direct naar inhoud van 3.3 Archeologisch en cultuurhistorisch beleid
Plan: Kamperpoort
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0193.BP10021-0004

3.3 Archeologisch en cultuurhistorisch beleid

Cultuurhistorie / monumentenzorg

De Nota Belvedere uit 1999 was het kader voor een verder gaande integratie van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Hoofddoelstelling van de Nota is de cultuurhistorische identiteit als volwaardig uitgangspunt richtinggevend te maken voor de inrichting van de ruimte. Het credo daarbij is 'behoud door ontwikkeling'. Daarmee wordt bedoeld dat de aanwezige cultuurhistorische waarden een bron vormen van inspiratie voor vernieuwing en verandering. Het behoud en het benutten van het cultureel erfgoed voegt kwaliteit toe aan de ruimtelijke inrichting.
In november 2009 stemde de Tweede Kamer in met de beleidsbrief modernisering monumentenzorg (MoMo). Het behoud en de bescherming van monumenten blijft een belangrijk doel, maar er vindt een verbreding plaats naar de omgeving. Overal in steden, dorpen en landschappen zijn plaatsen van herinnering, plaatsen met een bijzondere cultuurhistorische betekenis. Goede ruimtelijke ordening betekent dat alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte in de besluitvorming worden betrokken. Daarom is de eerste pijler van MoMo gericht op cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Om meer vorm en inhoud te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening zullen gemeenten op basis van het daartoe op 1 januari 2012 gewijzigde besluit ruimtelijke ordening bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een plangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in een bestemmingsplan worden verankerd.

Het Zwolse beleid zoals verwoord in de vastgestelde beleidsnota voor het Zwols monumenten- en archeologiebeleid (Dynamiek van Oud & Nieuw, 2000) is gericht op de instandhouding van historisch waardevolle objecten, complexen, openbare ruimte en stedenbouwkundige en landschappelijke structuren.

Op grond van de Monumentenwet 1988 en de Erfgoedverordening Zwolle 2010 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd (rijks- of gemeentelijk) monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigingen. Tevens is het verboden een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Archeologie

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. De wet is een uitwerking van het Europese Verdrag van Malta en voorziet in een hoofdstuk “Archeologische monumentenzorg” en in wijzigingen van enkele andere bepalingen in de Monumentenwet 1988. Tevens zijn de Ontgrondingenwet, de Wet milieubeheer en de Woningwet op onderdelen aangepast.

Het doel van de Wamz is het reguleren van bodemverstorende activiteiten. De kern daarbij is dat partijen in een vroegtijdig stadium zo goed mogelijk rekening houden met de aanwezigheid of mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Behoud in situ (in de bodem) is daarbij het streven. Als behoud niet mogelijk is dan moet een archeologisch onderzoek plaatsvinden.

De gemeentelijke overheid heeft op grond van de Wamz de wettelijke zorgplicht om archeologie een plaats te geven in de ruimtelijke processen. Het bestemmingsplan neemt daarbij een centrale rol in. Mede met de herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in 2008 wordt archeologie wettelijk geïntegreerd in de systematiek van de ruimtelijke ordening.

Om de archeologische waarden te beschermen hanteert de Wamz een drietal regimes waarbij wordt aangesloten op de bestaande wet- en regelgeving:

Een belangrijk regime is het “bouwen en anderszins uitvoeren van werkzaamheden in het kader van bestemmingsplannen of in het kader van vrijstellingen”. Dit regime heeft voor de gemeenten de meeste consequenties en vormt de basis voor de Zwolse beleidsnota, die op 18 augustus 2008 door de gemeenteraad is vastgesteld.

Het beleid is uitgewerkt aan de hand van een viertal kernbegrippen: kenbaarheid, verankering, betaling en kwaliteit.
Centraal thema daarbij is dat de archeologische waarden waar nodig worden beschermd, zonder dat er meer maatschappelijke lasten in het leven worden geroepen dan noodzakelijk zijn. Het archeologiebeleid Zwolle bevat onder andere de Archeologische Waarderingskaart Zwolle (AWZ). Deze kaart maakt inzichtelijk waar archeologische waarden in de bodem zijn te verwachten. Door het gedetailleerde karakter is de kaart een verdieping van de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) en de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Deze rijks- en provinciale kaarten omvatten een meer globaal niveau. Omdat de AWZ reële en meer gedetailleerde verwachtingen van archeologische waarden bevat, vervangt deze de voornoemde kaarten voor wat betreft het Zwolse grondgebied.

Tevens stelt het beleid kaders wanneer en hoe archeologisch waardevolle gebieden in het bestemmingsplan worden bestemd met een dubbelbestemming en de Lokale Onderzoeksagenda Archeologie Zwolle (archeologische onderzoeksthema's).