| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Buitengebied Vermolenweg 42, Dikkersbosweg 3 en Broekdijk 61 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0183.TAMVER42DIK3BROE61-VG01 |
Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op drie locaties binnen de gemeente Tubbergen. Het gaat om de locatie Broekdijk 61 te Mander (slooplocatie), de Dikkersbosweg 3 te Albergen (bouwlocatie) en de Vermolenweg 42 te Geesteren (bouwlocatie/legalisering bijbehorende bouwwerken). De plangebieden zijn met elkaar verbonden aangezien er op grond van de beleidsregels 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Tubbergen extra bouwmogelijkheden worden geboden aan de Dikkersbosweg 3 te Albergen en Vermolenweg 42 te Geesteren, in ruil voor de sloop van landschapsontsierende bebouwing aan de Broekdijk 61 te Mander.
Concreet wordt aan de woning aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen vergroot met een inhoud van 281 m3. De vergroting van de woning is niet toegestaan aangezien de inhoud van een woning binnen een hoofdgebouw en de daarbijbehorende aangebouwde bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen ten hoogste 1.000 m3 mag bedragen. Deze inhoud wordt overschreden. Om de vergroting van de woning mogelijk te maken wordt aan de Broekdijk 61 in Mander een asbesthoudende schuur met een oppervlakte van 281 m2 gesloopt.
Op het perceel aan de Vermolenweg 42 in Geesteren wenst de eigenaar een illegaal ontstane situatie te legaliseren. Ten aanzien van het bouwen van bijbehorende bouwwerken geldt op grond van het omgevingsplan dat deze binnen het functievlak (voorheen bestemmingsvlak) gebouwd moeten worden en de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 200 m2 wanneer het bouwperceel in combinatie met het daaraan grenzende en daarmee een eigendomseenheid vormende gronden een gezamenlijke oppervlakte heeft van 5.000 m2. De totale oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken op het perceel is overschreden en er staat een bouwwerk buiten het functievlak.
De initiatiefnemer is voornemens om de ontstane situatie te legaliseren. Door middel van de regeling 'uitbreiden van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning' wenst de initiatiefnemer het dierenverblijf voor alpaca's en het kippenhok te legaliseren. Totaal is dit 83 m2. De legale bebouwing op de locatie betreft 182 m2. Ten opzichte van de toegestane 200 m2 resteert er nog 18 m2. Voor de legalisatie moet er dus minimaal 65 m2 gesloopt worden.
De initiatiefnemer is voornemens om aan de Broekdijk 61 een bijbehorend bouwwerk met een oppervlakte van 158 m2 te slopen. In ruil daarvoor kan aan de Vermolenweg 42 een extra oppervlakte van 129 m2 aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden. Daardoor is het mogelijk om (200 m2 + 129 m2=) 329 m2 aan bijbehorende bouwwerken toe te staan.
Om het dierenverblijf voor alpaca's en het kippenhok te legaliseren wordt het voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. Ter plaatse van deze aanduiding is maximaal 83 m2 aan bebouwing toegestaan. De maximaal toegestane oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen - Wonen in het buitengebied' mag als gevolg van dit plan maximaal 246 m2 bedragen. Tezamen bedraagt die oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en veldschuren concreet 329 m2.
Tevens wordt de bestaande verharding buiten de woonfunctie aan de Vermolenweg 42 in Geesteren gelegaliseerd inclusief de voederplaten. Deze oppervlakte aan verharding bedraagt 95 m2 en de oppervlakte van de voederplaten bedraagt 10 m2.
Hieronder wordt nader ingegaan op de huidige situatie van de plangebieden.
Broekdijk 61 Mander
Het plangebied aan de Broekdijk 61 ligt in het buitengebied van Mander. Het betreft een uitgebreid dekzandgebied direct aan de stuwwal, de stuwwal met onder meer de Kuiperberg. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van de omgeving.
Figuur 1.1: Ligging plangebied Broekdijk 61 Mander (bron: Topotijdreis.nl)
Het plangebied ligt in het essenlandschap. Daar ontstonden vroeger praktisch de eerste nederzettingen. De hoger gelegen essen en kampen waren zeer geschikt voor het verbouwen van de gewassen. Vanaf de nabijgelegen heidevelden werden plaggen gebruikt in het potstalsysteem. Na een vermenging met mest verdeelden de boeren het over de kampen en de essen. Essen werden vruchtbaarder en kwamen hoger in het landschap te liggen. Boerderijen lagen aan een es of kamp bij voorkeur nabij een heideveld. De essen zelf waren open, maar werden omgeven door een aaneenschakeling van erven en beplantingen. De daar gelegen groenstructuren waren grillig net als de wegen die van erf naar erf liepen. In tegenstelling tot veel andere gebieden is het geheel nog nagenoeg in stand gebleven. De es is nog altijd goed herkenbaar net als de rondom gelegen groenstructuur.
Het erf aan de Broekdijk 61 is al ver voor 1900 opgezet. Het erf ligt landschapsgericht en met de opstallen rondom de achterzijde. De erfopzet is herkenbaar voor de erven in het essenlandschap. In figuur 1.2 is de erfopzet weergegeven.
Figuur 1.2: Luchtfoto erf Broekdijk 61 Mander (bron:geo.overijssel.nl)
Dikkersbosweg 3 Albergen
Het plangebied ligt in het buitengebied van Albergen. Het betreft een uitgebreid dekzandgebied met ten dele natte omstandigheden. Hoogteverschillen zijn te herkennen onder meer door de unieke gordel met kampen aan de zuidzijde van de Waterreggeweg die de directe omgeving van het plangebied omarmen. In de directe omgeving zijn hoogteverschillen ook aanwezig, maar minder opvallend. In figuur 1.3 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.3: Ligging plangebied Dikkersbosweg 3 Albergen (bron: Topotijdreis.nl)
Het plangebied is gelegen in voormalig heidegebied en ligt in het buitengebied, ten zuiden van de kern Albergen. De heideplaggen werden gebruikt in het potstalsysteem. Na vermenging met mest verdeelden boeren het over de kampen en essen. Kampen werden vruchtbaarder en kwamen hoger in het landschap te liggen. Boerderijen lagen aan een kamp bij voorkeur nabij een heideveld. Voor de landbouw waren de heidevelden aanvankelijk niet interessant vanwege het ontbreken van voldoende kennis om arme gronden om te zetten in vruchtbare landbouwgronden. Voor de ontginning van de gronden werd aan de noordzijde een groot naaldbos aangeplant (‘het Dikkersbos’). De aanplant was mogelijk gericht op houtproductie. Vanaf de jaren ‘30 werden steeds meer heidegebieden in gebruik genomen (ontginning). Het landschap veranderde in een grootschalig en rationeel landschap, maar bleef open. Voorkomende beplantingsstructuren zijn robuust en liggen langs infrastructuren of perceelsranden.
Het erf verschijnt eind jaren ‘50. Het ligt kort aan de weg en de erfopzet is herkenbaar als in de grootschalige heideontginning. Op het erf is een woning met enkele vrijstaande bijbehorende bouwwerken aanwezig. In figuur 1.4 is een luchtfoto van het erf weergegeven.
Figuur 1.4: Luchtfoto erf Dikkersbosweg 3 Albergen (bron: Maps, google)
Vermolenweg 42 Geesteren
Het plangebied aan de Vermolenweg 42 in Geesteren ligt in het (hoog)veengebied ten noordwesten van de kern Geesteren. In figuur 1.5 is de ligging van het plangebied in de omgeving weergegeven.
Figuur 1.5: Ligging plangebied Vermolenweg 42 Geesteren (bron: Topotijdreis.nl
Het landschap is ontstaan tijdens de laatste ijstijd waarbij hoogteverschillen zijn bepaald door het landijs en de wind. Ten zuidoosten van het plangebied is er sprake geweest van meer hoogteverschillen, maar rondom het plangebied ligt een gebied zonder hoogteverschillen. Verschillen die er waren zijn nog eens minder geworden of verdwenen door de grootschalige ontginningen en/of de moderne landbouw. De hogere plekken in dit landschap zijn ingenomen door wegen en/of erven.
Erven lagen in dit landschap niet zo zeer aan de hoofdweg, maar konden ook veel verder van de weg afliggen. Doorgaans werden de hogere en drogere delen benut om te wonen. De percelen hadden een optrekkend karakter en lagen veelal haaks of iets schuin op de wegen. Het gebied geldt als de overgang van de heideontginningen en het hogere kampenlandschap naar de echte veenontginning. De topografische benaming zoals “Driesichter wegen” bevestigt dat. Er is altijd een grote mate van openheid geweest. Voorkomende beplantingsstructuren zijn robuust en liggen langs infrastructuren, nabij erven of perceelsranden. Bijvoorbeeld om de wind te breken.
Het voormalig agrarisch erf aan de Vermolenweg 44 (voormalig agrarisch erf) verschijnt rondom de vorige eeuwwisseling. Het erf aan de Vermolenweg 42 is nieuw ontstaan via rood voor rood door de sloop van de schuren van de Vermolenweg 44. De erven zijn orthogonaal en herkenbaar. Op het erf staat een woonhuis met geïntegreerd bijbehorend bouwwerk en vrijstaand bijbehorend bouwwerk. In figuur 1.6 is een luchtfoto van het erf weergegeven.
Figuur 1.6: Luchtfoto erf Vermolenweg 42 Geesteren (bron: Maps, google)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
Zienswijzen
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor eenieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Conclusie belangenafweging
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. In hoofdstuk 7 is een toelichting op de planregels opgenomen.
Zoals beschreven zijn de plangebieden met elkaar verbonden aangezien er op grond van de beleidsregels 'Buitengebied met kwaliteit' van de gemeente Tubbergen extra bouwmogelijkheden worden geboden aan de Dikkersbosweg 3 te Albergen en Vermolenweg 42 te Geesteren, in ruil voor de sloop van landschapsontsierende bebouwing aan de Broekdijk 61 te Mander. Hieronder wordt per plangebied ingegaan op de nieuwe situatie. In Bijlage 1 is het ruimtelijk kwaliteitsplan, waarin per plangebied de nieuwe situatie is weergegeven, bijgevoegd.
Broekdijk 61 Mander
In de huidige situatie is sprake van een erf met een woonhuis (A op de tekening in figuur 2.1) en enkele bijbehorende bouwwerken (B en C) daarachter. De woning is aan de rand van de es gepositioneerd. Aan de zuid-, west- en noordzijde zijn meerdere houtopstanden gelegen die behouden blijven. Het bestaande erf heeft in de huidige situatie een sterke relatie met het naastgelegen essenlandschap. Er is sprake van een landschappelijk goed ingepast erf. In figuur 2.1 is de gewenste erfopzet weergegeven.
Figuur 2.1: Gewenste ontwikkeling Broekdijk 61 Mander (bron: N+L Landschapsontwerpers)
Met de beoogde ontwikkeling worden twee landschapontsierende schuren (C) gesloopt en verdwijnt de aanwezige kuilplaat (K). De te slopen schuren hebben een gezamenlijke oppervlakte van 281 m2 en 158 m2 en bevatten asbest. Ter plaatse van de te slopen schuren wordt de ondergrond omgevormd naar gras/gazon. Het omliggend straatwerk zal verwijderd worden. De kuilplaat wordt verwijderd en zal worden omgezet naar agrarisch bouwland. De kuilplaat is niet meer als zodanig in gebruik en verwijdering ervan zorgt voor een enorme kwaliteitsimpuls. De boszoom van de bestaande houtopstand zal aangezet worden met nieuwe beplanting (L). In de nieuwe situatie is het erf aan de westzijde volledig omzoomd door een houtopstand (F/L). De oostzijde van het erf grenst aan de es en houdt dus de open verbinding.
De slooplocatie beschikt over een agrarische bedrijfsfunctie. Deze agrarische bedrijfsfunctie wordt behouden aangezien er nog akkerbouwactiviteiten worden geëxploiteerd. Wel wordt het agrarische bouwvlak (bedrijfsperceel) verkleind en wordt de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen planologisch aangepast aan de nieuwe situatie. De oppervlakte van het agrarisch bouwvlak neemt af met 4.689 m2 (van 9.700 m2 naar 5.011 m2). De maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag maximaal 495 m2 bedragen (340 m2 overige bedrijfsgebouwen + 155 m2).
Dikkersbosweg 3 Albergen
Zoals aangegeven is er in de huidige situatie sprake van een erf met woonhuis (A op de tekening in figuur 2.2) en bijbehorende bouwwerken (B). De woning ligt in het jonge heideontginning. Kenmerkend is de ligging kort aan de weg met de (voormalige boerderij) woning voorop, de bijbehorende bouwwerken erachter. Er is sprake van een zeer open landschap.
Figuur 2.2: Inpassing Dikkersbosweg 3 Albergen (bron: N+L Landschapsontwerpers)
De initiatiefnemer is voornemens om door middel van de regeling "uitbreiden van een woning" meer inhoud te realiseren. Op de locatie wordt het woonhuis vergroot met maximaal 281 m3 (C). De bestaande inhoud van de woning bedraagt maximaal 1.000 m3. De maximale inhoud van de woning bedraagt na het plan 1.281 m3. De impact op het landschap is feitelijk nihil. Het erf wordt niet groter, niet breder en ook niet langer. Enkel wordt het hoofdgebouw, de woning, een aantal meter langer. Derhalve wordt gesteld dat de huidige landschappelijke inpassing reeds volstaat.
Ter compensatie van de uitbreiding van de woning wordt aan de Broekdijk 61 in Mander een asbesthoudende schuur met een oppervlakte van 281 m2 gesloopt.
Vermolenweg 42 Geesteren
Aan de Vermolenweg 42 bevindt zich reeds een woonerf die gerealiseerd is op basis van de Rood voor Rood-regeling, waarbij de agrarische opstallen van het naastgelegen erf zijn gesloopt. Er is sprake van een woonhuis met geïntegreerd bijbehorend bouwwerk (A in figuur 2.3). De totale oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken is echter overschreden en er staat een bouwwerk buiten het functievlak (voorheen bestemmingsvlak).
De initiatiefnemer is voornemens om de ontstane situatie te legaliseren. Door middel van de regeling 'uitbreiden van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning' en 'uitbreiden woonperceel' wenst de initiatiefnemer het dierenverblijf voor alpaca's (B) en het kippenhok (K) te legaliseren. Totaal is dit 83 m2. De legale bebouwing op de locatie betreft 182 m2. Ten opzichte van de toegestane 200 m2 resteert er nog 18 m2. Voor de legalisatie moet er dus minimaal 65 m2 gesloopt worden.
De initiatiefnemer is voornemens om aan de Broekdijk 61 een bijbehorend bouwwerk met een oppervlakte van 158 m2 te slopen. In ruil daarvoor kan aan de Vermolenweg 42 een extra oppervlakte van 129 m2 aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden. Daardoor is het mogelijk om (200 m2 + 129 m2=) 329 m2 aan bijbehorende bouwwerken toe te staan.
Om het dierenverblijf voor alpaca's en het kippenhok te legaliseren wordt het voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. Ter plaatse van deze aanduiding is maximaal 83 m2 aan bebouwing toegestaan. De maximaal toegestane oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen - Wonen in het buitengebied' mag als gevolg van dit plan maximaal 246 m2 (329 m2 - 83 m2) bedragen. Tezamen bedraagt de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en veldschuren concreet 329 m2.
Tevens wordt de bestaande verharding buiten de woonfunctie aan de Vermolenweg 42 in Geesteren gelegaliseerd inclusief de voederplaten. Deze oppervlakte aan verharding bedraagt 95 m2 en de oppervlakte van de voederplaten bedraagt 10 m2.
Figuur 2.3: Erfopzet Vermolenweg 42 Geesteren (bron: N+L Landschapsontwerpers)
In de nieuwe situatie blijft de bestaande erfopzet behouden. In het kader van de Rood voor Rood-procedure ten behoeve van de realisatie van de woning waren reeds maatregelen uitgevoerd. Aan de zuidwestzijde zijn een drietal solitaire bomen aangeplant (H) en ook aan de voorzijde van de woning zijn bomen aangeplant (G) om de bomenrij langs te weg door te zetten. Er is gekozen voor beuken om de diversiteit in de omgeving te verbeteren. De overige bestaande houtopstanden (I) bestaan voornamelijk uit eiken.
Broekdijk 61 Mander
Om de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk in te passen in het geldende essenlandschap worden de volgende maatregelen genomen om de ruimtelijke kwaliteit te versterken:
Aangezien de initiatiefnemer de agrarische bedrijfsfunctie wenst te behouden voor de akkerbouwactiviteiten wordt de maximale oppervlakte aan bebouwing vastgelegd. Tevens wordt het agrarisch bouwvlak verkleind en rondom de resterende bebouwing gelegd. Het bestaande bouwvlak heeft een oppervlakte van 9.700 m2. De oppervlakte van het gewijzigde bouwvlak bedraagt 5.011 m2. Daarmee neemt de oppervlakte van het bouwvlak af met 4.689 m2.
Dikkersbosweg 3 Albergen
De impact op het landschap is zoals aangegeven op het perceel Dikkersbosweg feitelijk nihil. Het erf wordt niet groter, niet breder en ook niet langer. Enkel wordt het hoofdgebouw, de woning, een aantal meter langer. Derhalve wordt gesteld dat de huidige landschappelijke inpassing aan de hand van de bestaande landschapselementen reeds volstaat. Het plangebied wordt immers omzoomd door bestaande houtopstanden die kenmerkend zijn voor het jong heideontginningenlandschap.
Ter compensatie van de extra bouwmogelijkheden wordt aan de Broekdijk 61 in Mander een asbesthoudende schuur met een oppervlakte van 281 m2 gesloopt.
Vermolenweg 42 Geesteren
Als gevolg van het rood voor rood-plan welke in het verleden aan de Vermolenweg 42 is uitgevoerd, is het plangebied reeds landschappelijk ingepast. In het verleden zijn de volgende landschapsmaatregelen genomen:
Als gevolg van het voorgenomen plan blijven deze landschapsmaatregelen behouden
Resumerend kan geconcludeerd worden dat de plannen leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Enerzijds wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt en anderzijds worden er nieuwe landschapselementen aangeplant om een bijdrage te leveren aan het landschap. Tevens wordt het agrarisch bouwvlak, het agrarisch bedrijfsperceel en de maximale oppervlakte aan agrarische bedrijfsbebouwing aan de Broekdijk 61 in Mander beperkt. Het uitvoeren van de landschapsmaatregelen en de sloop is door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels geborgd.
Voor wat betreft de omgevings- en milieuaspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 5.
In hoofdstuk 2 zijn de activiteiten en ontwikkelingen van het plan reeds beschreven. In het kort heeft het betrekking op het volgende:
Het plan heeft zoals in paragraaf 3.1 beschreven betrekking op de volgende activiteiten:
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit drie plangebieden in de gemeente Tubbergen. Ter plaatse van de plangebieden geldt het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse van de plangebieden uit de volgende documenten:
Daarnaast maken ook gemeentelijke verordeningen onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege.
Hieronder wordt per plangebied afzonderlijk ingegaan op het geldende planologische regime en de daarbij behorende functies.
Broekdijk 61 Mander
Voor het plangebied aan de Broekdijk 61 in Mander geldt de enkelfunctie 'Agrarisch -1', de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 3' en een bouwvlak. Verder gelden de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied', 'milieuzone - intrekgebied', 'overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan' en 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'. In figuur 3.1 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.
Figuur 3.1: Uitsnede bestemmingsplan "Tubbergen Buitengebied 2016", onderdeel tijdelijk omgevingsplan Tubbergen (bron: regelsopdekaart.nl)
Agrarisch – 1
De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor het agrarisch gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden.
Waarde - Archeologie 3
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) (functies), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Er geldt een onderzoeksplicht voor activiteiten die een oppervlakte groter dan 2.500 m2 beslaan en dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld plaatsvinden.
Milieuzone - intrekgebied
De voor 'milieuzone - intrekgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening.
Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied
De voor 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de grondwaterkwaliteit als onderdeel van de drinkwatervoorziening en -winning van een grondwaterbeschermingsgebied.
Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied
De voor 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het toelaten van verschillende functies naast elkaar, waarbij het bevorderen van de ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden, de realisatie van milieudoelen, en - waar mogelijk - van recreatief gebruik bovengeschikt is aan andere belangen. De intensieve veehouderij wordt beëindigd en/of verplaatst. Overige functies kunnen zich in deze gebieden ontwikkelen, mits er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ontwikkeling van natuur, landschap en wonen.
Overige zone – geen boom- en sierteelt toegestaan
De voor 'overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het tegengaan van het gebruik van de gronden ten behoeve van sierteelt, boomteelt, houtteelt of overige opgaande teeltvormen, niet zijnde boom- en sierteelt binnen de bouwpercelen.
Aan de Broekdijk 61 wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt. De agrarische bedrijfsfunctie blijft behouden maar het functievlak en het bouwvlak worden beperkt. Tevens wordt de maximale oppervlakte aan gebouwen als gevolg van de sloop beperkt en planologisch vastgelegd.
De voorziene wijzigingen betreffen concreet dan ook het volgende:
Dikkersbosweg 3 Albergen
Voor het plangebied aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen geldt de enkelfunctie 'Wonen', de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 4' en voor een gering deel de dubbelfunctie 'Leiding - Gas'. Daarnaast gelden de aanduidingen 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' en 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied'. In figuur 3.2 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.
Figuur 3.2: Uitsnede bestemmingsplan "Tubbergen Buitengebied 2016", onderdeel tijdelijk omgevingsplan Tubbergen (bron: regelsopdekaart.nl)
Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf danwel een vrij beroep, mantelzorg en een bed and breakfast.
Voor het bouwen geldt dat uitsluitend woonhuizen gebouwd mogen worden en de inhoud van de woning maximaal 1.000 m3 mag bedragen inclusief de daarbijbehorende aangebouwde bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen.
Waarde - Archeologie 4
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) (functies), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.
Leiding - Gas
De voor "Leiding - Gas" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een strook ten behoeve van een hoofdgastransportleiding en afsluiterschema's ten behoeve van het transport van aardgas en het transport van injectiewater dat vrij komt bij mijnbouwactiviteiten en het onderhoud en beheer daarvan. Daarnaast zijn ze aangewezen voor de daarbijbehorende veiligheidszones en andere bouwwerken.
Reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied
De voor 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor de ontwikkeling van de landbouw, waarbij het belang van de landbouw bovengeschikt is aan andere belangen. Overige functies (onder andere natuur en landschap, recreatie en toerisme en wonen) kunnen zich in deze gebieden ontwikkelen, mits er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ontwikkeling van bestaande of inplaatsing van nieuwe agrarische bedrijven.
Vrijwaringszone - radarverstoringsgebied
De voor 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim.
De initiatiefnemer is voornemens om de woning uit te breiden met een inhoud van 281 m3. Dit is niet toegestaan aangezien de maximale inhoud van de woning daarmee wordt overschreden. De voorziene wijziging betreft concreet:
Vermolenweg 42 Geesteren
Aan de Vermolenweg 42 in Geesteren geldt de enkelfunctie 'Wonen', de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 4', een bouwvlak en de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting'. In figuur 3.3 is een uitsnede van de verbeelding van het omgevingsplan weergegeven.
Figuur 3.3: Uitsnede bestemmingsplan "Vermolenweg 44 Geesteren", onderdeel tijdelijk omgevingsplan Tubbergen (bron: regelsopdekaart.nl)
Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor:
Ten aanzien van het bouwen van bijbehorende bouwwerken geldt dat deze binnen het bestemmingsvlak gebouwd moeten worden en de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 200 m2 wanneer het bouwperceel in combinatie met het daaraan grenzende en daarmee een eigendomseenheid vormende gronden een gezamenlijke oppervlakte heeft van 5.000 m2.
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting' overeenkomstig de in de bestemming 'Wonen' opgenomen bestemmingsomschrijving, zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het bij de regels van het plan opgenomen Erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
Agrarisch - 1
De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor het agrarisch gebruik en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden.
Waarde - Archeologie 4
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.
Overige zone - vestigingsgebied voor boom- en sierteelt
De voor 'overige zone - vestigingsgebied voor boom- en sierteelt' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het toelaten van nieuwe sier- en boomteeltbedrijven op bestaande bouwvlakken voor agrarische bedrijven.
Reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied
De voor 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor de ontwikkeling van de landbouw, waarbij het belang van de landbouw bovengeschikt is aan andere belangen. Overige functies (onder andere natuur en landschap, recreatie en toerisme en wonen) kunnen zich in deze gebieden ontwikkelen, mits er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ontwikkeling van bestaande of inplaatsing van nieuwe agrarische bedrijven.
De totale oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken op het perceel is overschreden en er staat een bouwwerk buiten het functievlak (voorheen bestemmingsvlak).
De initiatiefnemer is voornemens om de ontstane situatie te legaliseren. Door middel van de regeling 'uitbreiden van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning' wenst de initiatiefnemer het bijbehorend bouwwerk (B) en het kippenhok (K) te legaliseren. Totaal is dit 83 m2. De legale bebouwing op de locatie betreft 182 m2. Ten opzichte van de toegestane 200 m2 resteert er nog 18 m2. Voor de legalisatie moet er dus minimaal 65 m2 gesloopt worden.
De voorziene wijziging betreft concreet:
In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd.
De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen:
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als: 'een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.
Dit TAM-omgevingsplan maakt geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk. De agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel Broekdijk 61 te Mander zijn reeds toegestaan en worden voortgezet. Wel wordt de oppervlakte van het bouwvlak en de bebouwing van het agrarisch bedrijf beperkt. Voor wat betreft de activiteiten geldt dat de milieubelastende activiteit moet voldoen aan afdeling 22.3 van de Bruidsschat. De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.
Voor zover sprake is van gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt aan deze verordeningen getoetst in hoofdstuk 4 van dit TAM-omgevingsplan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Voor een landelijk gebied dat zich toekomstbestendig kan ontwikkelen, is nodig dat de bereikbaarheid, de economische kracht en de beschikbaarheid van voorzieningen ook voldoende worden meegenomen in het Nationaal Programma Landelijk gebied. Vrijkomende agrarische bebouwing kan gebruikt worden voor het ontwikkelen van nieuwe functies en woonconcepten.
Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Ook wordt in de NOVI ingegaan op de aspecten 'economie en landschap'. Landschap is immers een belangrijk onderdeel van het vestigingsklimaat, zowel voor de meer verstedelijkte gebieden als voor de landelijke regio's. Voor een hoogwaardige kenniseconomie als de Nederlandse, is de bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van het omringende landschap van groot belang in de concurrentie met andere landen. Een aantrekkelijke leefomgeving is tevens een randvoorwaarde voor toerisme.
De aantrekkelijkheid van de leefomgeving is vaak de reden dat bezoekers naar een regio komen. Een aantrekkelijk landschap maakt dat mensen daar willen wonen, werken en recreëren. Vrijkomende agrarische bebouwing kan zoals hierboven al eerder aangegeven bijvoorbeeld met provinciale ruimte-voor-ruimteregelingen omgevormd worden tot aantrekkelijke nieuwe woon- of werklocaties, waarbij de vrijkomende agrarische grond zo veel mogelijk kan worden ingezet voor een grotere grondgebondenheid van de omliggende agrarische bedrijven, of worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer. Rijk en regio's werken samen uit hoe kan worden omgegaan met de opgave van agrarische leegstand en herbestemming in relatie tot het combineren van functies in het landelijke gebied, behoud en versterking van de leefbaarheid op het platteland en het voorkomen van verdere aantasting van het landschap.
Conclusie
Voorliggend plan betreft een lokale ontwikkeling waarmee geen rijksbelangen zijn gemoeid en waarbij geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Wel draagt de ontwikkeling bij aan opgave 4 "Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied". In ruil voor de sloop van landschapsontsierende bebouwing wordt aan twee locaties binnen de gemeente Tubbergen extra bouwmogelijkheden geboden voor de uitbreiding van de woning en extra bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken. De slooplocatie aan de Broekdijk 61 in Mander wordt landschappelijk ingepast. Aangezien de bouwlocaties aan de Vermolenweg 42 in Geesteren en Dikkersbosweg 3 in Albergen op grond van bestaande landschapsstructuren en elementen reeds goed zijn ingepast, worden daar geen nieuwe landschapsmaatregelen getroffen.
Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van de verschillende plangebieden centraal gesteld. Hierbij wordt onder andere verwezen naar het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 en de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor deze ontwikkeling.
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in de Omgevingswet. In de omgevingsvisie bekijkt de provincie zaken als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Of - Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt het er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Waar – Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Hoe - Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)
Wanneer het plan wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Of - Generieke beleidskeuzes
Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' zijn de volgende artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang:
Artikel 4.4 Principe van concentratie (lid 1)
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Doorwerking voor voorliggend plan:
De voorgenomen ontwikkeling maakt geen nieuwe woningbouw of andere stedelijke voorzieningen mogelijk. Middels het plan wordt enkel landschapsontsierende bebouwing gesloopt (Broekdijk 61) en ter compensatie van de sloop worden aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen en Vermolenweg 42 in Geesteren extra bouwmogelijkheden geboden voor het vergroten van de woning of bijbehorende bouwwerken bij de woning.
Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 2)
Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat:
Doorwerking voor voorliggend plan:
Op grond van de Omgevingsverordening Overijssel wordt onder Groene Omgeving verstaan: dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied. Het bestaand bebouwd gebied is gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg.
Daarnaast zijn stedelijke functies gedefinieerd als: functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen.
Het voorgenomen plan voorziet in de sloop van twee landschapsontsierende schuren met een oppervlakte van 281 m2 en 158 m2 aan de Broekdijk 61 in Mander. Het agrarisch bouwvlak c.q. bedrijfsperceel wordt als gevolg van dit plan verkleind en de bouwmogelijkheden worden beperkt tot maximaal de overgebleven bebouwing. Daarmee neemt de bebouwing, de verharding en de planologische mogelijkheid voor het aanleggen van verharding af.
Ter compensatie van de sloop wordt de woning aan de Dikkersbosweg 3 te Albergen vergroot met 281 m3, waardoor een maximale inhoud van 1.281 m3 wordt toegestaan. De uitbreiding van de woning vindt binnen de huidige functie 'Wonen' plaats. Daarmee legt het plan geen extra ruimtebeslag op de groene omgeving. Het perceel is reeds voorzien van een stedelijke functie, namelijk 'wonen'.
Tot slot wordt aan de Vermolenweg 42 te Geesteren de (planologische) oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij de woning vergroot en worden bestaande hobbymatige dierenverblijven ter plaatse van de functie 'Agrarisch - 1' gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'veldschuur'. Op het perceel is reeds een woning met bijbehorende bouwwerken aanwezig. De totale oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij de woning is echter overschreden en er staat een bouwwerk buiten het functievlak (voorheen bestemmingsvlak). De initiatiefnemer is voornemens om de ontstane situatie te legaliseren. Door middel van de regeling 'uitbreiden van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning' wenst de initiatiefnemer het bijbehorend bouwwerk te legaliseren. Totaal is dit 83 m2. De legale bebouwing op de locatie betreft 182 m2. Ten opzichte van de toegestane 200 m2 resteert er nog 18 m2 dat "bij recht" gebouwd mag worden.
De initiatiefnemer is voornemens om de ontstane situatie te legaliseren. Door middel van de regeling 'uitbreiden van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning' en 'uitbreiden woonperceel' wenst de initiatiefnemer het dierenverblijf voor alpaca's (B) en het kippenhok (K) te legaliseren. Totaal is dit 83 m2. De legale bebouwing op de locatie betreft 182 m2. Ten opzichte van de toegestane 200 m2 resteert er nog 18 m2. Voor de legalisatie moet er dus minimaal 65 m2 gesloopt worden.
Om deze bebouwing te legaliseren is initiatiefnemer voornemens om aan de Broekdijk 61 een bijbehorend bouwwerk met een oppervlakte van 158 m2 te slopen. In ruil daarvoor kan aan de Vermolenweg 42 een extra oppervlakte van 129 m2 aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden. Daardoor is het mogelijk om (200 m2 + 129 m2=) 329 m2 aan bijbehorende bouwwerken toe te staan. De totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen - Wonen in het buitengebied' (246 m2) en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur' (83 m2) bedraagt als gevolg van dit plan gezamenlijk maximaal 329 m2. Tevens wordt de bestaande verharding buiten de woonfunctie aan de Vermolenweg 42 in Geesteren gelegaliseerd inclusief de voederplaten. Deze oppervlakte aan verharding bedraagt 95 m2 en de oppervlakte van de voederplaten bedraagt 10 m2.
Tot slot geldt dat de verharde oppervlakte in het buitengebied van de gemeente Tubbergen (en daarmee ook de provincie Overijssel) afneemt. Ter compensatie van de uitbreiding van de woning aan de Dikkersbosweg 3 en de uitbreiding van de bijbehorende bouwwerken aan de Vermolenweg 42 wordt een veelvoud aan bebouwing gesloopt. Er wordt immers 439 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt en het agrarisch bouwvlak aan de Broekdijk 61 wordt verkleind met 4.689 m2. Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Artikel 4.8 Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Doorwerking voor voorliggend plan:
De voorgenomen ontwikkeling versterkt de ruimtelijke kwaliteit. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor alle planlocaties, waarin de landschappelijke maatregelen die genomen worden binnen de diverse plangebieden zijn omschreven. Hiervoor wordt verwezen naar Bijlage 1 van de motivering. Er worden diverse groenstructuren aangelegd die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Daarnaast neemt de oppervlakte aan bebouwing en verharding in het buitengebied af.
Het ruimtelijk kwaliteitsplan en de landschapsmaatregelen houden rekening met het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering), het geldende ontwikkelingsperspectief en de catalogus gebiedskenmerken. Daarmee wordt eveneens voldaan aan artikel 4.9 'onderbouwing ruimtelijke kwaliteit' van de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4.11 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (lid 1)
Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:
Doorwerking voor voorliggend plan:
De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op grond van de beleidsnota "Buitengebied met kwaliteit" van de gemeente Tubbergen. Deze beleidsregel betreft een nadere uitwerkiung van het provinciaal beleid ten aanzien van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
Op grond van de beleidsnota is het mogelijk om ter compensatie van de sloop van landschapsontsierende bebouwing elders extra bouwmogelijkheden mogelijk te maken. Ter compensatie dient op grond van de in de gemeentelijke beleidsnota opgenomen staffel een veelvoud aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt te worden.
In voorliggend plan wordt 439 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt aan de Broekdijk 61 in Mander. Aan de Dikkersbosweg 3 wordt de woning met 281 m3 uitgebreid en aan de Vermolenweg 42 mogen als gevolg van dit plan extra bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden (planologische legalisatie). Tevens geldt dat alle planlocaties landschappelijk moeten worden ingepast. De wijze waarop de landschappelijke inpassing plaatsvindt is in het ruimtelijke kwaliteitsplan (Bijlage 1 bij de motivering) uitgewerkt. Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met artikel 4.11 van de provinciale Omgevingsverordening.
Artikel 4.38 Kwaliteitsimpuls agro en food, algemene regel
Omgevingsplannen laten bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarisch bedrijven alleen toe op een bestaand agrarisch bouwperceel of een voormalig agrarisch bouwperceel.
Doorwerking voor voorliggend plan:
Het plan maakt geen nieuw agrarisch bedrijf mogelijk. Het plan voorziet enkel in de sloop van landschapsontsierende bebouwing en de planologische inperking van de bouwmogelijkheden en het bedrijfsperceel (bouwvlak) ten behoeve van de akkerbouwactiviteiten. Het plan is derhalve niet in strijd met artikel 4.38 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.55 Nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap Noordoost-Twente
Doorwerking voor voorliggend plan:
In de Nationale Landschappen gaat het om het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten van deze gebieden. Ook willen we de recreatieve toegankelijkheid vergroten. Voor grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met de doelstellingen van de Nationale Landschappen is geen plek.
Het Nationaal Landschap Noordoost-Twente is een afwisselend en kleinschalig landschap met grote hoogteverschillen, bronnen, beken, houtwallen, bossen en landgoederen. Je vindt hier een van de oudste landschapstypes van Nederland: het essenlandschap. De essen, de akkerbouwgebieden van het oude landschap, herken je aan een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. De essen liggen op de hogere gronden. De beekdalen werden vroeger gebruikt voor het houden van vee.
Het glooiende landschap van Noordoost-Twente is zeer gevarieerd door een fijnmazig samenstel van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. Houtwallen, singels en bossen zorgen voor een kleinschalig en groen karakter. De specifieke landschappelijke (kern)kwaliteiten zijn:
Als gevolg van het plan worden de plangebieden aan de Broekdijk 61 in Mander, Dikkersbosweg 3 in Albergen en Vermolenweg 42 in Geesteren landschappelijk ingepast volgens de geldende gebiedskenmerken. Daarmee wordt geen afbreuk gedaan aan de kenmerken van het Nationaal Landschap Noordoost Twente.
Artikel 4.73 Instructieregel functieaanduiding intrekgebieden
Doorwerking voor voorliggend plan:
Het plangebied aan de Broekdijk 61 ligt in een intrekgebied. De voorgenomen ontwikkeling maakt echter geen nieuwe risicovolle activiteit in het intrekgebied mogelijk. Het plan voorziet enkel in de sloop van landschapsontsierende bebouwing en de planologische inperking van de bouwmogelijkheden en het bedrijfsperceel (bouwvlak) ten behoeve van de akkerbouwactiviteiten.
De plangebieden aan de Vermolenweg 42 en Dikkersbosweg 3 zijn niet gelegen in een intrekgebied. Het plan is derhalve niet in strijd met artikel 4.73 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Waar - Ontwikkelingsperspectieven
Broekdijk 61 Mander
Het plangebied aan de Broekdijk 61 kent op grond van de ontwikkelingsperspectieven de volgende kenmerken:
In figuur 4.2 is een uitsnede van de kaart met ontwikkelingsperspectieven weergegeven.
Figuur 4.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart (bron: provincie Overijssel)
Het plan voorziet in de sloop van twee landschapsontsierende gebouwen die voorheen agrarisch in gebruik waren. De te slopen schuren liggen binnen het ontwikkelingsperspectief wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap waar ingezet wordt op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van diverse functies in het buitengebied. Het bestaande agrarische bedrijf (akkerbouw) wordt als gevolg van de ontwikkeling ingeperkt voor wat betreft de bouwmogelijkheden. Daarnaast wordt het bouwvlak verkleind.
De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast waardoor tevens een bijdrage wordt geleverd aan het behoud en de ontwikkeling van het landschap.
Voor wat betreft het ontwikkelingsperspectief 'Natuurnetwerk Nederland' geldt dat er binnen die gronden geen activiteiten en werkzaamheden worden uitgevoerd. Daarmee wordt geen afbreuk gedaan aan de samenhang, de oppervlakte en kwaliteit van het NNN.
Een klein deel van het erf ligt ook in de 'zone ondernemen met natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland'. Als gevolg van de ontwikkeling wordt het agrarisch erf in zowel oppervlakte als bebouwingsmogelijkheden beperkt. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast waardoor het een bijdrage levert aan de versterking van de kwaliteit van de natuur en het landschap rond het bestaande Natuurnetwerk Nederland. Het plan is in overeenstemming met de geldende ontwikkelperspectieven.
Dikkersbosweg 3 Albergen
Voor het plangebied aan de Dikkersbosweg 3 geldt het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming wordt hier verstaan: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, natuuropgaven, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden.
Het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap biedt ruimte aan concurrerende en innovatieve vormen van landbouw en aan opwekking van hernieuwbare energie. Denk daarbij aan zonnepanelen, maar ook aan windenergie en biovergisters. Wat betreft windenergie liggen vanuit de optiek van rendement de beste (wind)kansen in het noorden en noordwesten van de provincie: daar waait het het hardst.
Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. In figuur 4.3 is een uitsnede van de kaart met ontwikkelingsperspectieven weergegeven.
Figuur 4.3: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart (bron: provincie Overijssel)
Als gevolg van de sloop van landschapsontsierende bebouwing aan de Broekdijk 61 te Mander wordt in het kader van de 'schuren voor woning' regeling uit de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit' de inhoud van de woning vergroot. Er is reeds sprake van een bestaand woonerf waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw niet worden beperkt. Het woonerf wordt ook niet vergroot. Het plan is in overeenstemming met het geldende ontwikkelingsperspectief.
Vermolenweg 42 Geesteren
Het plangebied aan de Vermolenweg 42 ligt in het ontwikkelperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming wordt hier verstaan: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, natuuropgaven, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden.
Het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap biedt ruimte aan concurrerende en innovatieve vormen van landbouw en aan opwekking van hernieuwbare energie. Denk daarbij aan zonnepanelen, maar ook aan windenergie en biovergisters. Wat betreft windenergie liggen vanuit de optiek van rendement de beste (wind)kansen in het noorden en noordwesten van de provincie: daar waait het het hardst.
Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. In figuur 4.4 is een uitsnede van de kaart met ontwikkelingsperspectieven weergegeven.
Figuur 4.4: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart (bron: provincie Overijssel)
Aan de Vermolenweg bevindt zich reeds een woonerf, welke gerealiseerd is op basis van de Rood voor Rood-regeling, waarbij de agrarische opstellen van het naastgelegen erf zijn gesloopt. Er is reeds sprake van een woonhuis met geïntegreerd bijbehorend bouwwerk. De totale oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken is echter overschreden en er staat een bouwwerk buiten het functievlak (voorheen bestemmingsvlak). De initiatiefnemer is voornemens om de ontstane situatie te legaliseren. Er wordt geen nieuwe woning gerealiseerd.
In hoofdstuk 5 is aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor omliggende agrarische bedrijven. Daarnaast wordt aangesloten bij de bestaande bebouwing op het erf. Het plan is derhalve in overeenstemming met het geldende ontwikkelingsperspectief.
Hoe - Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Aangezien de plangebieden zijn gelegen in het buitengebied is de stedelijke laag niet van toepassing. Voor wat betreft de laag van de beleving gelden voor het plangebied aan de Dikkersbosweg 3 en Vermolenweg 42 geen specifieke kenmerken.
Natuurlijke laag
Broekdijk 61 Mander
Op grond van de natuurlijke laag geldt voor het plangebied Broekdijk 61 het kenmerk 'stuwwallen' en 'dekzandvlakte en ruggen'. De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de 'ingangen' van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. In figuur 4.5 is een uitsnede van de natuurlijke laag weergegeven.
Figuur 4.5: Uitsnede natuurlijke laag (bron: provincie Overijssel)
De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwallen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken.
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving.
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.
De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting.
Het plan voorziet in de sloop van twee landschapsontsierende gebouwen. Het plan wordt landschappelijk ingepast door de boszoom van de bestaande houtopstand aan te zetten met nieuwe beplanting. Daarnaast wordt de open verbinding aan de oostzijde behouden en de overbodige verharding en kuilvoerplaten verwijderd. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het beleefbaar maken van de natuurlijke laag.
Dikkersbosweg 3 Albergen
Het plangebied aan de Dikkersbosweg 3 kent op grond van de natuurlijke laag het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen'. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. In figuur 4.6 is een uitsnede van de natuurlijke laag weergegeven.
Figuur 4.6: Uitsnede natuurlijke laag (bron: provincie Overijssel)
De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting.
Het plan maakt enkel de vergroting van een bestaande woning op een bestaand woonerf mogelijk. Het plan heeft geen invloed op de kenmerken van de dekzandvlakten- en ruggen. In de huidige situatie is er reeds verharding en bebouwing op het erf aanwezig. Tevens is het erf reeds goed landschappelijk ingepast waardoor het geen afbreuk doet aan de kenmerken van de natuurlijke laag.
Vermolenweg 42 Geesteren
Op grond van de natuurlijke laag kent het plangebied aan de Vermolenweg 42 in Geesteren het kenmerk 'Hoogveengebieden'. In figuur 4.7 is een uitsnede van de natuurlijke laag weergegeven.
Figuur 4.7: Uitsnede natuurlijke laag (bron: provincie Overijssel)
De ambitie is de hoogveenrestanten in stand te houden en op een aantal plekken het hoogveen opnieuw tot groei te brengen. Het open natte karakter is hierbij een belangrijke kwaliteit. De inzet is op de randen tussen de hoogveen restanten en de hoogveenontginnings gebieden de hoogveenontginnings gebieden landschappelijk leesbaar te maken als ontgonnen deel van het oorspronkelijk veenlandschap. Zo ontstaat een samenhangend en leesbaar landschap in de hoogveengebieden en een overgang naar heide en schaalgras landen eromheen.
Als ontwikkelingen plaats vinden in de nabijheid van hoogveenrestanten, dan dragen deze bij aan verbetering van de hydrologie om verdroging van het veenpakket tegen te gaan en, waar mogelijk, aan toename van natuurkwaliteit en het areaal levend hoogveen. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting.
De kenmerken van het oorspronkelijk landschap zijn nauwelijks meer waarneembaar, als gevolg van het in cultuur brengen ten behoeve van het erf. In het verleden was sprake van een agrarisch erf, maar deze is in het kader van de Rood voor Rood-regeling verwijderd. Ter compensatie daarvan was een nieuw erf gerealiseerd. De erfopzet van het erf aan Vermolenweg 42 is kenmerkend voor dit landschap; vaak kort aan de weg met een orthogonale opzet. Het woonhuis voorop en de rest van de gebouwen daarachter. Derhalve is het logisch om bijbehorende bouwwerken achter de woning op het perceel te plaatsen.
Het erf is in het verleden als gevolg van een rood voor rood-ontwikkeling reeds landschappelijk ingepast. Als gevolg van dit plan worden derhalve geen nieuwe landschapsmaatregelen getroffen aan de Vermolenweg 42 in Geesteren.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
Broekdijk 61 Mander
Op grond van de laag van het agrarisch cultuurlandschap geldt voor het plangebied het 'essenlandschap'. Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. In figuur 4.8 is een uitsnede van de kaartlaag van het agrarisch cultuurlandschap weergegeven.
Figuur 4.8: Uitsnede laag agrarisch cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel)
De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplantingen, routes en open ruimtes wordt versterkt. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk.
Met de beoogde ontwikkeling worden twee landschapsontsierende schuren gesloopt en verdwijnt de aanwezige kuilvoerplaat. Ter plaatse van de te slopen schuren wordt de ondergrond omgevormd naar gras/gazon. Het omliggend straatwerk wordt verwijderd. De kuilvoerplaat wordt verwijderd en de grond zal daar worden omgezet naar agrarisch bouwland. De boszoom van de bestaande houtopstand zal worden aangezet met nieuwe beplanting. Daarmee wordt het erf aan de westzijde in de nieuwe situatie volledig omzoomd door een houtopstand. De oostzijde van het erf grenst aan de es en houdt dus de open verbinding. Daarmee past de ontwikkeling in het essenlandschap.
Dikkersbosweg 3 Albergen
Op grond van de laag van het agrarisch cultuurlandschap geldt voor de Dikkersboswerg 3 het kenmerk 'jong heide- en broekontginningslandschap'. In figuur 4.9 is een uitsnede van de laag van het agrarisch cultuurlandschap weergegeven.
Figuur 4.9: Uitsnede laag agrarisch cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel)
Nieuwe ontwikkelingen in deze landschapstypen dienen bij te dragen aan het behoud en de versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.
De initiatiefnemer is voornemens om door middel van de regeling "uitbreiden van een woning" meer inhoud te realiseren. Op de locatie wordt het woonhuis vergroot met maximaal 281 m3. De impact op het landschap is feitelijk nihil. Het erf wordt niet groter, niet breder en ook niet langer. Enkel wordt het hoofdgebouw, de woning, een aantal meter langer. Derhalve wordt gesteld dat het plan geen impact heeft op het jong heide- en broekontginningslandschap.
Vermolenweg 42 Geesteren
Op grond van de natuurlijke laag geldt het kenmerk 'veenkoloniaal landschap'. Dit zijn grootschalig open landschappen met een lineaire bebouwings, verkavelings en ontwateringsstructuur. Ze zijn ontstaan door grootschalige ontginning van de hoogveengebieden ten behoeve van de turfwinning. Een ontwateringsstelsel van kanalen en wijken is typerend voor dit landschap. Vanuit nieuwe linten en kanaaldorpen werd het hoogveen ontgonnen. Het vergraven landschap werd vervolgens als akkerbouwgebied in gebruik genomen. In figuur 4.10 is een uitsnede van de laag van het agrarisch cultuurlandschap weergegeven.
Figuur 4.10: Uitsnede laag agrarisch cultuurlandschap (bron: provincie Overijssel)
De ambitie is de aantrekkelijkheid, de leefbaarheid en kwaliteit van de veenkoloniale landschappen te versterken. De opgave is aan de grote maat, de vergezichten en de schoonheid van de moderne landbouw, nieuwe, op leefbaarheid en economische veerkracht gerichte, ontwikkelingen te koppelen. Daarmee kan tevens het contrast tussen de grote open ruimtes en verdichte zones (linten en kanaaldorpen) worden versterkt.
Als gevolg van de legalisatie wordt een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen - Wonen in het buitengebied' (maximaal 246 m2) toegestaan en worden twee bestaande hobbymatige dierenverblijven voorzien van de aanduiding 'veldschuur' (maximaal toegestane oppervlakte 83 m2). De legalisatie van deze bouwwerken aan de achterzijde van het perceel (door middel van de aanduiding veldschuur) past binnen de kenmerken van het veenkoloniaal landschap. Vanuit landschappelijk oogpunt is het immers niet wenselijk om bijbehorende bouwwerken voor de woning te situeren. Dit sluit naadloos aan bij de kenmerken van het veenkoloniaal landschap. De erfopzet in die gebieden is immers kenmerkend; vaak kort aan de weg met een orthogonale opzet. Het woonhuis voorop en de rest van de gebouwen daarachter.
Om het erf in de reeds aanwezige situatie landschappelijk in te passen waren reeds maatregelen uitgevoerd. Aan de zuidwestzijde zijn een drietal soilitaire bomen aangeplant en ook aan de voorzijde van de woning zijn bomen aangeplant om de bomenrij langs de weg door te zetten. Daarnaast zijn er reeds bestaande houtopstanden aanwezig en is er ook sprake van het behoud van het open landschap. Het plan voldoet aan de kenmerken van het veenkoloniaal landschap.
Laag van de beleving
Zoals aangegeven gelden voor het plangebied aan de Dikkersbosweg 3 en Vermolenweg 42 geen specifieke kenmerken op grond van de laag van de beleving.
Voor het plangebied aan de Broekdijk 61 in Mander gelden de kenmerken van de 'donkterte'. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk.
Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Veel aandacht voor vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied.
De ontwikkeling voorziet in de sloop van twee landschapsontsierende gebouwen, het inperken van de bouwmogelijkheden en het aanpassen van het bouwvlak van het agrarische bedrijf (akkerbouw). Er worden geen nieuwe gebouwen gerealiseerd en ook geen nieuwe (kunstmatige) lichtbronnen mogelijk gemaakt. Het plan heeft geen invloed op de donkerte.
Conclusie
Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met de provinciale Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Overijssel.
De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft op 16 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:
De gemeente Tubbergen wil een economisch sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden.
In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging.
Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers.
De speerpunten voor het buitengebied zijn;
Toets Omgevingsvisie Tubbergen
Het plangebied bevat drie planlocaties binnen de gemeente Tubbergen. In onderstaande tabel wordt per planlocatie ingegaan op het gebiedskenmerk op basis van de 'waardenkaart' zoals is opgenomen in de omgevingsvisie.
De donkergroene landschappen (Broekdijk 61) zijn de waardevolle landschappen die door de tijd heen in stand gebleven zijn waar gestuurd wordt op behouden en versterken. Bij een combinatie met een lage dynamiek is het landschap nog zeer herkenbaar ten opzichte van 100 jaar geleden. Dit wil niet zeggen dat hier niets ontwikkeld kan worden. Wel dat hier meer rekening gehouden wordt met de gevolgen voor de natuur en het landschap.
Bij ontwikkelingen moet onder andere ingespeeld worden op het volgende:
Als gevolg van het plan wordt aan de Broekdijk 61 circa 439 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak) wordt verkleind met circa 3.244 m2 en de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen wordt vastgelegd op maximaal de overgebleven bebouwing (507 m2). De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast waarbij rekening gehouden wordt met het essenlandschap. De volgende maatregelen worden genomen om de ruimtelijke kwaliteit te versterken:
De ontwikkeling is passend in het geldende landschap en draagt bij aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
In de middelgroene landschappen (Vermolenweg 42) zijn waarden aanwezig voor modern, agrarisch gebruik alsmede landschapswaarden die van belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. Bij ontwikkelingen moet onder andere ingespeeld worden op:
Aan de Vermolenweg 42 is op grond van een reeds doorlopen Rood voor Rood-procedure een nieuw erf gerealiseerd waar een woning met bijbehorende bouwwerken aanwezig is. Als gevolg van de sloop van 158 m2 aan landschapsontsierende bebouwing aan de Broekdijk 61 kan de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken vergroot worden. De maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen - Wonen in het buitengebied' bedraagt als gevolg van dit plan 246 m2. Daarnaast worden de bestaande hobbymatige dierenverblijven gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur' waarvoor maximaal 83 m2 aan gebouwen is toegestaan. Daarmee bedraagt de totale oppervlakte aan bebouwing op de functie 'Wonen - Wonen in het buitengebied' en de aanduiding 'veldschuur' gezamenlijk 329 m2 .
In het verleden zijn als gevolg van een rood voor rood-ontwikkeling op het perceel reeds landschapsmaatregelen getroffen om het erf landschappelijk in te passen. Als gevolg van dit plan worden geen nieuwe landschapsmaatregelen getroffen aan de Vermolenweg 42.
Tot slot zijn de lichtgroene landschappen (Dikkersbosweg 3) de landschappen waar in de afgelopen 80 tot 100 jaar veel veranderd is en waar de lagere landschapswaarde ruimte voor ontwikkeling biedt. Dit zijn bijvoorbeeld de heide- of veenontginningen met een hoge dynamiek. Bij ontwikkelingen moet ingespeeld worden op onder andere:
Als gevolg van de sloop van 281 m2 aan landschapsontsierende bebouwing aan de Broekdijk 61 in Mander, wordt de bestaande woning aan de Dikkersbosweg 3 met 281 m3 vergroot tot maximaal 1.281 m3. De impact op het landschap van het perceel Dikkersbosweg 3 is feitelijk nihil. Het erf wordt niet groter, niet breder en ook niet langer. Enkel wordt het hoofdgebouw, de woning, een aantal meter langer. Het plangebied wordt reeds omzoomd door bestaande houtopstanden die kenmerkend zijn voor het jong heideontginningenlandschap. Het plan is derhalve in overeenstemming met de Omgevingsvisie Tubbergen.
Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat dit plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie van de gemeente Tubbergen.
Het buitengebied van Tubbergen kenmerkt zich door een mix van functies als landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en wonen. Al deze functies vragen om ruimte. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom wordt ook voor de toepassing van de beleidsregel het uitgangspunt gehanteerd; de goede functies op de goede pek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een aantrekkelijk en vitaal buitengebied waar een goede balans is tussen landgebruik, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en economische activiteiten.
Om dit te kunnen bereiken beschikt de gemeente over diverse beleidsregelingen zoals bijvoorbeeld Rood voor Rood, Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, Schuur voor Schuur en het VAB+ beleid. Alle beleidsregelingen hebben de afgelopen jaren op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk en vitaal buitengebied en de doelstellingen van deze regelingen sluiten nog prima aan bij de speerpunten voor het buitengebied zoals geformuleerd in mijnOmgevingsvisie Tubbergen.
Doelstelling
Het doel van deze beleidsregel is meervoudig. Enerzijds is deze beleidsregeling bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Anderzijds is het doel van deze beleidsregeling om (economische) ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied.
Uitbreiden woning
Voor het uitbreiden van de inhoud van een woning (hoofdgebouw met eventuele aan- en uitbouwen) met meer m3 binnen de functie ‘Wonen’, gelden de volgende voorwaarden:
Uitbreiden vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning
Voor het uitbreiden van bij een woning toegelaten vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie 'Wonen' gelden de volgende voorwaarden:
Toets Buitengebied met kwaliteit
Als gevolg van dit plan wordt ter compensatie van de sloop van twee schuren aan de Broekdijk 61 te Mander extra bouwmogelijkheden geboden aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen en Vermolenweg 42 in Geesteren.
Dikkersbosweg 3 Albergen
De initiatiefnemer is voornemens om de woning aan de Dikkersbosweg 3 te vergroten met een inhoud van 281 m3, waardoor de maximale inhoud 1.281 m3 mag bedragen. De regels uit artikel 3.1 van de beleidsnota zijn van toepassing. Om deze vergroting mogelijk te maken moet 281 m2 aan bebouwing met asbest gesloopt worden. Daarvoor wordt een schuur met een oppervlakte van 281 m2 met asbest gesloopt aan de Broekdijk 61 in Mander. De te slopen schuur is legaal opgericht en kan als landschapsontsierend worden aangemerkt. Het gebouw wordt in zijn geheel gesloopt inclusief fundering.
Vermolenweg 42 Geesteren
Op het perceel aan de Vermolenweg 42 is reeds een woning met bijbehorende bouwwerken aanwezig. De totale oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken is echter overschreden en er staat een bouwwerk buiten het woonperceel. De initiatiefnemer is voornemens om de ontstane situatie te legaliseren. De legalisatie kan plaatsvinden door middel van de regeling 'uitbreiden van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij woning' (artikel 3.2). Concreet betekent dit dat er 83 m2 gelegaliseerd moet worden. De legale bebouwing op de locatie betreft 182 m2. Ten opzichte van de toegestane 200 m2 resteert er nog 18 m2 dat "bij recht" gebouwd mag worden. Voor de legalisatie van het totaal moet er dus minimaal 65 m2 elders gesloopt worden. De initiatiefnemer is voornemens om aan de Broekdijk 61 een bijbehorend bouwwerk met een oppervlakte van 158 m2 te slopen. De maximale toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag als gevolg van dit plan 329 m2 bedragen. Concreet mag binnen de functie 'Wonen - Wonen in het buitengebied' 246 m2 aan bijbehorende bouwwerken gebouwd worden en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur' mag de oppervlakte aan bebouwing maximaal 83 m2 bedragen. Tevens wordt de bestaande verharding binnen de functie 'Agrarisch - 1' met een oppervlakte van 95 m2 gelegaliseerd.
Het huidige functievlak 'Wonen' is voor het grootste gedeelte reeds bebouwd en verhard. Vanuit landschappelijk oogpunt is het niet wenselijk om bijbehorende bouwwerken voor de woning te situeren, waardoor een uitbreiding aan de achterzijde noodzakelijk is. Daar is reeds bebouwing aanwezig en deze bebouwing wordt door middel van dit plan gelegaliseerd. Dit sluit naadloos aan bij de kenmerken van het veenkoloniaal landschap. De erfopzet in die gebieden is immers kenmerkend; vaak kort aan de weg met een orthogonale opzet. Het woonhuis voorop en de rest van de gebouwen daarachter.
Resumerend geldt dat de slooplocatie landschappelijk is ingepast conform de daarvoor geldende gebiedskenmerken. De bouwlocaties aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen en Vermolenweg 42 in Geesteren zijn reeds landschappelijk ingepast op basis van bestaande landschapselementen. In het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 bij de motivering en in paragraaf 2.2 is de landschappelijke inpassing op de erven weergegeven en beschreven.
Tevens worden op zowel de slooplocatie als de bouwlocaties de planologische bouwmogelijkheden aangepast aan de nieuwe situatie. Op het perceel Broekdijk 61 in Mander mag maximaal de overgebleven bebouwing gebouwd worden en/of aanwezig zijn en het agrarisch bouwvlak wordt verkleind met een oppervlakte van circa 4.689 m2 (van 9.700 m2 naar 5.011 m2). Op basis van vorenstaande geldt dat aan de voorwaarden van de beleidsnota 'Buitengebied met kwaliteit' wordt voldaan.
De gemeente Tubbergen heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Tubbergen heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Dinkelland, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.
Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijke aanvragen op basis van het casco, dit zijn:
Toets aan cascobenadering
Hieronder wordt per planlocatie getoetst aan de cascobenadering Noordoost-Twente.
Broekdijk 61 Mander
Aan de Broekdijk 61 zijn rondom het plangebied elementen aanwezig die tot het casco behoren. De beoogde ontwikkeling op het erf heeft echter geen gevolgen voor de bestaande casco elementen. De elementen zullen behouden blijven. In figuur 4.11 is een uitsnede van de casco-kaart voor het perceel Broekdijk 61 weergegeven.
Figuur 4.11: Casco element Broekdijk 61 Mander
Dikkersbosweg 3 Albergen
Aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen is sprake van landschapselementen maar deze behoren niet tot het casco. Echter, wel of geen onderdeel van de casco: de elementen moeten ongeroerd blijven. De vergroting van de woning heeft geen impact op het landschap. Het bestaande erf wordt niet groter, niet breder en ook niet langer. Enkel wordt het hoofdgebouw, de woning, een aantal meter langer en groter. Het plan heeft geen gevolgen voor casco elementen. In figuur 4.12 is een uitsnede van de casco-kaart voor het perceel Dikkersbosweg 3 weergegeven.
Figuur 4.12: Casco element Dikkersbosweg 3 Albergen
Vermolenweg 42 Geesteren
Aan de Vermolenweg 42 zijn rondom het plangebied elementen aanwezig die tot het casco behoren. De beoogde ontwikkeling op het erf heeft echter geen gevolgen voor de bestaande casco elementen. De elementen zullen behouden blijven. Overigens zijn de landschapselementen aan de oostzijde al verdwenen met de ontwikkeling van het Rood voor Rood-plan uit het verleden. In figuur 4.13 is een uitsnede van de casco-kaart voor het perceel Vermolenweg 42 weergegeven.
Figuur 4.13 Casco element Vermolenweg 42 Geesteren
De casco-benadering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan voor het plan voor de Broekdijk 61 te Mander, Dikkersbosweg 3 te Albergen en Vermolenweg 42 te Geesteren.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
In het kader van vooroverleg wordt het TAM-Omgevingsplan ter inzage gelegd en met de provincie gedeeld, aangezien er sprake is van een plan waar de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving op van toepassing is. Wel is er sprake van een regulier KGO-plan welke past binnen het gemeentelijke- en provinciale beleid.
Via www.hetwateradvies.nl is het plan kenbaar gemaakt bij het waterschap. In paragraaf 5.12 is de reactie van het waterschap beschreven.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat een wijziging van het Omgevingsplan alleen wordt vastgesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de wijziging zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden.
Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Gelet op de jurisprudentie wordt gesteld dat de voorgestelde ontwikkeling dermate klein is dat deze niet voldoende substantieel is om in aanmerking te komen als stedelijke ontwikkeling. De ontwikkelingen vinden plaats op bestaande woonerven. Ter compensatie wordt op een bestaand agrarisch erf landschapsontsierende bebouwing gesloopt en wordt het agrarisch erf zowel in oppervlakte (bedrijfsperceel) als in bebouwingsmogelijkheden beperkt. De ontwikkelingen zijn relatief kleinschalig en passen daarmee qua schaal goed in de omgeving van de plangebieden.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.
In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het plan voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. De voorgenomen plannen zijn niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan echter wel worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwplannen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.
Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
In voorliggend plan wordt een bestaande woning aan de Dikkersbosweg 3 met 281 m3 vergroot. Aan de Vermolenweg 42 in Geesteren wordt een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mogelijk gemaakt en wordt bestaande bebouwing ter plaatse van de functie 'Agrarisch - 1' gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'veldschuur'. De drempelwaarden uit bijlage V worden niet overschreden. De aard en omvang van de ontwikkeling is zeer gering en de ontwikkeling wordt landschappelijk goed ingepast. Daarmee is er geen spake van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Ter compensatie van de extra bouwmogelijkheden worden twee landschapsontsierende gebouwen met asbest bij een bestaand agrarisch bedrijf aan de Broekdijk 61 te Mander gesloopt. De oppervlakte van de te slopen bebouwing bedraagt 439 m2. Daarnaast wordt het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak) als gevolg van dit plan verkleind. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de verwachte milieuhinder, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit Hoofdstuk 5 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen voor het milieu heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). Evenmin is een plan-mer-beoordeling noodzakelijk.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot de mer-beoordeling, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering' (augustus 2024). De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren moet worden getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Als gevolg van het plan worden geen nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt. Het plan heeft betrekking op de volgende ontwikkelingen:
De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op de verkeers- en parkeersituatie ter plaatse. Aan de Broekdijk 61 is reeds sprake van een bestaand agrarisch bedrijf welke in de bouwmogelijkheden wordt beperkt en het bedrijfsperceel wordt verkleind. De bedrijfsactiviteiten nemen daarmee niet toe.
Aan de Dikkersbosweg 3 en Vermolenweg 42 zijn reeds bestaande woningen aanwezig. Ook hier geldt dat de extra bouwmogelijkheden geen invloed hebben op de verkeers- en parkeersituatie. Op alle erven geldt immers dat de bestaande parkeerbehoefte op eigen erf opgevangen kan worden en dat de bestaande verkeersgeneratie reeds via de bestaande infrastructuur kan worden afgewikkeld.
Het plan voldoet aan het parkeerbeleid. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot verkeer en parkeren, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebied
Het plan heeft betrekking op drie plangebieden binnen de gemeente Tubbergen. Hieronder wordt de afstand van de plangebieden tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden weergegeven.
Het plangebied Broekdijk 61 in Mander grenst aan Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek. In figuur 5.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.
Figuur 5.1: Ligging plangebied Broekdijk 61 t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator)
Het plangebied aan de Broekdijk 61 Mander is zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom mogelijk aan de orde. In het Natura 2000-gebied zijn geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Voorgenomen ingreep dient getoetst te worden aan de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypes behorend tot Natura 2000-gebied: Springendal & Dal van de Mosbeek. In onderstaande figuur 5.2 wordt ingegaan op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypes behorend tot Natura 2000-gebied: Springendal & Dal van de Mosbeek.
Figuur 5.2: Habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek
Voor bovenstaande habitatrichtlijnsoorten geldt uitbreiding en behoud van populaties, omvang leefgebied en verbetering en behoud van de kwaliteit van het leefgebied. Met behulp van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is een inschatting gemaakt van het voorkomen van deze habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000 gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. In een ruim zoekgebied rondom het plangebied in de NDFF zijn waarnemingen bekend van vliegend hert. Andere soorten ontbreken binnen dit zoekgebied. Deze soorten worden, gezien de ecologie, niet verwacht in het deel Natura 2000 gebied dat grenst aan het plangebied.
Vliegend hert is gebonden aan oud eikenbos en eikenhakhoutsingels. Rondom het plangebied zijn eiken aanwezig. Voorgenomen ingreep tast geen eiken aan. Voorgenomen ingreep heeft geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor habitatrichtlijnsoorten. Van de habitattypes die gelden voor Natura 2000 gebied: Springendal & Dal van de Mosbeek zijn geen van de habitattypes aanwezig rondom het plangebied. Voorgenomen ingreep heeft dan ook geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypes behorend tot dit Natura 2000 gebied.
Om te onderzoeken of het verwijderen van de kuilvoerplaten en het slopen van de schuren kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op het naastgelegen Natura 2000-gebied, is door Natuurbank Overijssel een AERIUS-berekening uitgevoerd (projectnummer 7242A, versie 1.0 d.d. 24 april 2025). De rapportage is als Bijlage 6 bij deze motivering opgenomen. De invoergegevens en rekenresultaten (projectberekening) zijn in Bijlage 7 opgenomen. De resultaten zijn hieronder weergegeven.
De activiteit in de ontwikkelfase leidt tot een NOx-emissie van 1,3 kg/jaar en een NH3-emissie van 48,6 g/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Als gevolg van de ontwikkelfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het plangebied Dikkersbosweg 3 in Albergen ligt op minimaal 9,5 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is 'Lemselermaten'. In figuur 5.3 is de ligging van het Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied weergegeven.
Figuur 5.3: Ligging plangebied Dikkersbosweg 3 t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator)
Negatieve effecten zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde vanwege de onderlinge afstand.
Als gevolg van het plan vinden gedurende een bepaalde termijn bouwwerkzaamheden plaats waarbij sprake zal zijn van de verbranding van fossiele brandstoffen. Vanwege de afstand tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de (geringe) mate van bouwwerkzaamheden kan een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten.
Het plangebied Vermolenweg 42 in Geesteren ligt op circa 1,8 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied 'Engbertsdijksvenen'. In figuur 5.4 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.
Figuur 5.4: Ligging plangebied Vermolenweg 42 t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator)
Negatieve effecten zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde vanwege de onderlinge afstand.
Aangezien het plan enkel voorziet in de legalisatie van bestaande bebouwing aan de Vermolenweg 42 is het uitvoeren van een stikstofonderzoek niet noodzakelijk. Er vinden immers geen bouwwerkzaamheden plaats die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie. Evenmin neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied toe.
Conclusie
Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie plangebied
Hieronder wordt per plangebied ingegaan op de ligging ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied aan de Broekdijk 61 in Mander ligt op gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. In figuur 5.5 is de ligging weergegeven.
Figuur 5.5: Ligging Broekdijk 61 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas leefomgeving)
Omdat het plangebied aan de Broekdijk 61 in Mander binnen het Natuurnetwerk Nederland ligt, dient voorgenomen initiatief getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. het Natuurnetwerk Nederland.
In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) maken geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot:
De functie zal niet wijzigen bij de voorgenomen werkzaamheden. Wel wordt het agrarisch bouwperceel verkleind en neemt de bebouwde oppervlakte af. Het plan leidt niet tot aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren. Evenmin leidt het plan tot vermindering van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland of de aantasting van de samenhang tussen de onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland.
Het plangebied aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen ligt op circa 1,04 kilometer afstand van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied aan de Vermolenweg 42 in Geesteren ligt op minimaal 570 meter van het Natuurnetwerk Nederland. In figuur 5.6 en 5.7 is de ligging van de plangebieden Dikkersbosweg 3 en Vermolenweg 42 ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 5.6: Ligging Dikkersbosweg 3 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas leefomgeving)
Figuur 5.7: Ligging Vermolenweg 42 t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas leefomgeving)
Aangezien de plangebieden aan de Dikkersbosweg 3 en Vermolenweg 42 in Geesteren buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen, hoeven deze niet nader getoetst te worden. Het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Conclusie
De plangebiede aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen en Vermolenweg 42 in Geesteren liggen buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied aan de Broekdijk 61 in Mander behoort wel voor een deel tot het Natuurnetwerk Nederland. De functie zal echter niet wijzigen bij de voorgenomen werkzaamheden. Als gevolg van het plan wordt het agrarisch bouwperceel verkleind en neemt de bebouwde oppervlakte af. Het plan leidt niet tot aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren. Evenmin leidt het plan tot vermindering van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland of de aantasting van de samenhang tussen de onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. Het plan heeft geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie plangebied
Natuurbank Overijssel is gevraagd om de wettelijke consequenties van het voorgenomen plan in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. De bevindingen zijn gerapporteerd in de quickscan natuurwaarden welke als Bijlage 5 bij deze motivering is opgenomen. Om de invloed van het plan op beschermde flora en fauna te onderzoeken heeft Natuurbank Overijssel op 21 januari 2025 een veldbezoek uitgevoerd. In Bijlage 5 zijn de onderzoeksmethodiek en resultaten weergegeven. Hieronder wordt kort ingegaan op de resultaten per plangebied.
Broekdijk 61 Mander
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, er nestelen vogels. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën bezetten een voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Beschermde kevers zijn mogelijk aanwezig in het plangebied maar worden niet nadelig beïnvloed bij uitvoer van voorgenomen werkzaamheden.
Als gevolg van het uitvoeren van sloopwerkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord. Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd.
Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren van niet jaarrond beschermde vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.
Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.
Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden worden geen beschermde kevers gedood en worden geen rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde kevers negatief beïnvloed.
Dikkersbosweg 3 Albergen
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, er nestelen geen vogels. Grondgebonden zoogdieren bezetten wel een voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Amfibieën bezetten geen voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Vleermuizen bezetten eveneens geen verblijfplaats in het plangebied.
Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt voortplantings- en rustplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.
Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.
Vermolenweg 42 Geesteren
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde vogels. Vogels kunnen een nest bezetten in het plangebied. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën bezetten geen voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Vleermuizen bezetten eveneens geen verblijfplaats in het plangebied.
Als gevolg van het uitvoeren van bouwwerkzaamheden en het uitvoeren van grondverzet tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord. Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd.
Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren van niet jaarrond beschermde vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden voor aanvang van de werkzaamheden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Als gevolg van de voorgenomen activiteit wordt geen grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen voortplanting- en rustplaats verstoord, beschadigd of vernield.
Als gevolg van de voorgenomen activiteit wordt geen amfibie gedood en wordt geen voortplantings- en rustplaats verstoord, beschadigd of vernield.
Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.
Conclusie
Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
In voorliggend plan is sprake van de sloop van twee landschapsontsierende gebouwen op een agrarisch bedrijf. Ter compensatie van deze sloop worden op twee percelen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen extra bouwmogelijkheden geboden voor respectievelijk het uitbreiden van de woning en het legaliseren van bestaande hobbymatige dierenverblijven door deze te voorzien van de aanduiding 'veldschuur'. Het plan leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Vergeleken met bovenstaande projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging kan gesteld worden dat voorliggend plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot luchtkwaliteit, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Figuur 5.8: Standaardwaarden (bron: art. 5.78T van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. De plangebieden zijn alle drie gelegen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Daarmee maakt het plangebied onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. De algemene kwalificatie voor de geluidsambitie in het buitengebied is 'rustig'. Voor wegverkeer geldt een ambitie van 'redelijk rustig' (48 dB en een bovengrens van 'onrustig' (53 dB). Voor bedrijven geldt een ambitie 'rustig' (43 dB) en een bovengrens van 'redelijk rustig (48 dB)'.
Weg- en railverkeerslawaai
In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
De plangebieden zijn allemaal gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de aangrenzende wegen (Broekdijk, Dikkersbosweg en Vermolenweg). Het plan maakt echter geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen mogelijk. Hierdoor wordt een nadere uitwerking voor wat betreft weg- en railverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht.
Industrielawaai
De plangebieden liggen niet in de nabijheid van een bedrijventerrein of industrieterreinen waarvoor geluidproductieplafonds (gpp's) zijn vastgesteld.
Solitaire bedrijvigheid
Aan de Broekdijk 61 wordt reeds aan agrarisch bedrijf geëxploiteerd. Als gevolg van het plan worden twee landschapsontsierende gebouwen gesloopt en wordt het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak) verkleind. Er wordt geen nieuw agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt waardoor het plan ten aanzien van geluid geen invloed heeft op de bestaande woningen in de omgeving.
Daarnaast voorziet dit plan in de vergroting van een bestaande woning op een bestaand woonperceel (Dikkersbosweg 3) en maakt het de legalisatie van een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij de woning aan de Vermolenweg 42 mogelijk (maximaal 246 m2) en tevens de legalisatie van twee hobbymatige dierenverblijven met een oppervlakte van 83 m2 door deze gebouwen te voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. Tevens wordt de bestaande verharding met een oppervlakte van 95 m2 gelegaliseerd. Daarbij wordt het woonperceel niet uitgebreid (Vermolenweg 42 Geesteren). Er worden geen nieuwe geluidgevoelige functies of geluidbelastende functies toegevoegd.
Tevens wordt opgemerkt dat de woning binnen het bouwvlak gebouwd moet worden waardoor de woning niet dichter bij milieubelastende functies en/of activiteiten gerealiseerd kan worden. Voorts geldt dat de dichtstbijzijnde milieubelastende functies (agrarische bedrijven) op een afstand van minimaal 165 meter (Vermolenweg 43a) en 470 meter (Broekbeekweg 24) van de bestaande woning liggen. Daarmee worden deze bedrijven niet in hun bedrijfsmogelijkheden beperkt.
Gelet op het vorenstaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl bevat instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld: zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) en enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).
Volgens artikel 5.92 Bkl wordt rekening gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze aanvaardbaar is. Met deze bepaling is geregeld dat bij de vaststelling van een omgevingsplan/BOPA in ieder geval rekening wordt gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij moet rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vergt een zorgvuldige belangenafweging van de gemeenteraad.
Bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functie moet ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Om dat te beoordelen moet er worden getoetst aan de normen in de BS en Bal waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als deze er niet toe leidt dat het geur emitterende bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor hem geldende normen (BS en Bal) dan is er sprake van een beperking in de bedrijfsvoering.
Het plan maakt geen nieuwe geurgevoelige functies mogelijk. Het plan voorziet enkel in de uitbreiding van bouwmogelijkheden voor het vergroten van de bestaande woning (Dikkersbosweg 3) en de legalisatie van een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken aan de Vermolenweg 42 in Geesteren. Tevens worden de hobbymatige dierenverblijven ter plaatse van de functie 'Agrarisch - 1' gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. Daarmee is niet mogelijk om vergunningsvrije bouwwerken ten behoeve van het wonen op kortere afstand te realiseren van agrarische bedrijven ten opzichte van de bestaande situatie.
Tevens wordt opgemerkt dat de dichtstbijzijnde agrarische bedrijven zijn gelegen aan de Vermolenweg 43a in Geesteren en aan de Broekbeekweg 24 te Geesteren. Het agrarische bedrijf aan de Vermolenweg 43a is gelegen op een afstand van minimaal 165 meter ten opzichte van de bestaande woning aan de Vermolenweg 42 die binnen een bouwvlak gebouwd moet worden. Aan de Vermolenweg 43a is sprake van een melkveehouderijbedrijf waarvoor een vaste afstand geldt. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Ten opzichte van de bestaande (planologische) situatie is het niet mogelijk om nieuwe geurgevoelige gebouwen (hoofdgebouwen, vrijstaande bijbehorende bouwwerken of vergunningsvrije bouwwerken) op kortere afstand van dit agrarische bedrijf te realiseren.
Daarnaast bevindt zich aan de Broekbeekweg 24 in Geesteren een agrarisch bedrijf waar vleesvee wordt gehouden. De woonfunctie aan de Vermolenweg 42 wordt zoals aangegeven niet uitgebreid, maar de legalisatie van de gebouwen voor het hobbymatig houden van dieren wordt voorzien van de aanduiding 'veldschuur'. Derhalve leidt de beoogde de ontwikkeling niet tot belemmeringen bij het agrarische bedrijf.
Voor wat betreft het hobbymatig houden van dieren geldt dat de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing zijn. Tevens leidt het niet tot geuroverlast bij omwonenden aangezien de afstand tot de woning Vermolenweg 44 circa 40 meter bedraagt en de afstand tot de Vermolenweg 41 circa 75 meter.
Tot slot voorziet het plan niet in een nieuwe geurbelastende functie. Aan de Broekdijk 61 is reeds sprake van een agrarisch bedrijf (akkerbouwbedrijf). Als gevolg van het plan worden de bouwmogelijkheden beperkt als gevolg van de sloop van twee landschapsontsierende gebouwen en het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak) wordt verkleind. Wel blijft het agrarisch bedrijf de akkerbouwwerkzaamheden voortzetten maar er wordt geen vee gehouden. Op grond van het VNG-servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering' geldt voor een akkerbouwbedrijf een richtafstand van 10 meter in verband met het aspect 'geur'. Daar wordt - conform de bestaande situatie - reeds aan voldaan.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Het plan voorziet niet in een toevoeging van nieuwe kwetsbare gebouwen en/of kwetsbare locaties. Het plan voorziet enkel in de sloop van twee landschapsontsierende gebouwen op een bestaand agrarisch bedrijfsperceel. Daarnaast wordt een bestaande woning op een bestaand woonerf (Dikkersbosweg 3) mogelijk gemaakt.
Hoewel het bestaande woonerf aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen binnen een brandaandachtsgebied van een buisleiding (aardgas) met kenmerk N-531-33 ligt, neemt het aantal personen niet toe. Tevens is er geen sprake van een nieuw kwetsbaar of beperkt kwetsbaar gebouw of locatie binnen het aandachtsgebied.
Aan de Vermolenweg 42 wordt een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken gelegaliseerd en worden de bestaande gebouwen ter plaatse van de functie 'Agrarisch - 1' gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. De veldschuur kan niet worden aangemerkt als kwetsbaar gebouw. Voorts geldt dat het perceel Vermolenweg 42 op ten minste 4 kilometer afstand ligt van de dichtstbijzijnde risicobronnen. In figuur 5.8 is de ligging van het perceel aan de Vermolenweg 42 in Geesteren ten opzichte van deze risicobronnen weergegeven. Het plangebied is met de blauwe cirkel aangeduid.
Figuur 5.8: Uitsnede Atlas Leefomgeving, omgevingsveiligheid (bron: Atlas Leefomgeving)
Als gevolg van het plan kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Evenmin ligt het plangebied in een aandachtsgebied van een risicobron. Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels die zien op activiteiten, anders dan het wonen, die op een locatie worden uitgevoerd en die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De instructieregels gelden zowel bij het toestaan van de trillingveroorzakende activiteit, als bij het toestaan van trillinggevoelige gebouwen. De in deze paragraaf vastgelegde instructieregels zijn niet van toepassing op trillingen die afkomstig zijn van het gebruik van woningen.
Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn. De omstandigheid dat de instructieregels voor trillingen in een aantal gevallen (zoals omschreven in het tweede lid) niet van toepassing zijn, laat onverlet dat – in verband met de toets aan een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' – bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gemotiveerd dient te worden dat de ter plaatse van trillinggevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. Afhankelijk van deze beoordeling, dient bij de verlening van BOPA bezien te worden of de te verwachten trillingen genormeerd moeten worden door bijvoorbeeld het stellen van emissie- en/of immissienormen als voorwaarden aan de vergunning.
Uit artikel 5.83 Bkl volgt dat bij de vaststelling van het omgevingsplan/verlenen BOPA de aanvaardbaarheid van optredende trillingen die kunnen optreden in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen moet worden beoordeeld. De regels in het omgevingsplan/voorwaarden BOPA moeten vervolgens bewerkstelligen dat de trillingen die een activiteit ter plaatse van trillinggevoelige ruimten die zijn gelegen in trillinggevoelige gebouwen, aanvaardbaar zijn (lid 2). De strekking van art. 5.83 is vergelijkbaar met de in art. 5.59 opgenomen regeling voor het aspect geluid.
Het aspect trillingen is niet relevant voor de plangebieden omdat deze niet in de nabijheid van spoorlijnen of bedrijven waar trillingen kunnen plaatsvinden liggen en de activiteiten zelf geen trillingen veroorzaken. Tevens wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt die kan leiden tot trillingshinder.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot trillingen, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelfuncties en cultuurhistorische dubbelfuncties opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Broekdijk 61 Mander
Op grond van het geldende omgevingsplan geldt voor de Broekdijk 61 in Mander de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 3'. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij werken en/of werkzaamheden waarbij de bodem geroerd wordt over een oppervlakte van 2.500 m2 of meer en dieper dan 40 cm.
Als gevolg van het plan worden twee landschapsontsierende gebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 439 m2 gesloopt en wordt het agrarisch bouwvlak verkleind. De drempelwaarden worden niet overschreden waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Dikkersbosweg 3 Albergen
Voor de Dikkersbosweg 3 in Albergen geldt op grond van het geldende omgevingsplan de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 4'. Ter plaatse van deze gronden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk bij werken en/of werkzaamheden waarbij de bodem wordt geroerd over een oppervlakte van 5.000 m2 of meer en dieper dan 40 cm.
Het plan voorziet in de uitbreiding van de woning met een inhoud van 281 m3. Daarmee wordt de genoemde oppervlakte niet overschreden waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Vermolenweg 42 Geesteren
Het perceel Vermolenweg 42 is op grond van het geldende omgevingsplan eveneens voorzien van de dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 4'. Het plan voorziet in de legalisatie van bestaande bebouwing. De oppervlakte van 5.000 m2 wordt niet overschreden waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Tot slot bevinden zich binnen de plangebieden geen cultuurhistorische waarden. De bestaande bebouwing binnen het plangebied is niet aangemerkt als karakteristieke bebouwing en er zijn geen gemeentelijke monumenten aanwezig. De voorziene ontwikkeling doet dan ook geen afbreuk aan omliggende culturele waarden. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk.
Deze gaan over:
Situatie plangebied
Er bevinden zich in de plangebieden en in de directe omgeving geen rijks- en gemeentelijke monumenten, waarvan de cultuurhistorische waarden door voorliggend plan negatief beïnvloed zou kunnen worden. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot archeologie en cultuurhistorie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De bodem moet geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m2.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Broekdijk 61 Mander
Aan de Broekdijk 61 in Mander worden twee landschapsontsierende gebouwen met asbest gesloopt. Door Kruse Milieu BV is een vooronderzoek conform NEN 5725 en verkennend asbestbodemonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd (projectcode 24068018, d.d. 28 januari 2025). Het rapport is als Bijlage 8 bij deze motivering opgenomen. Hieronder worden de resultaten en conclusies weergegeven.
Het vooronderzoek heeft plaatsgevonden conform norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er 1 asbestverdachte druppelzone aanwezig is. De asbestverdachte druppelzone bevindt zich ten noorden van de te slopen kapschuur met asbesthoudende golfplaten.
Het verkennend asbestbodemonderzoek is uitgevoerd ter plekke van de asbestverdachte druppelzone en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem met betrekking tot asbest.
Resultaten veldwerk
In totaal zijn er in totaal 3 inspectiegaten gegraven. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zwak siltig, matig tot sterk humeus zand. Er zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de opgeboorde bodem. De golfplaten op het dak van de schuur zijn plaatselijk licht beschadigd. In de schuur liggen stukken golfplaat op de betonverharding opgeslagen. Dit zal worden afgevoerd tijdens de sloopwerkzaamheden.
Resultaten asbestanalyses
Op basis van de resultaten van de asbestanalyse kan het worden geconcludeerd dat het mengmonster MM FF - A asbesthoudend is. Het gewogen asbestgehalte is hoger dan de interventiewaarde voor asbest.
Conclusies en aanbevelingen
Geadviseerd wordt de druppelzone te saneren. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de omvang van de asbestverontreiniging geschat op circa 6 m3 (circa 20 meter lang x 1.0 meter breed en 0.3 meter diep).
Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag.
Voorafgaande aan de sanering dient een saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.
Met inachtneming van de conclusies en aanbevelingen vormt het aspect 'bodem' geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. In de planregels is geborgd dat de sanering uitgevoerd moet worden.
Dikkersbosweg 3 Albergen
Aan de Dikkersbosweg 3 in Albergen wordt een bestaande woning op een bestaand woonerf vergroot. Daarmee wordt geen nieuw bodemgevoelig gebouwd mogelijk gemaakt. Het betreft enkel de uitbreiding van een bestaande woning. Het aspect 'bodem' vormt voor de Dikkersbosweg 3 geen belemmering.
Vermolenweg 42 Geesteren
Aan de Vermolenweg 42 wordt als gevolg van dit plan bestaande bebouwing gelegaliseerd. Er wordt geen nieuw bodemgevoelig gebouw of terrein mogelijk gemaakt. Het aspect 'bodem' vormt derhalve geen belemmering voor dit plan.
Geconcludeerd wordt dat het aspect bodem niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Broekdijk 61 Mander
Op 8 februari 2025 is het waterschap via www.hetwateradvies.nl geïnformeerd over het plan. Op grond van hiervan geldt de normale procedure omdat er sprake is van een bedrijfsmatige activiteit die wordt uitgevoerd, waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken. Dit heeft betrekking op het reeds bestaande akkerbouwbedrijf wat daar wordt geëxploiteerd. De watertoets is als Bijlage 9 bij de motivering opgenomen.
Als gevolg van het plan wordt enkel het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak) aangepast en worden twee landschapsontsierende gebouwen gesloopt. De oppervlakte aan bebouwing en verharding neemt fors af. Derhalve leidt het plan niet tot negatieve effecten ten aanzien van de waterhuishouding.
Dikkersbosweg 3 Albergen
Op 8 februari 2025 is het waterschap via www.hetwateradvies.nl geïnformeerd over het plan. Op grond van hiervan geldt de korte procedure. De watertoets voor de Dikkersbosweg 3 is als Bijlage 10 bij de motivering opgenomen.
Op 10 februari 2025 heeft het waterschap als gevolg van het digitale wateradvies geconcludeerd dat de ruimtelijk relevante wateraspecten van het plan voor de Dikkersbosweg 3 in Albergen gering zijn en/of tijdelijk van aard. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen dit plan.
Vermolenweg 42 Geesteren
Op 8 februari 2025 is het waterschap via www.hetwateradvies.nl geïnformeerd over het plan. Op grond van hiervan geldt de korte procedure. De watertoets is als Bijlage 11 bij de motivering opgenomen.
Op 17 februari 2025 heeft het waterschap als gevolg van het digitale wateradvies geconcludeerd dat de ruimtelijke relevante wateraspecten van het plan gering zijn en/of tijdelijk van aard. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen het plan.
Het waterschap heeft op voorhand akkoord gegeven op de plannen. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot het waterbelang, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om gewassen te beschermen, worden (chemische) bestrijdingsmiddelen gebruikt. Deze middelen worden door middel van spuitbomen aangebracht op gewassen en een deel hiervan kan verwaaien naar de naastliggende omgeving. Dit wordt ook wel drift genoemd.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de openlucht worden geteeld in de buurt van gevoelige functies, zoals woningen. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen is met name gericht op de reductie van risico's van het gebruik van deze middelen voor het watermilieu. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In deze wet zijn ook bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de professionele gebruikers. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat regels om de emissie van bestrijdingsmiddelen naar het water te reduceren. De afstanden en teeltvrije zones die hierin worden genoemd zijn gerelateerd aan het oppervlakte water. Het Besluit activiteiten leefomgeving is daarom evenmin bruikbaar.
De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State doet met enige regelmaat uitspraak over zogenoemde spuitvrije zones. De rechtspraak over spuitvrije zones ziet op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en agrarische bedrijvigheid. Uit deze rechtspraak volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen 'niet onredelijk wordt geacht'. Deze afstand mag wel worden verkleind, maar dan moet de overheid dit wel goed motiveren aan de hand een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Echter, het gebruik van rekenmodellen is volgens de rechtspraak nog weinig succesvol.
In eerste instantie betroffen de uitspraken van de Afdeling kwesties over hoogstamteelt. De spuithoogte bij deze teelt is hoger dan bij andere teelten. De grotere hoogte van spuiten leidt tot een ruimere verspreiding van het middel door de lucht naar de omgeving. Deze drift is mede afhankelijk van de windrichting en windkracht. Uit recente rechtspraak volgt dat het niet alleen gaat om gewasbescherming bij hoogstamteelt, maar om agrarische bedrijvigheid waarbij agrarische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Dit plan voorziet in de sloop van vrijgekomen landschapsontsierende bebouwing op een bestaand agrarisch bedrijfsperceel aan de Broekdijk 61 in Mander (akkerbouwbedrijf). Als gevolg van de sloop van de bebouwing worden de bouwmogelijkheden beperkt en het agrarisch bedrijfsperceel (bouwvlak) wordt verkleind. Wel blijft het agrarisch bedrijf de akkerbouwwerkzaamheden voortzetten, maar deze activiteiten worden ten opzichte van de bestaande situatie niet uitgebreid. Eveneens wordt geen nieuwe gevoelige functie gerealiseerd aan de Broekdijk 61 in Mander waardoor het aspect 'spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen' voor de Broekdijk 61 niet tot onevenredige hinder leidt.
Op het perceel Dikkersbosweg 3 in Albergen worden enkel de bouwmogelijkheden van de woning verruimd. Het perceel is reeds voorzien van een woonfunctie waarmee het reeds is aangewezen voor woondoeleinden en er vergunningsvrij bouwwerken ten behoeve van het wonen gebouwd kunnen worden. Het plan voorziet enkel in een verruiming van de bouwmogelijkheden ten opzichte van de woning (vergroten inhoud).
Aan de Vermolenweg 42 worden bestaande bijbehorende bouwwerken gelegaliseerd en worden de bestaande hobbymatige dierenverblijven ter plaatse van de functie 'Agrarisch - 1' gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'veldschuur'. Deze gebouwen zijn niet bestemd voor het wonen of langdurig verblijf van mensen, waardoor het niet als gewasbescherminggevoelige functie kan worden aangemerkt.
Het plan voorziet niet in nieuwe gewasbeschermingsgevoelige functies.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met de initiatiefnemers een overeenkomst gesloten. Los van het kostenverhaal zijn initiatiefnemers leges verschuldigd voor het doorlopen van de planologische procedure. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het onderhavige plan financieel uitvoerbaar.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.
De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties Broekdijk 61 in Mander, Dikkersbosweg 3 in Albergen en Vermolenweg 42 in Geesteren, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMVER42DIK3BROE61-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
Toelichting op de regels
Functieomschrijving 'Agrarisch - 1'.
De gronden binnen de functie ‘Agrarisch - 1’ hebben als hoofdfunctie de uitoefening van een agrarisch bedrijf en het agrarisch gebruik in combinatie met het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden. Op grond van het geldende omgevingsplan is het bestaande agrarische bedrijf aan de Broekdijk 61 in Mander reeds voorzien van de functie 'Agrarisch -1' en de akkerbouwactiviteiten zullen doorgezet worden. Aangezien twee landschapsontsierende gebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 439 m2 worden gesloopt en de aanwezige kuilvoerplaten worden verwijderd, zijn de bouwregels hier op aangepast. Dat betekent dat de overgebleven oppervlakte aan bedrijfsbebouwing als maximum is vastgelegd, deze oppervlakte bedraagt 495 m2. Daarvoor is de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' opgenomen. Tevens is het bouwvlak als gevolg van dit plan gewijzigd (verkleind), waardoor de mogelijkheden voor het bouwen en verharden eveneens beperkt zijn.
Om de landschappelijke inpassing van het plangebied te borgen is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.
Achter het perceel aan de Vermolenweg 42 worden de bestaande gebouwen (hobbymatige dierenverblijven) gelegaliseerd door deze te voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur' waarbij de oppervlakte aan bebouwing maximaal 83 m2 mag bedragen. Tevens wordt de bestaande verharding gelegaliseerd met een oppervlakte van 95 m2 en worden de mest- en voederplaten met een oppervlakte van 10 m2 ten behoeve van deze hobbymatige dieren gelegaliseerd.
Functieomschrijving 'Wonen - Wonen in het buitengebied'
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen - Wonen in het buitengebied' heeft de volgende functie: wonen in het buitengebied, met daaraan ondergeschikt de tuinen, erven en terreinen en bouwwerken geen gebouwen zijnde.
Voor de Dikkersbosweg 3 is de maximale inhoud van de woning aangepast om de uitbreiding mogelijk te maken. De maximale inhoud van de woning is door middel van een aanduiding 'maximum volume (m3)' geborgd.
Om de bijbehorende bouwwerken aan de Vermolenweg 42 in Geesteren te legaliseren is de maximale oppervlakte aan (vrijstaande) bijbehorende bouwwerken verruimd. Door middel van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' is de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken geborgd (246 m2).
Om de landschappelijke inpassing van de plangebieden te borgen is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.
Dubbelfuncties en gebiedsaanwijzingen
Daarnaast zijn conform het geldende omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Tubbergen de volgende dubbelfuncties en gebiedsaanwijzigingen opgenomen: