| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Weezenlanden Noord |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0193.TAMh22a-0004 |
Op 7 maart 2022 is het bestemmingsplan Weezenlanden Noord door de raad vastgesteld. Dat bestemmingsplan vormt de basis voor de gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord.
Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van ruim 500 woningen en zo'n 2.250 m² nieuwe (commerciële) voorzieningen in het gebied begrensd door de Luttenbergstraat/Schuurmanstraat/ Wiecherlinckstraat/Buserstraat.
De gebiedsontwikkeling is momenteel, op basis van het bestemmingsplan, in uitvoering. Een deel van de nieuwbouw is inmiddels gerealiseerd of in aanbouw. Er is nu aanleiding dat geldende bestemmingsplan uit 2022, wat inmiddels is opgegaan in het Omgevingsplan gemeente Zwolle, aan te passen:
Het bestemmingsplan Weezenlanden Noord uit 2022 (inclusief de eerste herziening, zoals vastgesteld op 19 juni 2023) laat deze wijzigingen niet toe. Deze zijn onder andere in strijd met de toegestane gebruiks- en bouwregels. Met het toevoegen van een mobiliteitshub wordt het ontwikkelingsgebied ook groter, waardoor het, ter plaatse van de Luttenbergstraat, binnen het bestemmingsplan Assendorp komt te liggen. Ook dit op 13 mei 2013 vastgestelde plan zal daarom aangepast moeten worden. Hetzelfde geldt, voor zover gelegen binnen het plangebied Assendorp, voor de Zwolse parapluplannen parkeren (vastgesteld 3 juli 2017) en bouw- en cultuurhistorie (vastgesteld 4 oktober 2021).
Op 1 januari 2024 zijn, met het inwerking treden van de Omgevingswet, alle bestemmingsplannen opgegaan in het ene (tijdelijke) Omgevingsplan gemeente Zwolle. Om de hierboven omschreven aanpassingen mogelijk te maken wordt het omgevingsplan gewijzigd. Met deze wijziging worden alle regels uit het bestemmingsplannen-deel van het tijdelijke omgevingsplan vervangen. Het wijzigingsgebied is aangegeven op onderstaande afbeelding.
Voorliggend document geeft een motivering van de benodigde wijziging van het omgevingsplan. Het geeft een onderbouwing van het besluit. Het motiveert dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen.
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 van deze motivering beschrijft de huidige staat van het wijzigingsgebied en de omgeving. Ingegaan wordt op de feitelijke situatie en de bestaande planologische rechten. Hoofdstuk 3 geeft het beoogde eindbeeld van de nieuwe inrichting van het wijzigingsgebied. Hoofdstuk 4 geeft aan hoe die nieuwe inrichting zich verhoudt tot de gevoerde participatie. Hoofdstuk 5 doet hetzelfde, maar dan tot het relevante generieke omgevingsbeleid van rijk, provincie en de gemeente.
De hoofdstukken 6 tot en met 9 gaan dieper in op de diverse, bij dit besluit relevante onderdelen van de fysieke leefomgeving. Aan de hand van specifieke normen en kaders wordt per onderdeel een nadere onderbouwing gegeven. Ingegaan wordt op de nieuwe functies, de omgevingskwaliteit, veiligheid en gezondheid en natuur. De motivering wordt afgesloten met een hoofdstuk over de uitvoerbaarheid en een hoofdstuk over juridische zaken, waarin onder meer de te wijzigen planregels worden toegelicht.
Om tot een aanvaardbaar plan te kunnen komen is inzicht nodig in de staat van de fysieke leefomgeving ter plaatse van het wijzigingsgebied en de omgeving. Naast de feitelijke situatie betreft dit ook de aanwezige (planologische) rechten. Dit hoofdstuk beschrijft die bestaande situatie en rechten.
Wijzigingsgebied
Het wijzigingsgebied wordt globaal begrensd door het Almelose kanaal in het noordoosten, de Luttenbergstraat in het zuidoosten, de Schuurmanstraat in het zuidwesten en de Wiecherlinckstraat in het noordwesten.
Ruimtelijke structuur
Weezenlanden Noord is onderdeel van een gebied dat pas in de jaren '50 is ontwikkeld omdat het daarvoor nog niet voldoende tegen overstromingen was beveiligd. Alleen de woningen aan het Groot Weezenland vanaf Kerkbrugje tot langs het Almelose kanaal zijn, aansluitend op de bebouwingsstructuur aan de Bagijnesingel, al van eerdere datum. De stedenbouwkundige Dudok en later van Embden stonden aan de wieg van de situering van onder andere het provinciehuis, rechtbank en ziekenhuis in dit gebied. Het ziekenhuis is inmiddels gesloopt maar de rechtbank (25 m hoog) en provinciehuis (30 m hoog) dragen voor een belangrijke mate bij aan het karakter van het gebied. Stoere grote bouwblokken die de Schuurmanstraat begeleiden als entree van de historische binnenstad en de verbinding met het stadspark Wezenlanden. Het Takcollege (15 m hoog) maakt met de bijzondere kop een mooie verbinding tussen de singel en de Schuurmanstraat.
De oorspronkelijke bebouwingsstructuur binnen het wijzigingsgebied bestond uit zes in 1958 gebouwde appartementengebouwen met in totaal 180 appartementen, gesitueerd in een groene setting, en 2 bedrijfspanden.
De woningbouwlocatie is momenteel een bouwterrein. De appartementengebouwen zijn en/of worden gesloopt, en verhardingen, groen en dergelijke in de buitenruimte is inmiddels verwijderd.
Omgevingsplan Zwolle
De planologische rechten binnen het wijzigingsgebied zijn vastgelegd in het op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingsplan gemeente Zwolle. Dat omgevingsplan bestaat uit de 'bruidsschat' (meerdere vanuit landelijke wetgeving overgegane regels, vooral over bouwen en milieu), enkele lokale verordeningen en alle geldende bestemmingsplannen. Zo ook de bestemmingsplannen Weezenlanden Noord uit 2022 (inclusief de eerste herziening) en Assendorp.
Het grootste deel van het wijzigingsgebied ligt binnen het bestemmingsplan Weezenlanden Noord. Dit plan laat de lopende gebiedsontwikkeling toe. Conform de stedenbouwkundige opzet kent het twee als Woongebied bestemde vlakken, met daaromheen de bestemmingen Groen en Verkeer - Erftoegangsweg. Binnen de Woongebied-vlakken zijn, ter plaatse van de beoogde woongebouwen en parkeergarages, bouwvlakken opgenomen, met daaraan gekoppelde maximale bouwhoogtes.
Aan de noordzijde, bij het Almelose Kanaal, zijn de dubbelbestemmingen Waarde – Cultuurhistorie en Waterstaat – Waterkering opgenomen. Laatstgenoemde geldt ook binnen de westelijke punt. Verder geldt voor een deel van het gebied de gebiedsaanduiding Vrijwaringszone – Dijk.
Het zuidelijke deel van het wijzigingsgebied valt onder het bestemmingsplan Assendorp. De Luttenbergstraat is daarin bestemd als Verkeer. Het perceel van het provinciehuis heeft de bestemming Maatschappelijk, waarbij voor een deel de dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie 1 geldt. Dit laatste op grond van het Zwolse parapluplan bouw- en cultuurhistorie.
Uittreksel Weezenlanden Noord Uittreksel Assenpoort
Met dit wijzigingsbesluit wordt het mogelijk gemaakt een mobiliteitshub te realiseren en de beoogde ruimtelijke en programmatische aanpassingen uit te voeren. Wijzigen van het omgevingsplan is mogelijk met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als resultaat wordt zo'n evenwichtige toedeling verwacht, gericht op het in samenhang bereiken van de gestelde doelen in en vanuit de Omgevingswet. Bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Rekening moet worden gehouden met de samenhang van de relevante onderdelen van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen. Met aandacht voor de noodzaak van de functie, de geschiktheid van de plek en de (nadelige) gevolgen van de toedeling voor belanghebbenden (waaronder bestaande rechten). Een zorgvuldig afgewogen balans tussen beschermen en ontwikkelen. Gericht op het bereiken van ruimtelijk kwaliteit, met een afgewogen verhouding tussen de gebruikswaarde (het functioneren), de belevingswaarde (de uiterlijke verschijning) en toekomstwaarde (de houdbaarheid in de tijd).
Dit hoofdstuk beschrijft het resultaat van de integrale afweging die is gemaakt en onderbouwd deze. Het geeft in essentie weer dat met het beoogde eindbeeld een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt. Relevant hierbij is dat deze wijziging van het omgevingsplan zich beperkt tot een aantal aanpassingen binnen een al in uitvoering zijnde gebiedsontwikkeling, gebaseerd op een recent bestemmingsplan waarin de aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van de ontwikkeling al is aangetoond.
Het oorspronkelijke programma, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan Weezenlanden Noord, omvat totaal 502 woningen, met bijbehorende parkeergarages. Verder bevat het programma detailhandel, horeca, seats to meet, maatschappelijke voorzieningen en een sportschool, met een maximum vloeroppervlak van gezamenlijk 2.251 m2. Daarbinnen is 65 m² aan detailhandel, 250 m2 aan horeca, 375 m2 aan seats to meet en 800 m2 aan sportschool toegestaan.
Inmiddels is een deel van dit programma gerealiseerd, in aanbouw en/of vergund. Dit betreft met name het westelijke woonvlak. Dit woonvlak bevat in totaal 178 woningen, in de vorm van 155 appartementen en 23 grondgebonden woningen. De bij deze woningen behorende parkeergarage ligt in het binnengebied van deze woonvlek. De twee appartementengebouwen aan de Schuurmanstraat bevatten, naast appartementen, ook een deel van de toegestane voorzieningen. Het gaat in totaal om een kleine 700 m2, welke deels benut wordt voor horeca, met bijbehorende terrassen.
Met deze wijziging omgevingsplan verandert het programma in die zin dat in totaal 603 woningen en een mobiliteitshub worden toegestaan. De 101 extra woningen krijgen vooral een plek binnen de oostelijke woonvlek.
De mobiliteitshub betreft een parkeergarage met maximaal 600 plekken en bij zo'n hub behorende functies, zoals voorzieningen voor deelmobiliteit, oplaadpunten, pakket/bagagekluizen, verblijfs- en wachtruimten met werkplekken, fietsreparatie, toiletten, ontmoetingsplekken, commerciële ruimte en een gemakswinkel. Deze bijbehorende functies hebben een vloeroppervlak van een kleine 800 m2.
Met deze wijziging omgevingsplan verandert de stedenbouwkundige opzet van de gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord niet wezenlijk. Op 25 mei 2020 heeft de gemeenteraad ingestemd met het stedenbouwkundig plan Weezenlanden Noord. In 2022 is het bestemmingsplan Weezenlanden Noord door de Zwolse gemeenteraad vastgesteld, gelijktijdig met het beeldkwaliteitsplan (onderdeel Welstandsnota) dat als toetsingskader dient voor de architectonische uitwerking van het stedenbouwkundig plan. Daarmee kon worden gestart met de sloop- en bouwwerkzaamheden en de aanleg van de buitenruimte ten behoeve van de ontwikkeling van Weezenlanden Noord.
De ontwikkeling is min of meer in twee fasen gepland. De eerste fase aan de westzijde en de tweede fase aan de oostzijde.
Uitgangspunten van de stedenbouwkundige opzet is in hoofdlijnen het ontwikkelen van een gemengd woongebied met een losse bebouwingsstructuur waar hoofdzakelijk woonfunctie een plek krijgt maar met name op de begane grond ook commerciële voorzieningen zijn gepland. Waarbij de buitenruimte tussen de gebouwen autovrij is en een hoogwaardige ingerichte buitenruimte met veel verblijfskwaliteit ontstaat. Behalve om hiermee een aantrekkelijke woonkwaliteit te ontwikkelen wordt ook de ruimtelijke verbinding tussen Singel, Park de Weezenlanden en het gebied langs het Almelose Kanaal met een doorlopend maaiveld versterkt. Met deze uitgangspunten zijn aan weerszijden van een centrale parkruimte twee solitaire volumes gepland en een reeks aan bouwvolumes die met elkaar een gesloten bouwblok vormen.
Aspecten als rooilijnen, bebouwingshoogte en de schaal en maat van de afzonderlijke bouwvolumes (korrel) van het stedenbouwkundig plan is gebaseerd op deze hiervoor genoemde uitgangspunten.
Tijdens de ontwikkeling van de eerste fase is een uitwerking gemaakt voor de ontwikkeling van een mobiliteitshub ten behoeve van de toekomstige bewoners van Weezenlanden Noord maar ook voor bezoekers en bewoners van de binnenstad, bewoners uit de omgeving en bezoekers en werknemers van de Provincie. Vanuit participatie en locatieonderzoek is de keuze gemaakt om onder maaiveld tussen de oostelijke bebouwingsgrens van Weezenlanden Noord en de ondergrondse fietsenstalling in het voorterrein van het provinciehuis, een mobiliteitshub te bouwen. Deze keuze heeft geleid tot het opnieuw bezien van het vastgestelde bestemmingsplan en tot de keuze om in relatief beperkte mate het stedenbouwkundig plan te wijzigen.
Aanpassingen van het stedenbouwkundig plan zijn enerzijds ingegeven om de positie van de mobiliteitshub en daarmee het belang van deze positie aan de oostzijde van de historische binnenstad in het stedenbouwkundig plan beter tot uitdrukking te laten komen. Hiermee ontstond tevens de mogelijkheid om de uitgangspunten van de stedenbouwkundige opzet enigszins te versterken. Tenslotte biedt het de kans om extra woningen te kunnen bouwen wat beantwoord aan de grote vraag naar woningen in Zwolle.
Positie mobiliteitshub
De ontwikkeling van een mobiliteitshub is bedoeld om voor een brede doelgroep van bewoners, bezoekers en werknemers de parkeerbehoefte te verknopen aan de functie van overstappunt van de ene mobiliteitsvorm naar een andere, aangevuld met bijbehorende functies als pakket afhaalpunt, fietsparkeren en/of gemakswinkel. Om deze functie ruimtelijk tot uiting te laten komen is er voor gekozen deze functie midden tussen de verschillende doelgroepen te positioneren, aan een van de hoofdentree 's van de historische binnenstad. De gewenste functies die zijn gekoppeld aan de functie van een mobiliteitshub worden hoofdzakelijk in de plinten van de bouwvolumes van Weezenlanden Noord gesitueerd.
De uiterlijke verschijningsvorm van de mobiliteitshub is daarmee enerzijds gekoppeld, door stedelijke functies die mede onderdeel vormen van de opzet van de hub, aan de ontwikkeling van de Weezenlanden Noord. Tevens maken voorzieningen als entrees deel uit van de centrale entreeruimte tussen de grote voorzieningen als Provinciehuis, Rechtbank, kantoorfuncties, commerciële ruimtes en woningen. Deze positie benadrukt het algemeen belang van de mobiliteitshub voor de stad. Bijkomend voordeel van deze positie is dat daarmee de kans ontstaat om de maaiveldinrichting op en om de mobiliteitshub beter aan te laten sluiten en daarmee de landschappelijk inpassing van Weezenlanden Noord te versterken.
De inrit van de mobiliteitshub is voorzien aan de westzijde, ter plekke van de Luttenbergerstraat.
Indicatieve inrichting buitenruimte
Uitgangspunten versterken
In het oorspronkelijke stedenbouwkundig plan van Weezenlanden Noord was al een opbouw van over het algemeen hogere volumes aan de oostzijde en, aflopend richting bestaande woonbebouwing, lagere bouwvolumes aan de westzijde. In deze oorspronkelijke opzet is gekozen voor verspringende bouwhoogtes tussen de afzonderlijke bouwvolumes waarmee verticaliteit wordt versterkt en de schaal en maat (korrel) van het stedenbouwkundig plan wordt benadrukt.
De gekozen aanpassingen zijn te scharen onder het beperkt verschuiven van de rooilijnen waarmee meer afwisseling ontstaat en daarmee de positie van de bouwvolumes een meer informeel karakter in de openbare ruimte krijgen. Daarnaast het toevoegen van een enkele bouwlaag waarmee meer afwisseling ontstaat in de verschillende bouwvolumes. Met deze ingrepen worden de uitgangspunten van het stedenbouwkundige plan verder versterkt. Tenslotte is vanuit het oog van sociale veiligheid een steegruimte verwijderd waarmee een mogelijk onoverzichtelijke plek wordt voorkomen.
Aan de oostzijde zijn aan het water twee solitaire hogere volumes gepland waarvan het hoogste volume de positie van Weezenlanden Noord aan het Almelose kanaal als landschappelijke structuur markeert. In het naastgelegen gesloten bouwblok kwamen de verspringende rooilijnen en verspringende bouwhoogtes echter onvoldoende tot uiting. De eerder geplande parkeervoorziening en de beperkte schuifruimte vormden beperkingen ten opzicht van de gewenste ruimtelijke expressie. Met de keuze voor een kleinere parkeervoorziening binnen het bouwblok, de ontwikkeling van een nieuwe mobiliteitshub en een veranderende rol van de Luttenbergstraat voor de verkeersafwikkeling in Zwolle is de mogelijkheid ontstaan om het stedenbouwkundig plan hierin op beperkte schaal te wijzigen.
Door aan de oostzijde op een aantal plekken een enkele bouwlaag toe te voegen wordt enerzijds het verspringende karakter tussen de bouwvolumes versterkt. Door deze aanpassingen in de bouwhoogte aan de oostzijde van het plangebied te situeren wordt anderzijds de positie van de mobiliteitshub en daarmee het belang van de plek in de ruimtelijke opbouw van Weezenlanden Noord meer zichtbaar gemaakt.
Woningaantallen
De vraag naar woningen in Zwolle is groot. Met de ontwikkeling van een nieuwe mobiliteitshub en de gewenste aanpassingen van het stedenbouwkundige plan van Weezenlanden Noord is ruimte gevonden om extra woningen te ontwikkelen.
Participatie bij het planvormingstraject geeft in een vroegtijdig stadium meer inzicht in de belangen en wensen van betrokken partijen en meer gelegenheid om deze in dat traject mee te wegen. Dit hoofdstuk gaat met name in op hetgeen naar voren is gekomen uit de participatie en hoe daar in de planpzet rekening mee is gehouden.
De gevoerde participatie staat beschreven in het Participatiejournaal Mobiliteitshub
Weezenlanden Noord en het participatiejournaal van Ontwikkelcombinatie Nijhuis Explorius, welke als
bijlagen zijn toegevoegd. De plannen voor de gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord en de nu aan de orde zijnde aanpassingen daarin (meer woningen, mobiliteitshub) zijn gestart voordat het gemeentelijke participatiebeleid Hanza! is vastgesteld. De gevoerde en nog te voeren participatie is echter in lijn met dat beleid.
Er zijn veel stakeholders betrokken bij de participatie. Het betreft onder andere belangenverenigingen, ondernemers, instellingen uit de directe omgeving en bewoners. Voor de participatie is gebruik gemaakt van verschillende vormen en middelen van communicatie. Er zijn meerdere bijeenkomsten georganiseerd. Tussentijds zijn bewoners, ondernemers en belanghebbenden van Weezenlanden-Noord ook geïnformeerd middels onder andere nieuwsbrieven en gesprekken. Onderwerpen die aan de orde zijn gekomen betreft onder andere de inrichting van de buitenruimte, waaronder de bomen in het gebied, het (tijdelijke) parkeren en de bereikbaarheid tijdens de uitvoering.
Vooroverleg
De gemeente wordt geacht bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet rekening te houden met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af. Ook zijn overige bestuursorganen, in het kader van participatie, benoemd als partij om betrokken te worden bij de voorbereiding van een omgevingsplan.
Op basis hiervan is het voorontwerp van deze wijziging omgevingsplan op 15 juni 2025 voorgelegd aan de Veiligheidsregio IJsselland, Provincie Overijssel en het Waterschap Drents Overijsselse Delta met het verzoek voor 4 juli advies uit te brengen. Alledrie hebben een advies uitgebracht.
De provincie Overijjssel heeft op 7 juli gemeld dat het initiatief past in hun ruimtelijk beleid, er geen belemmeringen zijn wanneer dit plan in deze vorm in procedure wordt gebracht en hiermee het omgevingsoverleg met de provincie is afgerond.
Waterschap
Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft op 4 juli een advies uitgebracht, waarin de volgende opmerkingen worden gemaakt:
Bij het plan is en wordt als volgt rekening gehouden met deze zaken:
Veiligheidsregio
De Veiligheidsregio IJsselland heeft, met in achtneming van art. 5.2 Bkl, op 30 juni 2025 een advies uitgebracht, waarin geadviseerd wordt de volgende maatregelen te (laten) nemen:
Bij het plan is en wordt als volgt rekening gehouden met deze zaken:
Het wijzigingsbesluit zoals nu voorligt is vormgegeven aan de hand van de gestelde beleidsdoelen in en vanuit de Omgevingswet. Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van het relevante generieke omgevingsbeleid van rijk, provincie en gemeente en een toetsing van het wijzigingsbesluit aan die kaders. Een verdieping van relevant sectoraal beleid en regelgeving komt aan de orde in hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze motivering op het wijzigingsbesluit.
Omgevingswet (regel)
De Omgevingswet geeft de maatschappelijke doelen van de wet. Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Besluit kwaliteit leefomgeving (regel)
Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels voor het omgevingsplan, voortkomend uit de beleidsdoelen van de Omgevingswet. Met zo'n instructieregel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. De op specifieke onderwerpen gerichte instructieregels komen in hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze motivering aan bod.
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk tot 2050 op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Verschillende ministeries werken aan de uitwerking van diverse beleidsthema's in de vorm van Nationale Programma's.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Voor Oost-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld, waar Regio Zwolle onderdeel van uit maakt. In de Omgevingsagenda agenderen Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Het doel is het versnellen van besluitvorming omtrent samenhangende ruimtelijke keuzes en de uitvoering van maatregelen, zodat plannen toekomstbestendig, met ruimtelijke kwaliteit, en in samenhang gerealiseerd kunnen worden.
Regio Zwolle is aangewezen als NOVI-gebied. Belangrijk vraagstuk voor de regio is hoe de opgave voor wonen en werken te combineren met de klimaatopgave en het watersysteem in deze regio. Tot 2040 moeten er 49.000 woningen en 20.000 arbeidsplaatsen in de regio Zwolle worden gerealiseerd. De grootste uitdaging voor de regio zit in het “klimaatadaptief verstedelijken”. Door haar ligging in de delta van de IJssel én Vecht is de regio extra kwetsbaar voor klimaatverandering en waterveiligheid.
Er is een actualisatie van de NOVI in voorbereiding. Met de programma's Mooi Nederland en NOVEX wordt ingezet op aanscherping en versnelling van de NOVI. Rijk en Regio hebben in 2019 afgesproken om gezamenlijk een verstedelijkingsstrategie op te stellen voor Regio Zwolle. In het kader van het programma NOVEX zijn in juli 2022 de verstedelijkingsstrategie en het NOVI-gebied samen gevoegd tot het NOVEX-gebied Regio Zwolle. Centrale opgave van dit NOVEX-gebied is het klimaat-adaptief accommoderen van de stedelijke en economische groei van de regio, mét behoud en ontwikkeling van de kwaliteit van de leefomgeving en bereikbaarheid
Het streven is de aangescherpte NOVI als nieuwe Nota Ruimte vast te stellen als nationaal ruimtelijk beleid.
Toetsing en conclusie
Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in rijksbeleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan.
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel. Onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur komen aan bod. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en sindsdien een aantal keer geactualiseerd.
De visie bestaat uit drie delen. Deel 1 geeft de opgaven en kansen waar de provincie voor staat. Deze zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's, waaronder woonomgeving, mobiliteit, natuur en veiligheid en gezondheid. Deel 3 bevat een nadere uitwerking van de centrale beleidsambities.
De centrale beleidsambities voor de negen beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende 'rode draden' duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit, waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Dit zijn de leidende principes bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten Daarmee wordt een weloverwogen locatiekeuze en vormgeving en inrichting van initiatieven bevorderd, passend bij de identiteit van de plek.
Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal, en het verbinden van lokale kennis met de uitvoering van ruimtelijke opgaven.
Deel 2 van de omgevingsvisie geeft het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de omgevingsvisie geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Deze beleidskeuzes geven invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Andere generieke beleidskeuzes betreffen onder andere de reserveringen voor waterveiligheid en begrenzing van Nationale Landschappen en Natura 2000-gebieden. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent door vertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Toetsing aan de Omgevingsvisie Overijssel
Generieke beleidskeuze
Met het beoogde programma wordt op een binnenstedelijke locatie bijgedragen aan de invulling van een grote woningbehoefte aan betaalbare woningen. Het plangebied ligt niet binnen een in de visie en/of verordening aangewezen reserveringsgebied of natuurgebied. Het plan draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit van de omgeving.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Deze wijziging betreft het ontwikkelingsperspectief 'Woon en werklocaties binnen de stedelijke netwerken'. Binnen dit perspectief is ruimte voor herstructurering, inbreiding en transformatie naar diverse woon werk en gemengde stadsmilieus. Omdat het hier gaat om een herstructurering van een locatie binnen bestaand stedelijk gebied is dit plan in overeenstemming met dit ontwikkelingsperspectief.
Gebiedskenmerken
Het wijzigingsgebied is aangemerkt als 'woonwijken 1955-nu'. De omgevingsvisie geeft herstructurering van naoorlogse wijken als ambitie voor vitale steden. De wijken van na de oorlog behouden hierbij hun eigen karakter. De omgevingsvisie geeft als richting mee dat als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, nieuwe bebouwing zich voegt in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel, maar als onderdeel daarvan wel herkenbaar is.
De natuurlijke laag van het plangebied wordt aangemerkt als 'dekzandvlakte en ruggen' en de laag van beleving als 'bakens in de tijd' en 'recreatieve routes en vaarwegen'. Vanuit deze lagen geeft de omgevingsvisie onder andere als richting mee beeldbepalende cultuurhistorische elementen te behouden en te versterken, bijvoorbeeld met inrichtingsmaatregelen wanneer ontwikkelingen in de nabijheid plaats vinden. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem.
Deze wijziging van het omgevingsplan sluit aan op en versterkt de al lopende gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord, waarin onder andere rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden in de omgeving van de nieuwbouw. De wijziging is in overeenstemming met de gebiedskenmerken.
Omgevingsverordening Overijssel (regel)
Het beleid uit de Omgevingsvisie heeft doorwerking gekregen in de Omgevingsverordening Overijssel 2024 (vastgesteld 8 november 2023). De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De nieuwe Omgevingsverordening 2024 voldoet aan de eisen van de Omgevingswet.
Bij het stellen van regels die zich richten op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is volgens de geest van de Omgevingswet in principe afgezien van rechtstreeks werkende regels. In hoofdstuk 4 van de verordening zijn de instructies voor omgevingsplannen opgenomen. Deze op specifieke onderwerpen gerichte instructieregels komen in hoofdstuk 6 tot en met 9 van deze motivering aan bod. Meer algemeen kan gesteld worden dat het programma voorziet in onder meer betaalbare woningbouw, waar een grote vraag naar bestaat en welke past binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma dat in overeenstemming is met de actuele woningbehoefte. De herontwikkeling past binnen de omgeving en geeft deze een kwaliteitsimpuls. Met het invullen van de woningbehoefte op een binnenstedelijke, al bebouwde locatie en het zo veel mogelijk infiltreren van hemelwater in plaats van afvoeren wordt bijgedragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Conclusie
Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in provinciaal beleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan.
Het geldende bestemmingsplan Weezenlanden-Noord vormt het kader voor de gebiedsontwikkeling. In het verlengde daarvan is het Beeldkwaliteitsplan Weezenlanden-Noord vastgesteld, als onderdeel van de Welstandsnota. Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt dat bestemmingsplan, samen met het bestemmingsplan Assendorp, inhoudelijk op onderdelen aangepast. Het relevante generieke gemeentelijke omgevingsbeleid hierover betreft met name de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen en het Ontwikkelprogramma Ons Stadshart van Morgen.
Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen
De op 13 september 2021 vastgestelde Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen is een integrale visie waarin een beeld wordt gekenschetst van een kwalitatief hoogwaardige, inclusieve en toekomstbestendige ontwikkeling van de gemeente Zwolle.
De "drager" van de gemeente is het menselijk kapitaal. Centraal hierbij staat de ambitie: Zwolle versterkt en benut het menselijk kapitaal van de stad.
De kwaliteiten op het gebied van landschap, cultuurhistorie en biodiversiteit van de bestaande stad en haar natuurlijke omgeving is een ijzersterk, bestaand "fundament" om op verder te groeien. Centraal staat de ambitie: Zwolle behoudt en versterkt haar ruimtelijke, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten.
De drager en het fundament vormen de structurele verbindingen in het 'Huis van Zwolle' te midden van de andere kernopgaven:
De opgaven voor Zwolle zijn groot, omvangrijk en veelzijdig. We gaan in dit decennium aan de slag met onze stad, met ons buitengebied. We voegen woningen toe en parken. We verbeteren de leefbaarheid en bereikbaarheid voor de Zwollenaar en alle bezoekers van onze gemeente. Ons buitengebied is voor ons van grote waarde, voor landbouw, landschap, natuur en recreatie.
Het werken aan onze stad en ons buitengebied kan niet zonder spelregels. De ruimte om te leven is de belangrijkste waarde. Ruimte om te leven voor mens, plant en dier. Leefbaarheid of kwaliteit van leven staat voorop en is leidend bij iedere ontwikkeling: een gezonde balans tussen welzijn en welvaart. Voor de inrichting van de stad en van het buitengebied zijn de volgende spelregels en principes van toepassing als sturingsfilosofie:
We onderscheiden bij het werken aan onze stad zones. Karakteristieke 'schillen', of ook wel strategische ontwikkelzones, met daarbinnen gebieden die onze stad (deels) transformeren naar een andere functie:
Bij ieder initiatief in de fysieke leefomgeving, groot of klein, staan de doelen uit de Omgevingsvisie centraal. Wat betekent dit. De gebiedsdoelen en ambities en de opgaven in thematische raamwerken zijn leidend. De initiatieven dragen bij aan het bereiken van doelen en lossen opgaven op.
De gebiedsprofielen geven richting aan de toekomstige ontwikkeling van de verschillende gebieden in Zwolle. In de gebiedsprofielen worden de benoemde algemene opgaven, ambities en principes op stedelijk niveau vertaald naar een strategie voor concrete gebieden. Met raamwerken zijn de belangrijkste fysieke structuren van Zwolle vastgelegd. Om het goed ondernemen en prettig wonen in Zwolle te borgen werken we aan het behouden, beschermen en ook ontwikkelen van de Zwolse omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van Zwolle gaat hand in het met het behouden en versterken van die raamwerken en dus de fysieke hoofdstructuur van Zwolle.
Toetsing aan de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen
Visiekaart
Het wijzigingsgebied maakt volgens de visiekaart van de omgevingsvisie deel uit van het Transformatiegebied Stadskrans Weezenlanden-Noord en de Strategische ontwikkelzone – Vergroot Centrumgebied. Tevens is het aangewezen als Zoeklocatie Hub en Bronpunt stedelijk. De Luttenbergstraat maakt deel uit van de Groenstructuur. De zone langs het kanaal is aangemerkt als Groenblauwe structuur versterken.
De Stadskrans is belangrijk voor nieuwe woningen, vooral in een stedelijke setting. Het doel voor een beter en gezonder verblijfs-, leef-en woonklimaat in de Stadskrans en de binnenstad is afhankelijk van goede langzaam verkeersverbindingen. De ruimte hiervoor is echter beperkt. Daarom gaat de auto steeds meer plaatsmaken voor de fiets en de voetganger en worden (parkeer)voorzieningen voor de auto aan de buitenzijde van de gracht toegevoegd. De ambitie is om het gehele centrumgebied een integrale, stedelijke uitstraling te geven waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Een mix van functies zorgt voor een levendig centrumgebied.
Zoals de binnenstad is voorzien van parkeergarages op de randen, zo biedt de Stadsring kansrijke plekken waar ander vormen van vervoer worden geboden en waar de auto wordt neergezet voor een dagje, om te gaan werken en waar je aan het einde van de dag je pakketjes ophaalt. Waar je op de bus stapt, of juist uit de bus. De komende decennia verschuift de wijze waarop we ons verplaatsen naar allerlei nieuwe vormen. Voornemen is dergelijke plekken te creëren in de vorm van mobiliteithubs.
De nieuwe hubs moeten zo gesitueerd worden dat een zo groot mogelijk gebied bediend wordt. Daarbij gaan we uit van 3 reistijden te voet, te fiets of met een scooter vanaf de hub naar de plek van bestemming. Het gaat om: 5 minuten bij dagelijks gebruik, 10 minuten bij regelmatig gebruik en 20 minuten bij incidenteel gebruik.
Gebiedsprofielen
De omgevingsvisie geeft ook gebiedsprofielen. Volgens de visie maakt het wijzigingsgebied deel uit van het gebiedsprofiel Dynamisch gebied gewenst en Stedelijk gebied.
Het Dynamisch gebied betreft het centrumgebied van de stad Zwolle met een stedelijke sfeer en een functie voor de hele stad en regio. In deze gebieden ligt het accent op het toevoegen van stedelijke dynamiek. Het streven is om de dynamiek van de binnenstad verder uit te breiden naar de schil daaromheen.
Het Stedelijk gebied van Zwolle zijn de buurten rondom het centrum van Zwolle. Het gebied kenmerkt zich door stedelijk wonen met dynamiek om de hoek. Dit gebied is geschikt om in de toekomst selectief te worden verdicht met meer woningen en andere functies.
Raamwerk
De omgevingsvisie geeft verder een raamwerk, welke de belangrijkste fysieke structuren van Zwolle vastlegt. Dit raamwerk richt zich onder meer op het behouden, beschermen en ook ontwikkelen van de Zwolse omgevingskwaliteiten. Het wijzigingsgebied ligt onder andere binnen de raamwerken mobiliteit (zoekgebied mobiliteitshub),cultuurhistorie, landschap (zeer waardevol landschap (ged.), hoofdgroenstructuur (ged.), wijkgroenstructuur (ged.)) en voor een deel klimaat en watersysteem.
We streven ernaar dat zowel huidige als toekomstige parkeergarages en fietsenstallingen uitgevoerd worden als mobihubs. Dit zijn aantrekkelijke, goed bereikbare voorzieningen waar auto- en fietsparkeren, al dan niet in combinatie met de overslag van goederen, gecombineerd worden met het aanbieden van deelfietsen en –auto's, bushaltes en andere voorzieningen als pakketkluizen en toiletten en laadmogelijkheden.
Het Zwolse erfgoed met haar waardevolle gebouwen, structuren, landschappen en archeologische rijkdommen heeft naast de historische en identiteitswaarde een onderscheidende en aantrekkende kracht voor de stad. We richten ons op de instandhouding van en onderzoek naar historisch waardevolle objecten, complexen, stedenbouwkundige en landschappelijke structuren en archeologische waarden. We koesteren het Zwolse erfgoed en zetten het in als één van de leidende en inspirerend principes bij (ruimtelijke) ontwikkelingen.
De koers is dat de hoofdgroenstructuur, als onderdeel van het fysieke kapitaal van Zwolle, in de toekomst behouden blijft, of aangevuld, waar nodig, vanwege het belang voor de gemeente als geheel. De visie is dat de wijkgroenstructuur in de toekomst in essentie behouden moet worden, vanwege het belang voor een aantrekkelijke en leefbare wijk.
Door klimaatverandering neemt de kans op weersextremen toe met alle nadelige gevolgen van dien. Zwolle zet zich daarom in voor een aantrekkelijk groenblauwe structuur, met waarde voor iedere dag en bestand tegen de toekomstige weersextremen. De ruimtelijke uitwerking van dit netwerk krijgt vorm binnen de verschillende gebiedsontwikkelingen in en om de stad.
We vinden het ook belangrijk dat bij elke ontwikkeling in de fysieke leefomgeving klimaatadaptatie, energietransitie en circulariteit integraal afgewogen worden. Om dat op een goede en transparante wijze te doen moet een KEC-toets worden opgesteld.
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan past binnen de kaders van de omgevingsvisie. De lopende gebiedsontwikkeling Weezenlanden-Noord betreft het Transformatiegebied Stadskrans Weezenlanden-Noord. De (deels vervangende) woningbouw en herinrichting van de buitenruimte draagt bij aan de beoogde ontwikkeling en transformatie van het gebied als geheel. Waarbij onder andere rekening is gehouden met de groenstructuur en de wateropgave. Met de wijziging wordt, conform de visie, een mobiliteitshub mogelijk gemaakt. Hoofdstuk 6 tot en met 9 geeft een verdieping op onder andere het woonprogramma, mobiliteit, de ruimtelijke kwaliteit en KEC.
Ontwikkelprogramma en Uitvoeringsagenda Ons Stadshart van Morgen
De raad heeft op 23 mei 2022 het Ontwikkelprogramma Ons Stadshart van Morgen vastgesteld en op 13 februari 2023 ingestemd met de Uitvoeringsagenda Ons Stadshart van Morgen. Het ontwikkelprogramma is een visie voor de komende tien jaar. Met de uitvoeringsagenda wordt uitvoering gegeven aan het ontwikkelprogramma. De ambities van het ontwikkelprogramma zijn omgezet in concrete projecten en acties voor de komende vijf jaar.
De centrale ambitie van dit programma is het realiseren van een toekomstbestendig Stadshart. In het Stadshart worden de komende jaren 2000 á 2500 woningen toegevoegd. Tot nu toe kon de groei van de stad zonder al te veel problemen plaatsvinden binnen de bestaande structuur. Inmiddels wordt de druk op de openbare ruimte zo groot, dat er gezocht moet worden naar een goede balans tussen groei enerzijds en het leefbaar en gezond houden van de stad anderzijds.
De integrale aanpak komt terug in de manier waarop dit ontwikkelprogramma richting geeft: hiervoor wordt gebruik gemaakt van vijf ontwikkelprincipes van waaruit behoud, versterking en ontwikkeling van het Stadshart benaderd wordt. Deze ontwikkelprincipes zijn gerelateerd aan de centrale ambitie van het ontwikkelprogramma en zorgen ervoor dat het Stadshart in balans tussen groei en economisch perspectief enerzijds en klimaatbestendigheid en leefbaarheid anderzijds verder ontwikkelt. De ontwikkelprincipes zijn als volgt:
Om focus te geven aan gebiedsontwikkeling in een dynamisch Stadshart, geeft het ontwikkelprogramma focusgebieden. In deze focusgebieden worden de belangrijkste ontwikkelingen verwacht en liggen de meeste mogelijkheden tot het maken van grote kwaliteitsstappen, het herstellen van de verbindingen en het versterken van het Stadshart.
Conclusie
Met dit wijzigingsbesluit wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in het generieke gemeentelijk ro-beleid, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze motivering geeft de onderbouwing hiervan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij wonen gaat het om instructieregels over duurzame verstedelijking en gebruik van bouwwerken.
Paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl geeft aan dat voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, in het omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Paragraaf 5.1.7a van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan dat bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de Omgevingswet kosten moeten worden verhaald, regels kan bevatten over de te realiseren categorieën woningen, voor zover het gaat om onder andere sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en geliberaliseerde woningen voor middenhuur.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij wonen gaat het om instructieregels over de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking en woningbouw.
Afdeling 4.2 van de verordening geeft instructieregels gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Het omgevingsplan kan woningbouw toelaten als voorzien wordt in een bovenregionale behoefte. Woningbouw kan alleen mogelijk worden gemaakt als aannemelijk is dat deze toekomstbestendig is.
Paragraaf 4.5.1 geeft instructieregels over woningbouw. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Afwijken kan onder de in de verordening genoemde voorwaarden.
Gemeente
In het bestemmingsplandeel van het Omgevingsplan gemeente Zwolle geldt binnen het wijzigingsgebied, als onderdeel van de bestemming Woongebied, de planregel welke heeft vastgelegd dat er maximaal 502 woningen zijn toegestaan.
De Woonvisie Ruimte voor Wonen 2017 is vastgesteld door de raad op 8 mei 2017 en geldt als onderlegger voor de Omgevingsvisie. Inzet is dat Zwolle een aantrekkelijke en inclusieve stad blijft waar voor iedereen een plek is om fijn te wonen. Dat vraagt om vernieuwing van de woonopgave, ruimte voor creativiteit en innovatie in bouwtechnologie in relatie tot thema's als duurzaamheid, circulariteit, gezondheid, betaalbaarheid en inclusiviteit.
Uitgangspunt bij elke woonontwikkeling is dat we stedelijke woonkwaliteit toevoegen door ons te ontwikkelen als een sterke groeistad, een vernieuwende woonstad, een solidaire leefstad en een duurzame deltastad. In de ontwikkeling van de woningen streven we naar onderscheidende, stedelijke woonmilieus, en nieuwe vormen van stedelijk (samen) wonen in een mengvorm met andere stedelijke activiteiten zoals uitgaan, spelen, werken, ontmoeten en bewegen. De mens en de biodiversiteit staan centraal.
Tot 2030 willen we 10.000 woningen toevoegen aan onze gemeente. Dat doen we om het huidige woningtekort aan te pakken, waarbij we zien dat de vraag blijft toenemen. Een woningtekort dat velen merken, jong en oud. Studenten, schoolverlaters, starters op de arbeidsmarkt, allemaal groepen die moeilijk aan een woning komen. Dat geldt ook voor de groeiende groep ouderen die langer zelfstandig blijven wonen, en daar wel de passende voorzieningen bij willen. In ons woonbeleid zetten we sterker in op een doelgroepen benadering. We zetten ons in om met name jongeren en kenniswerkers te behouden voor onze stad.
Ruim 60% van de nieuwe woningen wordt gerealiseerd in de bestaande stad met verschillende stedelijke woonmilieus en stedelijke woonvormen. We volgen hiermee ook de landelijke trend dat mensen vaker in of nabij de binnenstad willen wonen. Met meer focus op binnenstedelijk wonen wordt ook een steviger basis gelegd voor stedelijke voorzieningen. Het biedt kansen voor een stedelijke dynamiek gericht op bijvoorbeeld studenten en jong-werkenden en de aanpak van vereenzaming in alle geledingen van de Zwolse samenleving. Ook voor grondgebonden woningen met een tuin blijven we ruimte bieden. Grofweg 40% van de woningen wordt gerealiseerd in de groenstedelijke woonmilieus van Zwolle wat bestaat uit een groot aandeel grondgebonden woningen. Grotendeels komen deze woningen terecht in de gebiedsontwikkelingen Stadshagen en Harculo maar ook kleinschalig op diverse plekken in de bestaande stad en in de kernen bij Wijthmen en Windesheim. .
Op 14 oktober 2019 heeft de raad de Ontwikkelstrategie Wonen 2019-2024 vastgesteld als aanscherping- en uitvoeringsprogramma van de Woonvisie 2017. Daarin is de woningbouwproductie ambitie opgehoogd naar in totaal 10.000 woningen tot 2030. Met gemiddeld 1000 woningen per jaar tot 2030 willen we het woningtekort op alle fronten aanpakken met onderscheidende woonmilieus en een gevarieerd woonaanbod voor iedere inkomenscategorie. Hier gaan we adaptief, flexibel en schaalbaar mee om; “de toekomst is niet voorspelbaar, wel voorstelbaar”.
We bouwen in de prijsverhouding 30-40-30. Dat wil zeggen 30% van het woonprogramma bestaat uit goedkope woningen, 40% is middelduur en 30% duur volgens de 'prijsgrenzen woningbouw Zwolle' dat jaarlijks geïndexeerd wordt.
Minimaal 50% van het woonprogramma is betaalbaar conform het coalitieakkoord Samen voor een waarde(n)volle toekomst' (mei 2022). Dat wil zeggen dat 30% goedkoop opgeleverd moet worden, ten minste twee derde daarvan moet bestaan uit sociale huur. Dit betekent dat in ieder geval 20% van het totaal sociale huur zal moeten zijn. Naast 30% goedkoop is er 20% middelduur 1 vereist voor het halen van de betaalbaarheidseis. De helft hiervan, 10% van het totale programma, dient te bestaan uit middeldure huur 1 conform de verordening middenhuurwoningen. De sociale huurwoningen worden gerealiseerd volgens de uitgangspunten sociale huurwoningen die vastgesteld zijn door het college op 13 december 2022. Indien de middeldure woningen worden verhuurd, worden ze gerealiseerd volgens de uitgangspunten in de verordening middeldure huur. Naast 20% sociale huur en 20% middeldure woningen resteert 10% in het goedkope programma. Dit kan worden ingezet voor huur, koop en/of overige eigendomsvormen zoals wooncoöperaties, mits het maar in het goedkope segment wordt gerealiseerd. In totaal is daarmee 50% van het woningbouwprogramma betaalbaar en conform het coalitieakkoord. 10% van het woonprogramma is bestemd voor maatschappelijke doelgroepen en wonen met zorg.
Ten aanzien van de implementatie van deze uitgangspunten is het volgende afgesproken:
'De maatregelen in deze Betaalbaarheidsagenda zijn direct na besluitvorming van kracht voor de woningbouwontwikkelingen waar nog geen afspraken zijn vastgelegd. Bij lopende woningbouwontwikkelingen waar al een visie voor is vastgesteld en/of overeenkomsten voor zijn gesloten spannen we ons in om met de betrokken partners overeen te komen de maatregelen alsnog van toepassing te verklaren. Het jaar 2022 is een overgangsperiode voor de implementatie van de Betaalbaarheidsagenda op lopende processen.'.
De Ontwikkelstrategie is ook een werkwijze hoe we samen onze stad in balans laten groeien en stedelijke woonkwaliteit toevoegen. We werken gebiedsgericht, data gedreven en samen met onze partners op de woningmarkt. Daarvoor zijn samenwerkingsafspraken gemaakt. Onder andere door te werken volgens de Zwolse methode van gebiedsontwikkeling, de basisregels voor een inclusieve stad, en het Zwols pakket van maatregelen. Eind 2021 is aanvullend hierop de Betaalbaarheidsagenda 2022 gevormd waarin we naast beschikbaarheid van betaalbare woningen inzetten op blijvend betaalbare woningen. Dit doen we onder andere door vergroting van het betaalbaar huuraanbod in combinatie met een verordening middeldure huur. De Verordening middenhuurwoningen Zwolle 2022 is op 13 juni 2022 door de raad vastgesteld. Ook zetten we in op flexwoningen om extra betaalbaar aanbod toe te voegen.
De al lopende gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord voorziet in de sloop en nieuwbouw van woningen. Er zijn en worden zes appartementengebouwen met in totaal 180 appartementen gesloopt. De gebiedsontwikkeling voorziet in 603 nieuwe woningen. Het plan is in samenhang met de toevoeging van een mobiliteitshub geoptimaliseerd, wat heeft geleid tot het verhogen van het oorspronkelijke aantal van 502 met 101 woningen. Voor een groot deel gaat het al om bestaande woningen. Zo'n 180 woningen zijn inmiddels gerealiseerd of in aanbouw.
Het actuele programma voor de gehele gebiedsontwikkeling voorziet globaal in:
Woningbehoefte
Kwantitatieve woningbehoefte
De provincie Overijssel heeft eind 2014 een regionale woonvisie West Overijssel vastgesteld. Ter uitvoering hiervan is in 2015 de Regionale Woonprogrammering (RWP West-Overijssel, 7 december 2015) opgesteld. Het doel hiervan is om tot een betere balans van vraag en aanbod op de woningmarkt te komen, kwantitatief en kwalitatief, waarbij iedere gemeente bouwt voor de lokale behoefte. In dit document - RWP West-Overijssel (Regionale Woon Programmering) - zijn afspraken gemaakt over woonregio's en nadere afspraken over aantallen woningen en afstemming met de regio.
Het RWP West-Overijssel wordt tweejaarlijks geactualiseerd, zo ook in het voorjaar van 2021. Daarbij zijn tussen de gemeenten in West-Overijssel en de provincie ambities uitgesproken over de woningmarkt in (West) Overijssel. Daarbij is onder andere gesproken over het toevoegen van 60.000 woningen in geheel Overijssel, het versnellen van de woningproductie, het voorsorteren op een veranderende woningvraag en het vergroten van de toegankelijkheid van de woningmarkt en doorstroming. Voor Zwolle wordt gesproken over een totale plancapaciteit van 12.700 woningen tot 2030. De gemeente Zwolle is verantwoordelijk voor een actueel en onderbouwd woonbeleid en woningprogramma. Daar heeft de gemeente Zwolle invulling aan gegeven.
Voor Zwolle is de woningbehoefte in de periode 2017-2027 circa 5.500 - 6.000 woningen en 4.000 na 2027. Deze raming is in de Omgevingsvisie 'Mijn Zwolle van morgen' overgenomen. Sinds 2017 groeit Zwolle echter veel sneller, met gemiddeld 1.000 woningen per jaar in plaats van de voorspelde 600 woningen. Deels is sprake van een inhaalvraag, maar de gemeente constateert ook een groeiende behoefte naar stedelijk wonen en een trek uit de Randstad naar andere grote steden met goede verbindingen over weg en spoor zoals Zwolle. De landelijke trend naar stedelijk wonen en de overloop van de Randstad betekenen dat Zwolle serieus rekening moet houden met een hogere groei dan in de Woonvisie.
In Zwolle is sprake van een overspannen woningmarkt, waardoor de kwalitatieve groei van een inclusieve stad onder druk staat en de beschikbaarheid van betaalbare woningen is afgenomen. De niet goed functionerende markt vertaalt zich vooral in een veel grotere vraag naar (stedelijke)woningen. De oplossing voor de stijgende woningprijzen en de toegankelijkheid van de woningmarkt zit dan ook met name in het creëren van nieuw aanbod. In de Ontwikkelstrategie wonen 2019-2024 is daarom rekening gehouden met een groei van 1.000 woningen per jaar.
Een uitdaging voor Zwolle is dat de huidige woningvraag grotendeels binnenstedelijk moet worden opgelost, maar het huidige aanbod aan (centrum)stedelijke woonmilieus beperkt is. Over het algemeen is er schaarste aan binnenstedelijke en (centrum)stedelijke locaties. Gelet op de huidige krapte op de woningmarkt in Zwolle moet goed worden gekeken waar huidige bebouwing kan worden verdicht en waar mogelijkheden zijn voor transformatie van winkels, kantoren en werklocaties. In de binnenstad en de schil van Zwolle wordt sterk ingezet op de woonfunctie om de stad levendig te houden. Een centrumstedelijk woonmilieu sluit aan bij de behoefte van diverse doelgroepen.
Op 25 maart 2021 heeft de provincie Overijssel De Woonagenda West Overijssel vastgesteld. Hierin zijn nieuwe regionale woonafspraken gemaakt voor de periode 2021-2025. In de Woonagenda West Overijssel is het volgende opgenomen ten aanzien van de woonbehoefte:
In het regionale woonbeleid zijn een groot aantal sleutelprojecten opgenomen. Eén van deze sleutelprojecten betreft 'verstedelijking Zwolle'. Onderhavige herontwikkeling kan worden gezien als een binnenstedelijke transformatie, daarmee is het onderdeel van dit sleutelproject.
Kwalitatieve woningbehoefte
Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt het woonprogramma verruimd met 101 woningen, waarmee het totale aantal uitkomt op 603. Een groot deel van deze woningen is al gerealiseerd, in aanbouw en/of vergund.
In de ontwikkeling van woningen wordt gestreefd naar nieuwe onderscheidende, stedelijke woonvormen en combinaties van wonen en werken. Het actuele woonbeleid onderschrijft dit met de stelling dat het woningaanbod op vernieuwende wijze wordt ingevuld door o.a. verschillende manieren van samen wonen en ontwikkelen. Hierin wordt bovendien opgemerkt dat Zwolle dichter bebouwd gaat worden en een aangename buitenruimte steeds belangrijker wordt. Doel is en blijft het behoud van een prettige leefomgeving waar iedereen zich thuis voelt.
De woningbouw in Weezenlanden Noord draagt bij aan deze kwalitatieve behoefte. Met het plan wordt, conform de kaders, een gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig woningaanbod gerealiseerd.
Het besluit voldoet aan de kaders voor wonen.
Er is vanuit het onderwerp wonen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft het opnemen van het maximale aantal woningen.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij gemengd gaat het om instructieregels over duurzame verstedelijking en gebruik van bouwwerken.
Paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl geeft aan dat voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, in het omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij gemengd gaat het om instructieregels over de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking en detailhandel.
Afdeling 4.2 van de verordening geeft instructieregels gericht op concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Het omgevingsplan kan stedelijke voorzieningen toelaten als voorzien wordt in een (lokale, regionale of bovenregionale) behoefte. Nieuwe stedelijke voorzieningen zijn mogelijk als aannemelijk is dat deze toekomstbestendig zijn.
Artikel 4.18 geeft aan dat omgevingsplannen alleen in nieuwe detailhandelsvestigingen voorzien binnen of direct aansluitend aan bestaande kernwinkelgebieden. In afwijking hiervan kunnen ondergeschikte detailhandelsactiviteiten worden toegestaan op perifere locaties, als deze detailhandelsactiviteiten functioneel verbonden zijn aan de hoofdactiviteit op de locatie.
Gemeente
Het detailhandelsbeleid uit 2017 is gebiedsgericht vertaald in de Omgevingsvisie die in september 2021 is vastgesteld. In de kadernota detailhandel uit 2017 is het streven uitgesproken om de relatie tussen binnenstad en entreegebieden te versterken. In de omgevingsvisie valt de locatie onder het Zwolse centrumgebied, waarbij o.a. voor de Weezenlanden het streven wordt uitgesproken om de 'de dynamiek van de binnenstad verder uit te breiden naar de schil eromheen'
In juli 2019 is het horecabeleid 2019-2023 vastgesteld. In de ontwikkelstrategie die onderdeel uitmaakt van de Horecavisie, is de mogelijkheid van horeca in o.a. het wijzigingsgebied nader uitgewerkt. De stedelijke programmering vormt uitgangspunt voor het programma. Dat betekent 250 m2 horeca voor Weezenlanden Noord.
In het bestemmingsplandeel van het Omgevingsplan gemeente Zwolle geldt binnen het wijzigingsgebied, als onderdeel van de bestemming Woongebied een planregel welke detailhandel, horeca, seats to meet, maatschappelijke voorzieningen en een sportschool toelaat. Het gezamenlijke vloeroppervlakte mag niet meer dan 2.251 m² bedragen. Met dien verstande dat de gezamenlijke vloeroppervlakte:
Het wijzigingsgebied betreft de lopende gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord. Deze wordt uitgevoerd op basis van het geldende omgevingsplan. Voorliggend besluit wijzigt het omgevingsplan op onderdelen (meer woningen, mobiliteitshub). Het toegestane programma gemengd blijft echter intact. Inmiddels betreft het ook al voor een groot deel, zo'n 700 m2, vergunde functies.
Functies als horeca dragen bij aan de levendigheid en ontmoeting in het gebied. Horeca is daarom een belangrijke functie in de vele gebiedsontwikkelingen in Zwolle. Zo ook in het project Weezenlanden-Noord. Balans in vraag en aanbod is wel een belangrijke voorwaarde. Enerzijds om ondernemers en ontwikkelaars een haalbare exploitatie te bieden. Anderzijds om de ladder van duurzame verstedelijking. Om die balans te bewaren is op basis van ruimtelijk economisch onderzoek een stedelijke programmering voor uitbreiding horecasector tot stand gekomen. Voor het totale project Weezenlanden Noord, biedt dat ruimte voor 250 m2 vvo / 300 m2 vo aan horeca.
Het gebied Weezenlanden Noord is een klein woongebied dichtbij zowel binnenstad als winkelgebied Diezerbrink. Ook de winkelvoorzieningen in de Assendorperstraat zijn nabij. In het woongebied Weezenlanden Noord zijn daarom geen aparte winkelvoorzieningen. De herstructurering van het gebied is gericht op de woonfunctie tezamen met het ontwikkelen van een mobiliteitshub. In sommige plinten bestaat de wens om voorzieningen toe te voegen. Wat betreft het eventueel toevoegen van winkelvoorzieningen in het gebied Weezenlanden Noord is terughoudendheid op zijn plaats. Een kleine mate van flexibiliteit is ingebouwd. Daarom wordt op een beperkte schaal ( 65 m² ) winkelontwikkeling mogelijk gemaakt. Aanvullend daarop kan men in relatie tot de mobiliteitshub denken aan een kleine gemakswinkel. Daarom wordt bij de hub op een beperkte schaal (150 m²) winkelontwikkeling mogelijk gemaakt. Totaal dus maximaal 215 m2.
Het besluit voldoet aan de kaders voor gemengd.
Er is vanuit het onderwerp gemengd aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft het opnemen van de functie Gemengd, welke gemengde functies toelaat, overeenkomstig de geldende regel hierover binnen de bestemming Woongebied.
Gemeente
In het bestemmingsplandeel van het Omgevingsplan gemeente Zwolle geldt ter plekke van het provinciehuis de bestemming Maatschappelijk. Deze bestemming laat onder andere maatschappelijke voorzieningen toe, in de vorm van bijvoorbeeld sociaal-culturele voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening.
Het wijzigingsgebied ligt voor een deel over de buitenruimte van het provinciehuis. Die buitenruimte is in hoofdzaak in gebruik als parkeerterrein. Beoogd wordt ter plekke de ondergrondse mobiliteitshub te realiseren. Na aanleg van de mobiliteitshub wordt het parkeerterrein in de huidige staat hersteld. Het bestaande gebruik wordt in de toekomst gecontinueerd.
Het besluit voldoet aan de kaders voor maatschappelijke voorzieningen.
Er is vanuit het onderwerp Maatschappelijk aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft het opnemen van de functie Maatschappelijk in de planregels ter plaatse van de bestaande buitenruimte van het provinciehuis. De bestemming Maatschappelijk-1 wordt geschrapt.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij verkeer gaat het om instructieregels over langzaam verkeerroutes.
Paragraaf 5.1.7 van het Bkl geeft aan dat, voor zover het omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die aangewezen landelijke fiets- en wandelroutes kunnen doorsnijden, het belang van de instandhouding van deze routes bij het omgevingsplan worden betrokken.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij verkeer / openbare ruimte gaat het om instructieregels over mobiliteit.
Paragraaf 4.10.1 van de verordening geeft voor omgevingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken instructieregels over mobiliteit. Gericht op de bundeling van verkeersstromen op de hoofdinfrastructuur waar het belang van een goede en veilige doorstroming voorop wordt gezet. En het behoud van de kwaliteit van de leefomgeving in de overige gebieden, waaraan het mobiliteitsbelang ondergeschikt geacht wordt.
Gemeente
Omgevingsvisie
Door de verdere groei van de Zwolle is het een opgave om op een zorgvuldige wijze om te gaan met de beschikbare buitenruimte. Mobiliteit en bereikbaarheid is een belangrijke drager voor leefbaarheid. "Mens en natuur centraal stellen, voldoende woningen, ruimte om te spelen, bewegen en ontmoeten.”. Meervoudig ruimtegebruik en denken in drie dimensies is het vertrekpunt. Dat betekent enerzijds de hoogte opzoeken. Daarnaast zetten we in op beter passende vormen van mobiliteit en bereikbaarheid met minder ruimtebeslag. We gaan meer aandacht besteden aan de fietser en de voetganger en minder voorrang geven aan de automobilist.
De STOP-methode is in Zwolle leidend bij al onze ontwerpopgaven voor infrastructuur bij de inrichting van de buitenruimte. En we hanteren bij alle ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving de ladder duurzame mobiliteit als uitgangspunt om de juiste keuzes op het gebied van mobiliteit te maken. We beginnen daarbij altijd met de ruimtelijke ordening als middel om ervoor te zorgen dat er bij een nieuw woningbouwproject of andere fysieke ontwikkeling gestreefd wordt naar zo weinig mogelijke groei van het autobezit en gebruik.
Om te waarborgen dat beide leidende principes ook daadwerkelijk worden toegepast leggen we bij alle toekomstige fysieke gebiedsontwikkelingen in de stad altijd verplicht een Mobiliteits Programma van Eisen (MPvE) op. Hiermee wordt gewaarborgd dat duurzame mobiliteit integraal bij de gebiedsontwikkeling wordt meegenomen. Het STOMP-principe en de Ladder vormen daarbij het uitgangspunt.
Mobiliteitsbeleid
Het op dit moment vigerende Zwolse mobiliteitsbeleid vloeit voort uit het rijks - en provinciaal beleid en is verwoord in de Mobiliteitsvisie. De Mobiliteitsvisie is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 december 2019. In de mobiliteitsvisie komt naar voren dat de verdere groei van de mobiliteit niet zondermeer opgevangen wordt door de mobiliteitsvraag te faciliteren met nieuwe infrastructuur. En dat de ambitie is voornamelijk te investeren in een bereikbaar en toegankelijk Zwolle, waarbij mobiliteit gaat bijdragen aan andere Zwolse doelstellingen. Van economische groei tot de woningbouwopgave; van klimaat neutrale gemeente tot gezonde en vitale wijken.
De ambitie is dat we ervoor zorgen dat Zwolle ook in de toekomst goed bereikbaar is door fietsen, lopen en reizen met het openbaar vervoer te stimuleren én door het autogebruik beter te spreiden. Alleen met al deze maatregelen kunnen we de knelpunten in het Zwolse verkeer voldoende wegnemen om de verwachte groei van verkeersdeelnemers op te vangen en Zwolle bereikbaar, veilig en leefbaar te houden.
Zwolle heeft een gunstige positie qua ontwikkeling. In de na te streven doelen op het gebied van duurzaamheid, milieu, bereikbaarheid, economische groei, leefbaarheid en dergelijke is het daarom noodzakelijk om prioriteiten te stellen. Zwolle wil de kwaliteiten als bereikbare en gezonde stad vasthouden door, naast de noodzakelijke uitbreiding van de infrastructuur, de samenleving te mobiliseren om de groeiende vraag naar mobiliteit om te buigen in een duurzame richting.
De STOMP-methode is in Zwolle leidend bij al onze ontwerpopgaven voor infrastructuur bij de inrichting van de buitenruimte. We gaan eerst uit van Stappen (wandelaars), en vervolgens kijken we naar Trappen (fietsers) dan het OV, deelMobiliteit en tot slot de Personenauto's.
Met de nieuwe Parkeerstrategie 2040 wordt het STOMP-principe ook toegepast op parkeren. De Parkeerstrategie 2040 hanteert zes maatregelen voor het parkeren van auto's, fietsen en deelmobiliteit:
De Regeling Parkeernormen Zwolle (3 december 2024 vastgesteld, 27 maart 2025 gepubliceerd) is het huidige toetsingskader voor parkeren in het geval van vastgoedontwikkelingen, wijziging omgevingsplan en aanvragen van een omgevingsvergunning in de gemeente Zwolle. Als onderdeel van de uitwerking van de parkeerstrategie is de gemeente bezig aan een herziening hiervan. In dit omgevingsplan is de keuze gemaakt de Regeling Parkeernormen Zwolle (3 december 2024) als planregel op te nemen, wat inhoudt dat deze regeling voor voorliggende wijzigingsgebied geldt. Ook als/ nadat er gemeentebreed een andere parkeerregeling wordt vastgesteld. De regeling Regeling Parkeernormen Zwolle (3 december 2024) blijft het toetsingskader omdat deze de basis vormt van de al lang lopende gebiedsontwikkeling Weezenland Noord, hierover afspraken zijn vastgelegd en omdat de gebiedsontwikkeling ook al in uitvoering is. Voor het voorliggende wijzigingsgebied zijn en worden geen planregels gesteld over fietsparkeernormen. De inzet voor het faciliteren van het fietsparkeren is de Amsterdamse Bouwbrief (Bouwbrief Regels en afspraken bouwen en wonen Amsterdam, maart 2025).
Het beleid van de Gemeente Zwolle is dat de parkeeropgave van een bouwplan of een ontwikkeling primair op eigen terrein van het bouwplan of ontwikkeling gerealiseerd moet worden. Wat de parkeeropgave is, wordt bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers CROW. De aan te leggen parkeerplaatsen dienen ook te voldoen aan de eisen uit de Regeling Parkeernormen (3 december 2024) over maatvoering en bruikbaarheid.
Het bestemmingsplan Weezenlanden Noord voorziet in de sloop van 180 woningen, de bouw van 502 woningen in combinatie met commerciële en maatschappelijke functies en twee bij de woningbouw behorende parkeergarages. Inmiddels is deze gebiedsontwikkeling in uitvoering. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt een mobiliteitshub met maximaal 600 parkeerplaatsen en maximaal 800 m2 aan bijbehorende voorzieningen toegevoegd en wordt het woningbouwprogramma geoptimaliseerd, wat leidt tot 101 extra woningen. Met de toevoeging van de mobiliteitshub wordt voldaan aan de Parkeerstrategie 2040.
In de nieuwe situatie blijven/worden beide parkeergarages uitsluitend bestemd voor de bewoners van de aanliggende woningen. Parkeergarage 1 kent een capaciteit van 53 parkeerplaatsen, de nog te bouwen parkeergarage 2 krijgt een capaciteit tot 80 plaatsen. Parkeergarage P1 ontsluit op de Wiecherlinckstraat, parkeergarage P2 op de Schuurmanstraat.
De mobiliteitshub is voorzien onder de Luttenbergstraat en het bestaande parkeerterrein voor het provinciehuis. De in- /uitrit komt aan de westzijde van de hub.
Het gebied wordt momenteel voor de auto ontsloten door Schuurmanstraat, Groot Wezenland, de Buserstraat en de Wiecherlinckstraat. Voor fietsers en voetgangers is er hiernaast nog ontsluiting vanuit de binnenstad via het Kerkbrugje. In het gebied is een 30 km-zone, die onderdeel uitmaakt van een groter 30 km-gebied (tussen de Luttenbergstraat, de gracht, de Assendorperstraat en het Almelose kanaal). De Luttenbergstraat is nu nog een gebiedsontsluitingsweg waar 50 km geldt.
De Schuurmanstraat en Groot Wezenland maken onderdeel uit van het fietshoofdroutenetwerk. Het gebied wordt ontsloten met openbaar vervoer door middel van een bushalte op de Luttenbergstraat en de Wethouder Alferinkweg.
Verkeersstructuur
In de huidige situatie heeft de Luttebergstraat tussen de kruising met de wethouder Alferinkweg en de brug over het Almelose kanaal meerdere aansluitingen en inritten. De Buserstraat en het deel van de Wiecherlinckstraat parallel aan de Schuurmanstraat worden in de plansituatie alleen toegankelijk voor voetgangers en fietsers, Daarmee komen deze aansluitingen voor auto's te vervallen. De parkeergarage P1 heeft zijn inrit op de Wiecelinckstraat, de parkeergare P2 heeft de inrit op de Schuurmanstraat. Aan de Luttenbergstraat wordt de inrit voor de mobiliteitshub toegevoegd. De zuidelijke inrit van het parkeerterrein van het provinciehuis komt hiermee te vervallen, de noordelijke inrit blijft behouden. De mobiliteitshub kan op de Luttenbergweg aangesloten worden als een uitrit met voorrangssituatie of direct op de rotonde Luttenbergstraat-Wethouder Alferinkweg. Het voornemen is om de Luttenbergstraat in te richten als GOW 30 km/u.
De grootschalige ontwikkelingen en nieuwe ontsluitingen genereren verkeersstromen die effect hebben op het lokale wegennet. In het kader van deze ruimtelijke ontwikkelingen is verkeerskundig onderzoek gedaan naar de verkeersafwikkeling op het lokale wegennet voor de maatgevende ochtend- en avondspits. Dit Verkeersonderzoek Mobiliteitshub Weezenland-Noord, actualisatie mei 2025 (Roelofs, kenmerk NO01-D04-31092243-sws2, 14 juli 2025), is als bijlage toegevoegd.
Conclusies uit het onderzoek zijn:
- Scenario 1: voorrang mobiliteitshub;
- Scenario 2: geen voorrang mobiliteitshub;
In het gebied zal, voorafgaand aan de bouw van de hub, gefiscaliseerd parkeren in worden gevoerd. Het aantal beschikbare parkeerrechten per ontwikkeling ligt vast en is bepaald aan de hand van de parkeernorm. Een abonnement of vergunning zonder een parkeerrecht is niet mogelijk in de sector. Door de bouw van de hub is het mogelijk om de parkeervraag volledig op te vangen op eigen terrein en in de hub. Hierdoor is er geen noodzaak meer is om straatparkeren te faciliteren in het plangebied. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor de voetganger en fietser in de openbare ruimte.
De Buserstraat zal ingericht worden als voetgangers- en fietsgebied. De herinrichting van de Schuurmanstraat zorgt voor brede trottoirs die een loper vormt voor de voetganger tussen het centrum en Park Weezenlanden. Door het autoverkeer voor de hub via de Wethouder Alferinkweg te leiden wordt het plangebied autoluwer. Door deze maatregelen komt er meer ruimte voor de voetganger en fietser.
Parkeren
Er wordt een ondergrondse mobiliteitshub met maximaal 600 plaatsen gerealiseerd. In de te realiseren parkeerfaciliteit (P2) zijn minimaal 60 parkeerplaatsen voor bewoners voorzien. In de huidige situatie is verder een parkeerfaciliteit (P1) met 53 parkeerplaatsen aanwezig. Na de bouw van de mobiliteitshub worden de parkeerplaatsen van de provincie weer op maaiveld teruggebracht. Het plangebied zal binnen een (toekomstige) parkeersector met gefiscaliseerd parkeren vallen.
Er is voor deze wijziging van het omgevingsplan een mobiliteitsplan opgesteld, welke als bijlage is toegevoegd (Gebiedsbreed Mobiliteitsplan, 18 maart 2025) Conclusie uit het mobiliteitsplan is dat de benodigde parkeervraag opgevangen worden in het gebied. Deels op eigen terrein en deels in de mobiliteitshub. Hierbij is uitgegaan van het worst case geval, zonder extra inspanningen op het gebied van fietsvoorzieningen of deelmobiliteit. Aannemelijk is dat met een innovatief mobiliteitsplan, zoals bedoeld in de Regeling Parkeernormen Zwolle, het mogelijk is om met een reductie van de gemiddelde norm te werken.
Het besluit voldoet aan de kaders voor verkeer.
Er is vanuit het onderwerp verkeer aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft het opnemen van:
Gemeente
Omgevingsvisie
De omgevingsvisie geeft het voornemen om op kansrijke plekken mobiliteitshubs te realiseren. Dat is nodig omdat het woningaanbod in het centrumgebied uitbreidt. Die groei is voorzien in het historische centrumgebied, de Spoorzone en de Nieuwe Veemarkt. We willen als groeiende stad een interessante plek blijven om te wonen, te ondernemen en te verblijven. Dat betekent dat we met een andere blik moeten kijken naar het gebruik van de beschikbare ruimte. Zo blijft Zwolle een leefbare, gezonde en bereikbare stad voor inwoners en bezoekers. Mobiliteitshub vervullen hier een cruciale rol in als plekken waar andere vormen van vervoer worden geboden en waar de auto wordt neergezet voor een dagje, om te gaan werken en waar je aan het einde van de dag je pakketjes ophaalt. Waar je op de bus stapt, of juist uit de bus. Daarmee geven we nieuwe impuls aan de leefbaarheid in onze stad. De nieuwe hubs moeten zo gesitueerd worden dat een zo groot mogelijk gebied bediend wordt. Daarbij gaan we uit van 3 reistijden te voet, te fiets of met een scooter vanaf de hub naar de plek van bestemming. Het gaat om: 5 minuten bij dagelijks gebruik, 10 minuten bij regelmatig gebruik en 20 minuten bij incidenteel gebruik. We gaan onderzoeken of we dergelijke mobiliteitshubs kunnen creëren, onder andere bij Weezenlanden.
We streven ernaar dat zowel huidige als toekomstige parkeergarages en fietsenstallingen uitgevoerd worden als mobihubs. Aantrekkelijke, goed bereikbare voorzieningen waar auto- en fietsparkeren, al dan niet in combinatie met de overslag van goederen, gecombineerd worden met het aanbieden van deelfietsen en –auto's, bushaltes en andere voorzieningen als pakketkluizen en toiletten en laadmogelijkheden.
Ontwikkelprogramma en Uitvoeringsagenda Ons Stadshart van Morgen
De centrale ambitie van dit programma is het realiseren van een toekomstbestendig Stadshart. Gebruik wordt gemaakt van vijf ontwikkelprincipes van waaruit behoud, versterking en ontwikkeling van het Stadshart benaderd wordt. Eén daarvan is De bereikbare stad. Het Ontwikkelprogramma en de Uitvoeringsagenda geven uitvoering aan realisatie van mobiliteitshubs in het Stadshart.
Adaptieve Ontwikkelstrategie Mobiliteitshubs Zwolle
In deze ontwikkelstrategie is de stadsbrede ontwikkeling van een netwerk van mobiliteitshubs vormgegeven. Hiervoor zijn een aantal kaders vastgesteld:
Vanuit het ontwikkelprincipe 'De bereikbare stad' uit het Ontwikkelprogramma, is de ambitie om bereikbaarheid te realiseren in combinatie met leefbaarheid en gezondheid, door meer ruimte te maken voor voetgangers en fietsers. De omgevingsvisie zet in dit kader in op een systeem van mobiliteitshubs buiten de Singel, omdat het Stadshart een autoluwe zone wordt.
Het Ontwikkelprogramma en de Uitvoeringsagenda geeft een hubstrategie voor het Stadshart. Met de hubstrategie wordt een alternatief gecreëerd voor doorgaand verkeer en parkeren in het Stadshart. De strategie bestaat uit zeven onderdelen:
In de Uitvoeringsagenda is de locatiekeuze en planuitwerking opgenomen voor de eerste mobiliteitshub bij Weezenlanden Noord. In vervolg daarop is er een haalbaarheidsonderzoek Mobiliteitshub Weezenlanden-Noord (5 juni 2023, zie bijlage) uitgevoerd. De raad heeft op 17 juli 2023 kennis genomen van dat onderzoek / ingestemd met het onderzoek en businesscase.
Vanwege de ligging, de afstand tot het centrum, mogelijkheden om voorzieningen in te passen en daarmee een volwaardige stadsentree te kunnen realiseren, is de locatie Weezenlanden-Noord de beste plek. Met het realiseren van een eerste mobiliteitshub buiten de Singel van de binnenstad:
Weezenlanden-Noord heeft als locatie de meeste meerwaarde ten opzichte van alternatieve locaties. Het ligt op korte afstand van de binnenstad, heeft voldoende ruimte voor de gewenste hub-faciliteiten en is goed ontsloten vanaf de buitenring (binnen 250 meter vanaf de Wethouder Alferinkweg en nabij een bushalte). In het gebied Weezenlanden-Noord liggen verschillende kansen voor een hub. Er is ruimte voor het gewenste programma van eisen waarmee een volwaardige centrumhub kan worden gerealiseerd. Het is fysiek mogelijk een mobiliteitshub in te passen in de lopende gebiedsontwikkeling en daarbij versterkt de hub ook de gebiedsontwikkeling en vice versa.
De hub biedt, naast parkeervoorzieningen, ook ruimte aan een mix van diverse commerciële en maatschappelijke functies in de plint. Daarmee wordt een levendige entree voor de binnenstad gecreëerd met meerwaarde voor de hele wijk. Ook kan men in relatie tot de mobiliteitshub denken aan een kleine gemakswinkel. Daarom wordt bij de hub op een beperkte schaal (150 m²) winkelontwikkeling mogelijk gemaakt.
Naast Weezenlanden-Noord zijn vier andere locaties onderzocht en afgewogen in het haalbaarheidsonderzoek. Onder en op de Turfmarkt, achter het My Office-gebouw, onder het evenemententerrein het Weezenlandenpark en uitbreiding van de parkeerplaats bij het provinciehuis. De Turfmarkt en My Office zijn afgevallen vanwege de afstand tot de Wethouder Alferinkweg en een bushalte. De andere locaties vallen af vanwege onmogelijkheid om er een volwaardige hub van te maken.
Weezenlanden Noord ligt op korte afstand van de binnenstad, heeft voldoende ruimte voor de gewenste hubfaciliteiten en is goed ontsloten vanaf de buitenring (binnen 250 meter vanaf de Wethouder Alferinkweg en nabij een bushalte). Bezoekers aan de stad kunnen straks vanaf de ring via de 'inprikker' Wethouder Alferinkweg gemakkelijk en comfortabel naar de mobiliteitshub rijden. Daar worden ze gastvrij ontvangen in een parkeerlocatie van topkwaliteit, die is voorzien van allerlei voorzieningen en faciliteiten, en die de mogelijkheid biedt om hun weg lopend te vervolgen of over te stappen op een andere vorm van (deel)mobiliteit. In het gebied Weezenlanden-Noord liggen verschillende kansen voor een hub. Er is ruimte voor het gewenste programma van eisen waarmee een volwaardige centrumhub kan worden gerealiseerd. Dit past ook volledig binnen de kaders van de Adaptieve Ontwikkelstrategie Mobiliteitshubs.
De mobiliteitshub is onderdeel van de stedelijke parkeerexploitatie. Gemeente Zwolle is initiatiefnemer en exploitant. Met de parkeertool (van de hubstrategie) is de behoefte aan het aantal parkeerplaatsen bepaald. Weezenlanden Noord is onderdeel van een netwerk van mobiliteitshubs. Met het nu beoogde aantal parkeerplaatsen draagt Weezenlanden Noord voldoende bij aan parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers van Weezenlanden Noord, bezoekers van de stad (die nu op straat parkeren) en bedrijven in de directe omgeving.
De mobiliteitshub creëert dus nabijheid, maakt de mobiliteitstransitie mogelijk en draagt bij aan innovatie en duurzaamheid. De locatie maakt het mogelijk om aan verschillende opgaven tegelijkertijd te werken: in stand houden van een bereikbaar en gastvrij Stadshart, efficiënt gebruik (dubbelgebruik) van parkeerplaatsen stimuleren en het clusteren van parkeerplaatsen.
Er is voor gekozen om de in- en uitrit van de mobiliteitshub aan te leggen in de Luttenbergstraat. Dit heeft als voordeel dat het autoverkeer niet verder het gebied in hoeft te rijden. De inrit is dan direct vanaf de Wethouder Alferinkstraat bereikbaar. Door de Luttenbergstraat als GOW 30km/u in te richten wordt het een verblijfsgebied waarin de voetganger en fietser op de eerste plaats komen. Dit is conform de doelstelling van het STO(M)P principe.
Het besluit voldoet aan de kaders voor mobiliteitshubs.
Er is vanuit het onderwerp Verkeer Mobiliteitshub aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft het opnemen van:
Hoofdstuk 7 geeft een verdieping op de onderwerpen stedenbouw en beeldkwaliteit, landschap, cultuurhistorie en archeologie.
Rijk
De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels op te nemen over het uiterlijk van bouwwerken (art. 4.19 Ow). Als de gemeenteraad in het omgevingsplan regels opneemt over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, stelt de raad beleidsregels vast voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij stedenbouw en beeldkwaliteit gaat het om instructieregels over ruimtelijke kwaliteit.
Afdeling 4.3 van de verordening geeft instructieregels over het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel. Omgevingsplannen dienen een onderbouwing te geven vanuit die benadering, waaruit blijkt dat de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit.
Gemeente
Omgevingsvisie
Doordat we 10.000 nieuwe woningen willen bouwen voor 2030 in de bestaande stad spreken we van verdichting: op hetzelfde totale oppervlak komen meer woningen. En dus ook meer mensen, meer auto's, fietsen en meer behoefte aan groen en buitenruimte. We worden een stad met een steeds intensiever gebruik. Meer woningen betekent dat er ook meer hogere gebouwen bij komen. Dat vraagt een zorgvuldige aanpak passend bij het huidige Zwolse stadsilhouet. Dat is de basis voor onze visie op hoogbouw in onze gemeente.
We streven met de omgevingsvisie meerdere doelen na, waarbij hoogbouw een middel is om deze doelen te helpen bereiken. Zo draagt hoogbouw op belangrijke knooppunten voor openbaar vervoer bij aan een stedelijke dynamiek en sfeer. Een sterke verbinding met het openbaar vervoer maakt de afhankelijkheid van de auto kleiner. Het creëert de noodzakelijke ruimte voor een kwalitatief hoogwaardige buitenruimte, met onder meer groen. En we hoeven minder te bouwen aan de randen van de stad of in het landschap. Hoogbouw is ook goed geschikt voor de gewenste nieuwe vormen in de combinatie van wonen, werken en bijvoorbeeld zorg gerelateerde voorzieningen. Verder brengt het investeringen bij elkaar, wat mogelijkheden biedt in een gebied ook andere doelen te bereiken als voor klimaatadaptatie, energievoorziening, mobiliteit en natuur inclusief bouwen. En hogere gebouwen hebben een belangrijke functie om specifieke plekken in de stad te duiden, zoals het station, winkelcentra, een gebied met ontspanning en vertier of de entree van een wijk. Het geeft van verre al aan: hier is wat te doen. We noemen dat het leesbaar maken van de stad.
Onder hoogbouw verstaan we gebouwen hoger dan de gemiddelde kroonhoogte van de bomen. Ongeveer 25 meter of te wel ongeveer 8 bouwlagen. Vanaf deze hoogte is het belangrijk om effecten op de omgeving in beeld te brengen. Bij gebouwen tussen 45 en 70 meter spreek je echt van hoogbouw. Deze bepalen mede het aanzicht van de stad en geven een beeld van de stedelijkheid en de allure van een specifiek gebied. En is goed passend voor de maat en schaal van Zwolle. Belangrijk is dat de Peperbus een centrale plek kan en blijft spelen in ons stadsilhouet. Ook als oriëntatiepunt voor iedereen als het letterlijke middelpunt van Zwolle.
De omgevingsvisie geeft een aantal ontwikkelzones in de stad aan. De visie op hoogbouw haakt aan op deze zones.
Het wijzigingsgebied is aangewezen als Hoogbouw – Stadskrans. Deze ontwikkelzone is het domein van onze Peperbus, de scherprechter qua hoogte; de 'toets-toren. De Kop van Hoog en de Koningin op het Kraanbolwerk hebben een hoogte tussen 35 en 45 meter. Met deze hoogte blijven ze ruim onder de 'trans'/'uitkijkplek' van de Peperbus want die is 55 meter hoog. Nieuwe gebouwen mogen niet hoger worden dan deze hoogte van 35-45 meter. Dat is niet de enige eis. Zichtlijnen op de Peperbus moeten behouden blijven en dus vrij van hogere gebouwen. Kenmerkende zichtlijn op de Peperbus zijn: dichtbij vanaf het Katwolderplein, op afstand vanaf de Provincieroute in Zwolle-Zuid en vanaf het Twistvlietpad in Stadshagen. Ook gaat het om de 'compositie' van de gebouwen bij elkaar, zowel bestaand als nieuw.
Omdat hoogbouw hier het beschermde stadsgezicht aanraakt, gelden hier specifieke architectonische uitgangspunten:
Hoogbouw moet kwaliteit toevoegen aan onze stad. In de visies en plannen die gemaakt worden voor gebieden is daarom altijd onderzoek nodig naar de effecten van hoogbouw. Het toont aan hoe een plan zich verhoudt tot de gestelde uitgangspunten. Daarnaast geeft het inzicht in de gevolgen voor schaduwwerking, windval, sociale veiligheid, het landschap en het omliggende gebied (o.a. cultuurhistorische waarden). Dit betekent dat voor nieuwe gebouwen hoger dan 25 meter een hoogbouweffectrapportage verplicht is, als onderdeel van de ruimtelijke planvorming. Het rapport maakt onderdeel uit van de besluitvorming door college en gemeenteraad, zodat een integrale beoordeling mogelijk is.
Beleid stedenbouw en beeldkwaliteit
Op 13 februari 2024 heeft de gemeenteraad de Welstandsnota 2023, versie november 2023 vastgesteld. Doel van de welstandsnota is het bieden van een toetsingskader voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. De nota geeft gebieds- en objectgerichte welstandscriteria. De welstandsnota beperkt zich daarbij niet tot alleen gebouwen en andere bouwwerken, maar is ook een toetsingskader voor onder andere reclame-uitingen en woonschepen.
Voor de gemeente biedt de nota een toetsingskader voor ingediende bouwinitiatieven, voor de burger biedt de welstandsnota vooraf het kader en de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van nieuwe bouwinitiatieven. Met de welstandsnota en de beleidskeuzen die daarin zijn opgenomen, is er een belangrijk instrument voor het gemeentebestuur om te sturen op aspecten van welstand voor de stad, het breedst uit te drukken in het begrip ruimtelijke kwaliteit. Voor de burger biedt de nota vooraf inzicht in de criteria die worden gehanteerd bij de toetsing op welstand. Het Beeldkwaliteitsplan Weezenlanden-Noord, november 2021, maakt deel uit van de Welstandsnota.
Op grond van het omgevingsplan van rechtswege (onderdeel bruidsschat) wordt een omgevingsvergunningaanvraag die betrekking heeft op een bouwactiviteit alleen verleend als deze niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de Welstandsnota 2023, versie november 2023.
Het wijzigingsgebied ligt tussen Park de Wezenlanden, de Zwolse singelstructuur en het Almelose Kanaal, als schakelpunt tussen drie belangrijke groene structuren in de stad. In de ruimtelijke structuur van Weezenlanden Noord loopt het groene landschap door en zijn de gebouwen te gast. Het maaiveld verbindt de groene structuren, draagt bij aan een nieuw groen karakter van de Schuurmanstraat als een gastvrije entree van de binnenstad.
De bebouwingsstructuur van grondgebonden woningen en appartementen is opgedeeld in twee clusters waar tussen de grootste groene ruimte centraal in het plangebied is gesitueerd. Met de centrale positie ontstaat een zichtrelatie tussen Schuurmanstraat en Almelose kanaal. Vanuit het plangebied ontstaan daarmee zichtrelaties met de omgeving, bijvoorbeeld door het zicht op de watertoren aan de Turfmarkt. In dit openbaar toegankelijke gebied zijn de belangrijkste wandelroutes gelegen die aansluiten op de routes uit de omgeving en dragen daarmee bij aan een fijnmazig netwerk van langzaam-verkeerroutes.
De bebouwingsclusters zijn elk opgebouwd uit een samengesteld bouwblok rondom een semi openbaar hof en twee solitaire gebouwen waarmee het plangebied zich naar de omgeving opent. In elk hof is een parkeergarage gesitueerd. De rooilijnen in het plan verspringen waarmee een informeel karakter ontstaat en lange wanden wordt voorkomen. De hoofdzakelijk losse bebouwingsstructuur, de verspringende rooilijnen en het doorlopende autovrije en groene maaiveld dragen allemaal bij aan de gewenste sfeer waarbij de gebouwen te gast zijn en het maaiveld de continue factor vormt. Hiermee wordt Weezenlanden Noord optimaal verbonden met het Almelose kanaal, de Schuurmanstraat en singel.
De schaal en maat van de bouwblokken (korrel) is zo gekozen dat deze een overgang vormt tussen de kleinschalige korrel van de binnenstad naar de grote blokken van de jaren '60. Aan de noordwestzijde sluit de bebouwing aan bij de rijwoningen en het TAK college. Vervolgens loopt de maat en schaal van de blokken op naar de Luttenbergstraat en het provinciehuis. Het stedenbouwkundig plan maakt daarmee de overgang tussen de verschillende omliggende schalen en structuren.
De bouwhoogtes reageren op de hoogte van de omliggende gebouwen zodat ook hierin een samenhangend structuur ontstaat. Daarnaast verspringen de bouwhoogtes onderling waarmee het individuele karakter van de verschillende bouwmassa's wordt versterkt en daarmee de sfeer van “de gebouwen te gast” wordt versterkt.
De rijwoningen in de noordwestelijke hoek van het plan relateren aan de woningen aan de singel en het TAK college. Van daaruit lopen de hoogtes langzaam op. Aan de Luttenbergstraat en Schuurmanstraat zoeken de bouwblokken aansluiting op de bouwmassa's van de rechtbank en het provinciehuis. Aan de zijde van het Almelose kanaal is gekozen voor een onderscheidend hoogteaccent die relateert aan de watertoren aan de overzijde van het kanaal. Het hoogteaccent vangt de zichtlijn vanuit de Nieuwe Vecht en markeert de kruising van het Almelose kanaal als landschappelijke drager met de Luttenbergstraat als onderdeel van de binnenring. Op de kruising Schuurmanstraat en Wiechelinckstraat is een accent gesitueerd die de zichtlijnen langs de singel opvangt.
Met de positionering van deze verschillende bouwhoogtes draagt Weezenlanden Noord bij aan de gewenste ruimtelijke structuur waarbij de Luttenbergstraat wordt benadrukt als hoofdverbinding met daaraan een opeenvolging van grote bouwmassa's, wordt de Schuurmanstraat als entree van de binnenstad begeleid en markeert een hoogteaccent de loop van het Almelose kanaal als onderdeel van de blauwe waterstructuur door de stad. Op deze wijze draagt Weezenlanden Noord bij aan een goede ruimtelijke verbinding in de stad en tussen de wijken Assendorp (Groot Weezenland) en de Wipstrik. De bouwhoogtes zijn in overeenstemming met de omgevingsvisie.
Er is een Hoogbouw Effect Rapportage opgesteld (Hoogbouweffectrapportage Mobiliteitshub Zwolle, BJZ, april 2025, zie bijlage). Deze HER borduurt voort op de HER welke onderdeel uitmaakt van het bestaande bestemmingsplan 'Weezenlanden – Noord' (Hoogbouweffectrapportage Weezenlanden Noord, BJZ, november 2021).
Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet in het mogelijk maken van een (ondergrondse) mobiliteitshub en een beperkte aanpassing in de bouwvolumes en -hoogtes van de al in uitvoering zijnde gebiedsontwikkeling. In de HER wordt onder andere ingegaan op de ruimtelijke impact op de omgeving, sociale veiligheid, windklimaat en bezonning. Conclusie is dat, gelet op de resultaten van de diverse onderzochte aspecten, er geen sprake is van relevante negatieve effecten.
Beeldkwaliteit
Om de verschijningsvorm van Weezenlanden Noord te waarborgen is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld dat als onderdeel van de Welstandsnota in 2022 is vastgesteld. In het beeldkwaliteitsplan wordt op de specifieke kenmerken van het stedenbouwkundige plan in de context van de omgeving ingegaan. Hiervoor zijn algemene regels opgesteld en wordt daarnaast het plan ingedeeld in zes sfeergebieden die reageren op positie in het plangebied en de relatie met de omgeving.
De (beperkte) stedenbouwkundige aanpassingen ten opzichte van het eerder vastgestelde stedenbouwkundige plan vergen geen aanpassingen of herziening van het huidige beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan voldoet als instrument om de gewenste kwaliteit bij de bouwplanontwikkeling te kunnen borgen.
Het besluit voldoet aan de kaders voor stedenbouw en beeldkwaliteit.
Er is vanuit het onderwerp stedenbouw en beeldkwaliteit aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft:
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige landschappelijke en natuurwaarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. De visie wijst onder andere natuurgebieden en landschappen aan als waardevol en zeer waardevol. Kenmerkend voor de stad Zwolle is ook de aanwezigheid van een hoofdgroenstructuur, waar bijvoorbeeld de 'groene longen' van Zwolle onderdeel van uitmaken. Die hoofdgroenstructuur is voor Zwolle zeer waardevol. De stedelijke hoofdgroenstructuur bestaat uit een samenstel van groenelementen die tezamen een betekenis hebben voor de stad als geheel. De hoofdgroenstructuur dient meerdere functies: het draagt ruimtelijk of functioneel bij aan een min of meer aaneengesloten netwerk. Het is op stedelijk niveau in belangrijke mate structuur– en identiteit bepalend, het behoort op stedelijk niveau tot de belangrijkste recreatieve gebruiksruimtes, het begeleidt recreatieve routes, het heeft een belangrijke betekenis voor de stedelijke ecologische structuur en het draagt in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid van de stad. De koers is dat de hoofdgroenstructuur in de toekomst behouden blijft, of aangevuld, waar nodig, vanwege het belang voor de gemeente als geheel. Er wordt een terughoudend beleid gevoerd met het toevoegen van nieuwe bebouwing binnen de hoofdgroenstructuur. Naast een stedelijke hoofdgroenstructuur kent Zwolle ook een wijk(neven)groenstructuur. Visie is dat de wijk(neven)groenstructuur in de toekomst in essentie behouden moet worden, vanwege het belang voor een aantrekkelijke en leefbare wijk.
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarde. Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit landschap en natuurwaarden zijn dat:
De Luttenbergstraat en de Schuurmanstraat maken deel uit van de hoofdgroenstructuur. De zone langs het kanaal is aangemerkt als Groenblauwe structuur versterken.
De Singel rondom de historische binnenstad, de Schuurmanstraat, die één van de entreegebieden van de binnenstad vormt en het stadspark de Weezenlanden met de binnenstad verbindt, en ten slotte het Almelose kanaal. Drie grote landschappelijke structuren die een rol spelen op het schaalniveau van de stad. De opzet van Weezenlanden Noord is gericht op het met elkaar verbinden van deze landschappelijke structuren. Hiervoor is gekozen voor een autovrij maaiveld dat op een informele wijze tussen de bouwvolumes doorloopt en aansluit op deze landschappelijke structuren. In het midden tussen het oostelijk deel en het westelijk deel van de ruimtelijke opzet van Weezenlanden Noord is een bredere centrale ruimte gesitueerd die het hart vormt van de buitenruimte.
De buitenruimte krijgt een hoogwaardige inrichting en veel verblijfskwaliteit die bijdraagt aan de woonkwaliteit. Het leggen van de verbinding tussen afzonderlijk landschappelijke structuren geeft de parkachtige inrichting van Weezenlanden Noord een grotere schaal en maat en draagt bij aan de samenhang van de groenstructuur in de stad.
De zone langs het Almelose kanaal is van oudsher een lagere en natte zone waarbij water vanuit Salland via de Singel en het Zwarte Water de stad passeert. Langs deze “blauwe structuur” is een van de belangrijkste groene- en ecologische structuren van de stad ontstaan. Het stadspark Wezenlanden is een belangrijk onderdeel van deze hoofdgroenstructuur. In deze groenstructuur is de Luttenbergstraat een barrière haaks op deze landschappelijke structuur. Ook het grote vlak parkeerruimte ten behoeve van de provincie heeft een grote hap genomen uit de hoofdgroenstructuur. Met name de continuïteit van de hoofdgroenstructuur wordt vanuit ruimtelijk oogpunt maar ook als ecologische verbinding in de stad belangrijk geacht.
De nieuwe mobiliteitshub is centraal tussen de verschillende functies gepositioneerd waarmee het belang op hoger schaalniveau zichtbaar wordt gemaakt. Daarnaast biedt het ook een andere kans. De kans om de impact van het grote aantal parkeerplaatsen ten behoeve van de provincie op de hoofdgroenstructuur te verkleinen. Door de parkeergarage ten behoeve van de mobiliteitshub onder maaiveld te bouwen ontstaat de mogelijkheid om de buitenruimte anders in te richten. Hogere verblijfskwaliteit, meer groen en herstel van de hoofdgroenstructuur.
Voor de inrichting van de buitenruimte op de hub is gekozen om de landschappelijke inrichting van Weezenlanden Noord uit te breiden. Het doel om de grote groenstructuren van de stad beter met elkaar te verbinden wordt daarmee versterkt. Ook de kwaliteit van de Schuurmanstraat als een van de entrees van de historische binnenstad wordt met de komst van de mobiliteitshub en de daaraan gekoppelde kwaliteitsimpuls van de buitenruimte sterk vergroot.
Het besluit voldoet aan de kaders voor landschap.
Er is vanuit het onderwerp landschap aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij cultuurhistorie gaat het om instructieregels gericht op het behoud van cultureel erfgoed.
Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen. Tevens moet rekening gehouden worden met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij cultuurhistorie gaat het om instructieregels over het cultureel erfgoed.
Artikel 4.12 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen rekening gehouden moet worden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige cultuurhistorische waarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. Het Zwolse erfgoed met haar waardevolle gebouwen, structuren, landschappen en archeologische rijkdommen heeft naast de historische en identiteitswaarde een onderscheidende en aantrekkende kracht voor de stad. We richten ons op de instandhouding van en onderzoek naar historisch waardevolle objecten, complexen, stedenbouwkundige en landschappelijke structuren en archeologische waarden. We koesteren het Zwolse erfgoed en zetten het in als één van de leidende en inspirerend principes bij (ruimtelijke) ontwikkelingen.
Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit cultuurhistorie zijn dat:
Beleid cultuurhistorie
Het Zwolse beleid zoals verwoord in de vastgestelde beleidsnota voor het Zwols monumenten- en archeologiebeleid (Dynamiek van Oud & Nieuw, 2000) is gericht op de instandhouding van historisch waardevolle objecten, complexen, openbare ruimte en stedenbouwkundige en landschappelijke structuren.
Om op een goede wijze rekening te houden met het cultureel erfgoed zijn de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente geïnventariseerd, beschreven en gekwalificeerd. Op basis hiervan is in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen voor cultuurhistorisch waardevolle objecten en structuren. Deze maken dus deel uit van het omgevingsplan van rechtswege.
Bij de planvorming van de lopende gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden.
De grootste kwaliteit van het oorspronkelijke wooncomplex lag in de stedenbouwkundige opzet met de groenaanleg en de situering van de blokken in die groene ruimte, zoals uit een cultuurhistorische analyse van het Oversticht uit 2012 blijkt. Voor dit complex gold dat het opwaarderen naar de huidige normen financieel niet haalbaar was. Het kenmerk van het complex van een groene ruimte met daarin woonblokken gesitueerd, blijft echter en is als basis genomen voor de nieuwe stedenbouwkundige opzet. De beperkte aansluiting van de woonfunctie op de buitenruimte en de verbinding met de omliggende ruimtelijke structuren worden beter uitgewerkt waarmee een nieuw woonmilieu ontstaat dat optimaal is verbonden met de omgeving en waar de groene kwaliteit sterk bijdraagt aan de woonkwaliteit.
Het Almelose kanaal is historisch gezien zeer belangrijk in de geschiedenis van waterbeheersing en transport voor Zwolle en omgeving. De Sallandse weteringen hebben een structurerende werking gehad op de inrichting van zowel het landelijk als het stedelijk gebied. Het Almelose kanaal is buitengewoon belangrijk in de geschiedenis van de inrichting van het stedelijk- en landelijkgebied en de waterbeheersing van Zwolle en omgeving. Het koelwater kanaal, die parallel aan het Almelose kanaal is aangelegd, is een restant van de werking van de in 1915 gebouwde IJsselcentrale. Het kanaal was bedoeld om het water van de IJssel centrale af te voeren en werd een eind stroomafwaarts in het Almelose kanaal geloosd. Behoud van deze watergang is vanuit cultuurhistorie van belang. De al geldende planregels tot bescherming van deze cultuurhistorische waarden worden dan ook overgenomen.
Net buiten het wijzigingsgebied ligt het provinciehuis op de kop van het park De Weezenlanden. De bouw van het provinciehuis is voltooid in 1971. Het gebouw is een voorbeeld van grootschalige representatieve functionalístische kantoorbouw met hoog- en laagbouwaccenten. De tuinen zijn ontworpen door landschapsarchitecte Mien Ruys. De cultuurhistorische waarde zit vooral in de tuin aan de parkzijde van het provinciehuis. Ter plaatse van het parkeerterrein aan de voorzijde is het oorspronkelijk ontwerp van Mien Ruys al verloren gegaan door de aanleg van parkeerplaatsen. Na aanleg van de mobiliteitshub wordt het parkeerterrein hersteld in de huidige staat.
Het besluit voldoet aan de kaders voor cultuurhistorie.
Er is vanuit het onderwerp cultuurhistorie aanleiding tot het in stand houden van de regels uit het omgevingsplan. Het betreft een planregel Erfgoed – Waarden cultuurhistorie voor het deel van het wijzigingsgebied bij het koelwaterkanaal.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij archeologie gaat het om instructieregels gericht op het behoud van cultureel erfgoed.
Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen.
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook regels worden gesteld over onder andere de eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Uitgangspunt is dat, als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, het omgevingsplan bepaalt dat die regels niet van toepassing zijn op activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij archeologie gaat het om instructieregels over het cultureel erfgoed.
Artikel 4.12 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen rekening gehouden moet worden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn, waaronder archeologische vindplaatsen.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige cultuurhistorische waarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. Het Zwolse erfgoed met haar archeologische rijkdommen heeft naast de historische en identiteitswaarde een onderscheidende en aantrekkende kracht voor de stad. We richten ons op de instandhouding van en onderzoek naar archeologische waarden. We koesteren het Zwolse erfgoed en zetten het in als één van de leidende en inspirerend principes bij (ruimtelijke) ontwikkelingen.
Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit archeologie is dat:
Beleid archeologie
Het Zwolse beleid zoals verwoord in de vastgestelde beleidsnota voor het Zwols monumenten- en archeologiebeleid (Dynamiek van Oud & Nieuw, 2000) is gericht op de instandhouding van historisch waardevolle objecten, complexen, openbare ruimte en stedenbouwkundige en landschappelijke structuren.
Op 18 augustus 2008 heeft de raad archeologiebeleid vastgesteld. Centraal thema is dat de archeologische waarden waar nodig worden beschermd, zonder dat er meer maatschappelijke lasten in het leven worden geroepen dan noodzakelijk zijn. Het archeologiebeleid Zwolle bevat onder andere de Archeologische Waarderingskaart Zwolle en de Lokale Onderzoeksagenda Archeologie Zwolle (archeologische onderzoeksthema's).
Op basis hiervan is in bestemmingsplannen een beschermende regeling opgenomen. Deze maakt dus deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. De beschermende regels richten zich op activiteiten in gebieden met een archeologische waarde van 50%, 90% en 100%, welke kunnen leiden tot het verstoren van de bodem op een grotere diepte dan 0,5 meter en over een grotere oppervlakte dan 100 m².
Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Zwolle zijn de parkeerplaats en het Provinciehuis aangegeven met een archeologische waarde van 0%. Het plangebied tussen Luttenbergstraat, Buserstraat, Wiecherlinckstraat en Schuurmanstraat heeft een waardering van 50%. In dit plangebied is echter door archeologisch vooronderzoek vast komen te staan dat ook daar geen archeologisch onderzoek nodig is. In 2019 is door Antea Group een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek Boringen (IVO-O) uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat het gebied deels bestond uit stroomruggen, en rivierkomvlaktes en dat vooral het oostelijk deel gekenmerkt werd door dekzand waarbij de mogelijkheid werd geopperd dat hier rivierduinen aanwezig konden zijn. Op de plek van het mogelijk rivierduincomplex zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen kon de archeologische verwachting naar beneden worden gebracht. In het deelgebied met stroomruggen en oeverwallen is in 2020 door ADC Archeoprojecten een vervolgonderzoek (rondom boring 3) uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek (IVO-O). Ook hier kon de archeologische verwachting naar beneden worden bijgesteld.
Kortom er zijn geen archeologische belemmeringen of voorwaarden aan de ontwikkeling verbonden..
Het besluit voldoet aan de kaders voor archeologie.
Er is vanuit het onderwerp archeologie geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
De fysieke leefomgeving heeft alles in zich om een positieve bijdrage te leveren aan gezondheid. Om dat te bewerkstellingen is in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen gekozen voor een brede benadering die uitgaat van beschermen, bevorderen en faciliteren van een betere gezondheid van bewoners en bezoekers van Zwolle. Er zijn meerdere aspecten die de gezondheid van mensen bepalen. In Zwolle vinden we het belangrijk dat die aspecten van betekenis zijn voor de ontwikkeling van Zwolle: 'Zwolle gezond'.
Gezondheid heeft raakvlakken met meerdere thema's, zoals klimaatadaptatie, biodiversiteit en milieu. We stellen 'Zwolle gezond' centraal als leidend principe voor een toekomstbestendig Zwolle. Hiervandaan zoeken we continu naar win-win situaties. We zetten Zwolle gezond in als handvat voor afwegingen in de fysieke leefomgeving.
Daarbij beschouwt Zwolle milieu als een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Milieu is een thema dat van oudsher centraal geregeld is en waarbij in de laatste decennia ook de Europese Unie een grotere rol is gaan spelen. Naast het werken binnen de nationale en Europese kaders op het gebied van milieu krijgen gemeenten ook meer eigen afwegingsruimte om te handelen. Elk gebied is anders, maatwerk en flexibiliteit is daarom nodig. Vanuit dit oogpunt hanteert de gemeente Zwolle onder andere de volgende uitgangspunten:
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij klimaat, energie en circulariteit gaat het om regels over energie en afval.
Afdeling 4.11 van de verordening geeft instructieregels over energie en afval. Het betreft regels gericht op een kwaliteitsimpuls bij zonnevelden, uitsluitingsgebieden voor windturbines, installaties voor onconventioneel gas (schaliegas, steenkoolgas) en opslag van radioactief afval.
Gemeente
Omgevingsvisie
Klimaatadaptie
Kernopgave uit de omgevingsvisie is dat Zwolle in 2050 klimaatbestendig is ingericht en daarmee veilig voor overstromingen en aangepast aan extreem weer. Door het veranderende klimaat is dat een ambitie die impact heeft op de fysieke leefomgeving om ook in de toekomst veilig en beschermt tegen het water te kunnen wonen, ondernemen en recreëren in Zwolle. We benutten en versterken de samenhang in het watersysteem dat bestaat uit verschillende onderdelen.
Ten eerste het hoofdwatersysteem met de hoofdwater-keringen en het regionale watersysteem. Ten tweede de groen- blauwe structuur in de bestaande stad met daarin ruimte voor sponswerking en het tegengaan van hittestress. Onderling zijn de verschillende onderdelen met elkaar verbonden en vormen ze een fysieke onderlegger voor de omgevingsvisie om te komen tot een klimaatbestendig en adaptief Zwolle.
Energieneutraal
Energietransitie betekent de overgang van stroom en warmte uit fossiele brandstoffen, zoals aardgas, kernenergie en steenkolen, naar volledig groene energie, zoals energie uit zon, wind, biomassa, de diepe ondergrond en water. De ontwikkeling naar een duurzame energievoorziening kent twee sporen. Het eerste is het verminderen van het energieverbruik. Het tweede de opwekking van duurzame energie (wind, zon, aardwarmte, waterkracht). Uitgangspunt is dat bij nieuwbouwontwikkelingen en herontwikkelingen deze minimaal energie neutraal zijn en bij voorkeur 'Nul op de Meter' op gebiedsniveau.
Circulariteit
Circulariteit betreft de circulaire economie, welke een essentieel onderdeel vormt van de duurzame ontwikkeling van de stad Zwolle. De circulaire economie is een economie waarin de waarde van grondstoffen zoveel mogelijk behouden blijft. Ook is het niet vanzelfsprekend meer dat producten worden aangeschaft en afgedankt, maar bijvoorbeeld worden gedeeld, gehuurd of geleased.
Nederland wil in 2050 een circulaire economie zijn; een economie zonder afval, waarbij alles draait op herbruikbare grondstoffen. We maken de transitie van onze huidige take-make-waste, lineaire economie naar een circulaire. Voor onze eigen bedrijfsvoering en projecten waar we als opdrachtgever betrokken zijn, geldt dat we een voorbeeldfunctie willen vervullen. We willen de stad en de regio inspireren hoe de transitie naar een circulaire economie te maken.
De ambities op het gebied van circulaire gebiedsontwikkeling worden in de omgevingsvisie al deels vertaald naar de ambities op het gebied van mobiliteit, energie, klimaat, water, natuur inclusief bouwen en nieuwe stedelijkheid. Algemeen uitgangspunt voor een circulaire gebiedsontwikkeling zijn vier principes:
Circulair bouwen gaat om beschermen van grondstoffen, het beschermen van het milieu en het behouden van functionaliteit. Daarvoor zetten we de eerste stappen naar een Zwolse aanpak.
Zwolle stelt een Zwolse standaard op voor het circulair bouwen van nieuwbouw, renovatie en de aanleg en beheer van de buitenruimte. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij landelijke keurmerken en regelgeving.
KEC toets
De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen geeft aan dat bij nieuwe initiatieven altijd een KEC-toets wordt opgesteld. KEC staat voor klimaatadaptatie, energietransitie en circulariteit. We vinden het belangrijk dat bij elke ontwikkeling in de fysieke leefomgeving deze drie thema's integraal afgewogen worden.
Klimaatadaptatie: wonen in het groen. Dringt hittestress terug, stimuleert flora en fauna en gaat samen met water.
Groen en gebouwen zijn in het plan verweven waarbij het groen een zichtbaar onderdeel van de bebouwing wordt. Op verschillende niveaus is het plan in het groen geïntegreerd en is groen in het plan geïntegreerd. 'Wonen in het groen' wordt een tastbare kwaliteit; vanuit de omgeving, in de buitenruimtes en vanuit de interieurs.
Terrassen, loggia's en balkons worden ontworpen als kleine (groene) buitenruimtes met privégebruik. Een bijzondere toevoeging zijn de groene (kop-) gevels. Deze verbinden de groene inrichting van het maaiveld met die van het daklandschap in beeld en in ecologische aspecten. Groene energiedaken en vegetatiedaken dragen bij aan de biodiversiteit en bieden een aangenaam uitzicht vanaf hoger gelegen verdiepingen. Terrassen van de gebouwen bieden ruimte aan architectonisch geïntegreerde beplantingen en balkontuinen.
Het buurtpark krijgt een natuurlijk groen-blauw karakter met een diversiteit aan ruimten (zowel schaduw als zon) en verbijzonderingen in beplanting, waarbij bijzondere bestaande bomen geïntegreerd worden. Water krijgt een centrale rol in het plan door de beleving ervan te stimuleren met specifieke beplantingskeuzes, bijzondere elementen en een leesbare hemelwater afstroom. Een variëteit aan nieuwe boomsoorten wordt toegevoegd waarmee de bestaande natuurwaarden verrijkt worden. De hoven zetten het groene beeld door in een meer besloten setting met een mix van zorgvuldig geplaatste grote bomen, bomenheesters, beplantingen en gazons.
Water als DNA van het plan. Dringt wateroverlast, watertekort en hittestress terug en gaat samen met groen.
Water is een integraal onderdeel van de ontwerpstrategie voor Weezenlanden-Noord. Het is een herkenbare verbinder tussen omgeving, gebouw en gebruiker. In plaats van het regenwater zo snel mogelijk af te voeren, is de strategie in Weezenlanden-Noord om het water op te vangen, te infiltreren en op eigen gebied te hergebruiken. Deze cyclus van het water levert naast een afkoppeling van het regenwaterrioolstelsel ook een bijdrage aan de biodiversiteit en het leefklimaat. Op warme dagen heeft het water een verkoelende werking en kan het hergebruikt worden in de groene hoven. Zo borduurt het plan voort op de Zwolse Adaptatiestrategie met vergroening, terugdringen van hittestress, vergroten van het groenblauwe netwerk en maatregelen voor overstromingsscenario's.
Het plan kent een systeem van waterhuishoudkundige middelen om regenwater op te vangen, vertragen, infiltreren en waar mogelijk te hergebruiken. Daken van een deel van de gebouwen worden voorzien van polderdaken waarmee regenwater opgevangen wordt. De garagedaken onder de hoven worden voorzien van polderdaken met een grotere bergende capaciteit. Bij piekbuien kunnen de gebouwdaken deels overstorten naar het koelwaterkanaal, de ondergrondse infiltratievoorziening en de wadi's in het buurtpark, waar meer capaciteit is. Indien de polderdaken onder de hoven vol zijn, hevelen deze over naar de wadi's in het park.
De waterpeilstijging in de parkwadi's zal rond de 45 cm bedragen. Water in de parkwadi's kan direct of vertraagd infiltreren middels een semi-permeabele wadibodem. Dit laatste kan het mogelijk maken gedurende een langere tijd water in het park zichtbaar en beleefbaar te hebben. Deel van het water zal middels gootjes zichtbaar bovengronds afgevoerd worden naar lagere plandelen zodat de watercyclus afleesbaar en beleefbaar wordt in de publieke ruimte. De groene daken houden water vast dat gebruikt wordt om de beplantingen in droge tijden vochtig te houden. De vloerpeilen van de woningen in de waterkering wordt minimaal NAP +2,65 m en zal als belangrijk element van de waterstructuur in het landschap afleesbaar zijn. Onder of bij deze woningen worden daar waar nodig waterkerende voorzieningen aangelegd die waterveiligheid van de buurt borgen.
Natuurinclusiviteit om flora en fauna in stand te houden.
Het buurtpark wordt ingericht met een combinatie van groen en water. Het maaiveld van het buurtpark zal ingericht worden met een variëteit aan beplantingen voor drogere en vochtigere milieus en zal voor een groot deel een extensief beheer kennen. Hiermee kunnen fourageer- en nestelkansen voor de gewone- en ruige dwergvleermuis, huismus en lokaal aanwezige insectensoorten worden vergroot. Door het buurtpark te verbinden met het naastgelegen stadspark maar ook met het omringende groene netwerk van het Hollandse polderlandschap, ontstaan ecologische verbindingszones voor flora en fauna.
Weezenlanden-Noord heeft tevens groene binnentuinen en dakterrassen die naast dat ze bijdragen aan de groenbeleving en het creëren van een prettige woonomgeving ook bijdragen aan een maximale functionele en ecologische impact. Zo is een deel van de daken ontworpen als extensief weidelandschap met een rijke biodiversiteit aan flora voor lokale insecten en vogels. Deze daken leveren hierdoor een bijdrage aan het ecologische netwerk van de stad.
De mobiliteitshub is een integraal onderdeel van de gebiedsontwikkeling. Dit betekent dat bovengenoemde uitgangspunten voor klimaatadadaptatie, water en natuurinclusiviteit van toepassing zijn voor de mobiliteitshub.
Energietransitie – een energieneutrale ontwikkeling
Een comfortabele woning: een woning moet een fijne plaats zijn om te wonen en te verblijven. Dit geldt voor alle bewoners. Het plan kent daarmee geen verschil in de wijze van aanpak voor de sociale huurwoningen, vrije sector huurwoningen of de koopwoningen. In de woningen wordt goed geventileerd, is een goede balans aanwezig tussen verwarmen in de winter en koelen in de zomer en door toevoegen van extra daglicht is het prettig verblijven. Dit wordt SMART gemaakt door ieder gebouw te toetsen aan het Active House principe. Active House toetst een gebouw op negen aspecten: daglicht, thermisch klimaat, binnenlucht kwaliteit, energievraag, energievoorzieningen, jaarlijkse energieprestatie, milieubelasting, drinkwaterverbruik en duurzaam materiaalgebruik. Op deze manier wordt inzichtelijk gemaakt hoe de onderdelen comfort, energie en milieu scoren. Aangezien dit een redelijk nieuwe manier van werken is wordt ook de GPR berekening toegepast. Het totaal aan gebouwen moet voldoen aan een gemiddelde van GPR = 8. Tevens voldoen de gebouwen minimaal aan de BENG of de op dat moment geldende regelgeving. Daarnaast is er een inspanningsverplichting om te werken naar energie neutraal.
Zwolle hanteert gemeentebreed een bovenwettelijke ambitie voor energieneutrale gebouwen namelijk, Energie Neutrale Gebouwen (ENG) met streven naar Nul-op-de-Meter (NOM). N.a.v. recente inzichten heeft de gemeente Zwolle deze ENG-ambitie deels aangepast. Uit onderzoek komt naar voren dat voor het behalen van deze ENG eis bij gestapelde woningnieuwbouw voor nu niet realistisch is. Daarom wordt stadsbreed de eis energieneutraal voor grondgebonden woningen maar voor de gestapelde woningbouw de lagere de energie-eis ’optimaal’, een eis tussen BENG en ENG in, met een BENG 3 eis van 70% hernieuwbare energie (zie tabel). Het streven is gestapelde bouw op afzienbare tijd ook op BENG 3 100% hernieuwbare energie te brengen en dat tijdig af te spreken.
De warmtevoorziening van de woningen zal aardgasvrij zijn en collectief met behulp van een warmtenet, gevoed door WKO (warmte koude opslag). Om in de elektrabehoefte van de woningen te voorzien worden zonnepanelen. Een deel van het oppervlak van de daken wordt gereserveerd voor zonnepanelen, eventueel in combinatie met groen.
De mobiliteitshub: een grootschalig gebouwde voorziening met parkeerplaatsen en met energievoorzieningen gekoppeld aan het eigen gebruik en de directe omgeving. Het eigen gebruik betreft dan voor de laadmogelijkheden voor vervoer. Voor schone mobiliteit is het noodzakelijk dat er voldoende laadmogelijkheden zijn. Het aantal elektrische auto's neemt in snel tempo toe. In de EU mogen vanaf 2035 geen auto's meer verkocht worden met een verbrandingsmotor. Dit vraagt om een uitgebreide laadinfrastructuur. Om ervoor te zorgen dat nieuw te bouwen mobiliteitshubs klaar zijn voor de toekomst wordt hier bij de bouw al rekening mee worden gehouden. Uitgangspunt is de EPBD IV waarbij verplicht is 20% van de parkeerplaatsen van een laadpunt te voorzien. Het grote aantal laadpalen dat nodig gaat zijn in mobiliteithubs kent de nodige uitdagingen. Vanwege netcongestie kan het voorkomen dat er onvoldoende capaciteit beschikbaar is waardoor het niet mogelijk is om een aansluiting te krijgen. Dit vraagt om slimme oplossingen. We zoeken naar oplossingen die ruimtebesparend zijn, ons minder afhankelijk maken van het net en die piekmomenten kunnen opvangen. Met behulp van opslagsystemen kan zonne-energie uit de omgeving worden opgeslagen om later te worden benut. Hiermee worden pieken op het elektriciteitsnet voorkomen. Deze opslag kan ook een rol spelen voor het gebied waar de mobiliteitshub zich in bevindt. Door inzet van slim laden en een energiemanagementsysteem kan de opgewekte en opgeslagen energie ingezet worden voor het laden van elektrische auto's. Om ruimtegebruik te beperken, onderzoeken we de mogelijkheden om de benodigde infrastructuur zoals transformatorhuisjes in (of de directe omgeving van) de hub op te lossen.
Circulariteit
Circulair bouwen om zuinig om te gaan met grondstoffen.
In Weezenlanden-Noord wordt aandacht gegeven aan de circulariteit door van alle betrokken partners een inspanningsverplichting te vragen. Met betrekking tot circulair bouwen liggen er in het hele ontwikkel- en bouwproces kansen: van zo weinig mogelijk afval na sloop van de bestaande bouw tot de juiste keuzes in het ontwerpproces met duurzame en recyclebare materialen. Door deze inspanning zal in de gehele ontwikkeling, sloop en bouw van Weezenlanden-Noord aandacht besteed worden aan circulariteit. Hierbij zal afstemming plaatsvinden met de gemeente en Cirkelstad Zwolle. Het is de ambitie toe te werken naar een zo laag mogelijke 'milieuprestatie gebouwen' (MPG).
De mobiliteitshub maken we zo duurzaam mogelijk. We maken gebruik van hergebruikte of biobased materialen of andere materialen met een lage milieu impact. Om dit concreet te maken in het ontwerpproces en bij de contractvoorbereiding passen we Het Nieuwe Normaal toe. HNN is de standaard voor circulair bouwen uitgewerkt in drie thema’s:
Het besluit voldoet aan de kaders voor klimaat, energie en circulariteit.
Er is vanuit het onderwerp klimaat, energie en circulariteit aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft:
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij water gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de waterbelangen.
Paragraaf 5.1.3 , artikel 5.37 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het rivierbed van de grote rivieren, moeten bij het toelaten van activiteiten een aantal waarborgen worden opgenomen, gericht op het beschermen van de waterbelangen.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij water gaat het om instructieregels over het water- en bodemsysteem, grondwaterbeschermingsgebieden en watergebiedsreserveringen.
Afdeling 4.4 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Afdeling 4.8 van de verordening geeft instructieregels over omgevingsplannen, waarin onder andere ruimtelijke ontwikkelingen worden toegestaan, in ter bescherming van het grondwater aangewezen gebieden, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie. Het kan gaan om waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones, intrekgebieden en boringsvrije zones.
Afdeling 4.9 van de verordening geeft instructieregels over aangewezen watergebiedsreserveringen waarin onder andere ruimtelijke ontwikkelingen worden toegestaan. Gericht op het beperken van negatieve gevolgen van overstromingen en wateroverlast in gebieden die een verhoogd risico lopen om onder water te lopen. Het kan gaan om primaire watergebieden, waterbergingsgebeden, overstromingsrisicogebieden, en overstroombaar gebied.
Waterschap
Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Kadernotitie Stedelijk Water, beleid inrichting beheer en onderhoud op maat en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Het beleid van het waterschap sluit nauw aan bij de uitgangspunten van WB21.In 2021 is de Kadernotitie Stedelijk Water vastgesteld. Deze notitie beschrijft de voor het waterschap gewenste situatie in bestaand en nieuw stedelijk gebied. Om deze situatie te bereiken heeft het waterschap in 2015 het beheer en onderhoud van deze wateren overgenomen van de gemeente Zwolle.
Op watergangen en keringen van Waterschap Drents Overijsselse Delta is de waterschapsverordening van het waterschap Drents Overijsselse Delta van toepassing. In de waterschapsverordening zijn regels gesteld wat wel en niet mag bij o.a. watergangen, waterkeringen, kernzones en bijvoorbeeld lozingen.
Gemeente
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen geeft als aandachtspunt het belang van het in stand houden van in de omgeving aanwezige waterstaatkundige functies. Paragraaf 8.1 van deze motivering geeft het kader voor water vanuit het perspectief van klimaat.
Beleid water
Gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van afvalwater, grondwater en hemelwater vastgelegd in het Gemeentelijke Riolerings Programma 2022-2026. Hier staan ook ontwerprichtlijnen in beschreven waaraan voldaan moet worden.
De door de raad vastgestelde Hemelwaterverordening 2023 geeft, met het oog op het beperken van wateroverlast en het verminderen van droogteschade, regels over het afvoeren en opvangen van hemelwater bij het bouwen van een bouwwerk en bij het aanleggen of vervangen van verhard oppervlak. Deze verordening maakt deel uit van het omgevingsplan van rechtswege.
Het gebied Weezenlanden Noord, ten oosten van het centrum, wordt de komende jaren verder ontwikkeld. In het kader van deze ontwikkelingen zal er een tweetal activiteiten plaatsvinden. Zo zullen de reeds geplande woningen, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan uit 2022, worden opgehoogd met extra woonlagen bedoelt voor appartementen. Voor de ontwikkeling hiervan zal geen nieuw verhard oppervlak worden gerealiseerd ten opzichte van het vorige bestemmingsplan
Als tweede activiteit is er een ondergrondse parkeergarage gepland die deels onder de Luttenbergstraat en onder de bestaande parkeerplaats van het provinciehuis komt te liggen, hier zal vanaf nu naar worden verwezen als de mobiliteitshub. Deze mobiliteitshub valt binnen de uitwerking van de omgevingsvisie van Zwolle waarbij langs de randen van de stad multifunctionele mobiliteitshubs worden gerealiseerd om de mobiliteit en bereikbaarheid van bedrijven en het centrum te vergroten en tegelijkertijd de auto uit het centrum gebied te faseren. Het belang van deze strategisch gelegen mobiliteitshub is daarom groot.
Er is gekozen voor een variant waarbij de parkeergarage geheel ondergronds ligt waardoor op maaiveld meer ruimte is voor groen. Deze dient als basis voor de onderliggende waterparagraaf.
Er is een memo Waterparagraaf Weezenlanden Noord opgesteld (8 juli 2025) welke als bijlage is toegevoegd. In de memo wordt ingegaan op:
In vooroverleg met het Waterschap is vastgesteld dat een onderbouwing van de locatiekeuze noodzakelijk is om de mobiliteitshub (gedeeltelijk) binnen beschermingszone A te realiseren. Bij het haalbaarheidsonderzoek in 2023 (locatieonderzoek) en de verplaatsing naar de Luttenbergstraat/parkeerterrein van het provinciehuis (2024) is het waterbelang niet expliciet bij de locatiekeuze meegenomen. In de latere uitwerking is in afstemming met het Waterschap een aanvullende onderbouwing van het waterbelang toegevoegd. Hierbij is ook beoordeeld of een verschuiving van de mobiliteitshub in zuidwestelijke richting mogelijk is waardoor niet in de A-zone wordt gebouwd. Naar aanleiding hiervan heeft een beperkte verschuiving van de mobiliteitshub plaatsgevonden buiten de contour van het waterstaatwerk. Een deel van de mobiliteitshub blijft wel in de A-zone omdat de mobiliteitshub anders te dicht op de entree van het gerechtsgebouw komt. Dit is niet toegestaan in verband met de eisen die worden gesteld aan de bereikbaarheid en veiligheid van het gerechtsgebouw. Verschuiving richting het provinciehuis is niet mogelijk vanwege de bestaande fietsparkeergarage en de toegankelijkheid van het provinciehuis.
Locatie ten opzichte van beschermingszones
Bij de weging van het waterbelang voor het planvoornemen wordt het volgende geconcludeerd:
Het besluit voldoet aan de kaders voor water.
Er is vanuit het onderwerp Water aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft het opnemen van:
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij bodemkwaliteit gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de gezondheid en het milieu.
Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij bodemkwaliteit gaat het om instructieregels over het water- en bodemsysteem en bodembescherming.
Afdeling 4.4 van de verordening geeft aan dat In omgevingsplannen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Paragraaf 4.12.2 van de verordening geeft instructieregels over bodembescherming. Gericht op een zorgvuldige aanpak van bodemverontreinigingen die risico's opleveren voor de mens en leefomgeving; en van bodemverontreiniging in waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones. Het geeft onder andere instructieregels voor gemeenten over activiteiten met mogelijke risico's voor de kwaliteit van het grondwater en in het bijzonder voor de kwaliteit van het grondwater in of nabij waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones.
Gemeente
Omgevingsvisie
Vaak door historisch gebruik en bedrijfsactiviteiten is op verschillende plekken in Zwolle de bodem verontreinigd geraakt. Daarom hebben we de afgelopen jaren veel van deze verontreinigingen aangepakt door ze te saneren en/ of gebiedsgericht te beheren. Hierdoor zijn eventuele risico's voor mens en dier weggenomen. Nieuwe bodemverontreiniging willen we voorkomen, en als dit toch gebeurt dan moet deze verontreiniging zoveel mogelijk worden beperkt dan wel ongedaan worden gemaakt door de vervuiler. Daarnaast stimuleren we het hergebruik van grond die vrijkomt binnen de stad en geschikt is om elders toe te passen.
De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen geeft aan dat Zwolle In de komende jaren in de (ondiepe) ondergrond te maken krijgt met een aantal grote ontwikkelingen en opgaven, zoals de klimaatopgave, de energietransitie en de verstedelijkingsopgave. Met de ondergrond willen we de verdere duurzame ontwikkeling van Zwolle mogelijk maken en de opgaves ondersteunen. De bijdrage van de ondergrond aan duurzame ontwikkeling richt zich op: een gezonde leefomgeving, de energietransitie, klimaatadaptatie en de netwerklaag. De netwerklaag is de ondiepe ondergrond met de kabels en leidingen.
Bodembeleid
Op 9 december 2008 heeft de gemeente Zwolle een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld, waarop voor de hele gemeente wordt aangegeven welke functie de bodem heeft of welke functie in de toekomst wordt nagestreefd. De functieklassenindeling is gebaseerd op het gebiedsgericht milieubeleid van de gemeente. De volgende functies worden onderscheiden: wonen, industrie, water, landbouw/natuur, buitendijks gebied, AW2000 ('schone grond') en hoofdwegen. Het Bodembeleidsplan (2017) kent in overeenstemming met het gemeentelijk milieubeleid een gebiedsgerichte benadering. Volgens het gemeentelijke Bodembeleidsplan mag de Bodemkwaliteitskaart (2021) als kwaliteitsbewijs worden gebruikt bij het ontwikkelen van een locatie. Een onderzoek is dan niet nodig.
Het plan voorziet in de bouw van een bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Het wijzigingsgebied is onderzocht. Er moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem.
Woningbouw
Bij het in 2022 vastgestelde bestemmingsplan Weezenlanden Noord is bodemonderzoek uitgevoerd voor de woningbouwlocatie (Historisch onderzoek en verkennend asbestonderzoek Weezenlanden-noord Zwolle, Antea Group, 0454725-100, d.d. 29 mei 2019, zie bijlage). Dat onderzoek geeft de volgende conclusie.
Uit het historisch onderzoek blijkt dat de locatie tot 1965 een agrarisch karakter heeft gehad en bestond uit grasland. Na deze periode is het terrein bebouwd met de flats die momenteel nog op de locatie staan. Voor de bouw zijn twee sloten gedempt die over de locatie liepen. Aan de westzijde van het perceel hebben twee HBO-tanks gelegen welke in het verleden reeds zijn verwijderd.
Op het terrein zijn voor zover bekend geen eerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. Wel zijn verschillende bodemonderzoeken in de omgeving verricht. Daaruit blijkt dat ten noorden van het plangebied in de grond sterke verontreinigingen met zink en PAK zijn aangetoond. Deze hangen samen met de bijmengingen met kooltjes in de grond. Deze bijmengingen zijn niet aangetroffen binnen het plangebied tijdens het onderzoek door Antea Group. Ten westen en zuiden van de onderzoekslocatie zijn bijmengingen met puin aangetroffen. Hier zijn geen gehalten boven de achtergrondwaarden aangetoond.
De locatie wordt als asbestverdacht aangemerkt omdat er aanwijzingen zijn voor bodembelastende activiteiten waarbij asbest op of in de bodem terecht kan zijn gekomen. Het gaat om de aanwezige gebouwen die gebouwd zijn in de asbestverdachte periode (1945 – 1978) en twee slootdempingen.
Uit het verkennend asbestonderzoek blijkt dat in de bovengrond (eerste halve meter) zwakke bijmengingen met puin zijn aangetroffen. Ter plaatse van de slootdempingen is geen dempingsmateriaal aangetroffen, de betreffende boringen zijn wel gestaakt op 2,0 m-mv. Er is geen verder onderzoek verricht naar deze gestaakte boringen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouw dient dit nader onderzocht te worden.
Uit de analyseresultaten van de onderzochte grondmonsters blijkt dat hierin geen asbest is aangetroffen (alle analyses <detectiegrens).
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat voor de te verwachten algemene bodemkwaliteit uit kan worden uitgegaan van de bodemkwaliteitskaart. Op basis daarvan worden licht tot maximaal matig verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK verwacht (klasse industrie). Uitgezonderd de verdachte locaties (HBO-tanks en slootdempingen) is deze conclusie juist.
De bodemkwaliteit op de locatie is naar verwachting geschikt voor het beoogde gebruik. Ten behoeve van het verkrijgen van de omgevingsvergunning bouwen dient een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 te worden uitgevoerd. Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de locaties van de gestaakte boringen bij de slootdemping en de (voormalige) HBO-tanks.
De aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Op basis van de getoetste informatie is voldoende bekend en is de conclusie dat de te verwachten bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van het plan niet belemmert.
Bovengenoemd onderzoek is ouder dan 2 jaar, maar een gedeelte van de woningbouwlocatie is al gerealiseerd en na de onderzoeken en het bouwrijp maken van de locatie zijn er geen andere activiteiten geweest. Er is daarna niets met de bodem gedaan wat de kwaliteit kan verslechteren.
Mobiliteishub
Ter plekke van de mobiliteitshub is een bodemonderzoek uitgevoerd (Milieukundig bodemonderzoek Luttenbergstraat 2 te Zwolle, Mateboer, projectnummer BO244336-02/CWB, 31 januari 2025, zie bijlage). Dit onderzoek geeft de volgende conclusie.
De kwaliteit van de bodem ter plaatse van de Luttenbergstraat 2 te Zwolle is met behulp van het milieuhygiënisch onderzoek voldoende vastgesteld.
Verkennend onderzoek NEN 5740
In geen van de onderzochte grondmonsters zijn overschrijdingen van interventiewaarden aan onderzochte componenten aangetoond. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van de signaleringsparameters aangetoond. De concentratie ijzer in het grondwater ter plaatse van peilbuis 26 bedraagt 4.700 µg/l. Het gemeten redoxpotentiaal ter plaatse van peilbuis 26 bedraagt -102,6 mV. De PFAS-gehalten in de grond overschrijden de toepassingswaarden uit het Handelingskader niet, behoudens toepassing in grondwaterbeschermingsgebied.
Indicatieve toetsing resultaten Regeling bodemkwaliteit
Uit de indicatieve toetsing aan de Regeling bodemkwaliteit (2022) voldoet de grond aan de bodemkwaliteitsklasse 'Landbouw/natuur' en 'Wonen'.
Verkennend onderzoek asbest in puin NEN 5897
Visueel en analytisch is geen asbest aangetoond. De werkzaamheden ter plaatse van de onderzoekslocatie dienen overeenkomstig de CROW 400 uitgevoerd te worden conform de veiligheidsklasse “Basishygiëne”.
Gezien de aard en de gehalten van de aangetoonde parameters is de conclusie dat de resultaten van het bodemonderzoek geen aanleiding geven tot nader onderzoek en geen milieuhygiënische belemmering vormen voor de werkzaamheden en de aanleg van een ondergrondse parkeervoorziening.
Het besluit voldoet aan de kaders voor bodemkwaliteit.
Er is vanuit het onderwerp bodemkwaliteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij milieuzonering gaat het om instructieregels over geluid van activiteiten,gericht op de bescherming van de gezondheid en het milieu.
Paragraaf 5.1.4.2 Bkl geeft instructieregels bij het in een omgevingsplan toelaten van:
Geacht wordt in een omgevingsplan rekening te houden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geluidgevoelig gebouw en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan kan, gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie, andere waarden bevatten dan de standaardwaarden. Dit mag niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden.
Een omgevingsplan bepaalt dat in het Bkl benoemde activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken niet worden verricht. Een omgevingsplan bepaalt verder dat de waarden die het omgevingsplan bevat voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten niet van toepassing zijn op onversterkt menselijk stemgeluid (tenzij muziekgeluid of daarmee vermengd) en hulpdienstvoertuigen. Het Bkl bevat een aantal mogelijkheden tot flexibiliteit, waarmee onder bepaalde omstandigheden en criteria in het omgevingsplan afgeweken kan worden van de standaardwaarde.
Gemeente
Omgevingsvisie
Zwolle beschouwt in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen milieu als een integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving. Milieuruimte is niet fysiek zichtbaar maar van groot belang om de bewoners, werkers en bezoekers van Zwolle te beschermen tegen de nadelige effecten van een groeiende en verdere verstedelijking van de stad van bijvoorbeeld de nadelige effecten op de gezondheid van werklocaties, infrastructuur en energiewinning. Aan de andere kant hebben bijvoorbeeld werklocaties maar ook energiewinning voldoende milieuruimte nodig om optimaal te kunnen functioneren en zich te kunnen ontwikkelen. Het betekent overigens niet dat ontwikkelingen of gebruik door kwetsbare functies binnen de zones uitgesloten worden, er dient wel rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de milieuruimte (en de bijbehorende belangen).
Er zijn functies die geluidshinder veroorzaken, zoals bedrijvigheid en verkeer, en functies die gevoelig zijn voor geluid, zoals wonen, onderwijs en zorg. De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen stelt dat de voortdurende balans tussen het behouden van geluidsruimte voor geluidshinder veroorzakende functies enerzijds en het waarborgen van de leefbaarheid in gebieden met geluidsgevoelige functies anderzijds in de toekomst een belangrijke afweging blijft om bij plan- en beleidsvorming mee te nemen.
Rondom de belangrijkste werkgebieden van Zwolle liggen geluidzones. Deze geluidzones hebben als doel de bewoners te beschermen tegen het geluid van de bedrijven. De bedrijven hebben deze geluidruimte nodig om te werken en geen overlast te veroorzaken naar omwonenden. Deze geluidzones behouden we en worden gerespecteerd bij ruimtelijke ontwikkelingen omdat ze van belang zijn voor de economische ontwikkeling en een gezond leefklimaat.
Milieuzonering
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang tot een aanvaardbaar woon-en leefmilieu te komen. Milieuzonering speelt daarbij een rol. Milieubelastende functies kunnen invloed hebben op het woonmilieu in de omgeving van die functie. En milieugevoelige functies, zoals wonen, kunnen gevolgen hebben op de voor de milieubelastende functies benodigde milieuruimte.
Binnen de gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord en in de directe omgeving komen zowel milieugevoelige als milieubelastende functies voor. Deels gaat het om al bestaande en/of vergunde activiteiten, deels om planologisch al toegestane activiteiten en deels om nieuwe activiteiten.
Bij het bestemmingsplan Weezenlanden Noord uit 2022 is de gebiedsontwikkeling al beoordeeld op milieuzonering. Dit op basis van het (beoogde) leefmilieu voor het gebied, wat gericht is op een levendig gebied met ruimte voor wonen, voorzieningen en verblijf. Conclusie uit deze nog recente beoordeling was dat de beoogde functiemenging binnen het gebied aanvaarbaar is en de woningen en commerciële, recreatieve en maatschappelijke voorzieningen met elkaar verenigbaar zijn. De beoogde voorzieningen zijn zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het bouwbesluit voor de scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.
Bij de beoordeling is ook, vanuit milieuzonering, getoetst op de gevolgen van de gebiedsontwikkeling op functies in de omgeving. Zowel de interne als externe werking is beoordeeld. Met name op basis van de aard van en afstand tussen de de functies en op het feit dat de omgeving al een gemengd karakter heeft. Geconcludeerd is dat de nieuwe functies binnen het plangebied passen in de omgeving. De weinig mileubelastende activiteiten binnen de gebiedsontwikkeling tasten het woon- en leefklimaat in de omgeving niet onevenredig aan. De nieuwe milieugevoelige functies binnen de gebiedsontwikkeling ondervinden geen hinder van bestaande, weinig milieubelastende, functies in de omgeving. En vormen geen belemmering voor de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van die functies.
Het bestemmingsplan Weezenlanden Noord laat de gebiedsontwikkeling al toe, bestaande uit onder andere 502 woningen, met bijbehorende parkeergarages, en de volgende voorzieningen: detailhandel, horeca, seats to meet, maatschappelijke voorzieningen en een sportschool, met een maximum vloeroppervlak van gezamenlijk 2.251 m2. Dit binnen twee ruime, flexibel bestemde vlakken.
De gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord is momenteel, op basis van het bestemmingsplan Weezenlanden Noord, in uitvoering. Inmiddels is een fors deel van de ontwikkeling gereliseerd en/of vergund en kan dan ook als een bestaande situatie aangemerkt worden. Alleen de woningbouw en voorzieningen in het oostelijke woonblok (met uitzondering van gebouw M) moeten nog vergund en gerealiseerd worden.
Met de nu voorliggende wijziging van het ommgevingsplan wordt het toegestane aantal woningen verhoogd naar 603 en wordt een mobiliteitshub (incl. bijbehorende voorzieningen) toegestaan. De extra woningen worden met name gerealiseerd door het toevoegen van bouwlagen op enkele al voorziene, planologisch toegestane woonappartementgebouwen in het oostelijke woonblok. Deze wijzigingen geven geen aanleiding om een andere conclusies te trekken over de aanvaardbaarheid van de gebiedsontwikkeing als geheel, wat betreft milieuzonering. De wijzigingen passen bij de beoogde functiemenging van het gebied. Het betreft een gebiedstype centrum stedelijk. Ze passen naar aard bij de al toegestane functies.
Geluid activiteiten
Vanuit milieuzonering is bij deze wijziging van het omgevingsplan met name geluid door activiteiten relevant. Met de inwerking treding van de Omgevingswet heeft geluid door activiteiten een prominentere positie gekregen bij het omgevingsplan.
Het (tijdelijke) Omgevingsplan gemeente Zwolle bevat normen voor geluid door activiteiten in bestaande situaties. Het Bkl bevat een instructieregel over geluid door activiteiten in nieuwe situaties. Dit is aanleiding geweest om onderzoek uit te voeren. Het betreft: Omgevingsplan Weezenlanden Noord 2025 Oostelijk woonblok en Mobiliteitshub Geluid door ativiteiten (Alcedo, kenmerk 23-10089.R03.V05, 29 augustus 2025). Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd.
De focus van het onderzoek ligt bij het met deze wijziging van het omgevingsplan toelaten van de nog niet bestaande, vergunde woningbouw en voorzieningen (met name het oostelijke woonblok met uitzondering van gebouw M) en de mobiliteitshub. Het geluid is getoetst aan de richtwaarde voor 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties', het gemeentelijk geluidsbeleid en de instructieregels in hoofdstuk 5 van het 'Besluit kwaliteit leefomgeving' (Bkl).
Uit het onderzoek komt onder andere het volgende naar voren:
Oostelijke woonblok van omgevingsplan Weezenlanden-Noord, langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
Oostelijke woonblok van omgevingsplan Weezenlanden-Noord, maximale geluidniveaus
Andere geluidgevoelige functies in de omgeving van het plan: Westelijke woonblok, gerechtsgebouw en provinciehuis
De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus vanwege de activiteiten binnen het oostelijke woonblok zijn berekend ter plaatse van de andere geluidgevoelige functies in de omgeving. Er wordt voldaan aan de waarden.
Op basis van bovenstaande is rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Zo voldoet ondermeer de mobiliteitshub (inclusief in/uitrit) aan de standaardwaarden uit het Bkl. Met het opnemen van specifieke planregels wordt dit geborgd.
Het besluit voldoet aan de kaders voor milieuzonering / geluid activiteiten. Dit met uitzondering van de beoogde buitenruimte behorende bij een kinderdagverblijf. Met geluidreducerende maatregelen kan mogelijk alsnog worden voldaan.
Er is vanuit het onderwerp milieuzonering / geluid door activiteiten aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft de volgende:
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij geluid gaat het om instructieregels over geluid door:
gericht op de bescherming van de gezondheid en het milieu.
Geluid door aciviteiten is behandeld in paragraaf 8.4.
Paragraaf 5.1.4.2a Bkl betreft geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Deze is van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan en dat geheel of gedeeltelijk ligt in een geluidaandachtsgebied van:
Er zijn meerdere subparagrafen:
Geluid door industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden:
Bij omgevingsplan kunnen omgevingswaarden worden vastgesteld. Bij omgevingsplan worden in ieder geval als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vastgesteld rondom industrieterreinen waar in het Bkl bepaalde activiteiten kunnen worden verricht die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. De begrenzing van een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, wordt vastgelegd in het omgevingsplan. En een omgevingsplan bevat regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds.
Geluid door wegen en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds als omgevingswaarden:
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen en spoorwegen op bestaande en toegelaten geluidsgevoelige gebouwen. Daarbij wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door de (spoor)weg op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een omgevingsplan dat de aanleg of wijziging (zoals gedefinieerd in art. 5.78 j Bkl) van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg toelaat, voorziet erin dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de respectievelijke standaardwaarden. Als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen kan een omgevingsplan meer geluid dan de grenswaarden toelaten.
Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden
Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierbij dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld te worden. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat voorziet erin dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Hieraan wordt voldaan door toepassing te geven aan de standaardwaarden. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. Een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, kan onder voorwaarden erin voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de standaardwaarde, mits niet hoger dan de bepaalde grenswaarde. In bepaalde omstandigheden kan een omgevingsplan erin voorzien dat de grenswaarde wordt overschreden (o.a. bij vervangende nieuwbouw, functiewijziging, zwaarwegende belangen).
Indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer
Een omgevingsplan dat een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een (spoor)weg voorziet erin dat het geluid door die (spoor)weg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt als gevolg van die toename van de verkeersintensiteit. Onder voorwaarden kan zo'n omgevingsplan erin voorzien dat het geluid met meer dan 1,5 dB toeneemt, mits niet hoger dan de bepaalde grenswaarde. Zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen kunnen aanleiding zijn meer geluid dan de grenswaarde toe te laten.
Indirecte akoestische effecten van wijziging in de geluidoverdracht
In een omgevingsplan, dat een wijziging in de geluidoverdracht in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg en industrieterrein toelaat welke gevolgen heeft voor die geluidoverdracht, wordt voor geluidgevoelige gebouwen die als gevolg van die wijziging een significante toename van geluid ondervinden bepaald of geluidbeperkende of -werende maatregelen worden getroffen.
Gemeente
Omgevingsvisie
Er zijn functies die geluidshinder veroorzaken, zoals bedrijvigheid en verkeer, en functies die gevoelig zijn voor geluid, zoals wonen, onderwijs en zorg. De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen stelt dat de voortdurende balans tussen het behouden van geluidsruimte voor geluidshinder veroorzakende functies enerzijds en het waarborgen van de leefbaarheid in gebieden met geluidsgevoelige functies anderzijds in de toekomst een belangrijke afweging blijft om bij plan- en beleidsvorming mee te nemen.
Geluid speelt een belangrijke rol rondom de infrastructuur, waarbij met name de A28 een belangrijke rol speelt. Ook het verkeer op de ring van Zwolle is een belangrijk aandachtspunt voor de leefgebieden rondom deze infrastructuur. In het invloedgebied van de belangrijkste infrastructuur zal bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden worden met geluid om de leefbaarheid in de gebieden en de gezondheid van bewoners te waarborgen.
Beleid Geluid
In de door de gemeenteraad vastgestelde 'Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle' (juli 2007) en in de beleidsregel 'Hogere waarden Wet geluidhinder' (9 februari 2007) worden de ambities en de grenswaarden per gebiedstype genoemd.
Er is onderzoek uitgevoerd naar het geluid van wegen. Het betreft: Omgevingsplan Weezenlanden Noord 2025 Oostelijk woonblok (Alcedo, kenmerk 23-10089.R04.V04, 18 augustus). Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd.
Het wijzigingsgebied en de omgeving daarvan wordt blootgesteld aan geluid van gemeentelijke wegen. Doel van het onderzoek is het beoordelen van het geluid van gemeentewegen op de nieuw te realiseren woningen in de plansituatie. Voor de wijziging van de Luttenbergstraat is een reconstructietoets uitgevoerd en is het indirecte effect beschouwd.
Nieuwe woningen
Uit het onderzoek blijkt dat bij een groot deel van de woongebouwen wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Bij de gebouwen J, K1, K2 en M, met direct zicht op de Luttenbergstraat wordt niet voldaan aan de standaardwaarde. Het geluid afkomstig van gemeentewegen bedraagt hier ten hoogste 57 dB. Hiermee wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 70 dB. Omdat het treffen van maatregelen onvoldoende effectief is om de overschrijdingen weg te nemen of stuit op bezwaren, resteert het afwijken van de standaardwaarde voor het geluid van gemeentewegen. Voorwaarde hierbij is dat eisen ten aanzien van het binnenniveau in de geluidgevoelige functie gewaarborgd zijn.
Wijziging van de Luttenbergstraat
Uit de reconstructietoets blijkt dat vrijwel overal de toename van het geluid in de plansituatie ten opzichte van de huidige situatie minder dan 0 dB bedraagt. Op de rekenpunten waar wel een toename wordt berekend, is het geluid van gemeentewegen lager dan de standaardwaarde van 53 dB. Conform art. 5.78m van het Bkl is deze situatie toelaatbaar.
De toename van het geluid buiten het te wijzigen wegdeel (indirecte effecten) in de plansituatie ten opzichte van de autonome situatie bedraagt ten hoogste 0,35 dB. Dit is lager dan het, volgens art 5.78af, toegestane indirect akoestisch effect tot en met 1,5 dB. Daarmee is het indirecte effect toelaatbaar.
In algemene zin wordt opgemerkt dat met de herinrichting van de Luttenbergstraat de geluidsituatie verbeterd ten opzichte van de huidige en autonome situatie. Vrijwel overal is in de plansituatie sprake van een afname van het geluid.
Gezamenlijk geluid
Om het afwijken van de standaardwaarde mogelijk te maken dient het gezamenlijk geluid op de woningen te worden vastgelegd in het omgevingsplan. In deze situatie betreft dit gezamenlijk alleen het geluid van gemeentewegen. Het gezamenlijk geluid bedraagt binnen het plangebied ten hoogste 57 dB.
In de volgende tabel is per gebouw het gezamenlijk geluid en de benodigde gevelwering om te voldoen aan de eisen ten aanzien van het binnenniveau gegeven. Gebouw M is al vergund, hiervoor hoeven geen waarden te worden opgenomen in het omgevingsplan. Daarom zijn voor gebouw M geen waarden genoemd in de tabel.
In de volgende figuur is het gezamenlijk geluid op de gevels van de gebouwen weergegeven.
Het besluit voldoet aan de kaders voor geluid verkeer.
Er is vanuit het onderwerp geluid aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan ter plekke van de beoogde nieuwbouw van geluidgevoelige gebouwen. Het betreft:
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij luchtkwaliteit gaat het om instructieregels gericht op de kwaliteit van de buitenlucht.
Paragraaf 5.1.4 Bkl geeft onder andere aandachtsgebieden aan waarbinnen omgevingswaarden over stikstofdioxide en fijnstof in acht moeten worden genomen. Onder meer bij het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl. Dit is in ieder geval zo bij het toelaten van onder andere gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
1°. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of
2°. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.
Naast de externe werking van nieuwe initiatieven op de luchtkwaliteit in de omgeving is ook de interne werking van de luchtkwaliteit in de omgeving op nieuwe initiatieven van belang. Relevant bij deze interne werking zijn de in paragraaf 2.2.1 Bkl opgenomen omgevingswaarden.
Gemeente
Omgevingsvisie
Zwolle wil aldus de Omgevingsvisie, binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit.
Er is onderzoek uitgevoerd naar de interne en externe werking van de luchtkwaliteit. Het betreft: Luchtkwaliteitsonderzoek Zwolle, Weezenlanden Noord, BJZ.NU, projectnummer 2023-591, april 2025 (zie bijlage). Conclusie uit het onderzoek is als volgt.
Het plan zelf draagt aan de luchtverontreiniging niet in betekenende mate bij.
De emissie van stikstofdioxide en fijnstof door de wegen is achterhaald door middel van verkeersgegevens uit de CIMLK kaart. Met een model is de immissie op het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de regels uit het Bkl en de Omgevingsregeling met bijbehorende bijlagen. De berekende stikstofdioxideimissie bedraagt ten hoogste 15,3220 ìg/m3. De berekende fijnstofimissie voor PM10 bedraagt ten hoogste 14,36 ìg/m3. Voor PM2,5 is het hoogste berekende rekenresultaat 7,4681 ìg/m3. Voor NO2 geldt dat het 24-uursgemiddelde 0 keer per jaar wordt overschreden. Voor PM10 geldt dat het 24-uursgemiddelde 6 keer per jaar wordt overschreden. Uit het onderzoek blijkt dat er voldaan wordt aan de normen vanuit het Bkl. Voor de concentratie NO2 en PM2,5 is de verwachting dat over een aantal jaar zal worden voldaan aan het advies van de WHO. Voor PM10 is dit al het geval.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Het besluit voldoet aan de kaders voor luchtkwaliteit.
Er is vanuit het onderwerp luchtkwaliteit geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij trillingen gaat het om instructieregels gericht op het beschermen tegen negatieve effecten door trillingen.
Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig.
Geacht wordt in een omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten en herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten. Onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden kan het omgevingsplan een hogere grenswaarde bevatten, mits de grenswaarden niet worden overschreden. Lagere waarden zijn ook mogelijk. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan ook meer trilling worden toegestaan dan de grenswaarden.
Gemeente
Omgevingsvisie
Trillingen treden op als gevolg van met name spoorvervoer. Deze kunnen in sommige gevallen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en -schade te voorkomen houden we rekening met dit aspect bij ontwikkelingen binnen 200 meter van het spoor.
Trillingen kunnen afkomstig zijn van verkeer, bouwactiviteiten, industriële processen, of andere bronnen, en kunnen negatieve gevolgen hebben voor de leefomgeving en de gezondheid van mensen. Daarom deze beoordeling.
1. Inventarisatie van bronnen
Identificeer en inventariseer de bronnen van trillingen in het gebied. Dit kan onder andere verkeer (weg, spoor), industriële activiteiten, bouwprojecten, en machines omvatten.
2. Normen en richtlijnen
Maak gebruik van bestaande normen en richtlijnen voor trillingen. In Nederland zijn bijvoorbeeld de SBR-richtlijnen (Stichting Bouwresearch) relevant. Deze richtlijnen geven grenswaarden voor trillingen om schade en hinder te beperken.
Gezien bovenstaande constatering, is nader onderzoek niet meer relevant en noodzakelijk.
3. Onderzoek en metingen
Voer trillingsonderzoeken en -metingen uit om de huidige situatie in kaart te brengen. Dit kan door middel van trillingsmetingen op strategische punten in het plangebied. Vergelijk de meetwaarden met de normen om de mate van hinder of schade te bepalen.
Gezien bovenstaande constatering, is nader onderzoek niet meer relevant en noodzakelijk.
4. Risicobeoordeling
Beoordeel de risico's van trillingen op gebouwen, infrastructuur, en de gezondheid van bewoners. Overweeg zowel structurele schade aan gebouwen als hinder voor bewoners (slaapstoornissen, stress, etc.).
Gezien bovenstaande constatering, is nader onderzoek niet meer relevant en noodzakelijk.
Het besluit voldoet aan de kaders voor trillingen.
Er is vanuit het onderwerp trillingen geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij geur gaat het om instructieregels gericht op het beschermen van de gezondheid en het milieu.
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten.
Gemeente
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Mijn Zwolle van Morgen geeft aan dat het thema geur met name in het landelijk gebied speelt en een aandachtspunt is bij de verdere functiemenging van dit gebied en de verweving tussen stad en land. We zoeken naar de juiste balans tussen bedrijven met geurhinder en bescherming van geurgevoelige functies anderzijds.
Het wijzigingsgebied is gelegen in stedelijk gebied. Er zijn geen agrarische bedrijven of andere geurhinder veroorzakende bedrijven in de directe omgeving.
Dit wijzigingsbesluit laat in de plint van woongebouwen in beperkte mate horeca (verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken) toe. Het omgevingsplan (art 22.196 en 22.199) bevat al regels omtrent de geur voor niet-industriële voedselbereiding. Aannemelijk is dat daar aan voldaan kan worden bij de genoemde horeca.
Het omgevingsplan geeft ook regels vanuit het belang van lucht en geur voor het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage (paragraaf 22.3.20). Dit wijzigingsbesluit laat parkeergarages binnen de woonblokken en een mobiliteitshub toe. Aannemelijk is dat bij deze voldaan kan worden aan de regels hieromtrent uit paragraaf 22.2.30.
Het besluit voldoet aan de kaders voor geur.
Er is vanuit het onderwerp geur geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij externe veiligheid gaat het om instructieregels gericht op het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 5.2 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden dient te worden met: het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening.
Paragraaf 5.1.2 Bkl geeft instructieregels als met een omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden toegestaan. Dit in verband met externe veiligheidsrisico van toegelaten activiteiten in de omgeving, zoals:
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen.
Paragraaf 4.10.4 van de verordening geeft instructieregels, voor omgevingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken, over externe veiligheid. Gericht op het beperken van negatieve effecten op de woon-, werk- en leefomgeving bij calamiteiten bij transport over wegen van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. En gericht op het kunnen blijven functioneren van essentiële functies en gebouwen in het geval van een crisis, ramp of andere calamiteit.
Gemeente
Omgevingsvisie
Externe veiligheid betreft de risico's als gevolg van het vervoer, de opslag en het werken met gevaarlijke stoffen. In Zwolle zijn met name de hoofdtransportassen door de stad van belang. Het gaat om de A28 en het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn. Bij de ontwikkeling rondom de genoemde assen, bedrijven en activiteiten houden we rekening met de risico's door de functies die daar worden toegestaan door middel van onder andere de afstand en de mogelijkheden voor ontvluchting en bestrijding. De gemeente Zwolle garandeert daarbij de basis-veiligheid voor haar inwoners. Onder basisveiligheid in het kader van externe veiligheid wordt verstaan:
Beleid externe veiligheid
Op 20 januari 2009 heeft het college van B & W het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico.
Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen. Een afwijkend gebiedstype vormen de stroomzones. Stroomzones zijn gebieden rondom infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor stroomzones, de gebieden binnen de invloedzones van routes gevaarlijke stoffen, is binnen het beleidskader een specifieke afwegingsmethodiek geformuleerd.
Het wijzigingsgebied ligt niet binnen gebied dat vanuit externe veiligheid aandacht vraagt. Er zijn geen risicobronnen in de directe omgeving. Zo ligt het spoor ligt op meer dan 900 meter en de rijksweg A28 op meer dan 1230 meter. Onder de Omgevingswet is mechanisch afsluitbare ventilatie verplicht. Dus bij een giftige wolk zijn aanwezigen, binnen in de woning, tot enkele uren veilig.
In verband met de mogelijkheid van lithium ion branden moet speciaal aandacht zijn voor het parkeren van elektrische auto's. Deze branden zijn niet te blussen, branden langdurig en er komen schadelijke stoffen vrij. Dit kan van invloed zijn op de constructie van de (ondergrondse) parkeergarages en de bovenliggende gebouwen. Hier wordt als volgt rekening mee gehouden:
Op basis van bovenstaande is het niet noodzakelijk om aanvullend maatregelen te treffen voor de constructie.
Alle energie opslagsystemen worden, zoals afgestemd met de brandweer, buiten de garage geplaatst (geen dak).
Binnen het wijzigingsgebied worden geen verdere activiteiten toegestaan welke vanuit externe veiligheid op de omgeving in het kader van dit wijzigingsbesluit nadere aandacht vragen.
Uittreksel Atlas voor de Leefomgeving
Het besluit voldoet aan de kaders voor externe veiligheid.
Er is vanuit het onderwerp externe veiligheid geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij infrastructuur gaat het om instructieregels gericht op behoud van ruimte voor toekomstige functies en het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen voor nadelige gevolgen.
Paragraaf 5.1.6 van het Bkl geeft reserveringsgebieden aan voor respectievelijk (de uitbreiding of aanleg van) autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen en (de aanleg van) buisleidingen van nationaal belang.
Paragraaf 5.1.7 van het Bkl geeft regels gericht op het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten.
Als een omgevingsplan van toepassing is op een locatie voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV, bevat het omgevingsplan het tracé van die hoogspanningsverbinding en laat het omgevingsplan het gebruik als hoogspanningsverbinding en de bijbehorende voorzieningen toe.
Afdeling 5.2 van het Bkl geeft instructies voor het omgevingsplan over onder andere:
Ter plaatse van het wijzigingsgebied bevinden zich geen (relevante) reserveringsgebieden, beperkingengebieden, belemmeringengebieden, vrijwaringsgebieden, uitsluitingsgebieden en/of hoogspanningsverbindingen, zoals aangeduid onder Kaders.
Het besluit voldoet aan de kaders voor infrastructuur.
Er is vanuit het onderwerp infrastructuur geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels. Met zo'n regel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels. Regels die in acht moeten worden genomen. Regels waar rekening mee moet worden gehouden. En regels die moeten worden betrokken bij de wijziging. Bij de inrichting van de buitenruimte gaat het om instructieregels over de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
Paragraaf 5.1.8 stelt dat, als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening gehouden wordt met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
Gemeente
Omgevingsvisie
De buitenruimte van Zwolle maakt deel uit van het in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen opgenomen raamwerk. De buitenruimte heeft meerdere functies: we verblijven in de buitenruimte, we bewegen en sporten in de buitenruimte en bovenal is de buitenruimte de plek om elkaar te ontmoeten. We vinden het heel belangrijk dat de buitenruimte voor een ieder toegankelijk is. De toegankelijkheid past bij het gebruik van het gebied. Toegankelijkheid nemen we als randvoorwaarde mee bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving. Zo krijgt een inclusief Zwolle echt vorm.
Door het verder verstedelijken gaat de buitenruimte intensiever gebruikt worden. Verstedelijken doen we in Zwolle op een zorgvuldige manier. Daarom stellen we bij de ontwikkeling van transformatiegebieden en herinrichtingsprojecten stadaard een aantal vragen om invulling te geven aan een goed ontwerp van de buitenruimte. Dit op basis van drie elementen die bepalend zijn voor een goed functioneren van die buitenruimte: bescherming, comfort en plezier. Het bieden van bescherming is een randvoorwaarde. Het gaat dan bijvoorbeeld om verkeersveiligheid, sociale veiligheid en bescherming tegen luchtverontreiniging. Zonder deze bescherming ga je niet naar buiten, tenzij het niet anders kan. Daarna is het bieden van comfort belangrijk. Comfort nodigt uit naar buiten te gaan; er is goede bestrating, ook voor rolstoel of wandelwagen. Het fiets- en voetpad is comfortabel en je hoeft niet steeds te stoppen bij verkeerslichten. En er is een bankje om te zitten, kijken, luisteren of gesprekken te voeren. De laatste is dat de buitenruimte kwaliteiten heeft die plezier en buitengeluk geven. Tijdens het fietsen kom je langs plekken en gebouwen waar je van geniet, met een menselijke maat, met veel groen en een fijn klimaat (temperatuur / zon / schaduw / luwte).
Om de levendigheid in de openbaar toegankelijke buitenruimte te waarborgen en daarmee de sociale veiligheid te versterken is veel aandacht geschonken aan aantrekkelijke plinten (gevel op de begane grond) en hebben de gebouwen een alzijdig karakter.
Behalve dat de plinten open en uitnodigend worden vormgegeven, wordt een deel van de gebouwen voorzien van functies als horeca. De woningen in de plint krijgen een voordeur aan de openbaar toegankelijke ruimte, rondom gemeenschappelijke entrees wordt aandacht geschonken aan collectieve voorzieningen en is aandacht voor spontane ontmoeting. Veel zichtrelatie met de openbare ruimte en voldoende reuring draagt bij aan een sociaal veilige woonomgeving.
Bij de verdere inrichting wordt rekening gehouden wordt met de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Het bij de Welstandsnota behorende Beeldkwaliteitsplan Weezenlanden-Noord geeft nadere richting aan de toekomstige inrichting van de buitenruimte.
Het besluit voldoet aan de kaders voor inrichting buitenruimte.
Er is vanuit het onderwerp inrichting buitenruimte geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Een plan-milieueffectrapport is een milieueffectrapport (MER) bij een vast te stellen plan. De procedure die hierbij hoort, heet de plan-milieueffectrapportage (m.e.r.). Er gelden twee eisen voor de plan-mer-plicht. De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan (art. 16.34, eerste lid Ow). Een (wijziging van het) omgevingsplan is zo'n plan. De tweede eis is:
Op deze tweede eis geldt echter een uitzondering. Artikel 3, lid 3 smb-richtlijn biedt de mogelijkheid van een plan-mer-beoordeling. Het plan moet dan wel aan voorwaarden voldoen, namelijk kleine gebieden op lokaal niveau of kleine wijzigingen. Als uit de beoordeling blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn, en er ook geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn, is een plan-mer niet verplicht.
Deze uitzondering gaat niet op als het omgevingsplan:
Bij een plan-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het plan aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Een plan-mer-beoordeling kan aan de orde zijn in twee situaties:
Als het omgevingsplan niet kaderstellend is maar rechtstreeks mer-(beoordelings)plichtige projecten toelaat (dus zonder vergunningplicht) dan is dat omgevingsplan het project-mer (beoordelings)plichtig besluit en is er bij het omgevingsplan een project mer-beoordelingsbesluit vereist.
Het bevoegd gezag voor een omgevingsplan beoordeelt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn (art. 16.36 lid 5 Ow). Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieu effecten, met de bijbehorende motivering op in het ontwerp van het plan (art. 11.1 Ob)
De als bijlage bij deze motivering gevoegde 'Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling TAM omgevingsplan hoofdstuk 22a Weezenlanden Noord (BJZ.nu, augustus 2025) betreft de plan mer-beoordeling voor deze wijziging omgevingsplan. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten.
Voor dit project is een plan-mer-beoordeling nodig. Uit de mer-beoordeling blijkt dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-MER noodzakelijk maakt.
Er is vanuit het onderwerp milieueffectrapportage geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Gemeente
Omgevingsvisie
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van de aanwezige cultuurhistorie, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarden. Biodiversiteit maakt deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle. Biodiversiteit heeft raakvlakken met diverse thema's uit de visie. Zo draagt het behouden en versterken van biodiversiteit bij aan vitale, solidaire, gezonde en duurzame stadsdelen en een goed ontwikkelde groen- en waterstructuur.
Groen en recreatiebeleidsplan '(Be)leefbaar voor iedereen'
Voldoende ruimte voor groen is een ambitie uit het coalitieakkoord en de omgevingsvisie 'Ons Zwolle voor morgen 2030'. Zwolle groeit in economie, aantal woningen en aantal inwoners. Het uitgangspunt daarbij is dat Zwolle een leefbare en vitale stad blijft. Groen en recreatie hebben daarin een belangrijke functie, onder andere voor gezondheid van inwoners, ruimte voor klimaatadaptatie en biodiversiteit. Bij groei van de stad neemt de druk op de groene functies toe. Het groen in en om de stad moet daarom meegroeien. Het op 10 februari 2025 vastgestelde groen- en recreatiebeleid bevat tien ambities, die de mogelijkheid geven om de identiteit als groene stad te behouden en te versterken. In de tien ambities zijn concrete richtlijnen benoemd. Ambities zijn:
In het Groen en recreatiebeleidsplan staat dat elke uitspraak die in dit beleidsplan en in de bijbehorende bijlagen is opgeschreven, en mogelijk normatief gelezen kan worden, niet normatief bedoeld is. Met dit beleidsplan ligt er de opgave om te zoeken naar een zo goed mogelijke invulling van de ambities en doelstellingen binnen de (gebieds)ontwikkeling.
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden enkele aanpassingen aangebracht in de lopende gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord. Het grootste deel van het wijzigingsgebied betreft het plangebied van het bestemmingsplan Weezenlanden Noord uit 2022. Bij dat plan is de aanvaardbaarheid op het gebied van natuur en ecologie onderbouwd. Inmiddels is de gebiedsontwikkeling in uitvoering. Het gebied is nu een bouwterrein. De gebouwen zijn of worden gesloopt. Een deel van de nieuwbouw is inmiddels gerealiseerd of in aanbouw. Vanuit dit gegeven wordt rekening gehouden met natuurinclusiviteit en biodiversiteit.
Natuurinclusief en biodiversiteit vormen al onderdeel bij de lopende gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord. Het concept voor Weezenlanden Noord is gebaseerd op het idee dat de gebouwen te gast zijn op een continu groen maaiveld. In de inrichting van dit maaiveld is ruime aandacht voor versterking van de natuurwaarden. Ook voor de gebouwen is aandacht voor natuurwaarden. Middels het toepassen van geïntegreerde nestkasten, vegetatiemix op daktuinen en gevelgroen wordt een bijdrage geleverd aan het natuurinclusief bouwen en wordt de natuur dichter bij de bewoners gebracht.
Het buurtpark wordt ingericht met een combinatie van groen en water. Het maaiveld van het buurtpark zal ingericht worden met een variëteit aan beplantingen voor drogere en vochtigere milieus en zal voor een groot deel een extensief beheer kennen. Hiermee kunnen foerageer- en nestelkansen voor de gewone- en ruige dwergvleermuis, huismus en lokaal aanwezige insectensoorten worden vergroot.
Door het buurtpark te verbinden met het naastgelegen stadspark maar ook met het omringende groene netwerk van het Hollandse polderlandschap, ontstaan ecologische verbindingszones voor flora en fauna.
Weezenlanden-Noord heeft tevens groene binnentuinen en dakterrassen die naast dat ze bijdragen aan de groenbeleving en het creëren van een prettige woonomgeving ook bijdragen aan een maximale functionele en ecologische impact. Zo is een deel van de daken ontworpen als extensief weidelandschap met een rijke biodiversiteit aan flora voor lokale insecten en vogels. Deze daken leveren hierdoor een bijdrage aan het ecologische netwerk van de stad.
De realisatie van de mobiliteitshub vangt doorgaand verkeer over de Singel (o.a. van de Assendorperstraat en de Burgemeester van Rooijensingel) af. Hiermee ontstaat meer ruimte voor de voetganger en fietser, maar ook voor meer groen, recreatie en klimaatadaptatie. Lagere verkeersintensiteiten op de Singel leidt ook tot een betere doorstroming en betrouwbaarheid van het OV. Dit alles draagt bij aan de verblijfskwaliteit in het Stadshart, het woon- en leefklimaat in het Stadshart en het mogelijk maken van groei van de stad. De nieuwe hub schept ook ruimte voor meer en gevarieerdere bomenbestand en draagt daarmee bij aan de ontwikkeling van een vitale stad.
Bovenstaande sluit aan op het recent vastgestelde beleid, waarbij wordt opgemerkt dat de groenambities worden beperkt door de gerealiseerde bouwplannen, de vergevorderde planvoorbereiding en de afspraken die gemaakt zijn met grondeigenaren.
Het besluit voldoet aan de kaders voor natuur inclusief en biodiversiteit.
Er is vanuit het onderwerp natuur inclusief en biodiversiteit aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan. Het betreft het, ter verduidelijking hiervan, opnemen in de planregels dat voorzieningen ten behoeve van natuurinclusief en biodiversiteit binnen het wijzigingsgebied zijn toegestaan.
Rijk
Gebiedsbescherming
Afdeling 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft regels over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden. Dit met het oog op de natuurbescherming. Degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming is gelet op artikel 11.6 Bal verplicht:
Deze plicht houdt in ieder geval in dat voorafgaand aan het verrichten van activiteiten onderzoek wordt uitgevoerd op grond van artikel 11.6 lid 2 Bal.
Artikel 16.53c Omgevingswet bepaalt dat voor een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van Natura-2000 gebied, maar significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.
Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening voor de Natura 2000-activiteit plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
Soortenbescherming
Afdeling 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft regels over activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Dit met het oog op onder andere de natuurbescherming. Degene die activiteiten aangaande flora en fauna verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de natuurbescherming is gelet op artikel 11.27 Bal verplicht:
Deze plicht houdt in ieder geval in dat voorafgaand aan het verrichten van activiteiten onderzoek wordt uitgevoerd op grond van artikel 11.27 lid 2 Bal.
Voor een flora- en fauna-activiteit kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beoordelingsregels voor het verlenen van zo'n vergunning staan in paragraaf 8.6.2 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Provincie
De Omgevingsverordening Overijssel 2024 bevat instructieregels voor omgevingsplannen. Met zo'n regel geeft de provincie aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Bij natuurwaarden en ecologie gaat het om instructieregels over Nationale Landschappen, het Natuurnetwerk Nederland en daarbuiten gelegen bos-en natuurgebieden.
Afdeling 4.7 van de verordening geeft instructieregels gericht op behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. En gericht op duurzaam ontwikkelen en in stand houden van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Overijssel -het Natuurnetwerk Nederland- met bestaande en potentiële natuurwaarden die van (inter)nationaal belang zijn en het daarmee veiligstellen van ecosystemen en de flora- en faunasoorten die daarvan onderdeel uitmaken.
Paragraaf 4.7.3 van de verordening geeft instructieregels voor bos en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omgevingsplannen die betrekking hebben op deze gebieden moeten blijven voorzien in regels die gericht zijn op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden, waarbij in ieder geval het kappen van houtopstanden niet is toegestaan. Alleen onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken.
Gemeente
Omgevingsvisie
De in Zwolle aanwezige landschappelijke en natuurwaarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen.
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van natuur, biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarde. Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit natuurwaarden zijn dat:
De omgevingsvisie bevat een natuurwaardenkaart, welke onder andere de (zeer) waardevolle gebieden aanwijst.
Bomenverordening
De Bomenverordening 2021 gemeente Zwolle geeft regels over het vellen van bomen. Voor het vellen van een boom binnen de op de Groene Kaart weergegeven hoofdgroenstructuur is in aangegeven gevallen een (kap)omgevingsvergunning nodig (o.a. met een stamomtrek groter dan 30 cm). De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand. Bijzondere houtopstand heeft de hoogste waardering, bomen in de hoofdgroenstructuur hebben een hoge waardering, nevengroenstructuur kent een basiswaardering. Het beschermen van de natuur, het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering, het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, de beeldbepalende waarde van houtopstand, de cultuurhistorische waarde van houtopstand en het houden van een kwalitatief goed bomenbestand wordt bij de afweging betrokken. Bij de vergunning wordt in beginsel een verplantingsplicht, een herbeplantingsplicht en/of een financiële compensatie opgelegd.
Gebiedsbescherming
Het wijzigingsgebied ligt op circa drie kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Directe negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, waaronder oppervlakteverlies van habitattypen en leefgebieden, worden vanwege de afstand op voorhand uitgesloten. Indirecte (uitstralende) effecten door bijvoorbeeld licht of geluid – met uitzondering van stikstof (zie hieronder) – worden gezien de aard en omvang van de ingreep en de tussenliggende afstand/ bebouwde kom van Zwolle eveneens uitgesloten.
Het plangebied ligt op circa twee kilometer afstand van het NNN. Vanwege de aard van het plan en de afstand heeft het beoogde plan geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Soortenbescherming en bomen
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden enkele aanpassingen aangebracht in de lopende gebiedsontwikkeling Weezenlanden Noord. Het grootste deel van het wijzigingsgebied betreft het plangebied van het bestemmingsplan Weezenlanden Noord uit 2022. Bij dat plan is de aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid op het gebied van natuur en ecologie onderzocht en aangetoond. Inmiddels is de gebiedsontwikkeling in uitvoering. Het gebied is nu een bouwterrein. De gebouwen zijn of worden gesloopt. Een deel van de nieuwbouw is gerealiseerd, in aanbouw en/of vergund.
In het kader van bovengenoemd bestemmingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd, namelijk de Natuurtoets Openbaar Belang Zwolle (Ecogroen, 25 april 2018) en het Zoogdier- en broedvogelonderzoek complex 8 (Weezenlanden Noord), Zwolle (Ecogroen, 18 maart 2020). Ook is er een Projectplan sloop en nieuwbouw Weezenlanden Noord Zwolle, van 3 augustus 2020. Op 9 november 2020 heeft de Provincie Overijssel op grond hiervan een Ontheffing Wet natuurbescherming verleend (kenmerk 2020/0241182). In het bijzonder gaat het om het verbod om de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis te beschadigen of te vernielen. De gebiedsontwikkeling wordt momenteel uitgevoerd met in acht neming van deze ontheffing en de daarin opgenomen voorschriften.
Gelet op het bovenstaande is er geen aanleiding tot verder ecologisch onderzoek, ter plekke van het woningbouwgebied voorziet de wijziging van het omgevingsplan alleen in een beperkte aanpassing van de bouwvolumes van de nieuwe woongebouwen. Hetzelfde geldt voor de bomen binnen het bestemmingsplangebied Weezenlanden Noord. In het kader van dat plan is onderzoek gedaan naar de bestaande bomen en zijn beslissingen genomen over welke bomen te handhaven, welke bomen te kappen en de compensatie daarvan. Hier is en wordt inmiddels uitvoering aan gegeven. Dit conform de verleende kapvergunningen (31 augustus 2022, kenmerk 0193ESUITE1060502022; 28 november 2022, 0193ESUITE2725322022; 23 december 2022, 0193ESUITE2800122022 en 12 december 2023, kenmerk 0193ESUITE2269172023) en de daaraan verbonden voorschriften.
Een deel van deze wijziging omgevingsplan vindt plaats buiten het bestemmingsplangebied Weezenlanden Noord. Het betreft de gronden ter plaatse van de Luttenbergstraat en het parkeerterrein van het provinciehuis. Op die plek wordt een mobiliteitshub beoogd. Hiervoor is de Quickscan natuurtoets aanleg mobiliteitshub Weezenlanden-Noord te Zwolle (Ecogroen, 25 april 2024) uitgevoerd. Deze toets is als bijlage toegevoegd. Uit de toets blijkt onder andere het volgende:
De uitkomst van de quickscan met betrekking tot de egel geeft aanleiding voor een nadere onderbouwing. Door Ecogroen is de 'Ecologische onderbouwing egel, omgevingsplan Mobiliteitshub Weezelanden' (12 december 2024) opgesteld. Deze is als bijlage toegevoegd. Conclusie is dat de voorgenomen werkzaamheden geen negatief effect hebben op de (lokale) staat van instandhouding van egel en dat het onderdeel soortbescherming van de Omgevingswet het vaststellen van het omgevingsplan niet in de weg staat.
Voor de ontwikkeling van de hub moeten 49 bomen wijken. Hiervan kunnen 10 en mogelijk 11 bomen worden verplant. Van deze verplantbare bomen zijn 8 exemplaren van de soort plataan. De andere boomsoort is gewone esdoorn (3 stuks). De plataan is een boomsoort die goed gedijt in de stad omdat platanen luchtverontreiniging en temperatuurschommelingen goed kunnen verdragen evenals verharde groeiplaatsen met kleine boomspiegels. Bovendien kan de soort relatief goed tegen verplanten. Anderzijds is het een exotische soort die nauwelijks een bijdrage levert aan de biodiversiteit. In onze regio zijn maar weinig soorten, zoals insecten, die profiteren van de plataan.
De platanen leveren op dit moment door hun grote boomkronen enige verkoeling op warme dagen. Voor verplanting is het nodig om de kroon terug te snoeien om meer garantie te krijgen bij het aanslaan op nieuwe plek. Het zal jaren duren voordat ze deze verkoelende functie weer kunnen vervullen op hun nieuwe plek.
Om een aanzienlijk aandeel regionaal inheemse boomsoorten passend binnen de groeiplaats van dit gebied te krijgen, is vervangen van een groot deel van de platanen wenselijk.
Alles overwegende worden 11 bomen verplant, waaronder 8 platanen en 3 esdoorns. Voor een aantal bomen zijn de nieuwe locaties al bepaald, namelijk:
Voor de overige bomen worden nog locaties onderzocht in de directie omgeving en/of in het kader van het project Toekomstbomen en de Bomenbank. Mocht dit onverhoopt niet lukken dan worden deze alsnog gekapt.
De overige bomen moeten gecompenseerd worden. In dit project zullen niet de aantallen van de te kappen bomen worden gecompenseerd maar de boomkroonvolume. Deze compensatie wordt volgens bijgevoegde tabel uitgevoerd. De boomsoorten zijn een indicatie en worden definitief bepaald in het beplantingsplan.
Op basis van deze boomsoorten, aantallen en gereserveerde groeiruimte wordt het boomkroonvolume voldoende gecompenseerd. Daarnaast wordt hiermee een verbetering aangebracht in boomsoortvariatie en daarmee verbeteringskansen voor de biodiversiteit.
Het volgende onderzoeken zijn als bijlage toegevoegd:
Op 5 maart 2025 is een omgevingsvergunning verleend voor het verplaatsen van 11 bomen, ter hoogte van Luttenbergstraat 2 Zwolle (zaaknummer 0193ESUITE321692025).
Op 17 maart 2025 is een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 38 bomen t.b.v. mobihub Weezenlanden Noord (zaaknummer 0193ESUITE320592025).
Stikstof
De volgende onderzoeken zijn uitgevoerd:
Ecologische voortoets Wop Weezenlanden Noord (3 april 2025), met als bijlagen:
Deze zijn als bijlage toegevoegd aan deze motivering.
Uit berekeningen met het rekenmodel AERIUS Calculator versie 2024.01 volgt dat dit plan tot een tijdelijke toename van stikstofdepositie leidt in de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Rijntakken en Veluwe. Permanente stikstofdepositie is op de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Rijntakken en Veluwe.
De met AERIUS Calculator berekende maximale stikstofdeposities vanwege Weezenlanden Noord zijn nergens hoger dan de deposities in Natura 2000-gebieden die in het ecologisch brondocument van de gemeente Zwolle zijn beoordeeld. Dit geldt zowel voor de aanlegfase (tijdelijke deposities) als voor de gebruiksfase (permanente deposities). Daarmee is het op grond van de objectieve informatie in het ecologisch brondocument op voorhand uitgesloten dat Weezenlanden Noord afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten vanwege stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden en daarin voorkomende habitattypen en leefgebieden.
Wat betreft stikstofdepositie in relatie tot Natura 2000 wordt daarmee voldaan aan de vereisten in de Omgevingswet
Het besluit voldoet aan de kaders voor natuurwaarden en ecologie.
Er is vanuit het onderwerp natuurwaarden en ecologie geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Economische uitvoerbaarheid
Met deze planmotivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit").
Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
In artikel 8.15 van het Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”.
Met dit omgevingsplan wordt een aangewezen bouwactiviteit mogelijk gemaakt waarvoor kostenverhaal verplicht is.
De ontwikkeling betreft deels een initiatief van Openbaar Belang en de Ontwikkelcombinatie Nijhuis Explorius voor wat betreft woningbouw en is deels een initiatief van de gemeente met betrekking tot de mobiliteitshub. Er is in december 2021 een anterieure overeenkomst afgesloten met Openbaar Belang en Nijhuis waarin de verplicht te verhalen kosten worden verhaald vanwege het woningbouwplan. In oktober 2024 is een Allonge op deze anterieure overeenkomst getekend met Openbaar Belang en Nijhuis waarin aanvullende afspraken zijn gemaakt, onder meer over het kostenverhaal vanwege de uitbreiding van het woningbouwplan. Voor het overige gedeelte worden de kosten door de gemeente gedekt uit een Rijkssubsidie en een gemeentelijk krediet (€ 45,9 miljoen) dat met een Raadsbesluit beschikbaar is gesteld om de investering in de mobiliteitshub af te dekken.
Het besluit voldoet aan de kaders voor economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal.
Er is vanuit het onderwerp financieel-economische uitvoerbaarheid geen aanleiding tot het wijzigen en/of toevoegen van regels aan het omgevingsplan.
Het omgevingsplan geeft regels gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het tijdelijke omgevingsplan van Zwolle bestaat uit alle (voormalige) bestemmingsplannen, de 'bruidsschat' en enkele lokale verordeningen (Hemelwaterverordening 2023 Zwolle, Geurverordening Wijthmen - deelgebied Het Buyten van Zwolle en hoofdstuk 4 van de Erfgoedverordening Zwolle 2024). Rijk en provincie geven instructieregels over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ,die bij een wijziging van het omgevingsplan een directe betekenis hebben. Deze instructieregels staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Daarnaast bestaat ook nog andere wetgeving, met regels over de fysieke leefomgeving. Deze regels kunnen indirect betekenis hebben bij een wijziging van het omgevingsplan. Als op voorhand aannemelijk is dat door deze regels een nieuwe functie binnen een redelijke termijn niet kan worden gerealiseerd, dan komt de uitvoerbaarheid van de wijziging mogelijk in het geding. Reden dan ook om de wijziging van het omgevingsplan hierop te beoordelen.
Het betreft een groot aantal regels. Het merendeel hiervan zal de voorliggende wijziging niet direct raken. De onderwerpen en activiteiten in deze regels hebben geen betekenis bij dit project, hebben geen invloed op de evenwichtige toedeling bij dit project danwel volstaan voor het bereiken van die evenwichtige toedeling. Op voorhand is voldoende aannemelijk dat deze de realisatie niet in de weg staan. En, voor zover nodig, benodigde toestemmingen kunnen worden verleend Het betreft onder andere regels uit:
Voor een aantal regels is er aanleiding voor een verdiepende toets. Zo'n aanleiding bestaat als op voorhand helder is dat de betreffende regelgeving de wijziging (mogelijk) direct raakt. Bijvoorbeeld als een wijziging ziet op woningbouw op een plek waar waardevolle bomen staan is er een directe relatie tot de gemeentelijke bomenverordening, welke de uitvoerbaarheid van de woningbouw in de weg kan staan. Of als bijvoorbeeld een flora en fauna activiteit aan de orde is. Die beoordeling vindt plaats bij het betreffende onderwerp in de hoofdstukken 6 tot en met 9.
Bij deze wijziging omgevingsplan gaat het om:
Planregels moeten toetsbaar en handhaafbaar zijn. Toetsing aan de regels kan preventief. Een bepaalde activiteit wordt dan in het omgevingsplan alleen toegestaan als deze vooraf aan het college van burgemeester en wethouders wordt voorgelegd. Het college beoordeelt deze aan de beoordelingsregels uit het omgevingsplan. Met een vergunningenstelsel kan in het omgevingsplan het college de bevoegdheid gegeven worden om af te wijken van het plan. Dit onder bepaalde in het plan opgenomen beoordelingsregels. Naast een toetsing vooraf kan ook repressief getoetst worden, dus achteraf. Dit is aan de orde als feitelijk in overtreding met de planregels wordt gehandeld. Zo nodig kan handhavend worden opgetreden.
Redenen voor preventief toetsen in de vorm van een vergunningplicht kan onder andere zijn:
Een concrete, objectieve normstelling bij een planregel zou reden kunnen zijn voor uitsluitend een toetsing achteraf.
Algemeen uitgangspunt bij het opstellen van het definitieve Zwolse omgevingsplan is bestaande kaders beleidsarm over te zetten. Op basis daarvan worden de vergunningplichtige activiteiten zoals opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege in beginsel overgenomen in het definitieve plan.
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden een aantal gebruiksactiviteiten (functies) toegestaan binnen het wijzigingsgebied. Deze activiteiten zijn geobjectiveerd met onder andere definities, aanduidingen en normen.
Waar mogelijk is aangesloten op al aanwezige vergunningenstelsels, zoals voor bouwen. Deze wijziging omgevingsplan geeft op het wijzigingsgebied toegespitste nadere, objecief begrensde beoordelingsregels. De regels betreffen onder andere thema's als cultuurhistorie en parkeren.
Omgevingswet
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen opgegaan in één gemeentelijk 'omgevingsplan van rechtswege'. Zo ook de voor het voorliggende wijzigingsgebied relevante bestemmingsplannen Weezenlanden-Noord, Assendorp (en de Zwolse parapluplan bouw- en cultuurhistorie en parkeren binnen het plangebied van Assendorp). Het Omgevingsplan gemeente Zwolle bestaat verder uit de Bruidsschat (hoofdstuk 1 en hoofdstuk 22) en een aantal gemeentelijke verordeningen De Bruidsschat betreft een aantal regels die van het rijk zijn overgegaan naar de gemeente. Deze regels zijn verhuisd naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Het gaat onder andere om regels over bouwwerken en over milieubelastende activiteiten.
Er is in algemene zin vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen directe aanleiding bij dit project de regels in het omgevingsplan van rechtswege uit het deel van de Bruidsschat en de lokale verordeningen te herzien. De onderwerpen en activiteiten in deze regels hebben geen betekenis bij dit project, hebben geen invloed op de evenwichtige toedeling bij dit project danwel volstaan voor het bereiken van die evenwichtige toedeling. En op voorhand is voldoende aannemelijk dat deze de realisatie niet in de weg staat.
Voor een beperkt aantal regels is er aanleiding geweest voor een verdiepende toets. Zo'n aanleiding bestaat als op voorhand helder is dat de betreffende regel de wijziging direct raakt. Het resultaat hiervan, inclusief de gevolgen voor de planregels, staat beschreven bij het betreffende onderwerp in de hoofdstukken 6 tot en met 9 en in de onderstaande paragrafen.
Dit omgevingsplan van rechtswege kan door de gemeenteraad gewijzigd worden (zie oa art. 2.4 en 22.6 Ow). De voorliggende wijziging beperkt zich grotendeels tot het 'bestemmingsplandeel' van het omgevingsplan ter plekke van het wijzigingsgebied. Naast het 'bestemmingsplandeel' worden bij deze wijziging een beperkt aantal bepalingen van de Bruidsschat niet van toepassing verklaard en/of gewijzigd.
Wijziging omgevingsplan van rechtswege
Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan betreft planregels met een motivering. De voorliggende motivering geeft een onderbouwing van het besluit. Het motiveert dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen.
De planregels gaan deel uitmaken van het omgevingsplan. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de regels van het omgevingsplan worden aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels. Verder wordt, als onderdeel van de regels, door coördinaten vastgelegd voor welke locatie(s) de regels gelden. Dit wordt ook wel het werkingsgebied genoemd.
Deze wijziging van het omgevingsplan past de TAM-IMRO methode toe. Daarmee wordt via de IMRO-standaard het omgevingsplan gewijzigd. Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD methode te gebruiken (artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties).
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van enkele aanpassingen binnen de gebiedsontwikkeling op de locatie 'Weezenlanden Noord' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Zwolle. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden.
Planregels
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit wijzigingsbesluit gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
Werkingsgebied
Deze wijziging omgevingsplan betreft uitsluitend de locatie 'Weezenlanden Noord', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het NL.IMRO.0193.TAMh22a-0004 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Procedure
De gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplan met de regels voor activiteiten voor de leefomgeving. Om dit 'omgevingsplan van rechtswege' te wijzigen, volgt de gemeente een vaste juridische procedure. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. De van toepassing zijnde openbare voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
De procedure is in te delen in 3 procedurestappen:
De gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen en stelt eventueel een milieueffectrapport op. De gemeente geeft in het digitale gemeenteblad kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 3:12, Awb). In de kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding gaat betrekken. Dit heet participatie (artikelen 16.29, Ow, en 10.2, lid 1, Ob.). De kennisgeving voor deze wijziging van het omgevingsplan is op 26 november 2024 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
De gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan. De gemeente plaatst het ontwerpbesluit integraal in het digitale gemeenteblad (artikel 10.3c, Ob) en legt het ontwerp-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11, Awb). Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen.
Als er tijdens de termijn van 6 weken geen zienswijzen op het ontwerpbesluit zijn gekomen, dan: doet de gemeente hiervan zo spoedig mogelijk mededeling in het elektronische gemeenteblad, en neemt de gemeente het besluit binnen 4 weken nadat de termijn voor zienswijzen is verstreken (artikel 3:18, lid 4, Awb)
De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. De gemeente maakt het besluit bekend door het te publiceren in het elektronische gemeenteblad. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Tegen het besluit tot het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Met dit wijzigingsbesluit wordt het omgevingsplan van rechtswege op onderdelen gewijzigd. In de vorige hoofdstukken van deze toelichting is aangegeven op welke onderdelen de planregels worden gewijzigd, wat de aanleiding is voor de wijziging en wat, inhoudelijk, de wijziging betreft.
Deze paragraaf licht de artikelen uit hoofdstuk 22a toe.
Opbouw hoofdstuk 22a
De planregels zijn ondergebracht in hoofdstuk 22a van het omgevingsplan.
Als eerste bevat het hoofdstuk een pré-ambule. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de Bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van dit plan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het omgevingsplan.
Dit deel van de planregels geeft het toepassingsbereik, de begripsbepalingen en meet- en rekenbepalingen voor deze wijziging van het omgevingsplan.
Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt de 'bestemmingsplanregels' uit het (tijdelijke) omgevingsplan van rechtswege. Artikel 1 verklaart deze 'bestemmingsplanregeling' niet van toepassing. Dit artikel duidt ook exact het gebied waar hoofdstuk 22a op van toepassing is.
Hoofdstuk 22a maakt deel uit van het Omgevingsplan Zwolle, wat inhoudt dat ook de regels uit hoofdstuk 22 (Bruidsschat) van toepassing zijn (tenzij specifiek is bepaald dat de regel alleen geldt voor het tijdelijke deel, te herkennen met de zinsnede 'in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet'). Dit artikel maakt duidelijk dat de regels in hoofdstuk 22a voorrang hebben ten opzichte van de regels in afdeling 22.2 en 22.3. De regeling in afdeling 22.2 paragraaf 22.7.3. over vergunningvrij bouwen is hiervan uitgezonderd. Deze blijft onverkort gelden.
Hoofdstuk 1 van de Bruidsschat verklaart de begripsbepalingen zoals opgenomen in de bijlagen van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling van toepassing op hoofdstuk 22. Hoofdstuk 22 bevat zelf ook een bijlage met begrippen.
Met artikel 2 worden al deze begrippen ook van toepassing verklaard op hoofdstuk 22a. Als aanvulling daarop geeft dit artikel meerdere begripsbepalingen, die in hoofdzaak de begrippen uit het bestemmingsplandeel van het tijdelijke omgevingsplan vervangen.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft, als aanvulling op de bepalingen uit hoofdstuk 22, meet- en rekenbepalingen, die in hoofdzaak de bepalingen uit het bestemmingsplandeel van het tijdelijke omgevingsplan vervangen.
Dit deel van de planregels geeft een aantal regels die een algemene werking hebben voor het gehele gebied waar deze wijziging van het omgevingsplan op ziet.
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden functies en activiteiten toegedeeld. Het gaat bijvoorbeeld om wonen en een mobiliteitshub. Vastgelegd wordt welk gebruik per functie wordt toegestaan. Met dit algemene gebruiksverbod wordt geborgd dat gronden en bouwwerken niet anders gebruikt worden dan toegestaan.
Artikel 5 Anti-dubbelteltregel
Dit artikel vervangt de anti-dubbeltelregel, zoals opgenomen in het bestemmingsplannendeel van het tijdelijke omgevingsplan. Doel van de regel is te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een perceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Dit deel van de planregels geeft, vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, per locatie de passend geachte functie(s). De onderbouwing en inhoudelijke uitgangspunten voor deze regels staan in hoofdstuk 3 tot en met 9 van deze motivering. Per functie zijn de toegestane gebruiksactiviteiten bepaald.
Artikel 6 Gemengd - Plintfunctie Weezenlanden Noord
Met deze planregel worden de naast wonen overige, in het bestemmingsplan Weezenlanden Noord al toegestane, functies toegestaan. Het betreft horeca in de vorm van het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, detailhandel, seats to meet, een sportschool, sociaal-medische voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de dagopvang van kinderen. Het gezamenlijke vloeroppervlakte mag niet meer dan 2.251 m² bedragen. Met dien verstande dat de gezamenlijke vloeroppervlakte:
Binnen deze functie worden bijbehorende gebruiksactiviteiten toegestaan in de vorm van terrassen. Het betreft terrassen, behorende bij bovengenoemde horeca, ter plekke van de aanduiding 'overige zone - specifieke functieregels terras'.
Voor de buitenruimte rondom de woongebieden is de functie Groen opgenomen. Het toegestane gebruik beperkt zich tot groenvoorzieningen en daaraan verwant gebruik, zoals bijvoorbeeld recreatief medegebruik, voetpaden en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter verduidelijking is een niet-limitatieve opsomming gegeven welke voorzieningen zijn toegestaan behorende bij deze activiteiten. Voorbeelden hiervan zijn wadi's, geluidwerende voorzieningen en trafo's.
Met een omgevingsvergunning kan van het toegestane gebruik worden afgeweken voor balkons van de woonappartementen.
Artikel 8 Maatschappelijke voorzieningen
De buitenruimte aan de voorzijde van het provinciehuis moet worden opgenomen in dit hoofdstuk 22a omdat ter plaatse de mobiliteitshub (ondergronds) is voorzien. Het bestaande gebruik, toegestaan met een bestemming Maatschappelijk, wordt gecontinueerd. Reden dan ook de bestaande planologische rechten voor de gebruiksactiviteiten over te nemen. Ter plaatse van de gronden aangeduid als Maatschappelijke voorzieningen blijven gebruiksactiviteiten toegestaan in de vorm van maatschappelijke voorzieningen, zoals sociaal-culturele voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening. De betreffende gronden en bebouwing mogen gebruikt worden voor voorzieningen behorende bij danwel ondergeschikt aan de in dit artikel bepaalde gebruiksactiviteiten.
Artikel 9 Mobiliteitshub - centrum
De gronden ter plaatse van de beoogde mobiliteitshub krijgt de functie Mobiliteitshub – centrum. De centrum-mobiliteitshub is als volgt gedefinieerd: 'gebouwde parkeervoorzieningen voor auto en fiets, langs of direct nabij ontsluitingswegen aan de randen van het stadscentrum, met bijbehorende activiteiten, zoals deelmobiliteit, fietsreparatie, pakketkluizen, ontmoetingsplekken, verblijfsruimten en gemakswinkels'.
Onderdeel van de mobiliteitshub is een gemakswinkel. Een gemakswinkel is een op een kleine supermarkt lijkende winkel, die gelegen is in de onmiddellijke nabijheid van plaatsen waar grote groepen mensen komen. Deze gemakswinkel wordt gevestigd op de begane grond van het naastgelegen woonappartementengebouw. Naast deze winkel wordt geen verdere detailhandel behorende bij de mobiliteitshub toegestaan.
Met specifieke functieregels wordt de omvang van de mobiliteitshub verder ingevuld. Er worden maximaal 600 parkeerplaatsen en 800 m2 vloeroppervlak aan overige van de hub deel uitmakende activiteiten toegestaan.
Ter verduidelijking, daar waar de werkingsgebieden van artikel 6 Gemengd - Plintfunctie Weezenlanden Noord en artikel 9 Verkeer - Mobiliteitshub - centrum elkaar overlappen zijn de in beide artikelen genoemde gebruiksactiviteiten toegestaan. Dus zowel de gebruiksactiviteiten uit artikel 6 met een maximum vloeroppervlak van 2.251 m2 als de bijhorende voorzieningen bij de hub uit artikel 9 met een maximum vloeroppervlak van 800 m2. De gemakswinkel maakt onderdeel uit van deze 800 m2 en mag op zichzelf niet groter zijn dan 150 m2.
Artikel 10 Verkeer - Erftoegangswegen
De bestaande wegen in het wijzigingsgebied worden aangeduid als 'overige zone - functie Verkeer - Erftoegangswegen'. Deze wegen behouden een verkeersfunctie en krijgen met een nieuwe inrichting een kwaliteitsimpuls. De toegestane gebruiksactiviteiten maken dit mogelijk.
Ter plekke van de aanduiding zijn binnen deze functie, vanwege het voorkomen van geluidhinder, geen rijstroken toegestaan (ter plekke zijn wel onder andere fiets- en voetpaden groenstroken toegestaan).
Binnen deze functie worden enkele bijbehorende gebruiksactiviteiten toegestaan. Het betreft terrassen, behorende bij de in artikel 6 toegestane horeca, ter plekke van de aanduiding 'overige zone - specifieke functieregels terras'. En het betreft een in- en uitrit behorende bij de in artikel 9 toegestane mobiliteitshub, ter plekke van de aanduiding 'overige zone - specifieke functieregels ontsluitingszijde mobiliteitshub'.
Met een omgevingsvergunning kan van het toegestane gebruik worden afgeweken voor balkons van de woonappartementen.
De bestaande watergang in het wijzigingsgebied wordt aangeduid als 'overige zone - functie Water'. Met deze planregel wordt in feite de waterbestemming uit het bestemmingsplan Weezenlanden Noord overgenomen.
De bestaande waterkering (dijk) binnen het wijzigingsgebied met aanliggende gronden wordt aangeduid als 'overige zone - functie Waterstaatswerk'. Met deze functie wordt het huidige gebruik gecontinueerd.
Doel van waterkeringen is het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen en wateroverlast. Deze waterstaatsbelangen vereisen bescherming. De taak hiervoor ligt primair bij het waterschap. Het waterschap heeft deze bescherming geborgd met de waterschapsverordening. De waterschapsverordening stelt vanuit diverse watergerelateerde doelen en belangen eisen aan bepaalde activiteiten. Met daaraan gekoppeld vergunningplichten. Het gaat dan om een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. Overigens bevatten ook het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Besluit activiteiten leefomgeving eisen vanuit watergerelateerde doelen en belangen. Gelet hierop is er geen aanleiding in het omgevingsplan verdere eisen hierover op te nemen.
De gronden met de functie 'overige zone - functie Waterstaatswerk' kennen deels ook een andere functie (o.a. Groen, Wonen). Het omgevingsplan laat ter plekke ook andere activiteiten toe. Dit alles betreft omevingsplanactiviteiten. Activiteiten vanuit een eigen omgevingsplan-gerelateerd doel. Met, zo nodig, een eigen vergunningenstelsel.
Dit betekent dat bij een bepaalde activiteit zowel vanuit het omgevingsplan als de waterschapsverordening eisen kunnen worden gesteld en mogelijk een omgevingsvergunningplicht geldt. Het gaat dan om respectievelijk een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit. Als dit aan de orde is kan zo'n activiteit pas uitgevoerd worden als beide vergunningen verleend zijn.
Artikel 13 Wonen - Eengezinshuizen
Een deel van de woningbouw bestaat uit eengezinshuizen. Deze al bestaande woningen krijgen de functie Wonen – Eengezinshuizen. Deze functie beperkt zich tot de woningen zelf. Aan de achterzijde van de woningen bevindt zich de parkeergarage. Daar wordt de functie Wonen – Parkeergarage opgenomen, welke onder andere een gebruik toelaat als tuin en erf behorende bij de woningen.
Met de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – maximum aantal woningen' wordt het maximaal toegestane aantal woningen vastgelegd.
Artikel 14 Wonen - Meergezinshuizen
De gronden ter plaatse van de nieuwbouw krijgt de functie Wonen - Meergezinshuizen, waarbinnen gebruiksactiviteiten zijn toegestaan in de vorm van meergezinshuizen. Wat inhoudt dat wonen is toegestaan in woningen welke deel uitmaken van een appartementengebouw. Aan de achterzijde van een deel van de woningen bevindt zich de parkeergarage. Daar wordt de functie Wonen – Parkeergarage opgenomen, welke onder andere een gebruik toelaat als tuin en erf behorende bij de woningen.
Met de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – maximum aantal woningen' wordt het maximaal toegestane aantal woningen vastgelegd op de verbeelding. Voor de (bouw)vlakken met deze functie en gelegen binnen de aanduiding overige zone – specifieke functieregels – maximum aantal woningen' waar geen aantal woningen op de verbeelding is aangegeven geldt dat het totaal aantal toegestane woningen binnen al deze vlakken samen niet meer dan 353 bedraagt.
Artikel 15 Wonen - Parkeergarage
Aan de binnenzijde van de twee woonblokken zijn en/of wordt en parkeergarage gerealiseerd. Ter plekke wordt de functie Wonen – Parkeergarage opgenomen.
Binnen deze functie worden enkele bijbehorende gebruiksactiviteiten toegestaan. Het betreft een gebruik als tuin en erf voor de aangelegen eengezinshuizen en meergezinshuizen.
De positie van de in-/uitrit van deze parkeergarages is met de aanduiding 'overige zone – specifieke functieregels – ontsluitingszijde parkeergarage' begrensd.
Hoofdstuk 4 Algemene regels over activiteiten
Dit deel van de planregels geeft algemene regels over activiteiten anders dan gebruiksactiviteiten. Bij deze wijziging omgevingsplan gaat het om bouwactiviteiten en activiteiten gericht op het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden. In beginsel bevatten deze artikelen de grondslag voor een omgevingsvergunningenstelsel. Wat inhoudt dat als eerste een verbod wordt gesteld op het uitvoeren van de activiteit zonder dat een omgevingsvergunning is verleend. Gevolgd door de algemene regels (criteria) waaraan een aanvraag wordt beoordeeld.
Waar vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitsluitend specifieke, op een bepaald onderwerp gerichte beoordelingsregels volstaan, zijn deze ondergebracht bij het betreffende thema in het volgende hoofdstuk 5
Artikel 22.26 van hoofdstuk 22 geeft aan dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.29 geeft de beoordelingsregels waaraan een (binnenplanse) aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken moeten worden getoetst. Lid 1 sub a geeft aan dat de activiteit niet in strijd mag zijn met de in het omgevingsplan gestelde bouwregels.
Het artikel Bouwactiviteiten geeft (aanvullende) beoordelingsregels op dit onderdeel. Het bevat regels voor bouwen binnen bouwvlakken, buiten bouwvlakken en overige bouwwerken. Elk met een eigen werkingsgebied.
Binnen het werkingsgebied aangeduid als 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - bouwvlak' zijn hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken toegestaan. Deze gebieden liggen ter plekke van de beoogde nieuwbouw van woningen, inclusief parkeergarages.
Binnen de werkingsgebieden aangeduid als 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - maximale bouwhoogte' zijn normen opgenomen welke per gebied de maximale bouwhoogte in meters geeft.
Binnen het werkingsgebied aangeduid als 'overige zone - regels over ondergronds bouwen – bouwvlak' zijn uitsluitend ondergronds, hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken toegestaan. Dit gebied ligt ter plekke van de beoogde mobiliteitshub. Met de aanduiding 'overige zone - regels over ondergronds bouwen - maximum bouwdiepte' zijn hiervoor normen opgenomen welke de maximale bouwdiepte in meters geeft. In afwijking van het uitsluitend ondergronds bouwen is een regel opgenomen welke bepaalt dat bovengronds bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan. Dit voor bijvoorbeeld de stijgpunten / toegang van de hub. De ruimte hiervoor is begrensd tot maximaal 150 m2.
Binnen het werkingsgebied 'overige zone - regels over bovengronds bouwen - overige bouwwerken' zijn overige bouwwerken, zoals bijvoorbeeld erfafscheidingen en pergola's, toegestaan. Deze zijn in beginsel over het gehele gebied toegestaan.
Artikel 17 Activiteit uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
Dit artikel bevat alleen de verbodsbepaling deze activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Het verbod geldt alleen voor de activiteit werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, welke van toepassing is verklaard in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 5 geeft voor enkele thema's specifieke beoordelingsregels, waaraan een aanvraag voor deze activiteit getoetst wordt.
Dit deel van de planregels geeft, vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, regels die zich specifiek richten op het beschermen en/of versterken van bepaalde thema's. Het zijn thema's over bepaalde elementen van de fysieke leefomgeving, met een eigen specifiek oogmerk. De onderbouwing en inhoudelijke uitgangspunten voor deze regels staan in hoofdstuk 3 tot en met 9 van deze motivering.
Ieder artikel in dit hoofdstuk kent een eigen thema. De opbouw van de artikelen is gelijk. Als eerste wordt met het toepassingsbereik aangegeven waar en bij welke activiteiten het artikel geldt. Vervolgens wordt het oogmerk van het artikel gegeven. Wat is het inhoudelijke doel. De kern van het artikel betreft de beoordelingsregels. Als een aanvraag omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied van het artikel ligt en een daarin aangewezen activiteit betreft, dan moet de aanvraag mede getoetst worden aan de beoordelingsregels in dat artikel. Vaak vereisen deze beoordelingsregels specifieke acties en/of maatregelen. Daar waar nodig worden per artikel nog op uitvoering gerichte regels gesteld, bijvoorbeeld over de aanvraagvereisten, vergunningvoorschriften en meet- en rekenbepalingen.
Artikel 18 Erfgoed - Waarden cultuurhistorie structuur
Met dit artikel wordt in feite de planregel uit het bestemmingsplan Weezenlanden Noord over de cultuurhistorische bescherming van de gronden bij het Koelwaterkanaal overgenomen. Betreffende gronden krijgen de aanduiding 'overige zone - thema erfgoed - waarden cultuurhistorie structuur'. Bijlage 1 Cultuurhistorie van de planregels geeft een beschrijving van de specifieke cultuurhistorische waarden, waar aanvragen omgevingsvergunning aan getoetst worden.
Artikel 19 Mobiliteit - Parkeren
In dit artikel wordt geregeld dat bij een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of afwijken gebruiksactiviteit wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen.
Dit wordt bepaalt op basis van de Regeling Parkeernormen Zwolle, zoals opgenomen in de bij de planregels behorende bijlage bij dit hoofdstuk 22a.(zie ook paragraaf 6.4). Er gelden geen normen voor fietsparkeren.
Artikel 20 Mobiliteit - Laden en lossen
Dit artikel regelt dat bij een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of afwijken gebruiksactiviteit wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen op eigen terrein.
Dit wordt bepaalt op basis van de Regeling Parkeernormen Zwolle, zoals opgenomen in de bij de planregels behorende bijlage bij dit hoofdstuk 22a.(zie ook paragraaf 6.4).
Artikel 21 Milieu - Geluid bij wegen
Voor gebieden met een werkingsgebied aangeduid met 'overige zone - thema geluid - geluid bij wegen' geeft dit artikel regels met als oogmerk het beschermen van de gezondheid en het milieu en in het bijzonder het voorkomen of beperken van geluidhinder. Het werkingsgebied betreft alleen locaties waar (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen toegestaan worden. Bij een activiteit bouwen in dit werkingsgebied dient bij een omgevingsvergunning de in dit artikel vastgelegde waarden over het gezamenlijk geluid toegepast te worden.
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de in artikel 5.78ad Besluit kwaliteit le efomgeving gestelde verplichting tot het vastleggen in het omgevingsplan van de waarde voor het gezamenlijke geluid. Met daaraan gekoppeld een bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften, in die zin dat er een andere, lagere waarde kan worden bepaald.
Artikel 22 Milieu - Geluid bij activiteiten
Voor gebieden met een werkingsgebied aangeduid met 'overige zone - thema milieu - geluid bij activiteiten' geeft dit artikel regels met het oogmerk op het beschermen van de gezondheid en het milieu en in het bijzonder op het voorkomen of beperken van geluidhinder. De werkingsgebieden betreffen specifieke activiteiten welke geluid veroorzaken op een of meer geluidgevoelig gebouwen. Met dit artikel worden aan deze activiteiten specifieke gebruiksregels verbonden, gericht op het bereiken en in stand houden van een aanvaardbare geluidbelasting door deze activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit conform onder andere het bepaalde in paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan gemeente Zwolle en paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Uit het akoestisch onderzoek is naar voren gekomen dat een beoogde buitenruimte bij een kinderdagverblijf niet zondermeer mogelijk is vanwege de dan optredende geluidsbelasting door stemgeluid op geluidgevoelige gebouwen. Uit het onderzoek komt ook naar voren dat met gerichte (bouwkundige) maatregelen mogelijk wel tot een aanvaarbare geluidbelasting gekomen kan worden. Gelet hierop is een bevoegdheid in dit artikel opgenomen voor het college om met een omgevingsvergunning af te wijken van het toegestane gebruik en zo'n buitenruimte toe te staan. Dit onder voorwaarden, gericht op het bereiken van een aanvaardbare geluidbelasting bij de woningen in de directe omgeving (met name een aanvaardbare binnenwaarde).
Dit deel van de planregels geeft het overgangsrecht.
Artikel 23 Overgangsrecht bouwen en werken
Het overgangsrecht bouwen is gebaseerd op het overgangsrecht, zoals opgenomen in het bestemmingsplandeel van het omgevingsplan van rechtswege.
Artikel 24 Overgangsrecht gebruik
Het overgangsrecht gebruik is gebaseerd op het overgangsrecht, zoals opgenomen in het bestemmingsplandeel van het omgevingsplan van rechtswege.
Deze bijlage geeft een beschrijving van de specifieke cultuurhistorische waarden, waar aanvragen omgevingsvergunning die binnen het toepassingsbereik van het artikel Erfgoed - Waarden cultuurhistorie vallen aan getoetst worden.
Bijlage 2 Parkeerregeling Zwolle
Deze bijlage geeft de parkeerregeling, welke als zodanig onderdeel uitmaakt van de planregels.