Plan: | Aardhuis 1 Hoog Soeren |
---|---|
Status: | vastgesteld |
Plantype: | bestemmingsplan |
IMRO-idn: | NL.IMRO.0200.bp1296-vas1 |
behorende bij het bestemmingsplan Aardhuis 1 Hoog Soeren
Op het perceel Aardhuis 1 te Hoog Soeren is bezoekerscentrum 'Het Aardhuis' gelegen. Kroondomein Het Loo ziet mogelijkheden om het bezoekerscentrum verder te ontwikkelen ter versterking van de activiteiten. Hierbij dienen de gebruiksmogelijkheden van het huidige bezoekerscentrum uitgebreid te worden. Het voorliggende plan voorziet in het realiseren van een ondergeschikte horeca/restaurantfunctie in het bestaande bezoekerscentrum op het perceel Aardhuis 1 te Hoog Soeren.
De planlocatie ligt aan Aardhuis 1 te Hoog Soeren, ten westen van de stad Apeldoorn.
Afbeedling 1.1 - locatie Aardhuis 1 (rood omcirkeld)
Afbeelding 1.2 - luchtfoto met rood omcirkeld het bezoekerscentrum
Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan "Veluwe". Het bestemmingsplan is op 5 juli 2012 door de raad van de gemeente Apeldoorn vastgesteld. De geldende bestemming voor het perceel is de bestemming "Cultuur en ontspanning" met een functieaanduiding "museum". Daarnaast geldt een gebiedsaanduiding "cultuurhistorische bouwwerken" en een dubbelbestemming "Waarde - archeologie middelhoog". Binnen de geldende bestemmingen is het niet mogelijk om een ondergeschikte horeca/restaurantfunctie te realiseren. Om dit mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Afbeelding 1.3 - uitsnede geldende bestemmingsplankaart
De toelichting begint met een beschrijving van het relevante beleidskader, zie hoofdstuk 2. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de ruimtelijke situatie van het plangebied beschreven en wordt ingegaan op de toekomstige situatie. In hoofdstuk 4 wordt aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. In het daarop volgende hoofdstuk wordt de juridische planopzet nader toegelicht.
De twee Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) vormen samen de belangrijkste natuurbeschermingswetgeving op Europees niveau. De Vogelrichtlijn heeft tot doel in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De EU-lidstaten zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Habitatrichtlijn waarborgt de biologische diversiteit door het in stand houden van natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en van natuurlijke habitats. Beide richtlijnen verplichten de lidstaten tot het aanwijzen van te beschermen gebieden, zogeheten speciale beschermingszones. Het netwerk van speciale beschermingszones die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen wordt over het algemeen als Natura 2000 aangeduid. Een Natura 2000-gebied kan uit een Vogelrichtlijngebied, een Habitatrichtlijngebied of een combinatie van beide bestaan. Bij een gecombineerd Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied kan elk onderdeel zijn eigen begrenzing hebben, afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden.
Wet natuurbescherming
Rijksregels over natuurbescherming staan in de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). De wet kent een algemene zorgplicht voor iedereen in Nederland ten aanzien van Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten.
De Wnb geeft de provincies de opdracht om gebieden aan te wijzen die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland', een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Andere gebieden kunnen de provincies aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden dan wel bijzondere provinciale landschappen.
De Wnb bevat –voor zover voor bestemmingsplannen relevant- regels voor de bescherming van gebieden, voor de bescherming van soorten en over houtopstanden.
Gebiedsbescherming
De minister van Economische Zaken wijst Natura 2000-gebieden aan, de speciale beschermingszones als bedoeld in de Vogel- en de Habitatrichtlijn. Het aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. De provincie stelt voor het Natura 2000-gebied iedere 6 jaar een beheerplan vast.
Op grond van de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied uitsluitend vast indien uit een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, waarin rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als uit de passende beoordeling die vereiste zekerheid niet is verkregen kan het plan uitsluitend worden vastgesteld als is voldaan aan elk van de voorwaarden:
Als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied geldt in plaats van de hiervoor genoemde voorwaarde b, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:
Als compenserende maatregelen nodig zijn, moeten deze onderdeel uitmaken van het plan.
Soortenbescherming
De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes voor soorten:
Van deze verboden kan de provincie ontheffing (in individuele gevallen) respectievelijk (bij verordening) vrijstelling verlenen. Dit kan alleen als aan drie criteria is voldaan:
Voor een deel van de andere, vanuit nationaal oogpunt beschermde soorten hebben provinciale staten in de Omgevingsverordening Gelderland vrijstelling verleend voor zover het gaat om handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en het bestendig beheer en onderhoud.
Houtopstanden
Tot slot kent de Wnb het verbod om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te (doen) vellen, zonder voorafgaande melding daarvan aan de provincie. Dit verbod geldt niet binnen de bebouwde kom en voor bepaalde typen bomen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is bepaald dat de aanwijzing en begrenzing van de gebieden die behoren tot het 'natuurnetwerk Nederland' en de aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden bij provinciale verordening geschiedt. Ook is daarin bepaald dat bij provinciale verordening regels worden gesteld over bestemmingsplannen die betrekking hebben op een gebied behorend tot het natuurnetwerk Nederland.
Het bestemmingsplangebied is gelegen op de Veluwe. De Veluwe is aangewezen als Natura 2000-gebied. Op basis van de geldende kaarten is de locatie Aardhuis 1 te Hoog Soeren niet aangewezen als Natura 2000-gebied. Echter uit onderstaande uitsnede van de kaart blijkt wel dat het bestemmingsplangebied omgeven wordt door Natura 2000-gebied. Voor alle Natura 2000-gebieden moet een beheerplan worden opgesteld. Het beheerplan beschrijft de huidige situatie van het gebied, geeft een visie op de gewenste ontwikkelingsmogelijkheden voor de lange termijn, beschrijft concrete maatregelen voor een periode van zes jaar en biedt het kader voor de vergunningverlening.
Onderhavig plan dient met de doelstellingen van het beheerplan rekening te houden. In geval van nieuwe ontwikkelingen zal een natuurtoets dan ook in beeld moeten brengen wat voor randvoorwaarden gelden voor de ecologie. Dit is gebeurd en komt nader aan de orde in paragraaf 4.3 Natuurwaarden).
Afbeelding 2.1 - plangebied omgeven door Natura 2000-gebied
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is een strategische nota op hoofdlijnen, waarin het nationaal ruimtelijk beleid zoveel mogelijk is ondergebracht.
In de SVIR is aangegeven dat het Rijk een drietal hoofddoelen heeft:
1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke
economische structuur van Nederland;
2. Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de
gebruiker voorop staat;
3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en
cultuurhistorische waarden behouden zijn.
De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast.
Van de nationale belangen die in de SVIR en het Barro staan, is voor het plangebied nationaal belang 11 relevant (Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten). De Veluwe, waar het plangebied is gelegen, valt onder dit belang. De verantwoordelijkheid voor de uitwerking, begrenzing, realisatie en bescherming van het nationale natuurnetwerk is overgedragen aan de provincies.
De Veluwe is aangewezen als Nationaal landschap vanwege haar (inter-)nationaal unieke en kenmerkende landschapskwaliteit, en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Deze bijzondere landschapskwaliteit betreft het schaalcontrast van zeer open naar besloten, de actieve stuifzanden en de grootte en aaneengeslotenheid van het bos.
De kernkwaliteiten van het nationaal landschap dient duurzaam behouden te blijven en waar mogelijk te worden versterkt. In samenhang hiermee zal de toeristisch-recreatieve betekenis moeten toenemen. Uitgangspunt is 'behoud door ontwikkeling'. De nationale landschappen moeten zich sociaal-economisch voldoende kunnen ontwikkelen, terwijl de bijzondere kwaliteiten van het gebied worden behouden en versterkt (het 'ja, mits'-regime). Provincies zijn verantwoordelijk voor de nadere uitwerking van het beleid voor nationale landschappen.
Onderhavig initiatief draagt bij aan de gewenste sociaal-economische ontwikkeling, door interne uitbreiding dan wel verbreding van de activiteiten kan het Aardhuis bezoekers van het Nationaal Landschap De Veluwe meer bieden.
2.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft in artikel 3.1.6 voor om ten aanzien van een nieuwe stedelijke ontwikkeling een afweging te maken ten aanzien van de nut- en noodzaak in relatie tot duurzaamheidsaspecten. Dit is de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Om knelpunten in de praktijk op te lossen is de Ladder gewijzigd. De nieuwe Ladder is op 1 juli 2017 in werking getreden (artikel 3.1.6 leden 2 t/m 4, BRO) en luidt als volgt:
2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
3. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
4. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.“
In onderhavige situatie is lid 2 van toepassing. Allereerst is hier de vraag aan de orde in hoeverre hier sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro (artikel 1.1.1, lid 1, onder i) is voor stedelijke ontwikkeling een definitie opgenomen: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Onderhavige ontwikkeling is gelet op de omvang en gezien het feit dat het slechts om een verruiming van de gebruiksmogelijkheden gaat zonder nieuw beslag op de ruimte geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro en over geoordeeld door de Afdeling.
Op 9 juli 2014 is door provinciale staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. In deze Omgevingsvisie staat het provinciale, ruimtelijke beleid beschreven. Het Waterplan, het Provinciaal Verkeer en Vervoer Plan, het Streekplan, het Milieuplan en de Reconstructieplannen zijn herzien en samengebracht in de nieuwe Omgevingsvisie. De regels die uit de Omgevingsvisie voortkomen zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, zie hiervoor paragraaf 2.2.2.
De provincie Gelderland wil graag bijdragen aan een toekomstbestendig Gelderland. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan de gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: een duurzame economische structuur en het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent dan ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Overijssel.
In de Omgevingsvisie wordt het plangebied aangewezen als onderdeel van het Nationaal Landschap De Veluwe. Hiervoor wordt ook verwezen naar paragraaf 2.1.2.1. De nationale landschappen zijn de symbolen bij uitstek van het Gelderse cultuurlandschap. Ze geven op (inter-)nationale schaal een afspiegeling van de landschappelijke diversiteit en hebben daarom speciale aandacht. deze cultuurhistorische landschappen zijn het resultaat van het harmonisch samengaan van natuurlijke processen en menselijk handelen. Kenmerkend zijn de samenhang tussen natuur, relief, grondgebruik en bebouwing. De ontstaansgeschiedenis van het landschap is hier nog leesbaar.
Het ruimtelijke beleid is er op gericht om de kernkwaliteiten van deze gebieden te behouden en verder te ontwikkelen. Behoud wordt bereikt door een regel in de Omgevingsverordening, die bepaalt dat alleen activiteiten zijn toegestaan die de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen behouden of versterken.
Afbeelding 2.3 - Ligging plangebied binnen Nationaal Landschap
Het plangebied is op basis van de Omgevingsvisie omgeven door het Gelders Natuurnetwerk. Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur van 7.300 hectare, voor 5.300 hectare nog te realiseren nieuwe natuur.
Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone vervullen daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit.
In de Omgevingsverordening is bepaald dat onder strikte voorwaarden ontwikkelingen mogelijk zijn binnen het Gelders Natuurnetwerk.
Zoals ook blijkt uit onderstaande afbeelding is het plangebied omgeven door het Gelders Natuurnetwerk. Terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN) worden aangeduid als Groene Ontwikkelingszone (GO). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Een GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden.
Afbeelding 2.4 - Ligging plangebied in Gelders Natuurnetwerk
De Omgevingsvisie heeft het plangebied aangewezen als gebied bestemd voor 'Rust, ruimte en stilte'. Streefdoel in een dergelijk gebied is een laag geluidsniveau. Stilte wordt gezien als een kernkwaliteit van het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de huidige activiteiten die plaatsvinden in en nabij het bezoekerscentrum wordt niet verwacht dat de geluidsbelasting significant toe zal nemen waardoor de kernkwaliteit in het gedrang komt.
Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik
Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Aangezien de ondergeschikte horeca/ restaurantfunctie wordt gerealiseerd en hiervoor geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden worden toegekend is een verdere toets aan de Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik niet noodzakelijk.
Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Ten behoeve van dit plan is uitgegaan van de geconsolideerde versie van 10 juli 2017. Deze verordening ziet er op toe dat het beleid uit de Omgevingsvisie wordt geëffectueerd. In het onderstaande wordt ingegaan op de voor het voorliggende plan relevante bepalingen uit de Omgevingsverordening. Deze bepalingen worden gevolgd door een toetsing aan de betreffende bepalingen.
Groene ontwikkelingszone
Uitbreiding (artikel 2.7.2.2)
Toetsing
De ondergeschikte restaurant/horecafunctie wordt binnen het bestaande bezoekerscentrum op het perceel Aardhuis 1 te Hoog Soeren gerealiseerd. Het betreft hier een uitbreiding in de vorm van verbreding, waarbij geen strijdigheid optreedt met de Omgevingsverordening omdat het een kleinschalige ontwikkeling is die de kernkwaliteiten van het gebied niet aantast. Zo gaat het om een ondergeschikte activiteit die binnen bestaande bebouwing wordt toegestaan, waardoor geen nieuw ruimtebeslag benodigd is. Verder wordt het natuurlijke karakter van het gebied door de ontwikkeling niet aangetast. In de regels van dit bestemmingsplan is nl. geborgd dat de nieuw toe te voegen functie ondergeschikt moet blijven aan de hoofdfunctie.
Door de geringe omvang van de ontwikkeling en het ondergeschikte karakter zonder nieuw ruimtebeslag is artikel 2.7.2.1 (nieuwe ontwikkeling binnen GO) niet van toepassing.
Stiltegebieden
Het plangebied is ook aangeduid als stiltegebied. Dit betekent dat het niet is toegestaan het ervaren van natuurlijke geluiden van het gebied te verstoren.
Toetsing
Daar het verstoren van het ervaren van natuurlijke geluiden niet geldt voor handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan bestaat er in onderhavige situatie geen strijdigheid met de regels die gelden voor stiltegebieden. Het Aardhuis is formeel gezien geen inrichting, maar daarmee als bestaand bezoekerscentrum/ museum incl. de functietoevoeging wel vergelijkbaar. Daarbij komt dat het Aardhuis geen stilteverstorende activiteiten (toestellen, motorvoertuigen, etc.) zoals benoemd in de omgevingsverordening uitvoert.
Op 30 mei 2013 heeft de raad de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een doorkijk tot 2030 en is één structuurvisie voor zowel stad als land.
De structuurvisie is opgesteld op de overgang naar een echt andere tijd. De onzekerheid over de toekomst is groot. In de structuurvisie kiest de gemeente er voor om daarop niet te reageren met een dichtgetimmerd plan maar door zoveel mogelijk (beleids-)ruimte te bieden aan het onvoorspelbare. Daarmee krijgt Apeldoorn de ruimte zich te ontwikkelen. De gemeente nodigt daarom iedereen uit die een bijdrage kan leveren aan de leefkwaliteit van huidige en toekomstige Apeldoorners. Ruimte bieden is niet vrijblijvend, de ruimte wordt geboden binnen kaders. Allereerst door voort te bouwen op de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente. In het concept 'Apeldoorn Buitenstad' komen die kwaliteiten samen. Apeldoorn is zowel stad als groot dorp en biedt de leefkwaliteit van beide.
De kwaliteiten van de Buitenstad vormen samen het fundament van de structuurvisie. De gemeente wil het fundament van Apeldoorn koesteren en versterken. Want alleen daardoor blijft de leefkwaliteit op peil en blijft Apeldoorn aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Beheer en vernieuwing van het fundament is de belangrijkste opgave van de structuurvisie. De gemeente stelt hoge kwaliteitseisen aan het fundament en wil er zelf in blijven investeren.
Om Buitenstad te blijven, zijn in de structuurvisie vier ambities geformuleerd die weergeven wat Apeldoorn grotendeels al is en waar Apeldoorn sterk in is. Het gaat hierbij om de volgende ambities:
De structuurvisie is een uitnodiging aan de samenleving om Apeldoorn mooier te maken. 'Apeldoorn biedt ruimte' staat voor ruimte bieden aan ideeën en initiatieven die passen bij de Buitenstad. De gemeente zal daarbij faciliteren en ondersteunen. Buiten het fundament van de Buitenstad biedt de gemeente hiervoor veel handelingsvrijheid, bijvoorbeeld door flexibel te bestemmen.
Niet alles gaat vanzelf. In sommige delen van Apeldoorn spelen ingewikkelde vernieuwingsopgaven. Opgaven die belangrijk zijn voor Apeldoorn als geheel, waarbij vaak hard gewerkt moet worden om iets van de grond te krijgen. In de structuurvisie worden die opgaven 'dynamo's' genoemd, elementen die eerst in beweging moeten komen voordat ze energie gaan opleveren. Het centrumgebied van Apeldoorn, de centrale delen van de Kanaalzone en kleinschalige herstructurering van wijken, buurten en dorpen zijn voorbeelden. De gemeente neemt in de dynamo's de regierol op zich. In de dynamo's ligt ook programmatisch de hoogste prioriteit. De verdere invulling ervan bepaalt de gemeente samen met initiatiefnemers.
Het voorliggende initiatief past binnen de ambitie die de gemeente Apeldoorn voorstaat met betrekking tot het toeristisch toplandschap.
De nota I-cultuur is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 februari 2006. Kern van de nota is dat cultuurhistorie van essentieel belang is voor de identiteit van Apeldoorn. De kwaliteiten van de woonwijken, de binnenstad, de dorpen en het afwisselende buitengebied gelden als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Cultuurhistorie levert bouwstenen aan om ruimtelijke projecten mogelijk te maken met behoud van identiteit. Hiervoor wordt een cultuurhistorische analyse van een gebied gemaakt. Daarmee ontstaat inzicht in de aanwezige (boven- en ondergrondse) cultuurhistorische waarden. Naast het vastleggen van kennis over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur geeft de analyse aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen. Bij de nota horen een cultuurhistorische en een archeologische beleidskaart.
Op de cultuurhistorische beleidskaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol zullen spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:
In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan een beschermende regeling krijgen.
Op 18 juni 2015 heeft de gemeenteraad de Archeologische beleidskaart 2015 vastgesteld, die de Archeologische beleidskaart uit 2006 vervangt. De archeologische beleidskaart kent drie categorieën terreinen met archeologische waarden. Er is vastgesteld dat op deze terreinen archeologische waarden aanwezig zijn of dat het zeer waarschijnlijk is dat deze aanwezig zijn. Daarnaast zijn er drie zones met een archeologische verwachting. Deze zones geven de dichtheid weer waarop een archeologische vindplaats wordt verwacht.
De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische verwachting voor het gebied èn van de omvang van de graafwerkzaamheden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld. In onderhavige situatie is sprake van een terrein met archeologische waarden (categorie 3). Dit houdt het volgende in.
Categorie 4: Zone met (middel) hoge archeologische verwachting > bodemingrepen tot 500m2
In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. Deze twee indicaties zijn samengevoegd, om een te grote hoeveelheid categorieën en dus regels te voorkomen en omdat het onderscheid in deze twee categorieën nog niet met genoeg onderzoek gestaafd is. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. De dichtheid van deze vindplaatsen is groter dan in een zone met een lage archeologische verwachting. Daarom is bij bodemingrepen vanaf 500 m2 archeologisch onderzoek nodig. Bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 wordt de kans klein geacht een dergelijke
Verstoringsdiepte waarvoor onderzoeksplicht geldt
De verplichting om archeologisch onderzoek uit te voeren geldt voor ieder van de genoemde gebiedscategorieën bij een verstoring dieper dan 35 cm onder het vastgestelde maaiveld. Een uitzondering op deze diepte wordt gemaakt voor natuurgebieden. Ervaring leert dat archeologische waarden in natuurgebieden relatief dicht aan het oppervlak kunnen liggen. Daarom is in natuurgebieden bij verstoringen van de bodem groter dan 10.000 m2 altijd een archeologisch onderzoek nodig, ongeacht de diepte van de verstoring.
In onderhavige situatie is geen sprake van bodemverstorende werkzaamheden, omdat het slechts een interne functietoevoeging betreft. Geen archeologisch onderzoek is daarom uitgevoerd. De eventueel aanwezige archeologische waarden blijven beschermd door de opname van een dubbelbestemming die daarvoor zorgt.
Dit hoofdstuk geeft de ruimtelijke opzet van het plangebied weer. In paragraaf 3.1 wordt de bestaande situatie beschreven. In paragraaf 3.2 wordt de nieuwe situatie beschouwd.
Bezoekerscentrum 'Het Aardhuis' is midden op de Veluwe gelegen, nabij de doorgaande provinciale weg Apeldoorn - Amersfoort. De dichtstbijzijnde woonkern is Hoog Soeren. 'Het Aardhuis' is ten noord-westen van deze kern gelegen. In de nabijheid van 'Het Aardhuis' is voor wat betreft bebouwing alleen een beheerderswoning met bijbehorende bouwwerken gelegen. Voor het overige wordt de omgeving gekenmerkt door bossen en een natuurweide.
Afbeelding 3.1 - Toegangspoort naar Het Aardhuis
'Het Aardhuis" is een voormalig jachtchalet van koning Willem III en staat bovenop de zogenaamde Aardmansberg. In 'Het Aardhuis' is een museum/bezoekerscentrum gevestigd. Daarnaast worden er exposities en tentoonstellingen gegeven. In het museum is ook een kleine kadoshop en koffiecorner gevestigd.
Afbeelding 3.12 - Het Aardhuis (bron: www.aardhuis.nl)
Vanuit 'Het Aardhuis' is het ook mogelijk om wandelingen te maken in het nabijgelegen wildpark. Dit kan zowel individueel als onder begeleiding van een gids. Het wildpark behoort bij het 'Het Aardhuis'. In het wildpark kunnen onder meer edelherten, damherten en vossen worden aangetroffen.
Afbeelding 3.3 - Impressie wandeling op wildpark (bron: www.aardhuis.nl)
Doel van het voorliggende bestemmingsplan is om in 'Het Aardhuis' een horeca/restaurantfunctie juridisch planologisch mogelijk te maken. Deze activiteit is van ondergeschikte aard en dient ter ondersteuning van de bestaande activiteiten. De activiteit vindt plaats binnen 'Het Aardhuis', er hoeft geen nieuwe bebouwing opgericht te worden. Inpandig zijn enkele aanpassingen nodig ten behoeve van de nieuwe activiteit. Aangezien het pand een Rijksmonument is geborgd dat de aanpassingen het monument niet aantasten. Er geldt namelijk een vergunningplicht. Het eten ten behoeve van de horeca/restaurantfunctie wordt ter plekke bereid, al is ook catering vanaf elders voorzien.
Afbeelding 3.4 - locatie die voor horeca/restaurantfunctie gebruikt kan worden
Afbeedling 3.5 - huidige keukenruimte
3.2.1. Verkeer en parkeren
Aangezien er verkeer gegeneerd wordt ten behoeve van de ondergeschikte horeca/ restaurantfunctie zal bij de inrichting van het perceel hiermee rekening gehouden moeten worden. Blijkens de onderstaande foto is er voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Het perceel wordt op dit moment reeds omgeven door natuur. Een nadere inpassing is daarom ook niet noodzakelijk. De omgevingskwaliteit is namelijk al van een voldoende hoog niveau. Voor de ontsluiting kan gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur.
Afbeelding 3.6 - huidige parkeerplaats
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieu kwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.
Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.
Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.
Hiernaast geldt dat de gemeente Apeldoorn bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Apeldoorn heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.
Onderzoeksresultaten bodem
Door de Omgevingsdienst Veluwe IJssel is, op basis van de haar bekende gegevens, geconcludeerd dat de locatie onverdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging.
Omdat Aardhuis 1 in Hoog Soeren een voor bodemverontreiniging onverdachte locatie betreft en omdat de bestemmingsplanwijziging alleen een uitbreiding van de bestemming zonder bouwactiviteiten betreft hoeft voor de bestemmingsplanwijziging geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Apeldoorn de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden normaliter bepaald tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden.
Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd.
De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.
milieucategorie | richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk | richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied |
1 | 10 m | 0 m |
2 | 30 m | 10 m |
3.1 | 50 m | 30 m |
3.2 | 100 m | 50 m |
4.1 | 200 m | 100 m |
4.2 | 300 m | 200 m |
5.1 | 500 m | 300 m |
5.2 | 700 m | 500 m |
5.3 | 1.000 m | 700 m |
6 | 1.500 m | 1.000 m |
Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats.
Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.
Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden.
Onderzoeksresultaten milieuzonering
De gewenste aanduiding horeca/restaurant heeft een milieuzone van 10 meter. Op circa. 72 meter van de planlocatie is een woning gelegen. Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect milieuzonering om de gewenste situatie te realiseren.
Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen, een spoorlijn dan wel een industrieterrein. Derhalve zijn er geen geluidsbronnen aan de orde. Daarnaast moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook inzicht te worden gegeven in de akoestische indirecte gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventuele verkeersaantrekkende werking.
Door het toestaan van een horeca/restaurantfunctie zal er een verkeersaantrekkende werking plaatsvinden. De weg naar het bezoekerscentrum heeft geen geluidszone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh.
Onderzoeksresultaten wegverkeerslawaai
In de rapportage Milieuaspecten uitbreiding activtiteiten Aardhuis d.d. 15 april 2016, opgesteld door Econsultancy en opgenomen in bijlage Akoestisch onderzoek en onderzoek luchtkwaliteit van de Bijlagen bij de toelichting, is de geluidsbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking op de nabijgelegen beheerderswoning berekend. Bij de verkeersgegevens is uitgegaan van het verkeer van de reguliere bezoekers van het wildpark en de bezoekers van de nieuwe horecavoorziening tezamen. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting op de beheerderswoning maximaal 33dB zal bedragen. Dit is lager dan de voorkeurswaarde voor wegverkeerslawaai en daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.
Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:
Niet in betekenende mate bijdragen
In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn:
Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) staan enerzijds maatregelen die gemeenten, provincies en rijk nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren en anderzijds grootschalige, "in betekenende mate" projecten die tot verslechtering kunnen leiden. Per saldo kan Nederland hiermee in 2011 overal aan de grenswaarden van fijn stof voldoen en in 2015 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide. Nederland heeft op basis van het NSL van de Europese Commissie uitstel gekregen van de inwerkingtreding van de grenswaarden.
Toepasbaarheidsbeginsel
Op locaties die niet voor het publiek toegankelijk zijn, op het terrein van inrichtingen, op rijbanen van wegen en in de middenbermen van wegen hoeft de luchtkwaliteit niet te worden beoordeeld (het "toepasbaarheidsbeginsel").
Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering.
Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit
Voor de realisatie van de horecavoorziening is de luchtkwaliteit ten gevolge van de extra verkeersaantrekkende werking van deze voorziening onderzocht. In de rapportage d.d. 15 april 2016, opgesteld door Econsultancy en opgenomen in de bijlage Akoestisch onderzoek en onderzoek luchtkwaliteit, is het resultaat van dit onderzoek beschreven. De in het onderzoek betrokken weg is de Aardhuis. De berekeningen zijn uitgevoerd met de NIBM-tool van Infomil. Uit het onderzoek blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de grens voor “Niet in betekenende mate”. Daarmee wordt tevens voldaan aan de bepalingen uit het hoofdstuk Luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer en zijn er geen belemmeringen voor dit plan.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg
Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
Nota milieu-veiligheid Apeldoorn
In december 2011 is de Nota Milieuveiligheid vastgesteld. Uitgangspunt van deze nota is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. Als voorwaarde geldt wel dat de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de beleidsvisie bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.
In de nota is tevens vastgelegd dat wanneer bijzonder kwetsbare objecten (objecten met verminderd zelfredzame personen zoals scholen en zorginstellingen) mogelijk worden gemaakt binnen het invloedsgebied van een risicobron de besluitvorming op dit punt expliciet bij de gemeenteraad en het college van B&W wordt voorgelegd.
Onderzoeksresultaten
Afbeelding 4.1 - Overzicht risicobronnen nabij plangebied (Bron: Gelderse signalerignskaart Externe veiligheid)
Stationaire risicobronnen
Binnen of nabij het plangebied zijn geen (geprojecteerde) stationaire risicobronnen aanwezig die een belemmering kunnen opleveren voor de ontwikkeling van het plangebied.
Mobiele risicobronnen
Binnen of nabij het plangebied zijn geen (geprojecteerde) mobiele risicobronnen aanwezig die een belemmering kunnen opleveren voor de ontwikkeling van het plangebied.
Wel bevindt zich in de nabijheid van het perceel Aardhuis 1 een provinciale weg, namelijk de N344. Provinciale wegen zijn aangewezen als doorgaande routes voor gevaarlijke stoffen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N344 is dermate beperkt dat er geen significante EV risico's zijn rond deze weg, zo blijkt uit de milieunota externe veiligheid gemeente Apeldoorn.
Conclusie
Ten aanzien van het aspect Externe Veiligheid kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn. Dit betekent dat er geen nadere eisen worden gesteld voor het aspect Externe Veiligheid.
De minister van VROM heeft bij brief van 3 oktober 2005 geadviseerd om bij de vaststelling van nieuwe plannen, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla (µT).
De aanleiding voor dit advies is een Engels onderzoek waarbij een licht statistisch verband naar voren is gekomen tussen het langdurig aanwezig zijn van kinderen binnen de 0,4 µT magneetveldzone van bovengrondse hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen tussen 0 en 15 jaar. Het is nog niet duidelijk wat de achterliggende oorzaak hiervan is. Op basis van het voorzorgsprincipe wordt daarom geadviseerd om in nieuwe situaties rekening te houden met deze 0,4 µT–magneetveldzone rondom hoogspanningslijnen. Gelet op de maatschappelijke kosten-baten afweging en ook gezien de huidige onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico's adviseert VROM dat er geen directe aanleiding is om maatregelen te nemen in bestaande situaties. Daaronder worden ook geldende maar nog niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen begrepen.
Nieuwe situaties zijn nieuwe bestemmingsplannen en/of wijziging van bestaande bestemmingsplannen en/of plaatsing van nieuwe hoogspanningslijnen dan wel wijzigingen aan bestaande hoogspanningslijnen. Gevoelige bestemmingen zijn locaties waar kinderen langdurig verblijven, zoals woningen, scholen en crèches.
Gelet op het hiervoor genoemde VROM-advies heeft het gemeentebestuur op 6 november 2007 de intentie uitgesproken om op termijn alle bovengrondse hoogspanninglijnen in Apeldoorn ondergronds te brengen. Tot het zover is, zal voor nieuwe ontwikkelingen de lijn van het VROM-advies gevolgd worden.
Onderzoeksresultaten
In de nabijheid van het perceel Aardhuis 1 te Hoog Soeren bevinden zich geen bovengrondse hoogspanningslijnen.
Algemeen
Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:
Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld.
Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.
Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Onderzoeksresultaten
Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De milieueffecten zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De resultaten daarvan zijn beschreven in de paragrafen Inleiding tot en met Elektromagnetische velden. Daaruit kan worden geconcludeerd dat kan worden uitgesloten dat het bestemmingsplan belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Er geldt daarom geen m.e.r-plicht, geen m.e.r.-beoordelingsplicht en ook is het niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
Het perceel Aardhuis 1 te Hoog Soeren ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is circa 350m2 groot. Het betreft hier de oppervlakte van de functiewijziging naar de horeca/restaurantfunctie. Het plangebied bevindt zich niet binnen enige Keurzone en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de Omgevingsvisie heeft aangegeven.
Door de horecaactiviteit zal grondwater in dit plangebied geen overlast veroorzaken en niet structureel afgevoerd worden. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.
In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast onstaat er door dit plan geen oppervlaktewater. Het plan heeft ook geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.In en om het plangebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.
In het plangebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en hemelwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij de maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.
Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van hemelwater niet op de riolering aan te sluiten. In de Bouwverordening is bepaald dat het hemelwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.
Bij het bepalen van de manier waarop het hemelwater wordt afgevoerd, hanteert de gemeente de Beslisboom voor Hemelwater. Deze beslisboom geeft de volgende voorkeursvolgorde voor het afvoeren van hemelwater:
De materialen die in aanraking komen met het hemelwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van hemelwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het hemelwater afgevoerde vervuilende stoffen.
In dit plangebied wordt het hemelwater door middel van infiltartie in de bodem afgevoerd.
Door het toevoegen van de nieuwe functie zal de stroom van afvalwater toenemen. Om deze toename op te kunnen vangen zal er een persleiding naar de riolering in Hoog Soeren worden aangelegd. Op deze manier wordt de afvoer van het afvalwater op een goede manier geborgd waabij de kans op verontreiniging van de bodem gering is.
Het plan omvat minder dan 10 woningen/1.500 m² extra verhard oppervlak, er wordt een nieuwe functie binnen de bestaande bebouwing gerealiseerd. Het plangebied ligt niet in een Keurzone of in een zoekgebied voor waterberging. Het plan betreft geen HEN-water (inclusief beschermingszone), landgoed, weg, spoorlijn, damwand, scherm, ontgronding et cetera. Bovendien zal er niet meer dan de landelijke afvoernorm geloosd gaan worden op het oppervlaktewater. Daarom is dit plan in het kader van de watertoets een postzegelplan als omschreven door Waterschap Vallei en Veluwe. Voor het plan geldt dan ook het standaard wateradvies. Afwijkingen van dit standaard wateradvies zijn gemotiveerd aangegeven. Bij negatieve gevolgen voor het watersysteem is aangegeven hoe deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd worden.
Om deze redenen is het plegen van overleg met het waterschap als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening achterwege gelaten, dit in overeenstemming met de richtlijn 'Watertoetsprocedureregels voor postzegelplannen' van het waterschap.
Algemeen
Bescherming van natuurwaarden vindt plaats via de Wet natuurbescherming en de provinciale Omgevingsverordening.
Onderzoeksresultaten
Ten behoeve van de voorgenomen activiteit heeft een zogenaamde natuurtoets plaatsgevonden, welke als bij Bijlage 2 deze toelichting is gevoegd. De conclusies van de natuurtoets zijn hieronder weergegeven.
Econsultancy heeft in opdracht van Kroondomein Het Loo een natuurtoets uitgevoerd aan de Aardhuis 1 te Hoog Soeren. De natuurtoets is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging, in verband met een verruiming van het huidige gebruik. In september 2015 is door Econsultancy een verkennende natuurtoets uitgevoerd voor de voorgenomen uitbreiding van de dienstverlening. In de rapportage werd destijds uitgegaan van het uitblijven van negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op basis van de ligging ten opzichte van de N344. Op basis van een berekende overschrijding van de stikstofdepositie werd door de provincie Gelderland geconcludeerd dat de ontwikkeling mogelijk vergunningplichtig is en dat het in 2015 uitgevoerde onderzoek uitgebreid dient te worden met een analyse van de effecten van licht en geluid.
Aangezien sinds 2015 er wijzigingen in de wetgeving zijn doorgevoerd, is door Econsultancy een volledig nieuwe toetsing van de voorgenomen ontwikkeling uitgevoerd. Toetsing aan de soortbescherming heeft plaatsgevonden op basis van een veldbezoek en bureaustudie. Bij de toetsing aan de regels van Natura 2000 is een nieuwe modelberekening voor stikstofdepositie uitgevoerd. Tevens is een akoestisch en lichthinderonderzoek uitgevoerd op basis van modelberekeningen.
De natuurtoets bestaat uit drie onderdelen:
1. Soortbescherming: dit deel van het onderzoek (quickscan) heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep.
De Wet natuurbescherming heeft vooral betrekking op het beschermen van nesten en holen van beschermde soorten, alsmede hun functioneel leefgebied. Vanwege de verlengde openstelling en uitbreiding met horeca zijn er geen handelingen in het gebied gepland, zoals het kappen van bomen, het slopen of uitpandig verbouwen van gebouwen etc. Overtredingen die betrekking hebben op rust of voortplantingsplaatsen treden daarom niet op.
Het aantal bezoekers zal toenemen, maar vooral buiten het broedseizoen van vogels. Net als in de huidige situatie zullen bezoekers gebruik moeten maken van de bestaande paden. Dit voorkomt verstoring van veel soorten die hun verblijfplaatsen in het bos of in bomen hebben.
Door het beoogde gebruik zal er geen overtreding van de Wet natuurbescherming optreden. Het aanvragen van een ontheffing, of het treffen van maatregelen is niet aan de orde.
2. Gebiedsbescherming (Natura 2000): Dit deel van het onderzoek (voortoets) heeft als doel vast te stellen of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, (significante) gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het betreft een nadere analyse van de effecten van geluid, licht en stikstofdepostie.
Uit de toetsing van het beoogde aan de mogelijke effecten, genoemd in de effectenindicator, blijkt dat negatieve effecten op de aangewezen habitats niet zijn uit te sluiten. Dit vanwege een geringe overschrijding van de stikstofdepositie op habitats in de omgeving van het plangebied. Uit de berekening van het verschil tussen de feitelijke en de beoogde situatie blijkt dat deze valt onder de meldingsplichtige categorie.
Ten aanzien van het effect van geluid is uit berekening gebleken dat de geluidsbelasting van de provinciale weg bepalend is. De 47dB contour schuift als gevolg van de voorgenomen plannen 2 meter op. Ook het effect van licht is beperkt tot de lichtbundels van parkerende voertuigen. Op de dagactieve wespendief en zwart specht heeft dit geen effect.
3. Provinciaal beleid (GNN/GO):Dit deel van het onderzoek heeft tot doel om te bepalen wat de
mogelijke effecten zijn op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het nabijgelegen
GNN gebied en de GO.
Uit een toetsing van het beoogde gebruik aan de mogelijke effecten blijkt dat negatieve effecten op het Gelders Natuurnetwerk zijn uit te sluiten. Van aantasting van de huidige kernkwaliteiten en omgevingscondities is geen sprake. De door de provincie vereiste landschappelijke inpassing is feitelijk niet aan de orde, aangezien er geen fysieke verandering in het gebied plaatsvindt. Indien er toch een inpassingsmaatregel wordt verlangd, dan stelt Econsultancy voor om rond de parkeerplaats vlechtheggen van snoeihout aan te leggen. Deze kunnen een goede buffering vormen voor strijklicht door parkerende voertuigen.
Ondanks de bovenstaande toetsing is gebleken dat de activiteiten op basis van de Wet natuurbescherming vergunnignsplichtig zijn. Op 11 oktober 2017 is dan ook een aanvraag om vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming ingediend. Aangezien de voorgenomen activiteit plaatsvindt door of namens de Kroondrager, is de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag. Op 28 maart 2018 is door de minister het Besluit vergunning Wet natuurbescherming genomen. Vanuit de wet natuurbescherming bestaan er in deze dus geen bezwaren tegen het verruimen van de activiteiten. Om te borgen dat overeenkomstig de verleende vergunning wordt gehandeld wordt het handelen in strijd met de verleende vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming als strijdig gebruik gezien.
Het plangebied ligt op basis van de Archeologische beleidskaart in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Dit heeft tot gevolg dat bij werkzaamheden/verstoringen groter dan 500 m2 en dieper dan 35 cm er archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De voorgestelde ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand bouwwerk en haalt deze begrenzingen niet. Archeologisch onderzoek is derhalve voor dit plan niet noodzakelijk.
Afbeelding 4.2 - uitsnede archeologische beleidskaart, plangebied rood omcirkeld
Om de doelstellingen van de Archeologische beleidskaart wel te borgen, is in de regels en op de verbeelding een aanduiding opgenomen, die de genoemde grens voor bodemingrepen vastlegt.
Het bouwwerk op het perceel Aardhuis 1 te Hoog Soeren betreft een cultuurhistorisch bouwwerk. Gelet hierop is het bouwwerk ook aangewezen als een Rijksmonument. Aangezien de ondergeschikte horeca/restaurantfunctie binnen het bestaande bouwwerk gerealiseerd wordt en er geen bouwactiviteiten plaats hoeven te vinden kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen bestaan met betrekking tot het plan. Ter bescherming van het monument is het (gedeeltelijk) slopen van het pand omgevingsvergunningplichtig. Daarnaast geldt er ook al een bescherming vanwege het Rijksmonumentale karakter van het pand.
Het betreft een particulier initiatief, waarbij via dit plan een nieuwe ontwikkeling wordt opgenomen. Hiervoor is een anterieur contract gesloten. Het verhalen van kosten is daardoor verzekerd. Dat maakt het opstellen van een exploitatieplan niet nodig.
In hoofdstuk Bestaande en nieuwe situatie is de bestaande situatie in het plangebied beschreven. Hoofdstuk PLANOLOGISCHE ASPECTEN bevat een toelichting op de planologische aspecten De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die dit vastlegt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. In paragraaf Karakter bestemmingsplan wordt het karakter van dit bestemmingsplan beschreven. Paragraaf Bestemmingen beschrijft de gebruikte bestemmingen. Hier worden zowel de regels als de weergave van de bestemmingen op de plankaart beschreven. De beschrijving geeft aan hoe de regeling geïnterpreteerd moet worden. In paragraaf Algemene regels en overgangs- en slotregels tenslotte worden de algemene regels en de overgangs- en slotregels besproken.
Bestemmingsplan Aardhuis 1 Hoog Soeren is een ontwikkelplan, met als doel de beoorgde ontwikkeling, te weten een ondergeschikte horeca/restaurantfunctie, mogelijk te maken.
Voor de regels en de plankaart is gebruik gemaakt van de Apeldoornse standaard, die aansluit bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012.
Voor het plangebied is slechts één bestemming van belang. Deze bestemming is vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Samen geeft dit de regels voor gebruik en bebouwing van de grond. De bestemming wordt hierna besproken.
Cultuur en ontspanning
De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor:activiteiten gericht op cultuur en ontspanning. Hierbij geldt dat de activiteiten gericht op cultuur en ontspanning zijn toegestaan in milieucategorie 1 van de Lijst van toegelaten vormen van cultuur en ontspanning zoals deze als bijlage bij de regels is toegestaan. Daarnaast wordt, overeenkomstig het bestemmingsplan 'Veluwe' opgenomen dat voor het perceel Aardhuis 1 te Hoog Soeren ook de volgende activiteiten zijn toegestaan: museum, bezoekerscentrum en natuureducatie. Tevens is opgenomen dat er ondergeschikte horeca mag plaatsvinden zoals opgenomen in de Lijst van toegelaten horecatypen. Deze lijst is als bijlage bij de regels gevoegd. Voor de volledigheid is in de begripspalingen een definitie opgenomen van hert begrip ondergeschikte horeca. In het voorliggende bestemmingsplan worden uitdrukkelijk geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden toegekend ten behoeve van de ondergeschikte horeca.
Als strijdig gebruik wordt gezien het handelen in strijd met de verleende vergunning op basis van de Wet natuurbescherming.
In hoofdstuk 3 (Algemene regels) staan de regels die gelden voor de bestemming. In artikel 5 zijn bouwregels opgenomen die voor de bestemming gelden. Lid 5.1 bevat onder andere de bepaling over ondergronds bouwen. Hierin is bepaald dat ondergronds bouwen alleen daar is toegestaan waar ook bovengronds gebouwd mag worden, mits er een functionele relatie bestaat met de bovengronds toegelaten functie. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt. Het laatste onderdeel van dit lid geeft een regeling voor legaal gebouwde (delen van) bouwwerken die niet voldoen aan de in het plan voorgeschreven maatvoering. De aanwezige maten zijn dan toegelaten, ook bij eventuele herbouw van het bouwwerk. Dit geldt alleen daar waar de afwijking voorkomt.
Lid 5.2 bevat de afdekbepaling. Hierin is bepaald dat gebouwen altijd van een kap moeten worden voorzien, uiteraard mits ze hoger worden gebouwd dan de ter plaatse aangegeven maximale goothoogte.
In artikel 6 staan de algemene gebruiksregels. In de leden 6.1.1 en 6.2.1 is beschreven welke vormen van gebruik in ieder geval gelden als gebruik in strijd met de bestemming. In de leden 6.1.2 en 6.2.3 is het daadwerkelijke strijdig gebruik strafbaar gesteld. Dit is noodzakelijk voor vormen van gebruik waarvoor het niet mogelijk en wenselijk is een omgevingsvergunning te verlenen en de strafbaarstelling van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht derhalve niet van toepassing is.
In artikel 10 staan de procedureregels die bij het stellen van nadere eisen moeten worden toegepast. Procedureregels voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de regels van het bestemmingsplan zijn niet opgenomen omdat daarvoor de procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is. De procedureregels voor uitwerkings- en wijzigingsplannen staan in de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 11 tenslotte geeft aan welke regeling geldt wanneer wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen en plannen. De overige artikelen bevatten bekende regels die geen nadere bespreking behoeven.
In hoofdstuk 3 zijn ook de regels voor de in het plangebied voorkomende waarden, belemmeringenzones en dergelijke opgenomen. Dit zijn regels voor waarden, belemmeringenzones en dergelijke die in meerdere bestemmingen voorkomen. Door middel van gebiedsaanduidingen is aangegeven waar deze zones voorkomen.
Archeologie
De Archeologische beleidskaart 2015 kent zes categorieën gebieden met een verschillende archeologische verwachting. Voor twee van die categorieën bevat het bestemmingsplan geen regeling. De bescherming van terreinen met monumentale archeologische waarden, oftewel de archeologische monumenten, is geregeld in de Monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Van de zones met geen archeologische verwachting staat vast dat er geen archeologische waarden (meer) zijn. Voor de overige vier categorieën wordt in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen.
Gebieden die op de archeologische beleidskaart zijn aangemerkt als Zone met (middel)hoge archeologische verwachting hebben de aanduiding 'overige zone – hoge archeologische verwachtingswaarde' gekregen. Hiervoor geldt dat bij het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bouwwerk waarvoor een bodemingreep wordt gedaan met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van 35 cm onder het vastgestelde maaiveld tevens een archeologisch onderzoeksrapport moet worden ingediend.
Voor een aantal werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die mogelijke archeologische waarden in de bodem kunnen verstoren geldt dat ze niet mogen worden uitgevoerd tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Daarbij geldt dezelfde oppervlakte en diepte als hiervoor genoemd. De vergunning kan alleen worden verleend als uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
Wanneer de archeologische waarde van het terrein al uit andere informatie (bijvoorbeeld uit eerder uitgevoerd onderzoek) in voldoende mate is vastgesteld, is het niet nodig nieuw onderzoek uit te voeren.
Als uit het archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden door het oprichten van het bouwwerk of door het uitvoeren van de werkzaamheden zullen worden verstoord kan het bevoegd gezag bepaalde voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden. Deze voorschriften kunnen bestaan uit het treffen van technische maatregelen of uit het uitvoeren van nader onderzoek; van beide dient verslag aan het bevoegd gezag uitgebracht te worden.
Archeologisch onderzoek kent vele vormen en maten. Voor het archeologische onderzoeksrapport dat bij een vergunningaanvraag moet worden ingediend wordt meestal in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, eventueel aangevuld met een verkennend booronderzoek. Veelal is na deze fase bekend of vrijgave van het terrein mogelijk is of dat nader (of aanvullend) onderzoek noodzakelijk is. Het nader of aanvullend onderzoek, dat bij wijze van voorschrift aan de omgevingsvergunning verplicht kan worden gesteld, kan bijvoorbeeld bestaan uit een gedetailleerder booronderzoek of het graven van proefsleuven om een vindplaats op te sporen of uit te sluiten. Uiteindelijk kunnen deze vormen van onderzoek erin resulteren dat een behoudenswaardige archeologische vindplaats is aangetroffen. Afhankelijk van de ontwikkeling zal de vindplaats in dat geval ex situ (door een opgraving) of in situ (door inpassing in het plan) behouden moeten worden.
Bepalend voor het al dan niet bestaan van een onderzoeksverplichting zijn steeds de oppervlakte en de diepte van de bodemingreep. Bij de oppervlakte van de bodemingreep gaat het om de daadwerkelijk verstoorde oppervlakte. Als een gebouw op stroken gefundeerd wordt en er geen extra graafwerk plaatsvindt, dan geldt als bodemingreep alleen de oppervlakte van de strokenfundering. Wordt daarentegen ook de grond tussen de stroken dieper dan 35 cm vergraven, dan geldt als bodemingreep de volledige oppervlakte van het gebouw. Wanneer een gebouw wordt onderkelderd, wordt in de regel een flink grotere bouwput gegraven dan de oppervlakte van het gebouw. Daarom geldt als bodemingreep bij een onderkeldering de oppervlakte van de bouwput. Om dit zeker te stellen is in artikel 2 Wijze van meten over de wijze van meten bepaald hoe de oppervlakte van een bodemingreep moet worden gemeten.
In de regels is bepaald dat de diepte van de bodemingreep wordt bepaald vanaf de vastgestelde maaiveldhoogte van het Actueel Hoogtebestand Nederland 2 (AHN2). De AHN2 is een digitale hoogtekaart van Nederland, met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze hoogtegegevens die de ligging van het maaiveld met grote nauwkeurigheid weergeeft. Door het hanteren van deze vastgestelde hoogteligging wordt bereikt dat niet alleen bij een eenmalige bodemingreep dieper dan 35 cm onder AHN2-maaiveld er een plicht tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek is, maar dat dat ook het geval is als er in de loop der jaren bij achtereenvolgende activiteiten meer dan 35 cm onder deze vastgestelde maaiveldhoogte gegraven wordt. In de begripsbepalingen is een definitie van het begrip AHN2-maaiveld opgenomen.
Hoofdstuk 4 bevat tot slot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik en de titel van het bestemmingsplan.
Overeenkomstig het in de gemeentelijke inspraakverordening bepaalde heeft geen voorontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 31 mei 2018 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze ternmijn heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze heeft niemand gebruik gemaakt.