische bedrijven.

In dit plan gaat dit met name om kleinschalige, recreatieve functies, zoals een Bed&Breakfast in de bedrijfswonig of een recreatief rustpunt. Detailhandel dient beperkt te blijven tot detailhandel van ter plaatse geproduceerde (agrarische) producten. In beginsel dient de nevenactiviteit plaat te vinden binnen het agragrische bouwvblok en is de oppervlakte van de beperkt tot maximaal 75 m2en bij detailhandel 100 m2.

Er is een in artikel 3.6.2 een (afwijkings)bevoegdheid opgenomen om hier onder voorwaarden van af te wijken, met name ten aanzien van de oppervlakte en het soort nevenactiviteiten


Paardenbakken

Er is een op de gemeentelijke beleidsnotitie afgestemde regeling opgenomen voor paardenbakken. Onderscheid wordt gemaakt in paardenbakken als onderdeel van een bedrijf en paardenbakken voor hobbymatig gebruik. Een paardenbak is mogelijk binnen het agrarische bouwvlak. Hierbij geldt een afstand tot andere (bedrijfs)woningen van 50 m. Onder voorwaarden is een paardenbak buiten het agrarische bouwvlak mogelijk. Hiervoor is in artikel 3.6.1 een afwijkingsbevoegheid opgenomen. Voor stapmolens en lichtmasten geldt een maximale hoogte van 6 m.

Natuur (artikel 4)
De bestemming richt zich op het behoud en versterken van de natuurwaarden. Daarnaast is recreatief medegebruik in de vorm van paardrijden, wandelen en fietsen toegestaan. Hiertoe mogen ook paden worden aangelegd. Er mag niet worden gebouwd.

Verder is van belang dat er een omgevingsvergunning nodig is voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden. Hiervoor is een verwijzing naar artikel 15 opgenomen.

Bevoegd gezag

Waar dit bestemmingsplan de bevoegdheid in het leven roept om af te wijken van de regels, is die bevoegdheid toebedeeld aan het bevoegd gezag. Over het algemeen zal dat bevoegd gezag het college van burgemeester en wethouders zijn. In een enkel geval zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten dan wel de minister bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en daarmee ook voor het bij die omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan.

5.4 Algemene regels en overgangs- en slotregels

5.4.1 Algemene regels

In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor alle bestemmingen. In artikel 6 zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Lid 6.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.

Lid 6.2 bevat de afdekbepaling. Hierin is bepaald dat gebouwen altijd van een kap moeten worden voorzien, uiteraard mits ze hoger worden gebouwd dan de ter plaatse aangegeven maximale goothoogte.

In artikel 7 staan de algemene gebruiksregels. In de leden 7.1.1 en 7.2.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In de leden 7.1.2 en 7.2.2 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Dit is noodzakelijk voor vormen van gebruik waarvoor het niet mogelijk en wenselijk is een omgevingsvergunning te verlenen en de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht derhalve niet van toepassing is.

In artikel 13 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 14 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.

5.4.2 Bepalingen over waarden, milieuzones en andere zones

In hoofdstuk 3 zijn ook de regels voor de in het plangebied voorkomende waarden, belemmeringenzones en dergelijke opgenomen. Dit zijn regels voor waarden, belemmeringenzones en dergelijke die in meerdere bestemmingen voorkomen. Door middel van gebiedsaanduidingen is aangegeven waar deze zones voorkomen.

Beken en sprengen (artikel 9)

De (gebieds)aanduiding 'overige zone - beken en sprengen' is gegeven aan het tracé van de Oude of Beekbergse beek. De gronden zijn, naast de daar voorkomende andere bestemmingen, mede bestemd voor het beheer, herstel en onderhoud van de landschappelijk en ecologisch waardevolle beken en sprengen. De regeling beoogt ook de beekoevers te beschermen. Daarom is het aanduidingsvlak beduidend breder dan de beek zelf. Op de gronden waar deze aanduidig voorkomt mogen uitsluitend gebouwen ten dienste van het beheer van de beken of sprengen worden gebouwd. Andere gebouwen zijn, mits passend binnen de andere bestemming, uitsluitend toegestaan door middel van het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels. Afwijken is alleen mogelijk wanneer vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen. Als voorwaarde is daarnaast opgenomen dat de landschappelijke en ecologische waarden van de beek of spreng niet mogen worden aangetast. Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden geldt dat ze alleen mogen worden uitgevoerd nadat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend.

Archeologie

De Archeologische beleidskaart 2015 kent zes categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Voor twee van die categorieën bevat het bestemmingsplan geen regeling. De bescherming van terreinen met monumentale archeologische waarden, oftewel de archeologische monumenten, is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Van de zones met geen archeologische verwachting staat vast dat er geen archeologische waarden (meer) zijn. Voor de overige vier categorieën wordt in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen.

Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als Terrein met vastgestelde archeologische waarden hebben de aanduiding 'overige zone – vastgestelde archeologische waarden' gekregen, gebieden die zijn aangemerkt als Terrein met archeologische waarden hebben de aanduiding 'overige zone – archeologische waarden' gekregen. Voor beiden geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 50 m2 (vastgestelde archeologische waarden) respectievelijk 100 m2 (archeologische waarden) en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend. Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als Zone met (middel)hoge archeologische verwachting hebben de aanduiding 'overige zone – hoge archeologische verwachtingswaarde' gekregen, gebieden die zijn aangemerkt als Zone met lage archeologische verwachting hebben de aanduiding 'overige zone – lage archeologische verwachtingswaarde' gekregen. Hiervoor geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 500 m2 (hoge archeologische verwachtingswaarde) respectievelijk 2.500 m2 (lage archeologische verwachtingswaarde) en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend.

Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt voor alle vier de categorieën dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij gelden dezelfde oppervlakten en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) in voldoende mate is vastgesteld, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren.

Als uit het archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk of door het uitvoeren van de werkzaamheden zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen of uit het uitvoeren van nader onderzoek; van beide dient verslag aan het bevoegd gezag uitgebracht te worden.

Archeologisch onderzoek kent vele vormen en maten. Voor het archeologische onderzoeksrapport dat bij een vergunningaanvraag moet worden ingediend wordt meestal in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek. Veelal is na deze fase bekend of vrijgave van het terrein mogelijk is of dat nader (of aanvullend) onderzoek noodzakelijk is. Het nader of aanvullend onderzoek, dat bij wijze van voorschrift aan de omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld, kan bijvoorbeeld bestaan uit een gedetailleerder booronderzoek of het graven van proefsleuven om een vindplaats op te sporen of uit te sluiten. Uiteindelijk kunnen deze vormen van onderzoek erin resulteren dat een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Afhankelijk van de ontwikkeling zal de vindplaats in dat geval ex situ (door een opgraving) of in situ (door inpassing in het plan) behouden moeten worden.

Bepalend voor het al dan niet bestaan van een onderzoeksverplichting zijn steeds de oppervlakte en de diepte van de bodemingreep. Bij de oppervlakte van de bodemingreep gaat het om de daadwerkelijk verstoorde oppervlakte. Als een gebouw op stroken gefundeerd wordt en er geen extra graafwerk plaatsvindt, dan geldt als bodemingreep alleen de oppervlakte van de strokenfundering. Wordt daarentegen ook de grond tussen de stroken dieper dan 35 cm vergraven, dan geldt als bodemingreep de volledige oppervlakte van het gebouw. Wanneer een gebouw wordt onderkelderd, wordt in de regel een flink grotere bouwput gegraven dan de oppervlakte van het gebouw. Daarom geldt als bodemingreep bij een onderkeldering de oppervlakte van de bouwput. Om dit zeker te stellen is in artikel 2 Wijze van meten over de wijze van meten bepaald hoe de oppervlakte van een bodemingreep moet worden gemeten.

In de regels is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.

Zoals in paragraaf 4.4 al is uiteengezet leert de ervaring dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is bepaald dat in gebieden met de bestemming Natuur een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden moet worden aangevraagd en archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2  en een verstoringsdiepte van 0 cm onder het AHN2-maaiveld.

Overige zone - voorwaardelijke verplichting

Over de inrichting van de gronden zijn afspraken gemaakt. Naast de sloop van verouderde bebouwing zal langs deze beek een brede natuurzone worden gerealiseerd. Deze zone wordt vrij gemaakt van opslag, bebebouwing en verharding. De beekzone aan de noordzijde zal als bloemrijk grasland worden beheerd; extensief hooilandbeheer waarbij het maaisel wordt afgevoerd.

Tot slot wordt de historische landschapsstructuur versterkt en zichtbaar gemaakt door herstel van de vroeger voorkomende kamerachtige structuur van elzensingels die (dwars op de beek) veelvuldig voorkwamen. Hiertoe zullen grenzend aan de Veldbrugweg en op de oostelijke perceelgrens twee singels worden gepland van respectieveleijk 3 en 5 m breed. Hierdoor wordt de historische verkavelingsstructuur aangezet en meer zichtbaar gemaakt.

De inrichting conform het afgesproken inrichtingsplan is in de planregels geborgd. Deze borging is geregeld in artikel 10. In dat artikel is een koppeling gemaakt naar het overeengekomen inrichtingsplan dat is opgenomen in de bijlage 4 van de Bijlagen bij de regels.

5.4.3 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.

6 INSPRAAK EN OVERLEG

6.1 Totstandkoming plan

Het plan is onderdeel van een verzoek van Sprengenland Wonen voor woningbouwontwikkeling Beekvallei uit 2011, een plan dat door Nikkels is overgenomen. In dat kader heeft de initiatiefnemer in 2012 haar plannen om een nieuwe stal te bouwen bekend gemaakt en is het bouwplan met de buurt besproken. In de jaren erna zijn er diverse presentaties en bijeenkomsten geweest over woningbouwontwikkeling Beekvallei die door andere partijen zijn georganiseerd en waar initiatiefnemer ook aanwezig was om haar plannen te delen. Bij de laatste bijeenkomst van Nikkels waren ook de dorpsraad en een aantal raadsleden aanwezig. Mensen uit Lieren, maar ook omliggende dorpen leven mee met initiatiefnemer en vragen naar hoever de plannen zijn.

6.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Het concept ontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van informeel vooroverleg toegezonden aan de provincie Gelderland en aan het Waterschap. De reacties zijn hieronder samengevat en van antwoord voorzien.

Reactie provincie Gelderland

Het door de provincie beoordeelde eindconcept ontwerpbestemmingsplan is in lijn met hetgeen de provincie tot nu met de gemeente hierover gewisseld heeft. Er is vanuit de provincie geen redenen om aan te nemen dat door dit plan provinciale belangen in het geding komen. Het plan past binnen de kaders van de Omgevingsverordening Gelderland. Het voorleggen van het plan bij wijze van formeel vooroverleg is dan ook niet nodig. Wel wordt verzocht het ontwerp op de gebruikelijke wijze voor te leggen.

Beantwoording

De provincie wordt bedankt voor haar reactie. Het ontwerp bestemmingsplan is op de gebruikelijke wijze bij haar voorgelegd.

Reactie Waterschap Vallei en Veluwe

  • a. Het Waterschap is zeer tevreden met de extra ruimte voor de Oude beek waarbij geen bouwwerken zoals schuren en bruggen gebouwd mogen worden binnen de bestemming “Natuur”. Hierdoor kan de Oude beek  zich in de toekomst ontwikkelen tot een robuuste beek zonder negatieve (agrarische) invloeden. Door de in het plan gestelde inrichtingseisen wordt bijvoorbeeld de kans op erfafspoeling naar de beek verkleind. Dit komt o.a. ten goede aan de waterkwaliteit;
  • b. Door de nieuwbouw van de stal is er een toename van verhard oppervlak. Om piekafvoer in de beek te minimaliseren is het niet gewenst om het hemelwater van het verhard oppervlak (zowel oud als nieuw) rechtstreeks op de beek te lozen. Bij de herinrichting van het terrein kunnen greppels of zaksloten worden gegraven om het hemelwater op te vangen en te laten infiltreren. Als waterschap adviseren we om circa 60 mm aan waterberging te realiseren. Op deze manier is er voldoende waterberging beschikbaar en zal er ook bij extreem zware buien geen wateroverlast optreden.

Beantwoording

Het Waterschap wordt bedankt voor zijn inbreng. In de waterparagraaf (zie paragraaf 4.3) is rekening gehouden met de opmerkingen van het Waterschap ten aanzien van de afvoer van hemelwater.