direct naar inhoud van 4.2 Landbouw
Plan: Buitengebied 2009
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0189.BP2009000002-0002

4.2 Landbouw

4.2.1 Bestaande bedrijven

Algemeen

Alle bestaande agrarische bedrijven zijn positief bestemd en hebben de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" gekregen. Hierbij is uitgegaan van de bedrijven die in het vigerend plan positief bestemd zijn en die momenteel nog een vergunning/ melding AmvB Melkrundveehouderij hebben. Bij het begrenzen van de bouwpercelen vormde het vigerend bestemmingsplan het uitgangspunt, met gebruik van luchtfoto´s werd de omvang van de bouwpercelen nader genuanceerd. Hierbij is rekening gehouden met mogelijke uitbreidingsrichtingen en wensen van ondernemers zoals deze tijdens inloopdagen zijn aangegeven (zie paragraaf 1.3.). De grootte van het bouwperceel wordt bepaald door het aantal nge's. Uitgangspunt hierbij vormt het schema dat hieronder is opgenomen. Dit schema is gebaseerd op de provinciale "Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen".

Nge   Type bedrijf   Bouwperceel  
Tot 10 nge   Hobbymatig   Woonbestemming  
10 tot 40 nge   Deeltijdbedrijf   Bouwperceel afgestemd op bestaand erf  
40 tot 70 nge   Volwaardig agrarisch bedrijf   Bouwperceel op maat met enige uitbreidingsruimte  
Meer dan 70 nge   Volwaardig agrarisch bedrijf met voldoende toekomstperspectief   1 hectare tot maximaal 2 hectare  

Agrarische bedrijven komen in aanmerking voor een bouwperceel van meer dan 1 hectare wanneer in de bestaande situatie het bouwperceel reeds groter is of wanneer de noodzaak hiervoor blijkt uit (recent ingediende) uitbreidingsplannen. Voor overige uitbreidingen en/of verschuiving van het bouwperceel is in de regels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Het bouwperceel kan in principe worden vergroot naar een oppervlakte van maximaal 1,5 hectare, dan wel 2 hectare voor grondgebonden bedrijven. Bedrijven kleiner dan 40 nge's, waarbij nog wel sprake is van een reële bedrijfsvoering, hebben een bouwperceel gekregen dat is afgestemd op het bestaand erf met een beperkte uitbreidingsmogelijkheid (15%) van de bebouwing op het perceel. Deze bedrijven hebben een aparte aanduiding gekregen "specifieke bouwaanduiding-afwijkende maatvoering".

Uitgangspunt is dat gebouwen binnen het bouwperceel worden opgericht. Dit geldt ook voor de kuilvoerplaten en sleufsilo's bij de agrarische bedrijven. Deze kunnen daarnaast aansluitend aan het agrarisch bouwperceel binnen de gebiedsbestemmingen gerealiseerd worden. Hiermee wordt voorkomen dat deze overal in het plangebied op de veldkavels kunnen worden aangelegd.

Ook mestsilo's en mestbassins worden in principe binnen de bouwpercelen opgenomen. Onder voorwaarden zijn deze ook aansluitend aan het bouwperceel mogelijk. Eveneens kan de behoefte bestaan om in gezamenlijk verband mestsilo's op te richten. In deze gevallen is maatwerk vereist. Hiervoor is in de regels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Nieuwvestiging

Onder nieuwvestiging van agrarische bedrijven wordt de realisatie van een nieuw agrarisch bedrijf op een nog onbebouwde locatie verstaan. Het kan gaan om een geheel nieuw bedrijf van een starter, maar het kan ook gaan om een bestaand bedrijf, dat verplaatst moet worden.

Er zijn in dit bestemmingsplan geen mogelijkheden opgenomen voor nieuwvestiging op een nog onbebouwde locatie. Mocht hiervoor wel een initiatief worden opgestart, dan dient hiervoor een aparte planologische procedure doorlopen te worden. Een uitzondering hierop geldt voor de twee nieuwe bedrijven aan de Burgemeestersdijk. Hier is een aparte onderbouwing voor opgesteld. Dit is in het navolgende verder toegelicht.

Intensieve veehouderij

De mogelijkheden voor intensieve veehouderijbedrijven zijn afgestemd op de mogelijkheden uit het Reconstructieplan Salland-Twente (zie paragraaf 2.4.). Hierbij is met name de ligging van de drie reconstructiezones van belang: landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied en extensiveringsgebied. De ligging van deze gebieden in de gemeente Wierden is aangegeven op Bijlage 4.

De bestaande intensieve veehouderijen hebben de aanduiding "intensieve veehouderij" gekregen. Intensieve veehouderijen in het landbouwontwikkelingsgebied kunnen doorgroeien tot een maximale oppervlakte van 2 ha. In het verwevingsgebied bedraagt de maximale oppervlakte in principe 1,5 ha. Intensieve veehouderijen die in het verwevingsgebied liggen, kunnen een sterlocatie aanvragen. Op een sterlocatie kan een bestaande intensieve veehouderij, die over voldoende omgevingsruimte beschikt, onder voorwaarden doorgroeien tot maximaal 2 ha. In de gemeente Wierden is momenteel 1 formeel verzoek gedaan voor een sterlocatie. Pas wanneer hierover een positief besluit is genomen, zal de sterlocatie als zodanig op de plankaart worden aangeduid.

Nieuwvestiging van intensieve veehouderijen wordt in de gemeente alleen toegestaan binnen de landbouwontwikkelingsgebieden. Voor de landbouwontwikkelingsgebieden is een visie opgesteld (zie paragraaf 2.4). In de gemeente Wierden zijn twee locaties voor nieuwvestiging aangewezen, beiden aan de Burgemeestersdijk. Deze locaties zijn op de plankaart opgenomen. Voor beide locaties is een ruimtelijke onderbouwing (Bijlage 18 en Bijlage 19) en een milieueffectrapportage opgesteld. Dit document is als Bijlage 14 bij deze toelichting gevoegd.

Hervestiging van een intensieve veehouderij is enkel mogelijk binnen het landbouwontwikkelingsgebied of op agrarische bouwpercelen waar reeds intensieve veehouderij aanwezig was ten tijde van de terinzagelegging van het Reconstructieplan. Deze locaties hebben in dit bestemmingsplan de aanduiding "intensieve veehouderij" gekregen. Voor het overige gelden voor het bestaande bedrijf met intensieve veehouderij dezelfde voorwaarden als voor de grondgebonden agrarische bedrijven.

Met de twee nieuwe bouwblokken voor intensieve veehouderij in Landbouwontwikkelingsgebied Wierden en mogelijkheden voor intensieve veehouderijbedrijven om zich te vestigen en ontwikkelen op de 18 bestaande agrarische bouwblokken in beide landbouwontwikkelingsgebieden geeft de gemeente Wierden uitvoering aan het Reconstructieplan Salland-Twente.

Uit het Ontwikkelingsplan Landbouwontwikkelingsgebieden (LOG's) Wierden blijkt dat er ruimtelijk gezien meer ruimte kan worden geboden voor intensieve veehouderij in de LOG's (zie paragraaf 2.4). Een aantal van in totaal vijf nieuwe bouwblokken voor intensieve veehouderij (inclusief de twee hiervoor genoemde) wordt mogelijk geacht.

Wij achten het echter niet wenselijk om nu al meer dan twee nieuwvestigingen van intensieve veehouderijen toe te staan. Dit omdat er op dit moment nog veel onduidelijkheden zijn over onder meer de Natura 2000-gebieden, de discussie over de beheerplannen van deze gebieden, de saldering, het (niet kunnen) krijgen van Natuurbeschermingswetvergunningen, de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en de ontwikkelingen in de agrarische sector in de eerstkomende jaren.

Bovendien wordt met het oog op het tegengaan van extra verstening van het buitengebied niet wenselijk geacht nu medewerking te verlenen aan meerdere nieuwvestigingen van intensieve veehouderijen in de landbouwontwikkelingsgebieden.

Mede gezien deze onduidelijkheden en de mogelijkheden voor intensieve veehouderij op de bestaande bouwblokken in de LOG's worden, buiten de twee nieuwe bouwblokken aan de Burgemeestersdijk, in dit bestemmingsplan geen mogelijkheden opgenomen voor nieuwvestigingen van intensieve veehouderijen in de landbouwontwikkelingsgebieden in de gemeente Wierden.

Bedrijfswoningen

Bestaande bedrijfswoningen zijn in het plan positief bestemd binnen de bestemming Agrarisch - Agrarisch bedrijf. Een bedrijfswoning is noodzakelijk voor een goede agrarische bedrijfsvoering.

Bedrijfswoningen krijgen een maximale inhoudsmaat van 750 m3; via een ontheffing kan deze maat worden vergroot tot maximaal 1.000 m3. Deze ontheffing kan (onder voorwaarden) worden verleend wanneer de verruiming nodig is voor huisvesting van de toekomstig rustende boer.

Een tweede bedrijfswoning wordt via een ontheffing mogelijk gemaakt, conform het aangepaste beleid van de provincie. Hierbij moet wel aan de voorwaarde worden voldaan dat de arbeidsbehoefte van het bedrijf ten minste 2 volwaardige arbeidskrachten bedraagt (dit komt overeen met een bedrijfsomvang van meer dan 120 nge). Daarnaast dient de tweede bedrijfswoning in de directe nabijheid van de eerste bedrijfswoning te worden gebouwd, mits overige bebouwing en aanwezige beplanting dat toelaat.

Bij bedrijven waar in het verleden reeds een tweede bedrijfswoning aanwezig was, maar waar deze is afgesplitst van het bedrijf (en een burgerwoning is geworden), bestaat geen mogelijkheid voor de oprichting van een tweede bedrijfswoning.

4.2.2 Teeltondersteunende voorzieningen

Sommige agrarische bedrijven gebruiken teeltondersteunende voorzieningen om het groeiseizoen te kunnen verlengen. Onder teeltondersteunende voorzieningen worden (al dan niet tijdelijke) tunnelkassen, bedekking met folie en plastic regenbescherming et cetera verstaan. Daarnaast worden bedrijfsmatige activiteiten onder glas als ondersteunende teelt opgestart. Bedrijven die glastuinbouw als hoofdactiviteit hebben, komen niet voor in het buitengebied van de gemeente Wierden.

In de bouwbepalingen van de agrarische gebiedsbestemmingen Agrarisch en Agrarisch met waarden - Landschap is de plaatsing van lage boog- of tunnelkassen geregeld. Deze mogen bij ontheffing worden opgericht binnen een zone van 50 meter rondom het agrarisch bouwperceel. De gezamenlijke oppervlakte boog- en/of tunnelkassen per bedrijf wordt beperkt tot 20% met een maximale oppervlakte van 1.000 m2. Op deze manier wordt voorkomen dat het landschap onevenredig wordt aangetast.

Voor het teeltondersteunend glas is in de regels een specifieke regeling opgenomen. Gewone (permanente) kassen mogen alleen worden opgericht binnen het agrarisch bouwperceel. Een oppervlakte van maximaal 500 m2 is bij recht toegestaan. Door een maximale oppervlaktemaat op te nemen wordt voorkomen dat de bedrijven uitgroeien tot glastuinbouwbedrijven. Overige teeltondersteunende voorzieningen zijn via het aanlegvergunningenstelsel gereguleerd.

4.2.3 Nevenactiviteiten op het agrarisch bedrijf

Het komt steeds vaker voor dat agrariërs naast de agrarische activiteiten een zorgtak, een kaasmakerij of bijvoorbeeld boerderijkamers als neventak bij hun bedrijf starten. Het aantal nevenactiviteiten in het landelijk gebied is fors toegenomen en ook erg divers.

Bestaande nevenactiviteiten zijn in het bestemmingsplan positief bestemd en krijgen de nadere aanduiding "bedrijf". De aard van de nevenactiviteit en de oppervlakte die voor de nevenactiviteit wordt gebruikt, zijn in de regels vastgelegd. Onder voorwaarden kunnen bestaande nevenactiviteiten uitbreiden, hiervoor is in de regels een mogelijkheid voor ontheffing opgenomen. Caravanstalling is in het hele buitengebied mogelijk in (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen.

Via een mogelijkheid tot ontheffing worden nieuwe nevenactiviteiten mogelijk gemaakt. Bij nieuwe nevenactiviteiten moet er sprake zijn van een relatie met een functionerend agrarisch bedrijf (binnen bestaande gebouwen en/of aansluitend aan het bouwperceel). Uitgangspunt is dat nevenactiviteiten binnen de bestaande bebouwing plaatsvinden en ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit. In dit bestemmingsplan zijn geen zogenaamde positieve (activiteiten die zijn toegestaan) of negatieve (activiteiten die niet zijn toegestaan) activiteiten opgenomen. Het nadeel van dergelijke lijsten is dat zich situaties kunnen voordoen waarbij een bepaalde functie of activiteit goed zou passen op een locatie, maar waarbij de activiteit of functie niet voorkomt op de positieve lijst en om die reden dus geweigerd moeten worden.

Buiten de bovengenoemde criteria zijn voorwaarden opgenomen, waaraan bij het toepassen van de ontheffing moet worden voldaan. Op deze wijze wordt voorkomen dat activiteiten worden ontwikkeld die niet passen in het buitengebied. Het betreft de volgende voorwaarden:

  • landschappelijke kenmerken mogen niet worden aangetast;
  • er mogen geen belemmeringen ontstaan voor functies in de omgeving;
  • er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking, wat onder andere tot uitdrukking komt in het feit dat de bestaande infrastructuur moet zijn berekend op de nieuwe activiteit;
  • de (nieuwe) activiteit dient te worden uitgeoefend binnen de bestaande gebouwen;
  • er mag geen sprake zijn van buitenopslag;
  • eventuele parkeerplaatsen moeten worden ingepast in het groen;
  • de schuren en het erf moeten hun agrarische uitstraling behouden. Deze uitstraling moet waar mogelijk worden versterkt;
  • er mag alleen sprake zijn van detailhandel als dit kleinschalig en duidelijk ondergeschikt aan de 'hoofdactiviteit' is. De detailhandel moet ook een directe relatie met de hoofdactiviteit hebben.

Op het moment dat de agrarische activiteiten stoppen en de nevenactiviteit wordt voortgezet, geldt het beleid voor vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (zie paragraaf 4.2.4.).

4.2.4 Vrijkomende agrarische bebouwing

De afgelopen jaren zijn er veel agrarische bedrijfsgebouwen vrijgekomen, de verwachting is dat dit de komende jaren doorzet. Om verpaupering en ongewenst gebruik tegen te gaan is een passende vervolgfunctie in veel gevallen wenselijk.

Door de gemeente Wierden is een beleidsnotitie "Vrijkomende Agrarische Bebouwing" opgesteld. De gemeente stelt hierin dat veel vrijkomende agrarische bebouwing (vab) kan worden hergebruikt ten behoeve van nieuwe (niet-agrarische) functies. In de beleidsnota worden hiervoor kaders gesteld. De gemeente wil (verantwoorde) ruimte bieden aan ontwikkelingen die de sociale en economische kwaliteit van het landelijk gebied vergroot zodat de resterende economische waarde van leeggekomen schuren kan worden benut voor nieuwe activiteiten, waarbij tevens de ruimtelijke (landschappelijke) kwaliteit wordt verbeterd.

Omdat sloop van voormalige bedrijfsgebouwen of hergebruik door andere agrarische bedrijven niet altijd mogelijk of wenselijk is, zijn via het bestemmingsplan nieuwe functies in vrijkomende agrarische bebouwing mogelijk gemaakt.

In de regels is een ontwikkelingsregeling opgenomen waarin de agrarische bedrijfsbestemming kan worden gewijzigd in een woonbestemming met een nadere aanduiding dat een nevenactiviteit is toegestaan. Voor het hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van een nieuwe (neven)activiteit gelden de toetsingscriteria die in de gemeentelijke notitie zijn opgenomen ten aanzien van buitenopslag, verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing, hinder voor de omgeving, milieubelasting, infrastructuur et cetera.

In het bestemmingsplan is eveneens een ontwikkelingsregeling opgenomen om een agrarische bedrijfswoning (na beëindiging van de agrarische activiteiten) als burgerwoning te gebruiken. Hierbij kan tevens onder voorwaarden een extra woning worden gebouwd via de regeling "Rood voor Rood met gesloten beurs".

4.2.5 Paardenhouderijen

Paardenhouderijen kennen een grote verscheidenheid aan bedrijfsvormen, al dan niet gemengd. Zo kan een paardenfokkerij worden beschouwd als een agrarisch bedrijf, indien het fokken van paarden hoofdonderdeel uitmaakt van de bedrijfsvoering. Daarnaast zijn er paardenhouderijen waar de nadruk ligt op het africhten van paarden, en zijn er paardentransportbedrijven, paardenhandelsbedrijven en paardenpensions. Tot slot zijn er op het publiek gerichte paardenhouderijen, zoals maneges.

Gelet op de grote diversiteit van de verschillende bedrijfs- en mengvormen is het moeilijk een categorisering te hanteren waarbinnen de diverse vormen van paardenhouderijen zijn onder te brengen. Kenmerkend voor alle paardenhouderijen is dat een bepaalde mate van grondgebondenheid vereist is. Onderscheid voor de verschillende bedrijfsvormen zijn de omvang van de bebouwing, in het bijzonder de rijhallen, en de publieks- en verkeersaantrekkende werking.

Het beleid ten aanzien van paardenhouderijen is afgestemd op het provinciaal beleid dat in 2007 van kracht is geworden. In dit bestemmingsplan hebben die bedrijven die zich bezighouden met het fokken van paarden de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" gekregen. De agrarische paardenhouderij mag voor het africhten van zelf ter plaatse gefokte en opgefokte paarden via ontheffing een kleine rijhal met een oppervlakte van maximaal 1.000 m2 oprichten. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat het bedrijf met alleen de agrarische activiteiten (fok en opfok) al een aantoonbaar volwaardig bedrijf is.

De maneges in het buitengebied zijn als zodanig bestemd. Maneges kunnen zich vestigen in vrijkomende agrarische bedrijven. Hierbij dient wel sprake te zijn van maatwerk. Een goede bereikbaarheid en het voorkomen van een te hoge recreatiedruk op kwetsbare natuurgebieden zijn hierbij onder meer van belang. Tevens dient te worden aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit in het gebied behouden blijft, dan wel versterkt wordt.

Alle overige paardenhouderijen die niet als agrarisch bedrijf of manege aangemerkt kunnen worden hebben de bestemming "Agrarisch-Paardenhouderij" gekregen. Het betreft hier onder meer paardenhouderijen die als zodanig zijn opgezet en niet voortkomen uit een bestaand agrarisch bedrijf. Paardenhouderijen kunnen zich vestigen op vrijkomende agrarische bedrijven. Hierbij dient wel de behoefte aan nieuwbouw te worden aangetoond in een bedrijfsplan. Tevens dient te worden aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit in het gebied behouden blijft, dan wel versterkt wordt. Alle gebouwen en bouwwerken dienen binnen het bouwblok te worden opgericht. Rijbakken zijn daarnaast via ontheffing aansluitend aan de bouwblokken mogelijk.